Het verzwakte christendom is een groot probleem, niet de Islam

Hoe het Westen zijn geestelijke fundament verloor

of:

Hoe de islam het ontstane vacuüm vult en christenen hun eigen geloof nauwelijks nog durven verdedigen

Er wordt veel gesproken over de islamisering van Europa. Over moskeeën, migratie, islamitische invloed, religieuze gevoeligheden en de toenemende druk om kritiek op de islam vooral voorzichtig te formuleren.
Maar misschien stellen we wel de verkeerde vraag.

De vraag is niet alleen waarom de islam in het Westen steeds zichtbaarder wordt. De veel ongemakkelijkere vraag is:

Waarom heeft het christendom zo gemakkelijk terrein prijsgegeven?

Want een beschaving die niet meer weet waarin ze gelooft, hoeft niet door een andere beschaving overwonnen te worden. Zij heeft zichzelf al ontwapend.
En daar ligt het probleem.

Een christendom dat zijn eigen fundament heeft verlaten

Het Westen is niet van de ene op de andere dag ontkerstend. Het gebeurde geleidelijk. Generatie na generatie werden christelijke overtuigingen afgezwakt, Bijbelse normen gerelativeerd en geestelijke waarheden ingeruild voor maatschappelijk aanvaardbare opvattingen.
Het resultaat is een uiterst merkwaardige vorm van christendom.
Er wordt nog gesproken over God, liefde, genade en naastenliefde. Maar zodra het gaat over zonde, bekering, Gods heiligheid, het oordeel of de waarheid van het Evangelie, wordt het ongemakkelijk.
Dan klinkt al snel dat we vooral niemand mogen kwetsen.
Alsof de grootste zonde inmiddels is geworden dat iemand zich aan de waarheid zou kunnen ergeren.
Maar sinds wanneer wordt de waarheid bepaald door de vraag of mensen haar aangenaam vinden?

De apostel Paulus schreef:

“En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds…” (Romeinen 12:2, STV)

Dat is geen oproep om het christendom doorlopend aan de tijdgeest aan te passen.
Het is juist een waarschuwing om dat niet te doen.
Toch lijkt met name die aanpassing in grote delen van het westerse christendom de norm geworden.

Wanneer zonde niet meer zo genoemd wordt

Een van de meest ingrijpende veranderingen is de manier waarop tegenwoordig over goed en kwaad wordt gedacht.
De moderne samenleving hanteert steeds vaker een eenvoudige maatstaf: zolang niemand aantoonbaar schade ondervindt, is iets moreel aanvaardbaar.
Die gedachte klinkt sympathiek.
Maar is niet hetzelfde als de Bijbelse moraal.
De Schrift leert immers dat het kwaad niet pas begint wanneer iemand een ander lichamelijk beschadigt.
Het begint in het hart van de mens.
De Here Jezus Christus zegt:

“Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.” (Markus 7:21-22, STV)

Let op wat de Here Jezus hier doet.
Hij beperkt de zonde niet tot zichtbaar geweld of aantoonbare maatschappelijke schade. Hij spreekt over begeerten, gedachten, hoogmoed en de innerlijke gesteldheid van de mens.
Dat is essentieel.
Een samenleving kan lichamelijk geweld afkeuren en tegelijkertijd hebzucht verheerlijken, wellust aanmoedigen, hoogmoed belonen en afgunst commercieel exploiteren.
Sterker nog: een aanzienlijk deel van onze consumptiecultuur draait op precies die verlangens.
En wat doet het moderne christendom?
Veel te vaak zwijgt het.
Niet omdat de Schrift onduidelijk is, maar omdat duidelijke Bijbelse uitspraken ‘maatschappelijk ongewenst’ zijn geworden.
Wanneer de cultuur bepaalt wat zonde mag heten, heeft de kerk haar gezag al uit handen gegeven.

De islam vult een leegte op die het Westen zelf heeft geschapen

Hier wordt de verhouding tussen islam en christendom erg interessant.
De islam presenteert zich als een religie met duidelijke overtuigingen. Zij kent religieuze verplichtingen, voorschriften over het dagelijkse leven, opvattingen over mannen en vrouwen en een sterk besef van religieuze identiteit.
Dat betekent dus niet dat die overtuigingen dus waar zijn.
Een religie kan zeer consequent zijn en toch op fundamentele punten dwalen.
Maar duidelijkheid heeft aantrekkingskracht in een samenleving die steeds minder zeker weet wat ze zelf gelooft.
Wanneer het Westen nauwelijks nog durft te spreken over waarheid, moraal en de betekenis van het menselijk bestaan, kan een religie die dat wel doet vanzelf aantrekkelijk worden.
Dat verklaart ook waarom sommige westerlingen zich tot de islam wenden.
Niet noodzakelijk omdat zij de Koran kritisch hebben onderzocht, de historische betrouwbaarheid van de islam hebben vastgesteld of de verschillen tussen Mohammed en de Here Jezus Christus zorgvuldig hebben bestudeerd.
Maar omdat de islam hun iets lijkt te bieden wat de moderne westerse cultuur is kwijtgeraakt: overtuiging, structuur en richting.
En dat is een zeer ernstige aanklacht tegen het verwaterde christendom.
Want waarom zou iemand zich aangetrokken voelen tot een christelijk geloof dat zich nauwelijks nog onderscheidt van het secularisme?
Waarom zou iemand luisteren naar christenen die zelf niet overtuigd lijken van de waarheid van hun eigen boodschap?

Een zelfverzekerde dwaling tegenover een verlegen waarheid

Hier ligt een pijnlijke tegenstelling.
De islam ontkent dat Jezus Christus de Zoon van God is. De Koran verwerpt de kruisiging zoals de Bijbel die verkondigt en bestrijdt essentiele onderdelen van het christelijke geloof.
In Soera 4:157 wordt de kruisiging van Jezus ontkend zoals christenen die belijden. In Soera 5:72 wordt de belijdenis dat Allah de Messias is uitdrukkelijk veroordeeld.
Daarmee staat de islam op fundamentele punten tegenover het Evangelie.
De Schrift verkondigt daarentegen:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

De Here Jezus Christus is niet maar een profeet in een lange rij boodschappers.
Hij is het vleesgeworden Woord, werkelijk God én werkelijk Mens.
Het verschil tussen islam en christendom is daarom niet een kwestie van religieuze smaak of culturele voorkeur.
Het gaat om de identiteit van Jezus Christus, Zijn volbrachte verzoeningswerk en de weg tot behoud.
Maar wat gebeurt er wanneer christenen deze waarheid nauwelijks nog durven uitspreken?
Dan ontstaat de merkwaardige situatie waarin een religie die de Godheid van Christus ontkent met grote overtuiging haar boodschap uitdraagt, terwijl degenen die belijden dat Jezus Christus de Waarheid is, zich verontschuldigen zodra zij dat hardop zeggen.
De islam hoeft niet eens haar eigen gelijk te bewijzen wanneer christenen zich al schamen voor hun eigen gelijk.

 

Het deurmat-christendom: wanneer lafheid voor liefde doorgaat

Er bestaat een vorm van christendom waarin verdraagzaamheid praktisch het hoogste gebod is geworden.
Nooit confronteren. Nooit tegenspreken. Nooit een scherpe vraag stellen. Vooral geen aanstoot geven.
Alles moet vriendelijk blijven.
Maar is dat Bijbels?
De Here Jezus waste de voeten van Zijn discipelen. Hij vernederde Zichzelf en gaf daarmee een indrukwekkend voorbeeld van dienstbaarheid.
Maar dezelfde Here Jezus verdreef ook de handelaars uit de tempel.
Dezelfde Christus die zachtmoedig en nederig van hart is, sprak ook:

“Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden…” (Mattheüs 23:13, STV)

Hij sprak de waarheid, ook wanneer die Zijn toehoorders diep raakte.
Zijn liefde stond nooit tegenover de waarheid.
Het moderne deurmat-christendom heeft daarvan een karikatuur gemaakt.
Het verwart zachtmoedigheid met zwijgen, nederigheid met onzekerheid en liefde met het vermijden van iedere confrontatie.
Maar wie weigert dwaling te weerspreken omdat dat ongemakkelijk is, bewijst daarmee niet automatisch liefde aan degene die dwaalt.
Soms is zwijgen juist de gemakkelijkste weg.
En gemakzucht is geen christelijke deugd.
Paulus schreef:

“Predik het woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” (2 Timotheüs 4:2, STV)

Merk op dat wederleggen, bestraffen en vermanen hier niet tegenover lankmoedigheid staan.
Ze horen bij elkaar.
Waarheid zonder liefde kan hard en liefdeloos worden. Maar liefde zonder waarheid wordt uiteindelijk inhoudsloos.

De islam mag bekritiseerd worden. Het christendom ook

In het publieke debat wordt kritiek op de islam regelmatig verbonden met de vraag of die kritiek vijandigheid tegenover moslims bevordert.
Dat onderscheid verdient zorgvuldigheid.
Een moslim is een mens die met waardigheid behandeld moet worden. Zijn overtuigingen mogen echter net zo kritisch worden onderzocht als die van een christen, atheïst of aanhanger van welke andere levensbeschouwing dan ook.
Kritiek op de islam is niet hetzelfde als vijandigheid tegenover moslims.
Dat onderscheid moet overeind blijven.
Want als religieuze overtuigingen aan kritisch onderzoek worden onttrokken, wordt de zoektocht naar waarheid ernstig belemmerd.
De Koran doet uitspraken over Jezus, de Bijbel, de profeten en de geschiedenis.
Die uitspraken mogen onderzocht worden.
Wanneer de Koran stelt dat Jezus niet gekruisigd werd zoals het Nieuwe Testament verkondigt, mag gevraagd worden op welke historische grond die bewering rust.
Wanneer wordt beweerd dat de Bijbel vervalst is, mag gevraagd worden waar het bewijs daarvoor is.
Wanneer Mohammed als de laatste profeet wordt gepresenteerd, mag gevraagd worden waarom zijn getuigenis zwaarder zou moeten wegen dan dat van de apostelen die al eeuwen eerder over Jezus Christus schreven.
Dat zijn geen beledigingen.
Het zijn gewoon inhoudelijke vragen.
En wie overtuigd is van de waarheid van zijn religie, zou niet bang moeten zijn voor zulke vragen, en die kunnen beantwoorden.
Maar diezelfde bereidheid tot onderzoek moet ook gelden voor christenen. Ook onze overtuigingen moeten aan de Schrift worden getoetst.
Niet traditie, gevoel of maatschappelijke acceptatie is de maatstaf.
Het Woord van God is dat.

Het christendom hoeft geen politieke machtsreligie te worden

Bij de oproep tot christelijke weerbaarheid is wel een belangrijk onderscheid nodig.
Het Evangelie wordt niet verdedigd door mensen met geweld tot geloof te dwingen.
De Gemeente van Jezus Christus is geen wereldlijk koninkrijk dat met militaire macht gevestigd moet worden.
De Here Jezus verklaarde tegenover Pilatus:

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaars gestreden hebben…” (Johannes 18:36, STV)

Daar ligt een principiële grens.
Christelijke vrijmoedigheid is niet hetzelfde als politieke overheersing. En geestelijke strijd is niet hetzelfde als gewapende strijd tegen mensen met een andere religie.
Paulus schreef:

“Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten.” (2 Korinthe 10:4, STV)

De kracht van de Gemeente ligt niet in het zwaard van de overheid, maar in het Woord van God.
Dat maakt christenen niet weerloos.
Het betekent dat hun strijd een ander karakter heeft.
Wij hoeven de islam niet te bestrijden door moslims hun vrijheid te ontnemen. Wij mogen de leer van de islam toetsen, haar tegenstrijdigheden blootleggen en de waarheid van het Evangelie vrijmoedig verkondigen.
Dat is geen zwakte.
Dat is trouw aan de opdracht die de Here Jezus Christus Zijn discipelen heeft gegeven.

Een machtig Westen zonder geestelijke overtuiging

Het moderne Westen beschikt over een ongekende hoeveelheid materiële middelen.
Wetenschap, technologie, economische macht, militaire capaciteit en politieke instellingen hebben een niveau bereikt dat eerdere generaties nauwelijks konden voorstellen.
Maar al die middelen kunnen één ding niet vervangen: geestelijke overtuiging.
Een samenleving kan technisch hoogontwikkeld zijn en tegelijkertijd moreel richtingloos.
Deze kan voortdurend spreken over vrijheid en tegelijkertijd steeds minder verdragen dat iemand aanspraak maakt op objectieve waarheid.
En kan trots zijn op haar historische christelijke erfgoed en tegelijkertijd de inhoud van dat erfgoed nauwelijks nog kennen.
Daar ligt een van de grootste tegenstrijdigheden van onze tijd.
Het Westen heeft enorme vooruitgang geboekt in wat de mens kan, maar lijkt steeds minder zeker te weten waarvoor de mens leeft.
En in die leegte worden alternatieve levensbeschouwingen aantrekkelijk.
De islam is daarvan een zichtbaar voorbeeld, maar zeker niet de enige.
Het onderliggende probleem is dat een samenleving die haar eigen overtuigingen opgeeft, ontvankelijk wordt voor overtuigingen van anderen.

De grootste crisis bevindt zich binnen het christendom zelf

Daarom is het te gemakkelijk om alle problemen bij de islam neer te leggen.
Wie uitsluitend spreekt over islamisering, maar zwijgt over de ontkerstening van het Westen, behandelt symptomen terwijl de onderliggende crisis ongemoeid blijft.
Want wie heeft christenen gedwongen om het gezag van de Schrift te relativeren?
Wie heeft hen gedwongen om de Bijbelse leer over zonde en bekering naar de achtergrond te schuiven?
Wie heeft hen gedwongen om de exclusieve aanspraken van Jezus Christus af te zwakken?
En wie heeft hen gedwongen om het Evangelie te veranderen in een algemene boodschap van vriendelijkheid en maatschappelijke harmonie?
Dat zijn ontwikkelingen waarvoor het christendom zelf verantwoordelijkheid moet nemen.
De apostel Paulus waarschuwde:

“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen naar hun eigen begeerlijkheden.” (2 Timotheüs 4:3, STV)

Die waarschuwing verdient vandaag alle aandacht.
Niet omdat iedere moderne ontwikkeling verkeerd zou zijn, maar omdat de Gemeente nooit de vrijheid heeft gekregen om Gods Woord aan te passen aan menselijke voorkeuren.
Wanneer de Schrift niet langer doorslaggevend is, blijft uiteindelijk alleen een religie over die zegt wat mensen graag willen horen.
En zo’n religie heeft de wereld niets te vertellen.

De oplossing is geen nostalgie, maar terugkeer naar de Schrift

Het antwoord op de geestelijke crisis van het Westen is niet een terugkeer naar de middeleeuwen, een christelijke staatsmacht of een geïdealiseerd verleden.
De geschiedenis van het christendom kent zeker ook misbruik van macht, dwang en ernstige afwijkingen van de Schrift.
De oplossing ligt niet in het herstellen van alles wat ooit onder de noemer christendom is gebeurd.
De oplossing ligt in het opnieuw erkennen van het gezag van Gods Woord.
Niet de cultuur bepaalt wat waar is.
Niet de overheid bepaalt wat zonde is.
Niet de meerderheid bepaalt wie Jezus Christus is.
En ook niet de religieuze traditie heeft het laatste woord.
De Schrift getuigt van Hem.De Here Jezus zegt:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” (Johannes 14:6, STV)

Dat is geen boodschap die zich gemakkelijk laat inpassen in een samenleving waarin alle religieuze overtuigingen uiteindelijk als gelijkwaardig worden beschouwd.
Het is een exclusieve aanspraak.
Maar juist daarom moet hij helder worden verkondigd.
Niet om moslims te vernederen.
Niet om atheïsten te beledigen.
Niet om een culturele machtsstrijd te winnen.
Maar omdat het behoud van mensen op het spel staat.

Tot slot:

Misschien moeten wij christenen eerst onszelf eens onderzoeken

De groeiende zichtbaarheid van de islam in Europa roept belangrijke vragen op.
Over godsdienstvrijheid. Over integratie. Over de verhouding tussen religie en overheid. Over de historische en leerstellige aanspraken van de Koran.
Die vragen mogen gesteld worden en verdienen eerlijke antwoorden.
Maar er is een vraag die christenen niet mogen ontwijken.
Waarom zou een wereld die op zoek is naar waarheid, luisteren naar christenen die zelf nauwelijks nog durven zeggen dat zij de waarheid kennen?
Misschien is de grootste bedreiging voor het christendom helemaal niet dat de islam zo overtuigd is van haar boodschap.
Misschien is het wel dat zoveel christenen de overtuiging van hun eigen boodschap zijn kwijtgeraakt.
De islam hoeft niet eerst overwonnen te worden om het Evangelie te kunnen verkondigen.
Christenen moeten eenvoudigweg weer bereid zijn dat Evangelie zonder schaamte te belijden.
Paulus schreef:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.” (Romeinen 1:16, STV)

Dát is de houding die vandaag nodig is.

Geen haat tegenover moslims. Geen angst voor kritische vragen. Geen verwaterd christendom dat iedere confrontatie met de waarheid uit de weg gaat.
Maar een helder, Bijbelgetrouw en vrijmoedig getuigenis van de Here Jezus Christus.
Want de kracht van het christendom ligt niet in de zwakte van de islam, maar in de waarheid van het Evangelie.

En die waarheid hoeft zich voor niemand te verontschuldigen.

Demonen en bevrijdingsbediening: wat zegt de Bijbel?

Waarom zoveel aandacht voor de duivel, terwijl Christus de overwinning al heeft behaald?

Het valt me steeds weer op. In  evangelische en vooral pinkster- en charismatische kringen wordt regelmatig gesproken over demonen, demonische activiteiten, geestelijke gebondenheid en bevrijdingsbediening. Soms lijkt het alsof achter vrijwel ieder probleem een demonische macht schuilgaat die eerst moet worden aangepakt voordat een christen echt vrij kan leven.

Demonen en bevrijding wat zegt de Bijbel
Demonen en bevrijding wat zegt de Bijbel?

 

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Ziekte? Misschien een demon. Angst? Een demonische gebondenheid. Problemen in het gezin? Mogelijk een generatievloek. Tegenslag in het leven? Een aanval van de vijand.

En voor je het weet, draait een belangrijk deel van het geloofsleven om het herkennen, bestrijden, binden en uitdrijven van demonische machten.

Maar is dat eigenlijk wel Bijbels?

In andere kringen, waaronder de klassieke Maranatha- en vergaderingstraditie, hoor je doorgaans veel minder over dit soort zaken. Daar ligt de nadruk veel meer op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus, de positie van de gelovige in Hem en de verwachting van Zijn wederkomst.

Dat verschil is niet maar een kwestie van smaak of kerkelijke cultuur. Er ligt een belangrijk leerstellig onderscheid aan ten grondslag.

Wat zeggen de Evangeliën zoal over demonen? Waarom komen we in Handelingen nog demonuitdrijvingen tegen? En waarom vinden we in de brieven aan de Gemeente geen opdracht tot een afzonderlijke bevrijdingsbediening?

Laten we de Bijbel zelf laten spreken.

Demonen uitdrijven in de Evangeliën: waarom deed Jezus dat?

Iemand die de Bijbel serieus neemt, zal het bestaan van satan en demonische machten niet ontkennen. De Evangeliën spreken er duidelijk over.

De Here Jezus dreef demonen uit, bevrijdde mensen van onreine geesten en demonstreerde daarmee Zijn macht over het rijk van de duisternis.

De vraag die ik wil stellen is:

waarom deed Hij dat?

Was Zijn bedoeling dan om een voorbeeld te geven van een bevrijdingsbediening die iedere christelijke gemeente vervolgens zou moeten invullen?

Of hadden deze wonderen een bijzondere betekenis binnen Zijn bediening als de beloofde Messias van Israël?

In Mattheüs 10 zendt de Here Jezus Zijn twaalf discipelen uit. Zij krijgen onder meer de opdracht zieken te genezen en demonen uit te drijven.

Maar let op de woorden die daaraan voorafgaan.

Mattheüs 10:5-6:

“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen; Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (STV)

Dat is duidelijk.

De discipelen worden op dat moment niet naar alle volken gezonden, maar uitdrukkelijk naar Israël.

En wat moeten zij verkondigen?

Mattheüs 10:7:

“En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” (STV)

Dat is de context.

De Messias was gekomen. Het beloofde Koninkrijk werd aangekondigd. En de wonderen die Christus en Zijn discipelen verrichtten, getuigden van de macht en autoriteit van de Koning.

Dat blijkt ook uit Mattheüs 12:28:

“Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.” (STV)

Het uitdrijven van demonen stond dus rechtstreeks in verband met de openbaring van de Messias en de aankondiging van het Koninkrijk.

De wonderen waren niet bedoeld om de aandacht op demonen te vestigen, maar op Christus!

Dat is een onderscheid dat we goed moeten bewaren.

 

De macht van Christus, niet de macht van de duivel

De geschiedenis van de bezetene in Markus 5.

Deze man verkeerde in een verschrikkelijke toestand. Hij leefde tussen de graven, kon niet gebonden worden en werd door demonische machten beheerst.

Maar zodra de Here Jezus verschijnt, blijkt Wie werkelijk het gezag heeft.

De demonen kunnen niets beginnen zonder Zijn toestemming.

Wat leert dit verhaal ons?

Dat wij ons uitgebreid moeten verdiepen in demonische hiërarchieën, hun namen en hun werkwijzen?

Nee.

De geschiedenis toont de absolute macht van de Zoon van God.

En dat is exact waar sommige moderne bevrijdingsbedieningen de aandacht van afleiden. Er wordt soms eindeloos gesproken over de activiteiten van satan, alsof christenen voortdurend moeten ontdekken welke demon achter welk probleem zit.

Maar de Bijbel brengt geen Evangelie van demonische dreiging.

De Bijbel verkondigt Jezus Christus, Die macht heeft over alle overheden en machten.

 

Handelingen is niet alleen geschiedenis, maar ook een overgangsboek

Hier komen we bij een bijzonder belangrijk punt dat in veel charismatische Schriftuitleg onvoldoende of zelfs geen aandacht krijgt.

Het boek Handelingen is niet alleen een verslag van gebeurtenissen uit de begintijd van het christendom.

Het is ook een overgangsboek in de heilsgeschiedenis.

We zien de overgang van de bediening aan Israël naar de wereldwijde verkondiging van het Evangelie en de ontwikkeling van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

Aanvankelijk ligt de nadruk op Jeruzalem en Israël. Petrus neemt een vooraanstaande plaats in. Later bereikt het Evangelie Samaria en de heidenen. Vervolgens komt de bediening van Paulus steeds nadrukkelijker naar voren.

De Gemeente ontstaat op de Pinksterdag, maar het onderwijs over haar bijzondere hemelse positie en roeping wordt vooral in de apostolische brieven ontvouwd.

Dat onderscheid is zeer belangrijk.

Inderdaad, ook in Handelingen worden demonen uitgedreven.

In Handelingen 8 lezen we dat onreine geesten mensen verlaten tijdens de bediening van Filippus.

In Handelingen 16 drijft Paulus een waarzeggende geest uit een dienstmaagd.

En in Handelingen 19 lezen we over buitengewone wonderen door de handen van Paulus.

Dus nee, het uitdrijven van demonen hield niet meteen op na de hemelvaart van Christus.

Maar daarmee is niet aangetoond dat iedere christelijke gemeente een bevrijdingsbediening hoort te hebben.

Een gebeurtenis die de Schrift beschrijft, is daarmee niet meteen een opdracht die de Schrift voorschrijft.

Dat onderscheid wordt nogal eens vergeten.

 

Beschrijving is geen voorschrift

In Handelingen 19:11 lezen we:

“En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;” (STV)

Let op dat woord: ongewone.

Het gaat hier om bijzondere gebeurtenissen tijdens de apostolische bediening.

Zelfs zweetdoeken en gordeldoeken die met Paulus in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht, waarna ziekten en boze geesten weken.

Maar wie zou op grond daarvan durven beweren dat iedere gemeente vandaag een bediening met zweetdoeken moet organiseren?

Toch wordt met andere gebeurtenissen uit Handelingen wel zo geredeneerd.

Men leest dat iets gebeurde en concludeert dan dat het dus ook vandaag moet gebeuren.

Maar zo werkt het niet.

We moeten vragen aan wie iets werd gezegd, in welke omstandigheden het plaatsvond, welk doel het diende en of het later als blijvende opdracht aan de Gemeente wordt onderwezen.

Anders maken we van het boek Handelingen een handboek met voorbeelden waaruit iedereen naar believen een eigen bediening kan samenstellen.

En dan is de stap naar allerlei exotische praktijken niet groot meer.

 

Wat leren de brieven aan de Gemeente over demonen?

Nu komen we bij wat mij betreft het meest overtuigende gedeelte van dit onderwerp.

Wanneer Paulus schrijft aan de Gemeente, bespreekt hij uitvoerig het christelijke leven.

Hij heeft het over rechtvaardiging, heiliging, het vlees, de nieuwe mens, het wandelen door de Geest, de geestelijke strijd, het gebed en de volwassenheid van de gelovige.

Hij waarschuwt ook uitdrukkelijk voor de satan.

Maar waar vinden we in zijn brieven de opdracht om demonen uit wedergeboren gelovigen te drijven?

Waar onderwijst hij dat christenen ‘generatievloeken’ moeten verbreken?

Waar vinden we instructies om ‘territoriale geesten’ te binden?

Waar lezen we dat geestelijke volwassenheid afhankelijk is van een ‘bijzondere bevrijdingsbediening’?

Nergens.

En dat is opmerkelijk, temeer omdat Paulus zoveel aandacht besteedt aan de geestelijke wandel van de gelovige.

Uiteraard moeten we voorzichtig zijn met argumenten die uitsluitend gebaseerd zijn op wat ergens niet staat.

Maar hier gaat het om meer dan zwijgen.

De apostel geeft namelijk wél uitvoerig onderwijs over hoe de gelovige tegenover de duivel en zijn listen hoort te staan.

En dat onderwijs ziet er anders uit dan wat in bepaalde bevrijdingsbedieningen wordt gepraktiseerd.

 

 

Efeze 6: de geestelijke strijd is reëel, maar hoe voeren we die?

Efeze 6 wordt vaak terecht aangehaald wanneer het gaat over geestelijke strijd.

Paulus schrijft in Efeze 6:12:

“Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.” (STV)

Daar valt niets op af te dingen.

De geestelijke strijd is reëel.

Maar kijk eens aandachtig naar wat Paulus vervolgens schrijft.

Hij spreekt over de gehele wapenrusting Gods.

Waaruit bestaat die?

Uit waarheid, gerechtigheid, de bereidheid van het Evangelie des vredes, geloof, zaligheid, het Woord van God en gebed.

En waartoe dient deze wapenrusting?

Om staande te blijven tegenover de listen van de duivel.

Niet om voortdurend demonen op te sporen en te identificeren.

Niet om met demonische machten in gesprek dan wel in gevecht te gaan.

Niet om allerlei geestelijke gebieden te veroveren.

En evenmin om elke tegenslag in het leven als een demonische aanval te bestempelen.

Paulus leert ons niet hoe wij demonen moeten bevelen, maar hoe wij in de waarheid van God moeten standhouden.

Dat is een wezenlijk verschil.

En misschien mogen we ons ook wel afvragen waarom sommige predikers zoveel aandacht besteden aan manieren van geestelijke oorlogsvoering die Paulus helemaal niet onderwijst.

 

De gelovige is al verlost uit de macht van de duisternis

Hier ligt een sterke bemoediging.

Kolossenzen 1:13 zegt:

“Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde;” (STV)

Let eens op de werkwoordsvormen.

God heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis.

Hij heeft ons overgezet in het Koninkrijk van Zijn geliefde Zoon.

Dat is geen toekomstige mogelijkheid. Het is een volbracht feit.

En in Kolossenzen 2:10 lezen we:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (STV)

Wat een geweldige waarheid!

De gelovige is in Christus tot volheid gebracht.

Niet omdat hij inmiddels alle mogelijke demonen heeft laten uitdrijven.

Niet omdat iemand alle zogenaamde generatievloeken over zijn leven heeft verbroken.

Maar omdat hij in Christus is.

Dat betekent niet dat een gelovige nooit meer verzocht, misleid of aangevallen kan worden. De Schrift leert duidelijk het tegendeel.

Maar beïnvloeding en verzoeking zijn iets anders dan demonische bezetenheid.

De gedachte dat een wedergeboren gelovige door demonen bewoond wordt en daarom een bijzondere uitdrijving nodig heeft, kan niet uit Bijbels onderwijs worden afgeleid.

Wie dat toch leert, zal daarvoor een duidelijke Bijbelse basis moeten geven.

Een indrukwekkend getuigenis is daarvoor niet genoeg.

Een bijzondere ervaring ook niet.

 

De werken van het vlees; niet iedere zonde is een demon

Nog een belangrijk punt.

In sommige charismatische kringen wordt gemakkelijk gesproken over ‘een geest van angst’, ‘een geest van jaloezie’,’een geest van boosheid’, ‘een geest van verslaving’ of ‘een geest van onreinheid’.

Maar wat zegt Paulus?

In Galaten 5 spreekt hij over de werken van het vlees.

Daaronder vallen onder meer vijandschappen, twist, nijdigheid, toorn en dronkenschappen.

Hij noemt deze dingen niet demonische gebondenheden.

Hij noemt ze werken van het vlees.

En wat is zijn antwoord?

Galaten 5:16:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (STV)

 

Wandel door de Geest

De gelovige wordt opgeroepen te leven vanuit zijn nieuwe positie in Christus.

Dat vraagt geloof, kennis van Gods Woord en een wandel in afhankelijkheid van de Heilige Geest.

Wie iedere zondige neiging aan een demon toeschrijft, loopt het gevaar de verantwoordelijkheid van de gelovige zelf weg te nemen.

En wie iedere ziekte, angststoornis of psychische klacht demonisch verklaart, kan mensen bovendien ernstig beschadigen.

Laten we daar a.u.b voorzichtig mee zijn!

Een mens die lijdt, heeft geen behoefte aan ongefundeerde beschuldigingen over ‘verborgen demonische machten’.

Hij heeft behoefte aan waarheid, liefde, zorg en waar nodig deskundige hulp.

En bovenal mag hij gewezen worden op de Genade en trouw van God.

 

Generatievloeken en bevrijdingsgebeden: waar staat dat dan?

Een andere terugkerende gedachte is dat christenen gebonden kunnen blijven door zonden van hun voorouders.

Daarom zouden generatievloeken verbroken moeten worden door speciale gebeden of bevrijdingsrituelen.

Maar waar vinden we die opdracht in de brieven aan de Gemeente?

Paulus schrijft in Galaten 3:13:

“Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.” (STV)

Dit vers spreekt specifiek over de vloek van de Wet. We moeten het dus niet zomaar gebruiken om iedere mogelijke vorm van erfelijke belasting of de gevolgen van vroegere zonden weg te redeneren.

Maar het onderstreept wel dat onze verlossing rust op het volbrachte werk van Christus.

De apostelen leren nergens dat wedergeboren gelovigen eerst een inventarisatie van hun familiegeschiedenis moeten maken om verborgen geestelijke vloeken te ontdekken.

Toch wordt dat in sommige bedieningen voorgesteld als een noodzakelijke stap naar geestelijke vrijheid.

Waar zegt de Bijbel dat?

Een beroep op oudtestamentische teksten over de gevolgen van zonden in opeenvolgende generaties is nog geen bewijs dat de Gemeente een dergelijke bevrijdingspraktijk moet kennen.

Daarvoor is meer nodig dan een verzameling los aangehaalde Bijbelteksten.

Een leer wordt niet Bijbels doordat men er (veel) Bijbelteksten bij noemt, dat is dan pas het geval als die teksten, gelezen in hun verband, werkelijk leren wat men beweert.

 

De duivel krijgt soms meer aandacht dan Christus

Dit vind ik misschien wel het meest verontrustende gevolg van een overdreven nadruk op demonische activiteiten.

Een gelovige kan zo voortdurend bezig raken met wat satan mogelijk doet, dat hij nauwelijks nog toekomt aan de rijkdom van wat Christus heeft gedaan.

Er ontstaat een geloofsleven waarin men steeds opnieuw bevrijding zoekt.

Steeds opnieuw moeten gebondenheden worden verbroken.

Steeds opnieuw moeten geestelijke aanvallen worden afgeslagen.

Steeds opnieuw is er een nieuwe doorbraak nodig.

 

Maar wanneer is het dan genoeg?

Wanneer mag de gelovige eenvoudig rusten in het volbrachte werk van zijn Heiland?

Paulus schrijft in Kolossenzen 2:15:

“En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door Hetzelve over hen getriomfeerd.” (STV)

Wie heeft overwonnen?

Christus!

Niet de bevrijdingsprediker.

Niet degene die de indrukwekkendste gebeden uitspreekt.

Niet degene die het hardst tegen demonen schreeuwt.

Christus heeft overwonnen.

En de gelovige mag weten dat hij verbonden is met deze overwinnende Heiland.

Dat is geen reden voor geestelijke laksheid Het is juist de grond voor een leven in geloof, waakzaamheid en dankbaarheid.

 

Waarom begint Paulus niet met geestelijke oorlogsvoering?

Lees de brief aan de Efeziërs eens in zijn geheel.

Paulus begint niet met satan.

Hij begint met Gods zegeningen in Christus.

Hij schrijft over onze uitverkiezing in Hem, onze verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de misdaden en onze verzegeling met de Heilige Geest.

Vervolgens spreekt hij over onze levendmaking met Christus en onze hemelse positie in Hem.

Daarna volgt zijn onderwijs over de praktische wandel van de gelovige.

En pas tegen het einde van de brief komt de geestelijke wapenrusting ter sprake.

Dát is de volgorde van het apostolische onderwijs.

Eerst wat God in Christus voor ons heeft gedaan.

Dan wie wij in Christus zijn.

Vervolgens hoe wij behoren te wandelen. En binnen die wandel leren wij ook standhouden tegenover de listen van de duivel.

Wanneer een prediking deze volgorde omkeert en voortdurend begint bij de dreiging van satan, raakt de Bijbelse verhouding gemakkelijk zoek.

Dan wordt de gelovige niet opgebouwd in de kennis van Christus, maar mogelijk afhankelijk gemaakt van mensen die beweren bijzondere kennis te hebben van de demonische wereld.

En daar moeten we bijzonder kritisch op zijn.

 

 

Geestelijke volwassenheid, niet afhankelijkheid van bevrijdingsspecialisten

In Efeze 4 lezen we dat Christus gaven aan Zijn Gemeente heeft gegeven met het oog op de opbouw van het Lichaam.

Het doel daarvan is dat gelovigen opgroeien tot geestelijke volwassenheid.

Efeze 4:14:

“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;” (STV)

Dat is een ernstige waarschuwing.

De bedoeling van Bijbels onderwijs is met name niet dat gelovigen steeds afhankelijker worden van bijzondere bedieningen en geestelijke specialisten.

Het doel is dat zij groeien in de kennis van Christus en leren onderscheiden wat waarheid en dwaling is.

En dat geldt ook voor het onderwijs over demonen en bevrijding.

Wanneer een christen voortdurend te horen krijgt dat hij mogelijk nog gebonden is, dat er verborgen vloeken over zijn leven liggen of dat hij zonder een bijzondere bevrijdingsbediening niet werkelijk vrij kan worden, dan mag hij vragen:

Waar leert de Schrift dat?

En als die vraag niet vanuit het Bijbelse onderwijs beantwoord kan worden, waarom zou hij zich dan aan zulke beweringen onderwerpen?

De Gemeente heeft geen nieuwe openbaringen nodig over vermeende demonische structuren, maar heeft behoefte aan gezond onderwijs uit het Woord van God.

 

Een woord van bemoediging voor wie bang is geworden

Misschien heb je zelf wel onderwijs gehad waardoor je voortdurend bang bent geworden voor demonische machten.

Misschien is je verteld dat bepaalde problemen in je leven wijzen op geestelijke gebondenheid.

Of dat je nog niet echt vrij bent zolang iemand niet voor je heeft gebeden om bepaalde vloeken te verbreken.

Dan wil ik je graag wijzen op de woorden van Romeinen 8:38-39:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)

Wat een geweldige zekerheid!

Paulus ontkent het bestaan van geestelijke machten niet.

Maar hij verkondigt dat geen enkele geschapen macht de gelovige kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus.

Dáár ligt onze zekerheid.

Niet in de kracht van onze gebeden.

Niet in de kennis van een bevrijdingsprediker.

Niet in het aantal geestelijke aanvallen dat wij menen te hebben afgeslagen.

Maar in Christus. In Hem alleen.

En daarom hoeven we niet steeds angstig rond te kijken naar wat de duivel mogelijk doet.

We mogen onze aandacht richten op Hem Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

Laat er geen misverstand over bestaan.

Satan bestaat. Demonische machten bestaan. De geestelijke strijd is reëel.

Maar dat betekent niet dat iedere hedendaagse leer over demonische gebondenheid, generatievloeken of bevrijdingsbediening daarmee ook Bijbels is.

De Evangeliën tonen ons de macht van de Messias, Die het Koninkrijk aan Israël aankondigde.

Handelingen beschrijft de bijzondere overgangsperiode waarin het Evangelie vanuit Jeruzalem zijn weg vond naar de volken en waarin de apostolische bediening met tekenen en wonderen gepaard ging.

De brieven aan de Gemeente geven ons vervolgens het leerstellige onderwijs over onze positie, roeping en wandel in Christus.

En daarin vinden we geen opdracht om een afzonderlijke bevrijdingsbediening op te bouwen waarin wedergeboren gelovigen voortdurend van demonen moeten worden verlost.

We vinden er wel de opdracht om te wandelen door de Geest, het Woord der waarheid vast te houden, de duivel te weerstaan en de gehele wapenrusting Gods aan te doen.

Daarom moeten we niet alles geloven wat onder de noemer van geestelijke strijd wordt aangeboden.

Ook niet wanneer het indrukwekkend klinkt.

Ook niet wanneer er bijzondere getuigenissen bij worden verteld.

En ook niet wanneer iemand beweert dat hij door een speciale zalving of openbaring inzicht heeft gekregen in de demonische wereld.

 

De vraag blijft:

Wat zegt de Bijbel?

Want een christen wordt niet geestelijk volwassen door steeds meer over demonen te weten te komen.

Hij groeit door de kennis van de Here Jezus Christus.

En uiteindelijk gaat het daarom.

Niet om de duivel groot te maken, maar om Christus te verheerlijken.

Niet om mensen angst aan te jagen, maar om hen te bepalen bij de zekerheid van Gods beloften.

Niet om nieuwe afhankelijkheden te scheppen, maar om gelovigen op te bouwen in het geloof.

Kolossenzen 3:1-2 zegt:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” (STV)

Daar hoort onze aandacht te liggen.

Niet bij een voortdurende zoektocht naar demonische machten, maar bij onze opgestane en verheerlijkte Heiland.

Want niet de duivel heeft het laatste woord.

Christus heeft overwonnen.

En in Hem is de gelovige geborgen.

 

Toets daarom de leer aan het Woord van God. Niet de ervaring, niet de traditie en niet het gezag van een prediker bepalen wat waar is. De Bijbel is de maatstaf.

 

Wat zegt de Bijbel over het ontvangen van de Heilige Geest?

Het onderscheid tussen Handelingen en de brieven

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Voor wie wil weten wat de Bijbel zegt over het ontvangen van de Heilige Geest, is het essentieel om te weten dat het boek Handelingen een historisch overgangsboek is. Handelingen beschrijft de overgang van de bedeling van de Wet en het Jodendom naar de bedeling van Genade en het ontstaan van de Gemeente.

De apostel Paulus vraagt aan discipelen in Efeze:

“Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben niet eens gehoord, of er een Heilige Geest is.” (Handelingen 19:2 STV)

Handelingen beschrijft gelovigen die de Nazarener-gelofte afleggen en hun haar laten knippen om op het altaar in Jeruzalem te offeren (Handelingen 21:23-26).

Apollos was een vurig prediker, maar kende aanvankelijk alleen de doop van Johannes de Doper (Hand. 18:24-26). Priscilla en Aquilla moesten hem de weg van God nauwkeuriger uitleggen.

De twaalf mannen in Efeze (Handelingen 19:1-7) noemden zich wel ‘discipelen’ (leerlingen), maar zij kenden alleen de doop van Johannes en hadden nog niet gehoord van de volbrachte verlossing en de uitstorting van de Heilige Geest. Pas nadat Paulus hen over de Heere Jezus onderwees, kwamen zij tot geloof en ontvingen zij de Geest.

De ontsluiting van het Evangelie in Handelingen

In Handelingen zien we hoe het Evangelie stapsgewijs werd geopend voor verschillende groepen:

De Joden in Jeruzalem op de Pinksterdag (Handelingen 2:1-4).

De Samaritanen (Handelingen 8:14-17).

De Heidenen in het huis van Cornelius (Handelingen 10:44-48).

Bij al deze sleutelmomenten was de apostel Petrus aanwezig, aan wie de Here Jezus de sleutels van het Koninkrijk der hemelen had toevertrouwd (Matthéüs 16:19). Toen Petrus dit later in Jeruzalem uitlegde, erkende de gemeente dat God ook aan de heidenen de bekering tot het leven had geschonken (Handelingen 11:18).

Ontvangst door geloof

Waar Handelingen de historische overgang beschrijft, ontvouwen de brieven van Paulus de gezonde leer voor de Gemeente. Paulus leert dat elke gelovige op het moment van zijn bekering de Heilige Geest ontvangt.

Sterker gezegd:

Wie de Geest niet heeft , is geen eigendom van Christus

“Doch gij zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.” (Romeinen 8:9 STV)

Verzegeld op het moment van geloof

“In Welken gij ook zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, geloofd hebbende, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” (Efeze 1:13 STV)

Gedoopt tot één Lichaam

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13 STV)

Door deze doop met de Heilige Geest wordt de gelovige uit de oude staat (“in Adam”) overgeplaatst in de nieuwe staat (“in Christus”):

“Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20)

Het lichaam als tempel van de Geest

“Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Denwelken gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?” (1 Korinthe 6:19 STV; zie ook 2 Korinthe.6:16)

De Eenheid van de Geest en de opdracht tot vervulling

In Efeze 4:4-6 vat Paulus de geestelijke werkelijkheid van de bedeling van Genade samen:

“Één lichaam is het, en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt in één hoop uwer roeping; Één Heere, één geloof, één doop, Één God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.”

Hoewel het bezit van de Heilige Geest vaststaat vanaf het moment van geloof, is er de voortdurende opdracht voor de wandel:

Vervuld zijn met de Geest wil zeggen dat de Geest de leiding over ons denken, spreken en handelen heeft. Dit openbaart zich praktisch in:

Een hart vol lofprijzing en dankbaarheid (Efeze. 5:19-20 STV).

Onderlinge eerbied en onderdanigheid (Efeze 5:21 STV)

Praktische dienstbaarheid in het dagelijks leven (zoals de zeven diakenen in Handelingen 6:3).

Het waarneembare bewijs van de inwoning van de Geest

De Here Jezus zei over de Heilige Geest:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en het u verkondigen” (Johannes 16:14 STV)

Het bewijs dat iemand de Heilige Geest bezit, is dus niet het zoeken naar eigen eer of bijzondere verschijnselen, maar een onweerstaanbaar verlangen om de Here Jezus Christus groot te maken. Stefanus is daar een sprekend voorbeeld van: toen hij vol was van de Heilige Geest, sprak hij niet over zichzelf, maar getuigde hij enkel van Jezus Christus en zag hij de hemel geopend.

Het doel van Gods raadsbesluit staat vast:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid van God den Vader.” (Filippenzen 2:11 STV)

lees ook:

Een aparte doop in de Geest, leert de Bijbel dit?

 

Geverifieerd door MonsterInsights