Niet afkomst maar geloof: ook Israël heeft Jezus Christus nodig

Waarom ook Israël de Messias nodig heeft

God heeft Israël niet verworpen. Zijn beloften aan Abraham, Izak en Jakob staan vast. Maar betekent dat ook dat iedere nakomeling van Abraham daarom deelt in Gods heil? De Schrift geeft daarop een ondubbelzinnig antwoord. Niet natuurlijke afstamming, maar geloof is bepalend voor de zaligheid. Voor Jood én voor heiden.

Israël is uitverkoren. Maar waarvoor?

Wanneer het over Israël gaat, worden twee Bijbelse waarheden nogal eens tegenover elkaar gezet. Aan de ene kant heeft God Israël uitverkoren en aan dit volk bijzondere beloften gedaan. Aan de andere kan leert de Schrift dat bij God geen aanneming des persoons is.

Hoe kunnen beide waarheden naast elkaar bestaan?

Het antwoord is eenvoudig, zolang we onderscheid maken tussen Gods verkiezing van een volk en het persoonlijke behoud van een mens.

Israël werd uitverkoren om een bijzondere plaats in Gods heilsplan in te nemen. Aan dit volk werden de woorden Gods toevertrouwd. Uit dit volk zou de Messias voortkomen. Israël was geroepen om Gods Naam bekend te maken onder de volkeren.

Paulus schrijft:

“Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis? Veel in alle manier. Want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.”

Romeinen 3:1-2 (Statenvertaling)

Dat is een geweldig voorrecht. Maar een voorrecht betekent nog géén persoonlijke zaligheid.

De verkiezing van Israël als volk betekent niet dat iedere Israëliet door zijn geboorte gerechtvaardigd is. Wie dat onderscheid uit het oog verliest, verwart Gods verbondsbeloften met de vraag hoe een zondaar behouden wordt.

Abraham werd gerechtvaardigd door geloof

Laten we beginnen bij Abraham zelf.

Waarom werd Abraham door God rechtvaardig gerekend? Was dat vanwege zijn afkomst? Nationaliteit? Besnijdenis? Gehoorzaamheid aan de wet?

Geen van deze dingen.

“En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”

Genesis 15:6

Abraham werd gerechtvaardigd door geloof. Niet door zijn afkomst, niet door de wet en zelfs niet door de besnijdenis, die hij pas later ontving.

Paulus maakt dit in Romeinen 4 uitvoerig duidelijk. De rechtvaardiging van Abraham vond plaats voordat hij besneden was. Daarmee laat de Schrift zien dat de besnijdenis niet de grond van zijn rechtvaardigheid was, maar een teken daarvan.

En dat is van groot belang.

Want wanneer zelfs Abraham, de stamvader van Israël, uitsluitend door geloof gerechtvaardigd werd, op welke grond zouden zijn nakomelingen dan langs een andere weg behouden kunnen worden?

De Schrift kent geen twee wegen tot God.

 

Niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël

Paulus schrijft in Romeinen 9:

“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”

Romeinen 9:6

Dat is een opmerkelijke uitspraak.

Paulus ontkent daarmee niet dat Israël als volk bestaat. Hij ontkent evenmin dat God Zijn beloften aan Israël zal vervullen. Maar hij maakt duidelijk dat natuurlijke afstamming op zichzelf geen aanspraak op persoonlijke zaligheid geeft.

Even verder schrijft hij:

“Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.”

Romeinen 9:8

Hier ligt het onderscheid.

Men kan naar het vlees van Abraham afstammen zonder te delen in het geloof van Abraham. Men kan deel uitmaken van het uitverkoren volk zonder persoonlijk een gelovige te zijn.

Dat was in de dagen van de profeten zo. Dat was in de dagen van Christus zo. En dat is vandaag niet anders.

Gods verkiezing van Israël als volk heeft de noodzaak van persoonlijke bekering nooit opgeheven.

Bij God is geen aanneming des persoons

De Bijbel laat er geen misverstand over bestaan dat God de mens niet beoordeelt naar zijn afkomst.

Petrus zegt:

“Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is.”

Handelingen 10:34

En Paulus schrijft:

“Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.”

Romeinen 3:22

Let op die laatste woorden:

“want er is geen onderscheid.”

Niet omdat Israël geen bijzondere plaats in Gods plan zou hebben. Die plaats heeft het weldegelijk. Maar als het gaat om de rechtvaardiging van een zondaar, bestaat er geen uitzondering.

De Jood wordt niet gerechtvaardigd omdat hij Jood is. De heiden wordt niet buitengesloten omdat hij geen Jood is.

Beiden staan als zondaren tegenover dezelfde heilige God. Beiden hebben dezelfde Verlosser nodig. En beiden worden uitsluitend door geloof gerechtvaardigd.

Wie voor Israël een andere weg tot God openhoudt dan voor de heidenen, komt daarmee tegenover de duidelijke woorden van de apostel Paulus te staan.

 

Jezus Christus is ook voor Israël de enige weg

Hier raakt het onderwerp aan een gevoelige kwestie.

Soms wordt gesteld dat christenen het Joodse volk niet met het Evangelie hoeven te benaderen. Israël heeft immers al een bijzondere verhouding tot God. Het volk heeft de wet, de profeten, de verbonden en de beloften.

Dat is waar. Maar daarmee is de vraag naar de zaligheid nog niet beantwoord.

Juist tegen Joden die de Schriften kenden en de God van Abraham vereerden, werd verkondigd:

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”

Handelingen 4:12

Petrus sprak deze woorden niet tot heidenen die nog nooit van de God van Israël hadden gehoord. Hij sprak tot de leiders van het Joodse volk.

Dat maakt zijn uitspraak zo krachtig.

Als de natuurlijke afstamming van Abraham voldoende zou zijn voor de zaligheid, waarom moest Petrus dan juist aan Israël de Naam van Jezus Christus verkondigen?

Waarom riep hij zijn volksgenoten op tot bekering?

Waarom schreef Paulus dat hij grote droefheid en voortdurende smart in zijn hart had over zijn broeders naar het vlees (Romeinen 9:1-3)?

En waarom bad hij voor hun zaligheid?

“Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid.”

Romeinen 10:1

Paulus bad om de zaligheid van Israël, omdat natuurlijke afstamming geen zaligheid garandeert.

Wie denkt dat Israël Christus niet nodig heeft, moet zich daarom ernstig rekenschap geven van deze woorden.

 

De zaligheid is uit de Joden, maar niet uitsluitend voor de Joden

De Here Jezus zei tegen de Samaritaanse vrouw:

“Want de zaligheid is uit de Joden.”

Johannes 4:22

Dat is een waarheid die geen christen mag vergeten.

De Messias is uit Israël voortgekomen. De Schriften zijn aan Israël toevertrouwd. Gods beloften zijn aan de vaderen gedaan.

Maar “uit de Joden” betekent niet “uitsluitend voor de Joden”.

Het Evangelie is Gods kracht tot zaligheid voor ieder die gelooft.

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”

Romeinen 1:16

Opnieuw is geloof het beslissende onderscheid.

Niet eerst de Jood omdat zijn afkomst hem redt, maar omdat God Zijn heil in de geschiedenis eerst aan Israël bekendmaakte.

En ook de Griek, omdat dezelfde genade zich uitstrekt tot de volkeren.

 

Heeft God Israël dan verworpen?

Nee.

Hier moeten we oppassen om van het ene uiterste in het andere terecht te komen.

Dat Israël niet automatisch behouden is vanwege zijn afkomst, betekent niet dat God Zijn beloften aan Israël heeft ingetrokken.

Paulus vraagt:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre.”

Romeinen 11:1

En even verder:

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”

Romeinen 11:29

God blijft trouw aan Zijn Woord, ook wanneer mensen ontrouw zijn.

Maar Gods trouw aan Zijn beloften betekent niet dat Hij ongeloof als geloof aanrekent.

Dat onderscheid is van doorslaggevend belang.

God heeft Israël niet voorgoed terzijdegeschoven. Zijn plan met het volk is niet afgelopen. De beloften aan Abraham, Izak en Jakob blijven staan.

Maar hun uiteindelijke vervulling betekent niet dat de noodzaak van bekering vervalt.

Integendeel: De toekomstige bekering van Israël maakt deel uit van Gods geopenbaarde plan.

 

Eerst bekering, dan terugverzameling

In Deuteronomium 30 spreekt Mozes over de toekomstige verstrooiing en terugverzameling van Israël.

Maar de volgorde waarin die gebeurtenissen worden genoemd, verdient bijzondere aandacht.

Eerst lezen we:

“En gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.”

Deuteronomium 30:2

Daarna volgt:

“En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.”

Deuteronomium 30:3

De volgorde is opmerkelijk.

Eerst de bekering. Daarna de door God beloofde terugverzameling.

Dat maakt het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen de huidige politieke staat Israël en de uiteindelijke vervulling van Gods beloften aan het volk.

Het bestaan van een Joodse staat is op zichzelf geen bewijs dat Israël als volk zich tot zijn Messias heeft bekeerd.

De hedendaagse terugkeer naar, en aanwezigheid in het land kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het volledige geestelijke en nationale herstel waarover de profeten spreken.

Want dat herstel omvat méér dan een geografische terugkeer.

Het omvat een verandering van hart, een terugkeer tot de HEERE en uiteindelijk de erkenning van Jezus Christus als de beloofde Messias.

Wie alleen naar het land kijkt en de bekering buiten beschouwing laat, mist het belangrijkste.

 

“En alzo zal geheel Israël zalig worden”

Romeinen 11:26 is een bekende tekst:

“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”

Wat betekent dit?

Betekent het dat iedere Israëliet die ooit heeft geleefd, ongeacht geloof of ongeloof, alsnog behouden wordt?

Nee. Dat zou rechtstreeks botsen met alles wat Paulus eerder over de rechtvaardiging door geloof heeft geschreven.

Het gaat om Gods toekomstige verlossing van Israël als volk. De Schrift verbindt die verlossing met het afwenden van de goddeloosheden van Jakob.

Paulus vervolgt namelijk:

“De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.”

Romeinen 11:26

En Jesaja 59:20 spreekt over degenen die zich bekeren van de overtreding in Jakob.

De toekomstige behoudenis van Israël staat dus niet los van de verlossing van de zonde.

God zal Zijn volk niet behouden door zijn ongeloof gewoon voorbij te zien. Hij zal het behouden door de Verlosser.

De beloofde toekomst van Israël is daarom geen alternatief voor het Evangelie. Zij bevestigt juist de noodzaak ervan.

 

Het woord is nabij: in uw mond en in uw hart

Er is nog een opmerkelijke verbinding tussen Deuteronomium 30 en Romeinen 10.

Mozes zegt:

“Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.”

Deuteronomium 30:14

Paulus haalt deze woorden aan en verklaart ze vanuit Christus.

“Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.”

Romeinen 10:8

En dan volgt:

“Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.”

Romeinen 10:9

Hier wordt goed zichtbaar waar het uiteindelijk om gaat.

De toekomstige bekering van Israël is niet eenvoudig een terugkeer naar uiterlijke wetsbetrachting. Het gaat om geloof in Hem Die door God uit de doden is opgewekt.

De Messias Die door velen onder Zijn eigen volk werd verworpen, is dezelfde Messias door Wie Israël behouden zal worden.

Niet door een andere weg.

Niet door natuurlijke afstamming.

Niet door nationale identiteit.

Maar door geloof.

 

De olijfboom: ongeloof breekt af, geloof doet staan

Romeinen 11 bevat nog een ernstige waarschuwing.

Paulus vergelijkt Israël met een olijfboom en spreekt over natuurlijke takken die werden afgebroken en wilde takken die werden ingeënt.

Waarom werden die natuurlijke takken afgebroken?

Paulus geeft zelf het antwoord:

“Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof.”

Romeinen 11:20

Dat is de kern van de zaak.

Niet hun Joodse afkomst was verkeerd. Niet Gods beloften waren verdwenen. Maar ongeloof was de oorzaak van hun afbreking.

En waardoor staan degenen die nu delen in de zegeningen?

Door geloof.

Daarom waarschuwt Paulus de gelovigen uit de heidenen ook om zich niet te verheffen boven de natuurlijke takken.

Er is geen enkele reden voor hoogmoed tegenover Israël.

Wie door geloof deel heeft gekregen aan Gods genade, kan zich daarop niet beroemen alsof hij die genade zelf heeft verdiend.

Ook hier staat niet afkomst tegenover afkomst, maar ongeloof tegenover geloof.

 

Israël tot jaloersheid verwekken: hoe dan?

Paulus leert dat de zaligheid naar de heidenen is gekomen om Israël tot jaloersheid te verwekken.

Maar hoe moet dat gebeuren?

Soms wordt gedacht dat christenen Israël vooral door hun levenswandel tot jaloersheid moeten brengen. Natuurlijk behoort een gelovige een leven te leiden dat overeenkomt met zijn belijdenis.

Maar Paulus legt de nadruk ergens anders.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”

Romeinen 10:17

Hoe kan iemand geloven in Hem van Wie hij niet heeft gehoord?

Daarom vraagt Paulus:

“En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?”

Romeinen 10:14

Het antwoord is duidelijk.

Israël heeft niet genoeg aan bewondering, sympathie of politieke steun. Het heeft, net als alle andere volkeren, het Evangelie nodig.

De grootste liefde die christenen het Joodse volk kunnen bewijzen, is daarom niet het bevestigen van een weg tot God buiten Christus om, maar het bekendmaken van de Messias Die uit hun eigen volk is voortgekomen.

Dat hoeft niet hooghartig of respectloos te gebeuren.

Integendeel. Wie beseft dat hijzelf uitsluitend door genade behouden is, heeft geen reden om zich boven een ander te verheffen.

Maar liefde mag nooit betekenen dat we de waarheid verzwijgen.

 

Eén Heer, één Evangelie, één weg tot zaligheid

De Bijbel eindigt niet bij een tegenstelling tussen Jood en heiden.

Hij wijst op één Heer, Die rijk is over allen die Hem aanroepen.

“Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen.”

Romeinen 10:12

En meteen daarna:

“Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.”

Romeinen 10:13

Een iegelijk.

Dáár ligt de ruimte van Gods genade.

De Jood wordt niet buitengesloten omdat Israël als volk de Messias heeft verworpen. De heiden wordt niet buitengesloten omdat hij geen nakomeling van Abraham naar het vlees is.

Maar evenmin wordt iemand behouden omdat hij tot een bepaald volk behoort.

Voor God is niet de natuurlijke afkomst beslissend, maar het geloof in Zijn Zoon.

Dat was waar voor Abraham.

Dat was waar in de dagen van de apostelen.

Dat is vandaag net zo waar.

En dat zal óók waar zijn wanneer Israël in de toekomst zijn Messias zal erkennen.

 

Gods trouw maakt geloof niet overbodig

De vraag of God nog een toekomst heeft voor Israël, mag niet worden verward met de vraag hoe een Israëliet behouden wordt.

Op de eerste vraag antwoordt Paulus dat God Zijn volk niet heeft verstoten.

Op de tweede vraag antwoordt hij dat de rechtvaardigheid Gods komt over allen die geloven.

Beide waarheden horen bij elkaar.

Wie Gods beloften aan Israël wegredeneert, doet tekort aan Zijn trouw. Maar wie denkt dat de natuurlijke afstamming van Abraham iemand buiten het geloof in Christus om zalig maakt, doet tekort aan het Evangelie.

De toekomstige hoop voor Israël ligt niet in zijn afkomst als zodanig, niet in zijn nationale bestaan en niet in het bezit van het land.

Die hoop ligt in de Verlosser Die uit Sion zal komen en de goddeloosheden van Jakob zal afwenden.

Daarom blijft de boodschap aan Israël dezelfde als aan de volkeren:

Bekeert u en gelooft het Evangelie.

Want God heeft géén twee wegen tot zaligheid gegeven.

Er is één Heere.

Er is één Verlosser.

En er is één Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid voor ieder die gelooft.

Eerst de Jood, en óók de Griek.

zie ook:

israel – Bijbelse basis

God geneest, maar heeft Hij genezing beloofd?

Waarom genezingsleer voorbijgaat aan de apostolische brieven

“Jezus genas alle zieken. Hij is gisteren en heden Dezelfde. Dus wil Hij ook vandaag iedereen genezen. Ga maar danken voor je genezing.”

Ik tekende deze bewering nog heel recent op uit de mond van een zelfbenoemd gebedsgenezer

Het klinkt allemaal overtuigend. En wie zou durven ontkennen dat God zieken kan genezen? De Heere Jezus gaf blinden het gezicht, reinigde melaatsen, deed verlamden wandelen en wekte zelfs doden op. Ook de apostelen verrichtten wonderen en tekenen. De Bijbel laat daar geen enkele twijfel over bestaan.

Maar achter deze redenering gaat een vraag schuil die veel belangrijker is dan deze op het eerste gezicht lijkt:

Omdat God kán genezen, heeft Hij daarom ook beloofd dát iedere gelovige genezen zal worden?

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.

Dat zijn twee heel verschillende zaken. Toch worden ze in charismatische kring voortdurend met elkaar verward. Genezing wordt voorgesteld als een recht van iedere gelovige. Ziekte zou niet bij het christelijke leven horen. Wie voldoende geloof heeft, mag zijn genezing opeisen. Blijft herstel uit, dan wordt gezocht naar ongeloof, verborgen zonde of een geestelijke blokkade.

De Bijbel wordt daarbij veelvuldig aangehaald. Maar opvallend genoeg blijven juist de apostolische brieven vaak buiten beeld.

En daar begint het vraagstuk.

God geneest maar belooft Hij dat ook?

De wonderen van de Here Jezus waren géén genezingsdiensten

Als we de Evangeliën lezen, valt iets op wat in veel hedendaagse genezingsbijeenkomsten ontbreekt.

Jezus genas niet gedeeltelijk. Hij sprak niet over een genezingsproces dat door geloof verder moest worden geactiveerd. Hij verklaarde mensen niet genezen terwijl hun lichamelijke klachten onveranderd bleven.

Een melaatse werd gereinigd. Een verlamde stond op. Een blindgeborene kon zien. Een man die 38 jaar ziek was geweest, nam zijn bed op en wandelde. Lazarus, die vier dagen in het graf had gelegen, kwam naar buiten.

Dit waren geen subjectieve ervaringen. Het waren zichtbare, onmiskenbare gebeurtenissen.

En de Here Jezus gebruikte geen vaste methode. Soms genas Hij door aanraking, soms door Zijn woord, soms zelfs op afstand. Niet iedere genezene had vooraf persoonlijk geloof getoond. De jongeling te Naïn was dood en kon helemaal niets geloven. Christus handelde vanuit Zijn eigen goddelijke macht en ontferming.

Daarom is het misleidend wanneer hedendaagse predikers hun bediening zonder meer gelijkstellen aan die van Jezus.

De vraag is niet of iemand zich na een bijeenkomst beter voelt. De vraag is of de geclaimde wonderen dezelfde aard hebben als de wonderen die de Schrift beschrijft.

Wie beweert dezelfde genezingsmacht te bezitten, moet ook bereid zijn die aanspraak aan dezelfde maatstaf te laten toetsen.

Waarom genas Jezus de zieken?

De genezingen van Christus hadden een veel diepere betekenis dan alleen het wegnemen van lichamelijk lijden.

Ze getuigden van Zijn Godheid. Hij sprak met gezag dat geen mens bezit.

Wanneer Hij zei:

“Ik wil, word gereinigd”,

was Zijn woord voldoende.

Maar de wonderen waren ook tekenen van Zijn Messiaanse waardigheid.

Jesaja had aangekondigd dat bij de komst van het beloofde heil de ogen van de blinden geopend zouden worden, de oren van de doven zouden worden ontsloten en de kreupele zou springen als een hert (Jesaja 35:5-6).

Toen Johannes de Doper vanuit de gevangenis vroeg of Jezus de Beloofde was, verwees de Heere niet naar een theoretische uiteenzetting. Hij wees op wat er gebeurde:

“De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.” (Mattheüs 11:5, STV)

De wonderen bevestigden dat Hij de beloofde Messias was.

Daarom mogen we Zijn genezingen niet losmaken van de verkondiging van het Koninkrijk aan Israël. Zijn wonderen waren tekenen van de Koning en een voorafschaduwing van de zegeningen die met Zijn toekomstige heerschappij verbonden zijn.

Wie deze betekenis negeert, maakt van de genezingswonderen een algemene formule die iedere christen zou moeten kunnen toepassen.

Maar dat is niet waarvoor de Evangeliën geschreven zijn.

 

De opdracht aan de twaalf was niet zomaar een opdracht aan iedereen

Een veelgebruikte tekst is Mattheüs 10:8:

“Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.” (STV)

Deze woorden worden regelmatig gebruikt om moderne genezingsbedieningen te legitimeren.

Maar wie leest wat eraan voorafgaat?

Jezus zond de twaalf discipelen uit en gaf hun uitdrukkelijk de opdracht niet naar de heidenen of de Samaritanen te gaan, maar naar de verloren schapen van het huis Israëls.

Hun boodschap was:

“Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.”

Hun genezingswonderen dienden als bevestiging van die boodschap.

Dat was een bijzondere opdracht, aan bijzondere personen, in een bijzondere fase van Gods handelen met Israël.

Waarom wordt die context zo gemakkelijk overgeslagen?

En wanneer Mattheüs 10:8 rechtstreeks voor iedere gelovige vandaag zou gelden, waarom wordt dan vrijwel uitsluitend gesproken over het genezen van zieken? Waar blijven de opwekkingen van doden? Waarom wordt de opdracht om zonder vergoeding te dienen zo gemakkelijk vergeten?

Wie een Bijbeltekst als rechtstreeks gebod voor vandaag gebruikt, moet eerst aantonen dat die opdracht ook daadwerkelijk aan ons is gegeven.

Niet alles wat in de Bijbel geschreven staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gericht. Alles is tot ons onderwijs geschreven, maar dat maakt niet iedere opdracht tot een algemeen gebod.

Het boek Handelingen is geen handboek voor genezingscampagnes

Ook Handelingen wordt veelvuldig gebruikt om de hedendaagse genezingsleer te ondersteunen.

Petrus genas de verlamde man bij de Schone Poort. Door Paulus vonden buitengewone wonderen plaats. Zelfs zweetdoeken die met hem in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht.

Maar waarom gebeurden deze dingen?

De apostelen verkondigden het getuigenis van de gekruisigde en opgestane Christus. Hun boodschap werd door God bevestigd met tekenen en wonderen.

Hebreeën 2:3-4 spreekt uitdrukkelijk over deze bevestiging van het verkondigde heil door tekenen, wonderen en menigerlei krachten.

De wonderen stonden dus in dienst van het apostolische getuigenis.

Bovendien is Handelingen een boek waarin belangrijke overgangen plaatsvinden: van Jeruzalem naar de volken, van de bijzondere verkondiging aan Israël naar de verdere bekendmaking van Gods genade.

Wat in deze overgangsperiode gebeurde, is niet zomaar een blijvende norm voor de Gemeente.

Neem Handelingen 19. God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus. Juist het woord “buitengewone” verdient aandacht.

Toch worden zulke gebeurtenissen ook gebruikt om het verspreiden van zogenaamde gezalfde zakdoeken, kledingstukken of andere voorwerpen te rechtvaardigen.

Maar Handelingen 19 geeft geen opdracht om deze praktijk voort te zetten. Het beschrijft wat God destijds op bijzondere wijze door Paulus deed.

Een beschrijving van een wonder is nog geen voorschrift voor een genezingsmethode.

 

Waarom worden de brieven zo vaak genegeerd?

Hier raken we het hart van de zaak.

Wie de hedendaagse genezingsleer wil verdedigen, verwijst meestal naar de Evangeliën, Handelingen, Jesaja 53 en enkele afzonderlijke beloften.

Maar waar is de uitvoerige aandacht voor Romeinen, Korinthe, Filippenzen en de brieven aan Timotheüs?

Juist daar ontvangen we onderwijs over het leven van de gelovige en de Gemeente.

En wat lezen we daar?

Geen algemeen recht op lichamelijke genezing.

Geen opdracht aan iedere gemeente om genezingsdiensten te organiseren.

Geen belofte dat de gelovige gevrijwaard zal blijven van ziekte.

Sterker nog: we lezen verschillende voorbeelden die de moderne genezingsleer rechtstreeks tegenspreken.

 

Paulus had een doorn in het vlees

In 2 Korinthe 12:7-10 beschrijft Paulus zijn doorn in het vlees.

Hij had buitengewone openbaringen ontvangen. Toch werd hem een doorn in het vlees gegeven, opdat hij zich niet zou verheffen.

Driemaal bad hij de Heere dat deze van hem zou wijken.

En wat was het antwoord?

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” (2 Korinthe 12:9, STV)

Let goed op.

Paulus bad. Maar de doorn werd niet weggenomen.

Hij kreeg niet te horen dat hij onvoldoende geloof had. Er werd hem geen verborgen zonde aangewezen. Hij kreeg geen instructie om zijn genezing eenvoudigweg te claimen.

Hij ontving een ander antwoord: Gods genade was voldoende.

Over de precieze aard van de doorn bestaat verschil van inzicht, maar dat verandert de kern niet. Paulus vroeg om bevrijding van een blijvende kwelling, en die bevrijding werd hem niet gegeven.

Wat betekent dat voor de stelling dat iedere gelovige altijd genezing kan ontvangen wanneer hij maar voldoende gelooft?

Als zelfs Paulus niet van iedere kwelling werd verlost, op welke grond wordt een zieke christen vandaag dan verweten dat zijn geloof tekortschiet?

Timotheüs: waarom schreef Paulus geen genezingsgebed voor?

In 1 Timotheüs 5:23 schrijft Paulus:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.” (STV)

Dit is een opmerkelijke passage.

Timotheüs was een trouwe medewerker van Paulus. Hij kende de apostolische verkondiging. Hij had van nabij meegemaakt hoe God door Paulus werkte.

Toch had hij herhaaldelijk lichamelijke klachten.

Wat adviseerde Paulus?

Geen genezingscampagne.

Geen krachtige zalving.

Geen berisping vanwege ongeloof.

Hij gaf een praktisch advies voor zijn gezondheid.

Dat is moeilijk te verenigen met de gedachte dat lichamelijke genezing een vanzelfsprekend recht van iedere gelovige is.

Paulus had zelf zieken genezen. Waarom genas hij Timotheüs dan niet gewoon?

Omdat de gave om wonderen te verrichten kennelijk geen macht was waarover een apostel naar eigen believen kon beschikken.

God handelde door de apostelen wanneer Hij dat wilde. Niet als een mens dat nodig vond.

 

Trofimus bleef ziek achter

Een nog kortere, maar minstens zo veelzeggende tekst staat in 2 Timotheüs 4:20:

“Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.” (STV)

Eén zin.

Maar deze ene zin vormt een ernstig probleem voor de leer van genezing.

Paulus had buitengewone wonderen verricht. In Handelingen lezen we zelfs dat zieken door zijn bediening herstelden wanneer zij in aanraking kwamen met doeken die van zijn lichaam afkomstig waren.

Maar Trofimus bleef ziek achter.

Waarom?

De Schrift zegt niet dat Trofimus onvoldoende geloof bezat. Spreekt niet over verborgen zonde of een gebrek aan geestelijke overgave.

Paulus vermeldt gewoon dat hij hem ziek heeft achtergelaten.

Daarmee wordt duidelijk dat ook tijdens de apostolische tijd niet iedere zieke gelovige werd genezen.

Wie vandaag beweert dat genezing altijd beschikbaar is voor iedere gelovige, moet deze tekst serieus nemen.

 

Epafroditus: ziek tot nabij de dood

In Filippenzen 2:25-30 vertelt Paulus over Epafroditus.

Deze toegewijde medewerker was ernstig ziek geworden. Zijn ziekte was zelfs zo zwaar dat hij de dood nabij was.

Paulus schrijft:

“Want hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd.” (Filippenzen 2:27, STV)

Epafroditus herstelde.

Maar hoe beschrijft Paulus dat herstel?

Als Gods ontferming.

Niet als een afdwingbaar recht. Niet als het onvermijdelijke gevolg van een bepaalde geloofstechniek.

God ontfermde Zich over hem.

Dat maakt zijn herstel niet minder bijzonder. Het plaatst het alleen waar het thuishoort: bij Gods genadige handelen.

Genezing is geen prestatie van het geloof, maar een daad van God.

 

De verlossing van ons lichaam ligt nog vóór ons

Romeinen 8 geeft het perspectief dat in veel moderne genezingsprediking ontbreekt.

Paulus schrijft dat de schepping zucht en als in barensnood verkeert. Vervolgens zegt hij dat ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, in onszelf zuchten.

Waarom?

Omdat wij de verlossing van ons lichaam verwachten.

Zie Romeinen 8:23.

Dat is een cruciaal onderscheid.

De gelovige is in Christus verlost. Zijn zonden zijn vergeven. Hij heeft de Heilige Geest ontvangen. Hij bezit eeuwig leven.

Maar zijn lichaam is nog sterfelijk.

Het kan ziek worden. Het wordt ouder. Het raakt vermoeid. Het kan beschadigd raken. En tenzij Christus terugkomt tijdens zijn leven, zal de gelovige uiteindelijk sterven.

De volledige lichamelijke verlossing ligt nog in de toekomst.

Bij de komst van Christus zullen de gestorven gelovigen worden opgewekt en de levende gelovigen worden veranderd. Dan zal het vergankelijke onvergankelijkheid aandoen.

Daar ligt de Bijbelse hoop op een lichaam dat nooit meer ziek wordt.

Wie die toekomstige verlossing naar het heden verplaatst en vervolgens volledige gezondheid belooft, loopt vooruit op wat God heeft toegezegd.

 

“Door Zijn striemen is ons genezing geworden”

Jesaja 53:5 is misschien wel de meest gebruikte tekst in de hedendaagse genezingsleer.

“En door Zijn striemen is ons genezing geworden.” (STV)

Daaruit wordt geconcludeerd dat Christus aan het kruis niet alleen onze zonden heeft gedragen, maar ook iedere lichamelijke ziekte, zodat wij nu aanspraak mogen maken op genezing.

Maar deze conclusie gaat voorbij aan het verband van de tekst.

Jesaja 53 spreekt over de Knecht des HEEREN Die om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld werd.

Het centrale onderwerp is de zonde en de verzoening.

Bovendien verklaart Mattheüs 8:16-17 dat de woorden over het dragen van onze krankheden en ziekten vervuld werden toen Jezus tijdens Zijn aardse bediening zieken genas.

Dat gebeurde vóór het kruis.

Petrus verwijst eveneens naar de striemen van Christus in 1 Petrus 2:24, maar verbindt dit uitdrukkelijk met het afsterven aan de zonden en het leven voor de gerechtigheid.

Het gaat daar niet over een belofte dat iedere lichamelijke aandoening onmiddellijk zal verdwijnen.

Natuurlijk hoort ook de toekomstige verlossing van ons lichaam tot de uiteindelijke zegeningen van Christus’ verlossingswerk.

Maar de vraag is niet of Christus de overwinning op de gevolgen van de zonde heeft verworven.

De vraag is wanneer al die gevolgen definitief worden weggenomen.

De brieven plaatsen de volledige lichamelijke verlossing in de toekomst.

 

Jakobus 5: een gebed voor zieken, geen genezingsformule

Jakobus 5:14-16 wordt vaak aangehaald als bewijs dat iedere zieke door gebed en zalving genezen moet worden.

Maar ook hier is een zorgvuldige lezing noodzakelijk.

Jakobus spreekt over een zieke die de ouderlingen van de gemeente bij zich laat komen. Zij moeten over hem bidden en hem zalven met olie in de Naam des Heeren.

Het gaat dus niet over een rondreizende genezer die grote groepen mensen bijeenbrengt om zijn bijzondere gave te demonstreren.

Het gaat over de zorg van de gemeente voor een zieke.

Bovendien wordt in het gedeelte gesproken over de belijdenis en vergeving van zonden. Die context mag niet worden genegeerd.

Dat God gebeden kan verhoren en zieken kan oprichten, staat buiten twijfel.

Maar Jakobus 5 mag niet worden gebruikt om alle andere Schriftplaatsen over ziekte en lichamelijke zwakheid terzijde te schuiven.

Paulus bleef met zijn doorn in het vlees zitten. Timotheüs had terugkerende klachten. Trofimus bleef ziek achter. Epafroditus was bijna gestorven.

De Schrift spreekt zichzelf niet tegen. Daarom moeten we Jakobus 5 lezen in samenhang met het onderwijs van de apostolische brieven, niet geïsoleerd als een formule waarmee genezing gegarandeerd wordt.

 

Wat is er mis met genezingsclaims?

Ook vandaag horen we uitspraken als:

“God wil dat je altijd gezond bent.”

“Ziekte hoort niet bij een kind van God.”

“Je genezing is al volbracht, je moet haar alleen ontvangen.”

“Spreek niet over je ziekte, want daarmee houd je haar in stand.”

“Als je niet geneest, is er ergens ongeloof.”

“Je moet de ziekte bestraffen en je genezing uitspreken.”

Sommige van deze uitspraken worden verpakt in Bijbelse taal. Er wordt gesproken over geloof, autoriteit, de kracht van Jezus’ Naam en de overwinning van het kruis.

Maar woorden worden niet Bijbels doordat men er een Bijbeltekst aan toevoegt.

De vraag blijft of de leer zelf uit de Schrift voortkomt.

Wanneer een prediker beweert dat God altijd geneest, moet hij uitleggen waarom Paulus’ gebeden niet het gewenste resultaat hadden.

Wanneer ziekte wordt voorgesteld als bewijs van ongeloof, moet worden uitgelegd waarom Timotheüs herhaaldelijk ziek was.

Wanneer genezing een algemeen recht van de gelovige zou zijn, moet worden verklaard waarom Trofimus ziek achterbleef.

En wanneer lichamelijke zwakheid niet bij het leven van een christen zou horen, moet Romeinen 8 opnieuw worden gelezen.

De brieven vormen geen hinderlijk bijverschijnsel dat we mogen negeren om een aantrekkelijk genezingsverhaal overeind te houden.

Ze horen bij het geïnspireerde Woord van God.

 

De pijnlijke gevolgen van een verkeerde leer

De schade van deze leer is niet alleen leerstellig.

Het kan diep ingrijpen in het leven van zieke mensen.

Stel je een gelovige voor die jarenlang met pijn, vermoeidheid of een lichamelijke beperking leeft. Hij bidt. Zijn gemeente bidt. Hij vertrouwt op de Heere, maar herstel blijft uit.

Dan hoort hij dat God altijd wil genezen en dat voldoende geloof onvermijdelijk tot herstel leidt.

Wat moet hij daaruit concluderen?

Dat zijn geloof tekortschiet?

Dat hij verborgen zonden heeft?

Dat God hem niet wil zegenen?

Dat hij zijn genezing niet voldoende heeft uitgesproken?

Zo wordt aan lichamelijk lijden een geestelijke last toegevoegd die de Schrift de zieke niet oplegt.

Nog gevaarlijker wordt het wanneer gelovigen wordt aangeraden medicijnen te laten staan of noodzakelijke medische behandeling af te wijzen.

Dat is geen bewijs van groot geloof.

De apostel Paulus adviseerde Timotheüs juist een praktisch middel te gebruiken voor zijn lichamelijke klachten. Lukas wordt in Kolossenzen 4:14 de geliefde medicijnmeester genoemd.

Geloof in Gods macht en het gebruik van medische middelen sluiten elkaar niet uit.

Een gelovige mag om genezing bidden en tegelijkertijd een arts bezoeken. Hij mag dankbaar gebruikmaken van behandelingen en geneesmiddelen, terwijl hij zijn vertrouwen op de Heere stelt.

Gods kracht wordt ook in zwakheid volbracht

Misschien is dit wel het gedeelte van de Schrift dat binnen de hedendaagse genezingsbeweging het meest wordt verwaarloosd.

Gods kracht wordt niet uitsluitend zichtbaar wanneer een ziekte verdwijnt.

Zij kan ook openbaar worden wanneer een gelovige met lichamelijke zwakheid blijft leven en daarin Gods genade ondervindt.

Paulus had liever gezien dat zijn doorn werd weggenomen.

Maar uiteindelijk leerde hij zich te beroemen in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem zou wonen.

Dat staat haaks op de gedachte dat iedere lichamelijke beperking een nederlaag is die de gelovige door een krachtiger geloof moet overwinnen.

Het christelijke leven is niet een voortdurende demonstratie van lichamelijke gezondheid.

Het is een leven uit genade.

En die genade blijft genoeg, óók wanneer het lichaam zwak is.

 

De Bijbelse hoop is veel groter dan tijdelijke genezing

Wie vandaag genezen wordt, zal uiteindelijk toch sterven.

Ook Lazarus, die uit het graf werd opgewekt, kreeg niet meteen een verheerlijkt, onvergankelijk lichaam.

Zijn opwekking was een indrukwekkend teken van Christus’ macht over de dood, maar nog niet de definitieve overwinning op de sterfelijkheid van zijn lichaam.

De gelovige ziet uit naar iets groters.

Naar de komst van de Here Jezus Christus.

Naar de opstanding.

Naar een lichaam dat niet meer onderworpen is aan ziekte, verval en dood.

Daarom is de christelijke hoop niet afhankelijk van de vraag of iemand in dit leven lichamelijk herstelt.

Zij rust op de opgestane Heer, Die de Zijnen uiteindelijk volkomen zal verlossen.

Niet de genezingsprediker, maar de Schrift heeft het laatste woord

God kán zieken genezen. Dat staat vast.

We mogen vrijmoedig bidden om herstel. Ook dat is Bijbels.

Maar nergens ontvangen wij het recht om van God te eisen dat Hij iedere gelovige in dit leven lichamelijk gezond maakt.

De wonderen van Jezus hadden een bijzondere betekenis. De wonderen van de apostelen bevestigden hun bediening. De apostolische brieven leren vervolgens hoe gelovigen leven in deze tijd, waarin de verlossing van het lichaam nog verwacht wordt.

En juist die brieven worden zo vaak overgeslagen.

Want zij brengen een boodschap die minder spectaculair klinkt, maar veel dieper gaat.

Paulus werd niet van zijn doorn verlost.

Timotheüs had terugkerende lichamelijke klachten.

Trofimus bleef ziek achter.

Epafroditus was de dood nabij.

En toch waren deze mannen geliefde en toegewijde dienstknechten van de Heere.

Hun lichamelijke toestand was geen maatstaf voor hun geloof.

Daarom moeten we ophouden de zieke gelovige een last op te leggen die God hem niet oplegt.

Gods genade is niet pas genoeg wanneer de ziekte verdwenen is. Gods genade is voldoende, ook wanneer de ziekte blijft.

Dat is geen ongeloof.

Dat is het onderwijs van de Schrift.

En aan dat Woord moeten ook de indrukwekkendste genezingsclaims worden getoetst.

Leestip: Een gedegen boek uit 1925: The Healing Question (pdf)

zie ook:

genezing – Bijbelse basis

God hééft gesproken!

Waarom de Bijbel Zijn definitieve Woord is

Heeft God vandaag nog nieuwe profeten, apostelen en openbaringen nodig om Zijn Gemeente te leiden? Of heeft Hij in de Here Jezus Christus en door de Bijbel bekendgemaakt wat wij voor ons geloof nodig hebben?

Die vraag raakt het hart van het christendom.

Er waait een verontrustende wind door een deel van de hedendaagse christenheid. Steeds vaker klinkt de boodschap dat de Bijbel alleen niet voldoende zou zijn. Christenen worden aangespoord om ‘Gods stem persoonlijk te leren verstaan’, nieuwe openbaringen’ te ontvangen en te luisteren naar mensen die beweren rechtstreeks namens God te spreken.

“God heeft mij verteld…” “De Heilige Geest openbaarde mij…” “Ik heb een profetisch woord voor de Gemeente…”

Het klinkt indrukwekkend en bijzonder geestelijk. Maar achter dergelijke uitspraken schuilt een fundamentele vraag: is het geschreven Woord van God nog voldoende, of hebben wij daarnaast nieuwe goddelijke boodschappen/boodschappers nodig?

De Bijbel geeft ons alle reden om vast te houden aan zijn gezag en genoegzaamheid. Niet omdat God tegenwoordig minder machtig zou zijn, maar omdat Hij in Zijn Zoon heeft gesproken en door Zijn apostelen het fundament van de Gemeente heeft gelegd.

 

God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg
God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg

God heeft gesproken door Zijn Zoon

De brief aan de Hebreeën begint met een duidelijke verklaring:

“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon (…)” (Hebreeën 1:1-2, STV)

Deze woorden laten een niet mis te verstane duidelijke ontwikkeling in Gods openbaring zien.

Onder het oude verbond sprak God op verschillende tijden en verschillende manieren. Hij sprak door Mozes, de profeten, dromen, visioenen en bijzondere verschijningen.

Maar met de komst van de Here Jezus Christus brak iets beslissends aan.

God zond niet nóg een profeet. Hij sprak door Zijn eigen Zoon.

De Here Jezus Christus is het vleesgeworden Woord. Johannes schrijft:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En daarna:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (…)” (Johannes 1:14, STV)

Hier staan we op het hoogtepunt van Gods zelfopenbaring. Christus is niet zomaar iemand die namens God spreekt. Hij is Zelf God, geopenbaard in het vlees.

Wie daarom suggereert dat de christelijke Gemeente steeds opnieuw ‘nieuwe openbaringen’ nodig heeft om de volle waarheid te leren kennen, miskent makkelijk het definitieve karakter van Gods spreken in Zijn Zoon.

Het christendom rust niet op een voortdurende stroom ‘nieuwe openbaringen’, maar op de Persoon en het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

De Bijbel is géén onvolledig handboek

Paulus schrijft aan Timotheüs:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;” (2 Timotheüs 3:16, STV)

Hier wordt iets gezegd wat in veel moderne geestelijke bewegingen op de achtergrond dreigt te raken.

De Schrift is van God ingegeven.

Dat betekent dat wij niet te maken hebben met menselijke opvattingen over God, maar met Zijn gezaghebbende Woord.

En Paulus gaat verder:

“Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Timotheüs 3:17, STV)

Laat die woorden eens goed tot u doordringen: tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

Niet gedeeltelijkis toegerust.een Niet voorlopig toegerust, totdat er een nieuwe ‘profeet’ verschijnt.. Niet afhankelijk van een ‘apostel’ die toegang beweert te hebben tot hogere verborgen kennis.

De Schrift is voldoende om de gelovige toe te rusten tot alles wat God van hem vraagt.

Dat betekent niet dat de Bijbel antwoord geeft op elke praktische vraag die een mens kan stellen. Evenmin betekent het dat onderwijs, gebed of de gemeenschap met andere gelovigen overbodig zijn.

Het betekent dat geen nieuwe leerstellige openbaring nodig is om Gods heilswaarheid aan te vullen.

Wie beweert dat de Gemeente zonder nieuwe profetieën geestelijk tekortkomt, moet zich daarom afvragen hoe die bewering zich ooit kan verhouden tot de genoegzaamheid van het geïnspireerde Woord.

 

Het geloof is eenmaal overgeleverd

Judas schrijft:

“…dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.” (Judas vers 3, STV)

Het woord “eenmaal” is hier bepalend.

Het geloof waarvan Judas spreekt, is niet een religieus systeem dat voortdurend moet worden uitgebreid met nieuwe leerstellingen.

Het is het geloof dat aan de heiligen is overgeleverd.

Dat betekent dat de Gemeente geroepen is om de ontvangen waarheid te bewaren, te verkondigen en te verdedigen.

Niet om nieuwe geloofswaarheden te ontdekken die eerdere generaties onbekend waren.

Niet om het apostolische onderwijs aan te vullen met boodschappen van moderne ‘profeten’.

En zeker niet om zich afhankelijk te maken van mensen die beweren toegang te hebben tot bijzondere kennis die voor gewone gelovigen verborgen blijft.

Dat is dus het gevaar van veel hedendaagse ‘openbaringsbewegingen’.

De gelovige wordt niet langer uitsluitend verwezen naar de Schrift, maar ook naar de zogenaamde geestelijke inzichten van bijzondere leiders.

Daardoor ontstaat een gevaarlijke verschuiving: het gezag verplaatst zich ongemerkt van Gods geschreven Woord naar de persoon die zegt namens God te spreken.

 

Het fundament van de Gemeente wordt niet telkens opnieuw gelegd

Paulus schrijft over de Gemeente:

“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;” (Efeze 2:20, STV)

Een fundament wordt gelegd voordat het gebouw wordt opgetrokken.

De apostelen en profeten vervulden in de begintijd van de Gemeente een bijzondere, funderende taak. Christus is de Hoeksteen, en op het apostolische getuigenis wordt de Gemeente gebouwd.

”Dit is van groot belang voor de beoordeling van de hedendaagse beweging die opnieuw ‘apostelen’ en ‘profeten’ met bijzonder gezag wil aanstellen.

Sommige leiders beroepen zich daarbij op Efeze 4:11, waar gesproken wordt over apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.

Maar je mag Efeze 4 niet losmaken van Efeze 2.

Het feit dat Christus apostelen en profeten heeft gegeven, betekent niet automatisch dat er in iedere generatie opnieuw mensen zouden moeten verschijnen met hetzelfde funderende openbaringsgezag als de oorspronkelijke apostelen.

Het Nieuwe Testament laat zien dat de apostelen een unieke plaats innamen. Zij waren getuigen van de opgestane Christus en door Hem aangesteld om Zijn getuigenis bekend te maken.

Paulus spreekt in 1 Korinthe 15:8 over zijn bijzondere ontmoeting met de opgestane Heer..

De Gemeente van vandaag heeft geen nieuw fundament nodig.

De Gemeente moet trouw blijven aan het fundament dat reeds gelegd is.te

Een moderne ‘apostel’ die ‘nieuwe goddelijke leerstellingen’ verkondigt, voegt geen verdieping toe aan het apostolische geloof, maar maakt aanspraak op een gezag waarvoor de Schrift geen grond geeft.

 

“God heeft mij gezegd”, een uitspraak met vergaande gevolgen

Er is nauwelijks een uitspraak die binnen een christelijke gemeenschap zoveel gezag kan opeisen als:

“God heeft mij gezegd.”

Want wie durft God tegen te spreken?

En daarin schuilt het gevaar.

Een voorganger die zegt:

“Ik denk dat dit verstandig is”

kan worden bevraagd.

Een leraar die zegt:

“Volgens mij betekent deze Bijbeltekst dit”

moet zijn uitleg vanuit de Schrift aantonen.

Maar iemand die zegt:

“God heeft rechtstreeks tot mij gesproken”,

presenteert zijn boodschap als afkomstig van de hoogste Autoriteit.

En wanneer die boodschap vervolgens niet ter discussie mag worden gesteld, ligt geestelijk misbruik op de loer.

De geschiedenis van religieuze bewegingen laat zien hoe makkelijk mensen onder druk kunnen worden gezet door leiders die hun persoonlijke overtuigingen presenteren als goddelijke opdrachten.

Daarom is de houding van de gelovigen in Berea ook zo leerzaam.

Zij onderzochten dagelijks de Schriften om na te gaan of de boodschap die zij hoorden daarmee overeenstemde (Handelingen 17:11).

Denk daar eens serieus over na.

Ook het onderwijs van Paulus werd aan de Schrift getoetst.

En tegenwoordig zouden wij de woorden van een zelfbenoemde ‘profeet’ dan  kritiekloos moeten aanvaarden?

Dat is de wereld op zijn kop.

De Bijbel leert ons niet om onze geestelijke onderscheiding uit te schakelen zodra iemand beweert namens God te spreken.

Integendeel:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn (…)” (1 Johannes 4:1, STV)

Een boodschap wordt niet betrouwbaar doordat iemand deze met grote overtuiging brengt.

En een profetische uitspraak wordt niet ‘afkomstig van God’ doordat deze emotioneel indruk maakt.

De inhoud moet worden getoetst aan de waarheid die God heeft geopenbaard.

 

De Heilige Geest brengt geen concurrerende openbaring

Een veelgehoord verwijt aan christenen die vasthouden aan de genoegzaamheid van de Schrift is dat zij ‘de Heilige Geest voor de voeten zouden lopen’.

Soms wordt zelfs gesuggereerd dat wie geen nieuwe profetieën verwacht, niet openstaat voor Gods spreken.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De Heilige Geest is geen concurrent van de Schrift. Hij is De Goddelijke Auteur.

De Here Jezus zei tegen Zijn discipelen:

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.” (Johannes 14:26, STV)

Deze belofte had prmair betrekking op de apostelen, die door de Heilige Geest werden toegerust om betrouwbaar van Christus te getuigen.

Wanneer de Heilige Geest vandaag in gelovigen werkt, brengt Hij hen niet weg van de Schrift, maar opent Hij hun verstand en hart voor de waarheid daarvan.

Dat noemen wij de verlichting door de Heilige Geest.

Er is een belangrijk verschil tussen openbaring en verlichting.

Bij openbaring maakt God waarheid bekend die de mens voordien niet kende. Bij verlichting opent de Heilige Geest het verstand om de reeds geopenbaarde waarheid te begrijpen en toe te passen.

Dit onderscheid wordt tegenwoordig maar al te vaak genegeerd.

Het gevolg is dat persoonlijke gedachten, ingevingen en gevoelens op hetzelfde niveau worden gezet als het geïnspireerde Woord van God.

Maar mijn gevoel is niet onfeilbaar.

Mijn gedachten zijn niet onfeilbaar.

Zelfs mijn sterkste geestelijke overtuigingen zijn niet onfeilbaar.

Alleen Gods Woord heeft dat gezag.

De gevaarlijke honger naar ‘nieuwe openbaringen’

Waarom is er tegenwoordig zoveel belangstelling voor persoonlijke profetieën, dromen, visioenen, hemelse rechtbanken en zogenaamde profetische activaties?

Een belangrijke verklaring is dat veel christenen het gewone leven uit het Woord blijkbaar niet meer bijzonder genoeg vinden.

Het lezen en onderzoeken van de Bijbel lijkt voor sommigen te simpel.

Er moet iets gebeuren. Iets bovennatuurlijks. Iets dat niemand anders heeft meegemaakt.

Een persoonlijke boodschap. Een bijzondere ervaring. Een nieuwe zalving. Een verborgen geheimenis.

Maar nergens leert de Schrift dat geestelijke volwassenheid afhangt van de hoeveelheid bijzondere ervaringen die iemand verzamelt.

Integendeel.

Paulus spoort Timotheüs aan:

“Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is (…)” (2 Timotheüs 3:14, STV)

Let op dat woord: “blijf”.

De apostel spoort Timotheüs niet aan om steeds nieuwe openbaringen te zoeken, maar om trouw te blijven aan de waarheid die hem is toevertrouwd.

Dat is een boodschap die haaks staat op een religieuze cultuur waarin het nieuwe, spectaculaire en buitengewone dikwijls meer aandacht krijgt dan het eenvoudige onderwijs van de Schrift.

Het is veelzeggend wanneer een gemeente enthousiast raakt over iemand die zegt een visioen van de hemel te hebben ontvangen, terwijl een gedegen Bijbelstudie nauwelijks belangstelling trekt.

Dan is er iets aan de hand.

Niet omdat ervaringen op zichzelf de maatstaf zijn voor dwaling, maar omdat het geschreven Woord van God zijn centrale plaats dreigt te verliezen.

 

Maar spreekt God dan helemaal niet meer?

Deze vraag wordt vaak gesteld alsof er slechts twee mogelijkheden bestaan.

Óf God geeft vandaag nog rechtstreeks nieuwe openbaringen, óf Hij zwijgt volledig.

Dat is een valse tegenstelling.

God spreekt vandaag door Zijn Woord.

Wanneer de Bijbel wordt gelezen, spreekt niet slechts een schrijver uit lang vervlogen tijden.

Wij horen de woorden die God door Zijn Geest heeft laten vastleggen.

Het Woord is levend en krachtig (Hebreeën 4:12).

De Heilige Geest gebruikt dat Woord om zondaren te overtuigen, gelovigen te onderwijzen, dwalingen te ontmaskeren en mensen te vertroosten.

Daarvoor is geen nieuwe profetie nodig.

Ook mogen wij bidden om wijsheid, zoals Jakobus 1:5 ons leert. God bestuurt de levens van Zijn kinderen door Zijn voorzienigheid en wil ons leiden in onze omstandigheden.

Maar Zijn voorzienige leiding of de innerlijke overtuiging die wij ervaren, mogen wij niet zonder meer gelijkstellen aan een onfeilbare goddelijke openbaring.

Dat onderscheid beschermt ons tegen geestelijke hoogmoed en misleiding.

 

Is de Bijbelse openbaring afgesloten?

God heeft gesproken in Zijn Zoon. Het geloof is eenmaal overgeleverd. De apostelen en profeten hebben het fundament van de Gemeente gelegd. De geïnspireerde Schrift is voldoende om de mens Gods volledig toe te rusten.

Daaruit volgt de leerstellige overtuiging dat de bijzondere, funderende openbaring van de apostolische tijd niet voortdurend hoeft te worden voortgezet.

Deze overtuiging wordt vaak aangeduid als het afgesloten karakter van de bijzondere openbaring.

Dat betekent niet dat de Heilige Geest niet langer werkzaam is.

Het  betekent dat Zijn werk vandaag niet afhankelijk is van nieuwe gezaghebbende boodschappen die aan het apostolische getuigenis worden toegevoegd.

De Gemeente bezit in de Bijbel een betrouwbaar en voldoende getuigenis van Gods geopenbaarde waarheid.

 

Zelfs een engel uit de hemel mag het Evangelie niet veranderen

Misschien is de scherpste waarschuwing wel te vinden in Galaten 1:8:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)

Paulus is hier buitengewoon scherp.

Zelfs wanneer een engel uit de hemel zou verschijnen, mag zijn boodschap niet worden aanvaard wanneer zij afwijkt van het Evangelie.

Laat dat eens op je inwerken.

Een indrukwekkende bovennatuurlijke verschijning is dus geen bewijs dat de boodschap betrouwbaar is.

Niet de ervaring bepaalt de waarheid.

Niet de verschijning bepaalt de waarheid.

Niet de status van de boodschapper bepaalt de waarheid.

Het reeds verkondigde Evangelie is de maatstaf.

Dat maakt veel moderne aanspraken op bijzondere openbaring buitengewoon kwetsbaar.

Want wanneer zelfs een engel niet het recht heeft om het Evangelie te veranderen, welk recht zou een hedendaagse profeet dan hebben om nieuwe leerstellige waarheden aan de Gemeente op te leggen?

Geen.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

De grote behoefte van de Gemeente is niet een nieuwe generatie ‘profeten’ die ons vertelt wat God zogenaamd nu pas wil openbaren.

Zij heeft geen nieuwe ‘apostelen’ nodig die een tweede fundament leggen.

Zij heeft geen geestelijke elite nodig die toegang claimt tot verborgen kennis uit de hemel.

Wat de Gemeente nodig heeft, is een terugkeer naar het gezag, de betrouwbaarheid en de genoegzaamheid van de Bijbel.

Naar de verkondiging van de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus.

Naar het Evangelie van Gods genade.

Naar gezond Bijbels onderwijs waarin de Schrift wordt uitgelegd in plaats van verdrongen door persoonlijke ervaringen.

Dit vraagt om geestelijke onderscheiding, maar ook om nederigheid.

Want niemand van ons staat boven het Woord.

Geen voorganger. Geen Bijbelleraar. Geen evangelist. Geen apostel of profeet die vandaag aanspraak maakt op bijzonder gezag.

Ook ik niet.

Iedere leerstelling moet aan de Schrift worden getoetst.

En waar de Schrift duidelijk spreekt, hoort de mens gewoon te luisteren.

 

God hééft gesproken. Luisteren wij nog?

Het probleem van onze tijd is niet dat God te weinig heeft gezegd.

Het probleem is dat we vaak te weinig aandacht schenken aan wat Hij heeft gezegd.

We zoeken het bijzondere, terwijl het geïnspireerde Woord voor ons ligt.

We luisteren naar mensen die beweren namens God te spreken, terwijl we nauwelijks onderzoeken wat God Zelf in de Schrift heeft laten vastleggen.

We verlangen naar nieuwe openbaringen, terwijl de rijkdom van de al gegeven openbaring voor velen grotendeels onbekend blijft.

Dat is geen geestelijke vooruitgang.

Dat is een gevaarlijke verschuiving van Gods objectieve waarheid naar menselijke subjectiviteit.

De Here Jezus Christus is Gods beslissende openbaring. De Heilige Schrift is Zijn geïnspireerde, gezaghebbende en voldoende Woord voor de Gemeente.

Wie méér gezaghebbende openbaring zoekt dan God ons heeft toevertrouwd, loopt het gevaar minder waarde te hechten aan wat Hij reeds heeft gegeven.

De hoogste vorm van geestelijkheid is niet dat iemand voortdurend nieuwe woorden van God beweert te ontvangen.

Het is dat hij gelooft, bewaart en gehoorzaamt wat God heeft gesproken.

We hebben geen nieuw woord van God nodig.

We moeten terug naar het Woord van God.

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights