Bijbels toetsen is geen ongeloof

Sterker nog, het is een Bijbelse opdracht

Bijbels toetsen, of moet je alles geloven wat ‘van God’ komt?

Er is iets merkwaardigs aan de hand in bepaalde christelijke kringen. Bijbels toetsen wordt daar soms bijna als een teken van ongeloof beschouwd.

Zodra iemand zegt:

“God heeft mij laten zien…”

“De Heilige Geest zei tegen mij…”

“Ik ontving een profetisch woord…”

“Hier rust een bijzondere zalving op…”

lijkt daarmee elk kritisch onderzoek beëindigd te moeten zijn.

Wie vervolgens de eenvoudige vraag stelt:

“Waar staat dat eigenlijk in de Bijbel?”

kan zomaar worden weggezet als kritisch, verstandelijk, ongelovig of zelfs ongeestelijk.

Maar volgens de Bijbel is juist het tegenovergestelde waar.

Geestelijke claims toetsen is geen ongeloof, maar gehoorzaamheid aan Gods Woord

De Schrift draagt christenen op om leringen, profetieën en geestelijke verschijnselen te beproeven. Juist wanneer iemand beweert dat iets rechtstreeks van God afkomstig is, behoort de gelovige niet minder, maar méér onderscheidingsvermogen te gebruiken.

onderzoek alle digen , behoudt het goede
Toetsen is een must

Bijbels toetsen is een opdracht van God

Paulus schrijft:

“Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:20-21, STV)

Dat is heel mooi in evenwicht.

Paulus zegt niet dat alles onmiddellijk verworpen moet worden. Maar hij zegt evenmin dat alles onmiddellijk moet worden aangenomen.

Beproeft alle dingen.

Daarna pas volgt:

behoudt het goede.

In die volgorde.

Het laatste is onmogelijk zonder het eerste.

Wie alles automatisch aanneemt omdat er het etiket “van God” op geplakt wordt, handelt dus niet bijzonder geestelijk. Hij slaat eenvoudig een Bijbelse opdracht over.

De Schrift leert geen goedgelovigheid, maar leert onderscheiding.

 

Beproeft de geesten: niet iedere geest is uit God

Johannes maakt dat nog explicieter:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” (1 Johannes 4:1, STV)

Let vooral op de eerste woorden:

“Gelooft niet…”

Dat klinkt in een tijd waarin “je moet ervoor openstaan” soms bijna als de hoogste geestelijke deugd wordt beschouwd tamelijk nuchter.

Johannes gebiedt niet dat wij iedere geestelijke manifestatie eerst moeten omarmen. Hij zegt dat wij moeten beproeven of zij uit God zijn.

Waarom?

Omdat niet alles wat zich als geestelijk aandient uit God afkomstig is.

Daarmee vallen verschillende populaire argumenten onmiddellijk af.

“Maar ik voelde Gods aanwezigheid.”

“Er hing zo’n enorme kracht.”

“Er gebeurde van alles in de zaal.”

“Mensen vielen op de grond.”

“Iedereen voelde dat God bezig was.”

“Er gebeurden bovennatuurlijke manifestaties”

Dat kan allemaal erg indrukwekkend zijn. Maar geen van die dingen beantwoordt de belangrijkste vraag:

Is het echt uit God?

Een ervaring kan echt zijn zonder dat onze verklaring van die ervaring waar is.

 

Waarom profetie Bijbels getoetst moet worden

Paulus schrijft over de samenkomst:

“En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen.” (1 Korinthe 14:29, STV)

Dat vers alleen al haalt een merkwaardige moderne gedachte onderuit.

Soms wordt namelijk gesuggereerd dat het gevaarlijk zou zijn om een vermeende profetie kritisch te beoordelen. Stel je immers voor dat je iets bekritiseert wat werkelijk van de Heilige Geest afkomstig is.

Maar Paulus redeneert precies andersom.

Omdat iets als profetie wordt uitgesproken, moet het beoordeeld worden.

De uitspraak

“God zegt…”

beëindigt de toetsing dus niet.

Daar begint het.

Dat is logisch. Wie beweert namens God te spreken, legt een buitengewoon zware claim neer. Hij verbindt de Naam en het gezag van God aan zijn eigen woorden.

Zo’n claim vraagt niet om minder onderzoek.

Integendeel, Zo’n claim roept om méér onderzoek.

 

De Bereërs toetsten óók de prediking van Paulus

Een van de mooiste voorbeelden van Bijbels toetsen vinden we in Handelingen:

“En dezen waren edeler dan die te Thessalonica, als die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Wie stond daar te prediken?

Paulus.

Geen willekeurige internetprediker. Geen zelfbenoemde omhooggevallen moderne apostel. Geen rondreizende conferentiespreker met een indrukwekkende titel.

De apostel Paulus.

En de Bereërs onderzochten of hetgeen hij verkondigde overeenkwam met de Schriften.

Lukas verwijt hun dat niet.

Hij noemt hen juist edeler.

Daaruit volgt een buitengewoon gezond principe:

Een betrouwbare Bijbelleraar hoeft niet bang te zijn voor een geopende Bijbel.

Een leraar die de waarheid verkondigt, kan rustig zeggen:

Onderzoek het. Lees de context. Controleer mijn woorden. Kijk of het werkelijk zo geschreven staat.

Waarheid heeft geen beschermingsconstructie tegen onderzoek nodig.

 

Wonderen zijn zeker geen bewijs dat iets ‘van God’ komt

Hier gaat het eveneens regelmatig gierend mis.

Er gebeurt iets buitengewoons. Iemand lijkt genezen. Een voorspelling lijkt uit te komen. Er vindt een indrukwekkende manifestatie plaats.

En vervolgens klinkt:

“Zie je wel? God is hier aan het werk.”

Maar die conclusie is Bijbels gezien veel te snel.

De Here Jezus waarschuwde:

“Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.” (Mattheüs 24:24, STV)

Paulus spreekt zelfs over:

“…alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen.” (2 Thessalonicenzen 2:9, STV)

Een wonderlijk verschijnsel bewijst dus niet automatisch dat God de bron ervan is.

Dat is belangrijk.

Want wanneer het wonder zelf het bewijs wordt dat de boodschap waar is, hebben we de Bijbelse volgorde omgedraaid.

De Schrift zegt niet:

Er gebeuren wonderen, dus geloof de boodschap.

De Schrift waarschuwt ons dat indrukwekkende verschijnselen onderdeel van misleiding kunnen zijn.

Daarom blijft toetsing noodzakelijk.

 

Ook een engel staat niet boven het Evangelie

Paulus drijft het principe in Galaten tot het uiterste:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)

Stel je dat eens voor.

Een bovennatuurlijke verschijning.

Een engel.

Een indrukwekkende boodschap.

Wat moet de gelovige doen?

Niet denken:

Dit is zo bovennatuurlijk dat het wel van God móét zijn.

Zelfs een engel krijgt geen toestemming om de reeds geopenbaarde waarheid terzijde te schuiven.

Daarmee hebben we een fundamenteel uitgangspunt te pakken:

De ervaring beoordeelt niet het Woord. Het Woord beoordeelt de ervaring

Niet de profetie verklaart wat wij moeten geloven.

Niet de droom.

Niet het visioen.

Niet het gevoel.

Niet de manifestatie.

Niet degene die beweert rechtstreeks van God gehoord te hebben.

Gods geopenbaarde Woord is en blijft dé maatstaf

 

‘Raak Gods gezalfde niet aan’ is ook al geen verbod op toetsing

En dan verschijnt soms een van de bijdehandste verdedigingsmechanismen tegen kritische vragen:

“Raak Gods gezalfde niet aan.”

Dat klinkt best wel indrukwekkend.

Maar het wordt problematisch wanneer zo’n uitspraak gebruikt wordt alsof bepaalde leiders daardoor een geestelijke uitzonderingspositie hebben gekregen.

Alsof er een onzichtbaar bordje om hun nek hangt:

NIET CONTROLEREN WANT GODDELIJK BESCHERMD

Geen voorganger, prediker, bijbelleraar, apostel of profeet krijgt echter vrijstelling van:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Ook “gij zult niet oordelen” kan niet als universeel verbod op inhoudelijke beoordeling worden gebruikt. Anders zou Paulus zichzelf tegenspreken wanneer hij ons voorhoudt dat profetische uitspraken door anderen beoordeeld moeten worden.

De Bijbel veroordeelt hypocriet en zelfverheffend veroordelen.

Maar verbiedt geen geestelijke onderscheiding.

De Bijbel gebiedt die.

 

Hoe geestelijker de claim, hoe noodzakelijker de toets

Hier mag het best schuren.

Wanneer iemand zegt:

“Volgens mij betekent deze tekst…”

dan presenteert hij een uitleg die onderzocht kan worden.

Maar wanneer iemand zegt:

“God zei tegen mij dat…”

verandert de zaak.

Want nu wordt Gods eigen gezag verbonden aan menselijke woorden.

Juist daarom zou binnen de Gemeente nooit de regel mogen gelden:

Hoe groter de geestelijke claim, hoe minder vragen je mag stellen.

De Bijbelse houding is precies omgekeerd:

Hoe groter de geestelijke claim, hoe zorgvuldiger en noodzakelijker de toetsing.

Wie zegt namens God te spreken, vraagt niet om minder onderzoek.

Hij geeft juist méér aanleiding tot toetsing.

 

Als Bijbels toetsen als on-geestelijk wordt weggezet

En hier begint het echt ongemakkelijk te worden.

Wat moeten we denken van een geestelijk klimaat waarin mensen geleerd wordt hun verstand / onderscheidingsvermogen uit te schakelen?

Niet nadenken, gewoon ontvangen.

Kom uit je hoofd.

Je verstand zit de Heilige Geest in de weg.

Door jouw kritiek kan God niet werken.

Pas op dat je de Heilige Geest niet bedroeft.

Je moet leren je geestelijke leiders te vertrouwen.

Op zichzelf gezien kunnen achter sommige van deze uitspraken heel andere bedoelingen zitten. Maar zodra zulke taal gebruikt wordt om Bijbelse toetsing te verhinderen, ontstaat er een zeer groot probleem.

Want dan wordt iets wat God gebiedt voorgesteld als iets wat God zou afkeuren.

Dat is wat in goed Nederlands ook wel een contradictio in terminis wordt genoemd

God zegt:

“…beproeft de geesten, of zij uit God zijn…” (1 Johannes 4:1, STV)

Een mens zegt:

“Je moet niet zo kritisch zijn.”

Dan is de vraag uiteindelijk niet zo ingewikkeld:

Naar wie luisteren we?

 

Een bediening die zenuwachtig wordt van toetsing roept vragen op

Dat betekent niet dat iedere hotemetoot die een keer geïrriteerd reageert meteen een valse leraar is.

Maar wanneer een bediening structureel impliciet of expliciet Bijbelse toetsing ontmoedigt, verdient dat zeker aandacht.

Wanneer kritische vragen als rebellie worden beschouwd.

Wanneer een leider niet inhoudelijk hoeft te antwoorden omdat hij zogenaamd bijzonder gezalfd is.

Wanneer profetieën niet achteraf gecontroleerd mogen worden.

Wanneer aantoonbaar niet uitgekomen voorspellingen worden weggemasseerd.

Wanneer persoonlijke openbaringen feitelijk zwaarder wegen dan de Schrift.

Wanneer loyaliteit aan een leider belangrijker wordt dan trouw aan Gods Woord.

Wanneer degene die vragen stelt zelf het probleem wordt.

Dan moeten alle alarmbellen gaan knipperen.

Paulus waarschuwde de oudsten van Efeze:

“Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.” (Handelingen 20:29-30, STV)

Let vooral op die woorden:

“uit uzelven.”

Niet ieder geestelijk gevaar komt van buiten de Gemeente.

Soms komt het van binnenuit.

En soms staat het ook op het podium.

Geestelijke onderscheiding beschermt de Gemeente

Daarom moeten we ophouden Bijbelse toetsing tegenover liefde te plaatsen.

Alsof liefde betekent dat we alles dan maar zouden moeten verwelkomen.

Paulus schrijft over de liefde:

“…zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid.” (1 Korinthe 13:6, STV)

Liefde zonder waarheid verwordt tot sentimentaliteit.

Waarheid zonder liefde kan hard en liefdeloos worden.

Maar liefde en waarheid horen Bijbels bij elkaar.

Wie de Gemeente liefheeft, wil haar niet overleveren aan iedere wind van leer.

Wie broeders en zusters liefheeft, wil niet dat zij afhankelijk worden gemaakt van charismatische persoonlijkheden die zich aan toetsing onttrekken.

En wie de Here liefheeft, wil al helemaal niet dat menselijke gedachten worden verkocht onder het etiket:

“God heeft gesproken.”

Bijbels toetsen is daarom niet persé een aanval.

Het kan juist bescherming zijn.

 

Gods Woord is de maatstaf voor iedere geestelijke claim

Persoonlijk charisma is geen toetssteen.

Een volle zaal is geen toetssteen.

Een grote bediening is geen toetssteen.

Duizenden volgers zijn geen toetssteen.

Emotie is geen toetssteen.

Kippenvel is geen toetssteen.

Een indrukwekkend getuigenis is geen toetssteen.

Een genezingsclaim is geen toetssteen.

Een titel als apostel of profeet is geen toetssteen.

Een vermeende zalving is geen toetssteen.

En

“God zei tegen mij”

is geen bewijs dat God werkelijk gesproken heeft.

De Bereërs:

“…onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen koude, verstandelijke vorm van christendom.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

Want uiteindelijk gaat het niet om de vraag hoeveel indruk iets op ons maakt.

De vraag is:

Is het waar?

 

Beproeft alle dingen en behoudt het goede

Misschien moeten we daarom één tekst gewoon heel groot boven het podium of de kansel hangen:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Niet:

Beproeft alleen wat van buiten onze groep komt.

Niet:

Beproeft iedereen behalve onze favoriete prediker.

Niet:

Beproeft de leer, maar stel geen vragen over onze bijzondere geestelijke ervaringen.

Niet:

Beproeft alles behalve degene die zegt dat God rechtstreeks door hem spreekt.

Niks daarvan.

Er staat:

“alle dingen.”

Bijbels toetsen is dus geen gebrek aan geloof.

Het is juist een uiting van geloof.

We toetsen omdat waarheid ertoe doet. Omdat Gods Naam te heilig is om hem zomaar op iedere menselijke ingeving, indruk, profetie of ervaring te plakken. Omdat de Gemeente te kostbaar is om iedere wind van leer binnen te laten. En omdat God Zelf ons gewaarschuwd heeft dat niet alles wat geestelijk klinkt ook uit Hem afkomstig is.

Daarom blijft de opdracht staan:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

 

Wanneer iemand zegt:

“Dit komt van God.”

hoeft het Bijbelse antwoord niet automatisch

“Amen”

te zijn.

Het mag ook zijn:

“Goed. Dan gaan we het toetsen aan Gods Woord.”

En wanneer iemand daar als door een wesp gestoken op reageert?

Dan is dat geen reden om minder te toetsen.

Dan is het misschien wel reden om nog even wat beter te kijken.

 

Zie ook:

“Krachtige zalving”: is dat eigenlijk wel Bijbels? – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over “de zalving”? – Bijbelse basis

Wanneer ‘zalving’ gezag wordt – Bijbelse basis

Autoriteit, integriteit en de macht van geladen taal – Bijbelse basis

“Raak de gezalfde des Heeren niet aan”? – Bijbelse basis

Profeten zonder toetsing – Bijbelse basis

“Krachtige zalving”: is dat eigenlijk wel Bijbels?

Als Bijbelse woorden een andere betekenis krijgen

“Here, geef een krachtige zalving.”

“Laat Uw zalving vanavond sterk aanwezig zijn.”

“Zalf Uw dienstknecht met een bijzondere zalving.”

“Laat de zalving toenemen.”

 

Het klinkt geestelijk. Het klinkt eerbiedig. Het klinkt zelfs Bijbels.

Er is alleen één probleem:

waar vinden we deze manier van spreken eigenlijk in het Nieuwe Testament?

Het woord zalving is zonder enige twijfel Bijbels. Maar daarmee is niet vanzelf iedere betekenis die wij eraan geven Bijbels.

En daar gaat het in veel hedendaagse charismatische en evangelische prediking nogal mis.

Een Bijbels woord wordt genomen, gevuld met een andere betekenis en vervolgens opnieuw aan de Bijbel teruggegeven. Omdat het woord zelf in de Schrift voorkomt, krijgt de nieuwe betekenis automatisch een Bijbels aureool.

Maar een Bijbels woord gebruiken is nog niet hetzelfde als Bijbels spreken
Geladen woordgebruik in de charismatisch evangelische kerk.
‘Krachtige zalving’

 

Zalving in het Oude Testament

In het Oude Testament heeft zalving een duidelijke plaats. Personen werden met olie gezalfd als teken van afzondering en aanstelling voor een bijzondere taak.

Denk aan David:

“Toen nam Samuël den oliehoorn, en zalfde hem in het midden zijner broederen; en de Geest des HEEREN werd vaardig over David, van dien dag af en voortaan.” (1 Sam. 16:13, STV)

Priesters werden gezalfd. Koningen werden gezalfd. Zalving had te maken met Gods aanstelling en afzondering.

Bovendien wijst het uiteindelijk vooruit naar de Gezalfde: de Messias, de Here Jezus Christus.

Daar ligt dus rijke Bijbelse betekenis.

Maar nergens geeft dat ons automatisch het recht om van zalving een soort geestelijke substantie te maken waarvan de ene christen een klein beetje en de andere een enorme hoeveelheid bezit.

 

Het Nieuwe Testament spreekt opvallend anders

Wie wil weten wat zalving voor gelovigen betekent, kan moeilijk om 1 Johannes heen.

Johannes schrijft:

“Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.” (1 Joh. 2:20, STV)

Let op wat er staat.

Niet:

Jullie moeten de zalving zoeken.

Niet:

Jullie moeten bidden om meer zalving.

Niet:

Jullie moeten iemand vinden die een krachtige zalving draagt.

Niet:

Hopelijk valt vanavond de zalving.

Maar:

“Gij hébt de zalving.”

Even verder wordt het nog duidelijker:

“En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u…” (1 Joh. 2:27, STV)

Dat staat opmerkelijk ver af van het moderne jargon.

De zalving moet niet telkens opnieuw “komen”.

Zij is ontvangen.

De zalving hoeft niet door een bijzondere sfeer te worden opgewekt.

Zij blijft.

De aandacht wordt niet gevestigd op een uitzonderlijk gezalfde leider.

Johannes spreekt zijn lezers als gelovigen aan.

Dat verschil is significant

 

Paulus kent evenmin een elite van “krachtig gezalfden”

Paulus schrijft:

“Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.” (2 Kor. 1:21-22, STV)

Opnieuw dezelfde beweging.

God heeft ons gezalfd.

Paulus maakt er geen geestelijke rangorde van.

Hier staat niet Paulus bovenaan met zalvingsniveau tien, Timotheüs op zeven en de gemiddelde gelovige ergens rond niveau drie.

Het moderne charismatische denken kan echter probleemloos die indruk wekken.

De ene spreker zou “een krachtige zalving” hebben.

Een ander zou “sterk gezalfd” zijn.

Weer iemand anders zou “onder een apostolische zalving” functioneren.

Een aanbiddingsleider kan “een zalving dragen”.

Een samenkomst kan “onder de zalving komen”.

En vervolgens kan die zalving kennelijk nog “toenemen”, “doorbreken”, “vrijkomen” en zelfs op anderen worden “overgedragen”.

Waar staat dit?

Niet: waar kunnen we een tekst vinden waarin het woord zalving voorkomt?

Dat is te gemakkelijk.

De vraag is:

Waar leert het Nieuwe Testament dit concept?

Dat is een heel andere vraag.

 

Zalving wordt een onzichtbare geestelijke brandstof

Hier zit het fundamentele probleem.

In veel hedendaags charismatisch taalgebruik functioneert “zalving” praktisch als een soort geestelijke brandstof

Je kunt er blijkbaar meer of minder van hebben.

Ze kan op iemand rusten.

Ze kan toenemen.

Ze kan een ruimte vullen.

Ze kan op een bediening liggen.

Ze kan worden overgedragen.

Sommige mensen zouden er uitzonderlijk veel van bezitten.

En wanneer een bijeenkomst emotioneel intenser wordt, kan vervolgens worden gezegd:

“De zalving neemt toe.”

Maar wat wordt hier eigenlijk gemeten?

Volume?

Emotie?

Muziek?

Kippenvel?

Mensen die huilen?

Mensen die vallen?

De intensiteit van de spreker?

Een collectieve sfeer?

Zodra een Bijbels toetsbare werkelijkheid wordt vervangen door een subjectief waarneembare “zalving”, ontstaat een levensgroot probleem:

De ervaring begint zichzelf te bewijzen.

Waarom was God krachtig aanwezig?

Omdat we de zalving voelden.

Hoe weten we dat wat we voelden de zalving was?

Omdat God krachtig aanwezig was.

Dat is geen Bijbelse toetsing. Dat is een cirkelredenering.

 

Maar Gods Geest werkt toch met kracht?

Zeker.

En juist daarom moeten we zorgvuldig zijn.

Paulus bidt:

“Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens;” (Ef. 3:16, STV)

Er is dus niets verkeerds aan bidden om kracht van God.

We mogen bidden om wijsheid.

Om vrijmoedigheid.

Om geestelijk inzicht.

Om kracht om te volharden.

Om liefde.

Om vrucht.

Om een geopende deur voor het Woord.

Paulus bidt daar zelf om.

Maar waarom zouden wij dat allemaal moeten hernoemen tot “een krachtige zalving” wanneer de apostelen dat zelf niet doen?

Daar zit het bezwaar.

Niet dat God niet krachtig werkt.

Niet dat de Heilige Geest niet in gelovigen werkt.

Niet dat wij niet afhankelijk zijn van Hem.

Maar dat wij onze eigen geestelijke categorieën bouwen en die vervolgens met Bijbelse woorden bekleden.

 

De Schrift geeft ons veel concretere gebeden

Wanneer Paulus om gebed vraagt, is zijn taal opvallend nuchter.

“Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus…” (Kol. 4:3, STV)

En:

“En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;” (Ef. 6:19, STV)

Dat is opmerkelijk.

Als iemand volgens de moderne maatstaf aanspraak had kunnen maken op een “machtige apostolische zalving”, was het Paulus wel.

Maar wat vraagt Paulus?

Geen dubbele portie.

Geen verse zalving.

Geen activatie.

Geen overdracht.

Geen hogere dimensie.

Geen nieuwe mantel.

Hij vraagt dat God een deur opent en hem vrijmoedigheid geeft om het Woord te spreken.

Misschien is dat minder spectaculair.

Het is wel apostolisch.

 

“Raak Gods gezalfde niet aan”

Hier kan de taal rond zalving zelfs gevaarlijk worden.

Want zodra bepaalde leiders als bijzonder “gezalfd” worden gezien, ontstaat gemakkelijk een geestelijke hiërarchie.

Dan is kritiek op de prediker niet langer gewoon kritiek op zijn uitleg.

Het kan worden voorgesteld als weerstand tegen de zalving.

Een leerstellige toets wordt “kritiek”.

Een kritische vraag wordt “ongeestelijk”.

En in extreme gevallen verschijnt zelfs:

“Raak Gods gezalfde niet aan.”

Een oudtestamentische uitdrukking wordt dan gebruikt als beschermingsschild rond een hedendaagse leider.

Dat is buitengewoon ongezond.

Want het Nieuwe Testament zegt niet dat wij populaire of charismatische leiders moeten beoordelen op de hoeveelheid “zalving” die zij uitstralen.

De toets blijft het Woord.

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thess. 5:21, STV)

Een spreker wordt niet onttrokken aan Bijbelse toetsing doordat mensen tijdens zijn bediening iets bijzonders ervaren.

 

De gevaarlijke verschuiving van Christus naar de drager

Er zit bovendien een merkwaardige ironie in dit hele spreken over “gezalfde mensen”.

Wie is bij uitstek de Gezalfde?

Christus

Dat is letterlijk wat Zijn titel betekent.

En toch kan binnen bepaalde charismatische culturen de aandacht langzaam verschuiven van de Gezalfde naar mensen die beweren een bijzondere zalving te dragen.

Dan wil men naar die spreker.

Naar die conferentie.

Naar die bediening.

Daar “stroomt” iets.

Daar “gebeurt” iets.

Daar is “meer”.

Daar rust “een bijzondere zalving”.

En voordat men het beseft, ontstaat een geestelijke beroemdhedencultuur die zich uitstekend laat verkopen als honger naar God.

Maar de vraag die gesteld moet worden is niet:

Hoe sterk was de zalving?

De vraag moet zijn:

Werd Christus verkondigd en werd het Woord recht gesneden?

Dat is veel minder mysterieus of vaag.

En veel moeilijker te manipuleren.

 

Een krachtige zalving klinkt Bijbelser dan het is

Daarom verdient deze uitdrukking stevige kritiek.

Niet omdat ieder mens die haar gebruikt onmiddellijk verkeerde bedoelingen heeft. Veel christenen nemen dit taalgebruik eenvoudig over omdat zij het jarenlang hebben gehoord.

Maar juist daarom moet het onderzocht worden.

“Krachtige zalving” klinkt diep geestelijk.

Toch blijkt het bij nadere beschouwing vaak een containerbegrip waarin allerlei ideeën worden gestopt waarvoor een duidelijke nieuwtestamentische basis ontbreekt.

De Schrift leert dat de gelovige de zalving van de Heilige heeft ontvangen.

De Schrift zegt dat deze zalving blijft.

De Schrift leert dat God de gelovigen gezalfd heeft.

De Schrift leert dat de gelovige door de Heilige Geest verzegeld is.

De Schrift roept ons op om vervuld te worden met de Geest en in afhankelijkheid van Hem te wandelen.

Maar een geestelijke elite die een bijzondere hoeveelheid “zalving” draagt, die kan toenemen, neerdalen, worden aangevoeld of als geestelijke kracht worden overgedragen?

Laat maar eens zien waar de apostelen dat aan de Gemeente leren.

 

Stop met het meten of wegen van de zalving

Misschien moeten we daarom ophouden met vragen:

“Was er veel zalving?”

En opnieuw Bijbelse vragen gaan stellen.

Was de prediking Bijbels?

Stond Christus centraal?

Werd het Evangelie helder verkondigd?

Werd de Schrift recht gesneden?

Werd de Gemeente opgebouwd?

Was er waarheid én liefde?

Was er geestelijke vrucht?

 

Dát zijn vragen waarmee we daadwerkelijk iets kunnen.

Want een spreker kan indrukwekkend zijn en tóch dwaling leren.

Een zaal kan emotioneel geladen zijn en tóch geestelijk ongezond.

Mensen kunnen huilen zonder dat daardoor bewezen is dat God iets bijzonders doet.

En een bijeenkomst kan buitengewoon eenvoudig zijn terwijl het Woord van God diep in harten werkt.

Sfeer is geen zalving. Emotie is geen zalving. Charisma is geen zalving. Podiumkracht is geen zalving. En menselijke indruk is geen maatstaf voor de werking van de Heilige Geest

 

Terug naar de nuchterheid van het Woord

Het antwoord op charismatische overdrijving is niet een dor christendom waarin van Gods kracht niets meer verwacht wordt.

Het antwoord is veel eenvoudiger:

Terug naar wat geschreven staat!

 

Bid om wijsheid.

Bid om vrijmoedigheid.

Bid om kracht in de inwendige mens.

Bid dat het Woord zijn loop heeft.

Bid om geestelijke groei.

Bid om liefde.

Bid om volharding.

Bid dat Christus verheerlijkt wordt.

Daar hebben we genoeg Schriftplaatsen voor.

Maar wanneer iemand bidt om een “krachtige zalving”, mag de vraag gesteld worden:

Wat bedoelt u daar mee?

En daarna:

Waar leert het Nieuwe Testament mij dat ik dát moet zoeken?

Dat zijn geen vragen van iemand die de Heilige Geest wil beperken.

Het zijn vragen van iemand die weigert meer te zeggen dan de Schrift zegt.

En misschien is dát wel exact dé nuchterheid die we vandaag zo hard nodig hebben

Een Bijbels woord maakt een onbijbels concept nog niet Bijbels.

Zie ook:

Wat zegt de Bijbel over “de zalving”? – Bijbelse basis

Wanneer ‘zalving’ gezag wordt – Bijbelse basis

Autoriteit, integriteit en de macht van geladen taal – Bijbelse basis

“Raak de gezalfde des Heeren niet aan”? – Bijbelse basis

Extern:

https://archive.vn/vJech

Is de Bijbel vervalst?

Hét probleem voor de Koran

Is de Bijbel vervalst volgens de Koran?

Is de Bijbel vervalst? Soera 5:44-48 noemt Thora en Evangelie leiding en licht, terwijl Soera 6:115 zegt dat niemand Allah’s woorden kan veranderen. Wat betekent dat voor de islamitische corruptieclaim?

Is de Bijbel vervalst? Het is waarschijnlijk een van de bekendste islamitische bezwaren tegen het christendom.

“Jullie Bijbel is niet meer het oorspronkelijke Woord van God. De Thora en het Evangelie zijn vervalst.”

Dat klinkt als een gemakkelijke oplossing.

De Bijbel zegt dat Jezus werd gekruisigd, maar de Koran ontkent dat? De Bijbel is vervalst.

Het Evangelie presenteert Jezus als veel meer dan een profeet, maar de Koran bestrijdt Zijn godheid? De Bijbel is vervalst.

Jezus sterft volgens het Nieuwe Testament voor onze zonden, maar dat past niet binnen de islamitische leer? De Bijbel is vervalst.

Maar er is één groot probleem:

De Koran zelf lijkt deze eenvoudige uitweg niet te geven.

Sterker nog: wie Soera 5:44-48, Soera 6:115 en Soera 10:94 naast elkaar legt, krijgt een aantal vragen op tafel die de populaire islamitische claim over de corruptie van de Bijbel bijzonder moeilijk en ingewikkeld maken.

Laten we daarom geen kerkelijke geloofsbelijdenis als uitgangspunt nemen.

Laten we de Koran zelf ondervragen.

Is de Bijbel vervalst volgens de Koran - Thora, Evangelie en Koran onderzocht
De Bijbel vervalst? Het probleem voor de Koran

 

Wat zegt Soera 5:44 over de Thora?

We beginnen bij Soera 5:44:

“Voorwaar, Wij hebben de Thora neergezonden, waarin leiding en licht is.”

Let goed op wat hier wordt gezegd.

De Thora wordt niet voorgesteld als menselijke religieuze folklore.

Allah zou haar hebben neergezonden.

En daarin waren:

leiding en licht.

Daarover bestaat volgens de Koran dus geen discussie: de Thora heeft haar oorsprong bij God.

Dat leidt onmiddellijk tot onze eerste vraag:

Was de Thora werkelijk het Woord van Allah?

Als het antwoord ja is, gaan we verder.

 

Wat zegt Soera 5:46 over het Evangelie?

Soera 5:46 gaat verder:

“En Wij deden Jezus, de zoon van Maria, in hun voetsporen volgen, als bevestiger van wat vóór hem van de Thora was. En Wij gaven hem het Evangelie, waarin leiding en licht was…”

Opnieuw dezelfde structuur.

De Thora: van Allah.

Het Evangelie: van Allah.

De Thora: leiding en licht.

Het Evangelie: leiding en licht.

Bovendien bevestigt Jezus volgens dit vers de Thora die vóór Hem kwam.

Dus de volgende vraag:

Was het Evangelie werkelijk een openbaring van Allah waarin leiding en licht was?

Als het antwoord opnieuw ja is, hebben we inmiddels dus twee goddelijke openbaringen:

Thora en Evangelie.

Nu wordt het interessant.

 

Waarom moeten christenen volgens Soera 5:47 het Evangelie volgen?

Lees vervolgens Soera 5:47:

“En laten de mensen van het Evangelie oordelen volgens wat Allah daarin heeft neergezonden.”

Hier wordt het probleem aanzienlijk groter.

Er staat niet:

“Laat de mensen van het Evangelie proberen te reconstrueren wat Jezus eeuwen geleden misschien ontvangen heeft.”

Er staat ook niet:

“Het Evangelie is inmiddels verdwenen, dus wacht op Mohammed.”

De mensen van het Evangelie worden aangesproken op wat Allah daarin heeft neergezonden.

Dan ligt een eenvoudige vraag voor de hand:

Hoe kunnen christenen volgens het Evangelie oordelen wanneer zij het Evangelie niet meer betrouwbaar bezitten?

Dat is beslist géén instink-vraag.

Die vraag ontstaat rechtstreeks uit de Koran.

Als het Evangelie vóór Mohammed tekstueel zo zwaar gecorrumpeerd was dat zijn leer over Jezus, kruisiging, verzoening en opstanding niet meer betrouwbaar was, waarom worden de mensen van het Evangelie dan opgedragen te oordelen naar wat Allah daarin heeft geopenbaard?

Hoe moesten zij onderscheid maken tussen het oorspronkelijke Woord van Allah en de vermeende latere vervalsingen?

Waar geeft de Koran hun daarvoor de tekstkritische handleiding?

 

Welke eerdere Schrift bevestigt de Koran in Soera 5:48?

Dan Soera 5:48:

“En Wij hebben aan jou het Boek met de waarheid neergezonden, ter bevestiging van wat er vóór was van de Schrift…”

Hier komt de zaak op scherp te staan.

De Koran presenteert zichzelf als bevestiging van eerdere Schrift.

Prima.

Dan willen we weten:

Welke Schrift?

Welke Thora?

Welk Evangelie?

Want als de Koran een verdwenen oorspronkelijke Thora en een verdwenen oorspronkelijk Evangelie bedoelt die niemand meer bezit, moet dat worden bewezen.

Waar zijn die teksten?

Waar zijn de manuscripten?

Waar zijn de citaten?

Welke Joodse of christelijke gemeenschappen bezaten ze?

Hoe weten we wat erin stond?

En vooral:

Waar is het historische Evangelie waarin Jezus exact de Isa van de Koran is?

Dit kan niet worden opgelost door eenvoudig te antwoorden:

“Het oorspronkelijke Evangelie was anders.”

Dat is geen antwoord.

Dat is dus de bewering die bewezen moet worden.

 

Wanneer zou de Bijbel volgens de islam zijn vervalst?

Nu wordt een concrete datering noodzakelijk.

Wanneer vond die grote corruptie van de Bijbel plaats?

Vóór Mohammed of ná Mohammed?

Dat is geen detail. Het is cruciaal.

Stel dat de Bijbel vóór Mohammed reeds fundamenteel gecorrumpeerd was.

Dan hebben we een probleem met Soera 5.

Waarom noemt de Koran de Thora en het Evangelie dan “leiding en licht”?

Waarom worden de mensen van het Evangelie opgedragen volgens het Evangelie te oordelen?

Waarom presenteert de Koran zichzelf als bevestiging van eerdere Schrift?

Maar stel dat de corruptie pas ná Mohammed plaatsvond.

Dan ontstaat een historisch nog groter probleem.

Want dan zou moeten worden aangetoond dat christenen in de zevende eeuw een wezenlijk andere Bijbel bezaten dan wij nu hebben.

Waar is die Bijbel?

Waar zijn de manuscripten?

Waar zijn de christelijke schrijvers die uit dat andere Evangelie citeren?

Waar is de tekst waarin Jezus niet wordt gekruisigd?

Waar is het Evangelie waarin Zijn opstanding ontbreekt?

Waar is het Evangelie waarin Hij slechts de islamitische Isa is?

Laat het zien.

 

Soera 6:115: kan iemand de woorden van Allah veranderen?

En nu komen we bij Soera 6:115:

“En het Woord van jouw Heer is tot voltooiing gekomen in waarachtigheid en rechtvaardigheid. Niemand kan Zijn Woorden veranderen.”

Dat levert een buitengewoon interessante combinatie op.

Volgens Soera 5 gaf Allah de Thora.

Volgens Soera 5 gaf Allah het Evangelie.

Volgens Soera 6 kan niemand Zijn woorden veranderen.

Dan stel ik een eenvoudige vraag:

Zijn de Thora en het Evangelie woorden van Allah of niet?

Als het antwoord nee is, ontstaat een probleem met Soera 5.

Als het antwoord ja is, ontstaat een probleem met de gebruikelijke bewering dat mensen Gods openbaring zodanig konden veranderen dat wij eeuwenlang een fundamenteel vervalste boodschap voor Gods Woord hebben aangezien.

Men kan natuurlijk antwoorden dat “niemand kan Zijn woorden veranderen” in Soera 6:115 iets anders betekent.

Prima.

Maar toon dat dan vanuit de tekst aan.

Want alleen roepen:

“De Bijbel is vervalst”

betekent niks wanneer je eigen heilige boek eerst verklaart dat God de Thora en het Evangelie gaf en vervolgens zegt dat niemand Zijn woorden kan veranderen.

 

Soera 10:94: waarom verwijst de Koran naar eerdere Schriftlezers?

Dan wordt het nog merkwaardiger.

Soera 10:94 zegt:

“En als jij in twijfel verkeert over wat Wij tot jou hebben neergezonden, vraag dan degenen die de Schrift vóór jou lazen.”

Stop hier even.

Wie zijn deze mensen?

Mensen die de Schrift lezen.

Wanneer?

In de wereld waarin de Koran verschijnt.

En juist naar deze mensen wordt verwezen.

Maar volgens de populaire islamitische verdediging zouden de geschriften van Joden en christenen toen al zodanig gecorrumpeerd zijn geweest dat wij ze niet als betrouwbare maatstaf tegenover de Koran mogen gebruiken.

Dan moet de vraag gesteld worden:

Waarom zou Allah iemand verwijzen naar lezers van gecorrumpeerde geschriften?

Stel je de consequentie eens voor.

De Schrift zou niet meer betrouwbaar zijn.

Christenen zouden verkeerde boeken hebben.

De oorspronkelijke boodschap van Jezus zou verloren zijn gegaan.

Centrale leerstukken zouden zijn binnengeslopen.

En vervolgens zegt de Koran:

Vraag degenen die de Schrift vóór jou lazen.

Waarom?

Welke Schrift lazen zij dan?

Hadden christenen in Mohammeds tijd het Evangelie of niet?

Dit is een vraag waarop een ondubbelzinnig duidelijk antwoord nodig is.

Hadden de christenen in de zevende eeuw het Evangelie waarover de Koran spreekt?

Als het antwoord ja is:

Uitstekend.

Dan kunnen we onderzoeken welke evangeliën christenen in en vóór de zevende eeuw daadwerkelijk lazen.

En dan ontstaat het probleem onmiddellijk.

De boeken van Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes bestonden eeuwen vóór Mohammed.

Daarin wordt Jezus gekruisigd.

Daarin staat Zijn opstanding centraal.

Daarin wordt Hij niet gepresenteerd als slechts een gewone menselijke profeet.

Mattheüs eindigt bijvoorbeeld met:

“Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes” (Mattheüs 28:19, STV).

Vanuit strikt islamitisch perspectief is dat bepaald geen onschuldige tekst.

De Zoon staat binnen één doopformule naast de Vader en de Heilige Geest.

Als de christenen in Mohammeds tijd dit Evangelie bezaten, moet worden verklaard waarom de Koran hen niet simpelweg waarschuwt:

“Jullie boek is tekstueel vervalst; vertrouw het niet.”

Maar als het antwoord nee is — zij bezaten het oorspronkelijke Evangelie niet meer — dan komen we opnieuw bij Soera 5:47:

Hoe konden de mensen van het Evangelie dan oordelen volgens wat Allah daarin had neergezonden?

 

Is de Bijbel vervalst omdat hij de Koran tegenspreekt?

Hier moeten we misschien de ongemakkelijkste vraag stellen.

Hoe weten moslims eigenlijk dat de Bijbel gecorrumpeerd is?

Wanneer de redenering uiteindelijk neerkomt op:

“De Bijbel zegt X, maar de Koran zegt Y, dus de Bijbel moet veranderd zijn”

dan hebben we geen onafhankelijk historisch bewijs voor corruptie.

Dan hebben we een cirkelredenering.

De Koran is waar.

Daarom moet alles wat de Koran tegenspreekt verkeerd zijn.

De Bijbel spreekt de Koran tegen.

Dus de Bijbel is verkeerd.

En hoe weten we vervolgens dat de Koran gelijk heeft?

Omdat de Bijbel gecorrumpeerd is.

Dat bewijst niets.

Het veronderstelt precies wat bewezen moet worden.

 

Wáár is het oorspronkelijke Evangelie van Jezus?

Daarom kom ik steeds weer terug bij dezelfde eenvoudige vraag:

Waar is het Evangelie dat volgens de islam werkelijk aan Jezus werd gegeven?

Niet:

“Allah weet waar het is.”

Niet:

“Het moet bestaan hebben.”

Niet:

“De Koran zegt dat Jezus het kreeg.”

Ik vraag naar historisch bewijs.

Waar is het?

Wat stond erin?

Wie las het?

Wie citeerde het?

Wanneer verdween het?

Wie verving het?

Hoe kon die vervanging overal zo succesvol plaatsvinden?

En waarom beschikken we over christelijke teksten van eeuwen vóór Mohammed die juist de boodschap verkondigen die de islam later afwijst?

Een hypothetisch verloren boek kan theoretisch ieder probleem oplossen.

Je kunt immers altijd zeggen:

“Het oorspronkelijke boek zei precies wat mijn latere boek zegt, maar helaas is het verdwenen.”

Maar historisch gezien bewijst dat niets zolang daarvoor geen bewijs wordt geleverd.

 

Bevestigt de Koran de Bijbel of corrigeert hij hem?

Dit brengt ons uiteindelijk bij een taalkundig eenvoudige maar inhoudelijk vernietigende vraag:

Wat betekent “bevestigen”?

Stel dat ik zeg:

“Ik bevestig het getuigenis van deze man.”

En dan zeg ik:

“Hij heeft het verkeerd over de belangrijkste gebeurtenis, hij heeft het verkeerd over de identiteit van de hoofdpersoon, hij heeft het verkeerd over wat er met hem gebeurde en hij heeft het verkeerd over de betekenis daarvan.”

Bevestig ik zijn getuigenis dan ??

Dat is ongeveer het probleem waarmee we hier geconfronteerd worden.

Het Evangelie verkondigt de kruisiging van Christus.

De Koran ontkent dat Hij werd gekruisigd.

Het Evangelie verkondigt Zijn opstanding.

Het Nieuwe Testament stelt Zijn dood en opstanding centraal in Gods verlossend handelen.

Het Nieuwe Testament presenteert Jezus bovendien op een wijze die ver uitstijgt boven de islamitische categorie van een gewone profeet.

En toch zou de Koran deze eerdere openbaring bevestigen.

Hoeveel kun je van een boodschap ontkennen voordat “bevestigen” ophoudt bevestigen te betekenen?

 

Het islamitische dilemma: Koran, Thora en Evangelie

Daarmee ontstaat wat wel het islamitische dilemma wordt genoemd.

De islam staat voor een lastige keuze.

De Thora en het Evangelie waren in Mohammeds tijd betrouwbaar.

Dan mogen we hun inhoud vergelijken met de Koran.

En dan ontstaan ernstige tegenstellingen.

De Thora en het Evangelie waren vóór Mohammed reeds tekstueel gecorrumpeerd.

Dan moet worden uitgelegd waarom de Koran ze “leiding en licht” noemt, de mensen van het Evangelie opdraagt naar Gods openbaring daarin te oordelen, eerdere Schrift bevestigt en naar mensen verwijst die die Schrift lezen.

Alleen een inmiddels verloren oorspronkelijke Thora en een verloren oorspronkelijk Evangelie waren betrouwbaar.

Dan willen we historisch bewijs zien dat deze alternatieve teksten daadwerkelijk hebben bestaan in de vorm die de islam nodig heeft.

Niet een theorie.

Niet een vaak herhaalde aanname.

Bewijs.

 

Misschien staat de Bijbel wel helemaal niet terecht

Dit is precies waarom het gesprek moet worden omgedraaid.

In islamitische polemiek staat de Bijbel vaak als verdachte in de beklaagdenbank:

“Jullie hebben Gods Woord veranderd.”

Maar wanneer we om bewijs vragen, wordt dikwijls de Koran zelf als maatstaf gebruikt om te bepalen wat in de Bijbel oorspronkelijk geweest moet zijn.

Dat is onvoldoende.

Misschien moet de Koran zelf eens plaatsnemen in de getuigenbank.

En dan stellen we slechts vragen.

Heeft Allah de Thora gegeven?

Volgens Soera 5:44: ja.

Heeft Allah het Evangelie gegeven?

Volgens Soera 5:46: ja.

Moesten de mensen van het Evangelie oordelen volgens wat Allah daarin had geopenbaard?

Volgens Soera 5:47: ja.

Bevestigt de Koran eerdere Schrift?

Volgens Soera 5:48: ja.

Kan iemand de woorden van Allah veranderen?

Soera 6:115 zegt dat niemand Zijn woorden kan veranderen.

Verwijst de Koran naar mensen die eerdere Schrift lazen?

Volgens Soera 10:94: ja.

Goed.

Dan blijft er één vraag over.

 

Wáár is het historische bewijs dat de Bijbel is vervalst?

Niet dat christenen teksten verschillend hebben geïnterpreteerd.

Niet dat kopiisten ooit varianten hebben gemaakt.

Niet dat er verschillende Bijbelhandschriften bestaan.

De islamitische corruptieclaim die hier ter discussie staat is veel groter.

Er wordt beweerd dat de boodschap die wij in eeuwenoude Bijbelse manuscripten aantreffen zodanig afwijkt van de oorspronkelijke goddelijke openbaring dat de Koran zes eeuwen na Christus nodig was om de ware Jezus opnieuw bekend te maken.

Waar is het bewijs voor die enorme historische bewering?

Waar is het manuscript van vóór de vervalsing?

Waar zien we de overgang?

Waar zien we een vroege christelijke gemeenschap die het “islamitische Evangelie” leest?

Waar vinden we vóór Mohammed het Evangelie waarin Jezus niet gekruisigd wordt en slechts de koranische Isa is?

Dat zijn vragen waarop

“jullie Bijbel is vervalst”

geen antwoord is.

Dat is slechts het herhalen van de beschuldiging.

 

Aan jou als moslim: onderzoek zélf Koran en Evangelie

Ik schrijf dit niet omdat ik wil , hoop of denk dat je minder serieus over je geloof nadenkt.

Integendeel.

Neem je geloof serieus genoeg om deze vragen niet uit de weg te gaan.

Wanneer iemand je altijd heeft verteld dat de Bijbel vervalst is, vraag dan eens:

Waar is dan het bewijs?

Wanneer iemand zegt dat het oorspronkelijke Evangelie iets anders leerde, vraag:

Waar kan ik dat oorspronkelijke Evangelie lezen?

Wanneer iemand zegt dat de christenen hun Schrift hebben veranderd, vraag:

Wanneer gebeurde dat precies?

En wanneer je vervolgens ontdekt dat wij manuscripten en christelijke geschriften hebben van eeuwen vóór Mohammed waarin Jezus wordt gekruisigd, opstaat en veel meer is dan slechts een profeet, stel dan de moeilijkste vraag van allemaal:

Wat als niet het Evangelie het probleem is?

Wat als de latere Koran niet werkelijk bevestigt wat het Evangelie al eeuwen verkondigde?

Lees daarom de Koran.

Maar lees óók het Evangelie.

Niet door de bril van wat iemand je verteld heeft dat er zou moeten staan.

Lees wat er daadwerkelijk staat.

En wees vervolgens ook eerlijk en consequent.

Want wanneer de Koran zegt dat Allah het Evangelie gaf als “leiding en licht”, dan verdient dat Evangelie op zijn minst iets beters dan de onbewezen beschuldiging:

“Het is vervalst.”

Waarheid hoeft nooit beschermd te worden tegen onderzoek.

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Lees ook:

De vervalste Bijbel? De mythe die instort onder 5000 manuscripten – Bijbelse basis

Het Islamitisch dilemma – Bijbelse basis

Waarheid of leugen, allah: waarachtig of een bedrieger? – Bijbelse basis

Het Islamitisch dilemma 2 – Bijbelse basis

De koran, de Bijbel en het islamitisch dilemma – Bijbelse basis

 

Lees ook: (extern)

De Koran is onjuist, omdat de Koran het zegt – De waarheid over de islam

Islam en de Bijbel – Zoeklicht

Hebben Christenen de Bijbel verdraaid? – Logos Instituut

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights