Is de Bijbel echt een moeilijk boek?

Het probleem ligt niet bij de Bijbel

Is de Bijbel echt een moeilijk boek? Dat wordt vaak beweerd. Zelfs sommige christenen zeggen dat zij de Schrift ingewikkeld, tegenstrijdig of ontoegankelijk vinden.

Ze lezen losse gedeelten, begrijpen de samenhang niet en besluiten uiteindelijk dat diepgaande Bijbelstudie alleen iets is voor predikanten, theologen of bijzonder begaafde mensen.

Maar misschien moeten we de vraag omdraaien.

Is de Bijbel onbegrijpelijk, of hebben we geleerd hem verkeerd te lezen?

Het probleem ligt vaak niet bij de Schrift, maar bij de bril waardoor we hem bekijken. Kerkelijke tradities, menselijke leerstellingen, populaire preken en vertrouwde uitlegmodellen hebben ons denken soms zo sterk gevormd, dat we nauwelijks nog onbevangen lezen wat er echt staat.

We komen dan niet naar de Bijbel om te leren, maar om bevestigd te worden.

We onderzoeken niet wat God zegt, maar zoeken teksten die ondersteunen wat we al geloven.

Dat is geen Bijbelstudie. Dat is het gebruiken van de Bijbel als kapstok voor onze eigen overtuigingen.

De Bijbel is geen moeilijk boek
Is de Bijbel echt een moeilijk boek?

De Bijbel wordt moeilijk wanneer we hem niet laten spreken

Veel vermeende tegenstrijdigheden ontstaan doordat teksten uit hun verband worden gehaald. Een vers wordt geciteerd zonder te vragen:

  • Wie spreekt hier?
  • Tot wie wordt gesproken?
  • Onder welke omstandigheden?
  • Over welke tijd gaat het?
  • Wat staat er vóór en na deze tekst?
  • Hoe wordt hetzelfde onderwerp elders in de Schrift behandeld?

Wie deze vragen overslaat, kan de Bijbel vrijwel alles laten zeggen.

De Schrift wordt dan een verzameling losse spreuken, morele lessen en inspirerende gedachten. Iedere prediker kiest enkele passende teksten, voegt daar een eigen boodschap aan toe en noemt het vervolgens Bijbelverkondiging.

Maar een tekst is geen stukje klei dat wij naar eigen wens mogen vormen.

De Bijbel heeft een eigen boodschap, een eigen opbouw en een eigen woordgebruik. Wie die samenhang negeert, maakt het Boek niet eenvoudiger, maar juist onbegrijpelijker.

 

Traditie kan het Woord verduisteren

Kerkelijke traditie wordt vaak behandeld alsof zij onaantastbaar is. Wat generaties lang geleerd is, wordt niet meer onderzocht. Men veronderstelt dat iets Bijbels is omdat het vertrouwd klinkt.

Maar vertrouwd is niet hetzelfde als Bijbels.

De Heere Jezus waarschuwde al voor het gevaar van menselijke overleveringen:

“Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt” (Markus 7:13, STV).

Dat is scherpe taal.

Menselijke traditie kan Gods Woord krachteloos maken. Niet omdat het Woord werkelijk zijn kracht verliest, maar omdat de betekenis ervan wordt bedekt door verklaringen die men belangrijker is gaan vinden dan wat er geschreven staat.

Een kerkelijke belijdenis kan behulpzaam zijn. Een commentaar kan inzicht geven. Een prediker kan helpen. Maar géén van deze staat boven de Schrift.

Zodra een systeem bepaalt wat een tekst mág betekenen, is de Bijbel niet langer de hoogste autoriteit. Dan is het systeem de autoriteit geworden en dient de Schrift slechts als bewijsboek.

 

De Bijbel is niet geschreven voor een geestelijke elite

Sommigen wekken de indruk dat alleen theologisch geschoolde mensen de Bijbel goed kunnen begrijpen. Natuurlijk kunnen kennis van taal, geschiedenis en achtergrond behulpzaam zijn. Maar de Schrift is niet gegeven aan een kleine academische bovenlaag.

Paulus schreef niet aan hoogleraren, maar aan gemeenten. Zijn brieven moesten worden gelezen, onderzocht en toegepast door gewone gelovigen.

Ook de gelovigen in Beréa worden geprezen omdat zij zelf controleerden of de prediking overeenkwam met de Schrift:

“En dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren” (Handelingen 17:11, STV).

Zij namen zelfs het onderwijs van Paulus niet klakkeloos aan.

Zij onderzochten dagelijks of zijn woorden juist waren.

Dát is gezonde Bijbelstudie. Niet blind vertrouwen op de spreker, maar alles toetsen aan het geschreven Woord.

Wie vandaag zegt dat gewone gelovigen niet zelf mogen beoordelen wat er gepredikt wordt, spreekt niet in de geest van Beréa. Geestelijk gezag ontslaat niemand van toetsing.

 

Onderzoekt de Schriften

De Heere Jezus zei:

“Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen” (Johannes 5:39, STV).

Hij zei niet slechts: lees af en toe selectief een vers.

Hij zei: onderzoek.

Onderzoeken vraagt aandacht, inspanning en volharding. Het betekent dat wij teksten vergelijken, woorden volgen en onderwerpen door de gehele Schrift heen bestuderen.

Dat wordt ook wel Schrift met Schrift vergelijken genoemd.

Een Bijbels begrip moet in de eerste plaats door de Bijbel zelf worden verklaard. Niet door modern taalgebruik, niet door kerkelijke gewoonte en niet door onze persoonlijke associaties.

Wanneer wij willen weten wat de Schrift bedoelt met begrippen als Koninkrijk, gemeente, wet, genade, oordeel, profetie of de dag des Heeren, moeten wij onderzoeken hoe die begrippen in de Schrift gebruikt worden.

Daarbij geldt:

Een losse tekst kan een indruk geven. De gezamenlijke Schriftplaatsen geven de leer.

 

De dag des Heeren is niet zomaar de zondag

Een aansprekend voorbeeld is de uitdrukking “de dag des Heeren”.

Sommige christenen denken daarbij automatisch aan de zondag. Maar wanneer we de plaatsen onderzoeken waar deze uitdrukking voorkomt, zien we iets anders.

De profeten spreken over de dag des Heeren als een tijd van oordeel, duisternis, verbolgenheid en Gods openlijke ingrijpen in de geschiedenis. Paulus schrijft dat deze dag komt als een dief in de nacht. Petrus verbindt hem met ingrijpende oordelen over hemel en aarde.

“Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht” (1 Thessalonicenzen 5:2, STV).

“Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden” (2 Petrus 3:10, STV).

De Schrift gebruikt deze uitdrukking dus niet als een eenvoudige benaming voor de wekelijkse zondag.

Toch kan een kerkelijk gebruik zo ingeburgerd raken, dat bijna niemand meer onderzoekt of het werkelijk overeenkomt met de Bijbel.

Dit voorbeeld laat precies zien waarom de Bijbel moeilijk lijkt. Niet omdat de Schrift onduidelijk spreekt, maar omdat wij een betekenis hebben meegekregen die wij niet meer toetsen.

 

Geestelijke dingen worden geestelijk onderscheiden

De Bijbel is geen gewoon boek. Dat betekent niet dat de woorden geen normale betekenis hebben, maar wel dat geestelijk inzicht niet uitsluitend het product is van menselijke intelligentie.

Paulus schrijft:

“Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden” (1 Korinthe 2:14, STV).

Een mens kan buitengewoon geleerd zijn en toch de kern van Gods openbaring missen. Hij kan Hebreeuws en Grieks beheersen, historische achtergronden kennen en dikke commentaren schrijven, terwijl hij de Persoon en het werk van Christus niet werkelijk verstaat.

Daartegenover kan een eenvoudige gelovige, afhankelijk van God en bereid om Schrift met Schrift te vergelijken, diep inzicht ontvangen.

Dat is geen pleidooi tegen studie. Het is een waarschuwing tegen hoogmoed.

Kennis zonder geloof kan analyseren, maar niet geestelijk verstaan.

 

Christus is de sleutel tot de Schrift

De Bijbel is geen verzameling losstaande godsdienstige verhalen. De Schrift getuigt van Christus.

Na Zijn opstanding sprak de Heere Jezus met de Emmaüsgangers:

“En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was” (Lukas 24:27, STV).

Hij liet zien dat Wet, Profeten en Psalmen over Hem spraken.

Wie Christus uit het centrum verwijdert, maakt de Bijbel tot een boek van menselijke prestaties. Dan gaan de geschiedenissen vooral over dapper zijn als David, volhouden als Job en vertrouwen als Abraham.

Maar de Schrift is niet maar een verzameling voorbeelden waarmee wij onszelf moeten verbeteren.

Hjj openbaart Gods heilsplan in Christus.

Hij is de sleutel tot de Schrift. Hij is het onderwerp van de profetie, de vervulling van de beloften, de inhoud van de typen en het middelpunt van Gods voornemen.

 

Niet alles is rechtstreeks tot ons geschreven

Een belangrijke oorzaak van verwarring is dat men ervan uitgaat dat iedere Bijbeltekst rechtstreeks over de christelijke gemeente spreekt.

Maar de Bijbel richt zich tot verschillende groepen en spreekt over verschillende tijden, verbonden en verantwoordelijkheden.

Israël is niet hetzelfde als de Gemeente.

De wet van Mozes is niet de leefregel voor het lichaam van Christus.

Profetieën over het land, Jeruzalem en de troon van David mogen niet zomaar op de kerk worden toegepast.

Alles in de Bijbel is voor ons onderwijs geschreven, maar niet alles is rechtstreeks aan ons gericht.

Paulus vermaant Timotheüs:

“Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt” (2 Timotheüs 2:15, STV).

Het Woord recht snijden betekent onderscheid maken waar de Schrift onderscheid maakt.

Wanneer alles op één hoop wordt gegooid, ontstaan tegenstrijdigheden. Geboden aan Israël worden aan de Gemeente opgelegd. Aardse beloften worden vergeestelijkt. Profetische oordelen worden op het persoonlijke geloofsleven toegepast. Verzen over het Koninkrijk worden gebruikt voor kerkelijke ambities.

Daarna zegt men dat de Bijbel moeilijk is.

Maar de verwarring is niet door de Schrift veroorzaakt.

De Bijbel corrigeert ook

Echte Bijbelstudie kan confronterend zijn. Wie werkelijk onderzoekt wat er staat, zal ontdekken dat sommige vertrouwde overtuigingen niet houdbaar zijn.

Dat kan pijn doen.

Mensen zijn vaak emotioneel verbonden met hun kerkelijke achtergrond, geliefde predikers en aangeleerde leerstellingen. Wanneer een Bijbeltekst daarmee botst, ontstaat de verleiding om de tekst aan te passen.

Men vergeestelijkt wat er letterlijk staat.

Men verklaart een duidelijke uitspraak tijdgebonden.

Men zegt dat de oorspronkelijke taal eigenlijk iets anders bedoelt.

Men beroept zich op traditie.

Men beweert dat het onderwerp te ingewikkeld is.

Maar soms is de tekst niet ingewikkeld. Soms is hij vooral ongewenst duidelijk.

De vraag is dan niet of wij de Bijbel begrijpen, maar of wij bereid zijn hem te geloven.

 

Begin gewoon bij wat geschreven staat

Wie de Bijbel wil begrijpen, moet eenvoudig beginnen:

Lees wat er staat.

Lees het in zijn verband.

Vergelijk het met andere Schriftplaatsen.

Let op tot wie gesproken wordt.

Maak onderscheid tussen Israël, de volkeren en de Gemeente.

Maak onderscheid tussen wet en genade.

Maak onderscheid tussen profetie en verborgenheid.

Laat duidelijke Schriftplaatsen licht werpen op moeilijkere gedeelten.

En wees bereid om menselijke tradities los te laten wanneer zij met de Schrift in strijd blijken te zijn.

De Bijbel hoeft geen gesloten boek te blijven.

God heeft Zijn Woord niet gegeven om Zijn waarheid voor gelovigen te verbergen. Hij heeft het gegeven om Zichzelf, Zijn Zoon en Zijn voornemen bekend te maken.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad” (Psalm 119:105, STV).

Een lamp is niet bedoeld om duisternis te veroorzaken.

Een licht is niet bedoeld om mensen te laten verdwalen.

 

Niet de Bijbel, maar onze bril is vaak het probleem

Is de Bijbel echt een moeilijk boek?

Sommige gedeelten vragen zeker zorgvuldige studie. Niet iedere tekst is onmiddellijk eenvoudig. Maar dat is iets anders dan beweren dat de Bijbel als geheel onbegrijpelijk is.

De grootste hindernis is vaak niet de tekst, maar onze houding tegenover de tekst.

Wij willen bevestigd worden, maar niet gecorrigeerd.

Wij willen troost, maar geen leer.

Wij willen toepassingen, maar geen nauwkeurige uitleg.

Wij willen een krachtige boodschap, maar niet altijd weten wat er werkelijk geschreven staat.

Zolang die houding niet verandert, blijft de Bijbel voor ons gesloten.

Niet omdat God niet duidelijk gesproken heeft, maar omdat wij weigeren werkelijk te luisteren.

Leg daarom de kerkelijke bril af. Leg populaire slogans terzijde. Laat menselijke systemen niet bepalen wat de Schrift mag zeggen.

Open de Bijbel.

Lees aandachtig.

Onderzoek dagelijks.

Vergelijk Schrift met Schrift.

En laat het Woord van God het laatste woord hebben.

 

Christus niet meer naar het vlees kennen

Waarom 2 Korinthe 5:16 veel modern christendom ontmaskert

 

“Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

Wat betekent het dat wij Christus niet meer naar het vlees kennen?

Het is een van de scherpste en meest ingrijpende uitspraken van de apostel Paulus. Toch wordt 2 Korinthe 5:16 opvallend weinig uitgelegd. Dat is niet zo vreemd. Dit vers past namelijk slecht binnen een christendom dat vooral oproept om “Jezus te volgen”, “te leven zoals Jezus” en “te doen wat Jezus deed”.

Paulus zegt niet dat wij Christus steeds beter naar het vlees moeten leren kennen. Hij zegt precies het tegenovergestelde:

“Nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

Dat is geen terloopse opmerking. Het is de noodzakelijke consequentie van Christus’ dood, opstanding en verhoging.

De Here Jezus Christus is niet meer in de vernederde positie waarin Hij tijdens Zijn aardse bediening verkeerde. Hij is opgewekt uit de doden, verheerlijkt en gezeten aan de rechterhand Gods.

Wie uitsluitend blijft spreken over de aardse Jezus van Nazareth, maar weinig weet te zeggen over de opgestane en verheerlijkte Christus, blijft halverwege het Evangelie steken.

Christus niet meer naar het vlees kennen
Christus niet meer naar het vlees kennen

 

“Zo dan”: de conclusie van dood en opstanding

Vers 16 begint met de woorden “Zo dan”. Paulus trekt een conclusie uit wat hij in de voorgaande verzen heeft gezegd:

“Want de liefde van Christus dringt ons; als die dit oordelen, dat, indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.” (2 Korinthe 5:14-15, STV)

De gedachte is duidelijk.

Christus is gestorven. Daarom en daarmee is het oordeel over de oude mens voltrokken.

Christus is opgewekt. Daarom leven degenen die door het geloof aan Hem deelhebben niet langer voor zichzelf, maar voor Hem Die gestorven en opgewekt is.

Het christenleven wordt niet geleefd voor een gestorven godsdienststichter of een inspirerende rabbi uit het verleden. Het wordt geleefd voor en door de levende en verheerlijkte Christus.

Paulus wijst niet alleen terug naar Golgotha. Hij richt onze blik omhoog, naar Christus aan de rechterhand Gods.

Daarom volgt onmiddellijk:

“Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

De opstanding van Christus heeft alles veranderd.

 

Wat betekent Christus naar het vlees kennen?

Iemand naar het vlees kennen, betekent dat wij hem beoordelen vanuit zijn natuurlijke en aardse positie. Wij kijken dan naar afkomst, uiterlijk, maatschappelijke status, prestaties, menselijke relaties en zichtbare omstandigheden.

Paulus kende deze manier van beoordelen maar al te goed. Naar het vlees kon hij zich beroemen op zijn afkomst, zijn besnijdenis, zijn godsdienstige ijver en zijn gehoorzaamheid aan de wet.

Maar nadat hij de verheerlijkte Christus had leren kennen, verloor al die natuurlijke roem haar waarde.

Ook Christus kon naar het vlees gekend worden.

Hij werd geboren uit een vrouw en geboren onder de wet. Hij was naar het vlees uit het zaad van David. Hij wandelde door het land Israël, sprak tot de verloren schapen van het huis Israëls en presenteerde Zich aan dat volk als de beloofde Messias.

Hij werd veracht, verworpen, bespot en gekruisigd.

Dat is echt gebeurd. Maar dat is niet meer Zijn huidige positie.

De verworpen Jezus van Nazareth is opgewekt uit de doden. De Man van smarten is met eer en heerlijkheid gekroond. Hij is verhoogd tot de rechterhand Gods en is het Hoofd van Zijn Gemeente.

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” (Handelingen 2:36, STV)

Dezelfde Jezus Die gekruisigd werd, is nu de verheerlijkte Heer.

Wie Christus niet meer naar het vlees kent, ontkent Zijn aardse leven niet. Hij erkent juist waar dat leven op uitliep: het kruis, de opstanding, de hemelvaart en de verhoging.

 

Vers 16 maakt de Evangeliën niet onbelangrijk

Sommigen zullen tegenwerpen dat deze uitleg de aardse bediening van de Here Jezus Christus minder belangrijk maakt. Dat is niet het geval.

De vier Evangeliën zijn geïnspireerd Woord van God. Zij openbaren Wie de Here Jezus is, tonen de vervulling van de profetieën en beschrijven Zijn lijden, sterven en opstanding.

Maar de Evangeliën eindigen niet bij Bethlehem, de Bergrede of de wonderen. Zij werken doelgericht naar het kruis en het geopende graf.

Wie uit de Evangeliën slechts een tijdloze verzameling leefregels maakt en vervolgens de opstanding en de apostolische brieven naar de achtergrond schuift, leest de Evangeliën verkeerd.

De aardse bediening van Christus vond plaats binnen een concrete Bijbelse context.

Hij kwam tot Israël.

Hij stond onder de wet.

Hij verkondigde het nabijgekomen Koninkrijk.

Hij werd als Messias aan Israël voorgesteld.

Na Zijn verwerping, dood, opstanding en hemelvaart is een nieuwe situatie aangebroken. De verheerlijkte Christus bouwt Zijn Gemeente en vormt uit gelovigen één lichaam.

Wie dit onderscheid negeert, haalt Israël en de Gemeente, wet en genade, Koninkrijk en Lichaam van Christus onvermijdelijk hopeloos door elkaar.

 

Het probleem met “doen wat Jezus deed”

Binnen evangelische en vooral charismatische kringen klinkt voortdurend de oproep om “te doen wat Jezus deed”.

Dat klinkt geestelijk. Het is echter leerstellig buitengewoon slordig.

Jezus genas zieken. Dus zouden gelovigen zieken moeten genezen.

Jezus dreef demonen uit. Dus zou iedere christen demonen moeten uitdrijven.

Jezus verkondigde het nabijgekomen Koninkrijk. Dus zou de Gemeente het Koninkrijk op aarde moeten vestigen, uitbreiden of zichtbaar maken.

Jezus wandelde ook op water. Merkwaardig genoeg wordt juist dat onderdeel meestal niet als algemene opdracht gepresenteerd.

Men selecteert uit de aardse bediening van Christus precies die onderdelen waarmee moderne bedieningen, machtsaanspraken en wonderclaims kunnen worden gelegitimeerd.

Het probleem is niet dat men de Here Jezus te serieus neemt. Het probleem is dat men Zijn aardse bediening uit haar Bijbelse verband trekt.

Paulus zegt niet dat wij de aardse bediening van Jezus moeten kopiëren. Hij schrijft:

“Nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

De gelovige leeft niet door een uitwendige imitatie van Christus’ aardse optreden. Hij leeft uit de gemeenschap met de opgestane Christus.

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.” (Galaten 2:20, STV)

Dat is iets heel anders dan religieus gedrag of nog erger toneelspel.

Het christelijke leven is niet het vlees dat zo goed mogelijk probeert Jezus na te doen. Het is nieuw leven dat voortkomt uit de opgestane Christus.

 

De vele zelfgemaakte Jezussen

Tweede Korinthe 5:16 ontmaskert de vele vervormingen van Jezus die binnen kerk en samenleving populair zijn geworden.

Er is een sociale Jezus, Die voornamelijk wordt voorgesteld als activist en wereldverbeteraar.

Er is een therapeutische Jezus, Die vooral zou bestaan om mensen zelfvertrouwen, emotionele bevestiging en een prettig gevoel te geven.

Er is een charismatische Jezus, Wiens tekenen uit hun Messiaanse verband worden losgemaakt om moderne genezers, apostelen en profeten van een Bijbels aureool te voorzien.

Er is een historische Jezus, Die door Schriftkritiek wordt teruggebracht tot een Joodse prediker over Wie Zijn volgelingen later overdreven verhalen zouden hebben verteld.

Er is zelfs een sentimentele Jezus, Die eeuwig als Kind in de kribbe ligt of machteloos aan het kruis blijft hangen.

 

Maar de Schrift laat Hem niet in Bethlehem, Nazareth of op Golgotha achter.

Hij is opgewekt.

Hij leeft.

Hij is verheerlijkt.

Hij is Hogepriester.

Hij is het Hoofd van Zijn Gemeente.

Hij zal wederkomen.

Wie Hem uitsluitend beschouwt als de vriendelijke rabbi, de revolutionaire leraar, een belangrijke profeet, de morele voorbeeldfiguur of de wonderdoener uit Galiléa, kent Christus nog steeds voornamelijk naar het vlees.

 

Waarom ‘rodeletterchristendom’ tekortschiet

Sommige christenen spreken over de rechtstreeks uitgesproken woorden van Jezus in de Evangeliën alsof die belangrijker zouden zijn dan de rest van het Nieuwe Testament.

De woorden van Jezus worden in sommige Bijbels rood afgedrukt. Dat kan typografisch handig zijn, maar er schuilt een leerstellig gevaar in wanneer men denkt dat deze woorden meer gezag  zouden hebben dan de apostolische brieven.

De woorden die de Here Jezus Christus tijdens Zijn aardse bediening sprak, zijn het Woord van God.

Maar de woorden die Hij na Zijn hemelvaart door de apostelen bekendmaakte, zijn dat ook.

Paulus heeft zijn Evangelie niet zelf bedacht. Hij ontving zijn boodschap door openbaring van de verheerlijkte Christus.

“Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens. Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.” (Galaten 1:11-12, STV)

Wie zegt dat hij “alleen de woorden van Jezus” wil volgen en daarom Paulus relativeert, luistert juist niet naar de Here Jezus.

Hij verwerpt de openbaring die Christus na Zijn hemelvaart Zelf heeft gegeven.

Christus niet meer naar het vlees kennen betekent daarom ook dat wij Hem niet opsluiten in de periode van Zijn aardse omwandeling.

 

Wij kennen ook niemand meer naar het vlees

Paulus zegt niet alleen dat hij Christus niet meer naar het vlees kent. Hij schrijft eerst:

“Wij kennen van nu aan niemand naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

Ook onze kijk op andere gelovigen verandert dus fundamenteel.

Binnen de Gemeente zijn natuurlijke afkomst, maatschappelijke positie, bezit, opleiding, welsprekendheid en menselijk aanzien niet bepalend voor iemands positie voor God.

De wereld beoordeelt mensen naar het vlees. Helaas doet veel kerkelijk christendom hetzelfde.

Men kijkt naar diploma’s, functies, titels, charisma, bezoekersaantallen, mediabereik en organisatorisch succes. Zo ontstaan christelijke beroemdheden, onaantastbare leiders en religieuze machtsstructuren.

Maar God ziet de gelovige in Christus.

De gelovige is niet waardevol omdat hij indrukwekkend is naar het vlees. Hij is begenadigd in de Geliefde. Hij is met Christus levend gemaakt en opgewekt.

Dat sluit menselijke roem uit.

“Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.” (1 Korinthe 1:29, STV)

De Gemeente is geen podium waarop indrukwekkende mensen hun natuurlijke talenten etaleren. Zij is het Lichaam waarvan Christus het Hoofd is.

 

Een nieuwe schepping

Vers 16 loopt rechtstreeks over in vers 17:

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17, STV)

Opnieuw gebruikt Paulus de woorden “Zo dan”.

Omdat wij Christus niet meer naar het vlees kennen, gaat het niet om de verbetering van de oude schepping. Het gaat om een nieuwe schepping.

God probeert de oude mens niet wat godsdienstiger, fatsoenlijker of geestelijker te maken. De oude mens is met Christus gekruisigd.

Het vlees wordt niet opgevoed tot geestelijkheid. Wat uit het vlees geboren is, blijft vlees.

“Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.” (Johannes 3:6, STV)

Het Evangelie is daarom geen programma voor zelfverbetering.

Het is de bekendmaking dat God in Christus iets volkomen nieuws tot stand heeft gebracht.

De gelovige is niet maar een verbeterde versie van zijn oude bestaan. Hij is een nieuw schepsel in Christus.

Zijn positie wordt niet langer bepaald door wat hij in Adam was, maar door Wie Christus nu is.

 

Niet terug naar Nazareth, maar omhoog naar Christus

De Bijbelse richting is niet terug naar de aardse bediening van Jezus, alsof kruis en opstanding slechts de tragische afsluiting van Zijn levensverhaal waren.

De richting is omhoog:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” (Kolossenzen 3:1, STV)

Dáár is Christus.

Niet meer in de kribbe.

Niet meer wandelend langs het meer van Galiléa.

Niet meer onder de wet.

Niet meer hangend aan het kruis.

Hij is opgestaan en verheerlijkt.

Wij kijken niet terug naar een aardse Jezus om Zijn bediening na te spelen. Wij zien omhoog naar het Hoofd, uit Wie het gehele Lichaam leeft.

Dat is geen ontkenning van Zijn mensheid. Ook nu is Hij de Mens Christus Jezus:

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” (1 Timotheüs 2:5, STV)

Maar Hij bevindt Zich niet meer in Zijn vroegere vernederde positie. Hij is de verheerlijkte Mens aan de rechterhand Gods.

 

Veel christendom blijft bij het kruis staan

Een groot deel van het christendom weet veel te zeggen over de geboorte en de dood van Christus, maar opvallend weinig over Zijn huidige werk.

Men spreekt over wat Hij tweeduizend jaar geleden deed, maar nauwelijks over wat Hij nu doet als Hoofd, Hogepriester en Voorspraak.

Daardoor blijft de gelovige voortdurend rond het kruis cirkelen. Hij blijft zichzelf aanklagen, probeert zijn vlees te verbeteren en zoekt telkens opnieuw verzoening alsof Christus steeds opnieuw zou moeten sterven.

Maar Christus is eenmaal gestorven en voor altijd opgewekt.

Hij leeft om de Zijnen te dienen, te bewaren en tot volwassenheid te brengen.

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” (Hebreeën 7:25, STV)

Het Evangelie eindigt niet bij de woorden: Christus is gestorven.

Het verkondigt ook dat Christus is opgewekt, verhoogd en leeft.

 

Welke Jezus kennen wij?

De beslissende vraag is niet alleen of wij in Jezus geloven.

De vraag is ook: Welke Jezus kennen wij?

Kennen wij Hem uitsluitend als het Kind van Bethlehem?

Als de rabbi uit Nazareth?

Als de genezer uit Galiléa?

Als de lijdende Man aan het kruis?

Of kennen wij Hem als de opgestane en verheerlijkte Heer, het Hoofd van een nieuwe schepping?

Wie Christus uitsluitend naar het vlees kent, zal ook proberen het christelijke leven naar het vlees te leven. Hij zal vertrouwen op zelfverbetering, religieuze prestaties, zichtbare wonderen, menselijke leiders en aardse invloed.

Wie Christus als de Opgestane kent, leert leven uit Zijn leven.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17, STV)

Daar ligt de breuklijn.

Niet Adam 2.0, maar een nieuw schepsel.

Niet  wet, maar genade.

Niet uitwendige imitatie, maar innerlijk leven.

Niet een Jezus Die wij aanpassen aan onze eigen tijd, verlangens en kerkelijke programma’s, maar de Here Jezus Christus zoals Hij nu werkelijk is: opgewekt, verheerlijkt en gezeten aan de rechterhand Gods.

 

Wij kennen Christus niet meer naar het vlees.

En juist daarom kunnen wij Hem echt kennen.

zie ook:

Jezus volgen… – Bijbelse basis

 

Wanneer het volmaakte gekomen is

Profetie en tongentaal zijn niet het bewijs van geestelijke volwassenheid

1 Korinthe 13 leert niet dat profetie en tongentaal het hoogtepunt van geestelijk leven vormen. Paulus noemt deze gaven tijdelijk en gedeeltelijk. De liefde blijft, maar profetieën worden tenietgedaan en talen zullen ophouden.

In charismatische kringen worden tongentaal, profetische woorden en bovennatuurlijke kennis vaak gepresenteerd als kenmerken van een krachtige, volwassen en Geestvervulde gemeente. Wie niet in tongen spreekt, geen persoonlijke profetieën ontvangt en geen bovennatuurlijke indrukken doorgeeft, zou geestelijk iets missen.

Maar wie 1 Korinthe 13 zorgvuldig leest, ontdekt precies het tegenovergestelde.

Paulus presenteert profetie, talen en bijzondere kennis niet als het einddoel van geestelijke groei. Hij noemt ze tijdelijk, gedeeltelijk en voorbijgaand. Niet de spectaculaire gave blijft bestaan, maar de liefde.

“De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen tenietgedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:8, STV)

Dat is geen aanbeveling om de gemeente voortdurend afhankelijk te maken van nieuwe profetieën. Het is een aankondiging dat deze gaven hun tijdelijke functie zullen verliezen.

 

Het volmaakte in 1 Korinthe 13
Het volmaakte in 1 Korinthe 13

De liefde blijft, de gaven verdwijnen

De tegenstelling in dit gedeelte is glashelder. De liefde vergaat nimmermeer, maar profetieën worden tenietgedaan, talen houden op en kennis wordt tenietgedaan.

Paulus verdeelt de genoemde zaken daarmee in twee categorieën.

Aan de ene kant staat de liefde. Zij behoort tot het blijvende leven uit God. Aan de andere kant staan profetieën, talen en bijzondere kennis. Zij waren nuttig en door God gegeven, maar hadden een tijdelijke en dienende functie.

Toch heeft een groot deel van de charismatische beweging de nadruk precies omgekeerd. De aandacht verschuift van de liefde van Christus naar de vermeende geestelijke beleving van de mens. Het draait om wat iemand voelde, hoorde, zag, droomde of innerlijk meende te ontvangen.

Daarmee wordt het tijdelijke verheven boven het blijvende.

De vraag is niet langer of Christus wordt verheerlijkt, of de Schrift recht wordt uitgelegd en of gelovigen wandelen in liefde. De vraag wordt of er “iets gebeurt”, of iemand “een woord heeft” en of de samenkomst als bovennatuurlijk wordt ervaren.

Maar geestelijke sensatie is geen bewijs van geestelijke volwassenheid.

 

De Korinthiërs waren begaafd, maar onvolwassen

De gemeente in Korinthe ontbrak het niet aan geestelijke gaven. Toch beschreef Paulus deze gelovigen als vleselijk en als kinderen in Christus. Er waren partijschappen, hoogmoed, wanorde, zedelijke misstanden en onderlinge rechtszaken.

Dat gegeven alleen al ontmaskert de populaire gedachte dat het functioneren van spectaculaire gaven bewijst dat een gemeente geestelijk volwassen is.

Korinthe had gaven in overvloed, maar een schrijnend gebrek aan volwassenheid.

Daarom staat 1 Korinthe 13 niet toevallig tussen de hoofdstukken over geestelijke gaven. Paulus onderbreekt zijn onderwijs niet om een romantisch gedicht over liefde te schrijven. Hij legt de bijl aan de wortel van hun geestelijke hoogmoed.

Zonder liefde waren hun indrukwekkende uitingen niets.

Een mens kan in talen spreken, profeteren, verborgenheden weten en over grote kennis beschikken, maar zonder liefde blijft hij geestelijk leeg. De gave maakt hem niet groot. De liefde van Christus moet zichtbaar worden in zijn wandel.

Wij kennen en profeteren ten dele

Paulus vervolgt:

“Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele; doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten dele is, tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:9-10, STV)

Profetie en kennis worden hier nadrukkelijk als gedeeltelijk beschreven. Zij gaven geen zelfstandige, volledige en definitieve openbaring van Gods waarheid. Zij brachten delen over binnen een periode waarin de apostolische openbaring nog niet voltooid was.

Dat is van groot belang.

De vroege gemeente beschikte nog niet over het volledige Nieuwe Testament zoals wij dat kennen. De apostelen leefden nog. De apostolische leer werd mondeling verkondigd, door bijzondere tekenen bevestigd en vervolgens schriftelijk vastgelegd.

De bijzondere openbaringsgaven hadden binnen die situatie een duidelijke functie. Maar een tijdelijke functie moet niet kunstmatig tot een blijvende kerkelijke structuur worden gemaakt.

Wat gedeeltelijk is, wijst vooruit naar wat volledig is.

Wat een fundament legt, wordt niet in iedere generatie opnieuw gelegd.

En wat God eenmaal gezaghebbend heeft geopenbaard, hoeft niet voortdurend te worden aangevuld door mensen die zeggen: “God vertelde mij…”

Wat is “het volmaakte”?

Over de precieze betekenis van “het volmaakte” bestaan verschillende uitleggingen. Sommigen denken uitsluitend aan de voltooiing van de Schrift. Anderen betrekken het op de uiteindelijke verheerlijking van de gelovige bij Christus.

Het gebruikte woord draagt de betekenis van voltooid, volgroeid of tot zijn bestemming gekomen. Paulus werkt dat uit met het beeld van een kind dat volwassen wordt:

“Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik tenietgedaan hetgeen eens kinds was.” (1 Korinthe 13:11, STV)

Het contrast is dat tussen het kinderlijke en het volwassen geworden leven. Het gedeeltelijke behoort bij een onvoltooide toestand. Het volmaakte of volgroeide maakt het gedeeltelijke overbodig.

De uiteindelijke vervulling ligt zonder twijfel in de volkomen toestand bij Christus:

“Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.” (1 Korinthe 13:12, STV)

Toch betekent dit niet dat iedere bijzondere gave noodzakelijk tot dat uiterste moment moet blijven functioneren. Paulus zegt dat het gedeeltelijke zal verdwijnen wanneer het zijn functie heeft vervuld. Wanneer en hoe dat historisch gebeurt, moet uit het bredere onderwijs van het Nieuwe Testament worden afgeleid.

Eén ding staat echter vast: dit gedeelte biedt geen enkele grond om profetie en tongentaal tot blijvende kenmerken van een volwassen gemeente te verklaren.

Het leert juist dat zij tot het gedeeltelijke en tijdelijke behoren.

Bovendien houdt de apostel Paulus gelovigen in Christus het volgende voor:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (Kollossenzen 2:10, STV)

Let op dat er niet staat dat dat in de toekomst pas zo zal zijn!

De Schrift is geen aanzet tot voortdurende aanvulling

Hier ligt het fundamentele probleem van de hedendaagse profetische beweging. Men belijdt vaak formeel dat de Bijbel het Woord van God is, maar voegt in de praktijk voortdurend nieuwe boodschappen toe.

Men noemt die boodschappen misschien niet gelijkwaardig aan de Schrift. Men zegt dat zij “getoetst” moeten worden. Maar ondertussen worden zij wel ingeleid met uitspraken als:

“God zegt tegen jou…”

“De Heer liet mij zien…”

“Ik hoorde in mijn geest…”

“Dit is een profetisch woord voor deze tijd…”

Dat taalgebruik claimt Goddelijk gezag. Wie beweert dat God gesproken heeft, doet meer dan een menselijke gedachte of bemoediging delen. Hij legt zijn woorden feitelijk in de mond van God.

Daar helpt een vrome disclaimer achteraf niet tegen.

Wanneer zo’n profetie niet uitkomt, vaag blijft of aantoonbaar verkeerd blijkt te zijn, wordt zelden geconcludeerd dat de spreker ten onrechte namens God heeft gesproken. Men zegt dan dat de ontvanger het verkeerd begreep, dat de omstandigheden veranderden of dat de profetie “voorwaardelijk” was.

Zo wordt de profeet beschermd en de hoorder belast.

Dat is niet nederig. Dat is geestelijke manipulatie.

Moderne profetie is meestal oncontroleerbaar

Bijbelse profetie was geen verzameling voorzichtige indrukken die achteraf alle kanten op konden worden uitgelegd. Wanneer God sprak, sprak Hij waarheid.

De moderne profetische praktijk bestaat daarentegen vaak uit algemeenheden:

“Er komt een nieuw seizoen.”

“God gaat deuren openen.”

“Je hebt een roeping op je leven.”

“Er komt herstel.”

“God heeft meer voor je.”

Dergelijke uitspraken klinken geestelijk, maar zijn meestal zo vaag dat zij nauwelijks getoetst kunnen worden. Ze kunnen op bijna iedereen worden toegepast. Wanneer er iets positiefs gebeurt, wordt dat als vervulling gezien. Wanneer er niets gebeurt, wordt de boodschap vergeten.

Dit is geen Bijbelse profetie. Het is religieus verpakte suggestie.

Het gevaar wordt groter wanneer zulke woorden beslissingen over relaties, gezondheid, werk, geld of gemeentekeuze gaan beïnvloeden. Dan wordt een menselijke indruk voorzien van Goddelijk gewicht.

Mensen durven niet meer vrij en verantwoordelijk te handelen, omdat iemand heeft gezegd dat “God een plan heeft laten zien”.

De vermeende profetie bindt dan het geweten waar de Schrift dat niet doet.

Tongentaal is geen keurmerk van de Heilige Geest

Hetzelfde geldt voor tongentaal. In sommige kringen wordt spreken in tongen voorgesteld als noodzakelijk bewijs van de doop of vervulling met de Heilige Geest.

Maar Paulus zegt niet dat alle gelovigen in talen spreken. Hij stelt juist retorische vragen waaruit blijkt dat niet iedereen dezelfde gave ontving. Bovendien zegt hij in 1 Korinthe 13 uitdrukkelijk dat talen zullen ophouden.

Een gave die niet aan iedere gelovige werd gegeven en waarvan de Schrift zegt dat zij zal ophouden, kan onmogelijk het universele bewijs zijn dat iemand de Heilige Geest heeft ontvangen.

De gelovige wordt niet door tongentaal verzegeld, maar door de Heilige Geest Zelf. Hij behoort niet tot Christus omdat hij een bepaalde ervaring heeft gehad, maar omdat hij het Evangelie heeft geloofd.

Wie tongentaal als geestelijk keurmerk gebruikt, schept twee groepen christenen: gewone gelovigen en zogenaamd Geestvervulde gelovigen.

Dat onderscheid kent de Schrift niet.

Het veroorzaakt geestelijke onzekerheid, imitatie en groepsdruk. Mensen proberen klanken voort te brengen omdat hun geleerd is dat zij zich moeten “openstellen”. Vervolgens wordt de aangeleerde uiting als bovennatuurlijke gave bevestigd.

Dat is geen werking van de Geest, maar psychologische beïnvloeding.

Liefde betekent niet dat dwaling ongemoeid moet blijven

Een veelgebruikt verweer luidt dat kritiek op charismatische praktijken liefdeloos zou zijn. Maar liefde betekent niet dat verkeerde leringen vriendelijk mogen blijven voortwoekeren.

Bijbelse liefde verheugt zich niet in ongerechtigheid, maar in de waarheid.

Een leer die gelovigen afhankelijk maakt van profeten, indrukken, ervaringen en bijzondere bedieningen moet worden weersproken. Niet omdat wij mensen willen beschadigen, maar omdat mensen beschermd moeten worden tegen geestelijke afhankelijkheid.

Juist liefde vraagt om duidelijkheid.

Het is niet liefdevol om iemand te laten geloven dat God hem persoonlijk iets heeft beloofd wanneer God dat niet in Zijn Woord heeft beloofd. Het is niet liefdevol om iemand met een ziekte jarenlang te laten wachten op een aangekondigde genezing. Het is niet liefdevol om twijfel aan een menselijke profetie gelijk te stellen aan ongeloof tegenover God.

Waar menselijke woorden Goddelijk gezag krijgen, moet de Schrift scherp worden geopend.

Geestelijke volwassenheid zoekt geen nieuwe stemmen

De volwassen gelovige leeft niet van steeds nieuwe openbaringen, maar groeit in de kennis van het reeds geopenbaarde Woord.

Hij vraagt niet voortdurend: “Heeft God vandaag nog iets nieuws tegen mij gezegd?”

Hij vraagt: “Wat heeft God in Zijn Woord gezegd, en wandel ik daarnaar?”

Dat is minder spectaculair. Het levert misschien geen indrukwekkende verhalen op. Maar het is veilig, nuchter en Bijbels.

De Heilige Geest leidt de gelovige niet weg van de Schrift naar een wereld van oncontroleerbare indrukken. Hij opent het verstand voor het Woord, verheerlijkt Christus en brengt de waarheid in herinnering.

Wie telkens nieuwe boodschappen nodig heeft, toont daarmee niet noodzakelijk geestelijke rijkdom. Het kan juist wijzen op ontevredenheid met wat God reeds heeft gegeven.

De Bijbel wordt dan de achtergrond, terwijl persoonlijke ervaring de feitelijke leiding overneemt.

Het tijdelijke mag en kan nooit de plaats van Christus innemen

Paulus eindigt niet met profetie, talen of bijzondere kennis. Hij eindigt met geloof, hoop en liefde:

“En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.” (1 Korinthe 13:13, STV)

Niet de profeet blijft. Niet de tongenspreker blijft. Niet de geestelijke sensatie blijft.

De liefde blijft.

Daarmee ontmaskert 1 Korinthe 13 een geloofsbeleving die haar identiteit zoekt in tekenen, manifestaties en ervaringen. De gemeente wordt niet volwassen door steeds meer bovennatuurlijke verschijnselen. Zij groeit door de kennis van Christus, door het Woord en door een wandel die overeenkomt met haar hemelse roeping.

 

Profetieën zullen tenietgedaan worden.

Talen zullen ophouden.

Gedeeltelijke kennis zal verdwijnen.

Maar de liefde van Christus vergaat nimmermeer.

Wie daarom het tijdelijke tot hoofdzaak maakt, mist de hoofdzaak. En wie voortdurend om nieuwe woorden vraagt, loopt het gevaar het geschreven Woord naar de achtergrond te schuiven.

De volwassen gemeente jaagt niet naar religieuze sensatie. Zij blijft bij de waarheid die God heeft geopenbaard en verheerlijkt Hem Die het levende Woord is: de Here Jezus Christus.

zie ook: Is ‘het volmaakte’ gekomen? – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights