Loon en beloning voor de gelovige: kun je als christen loon verliezen?

Behoud is het begin

Wie vandaag christelijke prediking beluistert, zou gemakkelijk de indruk kunnen krijgen dat het christelijke leven uiteindelijk om één vraag draait:

Ben je gered?

Die vraag is van eeuwig belang. Maar wanneer daar vervolgens vrijwel een punt achter wordt gezet, blijft een aanzienlijk deel van het onderwijs van het Nieuwe Testament liggen.

Want de Schrift spreekt niet alleen over behouden worden, maar opvallend vaak over loon, beloning, vergelding, kronen, trouw, arbeid, schade en het verliezen van loon.

Dat roept een belangrijke vraag op.

Als een wedergeboren gelovige reeds eeuwig leven bezit uit genade, waarvoor ontvangt hij dan nog loon?

En nog scherper:

hoe kan iemand behouden zijn en toch schade lijden?

Het antwoord maakt het verschil duidelijk tussen redding als gave en loon als beloning.

Dat onderscheid beschermt enerzijds het Evangelie van genade en maakt anderzijds duidelijk dat het leven van de gelovige bepaald niet vrijblijvend is.

loon en beloning in de Bijbel
Loon voor de gelovige

Behoud is een gave, geen beloning

Hier moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt.

Een mens wordt niet behouden omdat hij voldoende goede werken heeft gedaan. Hij wordt evenmin behouden omdat zijn goede werken uiteindelijk zwaarder wegen dan zijn verkeerde werken.

Paulus schrijft:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:8-9, STV)

Let op het woord gave.

Redding is geen salaris dat God uitbetaalt nadat wij voldoende gepresteerd hebben. Het is Gods gave in Christus.

Dat onderscheid vinden we ook in Romeinen:

“Doch dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.” (Romeinen 4:4, STV)

Genade en verschuldigd loon zijn principieel verschillende zaken.

Wanneer ik ergens voor werk en mijn werkgever betaalt mij mijn salaris, heeft hij mij geen genade bewezen. Hij betaalt wat mij op grond van mijn arbeid toekomt.

Maar zo wordt een zondaar niet gerechtvaardigd.

Daarom:

Behoud wordt ontvangen. Loon wordt verdiend.

Wie die twee door elkaar haalt, maakt van genade alsnog een beloningssysteem.

Maar Genade maakt werken niet onbelangrijk

Hier ontstaat vervolgens gemakkelijk het tegenovergestelde misverstand.

Als mijn werken mij niet kunnen behouden, zouden mijn werken er dan uiteindelijk niet toe doen?

Paulus voorkomt die conclusie onmiddellijk.

Na gezegd te hebben dat wij niet uit werken behouden worden, schrijft hij:

“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.” (Efeze 2:10, STV)

De volgorde is allesbepalend.

Niet:

goede werken → behoudenis.

Maar:

behoudenis uit genade → nieuw leven in Christus → goede werken.

Wij werken dus niet om behouden te worden.

Wij mogen werken omdat wij behouden zijn.

Het christelijke leven begint daarom niet bij onze prestaties. Het begint bij wat God in Christus gedaan heeft.

Maar juist daarna begint onze verantwoordelijkheid.

Wedergeboorte is het begin, niet de finish

Hier zit misschien een van de grootste blinde vlekken.

Wanneer iemand tot geloof komt, heeft hij niet het einddoel van zijn christelijke leven bereikt. Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Vanaf dat moment begint een wandel.

Er kan groei zijn.

Er kan vrucht zijn.

Er kan trouwe dienst zijn.

Maar er kan ook geestelijke stilstand, eigenwilligheid en verspilde arbeid zijn.

Paulus schrijft:

“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken…” (Efeze 2:10, STV)

Een christen is dus niet slechts iemand die ooit “ja” tegen het Evangelie heeft gezegd en vervolgens wacht totdat hij naar de hemel gaat.

Hij is in Christus tot iets geroepen.

En daarom zal ook zijn werk beoordeeld worden.

De tekst die het onderscheid glashelder maakt

Een van de belangrijkste Schriftgedeelten hierover staat in 1 Korinthe 3.

Paulus begint bij het fundament:

“Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.” (1 Korinthe 3:11, STV)

Het fundament staat vast.

Maar vervolgens wordt op dat fundament gebouwd.

Paulus noemt goud, zilver en kostelijke stenen, maar ook hout, hooi en stoppelen.

Daarna komt de beoordeling:

“Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.” (1 Korinthe 3:13, STV)

Lees nauwkeurig wat hier beoordeeld wordt.

Niet:

of iemand voldoende gewerkt heeft om behouden te mogen worden.

Maar:

“hoedanig eens iegelijks werk is.”

Het werk wordt onderzocht.

En dan kunnen er twee uitkomsten zijn.

“Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.” (1 Korinthe 3:14, STV)

Maar vervolgens:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.” (1 Korinthe 3:15, STV)

Daar staat het.

Schade lijden — en toch behouden worden.

Je kunt behouden zijn en toch loon missen

Deze tekst is buitengewoon belangrijk omdat hij een veelvoorkomende verwarring onmogelijk maakt.

De persoon wiens werk verbrandt, verliest volgens deze tekst niet zijn behoudenis.

Paulus zegt juist nadrukkelijk:

“maar zelf zal hij behouden worden.”

Wat gaat dan verloren?

Zijn werk houdt voor Gods beoordeling geen stand.

Hij lijdt schade.

Dat betekent dat er voor een gelovige blijkbaar werkelijk iets te winnen én iets te verliezen valt zonder dat daarmee zijn positie in Christus opnieuw ter discussie wordt gesteld.

Dat wordt elders rechtstreeks bevestigd:

“Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.” (2 Johannes 1:8, STV)

Waarom deze waarschuwing wanneer loon helemaal niet verloren zou kunnen gaan?

Er bestaat blijkbaar zoiets als vol loon.

En er bestaat blijkbaar de mogelijkheid dat arbeid niet leidt tot die volle beloning.

Dat zou ons wakker moeten schudden.

De rechterstoel van Christus is geen nieuwe verlossingsproef

Paulus schrijft:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” (2 Korinthe 5:10, STV)

En:

“Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.” (Romeinen 14:10, STV)

Dat is ernstige taal.

Maar we moeten daarvan geen tweede Evangelie maken.

De gelovige verschijnt daar niet om alsnog door zijn werken te bewijzen dat Christus hem werkelijk mag behouden.

Zijn fundament is Christus.

De kwestie is zijn wandel en arbeid op dat fundament.

Dat is precies waarom 1 Korinthe 3 zo belangrijk is.

Het fundament wordt niet verbrand.

Het gebouw erop wordt getest.

De vraag is dus niet alleen:

Sta ik op het Fundament?

Maar voor wie daarop staat ook:

Wat heb ik erop gebouwd?

Het Nieuwe Testament spreekt opvallend vaak over loon

De gedachte van beloning staat bepaald niet alleen bij Paulus.

De Here Jezus zegt:

“Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen…” (Mattheüs 5:12, STV)

Ook:

“Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn…” (Lukas 6:35, STV)

In Johannes lezen we:

“En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven…” (Johannes 4:36, STV)

Hebreeën zegt:

“Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.” (Hebreeën 10:35, STV)

En bijna aan het einde van de Bijbel zegt Christus:

“En zie, Ik kom haastelijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.” (Openbaring 22:12, STV)

Dat kan onmogelijk een onbelangrijk Bijbels zijspoor zijn.

De Schrift verbindt werk en loon herhaaldelijk met elkaar.

De Bijbel spreekt zelfs over kronen

Paulus vergelijkt het christelijke leven met een wedloop:

“Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loopt alzo, dat gij dien moogt verkrijgen.” (1 Korinthe 9:24, STV)

En vervolgens:

“En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.” (1 Korinthe 9:25, STV)

Aan het einde van zijn leven kan Paulus schrijven:

“Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.” (2 Timotheüs 4:8, STV)

Jakobus spreekt over de kroon des levens:

“Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.” (Jakobus 1:12, STV)

Petrus spreekt over:

“En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.” (1 Petrus 5:4, STV)

En dan klinkt zelfs de waarschuwing:

“Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.” (Openbaring 3:11, STV)

Niet: opdat niemand uw eeuwige leven neme.

Maar:

“opdat niemand uw kroon neme.”

Dat onderscheid is veelzeggend.

Waaruit bestaat dat loon?

Hier moeten we niet méér invullen dan de Schrift zegt.

Het Nieuwe Testament spreekt over loon, kronen, heerlijkheid, erkenning en toekomstige verantwoordelijkheid. Er zijn bovendien Schriftgedeelten waarin trouw verbonden wordt met toekomstig regeren.

Paulus schrijft bijvoorbeeld:

“Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen…” (2 Timotheüs 2:12, STV)

De precieze aard en omvang van iedere toekomstige beloning wordt ons niet in een soort hemelse salaristabel uitgelegd.

Maar één ding is wel duidelijk:

God acht de trouw van Zijn kinderen van werkelijk en blijvend belang.

Wat wij hier doen, kan eeuwigheidswaarde hebben.

Niet iedere christelijke activiteit is ook waardevol

Dat is misschien nog confronterender.

1 Korinthe 3 zegt niet alleen dat slechte dingen verdwijnen. Paulus spreekt over werk dat iemand gebouwd heeft en dat desondanks kan verbranden.

Een mens kan dus religieus actief zijn en toch bouwen met hout, hooi en stoppelen.

Dat stelt andere vragen dan:

Hoeveel heb ik gedaan?

De belangrijkere vragen worden:

Waaruit kwam mijn dienst voort?

Voor Wie deed ik het?

Bouwde ik overeenkomstig Gods Woord?

Zocht ik menselijke erkenning of de goedkeuring van Christus?

Was mijn arbeid werkelijk vrucht van het nieuwe leven?

Een indrukwekkend christelijk bouwwerk kan in menselijke ogen succesvol lijken en voor Gods beoordeling nauwelijks waarde blijken te hebben.

Omgekeerd kan een leven dat hier vrijwel niemand opmerkt voor Hem kostbaar zijn.

Dat zet onze menselijke maatstaven behoorlijk op hun kop.

Dit ontneemt de gelovige zijn zekerheid niet

Sommigen worden nerveus zodra er over verantwoordelijkheid, werken en beoordeling wordt gesproken.

Dat is begrijpelijk wanneer men nooit geleerd heeft onderscheid te maken tussen behoud en loon.

Maar juist dat onderscheid geeft rust.

Mijn behoudenis rust niet op de kwaliteit van mijn christelijke prestaties.

Mijn behoudenis rust op Christus.

Tegelijkertijd geeft die zekerheid mij geen vrijbrief om mijn leven te verspillen.

Integendeel.

Juist omdat ik niet meer hoef te werken voor mijn redding, ben ik vrijgemaakt om te leven en te dienen vanuit mijn redding.

Genade schakelt verantwoordelijkheid niet uit.

Genade maakt ware dienst juist mogelijk.

Misschien moeten we stoppen met vragen naar het minimum

Een merkwaardige vraag die soms impliciet boven het christelijke leven hangt, is:

Hoeveel moet ik eigenlijk doen als ik toch al behouden ben?

Maar iemand die begrijpt wat hem in Christus geschonken is, zou uiteindelijk een andere vraag moeten stellen:

Heer, wat wilt U met het leven dat U mij gegeven hebt?

Niet uit angst dat Christus ons anders afwijst.

Niet om alsnog onze plaats in de hemel te verdienen.

Niet om tegenover andere christenen iets te bewijzen.

Maar uit dankbaarheid, geloof en liefde.

Paulus zegt:

“Zo dan, mijn geliefde broeders, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.” (1 Korinthe 15:58, STV)

Niet ijdel.

Dat is de belofte.

Werk dat werkelijk in den Heere geschiedt, is niet vergeefs.

Wat bouw jij op het Fundament?

Misschien is dat uiteindelijk de vraag die deze leer zo persoonlijk maakt.

Wanneer Christus ons Fundament is, ligt onze eeuwige zekerheid niet in onszelf.

Maar op dat Fundament wordt gebouwd.

Dag na dag.

Met onze tijd.

Met onze mogelijkheden.

Met onze woorden.

Met onze keuzes.

Met de kennis die God ons uit Zijn Woord geeft.

Met de wijze waarop wij anderen dienen.

Met datgene wat wij doen wanneer niemand kijkt.

Er komt een moment waarop openbaar zal worden hoedanig ons werk is geweest.

Dan kunnen menselijke reputatie, kerkelijke status, aantallen, zichtbaarheid en succes ineens volkomen betekenisloos blijken.

Want het oordeel daarover ligt bij Christus.

Daarom is de leer over het loon geen bedreiging voor de genade.

Het is juist een krachtige aansporing voor hen die door genade reeds behouden zijn.

Je hoeft niet te werken om kind van God te worden.

Maar als je in Christus nieuw leven ontvangen hebt, doet het ertoe hoe je dat leven besteedt.

Er kan loon zijn.

Er kan vol loon zijn.

Er kan schade zijn.

Er kan iets verloren gaan.

En toch blijft het fundament staan:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.” (1 Korinthe 3:15, STV)

Dat is tegelijkertijd volmaakte genade en ernstige verantwoordelijkheid.

De vraag voor de wedergeboren gelovige is daarom niet alleen:

Ben ik behouden?

Maar ook:

Als straks blijkt wat ik op Christus gebouwd heb — wat zal er dan overblijven?

YouTube player

Het eerstgeboorterecht in de Bijbel: betekenis, Christus en erfenis

Waarom deze vergeten waarheid zo belangrijk is

Wie bij het eerstgeboorterecht in de Bijbel alleen denkt aan een oude familietraditie waarbij de oudste zoon een groter deel van de erfenis kreeg, mist een belangrijke lijn die van Genesis tot het Nieuwe Testament loopt.

Het eerstgeboorterecht heeft in de Schrift te maken met positie, erfenis, verantwoordelijkheid, voorrang en bestemming. En uiteindelijk werpt dit begrip verrassend veel licht op de Here Jezus Christus als de Eerstgeborene, op Zijn plaats boven de schepping, op Zijn opstanding uit de doden en op de positie van de gelovige in Hem.

Dat maakt het eerstgeboorterecht veel meer dan een interessant oudtestamentisch onderwerp. Het is een sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

 

Wat betekent het eerstgeboorterecht in de Bijbel?

In onze taal denken we bij het woord eerstgeborene als vanzelf aan degene die als eerste geboren werd. In de Bijbel kan dat inderdaad de betekenis zijn, maar zeker niet altijd.

God zegt bijvoorbeeld over Israël:

“Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” — Exodus 4:22 (STV)

Israël was bepaald niet het eerste volk dat ooit op aarde bestond. Het woord eerstgeborene kan hier dus onmogelijk uitsluitend chronologisch worden opgevat.

Het spreekt van rang en positie.

Dat is direct van belang wanneer het Nieuwe Testament de Here Jezus Christus noemt:

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Sommigen lezen daaruit dat Christus het eerste geschapen wezen zou zijn. Maar die uitleg botst onmiddellijk met de volgende woorden:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

Christus wordt dus niet binnen de schepping geplaatst als het eerste schepsel. Hij staat erboven als Degene door Wie alle dingen geschapen zijn.

Paulus legt de betekenis enkele verzen later zelf uit:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar ligt de kern van het Bijbelse begrip eerstgeboorte:

voorrang, positie en erfgenaamschap.

Eerstgeboorterecht de betekenis
Eerstgeboorterecht in de Bijbel

Het eerstgeboorterecht verbonden met erfenis

Het eerstgeboorterecht was geen lege titel. Aan de eerstgeborene was een bijzondere plaats in het huis van zijn vader verbonden.

De Wet zegt:

“Maar den eerstgeborene […] zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles wat bij hem zal gevonden worden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is zijne.” — Deuteronomium 21:17 (STV)

De eerstgeborene ontving dus een dubbel erfdeel.

Daarmee wordt duidelijk dat eerstgeboorte te maken had met meer dan leeftijd. Het ging om positie binnen het huis, verantwoordelijkheid en erfenis.

Juist daarom zijn de geschiedenissen van Ezau, Ruben, Jozef, Manasse en Efraïm zo belangrijk.

 

Ezau verachtte zijn eerstgeboorterecht

Ezau is een van de bekendste voorbeelden.

Wanneer hij hongerig thuiskomt en Jakob voedsel vraagt, verlangt Jakob daarvoor zijn eerstgeboorterecht.

Ezau antwoordt:

“Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?” — Genesis 25:32 (STV)

Daarna verkoopt hij zijn eerstgeboorterecht.

De Schrift trekt zelf de conclusie:

“Alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.” — Genesis 25:34 (STV)

Dat ene woord is veelzeggend: verachtte.

Ezau achtte iets wat met Gods belofte, positie en toekomstige erfenis te maken had minder belangrijk dan zijn onmiddellijke lichamelijke behoefte.

Het zichtbare woog zwaarder dan de belofte.

Het tijdelijke woog zwaarder dan de erfenis.

Het vlees woog zwaarder dan hetgeen God had toegezegd.

Eeuwen later grijpt Hebreeën terug op precies deze geschiedenis:

“Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” — Hebreeën 12:16 (STV)

Dit was dus geen onbeduidend familievoorval.

Ezau waardeerde niet wat God waardeerde.

Dat maakt zijn geschiedenis ook vandaag nog indringend.

 

Ruben was eerstgeborene maar verloor het eerstegeboorterecht

Bij Ruben wordt nog duidelijker dat geboortevolgorde en eerstgeboorterecht niet identiek zijn.

Jakob zegt tegen hem:

“Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht en het begin mijner macht…” — Genesis 49:3 (STV)

Ruben was inderdaad letterlijk de eerste zoon van Jakob.

Maar later lezen we:

“De kinderen nu van Ruben, den eerstgeborene Israëls (want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij zijns vaders bed had ontheiligd, zo werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël…” — 1 Kronieken 5:1 (STV)

Dat is een sleuteltekst.

Ruben bleef biologisch de eerstgeborene, maar de eerstgeboorte werd aan Jozef gegeven.

De Schrift maakt dus zelf onderscheid tussen als eerste geboren worden en de positie van eerstgeboorte bezitten.

Het volgende vers is nog opmerkelijker:

“Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en uit hem is de Vorst voortgekomen; doch de eerstgeboorte was van Jozef.” — 1 Kronieken 5:2 (STV)

Uit Juda komt de Vorst.

Maar het eerstgeboorterecht ligt bij Jozef.

Dat onderscheid is belangrijk en laat zien hoe nauwkeurig de Schrift met deze begrippen omgaat.

 

Waarom kreeg Jozef een dubbel deel?

Dan begrijpen we ook waarom Jozef via zijn zonen Efraïm en Manasse twee plaatsen binnen Israël krijgt.

Jakob zegt:

“Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik tot u in Egypte gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.” — Genesis 48:5 (STV)

Efraïm en Manasse worden daarmee als het ware naast Jakobs eigen zonen geplaatst.

Jozef ontvangt via hen twee stamdelen.

En wat was het bijzondere erfdeel van de eerstgeborene?

Het dubbele deel.

Genesis 48 en 1 Kronieken 5 sluiten daarmee nauw op elkaar aan.

Het eerstgeboorterecht had dus concrete gevolgen voor de erfenis.

 

Efraïm en Manasse: de natuurlijke volgorde wordt opnieuw doorbroken

Zelfs binnen het huis van Jozef gebeurt hetzelfde patroon opnieuw.

Manasse was de oudste. Jozef zorgt er daarom bewust voor dat Manasse bij Jakobs rechterhand staat wanneer zijn vader de jongens zegent.

Maar Jakob kruist zijn handen en legt zijn rechterhand op Efraïm, de jongste.

Jozef denkt dat zijn vader zich vergist:

“Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.” — Genesis 48:18 (STV)

Jakob antwoordt:

“Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij…” — Genesis 48:19 (STV)

Opnieuw wordt de natuurlijke volgorde bewust doorbroken.

Gods toekenning van positie wordt niet eenvoudig bepaald door geboortevolgorde.

Dat patroon zien we vaker:

Kaïn vóór Seth.

Ismaël vóór Izak.

Ezau vóór Jakob.

Ruben vóór Jozef.

Manasse vóór Efraïm.

Dat is te consequent om als toevallig detail af te serveren.

Eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke

Paulus geeft later woorden die dit patroon veel dieper plaatsen:

“Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.” — 1 Korinthe 15:46 (STV)

En vervolgens:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

Daar staat de grote tegenstelling:

Adam tegenover Christus.

De eerste mens tegenover de Tweede Mens.

Het natuurlijke tegenover het geestelijke.

De oude schepping tegenover de nieuwe.

De geschiedenis van het eerstgeboorterecht loopt daardoor uiteindelijk niet dood bij Jakob, Jozef of Efraïm.

Zij wijst vooruit naar Christus.

 

Christus als Eerstgeborene van heel de schepping

Kolossenzen 1 is daarom van groot apologetisch belang.

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Wie daaruit concludeert dat Christus een schepsel is, negeert de directe context.

Paulus vervolgt:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

En:

“En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem.” — Kolossenzen 1:17 (STV)

En tenslotte:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Door Hem zijn alle dingen geschapen.

Tot Hem zijn alle dingen geschapen.

Hij is vóór alle dingen.

Door Hem bestaan alle dingen.

Hij moet in alles de Eerste zijn.

Dat is geen beschrijving van een geschapen wezen.

“Eerstgeborene” spreekt hier over Zijn hoogste positie boven de schepping.

 

Christus is de Eerstgeborene uit de doden

Paulus noemt Christus ook:

“…de Eerstgeborene uit de doden…” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Ook dat kan niet simpelweg chronologisch betekenen dat Hij de eerste persoon was die ooit uit de dood werd opgewekt.

Voor Zijn opstanding waren immers al mensen uit de dood opgewekt.

Maar zij keerden terug in een sterfelijk bestaan.

Christus niet.

“Wetende dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.” — Romeinen 6:9 (STV)

Zijn opstanding is van een andere orde.

Hij stond op in onvergankelijk leven.

Daarom noemt Paulus Hem ook:

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn.” — 1 Korinthe 15:20 (STV)

Eerstgeborene.

Eersteling.

Begin.

Christus staat aan het begin van een nieuwe orde.

 

De Laatste Adam en de Tweede Mens

Paulus schrijft:

“Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.” — 1 Korinthe 15:45 (STV)

Christus is niet een verbeterde versie van Adam.

Hij is de Laatste Adam.

En:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

De boodschap van de Schrift is dus niet dat God de oude mens door religieuze inspanning probeert te verbeteren.

In Christus ontstaat iets nieuws.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” — 2 Korinthe 5:17 (STV)

Hier krijgt het patroon uit Genesis zijn diepste betekenis.

Eerst Adam.

Daarna Christus.

Eerst het natuurlijke.

Daarna het geestelijke.

 

De Eerstgeborene onder vele broederen

Romeinen 8 gaat nog verder:

“Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” — Romeinen 8:29 (STV)

Christus is dus niet alleen Eerstgeborene.

Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

Zijn positie blijft uniek.

Hij blijft Degene Die in alles de Eerste is.

Maar God verbindt anderen met Hem.

Daarmee komen we bij een begrip dat nauw samenhangt met eerstgeboorterecht: zoonstelling.

 

Zoonstelling, erfenis en eerstgeboorterecht

Paulus schrijft:

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven…” — Efeze 1:5 (STV)

Het gaat hier om de gedachte van zoonstelling: geplaatst worden in de positie van zoon.

En waar zoonstelling verschijnt, is er ook sprake van erfenis.

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus…” — Romeinen 8:17 (STV)

Dat is veel rijker dan de versmalling van het christelijke geloof tot:

Mijn zonden zijn vergeven en later ga ik naar de hemel.

Vergeving is onmisbaar.

Maar Gods voornemen gaat verder.

Hij spreekt over zoonstelling.

Over erfenis.

Over mede-erfgenamen.

Over gelijkvormigheid aan Zijn Zoon.

Over heerlijkheid.

En over Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Dan krijgt Hebreeën 12 ineens veel meer betekenis:

“…tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn…” — Hebreeën 12:23 (STV)

De Gemeente der eerstgeborenen.

Hoe kan een hele Gemeente uit eerstgeborenen bestaan wanneer eerstgeborene alleen geboortevolgorde zou betekenen?

Dat kan niet.

Maar wanneer eerstgeboorte spreekt over positie en erfenis, wordt de uitdrukking begrijpelijk.

En precies die taal gebruikt Paulus wanneer hij spreekt over degenen die in Christus zijn.

Zij zijn geen eerstgeborenen los van Hem.

Hun hele positie bestaat in Christus.

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” — Efeze 1:3 (STV)

Alles ligt in Hem.

Niet in religieuze prestaties.

Niet in menselijke waardigheid.

Niet in het onderhouden van een systeem.

Maar in Christus.

 

Waarom veel christelijke prediking hier tekortschiet

Veel prediking stopt feitelijk bij de ingang van het Evangelie.

De mens is zondaar.

Christus stierf voor zonden.

Wie gelooft, ontvangt vergeving.

Dat is helemaal waar.

Maar het is niet het hele verhaal.

Paulus stopt daar niet.

De gelovige is gerechtvaardigd, maar ook met Christus verbonden.

Hij behoort tot Zijn Lichaam.

Hij is gezegend met geestelijke zegeningen in de hemel.

Hij heeft een hemelse roeping.

Hij ontvangt zoonstelling.

Hij is erfgenaam.

Hij is mede-erfgenaam van Christus.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

En zijn toekomst is met Christus verbonden.

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Dat is veel rijker dan een Evangelie dat uiteindelijk nauwelijks verder komt dan de vraag waar iemand na zijn dood terechtkomt.

De Schrift spreekt niet alleen over waar wij van verlost zijn.

Zij spreekt ook over waartoe wij in Christus geroepen zijn.

 

Eerstgeboorterecht en behoud zijn niet hetzelfde

Juist hier moet zorgvuldig onderscheiden worden.

Het eeuwige leven is een gave.

“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.” — Romeinen 6:23 (STV)

Een gave verdien je niet.

Daarom moeten we van Ezau ook geen verhaal maken waarin iemand zogenaamd zijn behoudenis verloor omdat hij één maaltijd belangrijker vond.

De tekst zegt iets anders.

Hij verkocht zijn eerstgeboorterecht.

Dat ging over positie en erfenis.

Wanneer behoudenis, erfenis en eerstgeboorterecht zonder onderscheid door elkaar worden gebruikt, ontstaan onnodige tegenstrijdigheden.

De Schrift maakt onderscheid.

Wij zouden dat daarom ook moeten doen.

Waarom het eerstgeboorterecht belangrijk is voor Bijbeluitleg

Het eerstgeboorterecht blijkt een sleutel te zijn die verschillende Schriftgedeelten met elkaar verbindt.

Het helpt verklaren waarom Christus “Eerstgeborene aller kreaturen” genoemd wordt zonder dat Hij een schepsel is.

Het verklaart waarom Israël Gods eerstgeborene genoemd wordt zonder het eerste volk op aarde te zijn.

Het verklaart waarom Ruben biologisch eerstgeborene was en toch zijn eerstgeboorte verloor.

Het verklaart waarom Jozef een dubbel erfdeel ontvangt.

Het verklaart waarom Efraïm vóór Manasse wordt geplaatst.

Het verbindt zoonschap met erfenis.

Het werpt licht op Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

En het helpt ons de uitdrukking “Gemeente der eerstgeborenen” te verstaan.

Dit is daarom geen vrijblijvende studie over oude familiegebruiken.

Het raakt rechtstreeks aan de Persoon en positie van Christus.

 

Het eerstgeboorterecht vindt zijn vervulling in Christus

Wanneer we de hele Bijbelse lijn overzien, wordt het patroon steeds duidelijker.

De natuurlijke eerstgeborene is niet vanzelfsprekend degene die uiteindelijk de positie ontvangt.

Het eerstgeboorterecht is verbonden met erfenis.

Het kan aan een ander worden gegeven.

Een compleet volk kan eerstgeborene worden genoemd vanwege zijn positie.

En uiteindelijk verschijnt Christus als:

de Eerstgeborene aller kreaturen,

de Eerstgeborene uit de doden,

de Eerstgeborene onder vele broederen.

Daarna spreekt Hebreeën over:

de Gemeente der eerstgeborenen.

Dat zijn geen toevallige overeenkomsten.

De Schrift verklaart de Schrift.

Een begrip dat al vroeg in Genesis zichtbaar wordt, krijgt zijn volle betekenis in de opgestane en verheerlijkte Christus.

Paulus vat het uiteindelijk prachtig samen:

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar moet iedere studie over het eerstgeboorterecht eindigen.

Niet bij Jakob.

Niet bij Jozef.

Niet bij Israël.

En ook niet bij ons.

Maar bij Christus.

Hij is de Eerstgeborene. Hij is het Hoofd. Hij is de Erfgenaam. Hij is het Begin van de nieuwe schepping.

En alles wat de gelovige ontvangen heeft, bezit hij uitsluitend in Hem.

Daarom is het eerstgeboorterecht geen belegen, stoffig detail uit Genesis.

Het is een vergeten sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

Zie ook:

zoonstelling – Bijbelse basis

extern:

Bijbelstudie: Het eerstgeboorterecht – Bijbels Panorama

Galaten 6:14: roemen in het kruis

Niet in christelijk succes

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Er zijn Bijbelteksten die nauwelijks ruimte laten voor religieuze zelfverheerlijking. Galaten 6:14 is er één van.

Paulus zegt niet dat hij een beetje minder wil roemen in zichzelf. Hij zegt niet dat menselijke prestaties best waardevol zijn, zolang Christus er maar bij genoemd wordt. Hij trekt een veel radicalere grens:

er blijft voor hem maar één grond van roem over: het kruis van de Here Jezus Christus.

Dat staat haaks op veel van wat tegenwoordig als christelijk succes wordt gepresenteerd.

Groei. Invloed. Bereik. Aantallen. Zichtbaarheid. Een groter podium. Een grotere gemeente. Een grotere bediening. Meer impact.

Maar waar in dit alles staat het kruis?

Want Paulus zegt niet:

Zie eens wat wij voor Christus bereikt hebben.

Hij zegt:

zie wat Christus heeft volbracht.
Galaten 6 vers 14

 

De context maakt Galaten 6:14 nog scherper

Galaten 6:14 staat niet los in de brief. Paulus bestrijdt in Galaten een religie waarin aan het volbrachte werk van Christus alsnog iets van de mens werd toegevoegd.

De besnijdenis speelde daarin een belangrijke rol.

Paulus schrijft vlak vóór onze tekst:

Want ook zij zelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.” — Galaten 6:13 (STV)

Daar staat het probleem.

Roemen in uw vlees.

Het ging om iets zichtbaars. Iets waarmee men kon aantonen dat men resultaat had geboekt. Er kon als het ware worden gezegd: kijk eens hoeveel mensen wij zover hebben gekregen.

En dan komt Paulus:

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus…” — Galaten 6:14 (STV)

Dat is geen vrome aanvulling.

Dat is een regelrechte afwijzing van religieuze roem.

 

Het kruis laat niets van de menselijke grootheid heel

Waarom is het kruis zo vernietigend voor menselijke trots?

Omdat het kruis verklaart dat de mens zichzelf niet kan redden.

Als opvoeding voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Als religie voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Als de wet de mens had kunnen rechtvaardigen, was het kruis niet nodig.

Als menselijke verbetering voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Paulus had dit eerder in dezelfde brief al vlijmscherp gezegd:

“Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” — Galaten 2:21 (STV)

Daarom kan wet en genade niet eenvoudig worden samengevoegd tot één christelijk systeem waarin Christus het grootste deel doet en de mens vervolgens het ontbrekende stuk aanvult.

Het kruis zegt niet dat de mens een zetje nodig had.

Het kruis zegt dat Christus alles moest doen.

 

Het christendom heeft opnieuw leren roemen in het vlees

De vorm is veranderd.

We eisen misschien niet meer dat christenen besneden worden. Maar het beginsel waartegen Paulus strijdt, is bepaald niet verdwenen.

Ook vandaag kan het vlees religieus worden.

Sterker nog: het vlees kan zeer christelijk klinken.

“We hebben zoveel mensen bereikt.”

“Onze gemeente groeit enorm.”

“God gaat ons groot maken.”

“Wij gaan deze stad innemen.”

“Onze invloed zal verdubbelen.”

“God brengt ons naar een hoger niveau.”

“Wij bouwen iets geweldigs voor God.”

Het klinkt indrukwekkend.

Maar Galaten 6 stelt een ongemakkelijke vraag:

waarin wordt hier eigenlijk geroemd?

In Christus?

Of in het zichtbare resultaat van menselijke activiteit?

Dat onderscheid is essentieel.

Een grote gemeente is niet automatisch een verkeerde gemeente. Veel bereik hebben is geen zonde. Groei kan een zegen zijn.

Maar groei is geen Bijbelse maatstaf voor waarheid.

Succes is geen bewijs van Gods goedkeuring.

Aantallen bewijzen geen Bijbelgetrouwheid.

Zichtbaarheid bewijst geen geestelijke vrucht.

En invloed is nergens het fundament waarop de gelovige geroepen wordt te roemen.

 

Paulus had genoeg om menselijk in te roemen

Het opmerkelijke is dat Paulus naar menselijke maatstaven juist indrukwekkende geloofsbrieven bezat.

Hij kende de Schrift. Hij was opgevoed binnen het Jodendom. Hij had een indrukwekkende religieuze achtergrond. Hij was ijverig. Hij had aanzien kunnen verwerven.

Maar toen hij Christus leerde kennen, veranderde zijn rekensom.

Wat voorheen winst was, verloor zijn waarde als grond van roem.

Het kruis maakte niet alleen een einde aan zijn vertrouwen in slechte werken.

Het maakte ook een einde aan zijn vertrouwen in goede religieuze werken als grond van gerechtigheid.

Dat is veel confronterender.

Want de zondaar wil soms best erkennen dat zijn zonden verkeerd zijn.

Veel moeilijker is het te erkennen dat zelfs zijn beste religieuze prestaties hem geen millimeter dichter bij God brengen.

 

“De wereld mij gekruisigd”

Paulus gaat in Galaten 6:14 nog verder:

“…door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Het kruis heeft dus niet alleen betrekking op onze schuld.

Het heeft ook betrekking op onze verhouding tot de wereld.

En daarmee bedoelen we niet simpelweg dat een christen niets meer met ongelovigen te maken mag hebben.

Paulus spreekt over een veel funamentelere breuk.

De wereld heeft haar systeem van waardering.

Wie is belangrijk?

Wie is succesvol?

Wie heeft macht?

Wie heeft aanzien?

Wie wordt gezien?

Wie heeft invloed?

Wie krijgt applaus?

Wie heeft het grootste bereik?

Dat systeem dringt gemakkelijk de christelijke wereld binnen.

En voor je het weet spreken gemeenten dezelfde taal als ondernemingen, influencers en marketingbureaus — alleen zetten we het woord “God” ervoor.

Maar Paulus zegt:

die wereld is voor mij gekruisigd.

De waardeschaal waarop de wereld mensen meet, mag niet de waardeschaal worden waarop het Lichaam van Christus zichzelf beoordeelt.

Ook ik ben der wereld gekruisigd

Er staat nog iets:

“…en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Dat is minstens net zo ingrijpend.

Paulus zegt niet alleen dat hij de wereld heeft afgeschreven.

De wereld heeft in zekere zin ook hem afgeschreven.

Een gekruisigde was niet indrukwekkend.

Een gekruisigde was geen winnaar.

Een gekruisigde had geen status.

Een gekruisigde werd niet bewonderd.

En juist dat beeld gebruikt Paulus voor zijn positie tegenover deze wereld.

Dat botst frontaal met christendom dat voortdurend probeert indrukwekkend, relevant, invloedrijk en maatschappelijk onweerstaanbaar te zijn.

De roeping van de Gemeente is niet om de wereld ervan te overtuigen hoe indrukwekkend zij is.

Zij is geroepen om Christus bekend te maken.

Dat kan in grote samenkomsten.

Dat kan ook door één onbekende gelovige die trouw het Woord doorgeeft aan één ander mens.

De hemel rekent kennelijk anders dan onze statistieken.

 

Het kruis betekent niet passiviteit

Hier ontstaat makkelijk een misverstand.

Wie zegt dat wij niet in menselijke prestaties mogen roemen, zegt daarmee niet dat de gelovige niets hoort te doen.

Paulus was bepaald geen passieve man.

Hij reisde, predikte, onderwees, schreef, leed en arbeidde.

Maar dat is nu juist het verschil:

hij werkte niet om iets te worden; hij werkte vanuit wat hij in Christus ontvangen had.

Dát is de richting van genade.

Niet:

werken om aanvaard te worden.

Maar:

werken omdat wij aanvaard zijn in Christus.

Niet:

presteren om identiteit te verwerven.

Maar:

wandelen vanuit de identiteit die God gegeven heeft.

Niet:

vrucht voortbrengen om leven te verkrijgen.

Maar:

vrucht dragen omdat er nieuw leven is.

Dat onderscheid is fundamenteel.

 

“Ik ben met Christus gekruist”

De gedachte van Galaten 6:14 is al eerder in de brief gegeven:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij…” — Galaten 2:20 (STV)

Dat is het christelijke leven in één zin.

Niet de oude mens religieuzer maken.

Niet Adam christelijk oppoetsen.

Niet het vlees leren zich netter te gedragen zodat het vervolgens trots kan zijn op zijn geestelijke vooruitgang.

Maar:

Christus leeft in mij.

Het christelijke leven is niet de verbetering van het oude Adamitische leven door hogere idealen, maar het ontvangen van nieuw leven in Christus.

Daarom volgt onmiddellijk na Galaten 6:14:

“Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.” — Galaten 6:15 (STV)

Daar ligt de sleutel.

Een nieuw schepsel.

Niet een verbeterde religieuze versie van Adam.

 

Het kruis is Gods oordeel over religieuze zelfverheffing

Dat maakt Galaten 6:14 zo ongemakkelijk actueel.

Wij kunnen met de mond zeggen dat wij roemen in Christus en ondertussen complete christelijke culturen bouwen rondom menselijke reputatie.

De succesvolle voorganger.

De charismatische leider.

De grote bediening.

Het indrukwekkende gebouw.

De duizenden bezoekers.

De internationale invloed.

De vele volgers.

De enorme conferentie.

De “beweging” die iets gaat veranderen.

Maar het kruis stelt steeds dezelfde vraag:

waarom moet de mens hier zo groot worden?

Johannes de Doper zei:

“Hij moet wassen, maar ik minder worden.” — Johannes 3:30 (STV)

Het christelijke leven draait niet om de vergroting van mijn geestelijke reputatie.

Het draait om Christus.

 

Wanneer het kruis centraal staat, verdwijnt de christelijke borstklopperij

Dat betekent niet dat wij niet dankbaar mogen zijn voor wat God doet.

Natuurlijk wel.

Maar dankbaarheid en roem in eigen resultaat zijn twee verschillende dingen.

Dankbaarheid zegt:

God heeft het gedaan.

Religieuze trots zegt:

kijk wat wij hebben bereikt.

Dankbaarheid wijst omhoog.

Trots wijst naar het podium.

Dankbaarheid maakt Christus groot.

Trots gebruikt Christus om de eigen bediening groter te maken.

Daarom blijft Galaten 6:14 een noodzakelijke correctie voor iedere generatie christenen.

 

Alleen het kruis blijft over

Aan het einde blijft er voor Paulus geen indrukwekkend christelijk cv over waarop hij zich voor God beroept.

Geen wet.

Geen besnijdenis.

Geen afkomst.

Geen reputatie.

Geen religieuze prestatie.

Geen aantallen.

Geen invloed.

Geen menselijke grootheid.

Alleen Christus.

En Christus gekruisigd.

 

Daarom is Galaten 6:14 geen lieflijk wandtekstje voor aan de muur. Het is een frontale aanval op de religieuze mens die ondanks al zijn spreken over genade tóch graag iets van zichzelf wil overhouden om in te roemen.

Het kruis neemt hem dat af.

En precies daarin ligt zijn bevrijding.

Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Dát is christelijk roemen: niet groot worden voor Christus, maar Christus grootmaken. Niet wijzen op onze prestaties, maar op Zijn volbrachte werk. Niet leven voor het applaus van de wereld, maar vanuit het nieuwe leven dat alleen in Hem gevonden wordt.

Zie ook:

het kruis – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights