Sterker nog, het is een Bijbelse opdracht
Bijbels toetsen, of moet je alles geloven wat ‘van God’ komt?
Er is iets merkwaardigs aan de hand in bepaalde christelijke kringen. Bijbels toetsen wordt daar soms bijna als een teken van ongeloof beschouwd.
Zodra iemand zegt:
“God heeft mij laten zien…”
“De Heilige Geest zei tegen mij…”
“Ik ontving een profetisch woord…”
“Hier rust een bijzondere zalving op…”
lijkt daarmee elk kritisch onderzoek beëindigd te moeten zijn.
Wie vervolgens de eenvoudige vraag stelt:
“Waar staat dat eigenlijk in de Bijbel?”
kan zomaar worden weggezet als kritisch, verstandelijk, ongelovig of zelfs ongeestelijk.
Maar volgens de Bijbel is juist het tegenovergestelde waar.
Geestelijke claims toetsen is geen ongeloof, maar gehoorzaamheid aan Gods Woord
De Schrift draagt christenen op om leringen, profetieën en geestelijke verschijnselen te beproeven. Juist wanneer iemand beweert dat iets rechtstreeks van God afkomstig is, behoort de gelovige niet minder, maar méér onderscheidingsvermogen te gebruiken.

Bijbels toetsen is een opdracht van God
Paulus schrijft:
“Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:20-21, STV)
Dat is heel mooi in evenwicht.
Paulus zegt niet dat alles onmiddellijk verworpen moet worden. Maar hij zegt evenmin dat alles onmiddellijk moet worden aangenomen.
Beproeft alle dingen.
Daarna pas volgt:
behoudt het goede.
In die volgorde.
Het laatste is onmogelijk zonder het eerste.
Wie alles automatisch aanneemt omdat er het etiket “van God” op geplakt wordt, handelt dus niet bijzonder geestelijk. Hij slaat eenvoudig een Bijbelse opdracht over.
De Schrift leert geen goedgelovigheid, maar leert onderscheiding.
Beproeft de geesten: niet iedere geest is uit God
Johannes maakt dat nog explicieter:
“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” (1 Johannes 4:1, STV)
Let vooral op de eerste woorden:
“Gelooft niet…”
Dat klinkt in een tijd waarin “je moet ervoor openstaan” soms bijna als de hoogste geestelijke deugd wordt beschouwd tamelijk nuchter.
Johannes gebiedt niet dat wij iedere geestelijke manifestatie eerst moeten omarmen. Hij zegt dat wij moeten beproeven of zij uit God zijn.
Waarom?
Omdat niet alles wat zich als geestelijk aandient uit God afkomstig is.
Daarmee vallen verschillende populaire argumenten onmiddellijk af.
“Maar ik voelde Gods aanwezigheid.”
“Er hing zo’n enorme kracht.”
“Er gebeurde van alles in de zaal.”
“Mensen vielen op de grond.”
“Iedereen voelde dat God bezig was.”
“Er gebeurden bovennatuurlijke manifestaties”
Dat kan allemaal erg indrukwekkend zijn. Maar geen van die dingen beantwoordt de belangrijkste vraag:
Is het echt uit God?
Een ervaring kan echt zijn zonder dat onze verklaring van die ervaring waar is.
Waarom profetie Bijbels getoetst moet worden
Paulus schrijft over de samenkomst:
“En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen.” (1 Korinthe 14:29, STV)
Dat vers alleen al haalt een merkwaardige moderne gedachte onderuit.
Soms wordt namelijk gesuggereerd dat het gevaarlijk zou zijn om een vermeende profetie kritisch te beoordelen. Stel je immers voor dat je iets bekritiseert wat werkelijk van de Heilige Geest afkomstig is.
Maar Paulus redeneert precies andersom.
Omdat iets als profetie wordt uitgesproken, moet het beoordeeld worden.
De uitspraak
“God zegt…”
beëindigt de toetsing dus niet.
Daar begint het.
Dat is logisch. Wie beweert namens God te spreken, legt een buitengewoon zware claim neer. Hij verbindt de Naam en het gezag van God aan zijn eigen woorden.
Zo’n claim vraagt niet om minder onderzoek.
Integendeel, Zo’n claim roept om méér onderzoek.
De Bereërs toetsten óók de prediking van Paulus
Een van de mooiste voorbeelden van Bijbels toetsen vinden we in Handelingen:
“En dezen waren edeler dan die te Thessalonica, als die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)
Wie stond daar te prediken?
Paulus.
Geen willekeurige internetprediker. Geen zelfbenoemde omhooggevallen moderne apostel. Geen rondreizende conferentiespreker met een indrukwekkende titel.
De apostel Paulus.
En de Bereërs onderzochten of hetgeen hij verkondigde overeenkwam met de Schriften.
Lukas verwijt hun dat niet.
Hij noemt hen juist edeler.
Daaruit volgt een buitengewoon gezond principe:
Een betrouwbare Bijbelleraar hoeft niet bang te zijn voor een geopende Bijbel.
Een leraar die de waarheid verkondigt, kan rustig zeggen:
Onderzoek het. Lees de context. Controleer mijn woorden. Kijk of het werkelijk zo geschreven staat.
Waarheid heeft geen beschermingsconstructie tegen onderzoek nodig.
Wonderen zijn zeker geen bewijs dat iets ‘van God’ komt
Hier gaat het eveneens regelmatig gierend mis.
Er gebeurt iets buitengewoons. Iemand lijkt genezen. Een voorspelling lijkt uit te komen. Er vindt een indrukwekkende manifestatie plaats.
En vervolgens klinkt:
“Zie je wel? God is hier aan het werk.”
Maar die conclusie is Bijbels gezien veel te snel.
De Here Jezus waarschuwde:
“Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.” (Mattheüs 24:24, STV)
Paulus spreekt zelfs over:
“…alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen.” (2 Thessalonicenzen 2:9, STV)
Een wonderlijk verschijnsel bewijst dus niet automatisch dat God de bron ervan is.
Dat is belangrijk.
Want wanneer het wonder zelf het bewijs wordt dat de boodschap waar is, hebben we de Bijbelse volgorde omgedraaid.
De Schrift zegt niet:
Er gebeuren wonderen, dus geloof de boodschap.
De Schrift waarschuwt ons dat indrukwekkende verschijnselen onderdeel van misleiding kunnen zijn.
Daarom blijft toetsing noodzakelijk.
Ook een engel staat niet boven het Evangelie
Paulus drijft het principe in Galaten tot het uiterste:
“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)
Stel je dat eens voor.
Een bovennatuurlijke verschijning.
Een engel.
Een indrukwekkende boodschap.
Wat moet de gelovige doen?
Niet denken:
Dit is zo bovennatuurlijk dat het wel van God móét zijn.
Zelfs een engel krijgt geen toestemming om de reeds geopenbaarde waarheid terzijde te schuiven.
Daarmee hebben we een fundamenteel uitgangspunt te pakken:
De ervaring beoordeelt niet het Woord. Het Woord beoordeelt de ervaring
Niet de profetie verklaart wat wij moeten geloven.
Niet de droom.
Niet het visioen.
Niet het gevoel.
Niet de manifestatie.
Niet degene die beweert rechtstreeks van God gehoord te hebben.
Gods geopenbaarde Woord is en blijft dé maatstaf
‘Raak Gods gezalfde niet aan’ is ook al geen verbod op toetsing
En dan verschijnt soms een van de bijdehandste verdedigingsmechanismen tegen kritische vragen:
“Raak Gods gezalfde niet aan.”
Dat klinkt best wel indrukwekkend.
Maar het wordt problematisch wanneer zo’n uitspraak gebruikt wordt alsof bepaalde leiders daardoor een geestelijke uitzonderingspositie hebben gekregen.
Alsof er een onzichtbaar bordje om hun nek hangt:
NIET CONTROLEREN WANT GODDELIJK BESCHERMD
Geen voorganger, prediker, bijbelleraar, apostel of profeet krijgt echter vrijstelling van:
“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)
Ook “gij zult niet oordelen” kan niet als universeel verbod op inhoudelijke beoordeling worden gebruikt. Anders zou Paulus zichzelf tegenspreken wanneer hij ons voorhoudt dat profetische uitspraken door anderen beoordeeld moeten worden.
De Bijbel veroordeelt hypocriet en zelfverheffend veroordelen.
Maar verbiedt geen geestelijke onderscheiding.
De Bijbel gebiedt die.
Hoe geestelijker de claim, hoe noodzakelijker de toets
Hier mag het best schuren.
Wanneer iemand zegt:
“Volgens mij betekent deze tekst…”
dan presenteert hij een uitleg die onderzocht kan worden.
Maar wanneer iemand zegt:
“God zei tegen mij dat…”
verandert de zaak.
Want nu wordt Gods eigen gezag verbonden aan menselijke woorden.
Juist daarom zou binnen de Gemeente nooit de regel mogen gelden:
Hoe groter de geestelijke claim, hoe minder vragen je mag stellen.
De Bijbelse houding is precies omgekeerd:
Hoe groter de geestelijke claim, hoe zorgvuldiger en noodzakelijker de toetsing.
Wie zegt namens God te spreken, vraagt niet om minder onderzoek.
Hij geeft juist méér aanleiding tot toetsing.
Als Bijbels toetsen als on-geestelijk wordt weggezet
En hier begint het echt ongemakkelijk te worden.
Wat moeten we denken van een geestelijk klimaat waarin mensen geleerd wordt hun verstand / onderscheidingsvermogen uit te schakelen?
Niet nadenken, gewoon ontvangen.
Kom uit je hoofd.
Je verstand zit de Heilige Geest in de weg.
Door jouw kritiek kan God niet werken.
Pas op dat je de Heilige Geest niet bedroeft.
Je moet leren je geestelijke leiders te vertrouwen.
Op zichzelf gezien kunnen achter sommige van deze uitspraken heel andere bedoelingen zitten. Maar zodra zulke taal gebruikt wordt om Bijbelse toetsing te verhinderen, ontstaat er een zeer groot probleem.
Want dan wordt iets wat God gebiedt voorgesteld als iets wat God zou afkeuren.
Dat is wat in goed Nederlands ook wel een contradictio in terminis wordt genoemd
God zegt:
“…beproeft de geesten, of zij uit God zijn…” (1 Johannes 4:1, STV)
Een mens zegt:
“Je moet niet zo kritisch zijn.”
Dan is de vraag uiteindelijk niet zo ingewikkeld:
Naar wie luisteren we?
Een bediening die zenuwachtig wordt van toetsing roept vragen op
Dat betekent niet dat iedere hotemetoot die een keer geïrriteerd reageert meteen een valse leraar is.
Maar wanneer een bediening structureel impliciet of expliciet Bijbelse toetsing ontmoedigt, verdient dat zeker aandacht.
Wanneer kritische vragen als rebellie worden beschouwd.
Wanneer een leider niet inhoudelijk hoeft te antwoorden omdat hij zogenaamd bijzonder gezalfd is.
Wanneer profetieën niet achteraf gecontroleerd mogen worden.
Wanneer aantoonbaar niet uitgekomen voorspellingen worden weggemasseerd.
Wanneer persoonlijke openbaringen feitelijk zwaarder wegen dan de Schrift.
Wanneer loyaliteit aan een leider belangrijker wordt dan trouw aan Gods Woord.
Wanneer degene die vragen stelt zelf het probleem wordt.
Dan moeten alle alarmbellen gaan knipperen.
Paulus waarschuwde de oudsten van Efeze:
“Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.” (Handelingen 20:29-30, STV)
Let vooral op die woorden:
“uit uzelven.”
Niet ieder geestelijk gevaar komt van buiten de Gemeente.
Soms komt het van binnenuit.
En soms staat het ook op het podium.
Geestelijke onderscheiding beschermt de Gemeente
Daarom moeten we ophouden Bijbelse toetsing tegenover liefde te plaatsen.
Alsof liefde betekent dat we alles dan maar zouden moeten verwelkomen.
Paulus schrijft over de liefde:
“…zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid.” (1 Korinthe 13:6, STV)
Liefde zonder waarheid verwordt tot sentimentaliteit.
Waarheid zonder liefde kan hard en liefdeloos worden.
Maar liefde en waarheid horen Bijbels bij elkaar.
Wie de Gemeente liefheeft, wil haar niet overleveren aan iedere wind van leer.
Wie broeders en zusters liefheeft, wil niet dat zij afhankelijk worden gemaakt van charismatische persoonlijkheden die zich aan toetsing onttrekken.
En wie de Here liefheeft, wil al helemaal niet dat menselijke gedachten worden verkocht onder het etiket:
“God heeft gesproken.”
Bijbels toetsen is daarom niet persé een aanval.
Het kan juist bescherming zijn.
Gods Woord is de maatstaf voor iedere geestelijke claim
Persoonlijk charisma is geen toetssteen.
Een volle zaal is geen toetssteen.
Een grote bediening is geen toetssteen.
Duizenden volgers zijn geen toetssteen.
Emotie is geen toetssteen.
Kippenvel is geen toetssteen.
Een indrukwekkend getuigenis is geen toetssteen.
Een genezingsclaim is geen toetssteen.
Een titel als apostel of profeet is geen toetssteen.
Een vermeende zalving is geen toetssteen.
En
“God zei tegen mij”
is geen bewijs dat God werkelijk gesproken heeft.
De Bereërs:
“…onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)
Dat is geen koude, verstandelijke vorm van christendom.
Dat is eerbied voor Gods Woord.
Want uiteindelijk gaat het niet om de vraag hoeveel indruk iets op ons maakt.
De vraag is:
Is het waar?
Beproeft alle dingen en behoudt het goede
Misschien moeten we daarom één tekst gewoon heel groot boven het podium of de kansel hangen:
“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)
Niet:
Beproeft alleen wat van buiten onze groep komt.
Niet:
Beproeft iedereen behalve onze favoriete prediker.
Niet:
Beproeft de leer, maar stel geen vragen over onze bijzondere geestelijke ervaringen.
Niet:
Beproeft alles behalve degene die zegt dat God rechtstreeks door hem spreekt.
Niks daarvan.
Er staat:
“alle dingen.”
Bijbels toetsen is dus geen gebrek aan geloof.
Het is juist een uiting van geloof.
We toetsen omdat waarheid ertoe doet. Omdat Gods Naam te heilig is om hem zomaar op iedere menselijke ingeving, indruk, profetie of ervaring te plakken. Omdat de Gemeente te kostbaar is om iedere wind van leer binnen te laten. En omdat God Zelf ons gewaarschuwd heeft dat niet alles wat geestelijk klinkt ook uit Hem afkomstig is.
Daarom blijft de opdracht staan:
“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)
Wanneer iemand zegt:
“Dit komt van God.”
hoeft het Bijbelse antwoord niet automatisch
“Amen”
te zijn.
Het mag ook zijn:
“Goed. Dan gaan we het toetsen aan Gods Woord.”
En wanneer iemand daar als door een wesp gestoken op reageert?
Dan is dat geen reden om minder te toetsen.
Dan is het misschien wel reden om nog even wat beter te kijken.
Zie ook:
“Krachtige zalving”: is dat eigenlijk wel Bijbels? – Bijbelse basis
Wat zegt de Bijbel over “de zalving”? – Bijbelse basis
Wanneer ‘zalving’ gezag wordt – Bijbelse basis
Autoriteit, integriteit en de macht van geladen taal – Bijbelse basis

