Een Bijbelse opdracht of een menselijke uitdrukking?
Waarom goed Bijbels taalgebruik ertoe doet
“Je moet sterven aan jezelf.”
Wie kent deze uitspraak niet? In preken, Bijbelstudies, gesprekken en boeken over het christelijke leven duikt hij voortdurend op. Soms wordt er zelfs een maatstaf voor geestelijke volwassenheid van gemaakt. Hoe meer iemand aan zichzelf gestorven is, hoe geestelijker hij zou zijn.
Maar waar staat dat in de Bijbel?
Dat is geen zeurvraag. Want omdat de Bijbel de gelovige nadrukkelijk aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid en levenswandel, betekent dat nog niet dat iedere populaire uitdrukking waarmee men die verantwoordelijkheid beschrijft, ook Bijbels verantwoord is.
De vraag is dus niet of een christen de zonde moet afleggen, zichzelf moet verloochenen of hoort te wandelen overeenkomstig zijn roeping.
Natuurlijk leert de Bijbel dat.
De vraag is of “sterven aan jezelf” een juiste Bijbelse beschrijving is van wat God van de gelovige vraagt.
En daar hebben we de kern van dit vraagstuk te pakken.

Waar komt de uitdrukking vandaan?
De woorden “sterven aan jezelf” komen niet in de Bijbel voor.
Dat betekent niet dat iedere gedachte die ermee wordt uitgedrukt verkeerd is. We gebruiken immers vaker woorden en formuleringen die niet letterlijk in de Bijbel staan.
Maar wanneer een uitdrukking voortdurend wordt gebruikt om het christelijke leven te omschrijven, mogen we wel vragen waar deze vandaan komt en welke betekenis deze heeft gekregen.
De gedachte heeft oude wortels in de christelijke geschiedenis, met name in de ascetische en mystieke traditie. Daar werd veel nadruk gelegd op zelfverloochening, versterving, onthouding en het overwinnen van de eigen wil.
Een bekende historische vindplaats is De navolging van Christus van Thomas à Kempis, een werk uit de vijftiende eeuw. Daar vinden we de gedachte dat iemand des te meer voor God begint te leven naarmate hij meer aan zichzelf sterft.
Dat bewijst nog niet dat Thomas à Kempis de uitdrukking heeft bedacht. Wel laat het zien hoe oud deze manier van spreken al is.
In de eeuwen daarna bleef de gedachte aanwezig in verschillende christelijke tradities. Ook binnen de gereformeerde traditie vinden we het onderwijs over de “afsterving van de oude mens”, bijvoorbeeld in zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.
Later kreeg vergelijkbaar taalgebruik een plaats in evangelische, bevindelijke en andere kringen waarin veel aandacht wordt besteed aan heiliging en geestelijke groei.
De precieze Nederlandse uitdrukking is dus niet met zekerheid tot één bedenker te herleiden. Wel is duidelijk dat deze een lange kerkelijke geschiedenis heeft.
Maar daarmee is nog niets gezegd over de Bijbelse juistheid.
Een uitdrukking wordt niet Bijbels doordat hij al eeuwenlang door christenen gebruikt is.
Wat zegt de Bijbel?
Wanneer men spreekt over “sterven aan jezelf”, worden doorgaans verschillende Bijbelgedeelten aangehaald.
Denk aan Lukas 9:23, waar de Here Jezus spreekt over zichzelf verloochenen, dagelijks het kruis opnemen en Hem volgen.
Of aan Johannes 12:24-25, waar Hij spreekt over de graankorrel die in de aarde valt en sterft, en over het liefhebben of haten van het eigen leven in deze wereld.
Ook Galaten 2:20, Romeinen 6:6 en Kolossenzen 3:5 worden regelmatig genoemd.
Maar hier moeten we goed lezen.
Want deze Schriftgedeelten spreken niet allemaal over hetzelfde. Zelfverloochening, met Christus gekruisigd zijn, de oude mens afleggen en het doden van zondige praktijken zijn begrippen die met elkaar samenhangen, maar daarom nog niet onderling uitwisselbaar zijn.
En wanneer we ze samenvoegen tot één algemene opdracht om “aan jezelf te sterven”, bestaat het gevaar dat we juist die onderscheidingen uitwissen die de Schrift zelf aanbrengt.
De oude mens is met Christus gekruisigd
Paulus schrijft in Romeinen 6:6:
“Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.” (STV)
Let vooral op de woorden: “met Hem gekruisigd is”.
Paulus zegt niet dat de gelovige zijn oude mens nog moet kruisigen. Hij beschrijft iets wat reeds heeft plaatsgevonden in onze verbondenheid met Christus.
Dat is niet zomaar een statement.
De gelovige wordt niet opgeroepen om alsnog tot stand te brengen wat God in Christus reeds tot stand heeft gebracht.
Ook Galaten 2:20 spreekt hierover:
“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (STV)
Paulus zegt niet: ik probeer dagelijks een beetje meer gekruisigd te worden.
Hij zegt:
“Ik ben met Christus gekruist.”
En vervolgens spreekt hij over het leven dat hij nu leeft, door het geloof.
Hier ligt het uitgangspunt van het christelijke leven. Niet bij een voortdurende poging om het eigen ik te laten sterven, maar bij de werkelijkheid van onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Christus.
Gij zijt gestorven!
Misschien is Kolossenzen 3:3 nog wel de duidelijkste uitspraak:
“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” (STV)
Hoeveel duidelijker wil je het hebben?
Gij zijt gestorven.
Niet: gij moet iedere dag proberen een stukje verder aan uzelf te sterven.
Maar: gij zijt gestorven.
En dat staat niet los van de opstanding van Christus. Het hoofdstuk begint immers met:
“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.” (Kolossenzen 3:1, STV)
Merk de volgorde op.
Eerst wordt vastgesteld wat de gelovige in Christus is. Vervolgens wordt hij aangesproken op de levenswandel die daarbij behoort.
De positie in Christus vormt het uitgangspunt voor de praktijk, niet andersom.
Dat onderscheid is van cruciaal belang.
Maar de gelovige heeft toch een verantwoordelijkheid?
Natuurlijk!
En daarover hoeft geen enkel misverstand te bestaan.
De Schrift leert uitdrukkelijk dat de gelovige de zonde niet moet laten heersen, zijn leden niet ten dienste van de ongerechtigheid moet stellen en de zondige praktijken van zijn vroegere levenswandel moet afleggen.
Efeze 4:22 zegt:
“Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande den vorigen wandel, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;” (STV)
Daarna spreekt Paulus over het vernieuwd worden in de geest van het gemoed en het aandoen van de nieuwe mens.
Hier vinden we dus een duidelijke oproep om niet langer overeenkomstig de vroegere levenswandel te leven.
Maar let op de gebruikte woorden.
Paulus spreekt over afleggen, vernieuwd worden en aandoen.
Hij zegt niet dat de gelovige aan zichzelf moet sterven.
En dat verschil is niet maar een kwestie van woordkeuze.
Ook Kolossenzen 3:5 spreekt over het doden van wat met het zondige aardse bestaan samenhangt. Romeinen 8:13 spreekt over het doden van de werkingen van het lichaam door de Geest.
Dat zijn concrete oproepen tot een heilige levenswandel.
Maar het doden van zondige praktijken is niet hetzelfde als het laten sterven van je eigen persoon.
En de opdracht om de oude levenswandel af te leggen is niet hetzelfde als de gedachte dat de oude mens nog gekruisigd moet worden.
De Bijbel leert beide waarheden: de gelovige is met Christus gestorven én hij wordt verantwoordelijk gehouden voor zijn dagelijkse wandel.
Het ene mag niet tegen het andere worden uitgespeeld. Maar je mag ze ook niet met elkaar verwarren.
En zelfverloochening?
De Here Jezus zegt in Lukas 9:23:
“En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.” (STV)
Dat is een ernstige oproep tot navolging.
Maar ook hier moeten we nauwkeurig lezen.
Zichzelf verloochenen is niet hetzelfde als aan zichzelf sterven.
Zelfverloochening betekent dat iemand niet zijn eigen belangen, verlangens of aanspraken boven de gehoorzaamheid aan Christus stelt. De oproep om het kruis op te nemen spreekt over de bereidheid om de consequenties van die navolging te dragen.
Bovendien moeten we rekening houden met de plaats van deze woorden binnen de bediening van de Here Jezus en met de verdere openbaring over de positie van de Gemeente als het Lichaam van Christus.
Dat betekent niet dat de woorden van de Here Jezus ons niets te zeggen hebben. Wel dat we ze zorgvuldig moeten uitleggen in hun eigen verband.
Een oproep tot zelfverloochening kan niet zonder meer worden omgezet in een algemene leer dat de gelovige dagelijks zijn oude mens opnieuw moet laten sterven.
Wat is dat ‘zelf’ eigenlijk?
Hier raken we misschien wel aan het grootste probleem van de uitdrukking.
Wat bedoelt iemand precies wanneer hij zegt dat een christen aan zichzelf moet sterven?
Bedoelt hij de oude mens?
Of het vlees?
Of de eigen wil?
Of de menselijke persoonlijkheid?
Of natuurlijke verlangens?
Of de neiging om zichzelf op de eerste plaats te zetten?
Dat zijn verschillende dingen.
De Schrift spreekt over de oude mens, de nieuwe mens, het vlees, de zonde, het lichaam en het leven van de gelovige. Die begrippen hebben elk hun eigen betekenis en plaats.
Wanneer iemand eenvoudigweg zegt dat we “aan onszelf moeten sterven”, wordt dat onderscheid niet duidelijk.
Sterker nog, de formulering kan de indruk wekken dat onze persoonlijkheid, onze individualiteit of zelfs ons mens-zijn een obstakel vormt dat moet verdwijnen.
Maar het doel van Gods werk in de gelovige is niet de vernietiging van diens persoonlijkheid.
Het gaat om een nieuwe levenswandel, overeenkomstig de nieuwe mens die in Christus geschapen is.
Het probleem is niet dat wij als mens bestaan. Het probleem is de zonde.
En dat onderscheid doet ertoe.
Hoe weet je of je genoeg gestorven bent?
Er is nog een bezwaar.
Wanneer “sterven aan jezelf” als een voortdurende geestelijke opdracht wordt gepresenteerd, ontstaat onvermijdelijk de vraag wat iemand dan concreet moet doen.
Hoe sterf je aan jezelf?
Hoe weet je of je voldoende gestorven bent?
Wanneer is het proces voltooid?
En wie bepaalt eigenlijk of iemand voldoende aan zichzelf gestorven is?
Dat zijn alweer geen zeurvragen.
Want wanneer een gelovige voortdurend te horen krijgt dat hij nog meer aan zichzelf moet sterven, kan zijn aandacht makkelijk verschuiven van Christus naar zichzelf.
Dan wordt het christelijke leven een voortdurende beoordeling van de eigen geestelijke toestand.
Ben ik al nederig genoeg? Heb ik mijn eigen wil voldoende opgegeven? Is mijn ik al voldoende gestorven?
Maar waar richt Paulus onze aandacht op?
Op Christus!
Hij schrijft in Romeinen 6:11:
“Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)
Dat is een opmerkelijke opdracht.
Niet: probeer te sterven.
Maar:
houd het ervoor dat gij der zonde dood zijt en Gode levende zijt in Christus Jezus.
Het geloof rekent met wat God heeft gezegd.
Dat betekent beslist niet dat de zonde geen enkele rol meer speelt in het leven van de gelovige. Evenmin betekent het dat heiliging vanzelf gaat of dat gehoorzaamheid overbodig is.
Maar de gelovige wordt opgeroepen om vanuit de waarheid van Gods Woord te leven, niet vanuit een onduidelijk streven naar een steeds verdergaande vernietiging van het eigen ik.
Een goede bedoeling maakt een uitdrukking nog niet Bijbels
Nu zal iemand misschien zeggen:
“Ja, maar iedereen begrijpt toch wat ermee bedoeld wordt?”
Is dat zo?
De ene prediker bedoelt ermee dat we onze zondige begeerten niet moeten volgen. Een ander bedoelt dat we onze eigen plannen moeten opgeven. Weer een ander spreekt over het breken van onze eigen wil.
En soms krijgt de uitdrukking zelfs de betekenis dat iemand pas werkelijk geestelijk kan leven wanneer hij zichzelf voldoende heeft overgegeven.
Dat zijn nogal verschillende opvattingen.
Natuurlijk hoeft iemand die de woorden “sterven aan jezelf” gebruikt, daarmee geen verkeerde leer te bedoelen. Het is heel goed mogelijk dat hij eenvoudigweg wil oproepen tot nederigheid, gehoorzaamheid en zelfverloochening.
Maar een goede bedoeling rechtvaardigt niet automatisch een onduidelijke formulering.
Zeker niet wanneer de Schrift zelf zoveel nauwkeuriger spreekt.
Waarom zouden we zeggen dat iemand aan zichzelf moet sterven, terwijl Paulus zegt dat hij met Christus gestorven is?
Waarom zouden we spreken over het laten sterven van het eigen ik, als de Bijbel ons oproept om de zondige levenswandel af te leggen?
Waarom zouden we allerlei begrippen op één hoop vegen, terwijl Gods Woord ze juist van elkaar onderscheidt?
Bijbels onderwijs vraagt niet alleen om goede bedoelingen, maar ook om goed taalgebruik.
Het gevaar van een verschoven uitgangspunt
Hier ligt uiteindelijk het belangrijkste leerstellige bezwaar.
De uitdrukking “sterven aan jezelf” kan het uitgangspunt van het christelijke leven ongemerkt verschuiven.
Van wat Christus heeft volbracht naar wat de gelovige nog moet volbrengen.
Van onze positie in Christus naar onze eigen geestelijke prestaties.
Van het geloof in Gods beloften naar de voortdurende beoordeling van onszelf.
De Bijbel leert ons echter niet dat wij door voldoende aan onszelf te sterven uiteindelijk deel krijgen aan het leven van Christus.
Hij leert dat wij in Christus gestorven zijn en met Hem leven, en dat wij daarom geroepen worden overeenkomstig dat nieuwe leven te wandelen.
Dat is géén vrijbrief voor de zonde.
Het is juist de basis voor een leven dat God behaagt.
Daarom is de volgorde zo belangrijk.
Niet eerst onze inspanning en vervolgens het leven in Christus, maar eerst het leven in Christus en van daaruit onze dagelijkse wandel.
Terug naar de woorden en het taalgebruik van de Schrift
Het gaat er niet om dat we voortaan iedere uitdrukking die niet letterlijk in de Bijbel staat, zouden moeten afwijzen.
Maar als een bepaalde formulering onduidelijk is, verschillende Bijbelse begrippen door elkaar haalt en bovendien aanleiding kan geven tot een verkeerd begrip van het christelijke leven, waarom zouden we hem dan blijven gebruiken?
We hebben toch de woorden van de Bijbel zelf.
We kunnen spreken over het afleggen van de oude levenswandel.
Over het aandoen van de nieuwe mens.
Over het niet laten heersen van de zonde.
Over het doden van zondige praktijken door de Geest.
Over zelfverloochening en gehoorzaamheid.
En boven allles over onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Here Jezus Christus.
Dat zijn geen vrijblijvende woorden. Ze hebben ieder hun eigen betekenis.
Daarom is mijn bezwaar tegen “sterven aan jezelf” niet dat deze uitdrukking te veel nadruk zou leggen op de verantwoordelijkheid van de gelovige.
Mijn bezwaar is dat deze die verantwoordelijkheid niet nauwkeurig beschrijft en makkelijk verwarring veroorzaakt over wat Christus reeds heeft volbracht.
De gelovige hoeft niet alsnog te sterven om ‘in Christus’ te kunnen leven.
Hij is met Christus gestorven. Hij is met Hem opgewekt. En dáárom wordt hij opgeroepen om ‘in nieuwigheid des levens’ te wandelen.
Dat is niet minder serieus dan de oproep om “aan jezelf te sterven”.
Het is veel rijker.
Want het richt onze blik niet allereerst op onszelf, maar op Hem in Wie ons leven verborgen is.
De vraag is dan ook niet hoeveel van onszelf wij nog moeten laten sterven, maar of wij werkelijk leven vanuit hetgeen God ons in Christus reeds geschonken heeft.
En misschien moeten we ons bij al die vertrouwde christelijke uitdrukkingen wat vaker afvragen:
Zeggen we eigenlijk nog wat de Bijbel zegt? Of zijn we zo gewend geraakt aan ons eigen godsdienstige taalgebruik dat we het verschil niet eens meer opmerken?
lees ook:
