God geneest, maar heeft Hij genezing beloofd?

Waarom genezingsleer voorbijgaat aan de apostolische brieven

“Jezus genas alle zieken. Hij is gisteren en heden Dezelfde. Dus wil Hij ook vandaag iedereen genezen. Ga maar danken voor je genezing.”

Ik tekende deze bewering nog heel recent op uit de mond van een zelfbenoemd gebedsgenezer

Het klinkt allemaal overtuigend. En wie zou durven ontkennen dat God zieken kan genezen? De Heere Jezus gaf blinden het gezicht, reinigde melaatsen, deed verlamden wandelen en wekte zelfs doden op. Ook de apostelen verrichtten wonderen en tekenen. De Bijbel laat daar geen enkele twijfel over bestaan.

Maar achter deze redenering gaat een vraag schuil die veel belangrijker is dan deze op het eerste gezicht lijkt:

Omdat God kán genezen, heeft Hij daarom ook beloofd dát iedere gelovige genezen zal worden?

Dat zijn twee heel verschillende zaken. Toch worden ze in charismatische kring voortdurend met elkaar verward. Genezing wordt voorgesteld als een recht van iedere gelovige. Ziekte zou niet bij het christelijke leven horen. Wie voldoende geloof heeft, mag zijn genezing opeisen. Blijft herstel uit, dan wordt gezocht naar ongeloof, verborgen zonde of een geestelijke blokkade.

De Bijbel wordt daarbij veelvuldig aangehaald. Maar opvallend genoeg blijven juist de apostolische brieven vaak buiten beeld.

En daar begint het vraagstuk.

God geneest maar belooft Hij dat ook?

De wonderen van de Here Jezus waren géén genezingsdiensten

Als we de Evangeliën lezen, valt iets op wat in veel hedendaagse genezingsbijeenkomsten ontbreekt.

Jezus genas niet gedeeltelijk. Hij sprak niet over een genezingsproces dat door geloof verder moest worden geactiveerd. Hij verklaarde mensen niet genezen terwijl hun lichamelijke klachten onveranderd bleven.

Een melaatse werd gereinigd. Een verlamde stond op. Een blindgeborene kon zien. Een man die 38 jaar ziek was geweest, nam zijn bed op en wandelde. Lazarus, die vier dagen in het graf had gelegen, kwam naar buiten.

Dit waren geen subjectieve ervaringen. Het waren zichtbare, onmiskenbare gebeurtenissen.

En de Here Jezus gebruikte geen vaste methode. Soms genas Hij door aanraking, soms door Zijn woord, soms zelfs op afstand. Niet iedere genezene had vooraf persoonlijk geloof getoond. De jongeling te Naïn was dood en kon helemaal niets geloven. Christus handelde vanuit Zijn eigen goddelijke macht en ontferming.

Daarom is het misleidend wanneer hedendaagse predikers hun bediening zonder meer gelijkstellen aan die van Jezus.

De vraag is niet of iemand zich na een bijeenkomst beter voelt. De vraag is of de geclaimde wonderen dezelfde aard hebben als de wonderen die de Schrift beschrijft.

Wie beweert dezelfde genezingsmacht te bezitten, moet ook bereid zijn die aanspraak aan dezelfde maatstaf te laten toetsen.

Waarom genas Jezus de zieken?

De genezingen van Christus hadden een veel diepere betekenis dan alleen het wegnemen van lichamelijk lijden.

Ze getuigden van Zijn Godheid. Hij sprak met gezag dat geen mens bezit.

Wanneer Hij zei:

“Ik wil, word gereinigd”,

was Zijn woord voldoende.

Maar de wonderen waren ook tekenen van Zijn Messiaanse waardigheid.

Jesaja had aangekondigd dat bij de komst van het beloofde heil de ogen van de blinden geopend zouden worden, de oren van de doven zouden worden ontsloten en de kreupele zou springen als een hert (Jesaja 35:5-6).

Toen Johannes de Doper vanuit de gevangenis vroeg of Jezus de Beloofde was, verwees de Heere niet naar een theoretische uiteenzetting. Hij wees op wat er gebeurde:

“De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.” (Mattheüs 11:5, STV)

De wonderen bevestigden dat Hij de beloofde Messias was.

Daarom mogen we Zijn genezingen niet losmaken van de verkondiging van het Koninkrijk aan Israël. Zijn wonderen waren tekenen van de Koning en een voorafschaduwing van de zegeningen die met Zijn toekomstige heerschappij verbonden zijn.

Wie deze betekenis negeert, maakt van de genezingswonderen een algemene formule die iedere christen zou moeten kunnen toepassen.

Maar dat is niet waarvoor de Evangeliën geschreven zijn.

 

De opdracht aan de twaalf was niet zomaar een opdracht aan iedereen

Een veelgebruikte tekst is Mattheüs 10:8:

“Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.” (STV)

Deze woorden worden regelmatig gebruikt om moderne genezingsbedieningen te legitimeren.

Maar wie leest wat eraan voorafgaat?

Jezus zond de twaalf discipelen uit en gaf hun uitdrukkelijk de opdracht niet naar de heidenen of de Samaritanen te gaan, maar naar de verloren schapen van het huis Israëls.

Hun boodschap was:

“Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.”

Hun genezingswonderen dienden als bevestiging van die boodschap.

Dat was een bijzondere opdracht, aan bijzondere personen, in een bijzondere fase van Gods handelen met Israël.

Waarom wordt die context zo gemakkelijk overgeslagen?

En wanneer Mattheüs 10:8 rechtstreeks voor iedere gelovige vandaag zou gelden, waarom wordt dan vrijwel uitsluitend gesproken over het genezen van zieken? Waar blijven de opwekkingen van doden? Waarom wordt de opdracht om zonder vergoeding te dienen zo gemakkelijk vergeten?

Wie een Bijbeltekst als rechtstreeks gebod voor vandaag gebruikt, moet eerst aantonen dat die opdracht ook daadwerkelijk aan ons is gegeven.

Niet alles wat in de Bijbel geschreven staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gericht. Alles is tot ons onderwijs geschreven, maar dat maakt niet iedere opdracht tot een algemeen gebod.

Het boek Handelingen is geen handboek voor genezingscampagnes

Ook Handelingen wordt veelvuldig gebruikt om de hedendaagse genezingsleer te ondersteunen.

Petrus genas de verlamde man bij de Schone Poort. Door Paulus vonden buitengewone wonderen plaats. Zelfs zweetdoeken die met hem in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht.

Maar waarom gebeurden deze dingen?

De apostelen verkondigden het getuigenis van de gekruisigde en opgestane Christus. Hun boodschap werd door God bevestigd met tekenen en wonderen.

Hebreeën 2:3-4 spreekt uitdrukkelijk over deze bevestiging van het verkondigde heil door tekenen, wonderen en menigerlei krachten.

De wonderen stonden dus in dienst van het apostolische getuigenis.

Bovendien is Handelingen een boek waarin belangrijke overgangen plaatsvinden: van Jeruzalem naar de volken, van de bijzondere verkondiging aan Israël naar de verdere bekendmaking van Gods genade.

Wat in deze overgangsperiode gebeurde, is niet zomaar een blijvende norm voor de Gemeente.

Neem Handelingen 19. God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus. Juist het woord “buitengewone” verdient aandacht.

Toch worden zulke gebeurtenissen ook gebruikt om het verspreiden van zogenaamde gezalfde zakdoeken, kledingstukken of andere voorwerpen te rechtvaardigen.

Maar Handelingen 19 geeft geen opdracht om deze praktijk voort te zetten. Het beschrijft wat God destijds op bijzondere wijze door Paulus deed.

Een beschrijving van een wonder is nog geen voorschrift voor een genezingsmethode.

 

Waarom worden de brieven zo vaak genegeerd?

Hier raken we het hart van de zaak.

Wie de hedendaagse genezingsleer wil verdedigen, verwijst meestal naar de Evangeliën, Handelingen, Jesaja 53 en enkele afzonderlijke beloften.

Maar waar is de uitvoerige aandacht voor Romeinen, Korinthe, Filippenzen en de brieven aan Timotheüs?

Juist daar ontvangen we onderwijs over het leven van de gelovige en de Gemeente.

En wat lezen we daar?

Geen algemeen recht op lichamelijke genezing.

Geen opdracht aan iedere gemeente om genezingsdiensten te organiseren.

Geen belofte dat de gelovige gevrijwaard zal blijven van ziekte.

Sterker nog: we lezen verschillende voorbeelden die de moderne genezingsleer rechtstreeks tegenspreken.

 

Paulus had een doorn in het vlees

In 2 Korinthe 12:7-10 beschrijft Paulus zijn doorn in het vlees.

Hij had buitengewone openbaringen ontvangen. Toch werd hem een doorn in het vlees gegeven, opdat hij zich niet zou verheffen.

Driemaal bad hij de Heere dat deze van hem zou wijken.

En wat was het antwoord?

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” (2 Korinthe 12:9, STV)

Let goed op.

Paulus bad. Maar de doorn werd niet weggenomen.

Hij kreeg niet te horen dat hij onvoldoende geloof had. Er werd hem geen verborgen zonde aangewezen. Hij kreeg geen instructie om zijn genezing eenvoudigweg te claimen.

Hij ontving een ander antwoord: Gods genade was voldoende.

Over de precieze aard van de doorn bestaat verschil van inzicht, maar dat verandert de kern niet. Paulus vroeg om bevrijding van een blijvende kwelling, en die bevrijding werd hem niet gegeven.

Wat betekent dat voor de stelling dat iedere gelovige altijd genezing kan ontvangen wanneer hij maar voldoende gelooft?

Als zelfs Paulus niet van iedere kwelling werd verlost, op welke grond wordt een zieke christen vandaag dan verweten dat zijn geloof tekortschiet?

Timotheüs: waarom schreef Paulus geen genezingsgebed voor?

In 1 Timotheüs 5:23 schrijft Paulus:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.” (STV)

Dit is een opmerkelijke passage.

Timotheüs was een trouwe medewerker van Paulus. Hij kende de apostolische verkondiging. Hij had van nabij meegemaakt hoe God door Paulus werkte.

Toch had hij herhaaldelijk lichamelijke klachten.

Wat adviseerde Paulus?

Geen genezingscampagne.

Geen krachtige zalving.

Geen berisping vanwege ongeloof.

Hij gaf een praktisch advies voor zijn gezondheid.

Dat is moeilijk te verenigen met de gedachte dat lichamelijke genezing een vanzelfsprekend recht van iedere gelovige is.

Paulus had zelf zieken genezen. Waarom genas hij Timotheüs dan niet gewoon?

Omdat de gave om wonderen te verrichten kennelijk geen macht was waarover een apostel naar eigen believen kon beschikken.

God handelde door de apostelen wanneer Hij dat wilde. Niet als een mens dat nodig vond.

 

Trofimus bleef ziek achter

Een nog kortere, maar minstens zo veelzeggende tekst staat in 2 Timotheüs 4:20:

“Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.” (STV)

Eén zin.

Maar deze ene zin vormt een ernstig probleem voor de leer van genezing.

Paulus had buitengewone wonderen verricht. In Handelingen lezen we zelfs dat zieken door zijn bediening herstelden wanneer zij in aanraking kwamen met doeken die van zijn lichaam afkomstig waren.

Maar Trofimus bleef ziek achter.

Waarom?

De Schrift zegt niet dat Trofimus onvoldoende geloof bezat. Spreekt niet over verborgen zonde of een gebrek aan geestelijke overgave.

Paulus vermeldt gewoon dat hij hem ziek heeft achtergelaten.

Daarmee wordt duidelijk dat ook tijdens de apostolische tijd niet iedere zieke gelovige werd genezen.

Wie vandaag beweert dat genezing altijd beschikbaar is voor iedere gelovige, moet deze tekst serieus nemen.

 

Epafroditus: ziek tot nabij de dood

In Filippenzen 2:25-30 vertelt Paulus over Epafroditus.

Deze toegewijde medewerker was ernstig ziek geworden. Zijn ziekte was zelfs zo zwaar dat hij de dood nabij was.

Paulus schrijft:

“Want hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd.” (Filippenzen 2:27, STV)

Epafroditus herstelde.

Maar hoe beschrijft Paulus dat herstel?

Als Gods ontferming.

Niet als een afdwingbaar recht. Niet als het onvermijdelijke gevolg van een bepaalde geloofstechniek.

God ontfermde Zich over hem.

Dat maakt zijn herstel niet minder bijzonder. Het plaatst het alleen waar het thuishoort: bij Gods genadige handelen.

Genezing is geen prestatie van het geloof, maar een daad van God.

 

De verlossing van ons lichaam ligt nog vóór ons

Romeinen 8 geeft het perspectief dat in veel moderne genezingsprediking ontbreekt.

Paulus schrijft dat de schepping zucht en als in barensnood verkeert. Vervolgens zegt hij dat ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, in onszelf zuchten.

Waarom?

Omdat wij de verlossing van ons lichaam verwachten.

Zie Romeinen 8:23.

Dat is een cruciaal onderscheid.

De gelovige is in Christus verlost. Zijn zonden zijn vergeven. Hij heeft de Heilige Geest ontvangen. Hij bezit eeuwig leven.

Maar zijn lichaam is nog sterfelijk.

Het kan ziek worden. Het wordt ouder. Het raakt vermoeid. Het kan beschadigd raken. En tenzij Christus terugkomt tijdens zijn leven, zal de gelovige uiteindelijk sterven.

De volledige lichamelijke verlossing ligt nog in de toekomst.

Bij de komst van Christus zullen de gestorven gelovigen worden opgewekt en de levende gelovigen worden veranderd. Dan zal het vergankelijke onvergankelijkheid aandoen.

Daar ligt de Bijbelse hoop op een lichaam dat nooit meer ziek wordt.

Wie die toekomstige verlossing naar het heden verplaatst en vervolgens volledige gezondheid belooft, loopt vooruit op wat God heeft toegezegd.

 

“Door Zijn striemen is ons genezing geworden”

Jesaja 53:5 is misschien wel de meest gebruikte tekst in de hedendaagse genezingsleer.

“En door Zijn striemen is ons genezing geworden.” (STV)

Daaruit wordt geconcludeerd dat Christus aan het kruis niet alleen onze zonden heeft gedragen, maar ook iedere lichamelijke ziekte, zodat wij nu aanspraak mogen maken op genezing.

Maar deze conclusie gaat voorbij aan het verband van de tekst.

Jesaja 53 spreekt over de Knecht des HEEREN Die om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld werd.

Het centrale onderwerp is de zonde en de verzoening.

Bovendien verklaart Mattheüs 8:16-17 dat de woorden over het dragen van onze krankheden en ziekten vervuld werden toen Jezus tijdens Zijn aardse bediening zieken genas.

Dat gebeurde vóór het kruis.

Petrus verwijst eveneens naar de striemen van Christus in 1 Petrus 2:24, maar verbindt dit uitdrukkelijk met het afsterven aan de zonden en het leven voor de gerechtigheid.

Het gaat daar niet over een belofte dat iedere lichamelijke aandoening onmiddellijk zal verdwijnen.

Natuurlijk hoort ook de toekomstige verlossing van ons lichaam tot de uiteindelijke zegeningen van Christus’ verlossingswerk.

Maar de vraag is niet of Christus de overwinning op de gevolgen van de zonde heeft verworven.

De vraag is wanneer al die gevolgen definitief worden weggenomen.

De brieven plaatsen de volledige lichamelijke verlossing in de toekomst.

 

Jakobus 5: een gebed voor zieken, geen genezingsformule

Jakobus 5:14-16 wordt vaak aangehaald als bewijs dat iedere zieke door gebed en zalving genezen moet worden.

Maar ook hier is een zorgvuldige lezing noodzakelijk.

Jakobus spreekt over een zieke die de ouderlingen van de gemeente bij zich laat komen. Zij moeten over hem bidden en hem zalven met olie in de Naam des Heeren.

Het gaat dus niet over een rondreizende genezer die grote groepen mensen bijeenbrengt om zijn bijzondere gave te demonstreren.

Het gaat over de zorg van de gemeente voor een zieke.

Bovendien wordt in het gedeelte gesproken over de belijdenis en vergeving van zonden. Die context mag niet worden genegeerd.

Dat God gebeden kan verhoren en zieken kan oprichten, staat buiten twijfel.

Maar Jakobus 5 mag niet worden gebruikt om alle andere Schriftplaatsen over ziekte en lichamelijke zwakheid terzijde te schuiven.

Paulus bleef met zijn doorn in het vlees zitten. Timotheüs had terugkerende klachten. Trofimus bleef ziek achter. Epafroditus was bijna gestorven.

De Schrift spreekt zichzelf niet tegen. Daarom moeten we Jakobus 5 lezen in samenhang met het onderwijs van de apostolische brieven, niet geïsoleerd als een formule waarmee genezing gegarandeerd wordt.

 

Wat is er mis met genezingsclaims?

Ook vandaag horen we uitspraken als:

“God wil dat je altijd gezond bent.”

“Ziekte hoort niet bij een kind van God.”

“Je genezing is al volbracht, je moet haar alleen ontvangen.”

“Spreek niet over je ziekte, want daarmee houd je haar in stand.”

“Als je niet geneest, is er ergens ongeloof.”

“Je moet de ziekte bestraffen en je genezing uitspreken.”

Sommige van deze uitspraken worden verpakt in Bijbelse taal. Er wordt gesproken over geloof, autoriteit, de kracht van Jezus’ Naam en de overwinning van het kruis.

Maar woorden worden niet Bijbels doordat men er een Bijbeltekst aan toevoegt.

De vraag blijft of de leer zelf uit de Schrift voortkomt.

Wanneer een prediker beweert dat God altijd geneest, moet hij uitleggen waarom Paulus’ gebeden niet het gewenste resultaat hadden.

Wanneer ziekte wordt voorgesteld als bewijs van ongeloof, moet worden uitgelegd waarom Timotheüs herhaaldelijk ziek was.

Wanneer genezing een algemeen recht van de gelovige zou zijn, moet worden verklaard waarom Trofimus ziek achterbleef.

En wanneer lichamelijke zwakheid niet bij het leven van een christen zou horen, moet Romeinen 8 opnieuw worden gelezen.

De brieven vormen geen hinderlijk bijverschijnsel dat we mogen negeren om een aantrekkelijk genezingsverhaal overeind te houden.

Ze horen bij het geïnspireerde Woord van God.

 

De pijnlijke gevolgen van een verkeerde leer

De schade van deze leer is niet alleen leerstellig.

Het kan diep ingrijpen in het leven van zieke mensen.

Stel je een gelovige voor die jarenlang met pijn, vermoeidheid of een lichamelijke beperking leeft. Hij bidt. Zijn gemeente bidt. Hij vertrouwt op de Heere, maar herstel blijft uit.

Dan hoort hij dat God altijd wil genezen en dat voldoende geloof onvermijdelijk tot herstel leidt.

Wat moet hij daaruit concluderen?

Dat zijn geloof tekortschiet?

Dat hij verborgen zonden heeft?

Dat God hem niet wil zegenen?

Dat hij zijn genezing niet voldoende heeft uitgesproken?

Zo wordt aan lichamelijk lijden een geestelijke last toegevoegd die de Schrift de zieke niet oplegt.

Nog gevaarlijker wordt het wanneer gelovigen wordt aangeraden medicijnen te laten staan of noodzakelijke medische behandeling af te wijzen.

Dat is geen bewijs van groot geloof.

De apostel Paulus adviseerde Timotheüs juist een praktisch middel te gebruiken voor zijn lichamelijke klachten. Lukas wordt in Kolossenzen 4:14 de geliefde medicijnmeester genoemd.

Geloof in Gods macht en het gebruik van medische middelen sluiten elkaar niet uit.

Een gelovige mag om genezing bidden en tegelijkertijd een arts bezoeken. Hij mag dankbaar gebruikmaken van behandelingen en geneesmiddelen, terwijl hij zijn vertrouwen op de Heere stelt.

Gods kracht wordt ook in zwakheid volbracht

Misschien is dit wel het gedeelte van de Schrift dat binnen de hedendaagse genezingsbeweging het meest wordt verwaarloosd.

Gods kracht wordt niet uitsluitend zichtbaar wanneer een ziekte verdwijnt.

Zij kan ook openbaar worden wanneer een gelovige met lichamelijke zwakheid blijft leven en daarin Gods genade ondervindt.

Paulus had liever gezien dat zijn doorn werd weggenomen.

Maar uiteindelijk leerde hij zich te beroemen in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem zou wonen.

Dat staat haaks op de gedachte dat iedere lichamelijke beperking een nederlaag is die de gelovige door een krachtiger geloof moet overwinnen.

Het christelijke leven is niet een voortdurende demonstratie van lichamelijke gezondheid.

Het is een leven uit genade.

En die genade blijft genoeg, óók wanneer het lichaam zwak is.

 

De Bijbelse hoop is veel groter dan tijdelijke genezing

Wie vandaag genezen wordt, zal uiteindelijk toch sterven.

Ook Lazarus, die uit het graf werd opgewekt, kreeg niet meteen een verheerlijkt, onvergankelijk lichaam.

Zijn opwekking was een indrukwekkend teken van Christus’ macht over de dood, maar nog niet de definitieve overwinning op de sterfelijkheid van zijn lichaam.

De gelovige ziet uit naar iets groters.

Naar de komst van de Here Jezus Christus.

Naar de opstanding.

Naar een lichaam dat niet meer onderworpen is aan ziekte, verval en dood.

Daarom is de christelijke hoop niet afhankelijk van de vraag of iemand in dit leven lichamelijk herstelt.

Zij rust op de opgestane Heer, Die de Zijnen uiteindelijk volkomen zal verlossen.

Niet de genezingsprediker, maar de Schrift heeft het laatste woord

God kán zieken genezen. Dat staat vast.

We mogen vrijmoedig bidden om herstel. Ook dat is Bijbels.

Maar nergens ontvangen wij het recht om van God te eisen dat Hij iedere gelovige in dit leven lichamelijk gezond maakt.

De wonderen van Jezus hadden een bijzondere betekenis. De wonderen van de apostelen bevestigden hun bediening. De apostolische brieven leren vervolgens hoe gelovigen leven in deze tijd, waarin de verlossing van het lichaam nog verwacht wordt.

En juist die brieven worden zo vaak overgeslagen.

Want zij brengen een boodschap die minder spectaculair klinkt, maar veel dieper gaat.

Paulus werd niet van zijn doorn verlost.

Timotheüs had terugkerende lichamelijke klachten.

Trofimus bleef ziek achter.

Epafroditus was de dood nabij.

En toch waren deze mannen geliefde en toegewijde dienstknechten van de Heere.

Hun lichamelijke toestand was geen maatstaf voor hun geloof.

Daarom moeten we ophouden de zieke gelovige een last op te leggen die God hem niet oplegt.

Gods genade is niet pas genoeg wanneer de ziekte verdwenen is. Gods genade is voldoende, ook wanneer de ziekte blijft.

Dat is geen ongeloof.

Dat is het onderwijs van de Schrift.

En aan dat Woord moeten ook de indrukwekkendste genezingsclaims worden getoetst.

Leestip: Een gedegen boek uit 1925: The Healing Question (pdf)

zie ook:

genezing – Bijbelse basis

God hééft gesproken!

Waarom de Bijbel Zijn definitieve Woord is

Heeft God vandaag nog nieuwe profeten, apostelen en openbaringen nodig om Zijn Gemeente te leiden? Of heeft Hij in de Here Jezus Christus en door de Bijbel bekendgemaakt wat wij voor ons geloof nodig hebben?

Die vraag raakt het hart van het christendom.

Er waait een verontrustende wind door een deel van de hedendaagse christenheid. Steeds vaker klinkt de boodschap dat de Bijbel alleen niet voldoende zou zijn. Christenen worden aangespoord om ‘Gods stem persoonlijk te leren verstaan’, nieuwe openbaringen’ te ontvangen en te luisteren naar mensen die beweren rechtstreeks namens God te spreken.

“God heeft mij verteld…” “De Heilige Geest openbaarde mij…” “Ik heb een profetisch woord voor de Gemeente…”

Het klinkt indrukwekkend en bijzonder geestelijk. Maar achter dergelijke uitspraken schuilt een fundamentele vraag: is het geschreven Woord van God nog voldoende, of hebben wij daarnaast nieuwe goddelijke boodschappen/boodschappers nodig?

De Bijbel geeft ons alle reden om vast te houden aan zijn gezag en genoegzaamheid. Niet omdat God tegenwoordig minder machtig zou zijn, maar omdat Hij in Zijn Zoon heeft gesproken en door Zijn apostelen het fundament van de Gemeente heeft gelegd.

 

God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg
God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg

God heeft gesproken door Zijn Zoon

De brief aan de Hebreeën begint met een duidelijke verklaring:

“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon (…)” (Hebreeën 1:1-2, STV)

Deze woorden laten een niet mis te verstane duidelijke ontwikkeling in Gods openbaring zien.

Onder het oude verbond sprak God op verschillende tijden en verschillende manieren. Hij sprak door Mozes, de profeten, dromen, visioenen en bijzondere verschijningen.

Maar met de komst van de Here Jezus Christus brak iets beslissends aan.

God zond niet nóg een profeet. Hij sprak door Zijn eigen Zoon.

De Here Jezus Christus is het vleesgeworden Woord. Johannes schrijft:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En daarna:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (…)” (Johannes 1:14, STV)

Hier staan we op het hoogtepunt van Gods zelfopenbaring. Christus is niet zomaar iemand die namens God spreekt. Hij is Zelf God, geopenbaard in het vlees.

Wie daarom suggereert dat de christelijke Gemeente steeds opnieuw ‘nieuwe openbaringen’ nodig heeft om de volle waarheid te leren kennen, miskent makkelijk het definitieve karakter van Gods spreken in Zijn Zoon.

Het christendom rust niet op een voortdurende stroom ‘nieuwe openbaringen’, maar op de Persoon en het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

De Bijbel is géén onvolledig handboek

Paulus schrijft aan Timotheüs:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;” (2 Timotheüs 3:16, STV)

Hier wordt iets gezegd wat in veel moderne geestelijke bewegingen op de achtergrond dreigt te raken.

De Schrift is van God ingegeven.

Dat betekent dat wij niet te maken hebben met menselijke opvattingen over God, maar met Zijn gezaghebbende Woord.

En Paulus gaat verder:

“Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Timotheüs 3:17, STV)

Laat die woorden eens goed tot u doordringen: tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

Niet gedeeltelijkis toegerust.een Niet voorlopig toegerust, totdat er een nieuwe ‘profeet’ verschijnt.. Niet afhankelijk van een ‘apostel’ die toegang beweert te hebben tot hogere verborgen kennis.

De Schrift is voldoende om de gelovige toe te rusten tot alles wat God van hem vraagt.

Dat betekent niet dat de Bijbel antwoord geeft op elke praktische vraag die een mens kan stellen. Evenmin betekent het dat onderwijs, gebed of de gemeenschap met andere gelovigen overbodig zijn.

Het betekent dat geen nieuwe leerstellige openbaring nodig is om Gods heilswaarheid aan te vullen.

Wie beweert dat de Gemeente zonder nieuwe profetieën geestelijk tekortkomt, moet zich daarom afvragen hoe die bewering zich ooit kan verhouden tot de genoegzaamheid van het geïnspireerde Woord.

 

Het geloof is eenmaal overgeleverd

Judas schrijft:

“…dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.” (Judas vers 3, STV)

Het woord “eenmaal” is hier bepalend.

Het geloof waarvan Judas spreekt, is niet een religieus systeem dat voortdurend moet worden uitgebreid met nieuwe leerstellingen.

Het is het geloof dat aan de heiligen is overgeleverd.

Dat betekent dat de Gemeente geroepen is om de ontvangen waarheid te bewaren, te verkondigen en te verdedigen.

Niet om nieuwe geloofswaarheden te ontdekken die eerdere generaties onbekend waren.

Niet om het apostolische onderwijs aan te vullen met boodschappen van moderne ‘profeten’.

En zeker niet om zich afhankelijk te maken van mensen die beweren toegang te hebben tot bijzondere kennis die voor gewone gelovigen verborgen blijft.

Dat is dus het gevaar van veel hedendaagse ‘openbaringsbewegingen’.

De gelovige wordt niet langer uitsluitend verwezen naar de Schrift, maar ook naar de zogenaamde geestelijke inzichten van bijzondere leiders.

Daardoor ontstaat een gevaarlijke verschuiving: het gezag verplaatst zich ongemerkt van Gods geschreven Woord naar de persoon die zegt namens God te spreken.

 

Het fundament van de Gemeente wordt niet telkens opnieuw gelegd

Paulus schrijft over de Gemeente:

“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;” (Efeze 2:20, STV)

Een fundament wordt gelegd voordat het gebouw wordt opgetrokken.

De apostelen en profeten vervulden in de begintijd van de Gemeente een bijzondere, funderende taak. Christus is de Hoeksteen, en op het apostolische getuigenis wordt de Gemeente gebouwd.

”Dit is van groot belang voor de beoordeling van de hedendaagse beweging die opnieuw ‘apostelen’ en ‘profeten’ met bijzonder gezag wil aanstellen.

Sommige leiders beroepen zich daarbij op Efeze 4:11, waar gesproken wordt over apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.

Maar je mag Efeze 4 niet losmaken van Efeze 2.

Het feit dat Christus apostelen en profeten heeft gegeven, betekent niet automatisch dat er in iedere generatie opnieuw mensen zouden moeten verschijnen met hetzelfde funderende openbaringsgezag als de oorspronkelijke apostelen.

Het Nieuwe Testament laat zien dat de apostelen een unieke plaats innamen. Zij waren getuigen van de opgestane Christus en door Hem aangesteld om Zijn getuigenis bekend te maken.

Paulus spreekt in 1 Korinthe 15:8 over zijn bijzondere ontmoeting met de opgestane Heer..

De Gemeente van vandaag heeft geen nieuw fundament nodig.

De Gemeente moet trouw blijven aan het fundament dat reeds gelegd is.te

Een moderne ‘apostel’ die ‘nieuwe goddelijke leerstellingen’ verkondigt, voegt geen verdieping toe aan het apostolische geloof, maar maakt aanspraak op een gezag waarvoor de Schrift geen grond geeft.

 

“God heeft mij gezegd”, een uitspraak met vergaande gevolgen

Er is nauwelijks een uitspraak die binnen een christelijke gemeenschap zoveel gezag kan opeisen als:

“God heeft mij gezegd.”

Want wie durft God tegen te spreken?

En daarin schuilt het gevaar.

Een voorganger die zegt:

“Ik denk dat dit verstandig is”

kan worden bevraagd.

Een leraar die zegt:

“Volgens mij betekent deze Bijbeltekst dit”

moet zijn uitleg vanuit de Schrift aantonen.

Maar iemand die zegt:

“God heeft rechtstreeks tot mij gesproken”,

presenteert zijn boodschap als afkomstig van de hoogste Autoriteit.

En wanneer die boodschap vervolgens niet ter discussie mag worden gesteld, ligt geestelijk misbruik op de loer.

De geschiedenis van religieuze bewegingen laat zien hoe makkelijk mensen onder druk kunnen worden gezet door leiders die hun persoonlijke overtuigingen presenteren als goddelijke opdrachten.

Daarom is de houding van de gelovigen in Berea ook zo leerzaam.

Zij onderzochten dagelijks de Schriften om na te gaan of de boodschap die zij hoorden daarmee overeenstemde (Handelingen 17:11).

Denk daar eens serieus over na.

Ook het onderwijs van Paulus werd aan de Schrift getoetst.

En tegenwoordig zouden wij de woorden van een zelfbenoemde ‘profeet’ dan  kritiekloos moeten aanvaarden?

Dat is de wereld op zijn kop.

De Bijbel leert ons niet om onze geestelijke onderscheiding uit te schakelen zodra iemand beweert namens God te spreken.

Integendeel:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn (…)” (1 Johannes 4:1, STV)

Een boodschap wordt niet betrouwbaar doordat iemand deze met grote overtuiging brengt.

En een profetische uitspraak wordt niet ‘afkomstig van God’ doordat deze emotioneel indruk maakt.

De inhoud moet worden getoetst aan de waarheid die God heeft geopenbaard.

 

De Heilige Geest brengt geen concurrerende openbaring

Een veelgehoord verwijt aan christenen die vasthouden aan de genoegzaamheid van de Schrift is dat zij ‘de Heilige Geest voor de voeten zouden lopen’.

Soms wordt zelfs gesuggereerd dat wie geen nieuwe profetieën verwacht, niet openstaat voor Gods spreken.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De Heilige Geest is geen concurrent van de Schrift. Hij is De Goddelijke Auteur.

De Here Jezus zei tegen Zijn discipelen:

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.” (Johannes 14:26, STV)

Deze belofte had prmair betrekking op de apostelen, die door de Heilige Geest werden toegerust om betrouwbaar van Christus te getuigen.

Wanneer de Heilige Geest vandaag in gelovigen werkt, brengt Hij hen niet weg van de Schrift, maar opent Hij hun verstand en hart voor de waarheid daarvan.

Dat noemen wij de verlichting door de Heilige Geest.

Er is een belangrijk verschil tussen openbaring en verlichting.

Bij openbaring maakt God waarheid bekend die de mens voordien niet kende. Bij verlichting opent de Heilige Geest het verstand om de reeds geopenbaarde waarheid te begrijpen en toe te passen.

Dit onderscheid wordt tegenwoordig maar al te vaak genegeerd.

Het gevolg is dat persoonlijke gedachten, ingevingen en gevoelens op hetzelfde niveau worden gezet als het geïnspireerde Woord van God.

Maar mijn gevoel is niet onfeilbaar.

Mijn gedachten zijn niet onfeilbaar.

Zelfs mijn sterkste geestelijke overtuigingen zijn niet onfeilbaar.

Alleen Gods Woord heeft dat gezag.

De gevaarlijke honger naar ‘nieuwe openbaringen’

Waarom is er tegenwoordig zoveel belangstelling voor persoonlijke profetieën, dromen, visioenen, hemelse rechtbanken en zogenaamde profetische activaties?

Een belangrijke verklaring is dat veel christenen het gewone leven uit het Woord blijkbaar niet meer bijzonder genoeg vinden.

Het lezen en onderzoeken van de Bijbel lijkt voor sommigen te simpel.

Er moet iets gebeuren. Iets bovennatuurlijks. Iets dat niemand anders heeft meegemaakt.

Een persoonlijke boodschap. Een bijzondere ervaring. Een nieuwe zalving. Een verborgen geheimenis.

Maar nergens leert de Schrift dat geestelijke volwassenheid afhangt van de hoeveelheid bijzondere ervaringen die iemand verzamelt.

Integendeel.

Paulus spoort Timotheüs aan:

“Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is (…)” (2 Timotheüs 3:14, STV)

Let op dat woord: “blijf”.

De apostel spoort Timotheüs niet aan om steeds nieuwe openbaringen te zoeken, maar om trouw te blijven aan de waarheid die hem is toevertrouwd.

Dat is een boodschap die haaks staat op een religieuze cultuur waarin het nieuwe, spectaculaire en buitengewone dikwijls meer aandacht krijgt dan het eenvoudige onderwijs van de Schrift.

Het is veelzeggend wanneer een gemeente enthousiast raakt over iemand die zegt een visioen van de hemel te hebben ontvangen, terwijl een gedegen Bijbelstudie nauwelijks belangstelling trekt.

Dan is er iets aan de hand.

Niet omdat ervaringen op zichzelf de maatstaf zijn voor dwaling, maar omdat het geschreven Woord van God zijn centrale plaats dreigt te verliezen.

 

Maar spreekt God dan helemaal niet meer?

Deze vraag wordt vaak gesteld alsof er slechts twee mogelijkheden bestaan.

Óf God geeft vandaag nog rechtstreeks nieuwe openbaringen, óf Hij zwijgt volledig.

Dat is een valse tegenstelling.

God spreekt vandaag door Zijn Woord.

Wanneer de Bijbel wordt gelezen, spreekt niet slechts een schrijver uit lang vervlogen tijden.

Wij horen de woorden die God door Zijn Geest heeft laten vastleggen.

Het Woord is levend en krachtig (Hebreeën 4:12).

De Heilige Geest gebruikt dat Woord om zondaren te overtuigen, gelovigen te onderwijzen, dwalingen te ontmaskeren en mensen te vertroosten.

Daarvoor is geen nieuwe profetie nodig.

Ook mogen wij bidden om wijsheid, zoals Jakobus 1:5 ons leert. God bestuurt de levens van Zijn kinderen door Zijn voorzienigheid en wil ons leiden in onze omstandigheden.

Maar Zijn voorzienige leiding of de innerlijke overtuiging die wij ervaren, mogen wij niet zonder meer gelijkstellen aan een onfeilbare goddelijke openbaring.

Dat onderscheid beschermt ons tegen geestelijke hoogmoed en misleiding.

 

Is de Bijbelse openbaring afgesloten?

God heeft gesproken in Zijn Zoon. Het geloof is eenmaal overgeleverd. De apostelen en profeten hebben het fundament van de Gemeente gelegd. De geïnspireerde Schrift is voldoende om de mens Gods volledig toe te rusten.

Daaruit volgt de leerstellige overtuiging dat de bijzondere, funderende openbaring van de apostolische tijd niet voortdurend hoeft te worden voortgezet.

Deze overtuiging wordt vaak aangeduid als het afgesloten karakter van de bijzondere openbaring.

Dat betekent niet dat de Heilige Geest niet langer werkzaam is.

Het  betekent dat Zijn werk vandaag niet afhankelijk is van nieuwe gezaghebbende boodschappen die aan het apostolische getuigenis worden toegevoegd.

De Gemeente bezit in de Bijbel een betrouwbaar en voldoende getuigenis van Gods geopenbaarde waarheid.

 

Zelfs een engel uit de hemel mag het Evangelie niet veranderen

Misschien is de scherpste waarschuwing wel te vinden in Galaten 1:8:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)

Paulus is hier buitengewoon scherp.

Zelfs wanneer een engel uit de hemel zou verschijnen, mag zijn boodschap niet worden aanvaard wanneer zij afwijkt van het Evangelie.

Laat dat eens op je inwerken.

Een indrukwekkende bovennatuurlijke verschijning is dus geen bewijs dat de boodschap betrouwbaar is.

Niet de ervaring bepaalt de waarheid.

Niet de verschijning bepaalt de waarheid.

Niet de status van de boodschapper bepaalt de waarheid.

Het reeds verkondigde Evangelie is de maatstaf.

Dat maakt veel moderne aanspraken op bijzondere openbaring buitengewoon kwetsbaar.

Want wanneer zelfs een engel niet het recht heeft om het Evangelie te veranderen, welk recht zou een hedendaagse profeet dan hebben om nieuwe leerstellige waarheden aan de Gemeente op te leggen?

Geen.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

De grote behoefte van de Gemeente is niet een nieuwe generatie ‘profeten’ die ons vertelt wat God zogenaamd nu pas wil openbaren.

Zij heeft geen nieuwe ‘apostelen’ nodig die een tweede fundament leggen.

Zij heeft geen geestelijke elite nodig die toegang claimt tot verborgen kennis uit de hemel.

Wat de Gemeente nodig heeft, is een terugkeer naar het gezag, de betrouwbaarheid en de genoegzaamheid van de Bijbel.

Naar de verkondiging van de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus.

Naar het Evangelie van Gods genade.

Naar gezond Bijbels onderwijs waarin de Schrift wordt uitgelegd in plaats van verdrongen door persoonlijke ervaringen.

Dit vraagt om geestelijke onderscheiding, maar ook om nederigheid.

Want niemand van ons staat boven het Woord.

Geen voorganger. Geen Bijbelleraar. Geen evangelist. Geen apostel of profeet die vandaag aanspraak maakt op bijzonder gezag.

Ook ik niet.

Iedere leerstelling moet aan de Schrift worden getoetst.

En waar de Schrift duidelijk spreekt, hoort de mens gewoon te luisteren.

 

God hééft gesproken. Luisteren wij nog?

Het probleem van onze tijd is niet dat God te weinig heeft gezegd.

Het probleem is dat we vaak te weinig aandacht schenken aan wat Hij heeft gezegd.

We zoeken het bijzondere, terwijl het geïnspireerde Woord voor ons ligt.

We luisteren naar mensen die beweren namens God te spreken, terwijl we nauwelijks onderzoeken wat God Zelf in de Schrift heeft laten vastleggen.

We verlangen naar nieuwe openbaringen, terwijl de rijkdom van de al gegeven openbaring voor velen grotendeels onbekend blijft.

Dat is geen geestelijke vooruitgang.

Dat is een gevaarlijke verschuiving van Gods objectieve waarheid naar menselijke subjectiviteit.

De Here Jezus Christus is Gods beslissende openbaring. De Heilige Schrift is Zijn geïnspireerde, gezaghebbende en voldoende Woord voor de Gemeente.

Wie méér gezaghebbende openbaring zoekt dan God ons heeft toevertrouwd, loopt het gevaar minder waarde te hechten aan wat Hij reeds heeft gegeven.

De hoogste vorm van geestelijkheid is niet dat iemand voortdurend nieuwe woorden van God beweert te ontvangen.

Het is dat hij gelooft, bewaart en gehoorzaamt wat God heeft gesproken.

We hebben geen nieuw woord van God nodig.

We moeten terug naar het Woord van God.

 

 

Het nieuwe verbond: van wet naar genade en vrijheid

Wat het nieuwe verbond betekent

Wat betekent het nieuwe verbond? Ontdek het verschil tussen wet en genade, Gods beloften aan Israël, Christus als Middelaar en de vrijheid waarin de gelovige vandaag mag leven.

Van wet naar genade en vrijheid in Jezus Christus

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is niet zomaar een detail uit het verleden. Het raakt aan de kern van de verhouding tussen God en de mens en aan de vraag hoe een gelovige vandaag hoort te leven.

Waar de religieuze mens vaak vastzit in een stelsel van regels, verplichtingen en menselijke verwachtingen, vinden we in het nieuwe verbond de heerlijke beloften van God, gegrond op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Niet de prestaties van de mens staan centraal, maar Gods genade. Niet de uiterlijke dwang van de wet, maar een innerlijke verandering van het hart. Niet de voortdurende angst tekort te schieten, maar de zekerheid van wat Christus heeft volbracht.

Maar wat betekent het nieuwe verbond werkelijk? Wat is het verschil met het oude verbond, voor wie is het bestemd en wat betekent dit alles voor de gelovige vandaag?

Het nieuwe verbond

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond

Van voorwaardelijke gehoorzaamheid naar Gods beloften

Om de draagwijdte van het nieuwe verbond te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de aard van het oude verbond.

Het oude verbond, dat God bij de Sinaï met het volk Israël sloot, was een voorwaardelijk verbond. Het werd gekenmerkt door het woord “indien”:

“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn.” (Exodus 19:5, STV)

Het volk antwoordde daarop vol overtuiging:

“Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen!” (Exodus 19:8, STV)

Daarmee nam Israël de verplichtingen van het verbond op zich. De zegeningen van het verbond waren verbonden aan gehoorzaamheid en op ongehoorzaamheid rustte de vloek.

Het probleem lag niet bij de wet zelf. Paulus schrijft immers dat de wet heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7:12). Het probleem lag bij de mens, die vanwege de zwakheid van het vlees niet in staat was aan Gods rechtvaardige eisen te voldoen.

De wet kon de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet rechtvaardigen. Zij maakte de overtreding openbaar, maar kon geen nieuw leven schenken.

Daarom spreekt Paulus over de bediening van de dood, die met letters in stenen was ingeschreven (2 Korinthe 3:7).

 

Het oude verbond stelde eisen aan de mens. Het nieuwe verbond stelt Gods eigen beloften en handelen op de voorgrond.

Dat verschil komt bijzonder duidelijk naar voren in Hebreeën 8:

“Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere.” (Hebreeën 8:8-9, STV)

Let op het verschil.

Onder het oude verbond klonk het:

“Indien gij zult gehoorzamen.”

Onder het nieuwe verbond klinkt telkens Gods eigen belofte:

“Ik zal.”

God neemt Zelf het initiatief. Het nieuwe verbond is niet gebouwd op de beloften die de mens aan God doet, maar op de beloften die God Zelf geeft.

De grondslag daarvan is het bloed van de Here Jezus Christus, Die door Zijn dood de verzoening heeft aangebracht en door Zijn opstanding eeuwig leeft.

 

Voor wie is het nieuwe verbond bestemd?

Hier moeten we goed lezen wat de Schrift zegt.

God spreekt in Jeremia 31:31 en Hebreeën 8:8 uitdrukkelijk over het sluiten van een nieuw verbond met het huis van Israël en het huis van Juda.

Dat kunnen we niet zomaar veranderen in “de Gemeente”.

Het nieuwe verbond hoort tot de beloften die God aan Israël heeft gedaan. Dat God deze beloften zal vervullen, staat vast, want Zijn trouw aan Israël is niet afhankelijk van de trouw van de mens.

Betekent dit dan dat de Gemeente van Jezus Christus geen deel heeft aan de zegeningen die met het nieuwe verbond verbonden zijn?

Nee!

De Here Jezus sprak bij de instelling van het avondmaal:

“Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.” (Lukas 22:20, STV)

En Paulus schrijft aan de Korinthiërs over de bediening van het nieuwe testament, niet van de letter, maar van de Geest (2 Korinthe 3:6).

Gelovigen uit de volken delen dus nu al in de geestelijke zegeningen die gegrond zijn op het bloed van Christus: vergeving van zonden, rechtvaardiging, vrede met God en het nieuwe leven door de Geest.

Maar dat betekent niet dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.

De Gemeente is het Lichaam van Christus, terwijl Gods verbondsbeloften aan Israël hun eigen betekenis en toekomstige vervulling behouden.

Delen in de zegeningen van het nieuwe verbond is niet hetzelfde als de plaats innemen van degenen aan wie God dat verbond heeft beloofd.

Dat onderscheid zien voorkomt dat de beloften van God aan Israël worden vergeestelijkt of aan een ander volk worden toegeschreven.

 

Gods wet geschreven in het hart

Een tweede groot verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is de plaats waar Gods wet wordt geschreven.

Onder het oude verbond was de wet op stenen tafelen geschreven. Zij kwam van buitenaf tot de mens en stelde eisen aan zijn handelen.

Maar het nieuwe verbond spreekt over een verandering van binnenuit:

“Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Hebreeën 8:10, STV)

De tegenstelling is indrukwekkend.

Niet langer uitsluitend een gebod dat van buitenaf wordt opgelegd, maar Gods onderwijs dat een plaats krijgt in het verstand en het hart.

Paulus gebruikt in 2 Korinthe 3:3 de uitdrukking “vlezen tafelen des harten”.

Het gaat hier niet om de gedachte dat de mens door eigen inspanning alsnog de wet moet leren volbrengen. Het gaat om Gods werk in de mens.

Voor de gelovige in Christus betekent dit dat hij niet langer zijn rechtvaardiging of aanvaarding bij God hoeft te zoeken door het onderhouden van de wet.

Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Zijn denken wordt vernieuwd door het Woord van God en zijn wandel wordt bepaald door de Geest.

Daarom schrijft Paulus:

“Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” (Galaten 5:18, STV)

Dat is een wezenlijk verschil.

Een gelovige leeft niet vanuit de gedachte:

“Wat moet ik allemaal doen om door God aanvaard te worden?”

Hij mag leven vanuit de zekerheid: “In Christus ben ik door genade aanvaard, en vanuit dat nieuwe leven mag ik God dienen.”

De vrucht van dat leven komt niet voort uit uiterlijke dwang, maar uit het werk van Gods Geest.

 

Jezus Christus als Middelaar van het nieuwe verbond

Onder het oude verbond dienden priesters uit de stam Levi in een aards heiligdom.

Hun priesterdienst was tijdelijk en moest telkens opnieuw worden voortgezet. De offers werden voortdurend herhaald, omdat zij de zonden niet definitief konden wegnemen.

Die hele dienst wees vooruit naar een grotere werkelijkheid.

De Here Jezus Christus is de volmaakte Hogepriester, Die niet in een aards heiligdom dient, maar in de hemel Zelf.

“De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen.” (Hebreeën 8:1, STV)

En verder:

“En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.” (Hebreeën 8:6, STV)

Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Zijn priesterschap is niet tijdelijk, maar eeuwig.

Zijn offer hoeft niet herhaald te worden, want Hij heeft Zichzelf eenmaal geofferd.

Daarom rust de verhouding tussen God en de gelovige niet op de wisselende prestaties van de mens, maar op het volbrachte werk van Christus.

Hij leeft om voor de Zijnen te bidden.

De zekerheid van ons behoud ligt dus niet in onze eigen kracht, maar in Hem.

De belofte van het nieuwe verbond luidt:

“Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.” (Hebreeën 8:12, STV)

Wat een geweldige tegenstelling met een religieus systeem waarin de mens voortdurend bezig is zijn schuld af te betalen!

Christus heeft de schuld gedragen. De verzoening is volbracht. De gelovige mag daarom rusten in wat Hij heeft gedaan.

 

Leven onder de genade: vrijheid in Christus

Wat betekent dit alles voor het dagelijkse leven?

Het verschil tussen wet en genade is niet slechts een leerstellig onderwerp waarover men kan discussiëren. Het heeft directe gevolgen voor de manier waarop een gelovige denkt, leeft en met anderen omgaat.

 

Niet handelen uit dwang, maar vanuit het nieuwe leven

Onder een wettisch systeem staat de verplichting centraal.

“Je moet dit.”

“Je mag dat niet.”

“Als je werkelijk een goede gelovige bent, dan behoor je…”

Zo ontstaat een godsdienstig leven waarin de mens voortdurend bezig is aan verwachtingen te voldoen.

Maar Paulus beschrijft het leven van de gelovige heel anders:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20, STV)

Dát is de kern van het nieuwe leven.

Niet het oude leven verbeteren door steeds meer regels toe te voegen, maar leven vanuit de verbondenheid met Christus.

De gelovige dient God niet om daardoor Zijn liefde te verdienen, maar omdat hij die liefde in Christus heeft leren kennen.

Er ontstaat een innerlijk verlangen om te doen wat God behaagt.

Niet omdat iemand voortdurend over zijn schouder meekijkt, maar omdat Gods Woord zijn denken en verlangen vormt.

Daarbij mogen we niet vergeten dat de gelovige nog steeds te maken heeft met de strijd tussen vlees en Geest. Het nieuwe leven betekent niet dat alles automatisch volmaakt gaat.

Maar de drijfveer is veranderd.

Niet: “Ik moet gehoorzamen om aangenomen te worden.”

Maar: “Omdat ik in Christus ben aangenomen, wil ik leven tot eer van Hem.”

 

Vrijheid van menselijke regels en onderlinge veroordeling

Een van de grote gevaren van godsdienst is dat menselijke voorschriften geleidelijk dezelfde plaats krijgen als het Woord van God.

Men gaat elkaar beoordelen op uiterlijke kenmerken, gewoonten, tradities en regels die nergens als verplichting in de Schrift worden opgelegd.

Paulus waarschuwt daar nadrukkelijk tegen:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” (Galaten 5:1, STV)

De vrijheid in Christus betekent niet dat zonde onbelangrijk geworden is, maar dat de gelovige niet langer onder het juk van de wet of menselijke godsdienstige voorschriften leeft.

Ook het nieuwe verbond bevat een heerlijke belofte:

“En zij zullen niet leren, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.” (Hebreeën 8:11, STV)

Deze belofte heeft in de eerste plaats betrekking op Israël en de toekomstige vervulling van het nieuwe verbond.

Tegelijk kennen gelovigen vandaag al de werkelijkheid van een persoonlijke verhouding met God door Jezus Christus.

Daarvoor hebben zij geen menselijke priester of religieuze tussenpersoon nodig.

Christus is de Middelaar.

Dat sluit onderlinge vermaning, onderwijs en geestelijke zorg niet uit. De Schrift roept gelovigen immers op elkaar te onderwijzen en te dienen.

Maar niemand heeft het recht zichzelf op te werpen als de heerser over het geweten van een ander.

De Gemeente hoort geen plaats van geestelijke controle te zijn, maar een gemeenschap waarin Christus centraal staat en Zijn Woord het hoogste gezag heeft.

 

Vrijmoedig naderen tot de Vader

Onder het oude verbond was de toegang tot het heilige der heiligen beperkt.

Slechts de hogepriester mocht daar binnengaan, eenmaal per jaar, en niet zonder bloed.

Maar door het offer van de Here Jezus Christus is de weg tot God geopend.

De gelovige hoeft niet langer op afstand te blijven staan.

Hij mag vrijmoedig naderen tot de troon der genade.

Niet omdat hij zonder tekortkomingen is, maar omdat Christus de toegang heeft geopend.

Daarom mag hij zijn vertrouwen niet stellen op zijn eigen godsdienstige prestaties, maar op de trouw van de Here Jezus Christus.

Paulus verwoordt die zekerheid op indrukwekkende wijze:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (Romeinen 8:38-39, STV)

Wat een rust geeft dat!

Onze gemeenschap met God rust niet op de vraag of wij vandaag voldoende hebben gepresteerd.

Deze is gegrond op de Here Jezus Christus, Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

Wat betekent het nieuwe verbond voor gelovigen vandaag?

Het nieuwe verbond laat zien dat Gods weg tot verlossing niet ligt in de pogingen van de mens om zichzelf door wetsgehoorzaamheid rechtvaardig te maken.

De wet maakt de zonde openbaar, maar Christus heeft gedaan wat de mens zelf niet kon doen.

In Hem vinden wij vergeving, rechtvaardiging en vrede met God.

Voor de gelovige betekent dit een leven vanuit de genade.

Het betekent dat wij Gods Woord niet benaderen als een verzameling voorschriften waarmee wij ons behoud moeten verdienen, maar als de waarheid waardoor ons denken vernieuwd wordt.

Het betekent ook dat wij niet langer gebonden zijn aan menselijke godsdienstige systemen die ons voortdurend opnieuw onder een juk van verplichtingen willen brengen.

Onze vrijheid is echter geen vrijheid om naar het vlees te leven.

Paulus schrijft:

“Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde.” (Galaten 5:13, STV)

De vrijheid van de gelovige is dus geen wetteloosheid.

Het is de vrijheid om God te dienen zonder de slavernij van het wetticisme.

Een leven waarin niet de angst voor veroordeling, maar de liefde van Christus de drijfveer is.

 

Samengevat: niet onder de wet, maar levend uit genade

Het nieuwe verbond is gegrond op Gods beloften en op het bloed van de Here Jezus Christus.

Het werd door God beloofd aan Israël en Juda, en die beloften behouden hun eigen betekenis en vervulling.

Tegelijk mogen gelovigen uit de volken vandaag delen in de geestelijke zegeningen die door Christus werkelijkheid zijn geworden.

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond laat zien hoe groot de tegenstelling is tussen menselijke inspanning en goddelijke genade, tussen een uitwendige wet en een innerlijke vernieuwing, tussen de voortdurende herhaling van offers en het ene, volkomen offer van Christus.

Daarom mag het leven van een gelovige geen wettisch keurslijf zijn.

Wie in Christus is, hoeft niet voortdurend te proberen Gods aanvaarding te verdienen.

Hij mag leven vanuit wat hem in Christus geschonken is.

 

Wanneer het Woord van God rijkelijk in ons woont, verandert ons denken en wordt ons handelen steeds meer gevormd door de waarheid.

Niet door dwang van buitenaf, maar door het werk van Gods Geest.

Niet leven om genade te verdienen, maar leven omdat genade ons geschonken is.

Dát is de vrijheid waarin Christus ons heeft gesteld.

lees ook:

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights