Christenen hebben geen collectieve schuld tegenover het Joodse volk
Over schuld, emotie en het noodzakelijke onderscheid tussen volk en staat
De vraag of christenen een schuld hebben tegenover het Joodse volk wordt vandaag zelden rustig gesteld. Is sterk beladen met emotie, historische trauma’s en politieke druk. Juist daardoor raakt een wezenlijk Bijbels onderscheid steeds opnieuw ondergesneeuwd: dat tussen het Joodse volk en de moderne staat Israël.
Wie dat onderscheid verliest, vervangt Schrift door sentiment.
Schuld is persoonlijk, niet collectief
De Bijbel kent geen erfelijke of collectieve schuld over generaties heen. Schuld is persoonlijk en concreet.
“De ziel die zondigt, die zal sterven.” (Ezechiël 18:4, STV)
Christenen van nu dragen geen geestelijke of morele schuld voor:
- de verwerping van Christus door de Joodse leiders in de eerste eeuw,
- de Romeinse kruisiging,
- middeleeuwse vervolgingen door kerkelijke machtsstructuren,
- de Shoah
- of modern antisemitisme.
Zonden uit het verleden kunnen en moeten benoemd en veroordeeld worden, maar dat is iets fundamenteel anders dan zeggen dat Christenen als zodanig blijvend schuldig staan tegenover het Joodse volk. Dat idee is moreel begrijpelijk, maar Bijbels onhoudbaar.

Wat zegt het Nieuwe Testament over Israël?
Paulus behandelt deze kwestie uitvoerig in Romeinen 9–11. Zijn benadering is opvallend nuchter en theologisch scherp.
Israël:
- heeft een unieke plaats naar verkiezing,
- is door God gebruikt in de heilsgeschiedenis,
- maar is niet collectief rechtvaardig,
- en staat, net als de heidenen, onder de noodzaak van geloof in Christus.
“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.” (Romeinen 9:6, STV)
Paulus spreekt tegelijk over:
- vijandschap tegenover het Evangelie,
- én blijvende verkiezing om der vaderen wil (Romeinen 11:28).
Dat leidt niet tot schuldgevoel bij heidengelovigen, maar tot ootmoed.
“Verhef u niet tegen de takken.” (Romeinen 11:18, STV)
Ootmoed is echter iets anders dan boetedoening namens anderen.
“Maar christenen hebben Joden vervolgd” – een eenzijdig argument
Vaak wordt als doorslaggevend argument aangevoerd dat Christenen door de eeuwen heen Joden hebben vervolgd, en dat hieruit een blijvende schuld voortvloeit. Dat argument klinkt moreel sterk, maar is historisch en Bijbels onvolledig. Het verhaal begon namelijk andersom.
In de eerste decennia na Christus waren het geen christenen, maar Joodse leiders die de eerste vervolgingen inzetten. De gemeente bestond aanvankelijk vrijwel volledig uit Joden, en werd vervolgd door de eigen volksgenoten. De steniging van Stefanus, de vervolging door Saulus vóór zijn bekering en het verbannen van gelovigen uit synagogen laten zien dat het conflict begon binnen het Jodendom zelf. Rome trad pas later op, en de kerk had in deze periode geen enkele politieke of maatschappelijke macht.
Dat verklaart de latere geschiedenis niet volledig maar is wel eerlijk. De vervolgingen door kerk en staat in de middeleeuwen waren reëel en verwerpelijk, maar zij kwamen voort uit een machtskerk die zich van het Evangelie had losgemaakt. Het Nieuwe Testament kent geen opdracht tot dwang, geweld of vervolging. Wat zich christelijk noemde, handelde vaak onchristelijk.
Daarom kan historische misdaad niet worden teruggeprojecteerd als theologische schuld. Schuld vraagt daders, geen erfgenamen. Wie dit onderscheid niet maakt, vervangt historische analyse door morele druk en gebruikt het verleden om hedendaagse theologie en politiek te sturen.
Dat christenen Joden hebben vervolgd is waar; dat het christelijk geloof daartoe oproept is onwaar, en dat het conflict zo begon evenmin.
Het cruciale onderscheid dat door emotie verdwijnt
Het Joodse volk
Het Joodse volk is:
- een historisch en etnisch volk,
- voortgekomen uit Abraham, Izak en Jakob,
- wereldwijd verspreid,
- geestelijk verdeeld.
Bijbels gezien is het volk:
- niet automatisch geestelijk Israël,
- niet collectief schuldig,
- maar ook niet collectief rechtvaardig.
Het Joodse volk is net als elk volk geroepen het Evangelie in geloof te aanvaarden.
De moderne staat Israël
De moderne staat Israël is:
- een politieke natiestaat,
- opgericht in 1948,
- met grenzen, leger, regering en wetgeving,
- grotendeels seculier van karakter.
Deze staat:
- is geen bijbels verbondssubject,
- is geen voortzetting van het oudtestamentische koninkrijk,
- draagt geen goddelijke onschendbaarheid.
- De Bijbel kent geen belofte aan een moderne natiestaat als zodanig.
Het verwarren van deze twee — volk en staat — is geen Bijbels inzicht, maar een emotionele reflex.
Waar emotie het denken overneemt
In de praktijk gebeurt vaak het volgende:
- historisch schuldgevoel leidt tot politieke steun,
- medelijden wordt theologie,
- trauma vervangt exegese.
Maar:
- emotie is geen hermeneutiek,
- geschiedenis is geen openbaring,
- politieke solidariteit is geen bijbelse plicht.
Christenen worden zo ongemerkt gedwongen:
- de staat moreel boven kritiek te plaatsen,
- politieke keuzes theologisch te heiligen,
- Bijbels onderscheid op te offeren aan sentiment.
Dat is geen liefde, maar verwarring.
Wat christenen wél verschuldigd zijn
Christenen hebben geen schuld, maar wel verantwoordelijkheid:
- liefde tegenover het Joodse volk,
- afwijzing van antisemitisme in elke vorm,
- ootmoed tegenover Gods verkiezend handelen,
- waarheid: Christus niet verzwijgen uit respect of angst.
“Er is onder de hemel geen andere Naam gegeven, door Welke wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4:12)
Genade maakt vrij, ook van morele chantage.
Wie het Joodse volk vereenzelvigt met de moderne staat, verwart verkiezing met politiek, Bijbel met emotie en genade met schuldgevoel.
God heeft een toekomst met Israël als volk.
Maar niet elke daad van een staat is een daad van God.
Wie dat onderscheid bewaart, doet recht aan de Schrift,
én voorkomt dat emotie het laatste woord krijgt.












