Alles geschonken: leven uit Gods beloften volgens 2 Petrus 1

Gods beloften in de Bijbel

2 Petrus 1:3 zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben, maar dat Hij het al “geschonken heeft”. Kennen wij eigenlijk de rijkdom en de beloften die God in Zijn Woord bekendgemaakt heeft? Misschien hebben we niet steeds iets nieuws nodig, maar moeten we leren leven uit wat God al geschonken heeft.

Wat meer heeft een christen eigenlijk nog nodig om een godvruchtig leven te kunnen leiden? Moeten we voortdurend bidden om meer kracht, een nieuwe zalving, een nieuwe aanraking of een bijzondere geestelijke toerusting? Of zegt de Bijbel iets heel anders en iets wat veel rijker is?

2 Petrus 1:3-4 geeft daarop een opvallend duidelijk antwoord. Petrus zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben. Hij zegt dat Gods Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Direct daarna spreekt hij over de “grootste en dierbare beloften” die ons geschonken zijn.

Dat maakt kennis van Gods beloften in de Bijbel geen aardige aanvulling op het christelijke leven. Wie niet weet wat God heeft beloofd en geschonken, kan daar ook niet uit leven.

En misschien verklaart dat waarom christenen soms wanhopig zoeken naar iets wat God hun allang gegeven heeft.

Gods beloften in 2 Petrus 1
Leven uit Gods beloften 2 Petrus 1

Alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort

Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

Het woord alles verdient onze aandacht.

Petrus schrijft niet dat God ons een eerste geestelijke aanbetaling heeft gegeven en dat wij later nog op zoek moeten naar het ontbrekende deel. Evenmin maakt hij onderscheid tussen gewone christenen en een geestelijke elite die iets extra’s heeft ontvangen.

God heeft “alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort” geschonken.

Ook Paulus gebruikt soortgelijke taal:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

Niet:

God zal ons misschien zegenen.

Niet:

God kan ons zegenen wanneer wij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Maar:

Hij heeft ons gezegend.

Het christelijke leven begint daarom niet bij de vraag hoe wij God ertoe kunnen brengen ons eindelijk voldoende te geven. Het begint bij het geloof dat God in Christus heeft voorzien.

 

Gods beloften kennen is noodzakelijk

Meteen na 2 Petrus 1:3 schrijft Petrus:

“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” (2 Petrus 1:4, STV)

Opnieuw gebruikt Petrus het woord geschonken.

God heeft niet alleen voorzien in alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, Hij heeft ons ook Zijn “grootste en dierbare beloften” gegeven.

Daarmee komen we bij een pijnlijk probleem.

Hoe kun je leven uit Gods beloften wanneer je Gods beloften nauwelijks kent?

Veel christenen kennen uitspraken van bekende sprekers, filmpjes op sociale media, persoonlijke profetieën en populaire christelijke slogans beter dan de beloften die gewoon onverbloemd in Gods Woord staan.

Maar geloof kan niet leven van geestelijke slogans.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17, STV)

Geloof heeft inhoud. God hééft gesproken en geloof vertrouwt op wat Hij gezegd heeft.

Daarom is Bijbelkennis geen hobby voor mensen die toevallig graag studeren.

Kennis van Gods Woord is noodzakelijk om uit Gods beloften te kunnen leven.

 

Wat je niet kent, kun je ook niet geloven

Een gelovige kan geestelijk arm leven terwijl hij in Christus rijk is.

Niet omdat God onvoldoende gegeven heeft, maar omdat de gelovige onvoldoende weet wat hij ontvangen heeft.

Dat is een belangrijk verschil.

Wie niet weet wat de Bijbel zegt over zijn positie in Christus, kan daar moeilijk uit leven. Wie Gods beloften niet kent, zal gemakkelijker heen en weer geslingerd worden door omstandigheden. En wie niet weet wat God daadwerkelijk gezegd heeft, wordt bovendien kwetsbaar voor mensen die namens God allerlei dingen beweren.

Daarom behoren Bijbelkennis, geestelijke groei en leven uit Gods beloften bij elkaar.

Het gaat niet om kennis om de kennis als doel opzich. Het doel is dat het Woord ons denken vormt, zodat ons geloof rust op wat God gezegd heeft.

 

“God heeft mij beloofd…”

Hier is enige nuchterheid nodig.

Er wordt in christelijke kring ontzettend veel aan God toegeschreven.

“God heeft tegen mij gezegd…”

“God liet mij zien…”

“God heeft iets bijzonders beloofd…”

“Ik kreeg een woord voor jou…”

“God zegt dat er een doorbraak aankomt…”

Het klinkt indrukwekkend. Maar ondertussen ligt er thuis misschien een vrijwel gesloten verstofte Bijbel.

Dat is op zijn minst merkwaardig.

Waarom zouden we voortdurend verlangen naar een nieuw persoonlijk “woord” terwijl we nauwelijks kennis hebben van het Woord dat God ons reeds gegeven heeft?

Petrus zelf had een buitengewone ervaring meegemaakt. Hij was getuige geweest van de majesteit van Christus op de berg en had de stem uit de hemel gehoord. Toch schrijft hij verderop in hetzelfde hoofdstuk:

“En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:19, STV)

Dat zou ons te denken moeten geven.

Wie Gods stem wil kennen, moet beginnen met aandacht te geven aan Gods Woord.

 

Niet iedere belofte in de Bijbel is automatisch mijn belofte

Er hoort echter een belangrijke waarschuwing bij een studie over Gods beloften in de Bijbel.

Niet iedere belofte die in de Bijbel staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gegeven.

God deed beloften aan Abraham. Hij deed concrete beloften aan Israël. Er zijn beloften die verband houden met het land, het Koninkrijk en Israëls toekomstige herstel.

Daarnaast vinden we wat God bekendmaakt over de positie en toekomst van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Daarom kunnen we niet willekeurig een mooie tekst aanwijzen en zeggen: “Die claim ik.”

De Schrift moet recht gesneden worden:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Bij iedere Bijbelse belofte moeten we daarom vragen:

Wat staat er precies?

Tegen wie wordt dit gezegd?

In welk verband staat deze belofte?

En mogen wij deze belofte rechtstreeks op onszelf toepassen?

Dat is geen gebrek aan geloof.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

 

Hebben christenen echt “meer van God” nodig?

Hier begint 2 Petrus 1:3 behoorlijk te schuren met bepaalde populaire christelijke ideeën.

Er wordt gesproken over “meer van God”, een “nieuwe zalving”, een “impartatie”, een “nieuwe aanraking” of een bijzondere bediening waardoor iemand geestelijk naar een hoger niveau zou kunnen worden gebracht.

Maar Petrus zegt:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…” (2 Petrus 1:3, STV)

Dan mag een eenvoudige vraag worden gesteld:

Welk gedeelte van “alles” ontbreekt er nog?

Dat is geen woordspelletje. Het is een serieuze leerstellige vraag.

Als Gods Goddelijke kracht alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort, waarom zou een gelovige dan afhankelijk gemaakt moeten worden van een “gezalfde” leider die hem iets zou moeten overdragen wat hij kennelijk nog mist?

Waarom een impartatie zoeken als Petrus zegt dat God voorzien heeft?

Waarom voortdurend zoeken naar “meer” zonder eerst te onderzoeken wat God volgens Zijn Woord reeds gegeven heeft?

De vraag is niet of een christen nog moet groeien. Natuurlijk moet hij groeien.

Maar geestelijke groei is iets anders dan geestelijk incompleet zijn.

 

Gods voorziening is niet het probleem

Misschien zoeken we daarom soms op de verkeerde plaats naar de oorzaak van geestelijke armoede.

We denken dat we iets missen. Petrus zegt dat God alles geschonken heeft.

We zoeken iets nieuws. Petrus wijst naar wat gegeven is.

We zoeken een nieuwe ervaring. Petrus spreekt over kennis.

We zoeken een nieuw woord. Petrus wijst naar

“het profetische Woord, dat zeer vast is”.

Misschien ontbreekt het ons niet aan geestelijke middelen, maar aan kennis van Gods beloften en vertrouwen op Gods Woord.

Dat is een wezenlijk verschil.

 

Leven uit Gods beloften betekent niet passief worden

Petrus laat geen ruimte voor de gedachte: als God alles geschonken heeft, hoef ik dus niets meer te doen.

Direct na vers 3 en 4 schrijft hij:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,” (2 Petrus 1:5, STV)

Vervolgens noemt Petrus matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen.

Hier vinden we een prachtig evenwicht.

Wat God schenkt, wordt de basis waarop de gelovige wandelt.

Wij werken niet om God ertoe te bewegen ons uiteindelijk voldoende geestelijke middelen te geven. Wij mogen leven vanuit wat Hij uit genade geschonken heeft.

Gods gave maakt onze verantwoordelijkheid niet overbodig. Zij maakt onze wandel mogelijk.

Dat is ook waarom kennis zo belangrijk is. Petrus spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over kennis. De christen groeit niet door steeds nieuwe geestelijke sensaties te verzamelen, maar door Christus te kennen en vanuit Gods waarheid te leven.

 

Nieuw leven, geen opgeknapte oude mens

Hierbij is ook belangrijk te beseffen wat God eigenlijk geschonken heeft.

Het Evangelie is niet Gods programma om de oude mens wat godsdienstiger te maken. Het gaat om nieuw leven.

Christus kwam niet maar ‘betere idealen’ aanbieden aan de oude Adamitische mens. De gelovige ontvangt nieuw leven in Christus.

Dat maakt het verschil enorm.

Het christelijke leven is niet:

“Ik probeer met Gods hulp een betere/de beste versie van mezelf te worden.”

Het begint bij wat God gedaan heeft en bij het leven dat Hij gegeven heeft.

Daarom is het steeds opnieuw nodig dat de gelovige leert zien wie hij in Christus is, wat God hem geschonken heeft en hoe hij daaruit mag leven.

 

Vergeet niet wat God gedaan heeft

Petrus zegt iets opvallends over de gelovige bij wie de genoemde vrucht ontbreekt:

“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.” (2 Petrus 1:9, STV)

Let vooral op dat laatste woord: vergeten.

Niet: nooit ontvangen.

Niet: nooit gereinigd.

Maar vergeten wat God gedaan heeft.

Dat geeft een verrassend perspectief op geestelijke armoede. Misschien hebben we niet altijd iets nieuws nodig. Misschien moeten we opnieuw leren verstaan wat God al gedaan en gegeven heeft.

Steeds iets nieuws zoeken terwijl we het oude vergeten zijn, is geen geestelijke groei.

Het kan juist geestelijke onvolwassenheid zijn.

 

Bijbels bidden vanuit Gods beloften

Betekent dit dat we niet meer om geestelijke dingen mogen bidden? Natuurlijk niet.

Maar bidden vanuit Gods beloften ziet er anders uit dan bidden alsof God ons voortdurend iets essentieels onthoudt.

Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” (Efeze 1:17-18, STV)

Let op: “opdat gij moogt weten“.

Paulus bidt voor gelovigen dat zij gaan verstaan welke rijkdom hun deel is.

Dat is iets anders dan voortdurend bidden alsof God die rijkdom nog moet schenken.

Een prachtig gebed zou daarom kunnen zijn:

“Vader, leer mij kennen wat U in Christus geschonken hebt. Leer mij Uw Woord verstaan. Leer mij Uw beloften geloven en leer mij daaruit leven.”

 

Stop met zoeken naar en vragen om wat God al geschonken heeft

2 Petrus 1:3-4 zet ons uiteindelijk voor een eenvoudige maar confronterende vraag.

Zoeken wij voortdurend naar iets nieuws, of leren wij leven uit hetgeen God heeft geschonken?

Misschien moeten we minder vragen:

“Waar kan ik meer ontvangen?”

En vaker:

“Wat zegt Gods Woord dat God mij reeds geschonken heeft?”

Minder jagen op geestelijke ervaringen en meer kennis van Christus.

Minder afhankelijkheid van mensen die zeggen iets bijzonders te kunnen overdragen en meer vertrouwen op Gods beloften in de Bijbel.

Minder

“God zei tegen mij…”

en meer:

“Er staat geschreven.”

Want geestelijke volwassenheid bestaat niet uit een verzameling spectaculaire ervaringen. Zij groeit door kennis van Christus, kennis van Zijn Woord, geloof in Zijn beloften en een wandel die daarmee overeenkomt.

Petrus laat daar weinig onduidelijkheid over bestaan:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

God heeft niet matig gegeven.

De vraag is of wij weten wat Hij geschonken heeft.

En wanneer wij onze rijkdom in Christus nauwelijks kennen, hebben we  niet in de eerste plaats een nieuwe zalving, nieuwe impartatie, nieuwe profetie of nieuwe geestelijke ervaring nodig.

Dan wordt het hoog tijd om onze Bijbel open te doen, Gods beloften te leren kennen, ze te geloven en daaruit te leven.

 

 

 

Als leiderschap gelovigen klein houdt: geestelijk gezag getoetst aan de Bijbel

Wanneer ‘geestelijk gezag’ belangrijker wordt dan Christus

 

Er is op zich niets onbijbels aan leiderschap in de gemeente. De Schrift spreekt over oudsten, opzieners, herders, leraars en voorgangers. Ze hebben een belangrijke taak. Ze horen te onderwijzen, te waken, te dienen en de kudde te verzorgen.

Maar hier moet een ongemakkelijke vraag gesteld worden:

wat gebeurt er wanneer leiderschap niet langer dient om gelovigen tot volwassenheid te brengen, maar hen afhankelijk maakt van, of sterker gezegd ondergeschikt maakt aan leiders, bedieningen en zogenaamde geestelijke autoriteit?

En wat gebeurt er wanneer daar nog iets bij komt: profileringsdrang? Wanneer bediening status geeft? Wanneer titels steeds belangrijker worden? Wanneer er feitelijk een geestelijke rangorde ontstaat van “gewone gelovigen”, leiders, voorgangers, of gekker nog; profeten en apostelen?

Dan is het tijd om linea recta terug te keren naar een buitengewoon eenvoudige en duidelijke uitspraak van de Here Jezus Christus:

“Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders;” (Mattheüs 23:8, STV)

Gij zijt allen broeders.

Dat ene zinnetje zet heel wat moderne ideeën en modellen over leiderschap, autoriteit en bediening meteen even scherp op hun plaats.

geestelijk leiderschap, dinend of heersend?
Als leiderschap gelovigen klein houdt

 

Het doel van bediening is volwassenheid

Efeze 4 wordt regelmatig aangehaald om het belang van bedieningen te benadrukken:

“En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;” (Efeze 4:11, STV)

Maar wie bij dit vers dan stopt, mist het belangrijkste. Paulus vertelt namelijk meteen waarom Christus deze gaven heeft gegeven:

“Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus;” (Efeze 4:12, STV)

Het doel is dus niet de verheffing van een persoon of functie.

Het doel is de toerusting van de heiligen en de opbouw van het Lichaam van Christus.

En wat is het doel daarvan?

“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer…” (Efeze 4:14, STV)

Dát is een belangrijke toets.

Gezonde bediening maakt gelovigen volwassen. Ongezonde bediening houdt hen afhankelijk en onvolwassen.

Een goede leraar verlangt ernaar dat gelovigen zelf het Woord leren kennen. Een goede herder leert mensen op Christus vertrouwen. Een gezonde gemeente stimuleert gelovigen om Bijbels onderscheidingsvermogen te ontwikkelen.

Wanneer mensen daarentegen steeds afhankelijker worden van wat “de leider” zegt, is er iets helemaal uit het lood.

 

Christus is het Hoofd, niet de leider

Paulus vertelt vervolgens waarheen die volwassenwording moet leiden:

“Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus;” (Efeze 4:15, STV)

Niet opwassen in een bediening.

Niet opwassen in een organisatie.

Niet steeds nauwer verbonden raken met een geestelijk leider.

Opwassen in Hem.

Christus is het Hoofd van Zijn Lichaam.

Het christelijke leven vindt zijn bron niet in een menselijke geestelijke autoriteit, maar in Christus Zelf. Zoals een rank haar leven niet uit een andere rank ontvangt, zo is ook de uiteindelijke levensbron van de gelovige Christus.

Leiders kunnen dienen, onderwijzen en helpen. Maar zij kunnen nooit de plaats innemen van Degene uit Wie het geestelijke leven voortkomt.

 

“Gij zijt allen broeders”

Daarmee komen we bij Mattheüs 23. De Here Jezus Christus waarschuwt daar nadrukkelijk tegen geestelijke verheffing:

“Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders;” (Mattheüs 23:8, STV)

“En zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.” (Mattheüs 23:9, STV)

“En gij zult niet meesters genoemd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus.” (Mattheüs 23:10, STV)

En dan:

“Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.” (Mattheüs 23:11, STV)

Dit betekent niet dat hiermee dan iedere functie binnen de gemeente verdwijnt. Het Nieuwe Testament spreekt immers duidelijk over verschillende taken.

Maar verschil in functie is niet hetzelfde als verschil in geestelijke stand.

Dat onderscheid is cruciaal.

 

Geen geestelijke adelstand binnen het Lichaam

Binnen het Lichaam van Christus bestaan geen eersteklas- en tweedeklasgelovigen.

Een herder is niet méér lid van Christus dan degene die achter de schermen dient. Een leraar staat niet dichter bij Christus omdat hij vanaf een podium spreekt. Een oudste behoort niet tot een hogere geestelijke klasse.

En iemand die zichzelf ‘apostel’ of ‘profeet’ noemt, verkrijgt daarmee alles behalve een onaantastbare positie.

Paulus gebruikt het beeld van één lichaam:

“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.” (1 Korinthe 12:12, STV)

De hand heeft een andere functie dan het oog. De voet heeft een andere functie dan het oor.

Maar het oog is geen geestelijke aristocraat die boven de voet staat.

Daarom zegt Paulus:

“Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.” (1 Korinthe 12:25, STV)

Het Nieuwe Testament kent verscheidenheid van gaven en functies, maar maakt daarvan geen geestelijke standenmaatschappij.

Wanneer bediening status wordt

Hier komen we bij een probleem dat gemakkelijk onder de radar blijft: profileringsdrang.

Heel makkelijk kan de aandacht verschuiven van Christus naar de persoon.

Dan gaat het steeds meer over:

“mijn bediening”,

“mijn visie”,

“mijn roeping”,

“mijn zalving”,

“onze apostolische visie”,

“onze  gemeente”,

“onze geestelijke autoriteit”.

 

Nie altijd wanneer dergelijke woorden gebruikt worden, is er per se iets mis. Paulus wist heel goed welke bediening hem was toevertrouwd.

De vraag is iets anders:

Wie wordt door die bediening groot gemaakt?

Paulus schrijft:

“Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus’ wil.” (2 Korinthe 4:5, STV)

Dat is een onthutsend eenvoudige toets.

“Wij prediken niet onszelven.”

Wanneer een bediening steeds sterker rondom de persoonlijkheid van één leider wordt gebouwd, wanneer diens naam bijna synoniem wordt met de bediening en wanneer kritiek op de persoon als kritiek op Gods werk wordt behandeld, moeten er alarmbellen gaan knipperen.

Johannes de Doper zei:

“Hij moet wassen, maar ik minder worden.” (Johannes 3:30, STV)

Dat is ongeveer het tegenovergestelde van geestelijke profileringsdrang.

Niet: hoe word ik zichtbaarder?

Maar: hoe wordt Christus zichtbaarder?

 

De grootste staat niet bovenaan

Onze wereld denkt doorgaans in organisatieschema’s. Bovenaan staat de hoogste leiding en daaronder bevinden zich verschillende lagen van gezag.

Die gedachte kan ongemerkt de gemeente binnensluipen.

Maar de Here Jezus Christus keert het principe om:

“Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient.” (Lukas 22:26, STV)

“Doch gij niet alzo.”

Dat zijn woorden die de Gemeente serieus moet nemen.

Christelijk leiderschap behoort niet een geestelijke versie te zijn van werelds machtsdenken.

Hoe hoger de verantwoordelijkheid, hoe groter de dienstbaarheid behoort te zijn.

Daarom is het woord dienaar zoveel Bijbelser dan het voortdurend benadrukken van positie, titel en autoriteit.

 

Paulus wilde niet heersen over het geloof van anderen

Paulus had echt apostolisch gezag. Als iemand dus had kunnen zeggen: “Jullie moeten naar mij luisteren omdat ik door God ben aangesteld”, dan was hij het.

Toch schrijft hij:

“Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap; want gij staat door het geloof.” (2 Korinthe 1:24, STV)

Wát een contrast met autoritair geestelijk leiderschap.

“Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof.”

Paulus zag zichzelf niet als eigenaar van het geestelijke leven van andere gelovigen.

Hij was een medewerker.

En waardoor stonden de Korinthiërs?

Niet door Paulus.

Niet doordat zij “onder Paulus’ bediening” stonden.

“want gij staat door het geloof.” (2 Korinthe 1:24, STV)

 

Zelfs Paulus mocht worden getoetst

Dit wordt nog duidelijker in Berea.

Paulus en Silas prediken daar. De Bereërs ontvangen het Woord, maar nemen zelfs de woorden van Paulus niet kritiekloos aan:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Daar stond geen willekeurige prediker.

Daar stond Paulus.

Een daadwerkelijk door Christus geroepen apostel.

En wat deden de Bereërs?

Zij controleerden hem aan de Schrift.

Lukas noemt hen daarom niet rebels.

Hij noemt hen edeler.

Daarmee valt een belangrijk argument weg dat soms rond leiderschap wordt gebruikt.

Bijbelse toetsing is géén rebellie tegen Bijbels gezag.

Bijbelse toetsing is een kenmerk van geestelijke volwassenheid.

Als zelfs Paulus aan de Schrift getoetst mocht worden, welke hedendaagse voorganger, apostel, profeet of leraar zou daar dan boven staan?

 

“Raak Gods gezalfde niet aan”

Daarom is het zo verdacht wanneer kritiek op leiders wordt afgewimpeld met uitspraken als:

“Raak Gods gezalfde niet aan.”

“Pas op dat je niet tegen Gods gezag ingaat.”

“God heeft deze leider aangesteld.”

“Je moet je leren onderwerpen.”

“Je moet onder geestelijke bedekking staan.”

Zodra zulke uitspraken betekenen dat de leer of het handelen van een leider niet meer vrij aan de Schrift getoetst mag worden, worden Bijbelse begrippen gebruikt om Bijbelse toetsing te verhinderen.

Dat is ernstig.

Want de Schrift zegt:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Niet:

Beproeft alle dingen, behalve hetgeen de leider zegt.

Alle dingen.

 

Gehoorzaamheid aan leiders is niet absoluut

Natuurlijk moet Hebreeën 13:17 hierbij genoemd worden:

“Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen…” (Hebreeën 13:17, STV)

Dat moeten we niet wegredeneren. Er bestaat werkelijk gezag en verantwoordelijkheid binnen de gemeente.

Maar deze tekst maakt een voorganger niet onfeilbaar.

Er staat niet:

“Uw voorganger bepaalt wat u moet geloven.”

Er staat evenmin:

“Uw geweten behoort aan uw voorganger.”

En zeker niet:

“Toets uw voorganger niet.”

Want dezelfde Schrift zegt:

“Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.” (Handelingen 5:29, STV)

Menselijk gezag is dus nooit absoluut.

Het staat onder Gods gezag.

En geestelijk leiderschap staat daarom altijd onder het Woord van God.

 

De kudde geen eigendom van de voorganger

Petrus spreekt oudsten rechtstreeks aan:

“Weidt de kudde Gods, die onder u is…” (1 Petrus 5:2, STV)

Let vooral op die twee woorden:

“de kudde Gods”.

Niet de kudde van de voorganger.

Niet de kudde van de apostel.

Niet de kudde van de bediening.

Niet de kudde van het leiderschapsteam.

Gods kudde.

En onmiddellijk daarna volgt een waarschuwing:

“Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.” (1 Petrus 5:3, STV)

Daarmee wordt leiderschap niet afgeschaft.

Het wordt op zijn Bijbelse plaats gezet.

Een herder bezit de schapen niet.

Hij verzorgt schapen die aan Iemand anders toebehoren.

 

Wanneer “geestelijke bedekking” een kooi wordt

In bepaalde christelijke kringen wordt veel gesproken over

“geestelijke bedekking”,

“onder autoriteit staan”,

“in lijn komen”,

“de visie van het huis”,

“apostolische autoriteit”

en

“geestelijke vaders”.

Daarbij kan een eenvoudige test worden toegepast:

Wat gebeurt er wanneer iemand nee zegt?

Mag een gemeentelid zeggen:

“Ik kan deze leer niet in de Schrift vinden”?

Mag een profetie worden tegengesproken?

Mag een voorganger inhoudelijk gecorrigeerd worden?

Mag iemand zeggen dat het leiderschap volgens hem een verkeerde beslissing heeft genomen?

Mag iemand uiteindelijk vertrekken zonder dat hem rebellie, ongehoorzaamheid, bitterheid of gebrek aan geestelijkheid wordt verweten?

Het antwoord op zulke vragen zegt heel veel over de werkelijke aard van het leiderschap.

 

Manipulatie begint soms heel geestelijk

Geestelijke manipulatie begint lang niet altijd met openlijke dwang.

Het kan beginnen met een ogenschijnlijk vrome gedachte:

“Als je God vertrouwt, moet je ook de leiders vertrouwen die Hij over jou heeft aangesteld.”

Vervolgens wordt toetsing uitgelegd als wantrouwen.

Wantrouwen wordt kritiek.

Kritiek wordt rebellie.

En rebellie wordt ongehoorzaamheid aan God.

Daarmee is de cirkel rond.

De leider is praktisch ontoetsbaar geworden.

Nog gevaarlijker wordt het wanneer angst wordt gebruikt:

“Pas op dat je niet tegen Gods gezalfde ingaat.”

“Je wilt toch niet buiten Gods bescherming komen?”

“Wie zich losmaakt van geestelijk gezag stelt zich geestelijk kwetsbaar op.”

Dan durft iemand uiteindelijk niet meer zelfstandig te toetsen, omdat hij bang is dat het toetsen zelf ongehoorzaamheid aan God is.

Dat is precies het tegenovergestelde van geestelijke volwassenheid.

 

Wanneer de vraagsteller het probleem wordt

Een andere rode vlag is gehesen wanneer iemand een inhoudelijke Bijbelse vraag stelt en de discussie vervolgens niet meer over de inhoud gaat.

Iemand vraagt:

“Waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?”

Maar in plaats van antwoord te geven, wordt zijn houding besproken.

“Waarom ben je zo kritisch?”

“Waarom heb je moeite met gezag?”

“Waar komt die weerstand vandaan?”

“Kun je je wel onderwerpen?”

Dat is een bijzonder effectieve manier om toetsing onmogelijk te maken.

De oorspronkelijke vraag was:

Is deze leer Bijbels?

Maar plotseling staat de vraagsteller terecht.

Een gezonde voorganger hoeft niet bang te zijn voor de vraag:

“Waar staat dat?”

Eigenlijk zou hij daar heel blij mee moeten zijn.

 

Onvolwassen gelovigen zijn gemakkelijker te managen

.Hier ligt een ongemakkelijke waarheid

Een volwassen gelovige kan voor autoritair leiderschap lastig zijn.

Hij kent zijn Bijbel.

Hij stelt vragen.

Hij onderzoekt.

Hij onderscheidt.

Hij laat zich niet imponeren door titels.

Hij verwart charisma niet met geestelijk gezag.

Hij verwart stellig spreken niet met waarheid.

Hij weet dat

“God heeft tegen mij gezegd”

geen argument is waarmee iedere discussie onmiddellijk beëindigd wordt.

Hij weet dat profetische uitspraken getoetst moeten worden.

Hij weet dat een grote bediening geen garantie voor gezonde leer is.

Hij weet dat aantallen niets bewijzen.

En bovenal weet hij dat zijn geweten uiteindelijk aan God gebonden is.

En zulke gelovigen behoort Bijbels leiderschap voort te brengen.

 

Gezond leiderschap maakt zichzelf minder onmisbaar

Dat klinkt misschien vreemd, maar het volgt rechtstreeks uit het doel van Efeze 4.

Een goede leraar wil dat zijn leerlingen leren begrijpen.

Een goede herder wil dat de schapen stevig staan.

Een goede oudste wil volwassen gelovigen zien.

Dat betekent niet dat de gemeente zelf uiteindelijk overbodig wordt. Christelijke volwassenheid is geen individualisme. Wij hebben elkaar nodig en zijn leden van hetzelfde Lichaam.

Maar er bestaat een diametraal verschil tussen elkaar nodig hebben als leden van Christus en afhankelijk zijn van een geestelijke leider om staande te kunnen blijven.

De eerste situatie is gemeenschap.

De tweede kan geestelijke afhankelijkheid worden.

 

De echte leider wijst van zichzelf af

Paulus geeft uiteindelijk misschien wel de mooiste samenvatting:

“Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.” (1 Korinthe 11:1, STV)

Niet:

Volg mij omdat ik apostel ben.

Maar:

volg mij zoals ik Christus volg.

Daar ligt de essentie.

En Johannes de Doper formuleert het nog scherper:

“Hij moet wassen, maar ik minder worden.” (Johannes 3:30, STV)

Dát is de richting van gezonde bediening.

Christus groter.

De dienaar kleiner.

Niet andersom.

 

Een eenvoudige maar confronterende toets

Misschien moeten gemeenten en bedieningen zichzelf daarom heel andere vragen gaan stellen.

Niet:

Hoe loyaal zijn onze mensen aan onze visie?

Maar: Hoe volwassen worden zij in Christus?

Niet:

Erkennen zij ons geestelijk gezag?

Maar: Kennen zij Gods Woord voldoende om ons te kunnen toetsen?

Niet:

Volgen zij de bediening?

Maar: Volgen zij Christus?

Niet:

Staan zij achter de leider?

Maar: Staan zij vast in het geloof?

Niet:

Hoe groot is onze invloed?

Maar: Hoe zichtbaar wordt Christus?

En misschien wel de moeilijkste:

Zijn wij blij wanneer gemeenteleden de Schrift zo goed kennen dat zij ons kunnen corrigeren wanneer wij ernaast zitten?

Want daar blijkt of leiders echt dienaren zijn.

 

“Eén is uw Meester”

De Gemeente van Christus heeft geen geestelijke adelstand nodig.

Zij heeft geen onaantastbare leiders nodig.

Zij heeft geen beroemdheden nodig die rondom zichzelf een bediening bouwen.

Zij heeft geen geestelijke tussenklasse nodig tussen Christus en de “gewone” gelovige.

Zij heeft dienaren nodig.

Herders.

Leraars.

Oudsten.

Mannen die het Woord betrouwbaar bedienen en vervolgens van zichzelf afwijzen naar Christus.

Want uiteindelijk blijft staan:

“Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders;” (Mattheüs 23:8, STV)

Dat is misschien wel de beste bescherming tegen geestelijke profileringsdrang die denkbaar is:

“gij zijt allen broeders.”

Waar leiderschap mensen afhankelijk maakt, is het doel van bediening uit beeld geraakt.

Waar bediening status verschaft, is het karakter van bediening uit beeld geraakt.

Waar titels rangen beginnen aan te duiden, is het Lichaam uit beeld geraakt.

Waar toetsing als rebellie wordt behandeld, is het gezag van de Schrift uit beeld geraakt.

En waar de dienaar steeds groter wordt, is Christus uit beeld geraakt.

Bijbels leiderschap doet precies het tegenovergestelde.

Het bindt mensen niet aan leiders, maar wijst hen naar Christus. Het houdt gelovigen niet klein, maar rust hen toe. Het vraagt geen blinde loyaliteit, maar leert hen onderscheiden. Het bouwt geen geestelijke rangorde, maar dient het ene Lichaam.

Want er is maar Eén Die boven de Gemeente staat.

Christus.

En de rest?

“Gij zijt allen broeders.”

lees ook:

VPE kritisch bekeken: profetie, leiderschap en pinkstertheologie getoetst aan de Bijbel – Bijbelse basis

De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam – Bijbelse basis

Autoriteit, integriteit en de macht van geladen taal – Bijbelse basis

“Raak de gezalfde des Heeren niet aan”? – Bijbelse basis

De Ethiopische kamerling: Jesaja, Afrika en het Evangelie

De Ethiopische kamerling en de kostbare boekrol: waarom in Handelingen 8 zoveel details

Een ontmoeting die opvallend gedetailleerd wordt beschreven

Sommige gebeurtenissen in Handelingen worden in enkele zinnen verteld. Maar wanneer Lucas ons in Handelingen 8 meeneemt naar de weg van Jeruzalem naar Gaza, vertraagt het verhaal ineens.

We krijgen opvallend veel details.

Het gaat om een Ethiopiër. Hij is een kamerling. Hij bekleedt een hoge positie aan het hof van Kandacé. Hij beheert haar schatkist. Hij is naar Jeruzalem gereisd om te aanbidden. Hij keert terug naar zijn land. Hij zit in zijn wagen. Hij bezit een boekrol van Jesaja. Hij leest daaruit hardop. Vervolgens wordt zelfs vermeld welk gedeelte hij leest.

Waarom zoveel details?

Juist daardoor wordt zichtbaar dat deze ontmoeting geen toevallige voetnoot in de geschiedenis van de vroege Gemeente is. We zien hier hoe God Zelf ervoor zorgt dat het Evangelie grenzen overgaat.

En midden in deze geschiedenis ligt een boekrol.

het heil naar de volken
de Ethiopische kamerling

 

Een boekrol kocht je niet even in een winkel

Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat het betekende dat deze man uit Jesaja zat te lezen.

Wij hebben Bijbels in boekenkasten, op onze telefoon en op internet. Wie een Bijbel wil hebben, kan er binnen enkele minuten één bestellen.

Deze Ethiopiër leefde in een totaal andere wereld.

De boekdrukkunst bestond niet. Een Schriftrol moest met de hand worden overgeschreven. En Jesaja is bepaald geen klein Bijbelboek. Een volledige Jesajarol vergde een enorme hoeveelheid schrijfmateriaal en vele uren gespecialiseerd schrijfwerk.

Dat maakte zo’n rol zeer kostbaar.

We moeten daarom voorzichtig zijn met de conclusie dat hij de rol noodzakelijkerwijs tijdens zijn verblijf in Jeruzalem had gekocht; Handelingen vertelt ons niet waar of wanneer hij hem verkregen heeft. Maar één ding blijkt wel uit de tekst: deze hooggeplaatste Afrikaan beschikte over zijn eigen exemplaar van Jesaja.

Dat alleen al zegt iets.

Dit was geen tractaat dat iemand hem onderweg had toegestopt. Hij bezat toegang tot een kostbare handgeschreven tekst van de Hebreeuwse Schrift.

En hij lás hem ook.

 

Een machtige man die toegeeft dat hij het niet begrijpt

Handelingen vertelt ons:

“En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.” (Handelingen 8:28, STV)

Dan gebeurt er iets bijzonders.

God stuurt Filippus naar deze ene man.

Filippus hoort hem lezen en vraagt:

“Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?” (Handelingen 8:30, STV)

Het antwoord van de kamerling is buitengewoon veelzeggend:

“En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht?” (Handelingen 8:31, STV)

Denk daar eens over na.

Dit is geen onontwikkelde man. Hij beheert de schatkist van een koningin. Hij behoort tot de bestuurlijke elite van zijn land. Hij is bemiddeld genoeg om een kostbare reis te ondernemen en beschikt over een Schriftrol.

Maar tegenover Gods Woord durft deze machtige man eenvoudig te zeggen:

Ik begrijp het niet. Ik heb uitleg nodig.

Dat is geestelijke honger gecombineerd met nederigheid.

En juist naar zo’n man stuurt God iemand die hem de Schrift kan openen.

 

Van alle gedeelten leest hij uitgerekend Jesaja 53

Dan wordt de geschiedenis nog opmerkelijker.

De man leest niet zomaar ergens in Jesaja. Lucas vertelt ons precies welk gedeelte voor hem ligt:

“De plaats nu der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.” (Handelingen 8:32, STV)

De kamerling zit met de grote vraag die iedere lezer van Jesaja 53 uiteindelijk moet beantwoorden:

Over wie gaat dit?

“En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?” (Handelingen 8:34, STV)

Daar hoeft Filippus niet lang over na te denken.

“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)

Dat ene zinnetje is schitterend.

Hij verkondigde hem Jezus.

 

De boekrol krijgt als het ware een stem

De Ethiopiër had de tekst.

Filippus wees hem op de Persoon.

Hij had Jesaja kunnen bezitten zonder te begrijpen naar Wie Jesaja wees. Maar nu wordt vanuit dezelfde Schrift Christus verkondigd.

Daarom is deze geschiedenis ook zo belangrijk voor ons verstaan van het Oude Testament. Filippus legt Christus niet kunstmatig over Jesaja heen. Hij begint bij de tekst die de man voor zich heeft en komt uit bij Jezus.

Jesaja had geschreven:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)

Eeuwen later zit een Afrikaanse hoogwaardigheidsbekleder met diezelfde profetie op zijn schoot.

En midden op een woestijnweg hoort hij Wie dat Lam is.

 

Waarom haalt God Filippus weg bij een menigte?

Er zit nog iets opvallends in het verhaal.

Filippus bevindt zich net daarvoor in Samaria, waar grote dingen gebeuren. Mensen luisteren naar zijn prediking en er is veel belangstelling voor het Evangelie.

En dan wordt hij daarvandaan geroepen.

Voor wat?

Voor één man.

Dat druist behoorlijk in tegen onze moderne manier van denken. Wij meten succes gemakkelijk aan bereik, bezoekersaantallen en zichtbaarheid.

God stuurt een evangelist van een menigte naar een eenzame weg om naast de wagen van één zoekend mens te lopen.

Daarmee vertelt Handelingen 8 ons ook iets over Gods hart.

Eén mens doet ertoe.

Eén zoekende Afrikaan is voor God geen voetnoot.

 

Van Jeruzalem richting Afrika

Maar er gebeurt tegelijkertijd iets veel groters.

Christus had vóór Zijn hemelvaart gezegd:

“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)

En kijk naar de richting in Handelingen.

Het Evangelie begint in Jeruzalem.

Vervolgens komt het in Samaria.

En nu zit daar ineens een man uit Afrika die na zijn ontmoeting met Filippus zijn reis naar het zuiden vervolgt.

We moeten niet méér zeggen dan de tekst zegt. Handelingen vertelt ons bijvoorbeeld niet wat deze kamerling later in zijn vaderland heeft gedaan en zegt evenmin dat door hem onmiddellijk een Afrikaanse gemeente werd gesticht.

Maar de richting is onmiskenbaar.

Het Evangelie is onderweg naar de volken.

Een Afrikaan hoort het Evangelie, gelooft en vervolgt daarna zijn weg.

 

Afrika staat bepaald niet ergens achteraan

Dat verdient onze aandacht.

Het christendom wordt tegenwoordig nogal eens voorgesteld alsof het oorspronkelijk een Europese godsdienst was die eeuwen later naar Afrika werd geëxporteerd.

Handelingen 8 maakt duidelijk hoe vertekend dat beeld is.

Europa speelt in dit gedeelte helemaal geen rol.

Hier staat een Joodse evangelist naast een Afrikaanse man en legt hem vanuit een Joodse profeet uit dat Jezus de Christus is.

Dat gebeurt in de eerste generatie van de Gemeente.

Afrika verschijnt dus al zeer vroeg nadrukkelijk in het verhaal van de verspreiding van het Evangelie.

 

Bij God bestaat geen racisme

En misschien is dat voor onze tijd wel een van de mooiste kanten van deze geschiedenis.

Filippus ziet geen huidskleur die hem tegenhoudt.

God ziet geen nationaliteit die iemand minder geschikt zou maken voor Zijn genade.

Er is geen Europees Evangelie, geen Afrikaans Evangelie en geen Joods Evangelie waarmee verschillende groepen op verschillende gronden behouden worden.

Er is één Heiland.

Er is één Evangelie.

Er is één grond van behoud.

En degenen die in Christus geloven, worden door één Geest tot één Lichaam gedoopt:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dat betekent niet dat Gods bijzondere beloften en bedoelingen met Israël ineens verdwijnen. Het betekent wel dat binnen het Lichaam van Christus geen etnische rangorde bestaat.

Een Jood heeft Christus nodig.

Een Afrikaan heeft Christus nodig.

Een Arabier heeft Christus nodig.

Een Nederlander heeft Christus nodig.

En wie in Christus is, leeft uitsluitend uit dezelfde genade.

Racisme is daarom niet alleen maatschappelijk verwerpelijk. Het staat haaks op de werkelijkheid van het Lichaam van Christus.

 

De man die buiten stond, wordt door God gezocht

Er zit bovendien iets ontroerends in deze geschiedenis.

De Ethiopiër was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden. Hij behoorde echter niet tot Israël en was bovendien een kamerling. De wet van Mozes kende voor een ontmande beperkingen met betrekking tot de vergadering van Israël.

Maar juist in Jesaja staat een prachtige belofte voor ontmanden die God zoeken:

“Ik zal hun ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.” (Jesaja 56:5, STV)

Wat moet dat betekenen wanneer we beseffen dat deze man uitgerekend Jesaja aan het lezen was?

Handelingen zegt niet dat hij op dat moment al bij Jesaja 56 was aangekomen of dat Filippus dit gedeelte met hem besproken heeft. Daar moeten we niets bij verzinnen.

Maar als lezer zien wij de prachtige verbinding wel.

Dezelfde Jesaja die het lijdende Lam beschrijft, spreekt enkele hoofdstukken later over Gods genadige ontvangst van de ontmande.

En nu zit daar in Handelingen echt zo’n man.

Met Jesaja op zijn schoot.

 

Een boekrol, een woestijnweg en Gods voorzienigheid

Hoe langer je naar Handelingen 8 kijkt, hoe indrukwekkender de details worden.

Een man verlangt naar God.

Hij reist honderden kilometers.

Hij bezit een kostbare Schriftrol.

Hij leest Jesaja.

Hij komt bij het gedeelte over het lijdende Lam.

Hij begrijpt het niet.

God stuurt Filippus.

Filippus hoort hem lezen.

De man stelt precies de juiste vraag.

Filippus opent vanuit Jesaja het Evangelie.

En vervolgens gaat het Evangelie met deze Afrikaanse man verder richting zijn vaderland.

Dat lijkt nauwelijks een toevallige verzameling details.

Het laat Gods voorzienigheid zien.

 

Hij reisde verder met blijdschap

Aan het einde gebeurt iets dat makkelijk wordt gemist.

Filippus verdwijnt.

Maar de Ethiopiër raakt niet in paniek.

“En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.” (Handelingen 8:39, STV)

Waarom kon hij verder zonder Filippus?

Omdat Filippus hem niet aan zichzelf had verbonden.

Hij had hem Jezus verkondigd.

Dat is misschien wel de mooiste les voor iedere evangelist, prediker en Bijbelleraar.

Het doel is niet dat mensen uiteindelijk van ons afhankelijk worden.

Het doel is dat zij Christus leren kennen.

Filippus kon verdwijnen.

Christus bleef.

 

Wat een kostbare boekrol uiteindelijk niet kon geven

De Ethiopiër bezat iets wat in zijn tijd buitengewoon kostbaar moet zijn geweest: toegang tot de woorden van Jesaja.

Maar zelfs zo’n kostbare boekrol kon hem op zichzelf niet redden.

Hij moest begrijpen over Wie hij las.

Daarom is het mogelijk om een Bijbel te bezitten en Christus toch niet te kennen. Het is mogelijk veel over de Schrift te weten en het middelpunt ervan te missen.

Filippus liet de man daarom niet achter met alleen een betere uitleg van Jesaja.

Hij “verkondigde hem Jezus”.

Daar komt uiteindelijk alles samen.

De kostbare boekrol.

Jesaja 53.

Het Lam.

Het kruis.

De opstanding.

De Afrikaanse kamerling.

En een Evangelie dat zich niet laat opsluiten binnen één volk, één land of één huidskleur.

God ziet geen tweederangs mensen.

De armen van het Evangelie staan open voor Jood en Griek, Afrikaan en Europeaan, rijk en arm, hooggeplaatst en eenvoudig.

En ergens op een eenzame weg naar Gaza liet God dat al heel vroeg in de geschiedenis van de Gemeente op een onvergetelijke manier zien:

één Afrikaanse man, één geopende boekrol en één boodschap: Jezus Christus.

Geverifieerd door MonsterInsights