Wet en Genade sluiten elkaar uit

Waarom de Wet niemand kan zaligmaken

Wie Wet en Genade probeert te vermengen, denkt meestal dat hij het Evangelie verrijkt. Paulus zegt precies het tegenovergestelde: wie menselijke werken toevoegt aan Gods Genade, tast daarmee de kern van het Evangelie aan.

Veel christenen zeggen dat zij uit genade leven. Toch wordt die genade in de praktijk vaak omringd door voorwaarden. Je moet genoeg gehoorzamen, genoeg geloven, genoeg geven, genoeg vasten, genoeg toewijding tonen of een bepaald geestelijk niveau bereiken. Christus heeft weliswaar veel gedaan, maar kennelijk moet de mens het laatste deel zelf aanvullen.

Dat klinkt godsdienstig. Het is alleen niet het Evangelie der Genade Gods.

De Schrift leert niet dat Wet en Genade elkaar aanvullen. Als grond van rechtvaardiging en aanvaarding bij God sluiten zij elkaar uit.

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Waarom de wet niemand kan zaligmaken

Wie wet en genade probeert te vermengen, denkt meestal dat hij het evangelie verrijkt. Paulus zegt precies het tegenovergestelde: wie menselijke werken toevoegt aan Gods genade, tast daarmee de kern van het evangelie aan.

Veel christenen zeggen dat zij uit genade leven. Toch wordt die genade in de praktijk vaak omringd door allerlei voorwaarden. Je moet genoeg gehoorzamen, genoeg geloven, genoeg geven, genoeg vasten, genoeg toewijding tonen of een bepaald geestelijk niveau bereiken. Christus heeft weliswaar veel gedaan, maar kennelijk moet de mens dan toch het laatste deel zelf aanvullen.

Dat klinkt godsdienstig. Het is echter niet het Evangelie der Genade Gods.

De Schrift leert niet dat wet en genade elkaar aanvullen. Sterker gezegd: Als beginsel van rechtvaardiging en aanvaarding bij God sluiten zij elkaar uit.

 

De Wet is heilig, rechtvaardig en goed

Een scherp onderscheid tussen wet en genade betekent niet dat de wet slecht zou zijn. Paulus spreekt juist met groot respect over Gods wet:

“Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” (Romeinen 7:12, STV)

De wet is goed omdat zij van God afkomstig is. Zij openbaart Zijn heiligheid, rechtvaardigheid en volmaakte maatstaf. Het probleem zit daarom niet in de wet, maar in de zondige mens.

De wet vraagt niets verkeerds. Zij vraagt juist wat rechtvaardig, rein en goed is. Maar de gevallen mens is niet in staat om aan die heilige eis te voldoen.

Daarom schrijft Paulus:

“Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” (Romeinen 7:14, STV)

De wet is geestelijk. De mens is vleselijk. Daar ligt het probleem.

De Wet openbaart de zonde

De wet is geen redder, maar een aanklager. toont de mens wat zonde is en stelt hem schuldig voor God.

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” (Romeinen 3:20, STV)

Door de wet leert de mens niet hoe goed hij is, maar hoe schuldig hij staat. Ontmaskert zijn woorden, daden, gedachten en begeerten.

De wet werkt als een spiegel. Een spiegel kan vuil zichtbaar maken, maar kan het vuil niet verwijderen. Zo kan de wet de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet reinigen.

De wet stelt de diagnose, maar biedt geen genezing.

Openbaart de schuld, maar schenkt geen vergeving.

Wijst de overtreding aan, maar geeft geen nieuw leven.

De Wet kan niemand zaligmaken

De wet is goed, maar zij kan geen zondaar zaligmaken. Dat is geen tekortkoming van de wet. De wet is eenvoudigweg nooit gegeven als middel waardoor de mens zichzelf kon redden.

Paulus schrijft:

“Want indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.” (Galaten 3:21, STV)

Als een wet werkelijk leven had kunnen geven, zou Christus niet hebben hoeven sterven. Dan had God slechts een betere uitleg, strengere naleving of een aangepaste wet hoeven geven.

Maar God gaf geen verbeterde wet.

God gaf Zijn Zoon.

Het kruis van de Here Jezus Christus bewijst dat de mens niet door wetsonderhouding kon worden gerechtvaardigd. Als rechtvaardigheid door de wet mogelijk was geweest, zou het sterven van Christus overbodig zijn geweest.

Paulus zegt dat zonder omwegen:

“Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” (Galaten 2:21, STV)

Dat is vernietigend voor elke leer waarin menselijke prestaties alsnog een plaats krijgen als grond voor Gods aanvaarding.

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Romeinen 11:6 bevat een van de duidelijkste uitspraken over wet en genade:

“En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.” (STV)

Paulus laat geen ruimte voor een tussenweg.

Óf de rechtvaardiging is uit genade.

Óf zij is uit werken.

Óf Christus heeft alles volbracht.

Óf de mens moet zelf nog iets toevoegen.

Beide tegelijk is onmogelijk.

Genade is niet Gods hulp bij onze eigen poging om zalig te worden. Genade betekent dat God schenkt wat de mens niet kon verdienen, bereiken of tot stand brengen.

Zodra menselijke prestatie een voorwaarde wordt voor rechtvaardiging, houdt genade op genade te zijn.

 

De Wet eist, de Genade schenkt

Het verschil tussen wet en genade kan eenvoudig worden samengevat.

De wet eist.

De genade schenkt.

De wet zegt wat de mens moet doen.

De genade maakt bekend wat Christus heeft gedaan.

De wet zegt: gehoorzaam en leef.

De genade zegt: Christus heeft volbracht; geloof en leef.

De wet stelt de mens verantwoordelijk.

De genade openbaart Gods voorziening.

De wet brengt kennis van zonde.

De genade brengt vergeving, rechtvaardiging en leven.

Johannes beschrijft dit onderscheid als volgt:

“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.” (Johannes 1:17, STV)

Mozes bracht de wet. De Here Jezus Christus bracht niet slechts een mildere vorm van die wet, maar genade en waarheid.

 

Waarom Paulus zo scherp schrijft aan de Galaten

De Galatenbrief is een van de scherpste brieven van Paulus. Dat komt doordat het Evangelie der genade Gods op het spel stond.

De Galaten hadden Christus niet volledig verworpen. Zij hadden het evangelie niet vervangen door openlijk heidendom. Zij voegden slechts iets toe aan het geloof in Christus.

Juist daarin zat het gevaar.

Er kwamen mensen die leerden dat geloof in Christus niet genoeg was. Besnijdenis en wetsonderhouding moesten eraan worden toegevoegd. Dat leek misschien een kleine aanvulling, maar Paulus noemt het een ander evangelie.

“Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van Dengene, Die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie; daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren.” (Galaten 1:6-7, STV)

Het evangelie wordt niet alleen verdraaid wanneer Christus openlijk wordt ontkend. Het wordt ook verdraaid wanneer Zijn volbrachte werk onvoldoende wordt geacht.

Daarom zegt Paulus:

“Christus is u ijdel geworden, zovelen als gij door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.” (Galaten 5:4, STV)

Wie rechtvaardiging zoekt in de wet, verlaat het beginsel van de genade. Hij maakt Christus niet letterlijk tot niets, maar behandelt Zijn werk wel alsof het niet voldoende is.

Begonnen met de Geest, eindigen met het vlees

Paulus stelt de Galaten een indringende vraag:

“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” (Galaten 3:3, STV)

Zij waren door geloof begonnen, maar wilden vervolgens door menselijke inspanning geestelijk worden voltooid.

Dat gevaar bestaat nog steeds.

Veel prediking leert dat een mens door genade wordt behouden, maar vervolgens onder een systeem van geestelijke prestaties komt te staan. Zijn zekerheid, vrede en positie lijken afhankelijk te worden van zijn gedrag, inzet, ervaringen en resultaten.

Dan ontstaat een evangelie waarin Christus de deur opent, maar de gelovige zichzelf verder naar binnen moet werken.

Paulus wijst dat radicaal af.

Wat uit genade is begonnen, wordt ook door genade voortgezet.

 

Een oude dwaling in een modern jasje

Wetticisme verschijnt niet altijd in ouderwetse kleding. Het kan zich ook modern, enthousiast en geestelijk presenteren.

Men zegt bijvoorbeeld:

Je ontvangt pas een doorbraak als je genoeg gelooft.

God kan pas handelen als jij de juiste woorden spreekt.

Je ontvangt meer zalving wanneer je meer offert.

Je moet eerst geestelijk hogerop komen.

Je moet eerst vergeven.

Je moet een bepaalde ervaring hebben om echt vervuld te zijn.

Je moet genoeg vasten, bidden, geven of jezelf uitstrekken.

Zulke uitspraken kunnen vroom klinken, maar ze verplaatsen het zwaartepunt van Christus naar de mens.

Niet langer staat centraal wat Christus heeft volbracht, maar wat de gelovige nog moet presteren.

De mens gaat dan opnieuw leven onder voorwaarden. Gods gunst lijkt zo afhankelijk te worden van zijn geestelijke inzet.

Dat is wet in een nieuw jasje.

Het gebruikt dan niet de woorden van Mozes, maar het werkt wel volgens hetzelfde beginsel: doe iets, bereik iets, bewijs iets, en dan zal God u zegenen.

 

Genade is géén beloning voor geestelijke prestaties

Genade is per definitie onverdiend.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:8-9, STV)

De mens wordt niet zalig omdat hij genoeg geloofskracht heeft ontwikkeld. Zelfs de zaligheid wordt voorgesteld als Gods gave.

Er blijft daarom geen ruimte over voor menselijke roem.

Niet in onze gehoorzaamheid.

Niet in onze toewijding.

Niet in onze inzet.

Niet in onze geestelijke ervaringen.

Niet in onze kennis.

Niet in onze bediening.

Niet in onze vermeende zalving.

Alle roem behoort aan God en aan de Here Jezus Christus.

 

Niet onder de Wet, maar onder de Genade

Paulus schrijft aan gelovigen:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Dit vers wordt soms afgezwakt alsof Paulus slechts bedoelt dat gelovigen niet meer door ceremoniële regels worden beheerst. Maar zijn uitspraak is veel fundamenteler.

De gelovige staat niet meer onder het beginsel van de wet als grond van zijn verhouding tot God. Hij staat onder genade.

Zijn positie wordt niet bepaald door zijn prestaties, maar door zijn positie in Christus.

Zijn aanvaarding rust niet op zijn trouw, maar op Christus’ volbrachte werk.

Zijn vrede met God rust niet op zijn wisselende geestelijke toestand, maar op rechtvaardiging uit geloof.

“Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.” (Romeinen 5:1, STV)

 

Genade maakt niet wetteloos

Zodra wordt geleerd dat de gelovige niet onder de wet maar onder de genade staat, klinkt vaak het verwijt dat dit tot losbandigheid zou leiden.

Paulus kende dat bezwaar ook:

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” (Romeinen 6:15, STV)

Genade geeft geen vrijbrief om te zondigen. Genade leert de gelovige juist om godzalig te leven.

“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.” (Titus 2:11-12, STV)

Let op wat hier staat.

Niet de Wet onderwijst de gelovige in zijn nieuwe positie, maar de Genade.

Genade is niet slap, goedkoop of vrijblijvend. Zij redt de zondaar en vernieuwt en vormt vervolgens zijn leven.

Maar zniet door hem opnieuw onder veroordeling te plaatsen. Zij richt zijn oog op Christus en werkt vanuit dankbaarheid, nieuw leven en de werking van Gods Geest.

 

De Wet kan gedrag begrenzen, maar geen leven geven

De wet kan zeggen: gij zult niet begeren.

Maar zij kan de begeerte niet uit het hart verwijderen.

De wet kan moord veroordelen.

Maar zij kan geen liefde voortbrengen.

De wet kan leugen verbieden.

Maar zij kan geen nieuw hart scheppen dat waarheid liefheeft.

De wet kan afgoderij aanwijzen.

Maar zij kan de mens niet in een levende verhouding met God brengen.

Daarom is genade geen zachtere wet. Zij is Gods oplossing voor een probleem dat de wet wel kon openbaren, maar niet kon oplossen.

Wat de wet niet kon doen, heeft God gedaan door Zijn Zoon te zenden.

“Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.” (Romeinen 8:3, STV)

De wet was niet krachteloos in zichzelf. Zij was krachteloos door het vlees. De zondige mens kon haar niet volbrengen.

 

Waarom de vermenging van Wet en Genade zo gevaarlijk is

De vermenging van wet en genade is geen onschuldige leerstellige vergissing want:

  • tast de genoegzaamheid van Christus aan.
  • berooft gelovigen van zekerheid.
  • kweekt hoogmoed bij wie denkt goed te presteren.
  • veroorzaakt wanhoop bij wie voortdurend tekortschiet.
  • maakt geestelijke leiders tot controleurs van Gods gunst.
  • brengt gelovigen opnieuw onder angst en veroordeling.
  • maakt het kruis tot het begin van de redding, terwijl de mens geacht wordt het werk af te maken.

 

Maar Christus riep aan het kruis niet: Ik heb een goede basis gelegd, nu is het aan u.

Hij heeft het werk volbracht.

 

Alleen Christus kan zaligmaken

De wet kan niemand zaligmaken.

Mozes kan niemand zaligmaken.

Religieuze regels kunnen niemand zaligmaken.

Geestelijke ervaringen kunnen niemand zaligmaken.

Kerkelijke tradities kunnen niemand zaligmaken.

Menselijke toewijding kan niemand zaligmaken.

Alleen de Here Jezus Christus kan zaligmaken.

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4:12, STV)

Dat is de heerlijkheid van het Evangelie der genade Gods.

De zondaar wordt niet opgeroepen zichzelf te verbeteren totdat hij aanvaardbaar is. Hij wordt geroepen te geloven in Hem Die goddelozen rechtvaardigt.

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” (Romeinen 4:5, STV)

 

De beslissende vraag

De beslissende vraag is daarom niet hoeveel de mens heeft gedaan.

De vraag is of Christus’ werk voldoende is.

Is Zijn offer volledig?

Is Zijn bloed genoegzaam?

Is Zijn opstanding de grond van onze rechtvaardiging?

Is Zijn genade werkelijk Genade?

Wanneer het antwoord ja is, kan er niets aan worden toegevoegd.

Wie iets toevoegt aan het volbrachte werk van Christus, maakt dat werk niet sterker. Hij verklaart het daarmee juist onvoldoende.

Samengevat

De wet is heilig, rechtvaardig en goed. Zij openbaart Gods maatstaf en stelt de zondaar schuldig.

Maar de wet kan geen leven geven.

De wet kan niet rechtvaardigen.

De wet kan niet reinigen.

De wet kan niemand zaligmaken.

Daarom gaf God Zijn Zoon.

Wet en Genade sluiten elkaar uit als grond voor rechtvaardiging. De mens wordt niet gedeeltelijk door Christus en gedeeltelijk door eigen werken gered. Hij wordt volledig uit Genade gerechtvaardigd, door het geloof, op grond van het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Het grootste gevaar voor het Evangelie is daarom niet alleen openlijk ongeloof. Het is ook de vrome poging om aan Christus iets toe te voegen.

Paulus laat geen middenweg toe.

Óf de rechtvaardiging is uit werken.

Óf zij is uit genade.

Óf de mens roemt in zichzelf.

Óf hij roemt uitsluitend in het kruis.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” (Galaten 6:14, STV)

De wet is goed.

Maar alleen de genade van God in de Here Jezus Christus kan een verloren zondaar zaligmaken.

“Want het einde (einddoel) der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft” (Romeinen 10:4, STV)

 

Dus niet:

Dit alles samengevat in een video

YouTube player

zie ook:

wet en genade – Bijbelse basis

(extern)

wet en genade » Bijbels Panorama

 

Vergeving volgens de Bijbel: hoe een populaire leer het Evangelie van Gods Genade ondermijnt

Waarom Mattheüs, Johannes en Paulus niet zonder onderscheid op één hoop gegooid mogen worden

 

Wanneer Bijbelteksten elkaar lijken tegen te spreken…

Er zijn preken die zoveel Bijbelteksten bevatten dat kritiek bijna onmogelijk lijkt. Van Mattheüs naar Markus, van Johannes naar Efeze, van Kolossenzen naar Jakobus: de ene tekst volgt de andere op.

Voor veel christenen is dat hét bewijs dat een boodschap Bijbels is.

Maar daar schuilt een groot gevaar.

Veel Bijbelteksten gebruiken is nog geen garantie voor een Bijbelse boodschap

De duivel citeerde immers ook de Schrift (Mattheüs 4). Het probleem zit zelden in de tekst, maar vrijwel altijd in de manier waarop teksten met elkaar worden verbonden.

Een preek wordt niet Bijbels doordat er veel verzen worden gelezen.

Een preek is Bijbels wanneer de Schrift in haar eigen context mag spreken.

En precies daar gaat het in veel prediking over vergeving volgens de Bijbel mis.

Vergeving in de Bijbel
Vergeving volgens de Bijbel

De eerste denkfout: de vrucht wordt de wortel

De besproken prediking wil gelovigen aansporen om anderen te vergeven.

Dat is volkomen Bijbels.

Maar vervolgens wordt langzaam een andere gedachte opgebouwd.

Namelijk:

God vergeeft jou in dezelfde mate als jij anderen vergeeft.

Dat klinkt ernstig.

Maar Paulus leert iets anders.

Hij schrijft:

“In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden.” (Efeze 1:7)

En:

“Hij heeft u al de misdaden vergeven.” (Kolossenzen 2:13)

Niet:

“Hij zal misschien vergeven.”

Niet:

“Hij vergeeft wanneer jij eerst…”

Maar:

Hij heeft vergeven

Dat is de grondslag van het Evangelie.

Daarom schrijft Paulus vervolgens:

“Vergevende elkander, gelijk ook God in Christus ulieden vergeven heeft.” (Efeze 4:32)

Let op de volgorde.

Niet:

God → misschien.

Maar:

God → reeds.

Daarna pas volgt de oproep tot vergeving.

De vrucht wordt in de besproken preek echter tot wortel gemaakt.

En zodra dat gebeurt, verschuift de aandacht van Christus naar de mens.

 

De tweede denkfout: Mattheüs wordt de bril waardoor Paulus gelezen moet worden

Hier ligt misschien wel het grootste exegetische probleem.

Steeds opnieuw vormt Mattheüs 6 het uitgangspunt.

Daarna worden Paulus en Kolossenzen erbij gezocht.

Maar Paulus doet precies het omgekeerde.

Hij begint nooit bij de vraag:

“Hoe krijg ik vergeving?”

Hij begint bij:

“Wat heeft Christus reeds volbracht?”

Waarom?

Omdat Paulus schrijft Golgotha.

Pinksteren.

de openbaring van het Lichaam van Christus.

De gelovige leeft niet vóór het kruis.

Maar vanuit het kruis.

Dat verschil bepaalt de hele uitleg van het Nieuwe Testament.

De derde denkfout: Johannes 20 wordt uit zijn context gehaald

Nog opvallender is de toepassing van Johannes 20.

“Welken gij de zonden vergeeft…”

Deze woorden worden gepresenteerd alsof iedere gelovige vandaag bepaalt of de zonden van een ander vergeven blijven.

Maar dat is niet wat de tekst zegt.

De Here Jezus spreekt daar tot Zijn apostelen.

Binnen de context van hun bijzondere bediening.

Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat iedere christen dezelfde bevoegdheid bezit.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, krijgt de gemeente een verantwoordelijkheid opgelegd die de Schrift nergens op die manier oplegt.

 

De vierde denkfout: de onvergeeflijke zonde wordt erbij gehaald

Hier verandert een scheve uitleg in een geestelijk gevaarlijke uitleg.

Plotseling verschijnt Markus 3.

De zonde tegen de Heilige Geest.

Dat is misschien wel de grootste rode vlag van de hele preek.

Waarom?

Omdat deze geschiedenis helemaal niet over de Gemeente gaat.

De Here Jezus spreekt tegen Farizeeën.

Religieuze leiders.

Mensen die, ondanks de onmiskenbare wonderen van Christus, willens en wetens het werk van de Heilige Geest aan Beëlzebul toeschreven.

Dat is een unieke historische situatie.

Toch wordt deze geschiedenis vervolgens gebruikt als waarschuwing richting wedergeboren gelovigen.

Maar Paulus doet dat nergens.

Sterker nog.

Wanneer Paulus over de Heilige Geest spreekt, klinkt juist de zekerheid:

“Bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.” (Efeze 4:30)

Zie je het verschil?

De preek zegt:

Pas op dat je niet…

Paulus zegt:

U bent verzegeld… daarom…

Dat is geen nuance.

Dat is een totaal andere benadering.

De vijfde denkfout: de zekerheid van het Evangelie verdwijnt

Hier worden de gevolgen zichtbaar.

Na afloop blijft de luisteraar achter met vragen als:

Heb ik iedereen wel vergeven?

Zou mijn bitterheid Gods vergeving blokkeren?

Ben ik misschien geestelijk in gevaar?

Zou ik onbewust de Heilige Geest hebben gelasterd?

Geen enkele van die vragen vindt haar oorsprong in Paulus.

Integendeel.

Paulus richt de blik steeds omhoog.

Naar Christus.

Naar Zijn bloed.

Naar Zijn volbrachte werk.

Naar de positie van de gelovige.

De gelinkte prediking richt de blik uiteindelijk naar binnen.

En precies daar begint alle geestelijke onzekerheid.

 

De zesde denkfout: verschillende bedelingen worden vermengd

Hier raken we de kern.

De preek behandelt zonder onderscheid:

  • de Bergrede;
  • Johannes 20;
  • Markus 3;
  • Paulus.

Alles wordt samengevoegd tot één doorgaande boodschap.

Maar daarmee verdwijnen de verschillen tussen:

  • de bediening van de Messias aan Israël;
  • het apostolisch gezag;
  • de verwerping van de Messias door Israël;
  • en de openbaring van het Lichaam van Christus.

Dat noemen we geen harmonisatie.

Dat noemen we vermenging.

En vermenging levert vrijwel altijd verwarring op.

 

Waarom is dit zo ernstig?

Omdat het niet alleen gaat over vergeving.

Het gaat over de vraag waarop onze zekerheid rust.

Rust zij op:

Christus?

Of uiteindelijk toch op:

mijn geestelijke prestaties?

Wanneer de gelovige moet onderzoeken of hij wel genoeg heeft vergeven om zelf vergeving te ontvangen, is het fundament ongemerkt verschoven.

Dan is het oog niet langer gericht op Christus.

Maar op de eigen geestelijke staat.

Dat is precies wat Paulus nergens doet.

 

Wat leert het evangelie wel?

Het evangelie van Gods genade is verrassend eenvoudig.

Christus droeg de schuld.

Christus betaalde de prijs.

Christus vergoot Zijn bloed.

Daarom schrijft Paulus:

  • Wij hebben de verlossing.
  • Wij hebben de vergeving.
  • Wij zijn verzegeld.
  • Wij zijn met God verzoend.

Vanuit die zekerheid roept hij vervolgens op:

  • vergeef elkaar;
  • wees vriendelijk;
  • wees barmhartig;
  • wandel waardig de roeping waarmee u geroepen bent.

Niet om behouden te worden.

Maar omdat u behouden bent.

Dát is het verschil tussen wet en genade.

De oproep om anderen te vergeven is volkomen Bijbels.

Maar zodra die oproep wordt losgemaakt van de positie van de gelovige in Christus, verandert het evangelie ongemerkt in een systeem van voorwaarden.

Wanneer vervolgens de Bergrede, Johannes 20 en zelfs de zonde tegen de Heilige Geest worden gebruikt om die voorwaarden kracht bij te zetten, ontstaat een boodschap die wel veel Bijbelteksten bevat, maar waarin de leer van Paulus niet langer de toon zet.

De ironie is pijnlijk.

Een preek die bedoeld is om vrijheid te brengen, kan zo juist onzekerheid zaaien.

Een boodschap over vergeving kan de zekerheid van de vergeving ondermijnen.

Daarom blijft de oproep van Paulus beslissend:

“Vergevende elkander, gelijk ook God in Christus ulieden vergeven heeft.” (Efeze 4:32)

Dat is geen voorwaarde om door God aangenomen te worden.

Dat is de vrucht van een volbrachte verlossing.

En dát is de blijde boodschap van het Evangelie.

 

Veelgestelde vragen (FAQ)

Is Gods vergeving afhankelijk van onze bereidheid om anderen te vergeven?

Volgens de brieven van Paulus ontvangen gelovigen vergeving op grond van het volbrachte werk van Christus (Efeze 1:7; Kolossenzen 1:14; Kolossenzen 2:13). Vanuit die ontvangen genade worden zij opgeroepen anderen te vergeven (Efeze 4:32).

Wat betekent de zonde tegen de Heilige Geest?

In Mattheüs 12 en Markus 3 spreekt de Here Jezus tot Farizeeën die het werk van de Heilige Geest bewust aan Satan toeschreven. Over de toepassing op christenen bestaan binnen de christelijke uitleg verschillende visies. Dit artikel bespreekt waarom die waarschuwing volgens een dispensationalistische lezing niet zonder meer op de Gemeente kan worden toegepast.

Waarom is Efeze 4:32 zo belangrijk?

Omdat Paulus daar de volgorde vastlegt: God heeft eerst vergeven in Christus; daarom vergeven gelovigen elkaar. Die volgorde bewaart het onderscheid tussen genade en verdienste.

Waarom is context zo belangrijk bij Bijbeluitleg?

Bijbelteksten moeten gelezen worden in hun historische, literaire én heilshistorische context. Wie woorden uit verschillende situaties zonder onderscheid samenvoegt, loopt het risico conclusies te trekken die veel verder gaan dan de tekst zelf ondersteunt.

Ik heb dit in een video verwerkt:

YouTube player

lees ook:

Israël en de Gemeente: het Bijbelse onderscheid – Bijbelse basis

De Gemeente is geen Israël – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus? – Bijbelse basis

Het Evangelie van het Koninkrijk en de Bergrede en de Gemeente – Bijbelse basis

Het verschil tussen de tijd van het Koninkrijk en de tijd van de Gemeente – Bijbelse basis

Gods Koninkrijk zichtbaar maken? – Bijbelse basis

Het Evangelie in lekentaal – geen mening, maar goed nieuws – Bijbelse basis

extern:

vergeving » Bijbels Panorama

Gods stem verstaan

Spreekt God buiten de Bijbel?

In evangelische en charismatische kringen wordt veel gezegd over Gods stem verstaan. Gelovigen zouden moeten leren luisteren naar God, Zijn stem tussen hun eigen gedachten leren herkennen en persoonlijke boodschappen van Hem ontvangen. Wie geestelijk groeit, zou steeds duidelijker horen wat God tegen hem zegt.

Daarom zijn er cursussen, trainingen en profetische scholen waarin mensen leren stil te worden, beelden te ontvangen, gedachten op te schrijven en woorden over anderen uit te spreken. Sommige christelijke leiders beweren zelfs hele gesprekken met God te voeren.

Het klinkt wellicht geestelijk, persoonlijk en indrukwekkend.

Maar de vraag is niet hoe het klinkt. De vraag zou moeten zijn: is het Bijbels?

God hééft gesproken. Hij heeft Zijn Woord gegeven.

Christus wordt Zelf het Woord genoemd.

Waarom bestaat er dan toch zo’n sterke behoefte aan een aanvullend, persoonlijk en exclusief lijntje met God?

Gods stem verstaan

God heeft gesproken door Zijn Zoon

De Schrift begint niet met de opdracht om stil te worden en te wachten totdat er een stem in onze gedachten opkomt. Hij wijst ons op de wijze waarop God daadwerkelijk gesproken heeft:

“God, voortijds veelmaals en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon.” Hebreeën 1:1-2 (STV)

God sprak door de profeten. Vervolgens sprak Hij door de Zoon. Dat spreken vond niet plaats in de verborgen binnenwereld van iedere afzonderlijke gelovige, maar in de geschiedenis en in de openbaring die Hij heeft laten vastleggen.

De Here Jezus Christus is bovendien niet slechts iemand die woorden van God doorgaf. Hij is Zelf het Woord:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Johannes 1:1 (STV)

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.” Johannes 1:14 (STV)

Wie God wil kennen en Gods stem wil verstaan, moet daarom niet allereerst naar binnen kijken. Hij moet zien op Christus zoals Hij in de Schrift wordt geopenbaard.

De echte Christus is niet de Jezus van onze fantasie, dromen, gevoelens of innerlijke gesprekken. Het is de Christus van de Schriften.

Gods stem verstaan begint bij de Bijbel

De Here Jezus Christus bevestigde voortdurend het gezag van de Schriften. Hij verwees naar Mozes, de Profeten en de Psalmen. Hij verklaarde:

“Uw woord is de waarheid.” Johannes 17:17 (STV)

Ook wees Hij bepaalde getuigen aan door wie de nieuwtestamentische openbaring zou worden doorgegeven. De woorden van de apostelen kregen gezag omdat zij door Christus waren geroepen en gezonden. Zij hadden dat gezag niet omdat zij gevoelige, mystieke of bijzonder ontvankelijke mensen waren.

Het Bijbelse uitgangspunt is daarom helder: God heeft gesproken en Hij heeft ervoor gezorgd dat Zijn Woord werd overgeleverd.

Toch ontstaat in veel gemeenten de indruk dat de Bijbel niet voldoende persoonlijk is. Men wil niet alleen weten wat God in de Schrift heeft gezegd. Men wil weten wat God nu speciaal tegen mij zegt.

Daarmee verschuift het zwaartepunt van het geschreven Woord naar de persoonlijke ervaring.

Men verlangt naar een woord van God, maar ontwijkt het Woord van God

Het is opvallend dat sommige mensen voortdurend zeggen dat zij naar een woord van God verlangen, terwijl zij het Woord van God nauwelijks bestuderen.

De Bijbel vindt men moeilijk. De Bijbel zou te oud, te ingewikkeld of te leerstellig zijn. Grondige Schriftstudie vraagt concentratie, geduld en bereidheid om Schrift met Schrift te vergelijken. Men moet rekening houden met de context, de geadresseerden en de plaats van een Bijbelgedeelte in Gods heilsplan.

Een innerlijke stem is eenvoudiger.

Men sluit de ogen, wordt stil en wacht af welke gedachte opkomt.

Die gedachte sluit dikwijls opvallend goed aan bij wat iemand zelf al verlangde, vreesde of van plan was. Zij spreekt zijn eigen taal en bevestigt regelmatig zijn eigen voorkeur.

De Schrift doet dat niet altijd.

De Schrift staat buiten ons. Zij spreekt ons tegen. Zij ontmaskert onze motieven. Zij vraagt niet of wij haar woorden prettig vinden, maar of wij bereid zijn ons eraan te onderwerpen.

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” 2 Timótheüs 3:16-17 (STV)

De mens die in God gelooft wordt door de Schrift toegerust tot alle goed werk.

Niet tot een gedeelte van zijn geestelijke leven, waarna innerlijke stemmen de ontbrekende informatie moeten aanvullen. Tot alle goed werk.

Wanneer de Schrift de gelovige volledig kan toerusten, welk noodzakelijk geestelijk tekort moet dan nog worden aangevuld door persoonlijke boodschappen?

 

Kan men Gods stem leren horen via een cursus?

Rondom het onderwerp Gods stem horen is inmiddels een complete geestelijke bedrijfstak ontstaan.

Er zijn cursussen stemverstaan, profetische scholen, luistertrainingen, activaties en oefeningen waarbij deelnemers woorden over elkaar moeten uitspreken. Zij krijgen de opdracht stil te worden, een vraag aan God te stellen en vervolgens op te schrijven wat als eerste in hen opkomt.

Maar wat komt daar werkelijk in gedachten?

Eigen verlangens?

Angsten?

Herinneringen?

Suggesties van de cursusleider?

Gedachten die door de sfeer in de groep worden opgeroepen?

De behoefte om niet achter te blijven bij anderen die wel iets zeggen te ontvangen?

Of werkelijk woorden van God?

Dat onderscheid kan niemand op een objectieve en controleerbare wijze maken. De menselijke innerlijke wereld is geen zuivere ontvangstkamer die alleen maar op de juiste hemelse frequentie hoeft te worden afgestemd.

De Schrift waarschuwt juist voor de onbetrouwbaarheid van het hart:

“Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het; wie zal het kennen?” Jeremia 17:9 (STV)

Een training die mensen leert om spontane gedachten als mogelijke woorden van God te behandelen, leert hun niet noodzakelijk om Gods stem te verstaan. Zij kan hun vooral leren om hun eigen gedachten van een goddelijk etiket te voorzien.

 

“Mijn schapen horen Mijn stem”

Een van de meest gebruikte teksten bij het onderwerp Gods stem verstaan is Johannes 10:

“Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.” Johannes 10:27 (STV)

Daaruit wordt afgeleid dat iedere gelovige een persoonlijke stem van Jezus in zijn hoofd zou moeten leren herkennen.

Maar dat staat er niet.

De Here Jezus Christus gebruikt het beeld van een herder en zijn schapen. Zijn schapen herkennen Hem, behoren Hem toe en volgen Hem. Zij luisteren niet naar dieven, rovers en vreemdelingen.

Het gaat in Johannes 10 om het herkennen van de ware Herder tegenover valse herders. Het gaat niet over het ontvangen van persoonlijke boodschappen over een baan, woning, relatie, bediening of financiële beslissing.

De tekst zegt niet:

Mijn schapen ontvangen dagelijks nieuwe informatie in hun gedachten.

Wie dat ervan maakt, gebruikt Johannes 10 als kapstok voor een praktijk die al vooraf is aangenomen.

Paulus schrijft:

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” Romeinen 10:17 (STV)

Het geloof ontstaat door het Woord Gods, niet door het trainen van een mystiek innerlijk gehoor.

 

De Heilige Geest is niet de concurrent van de Schrift

Sommigen werpen tegen dat de Heilige Geest toch nog steeds spreekt, overtuigt en leidt.

Zeker. Maar de Heilige Geest staat niet tegenover de Schrift. Hij is de Geest Die de Schrift heeft voortgebracht:

“Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.” 2 Petrus 1:21 (STV)

De Geest verlicht ons verstand. Hij overtuigt ons. Hij past de waarheid toe op ons geweten en onze wandel. Hij vormt ons denken door het Woord dat Hij Zelf gegeven heeft.

Dat een Bijbelgedeelte tijdens het lezen krachtig tot ons spreekt, betekent niet dat er een nieuwe openbaring is ontstaan. Het is de toepassing van het reeds gegeven Woord.

Dat iemand na gebed tot een bepaalde overtuiging komt, betekent evenmin automatisch dat God woorden in zijn gedachten heeft uitgesproken.

Wij mogen spreken over wijsheid, overtuiging, gebed, verantwoordelijkheid en voorzienige leiding. Maar dat is iets anders dan verklaren:

God zei tegen mij dat ik dit moest doen.

Wie dat zegt, doet een openbaringsclaim.

“God zei tegen mij” is geen onschuldige formulering

Er bestaat een fundamenteel verschil tussen de volgende uitspraken:

Ik heb sterk de indruk dat ik dit moet doen.

Ik denk dat dit wijs is.

Na gebed ben ik tot deze overtuiging gekomen.

En:

God heeft tegen mij gezegd dat ik dit moet doen.

De eerste uitspraken erkennen menselijke feilbaarheid. De laatste uitspraak legt de oorsprong van de boodschap bij God.

God spreekt niet onzeker. God gokt niet. God vergist Zich niet en hoeft Zijn woorden later niet te corrigeren.

“God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?” Numeri 23:19 (STV)

Wanneer iemand niet zeker weet of een gedachte van God afkomstig is, mag hij niet zeggen dat God gesproken heeft.

Wie zegt: God zei, kan zich niet tegelijk beroepen op de mogelijkheid dat hij het verkeerd heeft aangevoeld.

Dan was de claim eenvoudig te groot.

 

Hedendaagse profetie wil wel gezag, maar geen verantwoordelijkheid

Binnen charismatische kringen wordt daarom dikwijls gezegd dat hedendaagse profetie feilbaar kan zijn. God spreekt volmaakt, maar mensen zouden Zijn woorden gebrekkig kunnen ontvangen of doorgeven.

Dat lijkt een oplossing, maar het maakt het probleem alleen groter.

Een boodschap wordt eerst met Gods gezag gebracht. Wanneer zij niet uitkomt, beroept men zich op menselijke zwakheid.

Zo krijgt men wel het gezag van openbaring, maar niet de verantwoordelijkheid die bij spreken namens God hoort.

Komt een profetisch woord toevallig uit, dan heeft God gesproken.

Komt het niet uit, dan was de timing anders, werd het verkeerd geïnterpreteerd, ontbrak het de ontvanger aan geloof of is de vervulling uitgesteld.

De zogenaamde profeet behoudt zijn positie. De ontvanger blijft achter met verwarring, schuldgevoel of teleurstelling.

Gods Naam wordt zo gebruikt als een geestelijk vangnet voor menselijke vermoedens.

 

Profetische woorden maken mensen afhankelijk

Rondom het ontvangen van persoonlijke boodschappen ontstaat gemakkelijk een geestelijke rangorde.

Onderaan staan de gewone gelovigen die alleen hun Bijbel lezen.

Daarboven staan degenen die indrukken, beelden en woorden ontvangen.

Nog hoger staan degenen die dagelijks Gods stem zeggen te horen.

En helemaal bovenaan staan leiders die beweren complete gesprekken met God te voeren.

Zij weten niet alleen wat in de Schrift geschreven staat. Zij beschikken ook over actuele informatie uit de hemel.

Dat verleent status en macht.

Gelovigen worden afhankelijk van iemand die een persoonlijk woord voor hen zou kunnen ontvangen. In plaats van zelf de Schrift te onderzoeken, wijsheid te zoeken en verantwoordelijkheid te dragen, wachten zij op een profetische bevestiging.

De Bijbel wordt niet officieel afgeschaft. Praktisch raakt hij echter op de achtergrond.

Niemand reist uren naar een conferentie omdat hij hoopt dat een spreker hem zal adviseren Romeinen of Efeze grondig te bestuderen. Men komt omdat men verlangt naar een bijzonder en persoonlijk woord.

Het gewone Woord is blijkbaar niet bijzonder genoeg.

 

Wanneer “God zei” geestelijke manipulatie wordt

Het wordt nog ernstiger wanneer iemand niet alleen zegt dat God tot hem heeft gesproken, maar ook beweert dat God iets over een ander heeft gezegd.

God zei dat jij je aan mijn leiderschap moet onderwerpen.

God heeft mij laten zien dat jij deze gemeente niet mag verlaten.

God zei dat jij geld aan deze bediening moet geven.

God heeft gezegd dat jij met deze persoon moet trouwen.

God zei dat jij deze taak moet aanvaarden.

Op dat moment is geen sprake meer van een onschuldige persoonlijke indruk. Dan wordt Gods Naam gebruikt om invloed en macht uit te oefenen.

Hoe kan de ontvanger nog vrij antwoorden?

Wanneer hij weigert, lijkt hij God ongehoorzaam te zijn. Wanneer hij twijfelt, zou hij de Heilige Geest bedroeven. Wanneer hij de boodschap afwijst, zou hij zich tegen Gods leiding verzetten.

Zo wordt een menselijke mening onttrokken aan normale toetsing.

Een leider hoeft geen argumenten meer te geven. Hij hoeft zijn beslissing niet zorgvuldig uit de Schrift te onderbouwen. Hij hoeft alleen te zeggen:

God heeft mij gezegd…

Daarmee wordt het gesprek feitelijk beëindigd.

Dit is geestelijke manipulatie in vrome verpakking.

 

Hele gesprekken met God creëren een geestelijke elite

Sommige populaire sprekers vertellen uitvoerig over hun gesprekken met God. God zou hun vragen beantwoorden, grappen maken, persoonlijke details onthullen en zeggen wat Hij van andere personen of gemeenten vindt.

Zulke verhalen maken indruk. Zij suggereren een bijzondere intimiteit met God.

Maar zij roepen ook ernstige vragen op.

Wanneer God werkelijk zulke gesprekken voert, is de inhoud dan waar?

Heeft de boodschap gezag?

Moeten anderen haar gehoorzamen?

Kan zij fouten bevatten?

En wanneer zij fouten bevat, waarom werd Gods Naam eraan verbonden?

Wie beweert hele gesprekken met God te voeren, doet een openbaringsclaim. Men kan niet tegelijkertijd zeggen dat God uitvoerig gesproken heeft en dat de inhoud slechts een persoonlijke, feilbare indruk is.

De gewone gelovige heeft dan de Bijbel.

De bijzondere leider heeft de Bijbel én rechtstreekse hemelse informatie.

Zo ontstaat een geestelijke elite die moeilijk controleerbaar wordt.

 

De Bijbel wordt gedegradeerd tot controlemiddel

Voorstanders zeggen vaak dat ieder persoonlijk woord aan de Bijbel moet worden getoetst.

Dat klinkt zorgvuldig, maar ondertussen is de positie van de Bijbel veranderd.

De Schrift is dan niet langer de plaats waar God voldoende en gezaghebbend spreekt. Zij wordt een controlemiddel waarmee achteraf wordt onderzocht of een andere boodschap misschien van God afkomstig was.

De belangstelling ligt niet meer bij wat geschreven staat, maar bij de aanvullende boodschap.

Bovendien gaan veel profetische woorden over zaken waarover de Bijbel geen persoonlijke en concrete uitspraak doet. De Schrift noemt niet de naam van de persoon met wie iemand moet trouwen. Zij vertelt niet welk huis hij moet kopen of welke baan hij moet aannemen.

Juist op dat terrein kan de vermeende stem nauwelijks worden gecontroleerd.

Zolang een boodschap geen duidelijke zonde voorschrijft, kan bijna alles worden voorgesteld als leiding van God.

 

Gods leiding is niet hetzelfde als een hoorbare of innerlijke stem

Dat God door Zijn voorzienigheid leidt, staat niet ter discussie.

Hij kan deuren openen en sluiten. Hij kan omstandigheden gebruiken. Hij kan door Zijn Woord, door wijze raad en door praktische mogelijkheden onze weg bepalen.

Maar Gods leiding betekent niet automatisch dat Hij zinnen in ons hoofd uitspreekt.

Gelovigen hoeven niet over iedere beslissing een persoonlijk woord te ontvangen. Voor veel keuzes geeft God ruimte om in wijsheid en verantwoordelijkheid te handelen.

Wij mogen bidden.

Wij mogen Bijbelse beginselen toepassen.

Wij mogen advies vragen.

Wij mogen omstandigheden afwegen.

Wij mogen een beslissing nemen.

En wij mogen erkennen dat wij ons kunnen vergissen.

Dat is geen gebrek aan geloof. Dat is nuchterheid.

De uitspraak God zei tegen mij wordt soms gebruikt om de last van persoonlijke verantwoordelijkheid te vermijden. Wanneer de beslissing verkeerd uitpakt, heeft men immers niet zelf gekozen. Men meende slechts Gods stem te volgen.

Maar geestelijke volwassenheid betekent ook dat wij leren beslissingen te nemen zonder iedere keuze tot een rechtstreekse opdracht uit de hemel te verheffen.

 

Het probleem is niet dat God zwijgt

De geestelijke crisis van onze tijd is niet dat God te weinig spreekt.

De crisis is dat veel christenen niet tevreden zijn met de wijze waarop God gesproken heeft.

Wij willen geen Schrift die zorgvuldig moet worden bestudeerd, maar een stem die direct antwoord geeft.

Wij willen niet groeien in wijsheid, maar onmiddellijke zekerheid ontvangen.

Wij willen niet zelf verantwoordelijkheid dragen, maar kunnen zeggen dat God de beslissing heeft genomen.

Wij willen niet slechts samen met andere gelovigen onder het Woord staan. Wij willen iets persoonlijks en exclusiefs horen wat niet iedereen in zijn Bijbel kan lezen.

Maar geestelijke volwassenheid blijkt niet uit het aantal stemmen dat iemand zegt te horen.

Zij blijkt uit kennis van het Woord, nederigheid, onderscheidingsvermogen en bereidheid om door de Schrift gecorrigeerd te worden.

Gods stem verstaan zonder mystiek toneel

Echt Gods stem verstaan betekent niet dat wij ons hoofd leegmaken en wachten welke gedachte bovenkomt.

Het betekent dat wij Gods Woord openen.

Dat wij lezen wat er werkelijk staat.

Dat wij de context respecteren.

Dat wij Schrift met Schrift vergelijken.

Dat wij onderscheiden tot wie een Schriftgedeelte gericht is.

Dat wij onze leer niet bouwen op ervaringen, maar onze ervaringen toetsen aan de leer van de Schrift.

Dat wij onze beslissingen nemen in gebed, wijsheid en verantwoordelijkheid.

Dat wij niet vragen welke tekst ons gevoel bevestigt, maar wat God werkelijk heeft bekendgemaakt.

Petrus verwijst de gelovigen niet naar fluisteringen in hun binnenste:

“En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats.” 2 Petrus 1:19 (STV)

Het profetische Woord is zeer vast.

Onze gedachten zijn dat niet.

Onze gevoelens zijn dat niet.

Onze indrukken zijn dat niet.

Profetische sprekers zijn dat niet.

God heeft geen concurrentie nodig van onze verbeelding.

 

God heeft gesproken, luisteren wij ook?

Wij spreken tot God in het gebed. God spreekt gezaghebbend tot ons door Zijn Woord. De Heilige Geest verlicht ons verstand, overtuigt ons hart en past dat Woord toe op onze wandel.

Dat is minder spectaculair dan een verslag van een persoonlijk gesprek met God.

Het geeft minder geestelijke status.

Het trekt minder bezoekers naar een profetische conferentie.

Maar het is vast, controleerbaar en veilig.

De vraag is daarom niet:

Hoor ik een bijzondere stem van God?

De vraag is:

Ben ik bereid te luisteren naar wat God duidelijk heeft laten opschrijven?

Lees ook op de website van mijn vrouw:

Spreekt God nog steeds? – de Bijbel overdenken

Geverifieerd door MonsterInsights