Hebben christenen schuld tegenover het Joodse volk?

Moeten christenen schuld belijden voor wat in het verleden in de naam van Jezus is misdaan tegenover het Joodse volk?

Het is een vraag die regelmatig terugkeert. Begrijpelijk, want de geschiedenis van het christendom kent gitzwarte bladzijden.

Joden zijn vervolgd, vernederd, gedwongen zich te bekeren en zelfs vermoord door mensen die zich christen noemden. Soms gebeurde dat met instemming van kerkelijke leiders. Soms waren die leiders zelf de aanstichters.

Daar kunnen we niet omheen. En dat moeten we ook niet willen.

Maar betekent dit dat christenen van vandaag schuldig zijn aan wat anderen eeuwen geleden hebben gedaan? Moeten wij namens vorige generaties schuld belijden tegenover het Joodse volk?

En hoe verhoudt die vraag zich tot onze houding tegenover Israël, de kruisiging van Christus en het antisemitisme dat ook vandaag nog voorkomt?

Wie daarop een Bijbels antwoord zoekt, zal een aantal zaken helder moeten onderscheiden.

Dragen christenen schuld naar het Joodse volk?
Dragen christenen schuld naar het Joodse volk?

Zwarte bladzijden

De vervolging van het Joodse volk is niet alleen een geschiedenis van politieke machthebbers en heidense volken. Ook de kerkgeschiedenis kent ernstige misstanden.

Denk aan de gedwongen bekeringen, de verdrijving van Joodse gemeenschappen, de beschuldigingen van rituele moord en de vervolgingen tijdens de kruistochten. In verschillende perioden werden Joden als tweederangsburgers behandeld, uitgesloten van beroepen of gedwongen in afzonderlijke wijken te wonen.

En het bleef niet beperkt tot de Rooms-Katholieke Kerk. Ook binnen het protestantisme heeft vijandschap tegenover Joden bestaan. De latere geschriften van Maarten Luther over de Joden zijn daarvan een beschamend voorbeeld.

Dat alles is des te schrijnender omdat het gebeurde onder de vlag van een geloof waarvan de Here Jezus Christus het middelpunt hoort te zijn.

Hoe kon men in Zijn naam handelen op een manier die zo lijnrecht inging tegen Zijn onderwijs?

De Here Jezus zei:

“Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen.” Mattheüs 5:44 (STV)

Wie Joden vervolgt, bedreigt of mishandelt, kan zich daarbij nooit op Christus beroepen. Zijn naam gebruiken maakt een daad nog niet christelijk.

En laten we daarbij niet de gemakkelijke uitweg kiezen door iedereen die zich aan zulke dingen schuldig maakte achteraf een naamchristen te noemen. Ook mensen die zichzelf oprecht als gelovigen beschouwden, hebben ernstig gedwaald en gezondigd.

De geschiedenis moet eerlijk verteld worden. Ook wanneer dat ongemakkelijk is.

 

Maar is de schuld van onze voorouders ook onze schuld?

Hier komen we bij de kern van de vraag.

Het is tegenwoordig niet ongebruikelijk dat christenen worden opgeroepen om namens eerdere generaties schuld te belijden. Men spreekt dan bijvoorbeeld over de schuld van de kerk tegenover het Joodse volk.

Maar wie is die kerk? En wie heeft die schuld?

Ben ik schuldig aan wat een bisschop in de middeleeuwen heeft gedaan? Draagt een gelovige vandaag persoonlijke schuld voor de antisemitische uitspraken van Luther? En kan iemand berouw hebben over een daad die hij zelf niet heeft begaan?

De Bijbel is zeer duidelijk over persoonlijke schuld.

“De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.” Ezechiël 18:20 (STV)

Dat is een belangrijk beginsel.

God rekent een mens niet de zonden van zijn voorouders toe. Een zoon is niet persoonlijk schuldig omdat zijn vader gezondigd heeft. En een christen van vandaag is niet persoonlijk schuldig omdat mensen die zich eeuwen geleden christen noemden, het Joodse volk hebben vervolgd.

Dat betekent niet dat het verleden geen gevolgen heeft. Zonden kunnen generaties lang doorwerken. Vooroordelen kunnen worden doorgegeven. Onrecht kan sporen nalaten die nog lang zichtbaar blijven.

Maar de gevolgen van vroegere zonden dragen is iets anders dan persoonlijk schuldig zijn aan die zonden.

Dat onderscheid moeten we willen zien.

 

En Daniël dan? Die beleed toch de zonden van zijn volk?

Een bekend bezwaar is dan dat Daniël in zijn gebed de zonden van Israël beleed.

“Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten.” Daniël 9:5 (STV)

Daniël spreekt inderdaad in de wij-vorm. Hij stelt zich niet buiten zijn volk, maar vereenzelvigt zich ermee.

Toch moeten we goed lezen wat hier staat.

Daniël hoort bij Israël, het volk waarmee God Zijn verbond had gesloten. Zijn gebed staat rechtstreeks in verband met de ongehoorzaamheid van Israël, de aangekondigde oordelen en de beloften die God aan dat volk had gedaan.

Daniël erkent de rechtvaardigheid van Gods weg met Israël. Hij bidt om ontferming en herstel.

Maar volgt daaruit dan dat iedere gelovige vandaag verplicht is schuld te belijden voor alle zonden die ooit door mensen met dezelfde geloofsnaam zijn gepleegd?

Nee. Die conclusie gaat veel verder dan de tekst ons toestaat.

Er bestaat een verschil tussen het erkennen van de zonden binnen een gemeenschap waartoe men behoort en het persoonlijk op zich nemen van schuld aan daden die anderen hebben begaan.

Een kerkelijke organisatie kan bovendien terecht verantwoordelijkheid nemen voor misstanden uit haar eigen geschiedenis. Zij kan onrecht erkennen, slachtoffers recht doen en afstand nemen van vroegere leerstellingen en praktijken.

Dat is toch iets anders dan te beweren dat iedere christen persoonlijk schuldig staat tegenover het Joodse volk.

 

De Bijbel waarschuwt juist tegen hoogmoed tegenover Israël

Dat christenen geen erfelijke schuld dragen, betekent zeker niet dat zij onverschillig tegenover het Joodse volk zouden mogen staan.

Integendeel.

Paulus richt zich in Romeinen 11 uitdrukkelijk tot gelovigen uit de heidenen. Hij waarschuwt ze tegen een houding van hoogmoed tegenover Israël.

“Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.” Romeinen 11:18 (STV)

Wat een ernstige waarschuwing!

De gelovigen uit de heidenen hebben geen enkele reden om zich boven Israël te verheffen. Zij hebben geen grond om neer te kijken op het volk waaruit, naar het vlees, de Christus is voortgekomen.

Paulus maakt bovendien duidelijk dat Gods beloften en roeping ten aanzien van Israël niet zijn verdwenen.

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” Romeinen 11:29 (STV)

Toch heeft juist op dit punt een ernstige ontsporing plaatsgevonden.

In grote delen van de kerkgeschiedenis groeide de gedachte dat God met Israël had afgedaan en dat de kerk definitief de plaats van Israël had ingenomen. Het Joodse volk werd vervolgens niet zelden beschouwd als een verworpen volk, dat vanwege zijn ongeloof onder een blijvende vloek zou staan.

Maar Paulus leert iets anders.

Hij spreekt over Israëls ongeloof, maar ook over Gods trouw. Hij waarschuwt de heidenen niet om zich op de borst te slaan, maar om te vrezen.

Hoe opmerkelijk is het dan dat juist onder mensen die de brief aan de Romeinen lazen, zoveel minachting voor Israël kon ontstaan?

Wie Romeinen 11 serieus neemt, kan geen ruimte geven aan christelijke hoogmoed tegenover het Joodse volk.

Wie is schuldig aan de kruisdood van Christus?

Eeuwenlang is het Joodse volk beschuldigd van de moord op Christus. Die beschuldiging werd vervolgens gebruikt om vijandschap en vervolging te rechtvaardigen.

Maar hier moeten we een belangrijke vraag stellen.

Wie is er schuldig aan de kruisdood van de Here Jezus?

Natuurlijk kunnen we wijzen op de historische gebeurtenissen. Op de Joodse leiders die Zijn dood verlangden. Op Pilatus, die Hem ondanks zijn overtuiging dat Hij onschuldig was, overleverde. Op de Romeinse soldaten die Hem kruisigden.

Maar daarmee hebben we nog lang niet alles gezegd.

Want waarom moest Christus eigenlijk sterven?

Paulus schrijft:

“Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;” Romeinen 3:23 (STV)

Allen!

Niet alleen de Joden. Niet alleen de Romeinen. Niet alleen de mensen die destijds bij de kruisiging betrokken waren.

Ook wij.

De Bijbel leert dat Christus gestorven is voor onze zonden. Dat is de kern van het Evangelie.

“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;” 1 Korinthe 15:3 (STV)

En Jesaja schreef eeuwen eerder:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” Jesaja 53:6 (STV)

Hier ligt de diepste oorzaak van het lijden en sterven van Christus.

Onze zonden.

In die zin zijn alle mensen schuldig aan de kruisdood van Christus.

Niet omdat ieder mens persoonlijk aanwezig was bij Golgotha of de historische handeling heeft uitgevoerd, heeft geroepen: “Kruisig Hem!”

Maar omdat allen gezondigd hebben en het offer van Christus noodzakelijk was voor onze verzoening met God.

Wie dat begrijpt, zal zich wel tweemaal bedenken voordat hij met een beschuldigende vinger naar het Joodse volk wijst.

Want wat zou ik daarmee zeggen? Dat hun zonden Christus aan het kruis brachten, maar de mijne niet?

De Schrift laat daar geen enkele ruimte voor.

Bovendien verklaart Petrus dat Christus is overgegeven naar Gods bepaalde raad en voorkennis (Handelingen 2:23). De kruisdood was geen onverwachte gebeurtenis waardoor Gods plan mislukte. Het was juist de vervulling van Zijn heilsplan.

Dat neemt de verantwoordelijkheid van de historische daders niet weg. Maar het laat zien dat de betekenis van het kruis veel verder reikt dan de gebeurtenissen in Jeruzalem.

En het maakt iedere gedachte aan een bijzondere, erfelijke schuld van het Joodse volk aan de kruisiging onhoudbaar.

Niet één volk heeft een Zaligmaker nodig. De hele wereld heeft een Zaligmaker nodig.

 

Liefde voor Israël betekent niet dat de staat Israël geen kritiek mag krijgen

Hier is nog een belangrijk onderscheid nodig. Een onderscheid dat in onze tijd heel makkelijk verloren gaat.

Wie het Joodse volk een warm hart toedraagt en gelooft dat God Zijn beloften aan Israël zal vervullen, hoeft daarom niet automatisch achter iedere beslissing van de huidige Israëlische regering te staan.

Het Bijbelse Israël, het Joodse volk en de moderne staat Israël zijn begrippen die met elkaar samenhangen, maar niet zonder meer samenvallen.

De staat Israël is een politieke realiteit met een regering, een leger en een rechtsorde. De beslissingen die daar genomen worden, mogen net als die van andere staten worden onderzocht en bekritiseerd.

Dat is geen antisemitisme.

Het is dan ook onjuist en oneerlijk om kritiek op het optreden van de Israëlische regering gelijk te stellen aan Jodenhaat. Toch gebeurt dat in het publieke debat. Daarmee dreigt het begrip antisemitisme zijn noodzakelijke scherpte te verliezen.

Want antisemitisme bestaat. Het is een ernstig kwaad dat bestreden moet worden. Joden worden nog altijd geconfronteerd met haat, bedreigingen, vijandigheid en vooroordelen,ook vanwege gebeurtenissen waarvoor zij persoonlijk geen enkele verantwoordelijkheid dragen.

Maar daarom moeten we heel zorgvuldig zijn met onze woorden.

Kritiek op een regering is niet hetzelfde als haat tegen een volk.

Wie Joden verantwoordelijk houdt voor alles wat de Israëlische staat doet, maakt zich schuldig aan een onrechtvaardige veralgemenisering. En wie antisemitische denkbeelden verpakt als politieke kritiek, kan zich niet verschuilen achter de vrijheid om een regering te bekritiseren.

Maar omgekeerd geldt ook dat iemand die concrete kritiek uit op het beleid of militaire optreden van Israël niet zonder meer van antisemitisme mag worden beschuldigd.

De Bijbel zelf geeft ons alle reden om dat onderscheid te maken.

Denk eens aan de profeten van Israël. Zij spaarden de koningen, priesters en leiders van hun eigen volk niet wanneer die zich schuldig maakten aan onrecht, onderdrukking of afgoderij.

Jesaja, Jeremia, Amos en andere profeten spraken soms buitengewoon scherp en hard tegen Israël.

Waren zij daarom vijanden van Israël?

Nee! Omdat zij namens God spraken, moesten zij het onrecht aanwijzen.

Gods trouw aan Israël betekende nooit dat de leiders van Israël boven Zijn oordeel verheven waren.

Waarom zouden wij dat vandaag dan wel zo moeten voorstellen?

Wie Gods beloften aan Israël serieus neemt, hoeft het handelen van de huidige Israëlische overheid niet kritiekloos te verdedigen.

En wie kritiek heeft op die overheid, hoeft daarmee Gods beloften aan Israël niet te ontkennen.

Bijbelse verbondenheid met Israël is geen blanco cheque voor politiek of militair handelen.

Dat is geen gebrek aan liefde voor het Joodse volk. Het is een kwestie van rechtvaardigheid.

 

Moeten christenen daarom hun mond houden over het Evangelie?

Soms wordt uit de pijnlijke geschiedenis een andere conclusie getrokken: christenen zouden tegenover Joden terughoudend moeten zijn met het Evangelie, omdat er in het verleden zoveel kwaad is aangericht in de naam van Jezus.

De gedachte daarachter is begrijpelijk. Maar is het ook Bijbels?

Paulus schrijft:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”  Romeinen 1:16 (STV)

Let op die woorden: eerst de Jood, en ook de Griek.

Het Evangelie is niet het eigendom van een kerkelijke organisatie. Het is Gods boodschap van genade en verzoening in de Here Jezus Christus.

Dat mensen in Zijn naam verschrikkelijke dingen hebben gedaan, maakt het Evangelie zelf niet schuldig.

Integendeel. Die geschiedenis laat ons zien hoe ver mensen kunnen afdwalen wanneer zij zich niet meer onderwerpen aan Gods Woord.

Betekent dit dat christenen zonder gevoel voor de geschiedenis het gesprek met Joodse mensen moeten aangaan? Natuurlijk niet.

Wie het Evangelie verkondigt, behoort dat te doen met liefde, respect en bescheidenheid. Niet vanuit een houding van superioriteit. Niet met dwang. Niet met minachting voor de Joodse afkomst of geschiedenis.

Maar ook niet vanuit de gedachte dat Jezus Christus voor het Joodse volk niet de Messias zou mogen zijn.

Dat zou een heel foute uitkomst zijn van een geschiedenis waarin juist Zijn naam zo vaak verkeerd is gebruikt.

 

Schuld belijden of verantwoordelijkheid nemen?

Misschien ligt hier wel het belangrijkste onderscheid.

Ik kan geen berouw hebben over een zonde die ik niet zelf heb begaan, alsof die zonde mijn persoonlijke daad was. Maar ik kan wel erkennen dat anderen verschrikkelijk hebben gehandeld. Ik kan mij daarvan uitdrukkelijk distantiëren. En ik kan ervoor waken dat dezelfde denkbeelden opnieuw ingang vinden.

Wanneer ik antisemitisme tegenkom, kan ik me daartegen uitspreken.

Wanneer iemand beweert dat God Israël heeft verworpen, kan ik de Schrift openen en laten zien wat Paulus daarover schrijft.

Wanneer het verleden wordt verdraaid of gebagatelliseerd, kan ik de waarheid verdedigen.

En wanneer een Joodse medemens geconfronteerd wordt met haat of bedreiging, mag ik niet onverschillig blijven.

Maar ik mag ook niet zwijgen wanneer het begrip antisemitisme wordt gebruikt om terechte kritiek op het handelen van een overheid te smoren.

Want rechtvaardigheid vraagt niet om selectieve verontwaardiging.

Daarvoor hoef ik geen schuld te belijden die niet de mijne is.

Sterker nog: een openbare schuldbelijdenis kan makkelijk een leeg gebaar worden wanneer het niet gepaard gaat met een Bijbelse houding in het heden.

Het gaat niet om de vraag of wij ons schuldig genoeg voelen over het verleden. Het gaat erom of wij vandaag rechtvaardig handelen.

 

Wat zijn christenen het Joodse volk dan verschuldigd?

Geen erfelijke schuld. Geen verplichting om persoonlijke verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de misdaden van eerdere generaties.

Maar wel liefde, eerlijkheid, respect en de bereidheid om op te komen tegen onrecht.

En bovenal: een houding die gevormd wordt door de Schrift.

Dat betekent dat wij het Joodse volk niet moeten idealiseren. Israël is, evenals ieder ander volk, bepaald niet vrij van zonde. De Bijbel spreekt daar zelf openlijk over.

Maar het betekent evenmin dat wij Israël mogen verachten of Gods beloften aan dat volk terzijde mogen schuiven.

De Schrift geeft ons geen ruimte voor antisemitisme, maar ook geen opdracht om uit schuldgevoel het onderscheid tussen Israël en de Gemeente uit te wissen.

En zij geeft ons evenmin een opdracht om iedere politieke beslissing van de moderne staat Israël als de wil van God te beschouwen.

Wij hoeven het verleden niet goed te praten om het Evangelie te verdedigen. Wij hoeven het Evangelie niet te verzwijgen om het verleden eerlijk onder ogen te zien. En wij hoeven een regering niet kritiekloos te steunen om het Joodse volk lief te hebben.

Wij zijn schuldig om hen met de Zoon in aanraking te brengen, dat wat Paulus aanhoudend deed.

Niet de schuld van anderen, maar onze eigen verantwoordelijkheid

De geschiedenis van de vervolging van het Joodse volk is ernstig. Vooral wanneer die vervolging plaatsvond in de naam van Hem Die leerde om zelfs onze vijanden lief te hebben.

Niet wegpoetsen dat.

Maar schuld is geen erfenis die zomaar van generatie op generatie wordt overgedragen. God houdt de mens verantwoordelijk voor zijn eigen handelen.

Tegelijk mogen we nooit vergeten dat er één geschiedenis is waarbij niemand van ons kan zeggen dat hij er niets mee te maken heeft:

De kruisdood van de Here Jezus Christus.

Niet omdat wij allemaal persoonlijk bij de kruisiging aanwezig waren, maar omdat wij allemaal gezondigd hebben.

Daarom is het zo fout om het Joodse volk een bijzondere schuld aan de dood van Christus toe te rekenen.

De vraag is niet of wij alsnog schuld moeten belijden voor wat anderen eeuwen geleden hebben gedaan.

De vraag is of wij onze eigen schuld tegenover God erkennen en bereid zijn te luisteren naar wat Hij in Zijn Woord zegt.

Over Israël. Over Zijn trouw. Over menselijke hoogmoed. Over de liefde tot onze naaste. Over rechtvaardigheid. En bovenal over de Here Jezus Christus, Die gekomen is om zondaren zalig te maken.

Christenen hebben geen geërfde schuld tegenover het Joodse volk. Maar zij hebben wel een verantwoordelijkheid tegenover God om het Joodse volk rechtvaardig en liefdevol te behandelen. Zonder antisemitisme. Zonder politieke blindheid. En zonder het Evangelie prijs te geven.

Want uiteindelijk hebben Jood en heiden precies hetzelfde nodig.

Niet een verklaring van historische onschuld.

Maar verzoening met God door de Here Jezus Christus.

 

Niet afkomst maar geloof: ook Israël heeft Jezus Christus nodig

Waarom ook Israël de Messias nodig heeft

God heeft Israël niet verworpen. Zijn beloften aan Abraham, Izak en Jakob staan vast. Maar betekent dat ook dat iedere nakomeling van Abraham daarom deelt in Gods heil? De Schrift geeft daarop een ondubbelzinnig antwoord. Niet natuurlijke afstamming, maar geloof is bepalend voor de zaligheid. Voor Jood én voor heiden.

Israël is uitverkoren. Maar waarvoor?

Wanneer het over Israël gaat, worden twee Bijbelse waarheden nogal eens tegenover elkaar gezet. Aan de ene kant heeft God Israël uitverkoren en aan dit volk bijzondere beloften gedaan. Aan de andere kan leert de Schrift dat bij God geen aanneming des persoons is.

Hoe kunnen beide waarheden naast elkaar bestaan?

Het antwoord is eenvoudig, zolang we onderscheid maken tussen Gods verkiezing van een volk en het persoonlijke behoud van een mens.

Israël werd uitverkoren om een bijzondere plaats in Gods heilsplan in te nemen. Aan dit volk werden de woorden Gods toevertrouwd. Uit dit volk zou de Messias voortkomen. Israël was geroepen om Gods Naam bekend te maken onder de volkeren.

Paulus schrijft:

“Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis? Veel in alle manier. Want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.”

Romeinen 3:1-2 (Statenvertaling)

Dat is een geweldig voorrecht. Maar een voorrecht betekent nog géén persoonlijke zaligheid.

De verkiezing van Israël als volk betekent niet dat iedere Israëliet door zijn geboorte gerechtvaardigd is. Wie dat onderscheid uit het oog verliest, verwart Gods verbondsbeloften met de vraag hoe een zondaar behouden wordt.

Abraham werd gerechtvaardigd door geloof

Laten we beginnen bij Abraham zelf.

Waarom werd Abraham door God rechtvaardig gerekend? Was dat vanwege zijn afkomst? Nationaliteit? Besnijdenis? Gehoorzaamheid aan de wet?

Geen van deze dingen.

“En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”

Genesis 15:6

Abraham werd gerechtvaardigd door geloof. Niet door zijn afkomst, niet door de wet en zelfs niet door de besnijdenis, die hij pas later ontving.

Paulus maakt dit in Romeinen 4 uitvoerig duidelijk. De rechtvaardiging van Abraham vond plaats voordat hij besneden was. Daarmee laat de Schrift zien dat de besnijdenis niet de grond van zijn rechtvaardigheid was, maar een teken daarvan.

En dat is van groot belang.

Want wanneer zelfs Abraham, de stamvader van Israël, uitsluitend door geloof gerechtvaardigd werd, op welke grond zouden zijn nakomelingen dan langs een andere weg behouden kunnen worden?

De Schrift kent geen twee wegen tot God.

 

Niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël

Paulus schrijft in Romeinen 9:

“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”

Romeinen 9:6

Dat is een opmerkelijke uitspraak.

Paulus ontkent daarmee niet dat Israël als volk bestaat. Hij ontkent evenmin dat God Zijn beloften aan Israël zal vervullen. Maar hij maakt duidelijk dat natuurlijke afstamming op zichzelf geen aanspraak op persoonlijke zaligheid geeft.

Even verder schrijft hij:

“Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.”

Romeinen 9:8

Hier ligt het onderscheid.

Men kan naar het vlees van Abraham afstammen zonder te delen in het geloof van Abraham. Men kan deel uitmaken van het uitverkoren volk zonder persoonlijk een gelovige te zijn.

Dat was in de dagen van de profeten zo. Dat was in de dagen van Christus zo. En dat is vandaag niet anders.

Gods verkiezing van Israël als volk heeft de noodzaak van persoonlijke bekering nooit opgeheven.

Bij God is geen aanneming des persoons

De Bijbel laat er geen misverstand over bestaan dat God de mens niet beoordeelt naar zijn afkomst.

Petrus zegt:

“Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is.”

Handelingen 10:34

En Paulus schrijft:

“Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.”

Romeinen 3:22

Let op die laatste woorden:

“want er is geen onderscheid.”

Niet omdat Israël geen bijzondere plaats in Gods plan zou hebben. Die plaats heeft het weldegelijk. Maar als het gaat om de rechtvaardiging van een zondaar, bestaat er geen uitzondering.

De Jood wordt niet gerechtvaardigd omdat hij Jood is. De heiden wordt niet buitengesloten omdat hij geen Jood is.

Beiden staan als zondaren tegenover dezelfde heilige God. Beiden hebben dezelfde Verlosser nodig. En beiden worden uitsluitend door geloof gerechtvaardigd.

Wie voor Israël een andere weg tot God openhoudt dan voor de heidenen, komt daarmee tegenover de duidelijke woorden van de apostel Paulus te staan.

 

Jezus Christus is ook voor Israël de enige weg

Hier raakt het onderwerp aan een gevoelige kwestie.

Soms wordt gesteld dat christenen het Joodse volk niet met het Evangelie hoeven te benaderen. Israël heeft immers al een bijzondere verhouding tot God. Het volk heeft de wet, de profeten, de verbonden en de beloften.

Dat is waar. Maar daarmee is de vraag naar de zaligheid nog niet beantwoord.

Juist tegen Joden die de Schriften kenden en de God van Abraham vereerden, werd verkondigd:

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”

Handelingen 4:12

Petrus sprak deze woorden niet tot heidenen die nog nooit van de God van Israël hadden gehoord. Hij sprak tot de leiders van het Joodse volk.

Dat maakt zijn uitspraak zo krachtig.

Als de natuurlijke afstamming van Abraham voldoende zou zijn voor de zaligheid, waarom moest Petrus dan juist aan Israël de Naam van Jezus Christus verkondigen?

Waarom riep hij zijn volksgenoten op tot bekering?

Waarom schreef Paulus dat hij grote droefheid en voortdurende smart in zijn hart had over zijn broeders naar het vlees (Romeinen 9:1-3)?

En waarom bad hij voor hun zaligheid?

“Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid.”

Romeinen 10:1

Paulus bad om de zaligheid van Israël, omdat natuurlijke afstamming geen zaligheid garandeert.

Wie denkt dat Israël Christus niet nodig heeft, moet zich daarom ernstig rekenschap geven van deze woorden.

 

De zaligheid is uit de Joden, maar niet uitsluitend voor de Joden

De Here Jezus zei tegen de Samaritaanse vrouw:

“Want de zaligheid is uit de Joden.”

Johannes 4:22

Dat is een waarheid die geen christen mag vergeten.

De Messias is uit Israël voortgekomen. De Schriften zijn aan Israël toevertrouwd. Gods beloften zijn aan de vaderen gedaan.

Maar “uit de Joden” betekent niet “uitsluitend voor de Joden”.

Het Evangelie is Gods kracht tot zaligheid voor ieder die gelooft.

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”

Romeinen 1:16

Opnieuw is geloof het beslissende onderscheid.

Niet eerst de Jood omdat zijn afkomst hem redt, maar omdat God Zijn heil in de geschiedenis eerst aan Israël bekendmaakte.

En ook de Griek, omdat dezelfde genade zich uitstrekt tot de volkeren.

 

Heeft God Israël dan verworpen?

Nee.

Hier moeten we oppassen om van het ene uiterste in het andere terecht te komen.

Dat Israël niet automatisch behouden is vanwege zijn afkomst, betekent niet dat God Zijn beloften aan Israël heeft ingetrokken.

Paulus vraagt:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre.”

Romeinen 11:1

En even verder:

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”

Romeinen 11:29

God blijft trouw aan Zijn Woord, ook wanneer mensen ontrouw zijn.

Maar Gods trouw aan Zijn beloften betekent niet dat Hij ongeloof als geloof aanrekent.

Dat onderscheid is van doorslaggevend belang.

God heeft Israël niet voorgoed terzijdegeschoven. Zijn plan met het volk is niet afgelopen. De beloften aan Abraham, Izak en Jakob blijven staan.

Maar hun uiteindelijke vervulling betekent niet dat de noodzaak van bekering vervalt.

Integendeel: De toekomstige bekering van Israël maakt deel uit van Gods geopenbaarde plan.

 

Eerst bekering, dan terugverzameling

In Deuteronomium 30 spreekt Mozes over de toekomstige verstrooiing en terugverzameling van Israël.

Maar de volgorde waarin die gebeurtenissen worden genoemd, verdient bijzondere aandacht.

Eerst lezen we:

“En gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.”

Deuteronomium 30:2

Daarna volgt:

“En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.”

Deuteronomium 30:3

De volgorde is opmerkelijk.

Eerst de bekering. Daarna de door God beloofde terugverzameling.

Dat maakt het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen de huidige politieke staat Israël en de uiteindelijke vervulling van Gods beloften aan het volk.

Het bestaan van een Joodse staat is op zichzelf geen bewijs dat Israël als volk zich tot zijn Messias heeft bekeerd.

De hedendaagse terugkeer naar, en aanwezigheid in het land kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het volledige geestelijke en nationale herstel waarover de profeten spreken.

Want dat herstel omvat méér dan een geografische terugkeer.

Het omvat een verandering van hart, een terugkeer tot de HEERE en uiteindelijk de erkenning van Jezus Christus als de beloofde Messias.

Wie alleen naar het land kijkt en de bekering buiten beschouwing laat, mist het belangrijkste.

 

“En alzo zal geheel Israël zalig worden”

Romeinen 11:26 is een bekende tekst:

“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”

Wat betekent dit?

Betekent het dat iedere Israëliet die ooit heeft geleefd, ongeacht geloof of ongeloof, alsnog behouden wordt?

Nee. Dat zou rechtstreeks botsen met alles wat Paulus eerder over de rechtvaardiging door geloof heeft geschreven.

Het gaat om Gods toekomstige verlossing van Israël als volk. De Schrift verbindt die verlossing met het afwenden van de goddeloosheden van Jakob.

Paulus vervolgt namelijk:

“De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.”

Romeinen 11:26

En Jesaja 59:20 spreekt over degenen die zich bekeren van de overtreding in Jakob.

De toekomstige behoudenis van Israël staat dus niet los van de verlossing van de zonde.

God zal Zijn volk niet behouden door zijn ongeloof gewoon voorbij te zien. Hij zal het behouden door de Verlosser.

De beloofde toekomst van Israël is daarom geen alternatief voor het Evangelie. Zij bevestigt juist de noodzaak ervan.

 

Het woord is nabij: in uw mond en in uw hart

Er is nog een opmerkelijke verbinding tussen Deuteronomium 30 en Romeinen 10.

Mozes zegt:

“Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.”

Deuteronomium 30:14

Paulus haalt deze woorden aan en verklaart ze vanuit Christus.

“Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.”

Romeinen 10:8

En dan volgt:

“Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.”

Romeinen 10:9

Hier wordt goed zichtbaar waar het uiteindelijk om gaat.

De toekomstige bekering van Israël is niet eenvoudig een terugkeer naar uiterlijke wetsbetrachting. Het gaat om geloof in Hem Die door God uit de doden is opgewekt.

De Messias Die door velen onder Zijn eigen volk werd verworpen, is dezelfde Messias door Wie Israël behouden zal worden.

Niet door een andere weg.

Niet door natuurlijke afstamming.

Niet door nationale identiteit.

Maar door geloof.

 

De olijfboom: ongeloof breekt af, geloof doet staan

Romeinen 11 bevat nog een ernstige waarschuwing.

Paulus vergelijkt Israël met een olijfboom en spreekt over natuurlijke takken die werden afgebroken en wilde takken die werden ingeënt.

Waarom werden die natuurlijke takken afgebroken?

Paulus geeft zelf het antwoord:

“Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof.”

Romeinen 11:20

Dat is de kern van de zaak.

Niet hun Joodse afkomst was verkeerd. Niet Gods beloften waren verdwenen. Maar ongeloof was de oorzaak van hun afbreking.

En waardoor staan degenen die nu delen in de zegeningen?

Door geloof.

Daarom waarschuwt Paulus de gelovigen uit de heidenen ook om zich niet te verheffen boven de natuurlijke takken.

Er is geen enkele reden voor hoogmoed tegenover Israël.

Wie door geloof deel heeft gekregen aan Gods genade, kan zich daarop niet beroemen alsof hij die genade zelf heeft verdiend.

Ook hier staat niet afkomst tegenover afkomst, maar ongeloof tegenover geloof.

 

Israël tot jaloersheid verwekken: hoe dan?

Paulus leert dat de zaligheid naar de heidenen is gekomen om Israël tot jaloersheid te verwekken.

Maar hoe moet dat gebeuren?

Soms wordt gedacht dat christenen Israël vooral door hun levenswandel tot jaloersheid moeten brengen. Natuurlijk behoort een gelovige een leven te leiden dat overeenkomt met zijn belijdenis.

Maar Paulus legt de nadruk ergens anders.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”

Romeinen 10:17

Hoe kan iemand geloven in Hem van Wie hij niet heeft gehoord?

Daarom vraagt Paulus:

“En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?”

Romeinen 10:14

Het antwoord is duidelijk.

Israël heeft niet genoeg aan bewondering, sympathie of politieke steun. Het heeft, net als alle andere volkeren, het Evangelie nodig.

De grootste liefde die christenen het Joodse volk kunnen bewijzen, is daarom niet het bevestigen van een weg tot God buiten Christus om, maar het bekendmaken van de Messias Die uit hun eigen volk is voortgekomen.

Dat hoeft niet hooghartig of respectloos te gebeuren.

Integendeel. Wie beseft dat hijzelf uitsluitend door genade behouden is, heeft geen reden om zich boven een ander te verheffen.

Maar liefde mag nooit betekenen dat we de waarheid verzwijgen.

 

Eén Heer, één Evangelie, één weg tot zaligheid

De Bijbel eindigt niet bij een tegenstelling tussen Jood en heiden.

Hij wijst op één Heer, Die rijk is over allen die Hem aanroepen.

“Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen.”

Romeinen 10:12

En meteen daarna:

“Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.”

Romeinen 10:13

Een iegelijk.

Dáár ligt de ruimte van Gods genade.

De Jood wordt niet buitengesloten omdat Israël als volk de Messias heeft verworpen. De heiden wordt niet buitengesloten omdat hij geen nakomeling van Abraham naar het vlees is.

Maar evenmin wordt iemand behouden omdat hij tot een bepaald volk behoort.

Voor God is niet de natuurlijke afkomst beslissend, maar het geloof in Zijn Zoon.

Dat was waar voor Abraham.

Dat was waar in de dagen van de apostelen.

Dat is vandaag net zo waar.

En dat zal óók waar zijn wanneer Israël in de toekomst zijn Messias zal erkennen.

 

Gods trouw maakt geloof niet overbodig

De vraag of God nog een toekomst heeft voor Israël, mag niet worden verward met de vraag hoe een Israëliet behouden wordt.

Op de eerste vraag antwoordt Paulus dat God Zijn volk niet heeft verstoten.

Op de tweede vraag antwoordt hij dat de rechtvaardigheid Gods komt over allen die geloven.

Beide waarheden horen bij elkaar.

Wie Gods beloften aan Israël wegredeneert, doet tekort aan Zijn trouw. Maar wie denkt dat de natuurlijke afstamming van Abraham iemand buiten het geloof in Christus om zalig maakt, doet tekort aan het Evangelie.

De toekomstige hoop voor Israël ligt niet in zijn afkomst als zodanig, niet in zijn nationale bestaan en niet in het bezit van het land.

Die hoop ligt in de Verlosser Die uit Sion zal komen en de goddeloosheden van Jakob zal afwenden.

Daarom blijft de boodschap aan Israël dezelfde als aan de volkeren:

Bekeert u en gelooft het Evangelie.

Want God heeft géén twee wegen tot zaligheid gegeven.

Er is één Heere.

Er is één Verlosser.

En er is één Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid voor ieder die gelooft.

Eerst de Jood, en óók de Griek.

zie ook:

israel – Bijbelse basis

God geneest, maar heeft Hij genezing beloofd?

Waarom genezingsleer voorbijgaat aan de apostolische brieven

“Jezus genas alle zieken. Hij is gisteren en heden Dezelfde. Dus wil Hij ook vandaag iedereen genezen. Ga maar danken voor je genezing.”

Ik tekende deze bewering nog heel recent op uit de mond van een zelfbenoemd gebedsgenezer

Het klinkt allemaal overtuigend. En wie zou durven ontkennen dat God zieken kan genezen? De Heere Jezus gaf blinden het gezicht, reinigde melaatsen, deed verlamden wandelen en wekte zelfs doden op. Ook de apostelen verrichtten wonderen en tekenen. De Bijbel laat daar geen enkele twijfel over bestaan.

Maar achter deze redenering gaat een vraag schuil die veel belangrijker is dan deze op het eerste gezicht lijkt:

Omdat God kán genezen, heeft Hij daarom ook beloofd dát iedere gelovige genezen zal worden?

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.

Dat zijn twee heel verschillende zaken. Toch worden ze in charismatische kring voortdurend met elkaar verward. Genezing wordt voorgesteld als een recht van iedere gelovige. Ziekte zou niet bij het christelijke leven horen. Wie voldoende geloof heeft, mag zijn genezing opeisen. Blijft herstel uit, dan wordt gezocht naar ongeloof, verborgen zonde of een geestelijke blokkade.

De Bijbel wordt daarbij veelvuldig aangehaald. Maar opvallend genoeg blijven juist de apostolische brieven vaak buiten beeld.

En daar begint het vraagstuk.

God geneest maar belooft Hij dat ook?

De wonderen van de Here Jezus waren géén genezingsdiensten

Als we de Evangeliën lezen, valt iets op wat in veel hedendaagse genezingsbijeenkomsten ontbreekt.

Jezus genas niet gedeeltelijk. Hij sprak niet over een genezingsproces dat door geloof verder moest worden geactiveerd. Hij verklaarde mensen niet genezen terwijl hun lichamelijke klachten onveranderd bleven.

Een melaatse werd gereinigd. Een verlamde stond op. Een blindgeborene kon zien. Een man die 38 jaar ziek was geweest, nam zijn bed op en wandelde. Lazarus, die vier dagen in het graf had gelegen, kwam naar buiten.

Dit waren geen subjectieve ervaringen. Het waren zichtbare, onmiskenbare gebeurtenissen.

En de Here Jezus gebruikte geen vaste methode. Soms genas Hij door aanraking, soms door Zijn woord, soms zelfs op afstand. Niet iedere genezene had vooraf persoonlijk geloof getoond. De jongeling te Naïn was dood en kon helemaal niets geloven. Christus handelde vanuit Zijn eigen goddelijke macht en ontferming.

Daarom is het misleidend wanneer hedendaagse predikers hun bediening zonder meer gelijkstellen aan die van Jezus.

De vraag is niet of iemand zich na een bijeenkomst beter voelt. De vraag is of de geclaimde wonderen dezelfde aard hebben als de wonderen die de Schrift beschrijft.

Wie beweert dezelfde genezingsmacht te bezitten, moet ook bereid zijn die aanspraak aan dezelfde maatstaf te laten toetsen.

Waarom genas Jezus de zieken?

De genezingen van Christus hadden een veel diepere betekenis dan alleen het wegnemen van lichamelijk lijden.

Ze getuigden van Zijn Godheid. Hij sprak met gezag dat geen mens bezit.

Wanneer Hij zei:

“Ik wil, word gereinigd”,

was Zijn woord voldoende.

Maar de wonderen waren ook tekenen van Zijn Messiaanse waardigheid.

Jesaja had aangekondigd dat bij de komst van het beloofde heil de ogen van de blinden geopend zouden worden, de oren van de doven zouden worden ontsloten en de kreupele zou springen als een hert (Jesaja 35:5-6).

Toen Johannes de Doper vanuit de gevangenis vroeg of Jezus de Beloofde was, verwees de Heere niet naar een theoretische uiteenzetting. Hij wees op wat er gebeurde:

“De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.” (Mattheüs 11:5, STV)

De wonderen bevestigden dat Hij de beloofde Messias was.

Daarom mogen we Zijn genezingen niet losmaken van de verkondiging van het Koninkrijk aan Israël. Zijn wonderen waren tekenen van de Koning en een voorafschaduwing van de zegeningen die met Zijn toekomstige heerschappij verbonden zijn.

Wie deze betekenis negeert, maakt van de genezingswonderen een algemene formule die iedere christen zou moeten kunnen toepassen.

Maar dat is niet waarvoor de Evangeliën geschreven zijn.

 

De opdracht aan de twaalf was niet zomaar een opdracht aan iedereen

Een veelgebruikte tekst is Mattheüs 10:8:

“Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.” (STV)

Deze woorden worden regelmatig gebruikt om moderne genezingsbedieningen te legitimeren.

Maar wie leest wat eraan voorafgaat?

Jezus zond de twaalf discipelen uit en gaf hun uitdrukkelijk de opdracht niet naar de heidenen of de Samaritanen te gaan, maar naar de verloren schapen van het huis Israëls.

Hun boodschap was:

“Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.”

Hun genezingswonderen dienden als bevestiging van die boodschap.

Dat was een bijzondere opdracht, aan bijzondere personen, in een bijzondere fase van Gods handelen met Israël.

Waarom wordt die context zo gemakkelijk overgeslagen?

En wanneer Mattheüs 10:8 rechtstreeks voor iedere gelovige vandaag zou gelden, waarom wordt dan vrijwel uitsluitend gesproken over het genezen van zieken? Waar blijven de opwekkingen van doden? Waarom wordt de opdracht om zonder vergoeding te dienen zo gemakkelijk vergeten?

Wie een Bijbeltekst als rechtstreeks gebod voor vandaag gebruikt, moet eerst aantonen dat die opdracht ook daadwerkelijk aan ons is gegeven.

Niet alles wat in de Bijbel geschreven staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gericht. Alles is tot ons onderwijs geschreven, maar dat maakt niet iedere opdracht tot een algemeen gebod.

Het boek Handelingen is geen handboek voor genezingscampagnes

Ook Handelingen wordt veelvuldig gebruikt om de hedendaagse genezingsleer te ondersteunen.

Petrus genas de verlamde man bij de Schone Poort. Door Paulus vonden buitengewone wonderen plaats. Zelfs zweetdoeken die met hem in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht.

Maar waarom gebeurden deze dingen?

De apostelen verkondigden het getuigenis van de gekruisigde en opgestane Christus. Hun boodschap werd door God bevestigd met tekenen en wonderen.

Hebreeën 2:3-4 spreekt uitdrukkelijk over deze bevestiging van het verkondigde heil door tekenen, wonderen en menigerlei krachten.

De wonderen stonden dus in dienst van het apostolische getuigenis.

Bovendien is Handelingen een boek waarin belangrijke overgangen plaatsvinden: van Jeruzalem naar de volken, van de bijzondere verkondiging aan Israël naar de verdere bekendmaking van Gods genade.

Wat in deze overgangsperiode gebeurde, is niet zomaar een blijvende norm voor de Gemeente.

Neem Handelingen 19. God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus. Juist het woord “buitengewone” verdient aandacht.

Toch worden zulke gebeurtenissen ook gebruikt om het verspreiden van zogenaamde gezalfde zakdoeken, kledingstukken of andere voorwerpen te rechtvaardigen.

Maar Handelingen 19 geeft geen opdracht om deze praktijk voort te zetten. Het beschrijft wat God destijds op bijzondere wijze door Paulus deed.

Een beschrijving van een wonder is nog geen voorschrift voor een genezingsmethode.

 

Waarom worden de brieven zo vaak genegeerd?

Hier raken we het hart van de zaak.

Wie de hedendaagse genezingsleer wil verdedigen, verwijst meestal naar de Evangeliën, Handelingen, Jesaja 53 en enkele afzonderlijke beloften.

Maar waar is de uitvoerige aandacht voor Romeinen, Korinthe, Filippenzen en de brieven aan Timotheüs?

Juist daar ontvangen we onderwijs over het leven van de gelovige en de Gemeente.

En wat lezen we daar?

Geen algemeen recht op lichamelijke genezing.

Geen opdracht aan iedere gemeente om genezingsdiensten te organiseren.

Geen belofte dat de gelovige gevrijwaard zal blijven van ziekte.

Sterker nog: we lezen verschillende voorbeelden die de moderne genezingsleer rechtstreeks tegenspreken.

 

Paulus had een doorn in het vlees

In 2 Korinthe 12:7-10 beschrijft Paulus zijn doorn in het vlees.

Hij had buitengewone openbaringen ontvangen. Toch werd hem een doorn in het vlees gegeven, opdat hij zich niet zou verheffen.

Driemaal bad hij de Heere dat deze van hem zou wijken.

En wat was het antwoord?

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” (2 Korinthe 12:9, STV)

Let goed op.

Paulus bad. Maar de doorn werd niet weggenomen.

Hij kreeg niet te horen dat hij onvoldoende geloof had. Er werd hem geen verborgen zonde aangewezen. Hij kreeg geen instructie om zijn genezing eenvoudigweg te claimen.

Hij ontving een ander antwoord: Gods genade was voldoende.

Over de precieze aard van de doorn bestaat verschil van inzicht, maar dat verandert de kern niet. Paulus vroeg om bevrijding van een blijvende kwelling, en die bevrijding werd hem niet gegeven.

Wat betekent dat voor de stelling dat iedere gelovige altijd genezing kan ontvangen wanneer hij maar voldoende gelooft?

Als zelfs Paulus niet van iedere kwelling werd verlost, op welke grond wordt een zieke christen vandaag dan verweten dat zijn geloof tekortschiet?

Timotheüs: waarom schreef Paulus geen genezingsgebed voor?

In 1 Timotheüs 5:23 schrijft Paulus:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.” (STV)

Dit is een opmerkelijke passage.

Timotheüs was een trouwe medewerker van Paulus. Hij kende de apostolische verkondiging. Hij had van nabij meegemaakt hoe God door Paulus werkte.

Toch had hij herhaaldelijk lichamelijke klachten.

Wat adviseerde Paulus?

Geen genezingscampagne.

Geen krachtige zalving.

Geen berisping vanwege ongeloof.

Hij gaf een praktisch advies voor zijn gezondheid.

Dat is moeilijk te verenigen met de gedachte dat lichamelijke genezing een vanzelfsprekend recht van iedere gelovige is.

Paulus had zelf zieken genezen. Waarom genas hij Timotheüs dan niet gewoon?

Omdat de gave om wonderen te verrichten kennelijk geen macht was waarover een apostel naar eigen believen kon beschikken.

God handelde door de apostelen wanneer Hij dat wilde. Niet als een mens dat nodig vond.

 

Trofimus bleef ziek achter

Een nog kortere, maar minstens zo veelzeggende tekst staat in 2 Timotheüs 4:20:

“Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.” (STV)

Eén zin.

Maar deze ene zin vormt een ernstig probleem voor de leer van genezing.

Paulus had buitengewone wonderen verricht. In Handelingen lezen we zelfs dat zieken door zijn bediening herstelden wanneer zij in aanraking kwamen met doeken die van zijn lichaam afkomstig waren.

Maar Trofimus bleef ziek achter.

Waarom?

De Schrift zegt niet dat Trofimus onvoldoende geloof bezat. Spreekt niet over verborgen zonde of een gebrek aan geestelijke overgave.

Paulus vermeldt gewoon dat hij hem ziek heeft achtergelaten.

Daarmee wordt duidelijk dat ook tijdens de apostolische tijd niet iedere zieke gelovige werd genezen.

Wie vandaag beweert dat genezing altijd beschikbaar is voor iedere gelovige, moet deze tekst serieus nemen.

 

Epafroditus: ziek tot nabij de dood

In Filippenzen 2:25-30 vertelt Paulus over Epafroditus.

Deze toegewijde medewerker was ernstig ziek geworden. Zijn ziekte was zelfs zo zwaar dat hij de dood nabij was.

Paulus schrijft:

“Want hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd.” (Filippenzen 2:27, STV)

Epafroditus herstelde.

Maar hoe beschrijft Paulus dat herstel?

Als Gods ontferming.

Niet als een afdwingbaar recht. Niet als het onvermijdelijke gevolg van een bepaalde geloofstechniek.

God ontfermde Zich over hem.

Dat maakt zijn herstel niet minder bijzonder. Het plaatst het alleen waar het thuishoort: bij Gods genadige handelen.

Genezing is geen prestatie van het geloof, maar een daad van God.

 

De verlossing van ons lichaam ligt nog vóór ons

Romeinen 8 geeft het perspectief dat in veel moderne genezingsprediking ontbreekt.

Paulus schrijft dat de schepping zucht en als in barensnood verkeert. Vervolgens zegt hij dat ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, in onszelf zuchten.

Waarom?

Omdat wij de verlossing van ons lichaam verwachten.

Zie Romeinen 8:23.

Dat is een cruciaal onderscheid.

De gelovige is in Christus verlost. Zijn zonden zijn vergeven. Hij heeft de Heilige Geest ontvangen. Hij bezit eeuwig leven.

Maar zijn lichaam is nog sterfelijk.

Het kan ziek worden. Het wordt ouder. Het raakt vermoeid. Het kan beschadigd raken. En tenzij Christus terugkomt tijdens zijn leven, zal de gelovige uiteindelijk sterven.

De volledige lichamelijke verlossing ligt nog in de toekomst.

Bij de komst van Christus zullen de gestorven gelovigen worden opgewekt en de levende gelovigen worden veranderd. Dan zal het vergankelijke onvergankelijkheid aandoen.

Daar ligt de Bijbelse hoop op een lichaam dat nooit meer ziek wordt.

Wie die toekomstige verlossing naar het heden verplaatst en vervolgens volledige gezondheid belooft, loopt vooruit op wat God heeft toegezegd.

 

“Door Zijn striemen is ons genezing geworden”

Jesaja 53:5 is misschien wel de meest gebruikte tekst in de hedendaagse genezingsleer.

“En door Zijn striemen is ons genezing geworden.” (STV)

Daaruit wordt geconcludeerd dat Christus aan het kruis niet alleen onze zonden heeft gedragen, maar ook iedere lichamelijke ziekte, zodat wij nu aanspraak mogen maken op genezing.

Maar deze conclusie gaat voorbij aan het verband van de tekst.

Jesaja 53 spreekt over de Knecht des HEEREN Die om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld werd.

Het centrale onderwerp is de zonde en de verzoening.

Bovendien verklaart Mattheüs 8:16-17 dat de woorden over het dragen van onze krankheden en ziekten vervuld werden toen Jezus tijdens Zijn aardse bediening zieken genas.

Dat gebeurde vóór het kruis.

Petrus verwijst eveneens naar de striemen van Christus in 1 Petrus 2:24, maar verbindt dit uitdrukkelijk met het afsterven aan de zonden en het leven voor de gerechtigheid.

Het gaat daar niet over een belofte dat iedere lichamelijke aandoening onmiddellijk zal verdwijnen.

Natuurlijk hoort ook de toekomstige verlossing van ons lichaam tot de uiteindelijke zegeningen van Christus’ verlossingswerk.

Maar de vraag is niet of Christus de overwinning op de gevolgen van de zonde heeft verworven.

De vraag is wanneer al die gevolgen definitief worden weggenomen.

De brieven plaatsen de volledige lichamelijke verlossing in de toekomst.

 

Jakobus 5: een gebed voor zieken, geen genezingsformule

Jakobus 5:14-16 wordt vaak aangehaald als bewijs dat iedere zieke door gebed en zalving genezen moet worden.

Maar ook hier is een zorgvuldige lezing noodzakelijk.

Jakobus spreekt over een zieke die de ouderlingen van de gemeente bij zich laat komen. Zij moeten over hem bidden en hem zalven met olie in de Naam des Heeren.

Het gaat dus niet over een rondreizende genezer die grote groepen mensen bijeenbrengt om zijn bijzondere gave te demonstreren.

Het gaat over de zorg van de gemeente voor een zieke.

Bovendien wordt in het gedeelte gesproken over de belijdenis en vergeving van zonden. Die context mag niet worden genegeerd.

Dat God gebeden kan verhoren en zieken kan oprichten, staat buiten twijfel.

Maar Jakobus 5 mag niet worden gebruikt om alle andere Schriftplaatsen over ziekte en lichamelijke zwakheid terzijde te schuiven.

Paulus bleef met zijn doorn in het vlees zitten. Timotheüs had terugkerende klachten. Trofimus bleef ziek achter. Epafroditus was bijna gestorven.

De Schrift spreekt zichzelf niet tegen. Daarom moeten we Jakobus 5 lezen in samenhang met het onderwijs van de apostolische brieven, niet geïsoleerd als een formule waarmee genezing gegarandeerd wordt.

 

Wat is er mis met genezingsclaims?

Ook vandaag horen we uitspraken als:

“God wil dat je altijd gezond bent.”

“Ziekte hoort niet bij een kind van God.”

“Je genezing is al volbracht, je moet haar alleen ontvangen.”

“Spreek niet over je ziekte, want daarmee houd je haar in stand.”

“Als je niet geneest, is er ergens ongeloof.”

“Je moet de ziekte bestraffen en je genezing uitspreken.”

Sommige van deze uitspraken worden verpakt in Bijbelse taal. Er wordt gesproken over geloof, autoriteit, de kracht van Jezus’ Naam en de overwinning van het kruis.

Maar woorden worden niet Bijbels doordat men er een Bijbeltekst aan toevoegt.

De vraag blijft of de leer zelf uit de Schrift voortkomt.

Wanneer een prediker beweert dat God altijd geneest, moet hij uitleggen waarom Paulus’ gebeden niet het gewenste resultaat hadden.

Wanneer ziekte wordt voorgesteld als bewijs van ongeloof, moet worden uitgelegd waarom Timotheüs herhaaldelijk ziek was.

Wanneer genezing een algemeen recht van de gelovige zou zijn, moet worden verklaard waarom Trofimus ziek achterbleef.

En wanneer lichamelijke zwakheid niet bij het leven van een christen zou horen, moet Romeinen 8 opnieuw worden gelezen.

De brieven vormen geen hinderlijk bijverschijnsel dat we mogen negeren om een aantrekkelijk genezingsverhaal overeind te houden.

Ze horen bij het geïnspireerde Woord van God.

 

De pijnlijke gevolgen van een verkeerde leer

De schade van deze leer is niet alleen leerstellig.

Het kan diep ingrijpen in het leven van zieke mensen.

Stel je een gelovige voor die jarenlang met pijn, vermoeidheid of een lichamelijke beperking leeft. Hij bidt. Zijn gemeente bidt. Hij vertrouwt op de Heere, maar herstel blijft uit.

Dan hoort hij dat God altijd wil genezen en dat voldoende geloof onvermijdelijk tot herstel leidt.

Wat moet hij daaruit concluderen?

Dat zijn geloof tekortschiet?

Dat hij verborgen zonden heeft?

Dat God hem niet wil zegenen?

Dat hij zijn genezing niet voldoende heeft uitgesproken?

Zo wordt aan lichamelijk lijden een geestelijke last toegevoegd die de Schrift de zieke niet oplegt.

Nog gevaarlijker wordt het wanneer gelovigen wordt aangeraden medicijnen te laten staan of noodzakelijke medische behandeling af te wijzen.

Dat is geen bewijs van groot geloof.

De apostel Paulus adviseerde Timotheüs juist een praktisch middel te gebruiken voor zijn lichamelijke klachten. Lukas wordt in Kolossenzen 4:14 de geliefde medicijnmeester genoemd.

Geloof in Gods macht en het gebruik van medische middelen sluiten elkaar niet uit.

Een gelovige mag om genezing bidden en tegelijkertijd een arts bezoeken. Hij mag dankbaar gebruikmaken van behandelingen en geneesmiddelen, terwijl hij zijn vertrouwen op de Heere stelt.

Gods kracht wordt ook in zwakheid volbracht

Misschien is dit wel het gedeelte van de Schrift dat binnen de hedendaagse genezingsbeweging het meest wordt verwaarloosd.

Gods kracht wordt niet uitsluitend zichtbaar wanneer een ziekte verdwijnt.

Zij kan ook openbaar worden wanneer een gelovige met lichamelijke zwakheid blijft leven en daarin Gods genade ondervindt.

Paulus had liever gezien dat zijn doorn werd weggenomen.

Maar uiteindelijk leerde hij zich te beroemen in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem zou wonen.

Dat staat haaks op de gedachte dat iedere lichamelijke beperking een nederlaag is die de gelovige door een krachtiger geloof moet overwinnen.

Het christelijke leven is niet een voortdurende demonstratie van lichamelijke gezondheid.

Het is een leven uit genade.

En die genade blijft genoeg, óók wanneer het lichaam zwak is.

 

De Bijbelse hoop is veel groter dan tijdelijke genezing

Wie vandaag genezen wordt, zal uiteindelijk toch sterven.

Ook Lazarus, die uit het graf werd opgewekt, kreeg niet meteen een verheerlijkt, onvergankelijk lichaam.

Zijn opwekking was een indrukwekkend teken van Christus’ macht over de dood, maar nog niet de definitieve overwinning op de sterfelijkheid van zijn lichaam.

De gelovige ziet uit naar iets groters.

Naar de komst van de Here Jezus Christus.

Naar de opstanding.

Naar een lichaam dat niet meer onderworpen is aan ziekte, verval en dood.

Daarom is de christelijke hoop niet afhankelijk van de vraag of iemand in dit leven lichamelijk herstelt.

Zij rust op de opgestane Heer, Die de Zijnen uiteindelijk volkomen zal verlossen.

Niet de genezingsprediker, maar de Schrift heeft het laatste woord

God kán zieken genezen. Dat staat vast.

We mogen vrijmoedig bidden om herstel. Ook dat is Bijbels.

Maar nergens ontvangen wij het recht om van God te eisen dat Hij iedere gelovige in dit leven lichamelijk gezond maakt.

De wonderen van Jezus hadden een bijzondere betekenis. De wonderen van de apostelen bevestigden hun bediening. De apostolische brieven leren vervolgens hoe gelovigen leven in deze tijd, waarin de verlossing van het lichaam nog verwacht wordt.

En juist die brieven worden zo vaak overgeslagen.

Want zij brengen een boodschap die minder spectaculair klinkt, maar veel dieper gaat.

Paulus werd niet van zijn doorn verlost.

Timotheüs had terugkerende lichamelijke klachten.

Trofimus bleef ziek achter.

Epafroditus was de dood nabij.

En toch waren deze mannen geliefde en toegewijde dienstknechten van de Heere.

Hun lichamelijke toestand was geen maatstaf voor hun geloof.

Daarom moeten we ophouden de zieke gelovige een last op te leggen die God hem niet oplegt.

Gods genade is niet pas genoeg wanneer de ziekte verdwenen is. Gods genade is voldoende, ook wanneer de ziekte blijft.

Dat is geen ongeloof.

Dat is het onderwijs van de Schrift.

En aan dat Woord moeten ook de indrukwekkendste genezingsclaims worden getoetst.

Leestip: Een gedegen boek uit 1925: The Healing Question (pdf)

zie ook:

genezing – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights