Maar waar Hij wel wil wonen
In het traditionele christelijke taalgebruik wordt een kerkgebouw aangeduid als “het huis van God”. Men zegt: “We gaan naar Gods huis.”
Ik groeide op in een zeeuws ‘Bible Belt’ dorp, en daar sprak men zelfs over ‘Tempelgang’.
Is dat Bijbels?
Wanneer we de Schrift zorgvuldig lezen, blijkt dat het Nieuwe Testament een radicaal andere invulling geeft aan het begrip huis van God dan wij vaak veronderstellen.

Het Oude Testament: een tijdelijk model
In het Oude Testament was er inderdaad een fysiek heiligdom: eerst de tabernakel, later de tempel in Jeruzalem. Dat was de plaats waar God Zijn Naam deed wonen.
Toch wist zelfs Salomo dat God niet in steen opgesloten kon worden.
“Maar zal God ook waarlijk op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet bevatten; hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!” (1 Koningen 8:27 STV)
Het gebouw was door God ingesteld, maar het was nooit de ultieme werkelijkheid. Het was een schaduw.
Het Nieuwe Testament: een geestelijke werkelijkheid
Met de komst van Christus verschuift alles. Het aardse tempelmodel maakt plaats voor een geestelijke werkelijkheid.
Stefanus verklaart:
“Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt.” (Handelingen 7:48 STV)
Dat is een fundamentele breuk met het idee dat God gebonden zou zijn aan een fysieke locatie.
Paulus schrijft:
“Zo dan, gij zijt niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods.” (Efeze 2:19 STV)
En verder:
“In Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.” (Efeze 2:22 STV)
Hier wordt duidelijk: gelovigen vormen samen het huis. Niet de stenen, maar de mensen.
Het huis van God volgens Paulus
De meest directe uitleg vinden we hier:
“Maar indien ik vertoef, opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de Gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid.” (1 Timotheüs 3:15 STV)
Het huis Gods is de Gemeente.
Niet het gebouw waarin zij samenkomt.
Niet de architectuur.
Niet de locatie.
Maar de levende gemeenschap van gelovigen.
Levende stenen
Petrus gebruikt hetzelfde beeld:
“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis.” (1 Petrus 2:5 STV)
Wij zijn geen bezoekers van het huis van God.
Wij zijn het huis.
Dat is een fundamentele verschuiving.
Waar woont God nu?
De Schrift is ondubbelzinnig:
“Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is?” (1 Korinthe 6:19 STV)
En collectief:
“Want gij zijt de tempel des levenden Gods.” (2 Korinthe 6:16 STV)
God woont niet in baksteen.
Hij woont in gelovigen.
Hoe de verwarring ontstond
Door de kerkgeschiedenis heen kregen gebouwen een steeds sterkere sacrale betekenis. Architectuur werd symbool van heiligheid.
Dat is begrijpelijk vanuit traditie. Maar het is niet nieuwtestamentisch.
Het gevaar van het gebouw “huis van God” noemen is dat:
– heiligheid aan ruimte wordt gekoppeld in plaats van aan leven
– het gemeenteleven formalistisch wordt
– men het oude tempelmodel onbewust herintroduceert
– men denkt dat God op één plaats “meer aanwezig” is
Dat is een terugkeer naar schaduwdenken.
Wat betekent dit praktisch?
Een samenkomst in een kerkgebouw is niet heiliger dan een samenkomst in een huiskamer.
Heiligheid wordt niet bepaald door muren, maar door het Woord en door de aanwezigheid van de Geest in gelovigen.
Een gebouw kan functioneel zijn.
Het kan nuttig zijn.
Maar het is géén geestelijke woonplaats van God.














