Wat zegt de Bijbel over “de zalving”?

Geen geestelijke toverolie

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

In de Bijbel is zalving geen vage geestelijke sfeer, geen “extra laag kracht” voor bijzondere christenen, en geen bewijs dat iemand onaantastbaar gezag heeft. Zalving heeft in de Schrift vooral te maken met afzondering door God, bekwaammaking door de Geest, en uiteindelijk met Christus Zelf, de Gezalfde.

Het woord Christus betekent letterlijk: Gezalfde. Dat is meteen de kern. De zalving wijst niet los van Christus, maar naar Hem.

 

Zalving in het Oude Testament

In het Oude Testament werden mensen en voorwerpen gezalfd wanneer zij voor een bijzondere dienst aan God werden afgezonderd. Denk aan priesters, koningen en soms profeten.

Aäron en zijn zonen werden gezalfd voor de priesterdienst. Saul en David werden gezalfd tot koning. De zalving was dus geen religieuze show, maar een zichtbaar teken: deze persoon wordt door God in een bepaalde bediening geplaatst.

Maar dat betekende niet automatisch dat iemand innerlijk recht stond voor God. Saul was gezalfd als koning, maar werd ongehoorzaam. De uiterlijke zalving beschermde hem niet tegen afval, hoogmoed en ongehoorzaamheid.

Dat is belangrijk. Een “gezalfde positie” is nooit een vrijbrief.

 

De Here Jezus Christus is dé Gezalfde

Alle zalvingen in het Oude Testament wijzen uiteindelijk vooruit naar de Here Jezus Christus. Hij is de ware Profeet, Priester en Koning.

In Lukas 4 past de Here Jezus Jesaja 61 op Zichzelf toe:

“De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart;” Lukas 4:18 (STV).

Ook Petrus zegt:

“Hoe God Jezus van Nazareth gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van den duivel overweldigd waren; want God was met Hem.” Handelingen 10:38 (STV).

De zalving van Christus is dus verbonden met Zijn Messiaanse zending. Hij is niet zomaar “een gezalfde”. Hij is de Gezalfde.

 

De gelovige is in Christus gezalfd

In het Nieuwe Testament wordt de zalving ook op gelovigen betrokken, maar opvallend genoeg niet als een aparte tweede ervaring waarnaar men voortdurend moet jagen. Paulus schrijft:

“Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.” 2 Korinthe 1:21-22 (STV).

Let op de samenhang:

bevestigd in Christus
gezalfd door God
verzegeld
het onderpand van de Geest ontvangen

Dat gaat niet over een select groepje onaanraakbare superchristenen. Dat gaat over wat God doet met wie in Christus is. De zalving hoort bij de positie van de gelovige in Christus en bij de gave van de Heilige Geest.

 

De zalving in 1 Johannes

De bekendste tekst is 1 Johannes 2:

“Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.” 1 Johannes 2:20 (STV).

En iets later:

“En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.” 1 Johannes 2:27 (STV).

Deze tekst wordt vaak misbruikt alsof een gelovige geen onderwijs, leraars of Bijbelstudie meer nodig zou hebben. Maar dat kan Johannes niet bedoelen, want hij is op datzelfde moment juist bezig hen te onderwijzen.

De context is waarschuwing tegen verleiders en antichristelijke leer.

Johannes zegt dus niet: “jullie hebben geen Bijbels onderwijs nodig.” Hij zegt: “jullie zijn door de Geest niet weerloos tegenover dwaalleer.” De zalving leert de gelovige Christus erkennen en in Hem blijven.

De zalving is hier dus geen mystieke tinteling, maar het werk van de Heilige Geest waardoor gelovigen de waarheid van Christus kennen en niet meegesleept hoeven te worden door misleiding.

 

Wat “de zalving” niet is

De zalving is niet een geestelijke atmosfeer die een spreker meebrengt.

De zalving is niet hetzelfde als charisma, podiumkracht, emotie, opgebouwde (muziek) spanning of kippenvel.

De zalving is niet een keurmerk waardoor een leider niet meer getoetst mag worden.

De zalving is niet iets wat je via handoplegging, conferenties, mantels, “impartation” of speciale zalvingsdiensten moet najagen.

De zalving is ook niet een soort geestelijke olie waarmee sommige mensen meer “geladen” zijn dan andere gelovigen.

Dat soort taal verschuift de aandacht gemakkelijk van Christus naar mensen. Dan krijg je uitspraken als: “Raak de gezalfde des Heeren niet aan.” Daarmee wordt kritiek op een leider soms afgeschermd. Maar in de Bijbel betekent dat niet dat een leider niet getoetst mag worden. David wilde Saul niet eigenmachtig doden, maar dat maakte Sauls ongehoorzaamheid niet heilig.

Een gezalfde positie maakt iemand niet onfeilbaar.

 

Wat de zalving wél is

Bijbels gesproken is de zalving voor de gelovige verbonden met de Heilige Geest, met Christus, met waarheid en met blijven in Hem.

Het betekent dat God de gelovige in Christus heeft geplaatst, hem verzegeld heeft met de Geest, en hem door die Geest doet delen in de kennis van Christus.

Daarom is de zalving niet los verkrijgbaar. Niet naast Christus. Niet boven de Schrift. Niet via een geestelijke elite.

De zalving brengt je niet in extase boven het Woord uit, maar houdt je juist bij Christus en bij de waarheid.

 

Wat het punt is

Veel moderne zalvingstaal draait in de praktijk om ervaring, kracht, bediening, sfeer en personen. Maar in de Bijbel draait de zalving om Christus, de Geest, waarheid, afzondering en volharding in Hem.

Wanneer iemand zegt: “Daar is veel zalving,” moet je dus niet eerst vragen: “Voelde het krachtig?” maar: werd Christus zuiver verkondigd? Werd de Schrift recht gesneden? Werd de gemeente opgebouwd in waarheid? Werd de aandacht op de Here Jezus gericht of op de mens op het podium?

Dat is de Bijbelse toets.

De Bijbel leert dat de Here Jezus Christus dé Gezalfde is. Gelovigen zijn in Hem gezalfd, verzegeld en begiftigd met de Heilige Geest. Die zalving is geen losse kracht, geen status van geestelijke beroemdheden, en geen excuus om toetsing te ontwijken. Zij houdt de gelovige bij Christus, bij de waarheid en bij het blijven in Hem.

Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus?

Is de kerk ziek of slapend?

Er wordt zo links en rechts bij gelegenheid nogal wat over de Gemeente van Christus, ook genoemd “de kerk”, beweerd.

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

De kerk moet wakker worden. De kerk is ziek. De kerk is lauw. De kerk mist kracht. De kerk moet terug naar apostolische orde. De kerk moet genezen. De kerk moet opstaan. De kerk moet het Koninkrijk zichtbaar maken.

Het klinkt bezorgd. Vaak zelfs geestelijk bewogen.

Maar de eerste vraag waar we hier tegenaan lopen:

Over welke kerk hebben we het eigenlijk?

Want als met “de kerk” het lichaam van Christus bedoeld wordt, dan moeten we voorzichtig worden. Het lichaam van Christus slaapt niet. Het lichaam van Christus is niet ziek. Het lichaam van Christus is geen mislukt project dat door moderne apostelen, profeten, conferenties, opwekkingssprekers of activatiebedieningen gereanimeerd moet worden.

Christus heeft geen ziek lichaam. Christus heeft geen slapend lichaam. Christus bouwt Zijn gemeente.

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn Gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” Mattheüs 16:18 (STV)

Dat is het uitgangspunt. Niet de toestand van de zichtbare christenheid. Niet de temperatuur van religieuze bewegingen. Niet het activisme van mensen. Maar het woord van Christus Zelf:

Ik zal Mijn Gemeente bouwen.

 

De kerk is niet ziek en slaapt niet

De gemeente is het lichaam van Christus

De gemeente van Jezus Christus is niet in de eerste plaats een gebouw, organisatie, kerkgenootschap, denominatie of religieus systeem. De gemeente is het lichaam van Christus: allen die door geloof in Hem met Hem verbonden zijn en door de Heilige Geest tot één lichaam zijn gedoopt.

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” 1 Korinthe 12:13 (STV)

Dat lichaam heeft Christus als Hoofd.

“En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” Efeze 1:22-23 (STV)

Dat is bepaald geen voetnoot.. Wie over de gemeente spreekt, spreekt over iets dat onlosmakelijk met Christus Zelf verbonden is. De gemeente is niet zomaar een religieuze verzameling mensen. Zij is Zijn lichaam. Zijn eigendom. Zijn werk. Zijn volheid.

Daarom is het leerstellig scheef om achteloos te zeggen dat “de kerk ziek is” wanneer men daarmee het lichaam van Christus bedoelt.

Want Christus voedt en onderhoudt Zijn gemeente.

“Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de Heere de Gemeente.” Efeze 5:29 (STV)

Een lichaam dat door Christus gevoed en onderhouden wordt, kun je niet zomaar collectief ziek, slapend, mislukt of krachteloos verklaren.

 

De zichtbare christenheid is iets anders

Waar gaat het dan wél over wanneer mensen zeggen dat “de kerk slaapt” of “de kerk ziek is”?

Meestal gaat het in werkelijkheid over de zichtbare christenheid. Over kerksystemen, denominaties, organisaties, plaatselijke gemeenten, leiderschapsculturen, religieuze gewoonten, tradities, conferentiecircuits en bewegingen die zich christelijk noemen.

Die kunnen inderdaad ongezond zijn.

Een plaatselijke gemeente kan vleselijk functioneren. Een bediening kan ontsporen. Een kerksysteem kan Christus verduisteren. Een beweging kan worden beheerst door macht, geld, emotie, manipulatie of valse leer. Een gemeente kan lauw worden. Een groep gelovigen kan onwaakzaam leven. Leiders kunnen heersen in plaats van dienen. Prediking kan verschuiven van Christus naar ervaring, activatie, wet, succes, genezing, doorbraak of Koninkrijksretoriek.

Maar dat is dus uidrukkelijk niet hetzelfde als het lichaam van Christus.

Dat onderscheid is beslissend.

De Bijbel spreekt concreet over plaatselijke gemeenten die correctie nodig hebben. Korinthe is daar een helder voorbeeld van. Paulus noemt de gelovigen daar werkelijk “geheiligden in Christus Jezus”:

“Den Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepen heiligen…” 1 Korinthe 1:2 (STV)

Maar later zegt hij tegen diezelfde gelovigen:

“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.” 1 Korinthe 3:1 (STV)

Daar ligt het Bijbelse evenwicht. In hun positie waren zij geheiligd in Christus. In hun toestand wandelden zij vleselijk. De Schrift ontkent hun positie niet vanwege hun slechte toestand, maar corrigeert hun toestand juist vanuit hun positie.

Dat is heel iets anders dan roepen: “De kerk is ziek.”

 

Positie en toestand

Veel verwarring ontstaat doordat men positie en toestand door elkaar haalt.

De positie van de gelovige is wat hij in Christus is. Die positie rust op het volbrachte werk van Christus. Zij is niet afhankelijk van stemming, kracht, groei, ervaring of kerkelijke prestaties.

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Kolossenzen 3:3 (STV)

De toestand van de gelovige is zijn praktische wandel. Die kan ver beneden zijn positie blijven. Een gelovige kan onvolwassen zijn, vleselijk wandelen, verkeerde leer dulden, wereldgelijkvormig worden of geestelijk traag zijn.

Maar dat verandert niet wat het lichaam van Christus in Christus is.

Daarom moeten we de dingen zorvuldig benoemen.

Niet: het lichaam van Christus is ziek.

Wel: veel plaatselijke gemeenten functioneren ongezond.

Niet: de gemeente van Christus slaapt.

Wel: veel gelovigen zijn niet waakzaam.

Niet: Christus’ lichaam is krachteloos.

Wel: veel zichtbare kerksystemen hebben de kracht van gezonde leer ingeruild voor vorm, gevoel, macht of religieus spektakel.

Niet: de kerk moet door ons genezen worden.

Wel: gelovigen en gemeenten moeten terug naar Christus, het Hoofd, en naar de gezonde leer van de Schrift.

 

“De kerk slaapt”

Wanneer iemand zegt: “de kerk slaapt”, bedoelt men meestal dat gelovigen geestelijk traag, ongehoorzaam, wereldgelijkvormig of ongevoelig zijn geworden. Op zichzelf kan een oproep tot waakzaamheid Bijbels zijn.

“Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.” 1 Thessalonicenzen 5:6 (STV)

Let op: Paulus zegt dit niet als slogan om het lichaam van Christus als geheel af te serveren. Hij vermaant gelovigen tot waakzaamheid in hun wandel. Dat is concreet. Dat is pastoraal. Dat is Bijbels.

Heel anders wordt het wanneer “de kerk slaapt” betekent: de hele gemeente van Christus ligt geestelijk plat en moet door onze beweging, onze profeten, onze apostelen, onze conferentie of onze nieuwe zalving wakker worden gemaakt.

Dan schuift alles op..

Dan is Christus niet meer het genoegzame Hoofd. Dan wordt de gemeente een soort slapend religieus lichaam waarvoor menselijke activatoren nodig zijn. Dan ontstaat de sfeer van: gewone Bijbelse trouw is niet genoeg; er moet vuur bij, doorbraak, impartatie, apostolische uitlijning, profetische correctie, Kingdom-activatie.

Dat klinkt indrukwekkend. Maar het kan zomaar een religieuze rookmachine worden.

 

“De kerk is ziek”

Hetzelfde geldt voor de uitspraak: “de kerk is ziek.”

Als daarmee bedoeld wordt dat veel zichtbare kerksystemen ongezond zijn, dan valt daar Bijbels veel voor te zeggen. De brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring laten zien dat plaatselijke gemeenten ernstig kunnen afwijken.

Tegen Sardis zegt de Here:

“Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.” Openbaring 3:1 (STV)

Tegen Laodicea zegt Hij:

“Omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.” Openbaring 3:16 (STV)

Dat zijn geen geruststellende woorden. De Here Zelf stelt diagnoses. Maar opnieuw: Hij spreekt concrete gemeenten aan op hun concrete toestand. Hij verklaart niet het lichaam van Christus als hemelse werkelijkheid ziek.

Als iemand dus zegt: “de kerk is ziek”, moet je doorvragen. Bedoel je de ware gemeente als lichaam van Christus? Dan is je uitspraak leerstellig verkeerd. Bedoel je zichtbare systemen, plaatselijke gemeenten of bewegingen die afwijken van Christus en de gezonde leer? Dan moet je concreet worden en Bijbels aantonen waar het misgaat.

Een vage totaaldiagnose is te gemakkelijk. En vaak manipulatief.

 

De verborgen boodschap achter zulke slogans

Uitspraken als “de kerk slaapt” en “de kerk is ziek” hebben vaak een verborgen implicatie.

De kerk slaapt — maar wij zijn wakker.

De kerk is ziek — maar wij hebben het medicijn.

De kerk mist kracht — dus kom bij ons voor vuur.

De kerk is doods — maar wij brengen leven.

De kerk is ongezond — maar onze beweging is Gods herstelprogramma.

De kerk is uit positie — dus je moet onder onze apostolische orde komen.

Daar ligt het gevaar. Men creëert eerst een algemeen probleem en presenteert daarna zichzelf als de oplossing.

En dat werkt. Want wie gelovigen lang genoeg vertelt dat zij tekortkomen, dat hun gemeente ziek is, dat hun geloof krachteloos is, dat zij “meer” nodig hebben, die maakt hen vatbaar voor geestelijke verkooptaal. Niet altijd financieel, soms vooral geestelijk. Maar het mechanisme is hetzelfde: eerst tekort aanpraten, daarna aanvulling aanbieden.

Paulus schrijft echter:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht.” Kolossenzen 2:10 (STV)

Dat is vernietigend voor elke bediening die de gelovige eerst leeg, ziek, slapend of incompleet moet verklaren om daarna haar eigen systeem aan te bieden.

De volheid is in Christus. Niet in een beweging. Niet in een conferentie. Niet in een apostolisch netwerk. Niet in een nieuwe golf. Niet in een bijzonder gezalfde spreker.

 

De gemeente van Christus is niet de voortzetting van Israël

Een ander kanjer van een misverstand is dat de gemeente wordt gezien als een soort geestelijk Israël dat Israëls aardse roeping heeft overgenomen. Dan gaat de kerk zich gedragen alsof zij geroepen is om op aarde een Koninkrijksprogramma uit te voeren, de wereld te hervormen, invloedssferen te veroveren of de heerschappij van Christus zichtbaar te maken vóórdat Hij Zelf verschijnt.

Maar de gemeente heeft een hemelse roeping.

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” Filippenzen 3:20 (STV)

Israël heeft verbonden, vaderen, beloften en een beloofde aardse profetische toekomst.

“Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen.” Romeinen 9:4 (STV)

De gemeente is het lichaam van Christus, uit Jood en heiden gevormd, met een hemelse positie en toekomst. Zij is niet geroepen om als vervangend Israël de aarde te beheren. Zij is geroepen om Christus te belijden, het Evangelie te verkondigen, te wandelen waardig haar roeping en haar Here uit de hemel te verwachten. In de studiebasis die in dit project wordt gebruikt, wordt dit onderscheid tussen Israël, heidenen en de gemeente nadrukkelijk uitgewerkt: de gemeente wordt daar beschreven als een apart volk met Christus als Hoofd, een hemelse roeping en een eigen positie binnen Gods heilsplan.

Wanneer dit onderscheid verdwijnt, schuift de gemeente gemakkelijk richting Kingdom Now, Dominion-denken en religieus activisme. Dan wordt de toekomstverwachting niet meer: de Here komt. Dan wordt het: wij moeten bouwen, herstellen, veroveren, doorbreken en zichtbaar maken.

Maar Handelingen 15 geeft een andere volgorde.

“Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam.” Handelingen 15:14 (STV)

Daarna volgt het herstel van de vervallen hut van David:

“Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen den tabernakel Davids, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.” Handelingen 15:16 (STV)

Eerst verxamelt God een volk uit de heidenen voor Zijn Naam. Daarna komt het herstel van Israël en de openbaring van het Koninkrijk. De gemeente bouwt niet de troon van David. Zij verwacht de Here.

 

De gemeente van Christus is geen

fysiek gebouw of systeem

Nog een hardnekkig misverstand: “de kerk” als gebouw.

Natuurlijk kan een gebouw nuttig zijn. Gelovigen kunnen ergens samenkomen. Maar het gebouw is niet de gemeente. Het gebouw is niet het huis van God in de nieuwtestamentische zin. De gelovigen zelf vormen Gods woonplaats in de Geest.

“Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods; Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.” Efeze 2:19-20 (STV)

En:

“Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere; Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.” Efeze 2:21-22 (STV)

Wanneer men zegt dat “de kerk slaapt”, denkt men vaak aan instituten, gebouwen, diensten, vormen en organisaties. Maar de Bijbelse gemeente is geen stenen structuur.

Zij is een geestelijk huis.

 

De gemeente van Christus is geen priesterhiërarchie

De gemeente heeft geen aparte priesterklasse nodig die tussen God en de gelovigen staat. Christus is de Hogepriester. Gelovigen vormen samen een heilig priesterdom.

“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.” 1 Petrus 2:5 (STV)

Daarmee verdwijnt het harde onderscheid tussen “geestelijkheid” en “leken” als twee geestelijke standen. Er zijn weliswaar gaven, bedieningen, oudsten, opzieners, herders en leraars. Maar er is géén hogere geestelijke kaste die dichter bij God staat dan de gewone gelovige.

Leiderschap in de gemeente is dienend, niet heersend.

“Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.” 1 Petrus 5:3 (STV)

Waar leiderschap zichzelf onaantastbaar maakt, waar titels belangrijker worden dan toetsing aan de Schrift, waar “zalving” kritiek moet uitschakelen, daar is men niet bezig met het lichaam van Christus, maar met religieuze machtsbouw.

 

De gemeente van Christus is onder genade, niet onder de wet

Ook hier ontstaan ongezonde, ziekmakende constructies. De gemeente wordt soms teruggeplaatst onder de wet, alsof de Heilige Geest vooral gegeven is om de gelovige alsnog Sinaï te laten vervullen.

Maar Paulus zegt:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)

Dat betekent niet wetteloosheid. Het betekent dat de gelovige niet onder de Mozaïsche wet als verbondsregeling staat. Zijn leven is verbonden met Christus. Zijn wandel is door de Geest.

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)

De gemeente leeft niet uit religieuze druk, maar uit Christus. Niet uit de oude bediening der letter, maar uit nieuwheid des geestes. Niet onder Sinaï, maar onder genade.

Wanneer men dat vergeet, wordt de gemeente al snel een religieuze loopband.

Altijd tekort. Altijd meer moeten. Altijd harder lopen. Altijd terug naar geboden, systemen, programma’s, vormen en prestaties.

Maar de Schrift brengt de gelovige niet terug onder het juk. Zij brengt hem tot Christus.

 

De samenkomst is belangrijk, maar niet de definitie van de gemeente

De samenkomst is belangrijk.. Maar ook hier is nuance nodig.  Zij is niet de hele definitie van de gemeente.

“En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.” Hebreeën 10:24-25 (STV)

Deze tekst gaat niet over kerkbezoek als losse religieuze meetlat, maar over volharding, onderlinge aansporing en vasthouden aan Christus in het licht van de naderende dag.

De gemeente is niet pas gemeente wanneer zij in een gebouw zit. Zij is gemeente omdat zij in Christus is.

 

De diagnose

Dus waar gaat het over wanneer men spreekt over een slapende of zieke kerk?

Het gaat, als men Bijbels wil spreken, over de zichtbare toestand van gelovigen, plaatselijke gemeenten en christelijke systemen. Niet over de wezenlijke positie van het lichaam van Christus.

Het gaat over wandel, niet over identiteit.

Over praktijk, niet over positie.

Over plaatselijke verantwoordelijkheid, niet over het falen van Christus’ werk.

Over afwijking van gezonde leer, niet over een ziek Hoofd-lichaam organisme.

Over menselijke systemen, niet over de hemelse werkelijkheid van de gemeente in Christus.

Daarom is precieze taal nodig.

Zeg niet:

“Het lichaam van Christus is ziek.”

Zeg:

“Veel zichtbare kerksystemen zijn ongezond.”

Zeg niet:

“De gemeente van Christus slaapt.”

Zeg:

“Veel gelovigen zijn niet wakker.”

Zeg niet:

“De kerk moet door ons iniatief genezen worden.”

Zeg:

“Gelovigen moeten terug naar de Bron, naar Christus, naar de Schrift, naar gezonde leer, naar nuchterheid en naar een wandel die past bij hun roeping.”

Dát is Bijbels,. En veilig.

 

Waarom belangrijk

Wie het lichaam van Christus ziek noemt, zonder onderscheid, verzwakt het zicht op Christus als Hoofd. Dan wordt de gemeente niet meer gezien vanuit Zijn volbrachte werk, maar vanuit haar zichtbare gebreken. Dan gaat de blik van boven naar beneden.

Van positie naar prestatie. Van Christus naar toestand. Van volheid in Hem naar tekort bij ons.

En daar ontstaat ruimte voor manipulatie.

Want als de kerk ziek is, wie heeft dan het medicijn?

Als de kerk slaapt, wie mag haar dan wakker schudden?

Als de kerk krachteloos is, wie brengt dan kracht?

Als de kerk haar bestemming mist, wie activeert haar dan?

Zo ontstaat een religieuze markt van herstelclaims. En telkens komt de oplossing niet eenvoudig neer op Christus, Zijn Woord, Zijn volbrachte werk, Zijn Geest en Zijn gezonde leer, maar op iets extra’s.

Een extra ervaring.

Een extra zalving.

Een extra apostolische laag.

Een extra profetische correctie.

Een extra Koninkrijksmandaat.

Een extra conferentie.

Een extra leider.

Een extra systeem.

Maar de Bijbelse boodschap is niet dat de gemeente tekortkomt buiten zulke systemen. De Bijbelse boodschap is dat de gelovige volmaakt is in Christus.

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht.” Kolossenzen 2:10 (STV)

 

Christus bouwt Zijn gemeente

De zichtbare christenheid kan verwarrend zijn. Plaatselijke gemeenten kunnen falen. Gelovigen kunnen vleselijk wandelen. Leiders kunnen ontsporen. Systemen kunnen ziek worden. Prediking kan afglijden. Bewegingen kunnen zichzelf belangrijker maken dan Christus.

Dat moet benoemd worden. Soms scherp. Soms met ernst.

Maar we mogen nooit spreken alsof Christus’ lichaam zelf een ziek, slapend of mislukt project of organisme is.

Christus bouwt Zijn gemeente.

Christus voedt Zijn gemeente.

Christus bewaart Zijn gemeente.

Christus is het Hoofd van Zijn gemeente.

En de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.

Daarom is de juiste oproep niet: “De kerk is ziek, kom naar onze beweging.”

De juiste oproep is: ga tot Christus.

Niet tot religieuze druk.

Niet tot activatiecultuur.

Niet tot menselijke heersers.

Niet tot Kingdom Now-dromen.

Niet tot wet en prestatie.

Niet tot kerkelijke zelfverheffing.

Maar tot Christus, het Hoofd.

“Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.” 2 Petrus 3:18 (STV)

zie ook:

Slaapt de kerk? Revival, doorbraak en vuur: Bijbels verlangen of religieuze opzweping? – Bijbelse basis

Pas op voor de wekker van de revivalindustrie – Bijbelse basis

Waarom Handelingen geen blauwdruk is voor de gemeente vandaag – Bijbelse basis

Een andere Jezus: Paulus waarschuwt in 2 Korinthe 11 – Bijbelse basis

extern:

De Gemeente, kerk of sekte? – Bijbels Panorama

Op deze petra zal ik Mijn gemeente bouwen – Stichting Vlichthus

De huidige tijdgeest

Wat zegt de Bijbel over Zoonschap en Zoonstelling?

Zoonstelling: geen bijzaak, maar de volle positie van de gelovige in Christus

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Zoonstelling in de Bijbel: wat betekent ‘aanneming tot kinderen’?

Er zijn woorden die in de Bijbel veel zwaarder wegen dan ze in onze oren klinken. “Aanneming tot kinderen” is er zo een.

Voor veel lezers klinkt dat als: God neemt mij liefdevol aan als Zijn kind. Dat is op zichzelf niet verkeerd, maar het dekt niet de volle lading van wat Paulus zegt. Het gaat niet alleen om erbij mogen horen. Het gaat om positie. Om erfdeel. Om heerlijkheid. Om de officiële plaats van de gelovige in Christus.

De Schrift spreekt over wedergeboorte, kindschap, zoonschap, erfgenaamschap en de verwachting van de verlossing van het lichaam. Wie dat allemaal op één hoop gooit, verliest de scherpte van Paulus’ betoog. Dan wordt zoonstelling iets warms en vaags. Een soort geestelijke knuffelterm. Terwijl het in de Bijbel juist gaat over de hoge, vaste en toekomstige positie van de gelovige in Christus.

Niet Sinaï. Niet slavernij. Niet geestelijke onvolwassenheid.. Maar zoonstelling.

 

Kindschap: geboren uit God

De basis ligt bij wedergeboorte. Een mens wordt geen kind van God door natuurlijke geboorte, kerkelijke aansluiting, doopregister, religieuze opvoeding of algemene scheppingsverwantschap. De Schrift spreekt veel scherper.

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;” Johannes 1:12 (STV)

Johannes zegt niet dat alle mensen kinderen van God zijn. Hij zegt dat zij die Christus aangenomen hebben, macht ontvangen kinderen Gods te worden. Dat kindschap is verbonden aan geloof in Zijn Naam.

Ook in zijn eerste brief is Johannes helder:

“Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.” 1 Johannes 5:1 (STV)

Kindschap is dus geboorte-taal. De gelovige is uit God geboren. Dat is geen morele verbetering van de oude mens, maar nieuw leven uit God. Geen religieuze renovatie, maar wedergeboorte.

Hier begint de fout vaak. Men spreekt over Gods vaderschap alsof het vanzelf over de hele mensheid uitgesmeerd kan worden. Maar de Schrift maakt onderscheid. God is Schepper van alle mensen, maar Vader in deze heilrijke zin alleen van hen die uit Hem geboren zijn.

Zoonstelling, meer dan aaanneming tot kinderen

 

Zoonschap: niet alleen geboren, maar gesteld in positie

Paulus gebruikt in Galaten, Romeinen en Efeze een woord dat in de Statenvertaling weergegeven wordt met “aanneming tot kinderen”. Het Griekse woord is huiothesia. Dat woord bestaat uit huios, zoon, en thesis, plaatsing of stelling. Letterlijk gaat het dus om zoonstelling.

Dat is méér dan adoptie in onze moderne betekenis. Het wijst op de officiële plaatsing in de positie van zoon en erfgenaam. “Aanneming tot kinderen” is bij huiothesia eigenlijk te zwak of misleidend weergegeven; bedoeld is “zoonstelling”, de officiële aanstelling in het eerstgeboorterecht.

Dat helpt enorm om Paulus te verstaan.

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.” Efeze 1:5 (STV)

Hier gaat het niet om een onzeker proces waarin God nog maar moet zien of Hij ons uiteindelijk wel wil hebben. Het staat in Gods raadsbesluit. De gelovige is in Christus bestemd tot zoonstelling. Dat is geen prestatie, geen opklimmen, geen religieus diploma. Het is naar het welbehagen van Zijn wil.

Daarom staat het ook direct in de sfeer van genade:

“Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde.” Efeze 1:6 (STV)

Let op die laatste woorden: in den Geliefde. De zoonstelling van de gelovige staat nooit los van Christus. Wij hebben geen zelfstandig zoonschap naast Hem. Wij zijn in Hem begenadigd, in Hem aangenomen, in Hem gesteld in positie.

 

Galaten: van knecht naar zoon

In Galaten krijgt het woord zijn scherpe rand. Paulus strijdt daar tegen vermenging van wet en genade. Tegen religieuze terugkeer naar minderjarigheid. Tegen een geloof dat na Christus alsnog onder voogden en verzorgers kruipt.

Hij schrijft:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.” Galaten 4:4-5 (STV)

De lijn is glashelder. Christus kwam onder de wet. Niet omdat Hij bevrijd moest worden, maar om hen die onder de wet waren te verlossen. Het doel is niet dat de gelovige opnieuw onder de wet gezet wordt met een christelijk sausje eroverheen. Het doel is zoonstelling.

Daarom volgt:

“En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!” Galaten 4:6 (STV)

En dan de conclusie:

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

Niet meer een dienstknecht. Maar een zoon. Niet meer  minderjarigheid. Maar erfgenaamschap. Niet meer Sinaï als woonadres. Maar Christus als positie.

Daarom is Galaten zo scherp. Wie de gelovige weer principieel onder de wet zet, tast niet alleen een leerstuk aan. Hij tast de zoonstelling aan. Hij haalt de zoon terug naar de knechtenbank.

 

Romeinen: kinderen, zonen en erfgenamen

Romeinen 8 laat de volle rijkdom zien. Eerst spreekt Paulus over leiding door de Geest:

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.” Romeinen 8:14 (STV)

Daarna komt de tegenstelling met slavernij:

“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!” Romeinen 8:15 (STV)

De Geest brengt de gelovige niet terug in angstige dienstbaarheid. Niet opnieuw onder het juk. Niet opnieuw in religieuze kramp. De Geest doet roepen:

Abba, Vader.

Dan komt het getuigenis:

“Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.” Romeinen 8:16 (STV)

En meteen daarna verbindt Paulus kindschap aan erfenis:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.” Romeinen 8:17 (STV)

Dat is de volgorde: kinderen, dus erfgenamen. Erfgenamen Gods. Mede-erfgenamen van Christus. Maar ook: lijden met Hem, om met Hem verheerlijkt te worden.

De boodschap van Romeinen 8 is samen te vatten als volgt:  door de Geest realiseren gelovigen hun nieuwe positie als zonen Gods; Hij leidt hen, door Hem roepen zij “Abba, Vader”, en Hij getuigt dat zij kinderen Gods zijn. Daarna volgt dat zij, omdat zij kinderen zijn, ook erfgenamen Gods en mede-erfgenamen met Christus zijn.

Dat is geen oppervlakkig troostverhaal. Het is een diepe positionele waarheid. De gelovige leeft nu nog in zwakheid, strijd, zuchten en lijden, maar zijn positie ligt vast in Christus.

 

De zoonstelling is nu bezit en toch nog verwachting

Hier wordt het spannend. Want Paulus zegt enerzijds dat wij de Geest der zoonstelling ontvangen hebben. Anderzijds zegt hij dat wij de zoonstelling nog verwachten.

“En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.” Romeinen 8:23 (STV)

Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet.

De gelovige is nu al kind van God. Hij heeft nu al de Geest. Hij staat nu al in Christus. Hij is nu al erfgenaam. Maar de volle openbaring van die positie is nog toekomstig. Ons lichaam is nog niet verlost. Wij dragen nog zwakheid, sterfelijkheid, vernedering en strijd.

Daarom is zoonstelling tegelijk een huidige positie én een toekomstige openbaring.

Nu: de Geest der zoonstelling.

Straks: de verlossing van het lichaam.

Nu: Abba, Vader.

Straks: gelijkvormigheid aan Christus in heerlijkheid.

Nu: erfgenamen.

Straks: openbaar delen in de heerlijkheid.

Dat is precies waarom Romeinen 8 niet eindigt in triomfantalisme, maar in hoop. Geen Kingdom Now-branie. Geen “wij manifesteren nu alvast de volle heerlijkheid”. Paulus zegt dat wij zuchten. Niet ongelovig zuchten, maar gelovig zuchten. Zuchten in hoop.

“Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” Romeinen 8:24 (STV)

Wie de toekomstige zoonstelling naar het nu trekt alsof alles al zichtbaar moet worden, loopt vooruit op God. Wie de huidige positie ontkent, berooft de gelovige van zijn zekerheid. De Schrift houdt beide vast.

 

Christus is de Zoon; wij zijn zonen in Hem

Hier moet zorgvuldig onderscheiden worden. Christus is niet Zoon op dezelfde wijze als wij zonen worden. Hij is de eeuwige, unieke Zoon. Hij is de Eniggeborene van de Vader.

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Wij worden niet goddelijke zonen in Zijn unieke, eeuwige zin. Dat zou grensoverschrijding zijn. Maar wij worden in Hem gesteld in de positie van zonen. Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” Romeinen 8:29 (STV)

Dat is geen aantasting van Christus’ heerlijkheid. Integendeel. Zijn heerlijkheid blijkt juist hierin, dat Hij als de Eerstgeborene vele zonen tot heerlijkheid leidt.

“Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.” Hebreeën 2:10 (STV)

Christus is de Zoon. Wij zijn zonen in de Zoon. Christus is Erfgenaam. Wij zijn mede-erfgenamen met Christus. Christus is de Eerstgeborene. De Gemeente wordt verbonden met het eerstgeboorterecht.

De Schrift verbindt dit met Christus als Eersteling en Eerstgeborene: omdat de Gemeente het lichaam van Christus is en gezegend is met elke geestelijke zegening in Christus, is zij geroepen tot zoonstelling en eerstgeboorterecht; Hebreeën 12:23 spreekt daarom over de “Gemeente der eerstgeborenen”.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Hebreeën 12 zet de positie van de gelovige niet bij Sinaï, maar bij Sion, het hemelse Jeruzalem en de Gemeente der eerstgeborenen.

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;” Hebreeën 12:22-23 (STV)

Dat is een geweldige tegenstelling. Niet de berg die brandt. Niet vreze en beving. Niet de afstand van Sinaï. Maar een hemelse positie.

De Gemeente is niet een aardse religieuze voortzetting van Israël onder een nieuw label. Zij heeft een hemelse roeping, hemelse zegeningen en een hemelse bestemming. Dat betekent niet dat Israël wordt wegverklaard. Integendeel. Juist door te onderscheiden wat God aan Israël en wat Hij aan de Gemeente geeft, blijft de Schrift helder.

De Gemeente der eerstgeborenen staat in verbinding met Christus, de Eerstgeborene. Haar positie is niet gebaseerd op nationale voorrechten, wetsonderhouding of aardse ordening, maar op Christus’ opstanding, verhoging en hemelse heerlijkheid.

 

Waarom “aanneming tot kinderen” al snel te zwak klinkt

De Statenvertaling is hier eerbiedwaardig, maar de formulering kan bij moderne lezers een verkeerd beeld oproepen. “Aanneming tot kinderen” klinkt alsof de nadruk ligt op adoptie van buitenstaanders tot kleine kinderen. Maar Paulus’ gedachte is rijker en scherper.

Het gaat om:

geboorte uit God;

bevrijding uit slavernij;

plaatsing als zoon;

erfgenaamschap;

de Geest Die “Abba, Vader” doet roepen;

toekomstige verheerlijking;

verlossing van het lichaam;

gelijkvormigheid aan Christus.

Zoonstelling is dus geen sentimentele adoptietaal, maar positie-taal. Koninklijke taal. Erfgenaamstaal. Eerstgeboortetaal.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom Paulus zo fel is in Galaten. De wet maakt minderjarig in de zin van voogdij en tuchtmeesterschap. Christus brengt de gelovige in vrijheid en zoonstelling. Wie daarna de wet weer als heersend principe invoert, doet alsof de zoon nog steeds in de knechtenkamer thuishoort.

Dat is geen vrome voorzichtigheid. Dat is leerstellige achteruitgang.

 

De praktische vrucht: zekerheid zonder losbandigheid

Zoonstelling betekent niet dat de gelovige nu maar losbandig kan leven. Dat is de karikatuur die altijd opduikt zodra genade werkelijk genade mag zijn.

Paulus bestrijdt dat zelf:

“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?” Romeinen 6:1-2 (STV)

De zoon leeft niet heilig om zoon te worden. Hij leeft heilig omdat hij in Christus zoon is. Dat is een totaal andere motor.

Geen zweep.

Geen Sinaï als aandrijfsysteem.

Geen angst als brandstof.

Maar de Geest, de positie in Christus, de hoop der heerlijkheid en het Vader-roepen in het hart.

Johannes verbindt de toekomstige heerlijkheid direct met reiniging:

“Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.” 1 Johannes 3:2-3 (STV)

Let op: Johannes zegt niet dat onzekerheid reinigt. Hij zegt dat hoop reinigt. De verwachting van Christus’ openbaring, en van onze gelijkvormigheid aan Hem, heeft een heiligende werking.

 

Waar het misgaat

Het gaat mis wanneer men kindschap, zoonstelling en erfgenaamschap losmaakt van Christus en vult met algemene godsdienstige taal.

Dan wordt God vooral “Vader van iedereen”.

Dan wordt Genade een warm gevoel.

Dan wordt zoonstelling een vroom woord voor acceptatie.

Dan wordt het erfdeel naar de achtergrond geschoven.

Dan wordt de toekomstige heerlijkheid vervangen door een ‘nu-al-theologie’ waarin de gelovige vooral moet heersen, claimen, bouwen, zichtbaar maken en manifesteren.

Maar Romeinen 8 zegt iets anders. De schepping zucht. Wij zuchten. De Geest bidt. De heerlijkheid komt. Het lichaam moet nog verlost worden. De zoonstelling zal nog openbaar worden.

Dat bewaart voor twee dwalingen.

Aan de ene kant: wetticisme, waarin zonen weer als knechten worden behandeld.

Aan de andere kant: triomfantalisme, waarin de toekomstige heerlijkheid nu alvast op aarde wordt geclaimd alsof de verlossing van het lichaam al heeft plaatsgevonden.

Beide missen de lijn van Paulus.

 

De kern

Zoonstelling betekent dat God de gelovige in Christus stelt in de positie van zoon en erfgenaam. Dat rust niet op de wet, niet op werken, niet op kerkelijke status, niet op geestelijke ervaring, maar op Gods welbehagen en Christus’ volbrachte werk.

De gelovige is nu al kind van God door wedergeboorte.

Hij heeft nu al de Geest der zoonstelling.

Hij roept nu al: Abba, Vader.

Hij is nu al erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus.

Maar hij verwacht nog de volle openbaring daarvan: de verlossing van het lichaam.

Daarom is zoonstelling geen bijzaak. Het is de Bijbelse naam voor de hoge positie van de gelovige in Christus, tussen kruis en heerlijkheid, tussen wedergeboorte en verheerlijking, tussen de Geest als eersteling en het lichaam dat nog verlost zal worden.

Niet meer een dienstknecht.

Maar een zoon.

Niet meer onder de wet.

Maar onder Genade.

Niet meer in geestelijke onvolwassenheid

Maar in Christus gesteld tot erfgenaam.

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

 

Geverifieerd door MonsterInsights