Waarom de Gemeente van Christus niet hoeft te wanhopen
Gaat het echt slecht met de kerk?
Je kunt het regelmatig horen:
“Het gaat niet goed met de kerk.”
Of erger:
“De kerk slaapt”
of zou zelfs ziek zijn volgens een enkele verdwaalde geest…..
En menselijk bekeken valt daar nog best iets voor te zeggen ook. Kerkgebouwen worden gesloten, gemeenten vergrijzen, kerkelijke instituten verliezen leden en de Bijbelse boodschap verdwijnt steeds verder naar de achterdeur.
Maar voordat we daarin meegaan, moeten we toch een cruciaal onderscheid maken.
Over welke kerk hebben we het dan eigenlijk?
Met een kerkelijk instituut kan het inderdaad slecht gaan. Een denominatie kan verdwijnen. Een plaatselijke gemeente kan zelfs ophouden te bestaan. Maar de Gemeente van Christus, Zijn Lichaam, is van een heel andere orde.
De Here Jezus heeft immers Zelf gezegd:
“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Mattheüs 16:18, STV)
Let vooral op Wie hier bouwt:
“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”
Dat is een geweldige bemoediging. De toekomst van de Gemeente rust niet op onze schouders, onze verenigingsdrift of onze formules
Christus Zelf bouwt haar.

De Gemeente bestaat uit wedergeboren mensen
Daarmee komen we onmiddellijk bij een essentieel onderscheid dat tegenwoordig gemakkelijk vertroebelt. Lid zijn van een kerk is niet hetzelfde als behoren tot het Lichaam van Christus.
Een mens kan gedoopt zijn, belijdenis hebben gedaan, jarenlang trouw kerkdiensten bezoeken en veel christelijke gewoonten hebben overgenomen, zonder ooit werkelijk opnieuw geboren te zijn.
Nicodemus laat zien dat religieuze kennis op zichzelf niet voldoende is. Hij was een godsdienstig en geleerd man. Toch zei de Here Jezus:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.” (Johannes 3:3, STV)
Dat is fundamenteel.
Christelijk leven begint niet met het verbeteren van de oude mens. Het begint met nieuw leven uit God.
De Gemeente is daarom in wezen helemaal geen religieuze organisatie waarvan je door inschrijving lid wordt. Maar is een levend organisme, Bijbels gesproken een lichaam, waarvan Christus het Hoofd is.
Handelingen laat zien hoe het Evangelie de wereld ingaat
Het boek Handelingen laat prachtig zien hoe het getuigenis van Christus zich uitbreidt.
Vlak voor Zijn hemelvaart zegt de Here Jezus:
“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)
Daarin ligt als het ware de richting van het heil besloten:
Jeruzalem, Judea, Samaria en uiteindelijk de volken.
Toch zien we dat de gelovigen aanvankelijk sterk in Jeruzalem geconcentreerd blijven. Pas wanneer vervolging uitbreekt, worden zij verspreid.
Menselijk gezien lijkt dat een ramp.
Maar dan lezen we:
“Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord.” (Handelingen 8:4, STV)
Wat bedoeld was om de Gemeente te bestrijden, gebruikt God juist om het Evangelie verder te brengen.
Dat is ook vandaag een geweldige bemoediging. God is niet afhankelijk van gunstige omstandigheden. Hij kan zelfs tegenstand gebruiken om deuren te openen die anders gesloten zouden blijven.
Filippus predikte Christus
Onder de verstrooide gelovigen bevindt zich Filippus. Over zijn bediening in Samaria staat iets opvallend eenvoudigs:
“En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus.” (Handelingen 8:5, STV)
Dat verdient onze aandacht.
Er staat niet dat Filippus zichzelf presenteerde.
Hij predikte geen beweging.
Hij predikte geen geestelijke methode.
Hij predikte geen kerkgenootschap.
Hij predikte Christus.
En wanneer hij later de Ethiopische kamerheer ontmoet, gebeurt precies hetzelfde:
“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)
Daar ligt misschien wel een van de belangrijkste lessen voor de Gemeente van Jezus Christus van vandaag.
Van Jezus plus terug naar Jezus alléén
We kunnen ongemerkt zoveel aan Christus toevoegen dat Hij uiteindelijk achter onze toevoegingen verdwijnt.
Jezus plus onze denominatie. Jezus plus onze traditie. Jezus plus onze favoriete voorganger. Jezus plus onze krachtige geestelijke ervaringen. Jezus plus onze methode. Jezus plus onze bijzondere beweging.
Maar Filippus verkondigde hem Jezus.
Daarmee komen we bij de kern: Jezus alleen.
Niet omdat Bijbelse leer onbelangrijk zou zijn. Integendeel. Gezonde leer brengt ons immers steeds dichterbij Wie Christus is en wat Hij volbracht heeft.
Maar zodra onze bijzondere groep, ervaring of traditie méér aandacht krijgt dan Christus, is er iets helemaal mis gegaan.
Paulus schrijft:
“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” (1 Korinthe 2:2, STV)
De Gemeente heeft niet méér spektakel nodig.
Zij heeft Christus nodig.
God ziet ook die ene mens
In Handelingen 8 zien we dan iets merkwaardigs. Filippus bevindt zich midden in een vruchtbaar werk in Samaria, maar wordt naar een eenzame weg gestuurd.
Daar wacht geen menigte.
Daar zit één man.
Dat botst nogal met onze menselijke neiging om geestelijk succes in aantallen uit te drukken. Hoeveel bezoekers? Hoeveel volgers? Hoeveel groei? Hoeveel bereik?
God haalt Filippus als het ware weg bij een menigte om hem naast de wagen van één zoekende Afrikaan te zetten.
Blijkbaar is één mens voor God de reis waard.
Misschien ligt daar ook wel een bemoediging voor gelovigen die denken dat hun leven weinig betekenis heeft omdat zij geen groot bereik hebben.
Je hoeft geen duizenden mensen te bereiken om bruikbaar te zijn.
Misschien heeft God één mens op jouw weg gebracht.
Een Ethiopiër zoekt naar de waarheid
De Ethiopische kamerheer heeft een lange reis naar Jeruzalem gemaakt. Hij verlangt duidelijk naar de ware God en bezit een zeer kostbare boekrol van Jesaja.
Op de terugweg leest hij daaruit.
Dan brengt God Filippus precies naast zijn wagen.
Dat is een prachtig samenspel tussen Gods leiding en menselijke gehoorzaamheid. De zoekende man heeft een vraag. Filippus wordt gestuurd. De Schrift ligt open.
En welk gedeelte leest hij?
Jesaja 53.
De kamerheer wil weten over wie de profeet spreekt. Vanuit dat Schriftgedeelte verkondigt Filippus hem Jezus.
Jesaja 53 brengt ons direct bij het hart van het Evangelie
Jesaja had eeuwen vóór het kruis al geprofeteerd:
“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)
Hier ligt het hart van het Evangelie van Jezus Christus.
Wij dwaalden.
Onze ongerechtigheid stond tussen God en ons.
Maar God legde die ongerechtigheid op een Ander.
Het Evangelie vertelt daarom niet wat wij voor God moeten doen. Het verkondigt wat God in Christus voor verloren mensen gedaan heeft.
Filippus hoefde Jesaja niet los te laten om over Jezus te beginnen. Hij begon vanuit diezelfde Schrift.
Christus is niet een later toegevoegd onderwerp.
De Schriften wijzen naar Hem.
In Christus is géén plaats voor racisme
Dat de man een Ethiopiër is, is zeker niet zonder betekenis.
Een Joodse evangelist wordt door God naar een Afrikaanse man gestuurd. Zijn huidskleur, afkomst en status vormen geen belemmering voor het Evangelie.
Dat raakt ook onze houding tegenover Israël en de volken. Wie het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente serieus neemt, heeft daarmee geen enkele grond om individuele Joden boven Arabieren, Afrikanen, Europeanen of wie dan ook te stellen.
Binnen het Lichaam van Christus geldt:
“Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)
Dat wist het onderscheid tussen Israël en de Gemeente niet uit. Maar het maakt wel duidelijk dat binnen het Lichaam van Christus afkomst géén grond voor enige superioriteit is.
Aan het kruis staat niemand op een verhoging.
Wij leven allemaal van en uit Genade.
Geloof komt vóór de waterdoop
Wanneer de Ethiopiër water ziet, wil hij gedoopt worden. Ook daaruit komt een belangrijke Bijbelse waarheid naar voren.
De waterdoop is niet de oorzaak van zijn behoudenis. De doop volgt op geloof.
Paulus beschrijft in Efeze de verhouding tussen het horen van het Evangelie, geloven en het ontvangen van de Heilige Geest:
“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” (Efeze 1:13, STV)
Dat is een bijzonder belangrijke volgorde.
De gelovige wordt niet behouden omdat water hem reinigt. Christus redt.
De waterdoop is vervolgens een zichtbaar getuigenis van de verbondenheid van de gelovige met Christus: Zijn dood, begrafenis en opstanding.
Niet het water staat centraal.
Christus staat centraal.
Het geloof begint bij een levende Heer
En daarmee komen we bij de opstanding.
Het Evangelie eindigt niet bij Golgotha. Het graf is leeg.
Paulus schrijft zelfs:
“En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.” (1 Korinthe 15:14, STV)
Wij volgen daarom niet slechts de leer van een godsdienstleraar die tweeduizend jaar geleden gestorven is.
Wij behoren toe aan een levende Heer.
Christus is gestorven.
Christus is begraven.
Christus is opgestaan.
Christus leeft.
Christus komt terug.
Daarom leeft ook Zijn Gemeente.
Dat is uiteindelijk het antwoord op alle sombere verhalen over de toekomst van de kerk. Ons vertrouwen rust niet op de vraag of kerkelijke instituten in Nederland over twintig jaar nog dezelfde omvang hebben.
Ons vertrouwen rust op Jezus Christus, het levende Hoofd van Zijn Gemeente.
Kijk wie God op je weg brengt
Na de ontmoeting met de Ethiopiër gaat Filippus verder.
En ook de kamerheer vervolgt zijn weg met blijdschap.
Dat maakt Handelingen 8 verrassend praktisch.
Morgen gaan wij ook weer ergens heen. Naar ons werk, naar een winkel, naar familie, naar een afspraak of gewoon naar de buren.
Daar zijn mensen.
We weten meestal niet welke vragen zij diep vanbinnen hebben. Filippus kon van een afstand evenmin zien dat daar iemand zat die de Schrift las en zich afvroeg over Wie Jesaja eigenlijk sprak.
Daarom hoeven we niet krampachtig op zoek te gaan naar spectaculaire mogelijkheden om voor God bruikbaar te zijn.
We mogen eenvoudig onze ogen en oren openhouden.
Wie brengt God op mijn weg?
Misschien geen zaal vol mensen.
Misschien één mens.
Maar voor die ene mens kan een gesprek over de Here Jezus van eeuwigheidswaarde zijn.
Christus bouwt Zijn Gemeente
Daarom hoeven we niet mee te gaan in moedeloosheid.
Ja, met kerkelijke instituten kan het slecht gaan.
Ja, er is veel verwarring.
Ja, de Bijbelse boodschap wordt in onze samenleving steeds vaker terzijde geschoven.
Maar Christus heeft niet gezegd dat wij Zijn Gemeente overeind moeten houden.
Hij heeft gezegd:
“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”
En daarom blijft onze opdracht verrassend eenvoudig.
Niet onszelf verkondigen.
Niet onze beweging grootmaken.
Niet mensen aan onze persoonlijkheid binden.
Niet vertrouwen op religieuze vormen.
Maar doen wat Filippus deed.
De Schrift openen.
Onze mond openen.
En Jezus verkondigen.
Want uiteindelijk heeft de wereld niet allereerst behoefte aan een aantrekkelijker christendom.
De wereld heeft Christus nodig.
En ook de Gemeente zelf moet telkens weer terug naar dat ene middelpunt:
Jezus alleen.
lees ook:
De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam
Het werk van de Heilige Geest: geen spektakel, maar Christus centraal



