Charismatische leer toetsen

Waarom ik hierover blijf schrijven

Ik wil graag een tipje van de sluier oplichten over de reden waarom ik op dit blog regelmatig bepaalde onderwerpen behandel.

Een oplettende bezoeker zal inmiddels hebben gemerkt dat het hier opvallend vaak gaat over zaken die raken aan de charismatische praktijk en leer. Dat is niet toevallig. Binnen dat gedachtegoed worden regelmatig claims gedaan, verwachtingen gewekt en uitspraken gedaan waarvan ik mij steeds vaker afvraag:

waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?

En die vraag is voor mij niet onderhandelbaar.

Na mijn ongeluk ben ik verschillende keren terug geweest in een gemeente waar ik vroeger vaker kwam. Omdat daar inmiddels een leiderschapswissel had plaatsgevonden, was ik aanvankelijk behoorlijk optimistisch. Ik was benieuwd naar de prediking, de aanpak, en, plat gezegd,  de koers die men zou gaan varen.

Langzamerhand is duidelijk geworden welke richting gekozen is.

En je raadt het waarschijnlijk al: de afslag richting het pinkster- en charismatisch christendom is genomen. Inmiddels is ook gecommuniceerd dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de VPE. Wie mijn eerdere artikel daarover heeft gelezen, zal begrijpen dat ik daar bepaald niet enthousiast over ben. Dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt.

 

Het gaat mij niet om een of het etiket

Laat ik meteen iets duidelijk maken. Mijn bezwaar zit nadrukkelijk niet in een naam, een organisatie of een etiket. Ook niet in het feit dat iemand zichzelf pinksterchristen, evangelisch, reformatorisch of wat dan ook noemt.

De vraag is veel simpeler:

Wat leert de Schrift?

Dáár moet uiteindelijk alles aan getoetst worden.

Mijn zorg is dat binnen het charismatisch gedachtegoed een belangrijk Bijbels onderscheid onvoldoende of zelfs niet wordt gezien: het onderscheid tussen Gods handelen met Israël en Gods roeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, wordt vrijwel automatisch ook het boek Handelingen anders gelezen. Handelingen wordt dan gemakkelijk behandeld als een blauwdruk voor hoe iedere plaatselijke gemeente vandaag zou behoren te functioneren. Wonderen, tekenen, bijzondere manifestaties, profetieën en bovennatuurlijke ervaringen worden vervolgens niet alleen mogelijk geacht, maar dikwijls ook verwacht.

Daar zit voor mij een fundamenteel probleem.

Niet omdat ik wil voorschrijven wat God wel of niet zou kunnen doen, maar omdat de Schrift zelf bepaalt wat wij voor deze tijd als normgevende leer en praktijk mogen verwachten.

Het verschil tussen beschrijving en voorschrift is daarbij essentieel.

Niet alles wat in Handelingen gebeurde, is daarmee  een opdracht of model voor de Gemeente vandaag.

 

Wanneer ervaring de plaats van het Woord inneemt

Het gevolg van zo’n koers blijft bovendien niet beperkt tot een leerstellig verschil van inzicht.

Het beïnvloedt hoe gelovigen leren denken.

Waar het Woord niet langer praktisch de maatstaf is waaraan alles wordt getoetst, ontstaat gemakkelijk een geloofscultuur waarin ervaring steeds belangrijker wordt.

Wat voelde je?

Wat ervoer je?

Wat kreeg je op je hart?

Welke indruk ontving je?

Was er een bijzondere sfeer?

Was er “kracht”?

Heeft iemand een woord voor je?

Daarmee wil ik gevoel of emotie niet verdacht maken. Een mens zonder gevoel bestaat niet en ook geloof raakt vanzelfsprekend ons hart. Maar gevoel is geen openbaringsbron. Een indruk is geen Schriftwoord. Een bijzondere ervaring bewijst niet dat iets van God afkomstig is.

Daarom zegt de Bijbel ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot cynisme. Het is een opdracht tot groei, tot geestelijke volwassenheid.

 

Toetsing is geen gebrek aan geloof

Wat mij daarom eveneens zorgen baart, is wanneer kritische vragen weliswaar in theorie welkom worden genoemd, maar in de praktijk als lastig worden ervaren.

Er kan gezegd worden dat alles bespreekbaar is en dat de deur altijd openstaat. Maar de werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer iemand daadwerkelijk binnenkomt en vraagt:

Waar staat dit?

Waarom leren wij dit?

Is deze praktijk werkelijk uit de Schrift af te leiden?

Is dit voorschrift voor de Gemeente, of lezen wij iets in de tekst wat er niet staat?

Wie echt overtuigd is van de Bijbelse basis van zijn leer, hoeft zulke vragen niet te vrezen.

Sterker nog: een gemeente zou zulke vragen moeten verwelkomen.

De Bereërs werden immers niet geprezen omdat zij alles wat Paulus zei onmiddellijk als zoete koek aannamen, maar juist omdat zij onderzochten of hetgeen hun verteld werd met de Schrift overeenkwam:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen ongeestelijke houding.

Dat is een geestelijke houding.

 

Gelovigen moeten toegerust worden

Een van mijn grootste bezwaren tegen een sterk ervaringsgerichte geloofspraktijk is daarom dat gelovigen er uiteindelijk afhankelijk door kunnen worden.

Afhankelijk van leiders.

Afhankelijk van bijeenkomsten.

Afhankelijk van sfeer.

Afhankelijk van bijzondere ervaringen.

Afhankelijk van iemand die zegt iets “voor jou ontvangen” te hebben.

Maar de Bijbelse bedoeling is juist dat gelovigen worden opgebouwd, onderwezen en toegerust, zodat zij zelf leren staan.

Niet op de ervaring van een ander.

Niet op de charisma’s van een leider.

Niet op de emotionele intensiteit van een samenkomst.

Maar op het geopenbaarde Woord van God.

Daarom blijft dat Woord mijn uitgangspunt.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Psalm 119:105, STV)

 

Geen stormram

Je zult begrijpen dat ik mij in zo’n ontwikkeling niet thuis voel.

Tegelijkertijd voel ik mij ook niet geroepen om met een stormram een gemeente binnen te gaan en daar de boel op stelten te zetten. Dat zou waarschijnlijk weinig opbouwen en vooral loopgraven veroorzaken.

Maar zwijgen is iets anders.

Ik kan schrijven.

Ik kan onderzoeken.

Ik kan vergelijken.

Ik kan vragen stellen.

En ik kan anderen aansporen hetzelfde te doen.

In de afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad veel te mogen bestuderen en daardoor bepaalde patronen te leren herkennen. Niet omdat ik alles weet,  verre van dat, maar omdat ik steeds beter heb leren zien hoe belangrijk het is om Schriftgedeelten in hun verband te lezen en onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente, tussen Wet en Genade, tussen beschrijving en voorschrift en tussen menselijke ervaring en Goddelijke openbaring.

Daar zal ik dus voorlopig over blijven schrijven.

Niet om mensen belachelijk te maken.

Niet omdat ik ruzie zoek.

Niet omdat ik beweer dat iedereen die in een charismatische gemeente zit onoprecht is.

Integendeel. Ik twijfel er niet aan dat daar vele oprechte gelovigen zijn die werkelijk de Here Jezus Christus willen dienen.

Juist daarom vind ik dit onderwerp belangrijk.

Oprechtheid maakt een leer namelijk nog niet Bijbels.

 

Het gaat mij om die ene lezer

Ik ga met dit blog niet voor enorme bezoekersaantallen.

Natuurlijk is het leuk wanneer een artikel veel gelezen wordt, maar dat is niet mijn drijfveer.

Het gaat mij veel meer om het individu.

Als één iemand door een artikel opnieuw zijn Bijbel opent en denkt: wacht eens even, klopt hetgeen mij geleerd wordt eigenlijk wel?

Als één gelovige ontdekt dat hij niet afhankelijk hoeft te zijn van religieuze ervaringen maar mag rusten in wat God heeft gesproken.

Als één iemand leert onderscheiden tussen wat de Bijbel werkelijk zegt en wat wij er in de loop der jaren van hebben gemaakt.

Dan vind ik dat al heel waardevol.

 

Geen dichtgespijkerd systeem

Mijn uitgangspunt blijft daarom het Woord van God.

Niet een geloofsbelijdenis.

Niet een kerkelijke traditie.

Niet een denominatie.

Niet een dogmatisch systeem waarin iedere vraag bij voorbaat al van een antwoord is voorzien.

En óók niet de leer van een favoriete Bijbelleraar.

Iedere menselijke uitleg moet uiteindelijk opnieuw langs de Schrift.

Ook de mijne.

Paulus schrijft:

“Beijver u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Dat vraagt studie. Dat vraagt soms correctie. Dat vraagt ook de bereidheid om geliefde overtuigingen los te laten wanneer blijkt dat zij onvoldoende Bijbelse grond hebben.

Juist in een tijd waarin we op vrijwel ieder terrein overspoeld worden met informatie, halve waarheden, stellige claims en regelrechte desinformatie, zou de Gemeente een plaats van onversneden helderheid moeten zijn.

Niet van nieuwe mist.

Niet van nóg meer onbewezen claims.

Maar van waarheid.

Daarom schrijf ik.

En daarom kun je de komende tijd naast opbouwende artikelen en korte Bijbelstudies ook artikelen blijven verwachten die kritisch kijken naar charismatische leer en praktijk.

Soms voorzichtig.

Soms scherp.

En soms zal het ongetwijfeld een beetje schuren.

Maar hopelijk altijd met dezelfde vraag op de achtergrond:

Wat zegt de Schrift echt?

Want uiteindelijk is dat niet alleen de veiligste vraag.

Het is de enige vraag die echt beslissend is.

 

“Krachtige zalving”: is dat eigenlijk wel Bijbels?

Als Bijbelse woorden een andere betekenis krijgen

“Here, geef een krachtige zalving.”

“Laat Uw zalving vanavond sterk aanwezig zijn.”

“Zalf Uw dienstknecht met een bijzondere zalving.”

“Laat de zalving toenemen.”

 

Het klinkt geestelijk. Het klinkt eerbiedig. Het klinkt zelfs Bijbels.

Er is alleen één probleem:

waar vinden we deze manier van spreken eigenlijk in het Nieuwe Testament?

Het woord zalving is zonder enige twijfel Bijbels. Maar daarmee is niet vanzelf iedere betekenis die wij eraan geven Bijbels.

En daar gaat het in veel hedendaagse charismatische en evangelische prediking nogal mis.

Een Bijbels woord wordt genomen, gevuld met een andere betekenis en vervolgens opnieuw aan de Bijbel teruggegeven. Omdat het woord zelf in de Schrift voorkomt, krijgt de nieuwe betekenis automatisch een Bijbels aureool.

Maar een Bijbels woord gebruiken is nog niet hetzelfde als Bijbels spreken
Geladen woordgebruik in de charismatisch evangelische kerk.
‘Krachtige zalving’

 

Zalving in het Oude Testament

In het Oude Testament heeft zalving een duidelijke plaats. Personen werden met olie gezalfd als teken van afzondering en aanstelling voor een bijzondere taak.

Denk aan David:

“Toen nam Samuël den oliehoorn, en zalfde hem in het midden zijner broederen; en de Geest des HEEREN werd vaardig over David, van dien dag af en voortaan.” (1 Sam. 16:13, STV)

Priesters werden gezalfd. Koningen werden gezalfd. Zalving had te maken met Gods aanstelling en afzondering.

Bovendien wijst het uiteindelijk vooruit naar de Gezalfde: de Messias, de Here Jezus Christus.

Daar ligt dus rijke Bijbelse betekenis.

Maar nergens geeft dat ons automatisch het recht om van zalving een soort geestelijke substantie te maken waarvan de ene christen een klein beetje en de andere een enorme hoeveelheid bezit.

 

Het Nieuwe Testament spreekt opvallend anders

Wie wil weten wat zalving voor gelovigen betekent, kan moeilijk om 1 Johannes heen.

Johannes schrijft:

“Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.” (1 Joh. 2:20, STV)

Let op wat er staat.

Niet:

Jullie moeten de zalving zoeken.

Niet:

Jullie moeten bidden om meer zalving.

Niet:

Jullie moeten iemand vinden die een krachtige zalving draagt.

Niet:

Hopelijk valt vanavond de zalving.

Maar:

“Gij hébt de zalving.”

Even verder wordt het nog duidelijker:

“En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u…” (1 Joh. 2:27, STV)

Dat staat opmerkelijk ver af van het moderne jargon.

De zalving moet niet telkens opnieuw “komen”.

Zij is ontvangen.

De zalving hoeft niet door een bijzondere sfeer te worden opgewekt.

Zij blijft.

De aandacht wordt niet gevestigd op een uitzonderlijk gezalfde leider.

Johannes spreekt zijn lezers als gelovigen aan.

Dat verschil is significant

 

Paulus kent evenmin een elite van “krachtig gezalfden”

Paulus schrijft:

“Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.” (2 Kor. 1:21-22, STV)

Opnieuw dezelfde beweging.

God heeft ons gezalfd.

Paulus maakt er geen geestelijke rangorde van.

Hier staat niet Paulus bovenaan met zalvingsniveau tien, Timotheüs op zeven en de gemiddelde gelovige ergens rond niveau drie.

Het moderne charismatische denken kan echter probleemloos die indruk wekken.

De ene spreker zou “een krachtige zalving” hebben.

Een ander zou “sterk gezalfd” zijn.

Weer iemand anders zou “onder een apostolische zalving” functioneren.

Een aanbiddingsleider kan “een zalving dragen”.

Een samenkomst kan “onder de zalving komen”.

En vervolgens kan die zalving kennelijk nog “toenemen”, “doorbreken”, “vrijkomen” en zelfs op anderen worden “overgedragen”.

Waar staat dit?

Niet: waar kunnen we een tekst vinden waarin het woord zalving voorkomt?

Dat is te gemakkelijk.

De vraag is:

Waar leert het Nieuwe Testament dit concept?

Dat is een heel andere vraag.

 

Zalving wordt een onzichtbare geestelijke brandstof

Hier zit het fundamentele probleem.

In veel hedendaags charismatisch taalgebruik functioneert “zalving” praktisch als een soort geestelijke brandstof

Je kunt er blijkbaar meer of minder van hebben.

Ze kan op iemand rusten.

Ze kan toenemen.

Ze kan een ruimte vullen.

Ze kan op een bediening liggen.

Ze kan worden overgedragen.

Sommige mensen zouden er uitzonderlijk veel van bezitten.

En wanneer een bijeenkomst emotioneel intenser wordt, kan vervolgens worden gezegd:

“De zalving neemt toe.”

Maar wat wordt hier eigenlijk gemeten?

Volume?

Emotie?

Muziek?

Kippenvel?

Mensen die huilen?

Mensen die vallen?

De intensiteit van de spreker?

Een collectieve sfeer?

Zodra een Bijbels toetsbare werkelijkheid wordt vervangen door een subjectief waarneembare “zalving”, ontstaat een levensgroot probleem:

De ervaring begint zichzelf te bewijzen.

Waarom was God krachtig aanwezig?

Omdat we de zalving voelden.

Hoe weten we dat wat we voelden de zalving was?

Omdat God krachtig aanwezig was.

Dat is geen Bijbelse toetsing. Dat is een cirkelredenering.

 

Maar Gods Geest werkt toch met kracht?

Zeker.

En juist daarom moeten we zorgvuldig zijn.

Paulus bidt:

“Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens;” (Ef. 3:16, STV)

Er is dus niets verkeerds aan bidden om kracht van God.

We mogen bidden om wijsheid.

Om vrijmoedigheid.

Om geestelijk inzicht.

Om kracht om te volharden.

Om liefde.

Om vrucht.

Om een geopende deur voor het Woord.

Paulus bidt daar zelf om.

Maar waarom zouden wij dat allemaal moeten hernoemen tot “een krachtige zalving” wanneer de apostelen dat zelf niet doen?

Daar zit het bezwaar.

Niet dat God niet krachtig werkt.

Niet dat de Heilige Geest niet in gelovigen werkt.

Niet dat wij niet afhankelijk zijn van Hem.

Maar dat wij onze eigen geestelijke categorieën bouwen en die vervolgens met Bijbelse woorden bekleden.

 

De Schrift geeft ons veel concretere gebeden

Wanneer Paulus om gebed vraagt, is zijn taal opvallend nuchter.

“Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus…” (Kol. 4:3, STV)

En:

“En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;” (Ef. 6:19, STV)

Dat is opmerkelijk.

Als iemand volgens de moderne maatstaf aanspraak had kunnen maken op een “machtige apostolische zalving”, was het Paulus wel.

Maar wat vraagt Paulus?

Geen dubbele portie.

Geen verse zalving.

Geen activatie.

Geen overdracht.

Geen hogere dimensie.

Geen nieuwe mantel.

Hij vraagt dat God een deur opent en hem vrijmoedigheid geeft om het Woord te spreken.

Misschien is dat minder spectaculair.

Het is wel apostolisch.

 

“Raak Gods gezalfde niet aan”

Hier kan de taal rond zalving zelfs gevaarlijk worden.

Want zodra bepaalde leiders als bijzonder “gezalfd” worden gezien, ontstaat gemakkelijk een geestelijke hiërarchie.

Dan is kritiek op de prediker niet langer gewoon kritiek op zijn uitleg.

Het kan worden voorgesteld als weerstand tegen de zalving.

Een leerstellige toets wordt “kritiek”.

Een kritische vraag wordt “ongeestelijk”.

En in extreme gevallen verschijnt zelfs:

“Raak Gods gezalfde niet aan.”

Een oudtestamentische uitdrukking wordt dan gebruikt als beschermingsschild rond een hedendaagse leider.

Dat is buitengewoon ongezond.

Want het Nieuwe Testament zegt niet dat wij populaire of charismatische leiders moeten beoordelen op de hoeveelheid “zalving” die zij uitstralen.

De toets blijft het Woord.

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thess. 5:21, STV)

Een spreker wordt niet onttrokken aan Bijbelse toetsing doordat mensen tijdens zijn bediening iets bijzonders ervaren.

 

De gevaarlijke verschuiving van Christus naar de drager

Er zit bovendien een merkwaardige ironie in dit hele spreken over “gezalfde mensen”.

Wie is bij uitstek de Gezalfde?

Christus

Dat is letterlijk wat Zijn titel betekent.

En toch kan binnen bepaalde charismatische culturen de aandacht langzaam verschuiven van de Gezalfde naar mensen die beweren een bijzondere zalving te dragen.

Dan wil men naar die spreker.

Naar die conferentie.

Naar die bediening.

Daar “stroomt” iets.

Daar “gebeurt” iets.

Daar is “meer”.

Daar rust “een bijzondere zalving”.

En voordat men het beseft, ontstaat een geestelijke beroemdhedencultuur die zich uitstekend laat verkopen als honger naar God.

Maar de vraag die gesteld moet worden is niet:

Hoe sterk was de zalving?

De vraag moet zijn:

Werd Christus verkondigd en werd het Woord recht gesneden?

Dat is veel minder mysterieus of vaag.

En veel moeilijker te manipuleren.

 

Een krachtige zalving klinkt Bijbelser dan het is

Daarom verdient deze uitdrukking stevige kritiek.

Niet omdat ieder mens die haar gebruikt onmiddellijk verkeerde bedoelingen heeft. Veel christenen nemen dit taalgebruik eenvoudig over omdat zij het jarenlang hebben gehoord.

Maar juist daarom moet het onderzocht worden.

“Krachtige zalving” klinkt diep geestelijk.

Toch blijkt het bij nadere beschouwing vaak een containerbegrip waarin allerlei ideeën worden gestopt waarvoor een duidelijke nieuwtestamentische basis ontbreekt.

De Schrift leert dat de gelovige de zalving van de Heilige heeft ontvangen.

De Schrift zegt dat deze zalving blijft.

De Schrift leert dat God de gelovigen gezalfd heeft.

De Schrift leert dat de gelovige door de Heilige Geest verzegeld is.

De Schrift roept ons op om vervuld te worden met de Geest en in afhankelijkheid van Hem te wandelen.

Maar een geestelijke elite die een bijzondere hoeveelheid “zalving” draagt, die kan toenemen, neerdalen, worden aangevoeld of als geestelijke kracht worden overgedragen?

Laat maar eens zien waar de apostelen dat aan de Gemeente leren.

 

Stop met het meten of wegen van de zalving

Misschien moeten we daarom ophouden met vragen:

“Was er veel zalving?”

En opnieuw Bijbelse vragen gaan stellen.

Was de prediking Bijbels?

Stond Christus centraal?

Werd het Evangelie helder verkondigd?

Werd de Schrift recht gesneden?

Werd de Gemeente opgebouwd?

Was er waarheid én liefde?

Was er geestelijke vrucht?

 

Dát zijn vragen waarmee we daadwerkelijk iets kunnen.

Want een spreker kan indrukwekkend zijn en tóch dwaling leren.

Een zaal kan emotioneel geladen zijn en tóch geestelijk ongezond.

Mensen kunnen huilen zonder dat daardoor bewezen is dat God iets bijzonders doet.

En een bijeenkomst kan buitengewoon eenvoudig zijn terwijl het Woord van God diep in harten werkt.

Sfeer is geen zalving. Emotie is geen zalving. Charisma is geen zalving. Podiumkracht is geen zalving. En menselijke indruk is geen maatstaf voor de werking van de Heilige Geest

 

Terug naar de nuchterheid van het Woord

Het antwoord op charismatische overdrijving is niet een dor christendom waarin van Gods kracht niets meer verwacht wordt.

Het antwoord is veel eenvoudiger:

Terug naar wat geschreven staat!

 

Bid om wijsheid.

Bid om vrijmoedigheid.

Bid om kracht in de inwendige mens.

Bid dat het Woord zijn loop heeft.

Bid om geestelijke groei.

Bid om liefde.

Bid om volharding.

Bid dat Christus verheerlijkt wordt.

Daar hebben we genoeg Schriftplaatsen voor.

Maar wanneer iemand bidt om een “krachtige zalving”, mag de vraag gesteld worden:

Wat bedoelt u daar mee?

En daarna:

Waar leert het Nieuwe Testament mij dat ik dát moet zoeken?

Dat zijn geen vragen van iemand die de Heilige Geest wil beperken.

Het zijn vragen van iemand die weigert meer te zeggen dan de Schrift zegt.

En misschien is dát wel exact dé nuchterheid die we vandaag zo hard nodig hebben

Een Bijbels woord maakt een onbijbels concept nog niet Bijbels.

Zie ook:

Wat zegt de Bijbel over “de zalving”? – Bijbelse basis

Wanneer ‘zalving’ gezag wordt – Bijbelse basis

Autoriteit, integriteit en de macht van geladen taal – Bijbelse basis

“Raak de gezalfde des Heeren niet aan”? – Bijbelse basis

Extern:

https://archive.vn/vJech

Evangeliseer.nl Jos gaat los

Gratis geld van God?

Het schijnt dat een zekere meneer Jesse Duplantis binnenkort in Dussen zijn opwachting zal maken bij Tom de Wal in Dussen. Deze houdt er zijn eigen versie van het welvaarts ‘evangelie’ op na.  De boodschap: It’s money that matters,  gratis geld van God, je moet eerst wel even flink geven aan deze lui natuurlijk. Het liefste een groot bedrag ook nog.

Wat een waanzin.

Check de video van Jos. Ik volg hem op youtube. Hij schrijft:

Dit gaat te ver! Ontdek de manipulatie, leugens en misbruik van de bijbel door Jesse Duplantis. Tom de Wal haalt hem en zijn welvaartsevangelie en dwaalleer naar Nederland. Dit is een probleem! ** Verschillende fragmenten zijn binnen de kaders van het citaatrecht gebruikt van het youtube kanaal van Jesse Duplantis evenals 1 fragment van het kanaal van frontrunners.

YouTube player
Geverifieerd door MonsterInsights