Voorgeschreven geweld in de Koran: teksten niet wegpoetsen

Geweldsteksten in de Koran

Geweld in de islam wordt vaak afgedaan als misbruik of verkeerde interpretatie. Maar wat gebeurt er wanneer de Koran zelf teksten bevat over doden, strijden, onderwerpen en bestraffen? Een  analyse met concrete voorbeelden.

Er is een standaardreactie die uit de kast wordt getrokken zodra je begint over geweld in de islam:

dat heeft niets met de echte islam te maken.

Geweld bineen de islam zou altijd ontsporing zijn. Misbruik. Politiek. Trauma. Armoede. Kolonialisme. Verkeerde interpretatie.

Maar die redenering loopt vast zodra je de Koran zelf openslaat.

Want het ongemakkelijke punt is niet dat sommige moslims gewelddadig zijn. Veel moslims zijn vreedzame mensen, goede buren, collega’s, vaders, moeders, kinderen. Het probleem is funamenteel: wie religieus geweld vanuit de islam wil legitimeren, hoeft niet eerst buiten de Koran te gaan zoeken. Hij kan teksten aanwijzen. Teksten waarin strijd, doden, onderwerpen, vernederen en bestraffen niet als ontsporing verschijnen, maar als opdracht.

Dat is precies waarom dit onderwerp niet weggemoffeld mag worden.

Niet met zachte praat.

Niet met interreligieus begrip.

Niet met de dooddoener dat “alle religies uiteindelijk hetzelfde willen”.

Nee. De teksten spreken voor zich.

En hoe.

geweld in de koran
Geweld in de koran

De olifant in de kamer

 

De vraag is niet of er in de geschiedenis van christenen ook geweld is gepleegd. Natuurlijk is dat gebeurd. Beschamend vaak zelfs.

Maar dan komt de wezenlijke vraag:

kon men dat geweld uit de leer of het voorbeeld van Christus Zelf halen?

Zegt Jezus: onderwerp uw vijanden met het zwaard?

Zegt Jezus: dood wie niet gelooft?

Zegt Jezus: laat ongelovigen zich onderwerpen en betalen?

Zegt Jezus: sla de halzen van uw tegenstanders?

Nee.

Wanneer Petrus naar het zwaard grijpt, grijpt Christus in. Hij zegt dan:

Petrus, berg je zwaard op.

Wanneer Zijn discipelen willen vechten, stopt Hij hen. Wanneer Hij over vijanden spreekt, zegt Hij niet: vernietig hen, maar: heb hen lief.

Dat maakt het verschil niet klein, maar fundamenteel.

In de Koran ligt dat anders. Daar staan teksten die niet slechts beschrijven dat er gevochten werd, maar die bevelend spreken.  In onder meer Soera 9:5, 9:29, 8:39 en 47:4 vinden we voorbeelden van teksten waarin geweld tegen ongelovigen of “mensen van het Boek” wordt gelegitimeerd.

 

“Dood de afgodendienaars waar u hen vindt”

Een van de bekendste teksten is Soera 9:5. Daar staat volgens de Engelse weergave van Quran.com dat wanneer de heilige maanden voorbij zijn, de polytheïsten gedood moeten worden waar men hen vindt; zij moeten gevangengenomen, belegerd en op elke weg opgewacht worden. De tekst zegt vervolgens dat zij vrijgelaten moeten worden als zij berouw tonen, het gebed verrichten en de aalmoesbelasting betalen.

Dat is geen vriendelijke uitnodiging tot een open geloofsgesprek.

Dat is geen oproep tot een verdraagzame samenleving.

Dat is taal van overgave, onderwerping en geweld.

Je kan discussiëren over context, verdragen en historische situatie. Maar wat je niet eerlijk kan doen, is doen alsof hier geen gewelddadige opdracht staat. De werkwoorden zijn niet vaag. Doden. Gevangennemen. Belegering. Opwachten.

Wie deze tekst leest, hoeft niet te raden waarom radicale moslims zich erop beroepen. De tekst geeft hen materiaal in handen.

 

“Strijd tegen de mensen van het Boek”

Nog scherper wordt het bij Soera 9:29, omdat deze tekst niet slechts over afgodendienaars spreekt, maar over mensen “die de Schrift gegeven is”, dus Joden en christenen. De tekst roept op om te strijden tegen hen die niet in Allah en de Laatste Dag geloven, niet verbieden wat Allah en zijn boodschapper verboden hebben, en niet de ware religie volgen, totdat zij de belasting betalen in onderwerping en vernedering.

Hier gaat het niet alleen om militair conflict. Hier gaat het om een religieus-politieke orde waarin Joden en christenen niet vrij naast moslims staan, maar onderworpen worden.

De kern is niet:

“Laat hen met rust.”

De kern is:

“Strijd tegen hen totdat zij betalen en zich onderwerpen.”

Dat is precies waarom de claim “islam is vrede” niet overeind blijft. Niet omdat elke moslim deze tekst vandaag zo toepast. Maar omdat de tekst zelf een onderworpen positie voor niet-moslims legitimeert.

Dat is een nuchtere vaststelling.

 

“Sla de halzen van de ongelovigen”

Soera 47:4 is nog concreter. Daar staat dat wanneer men de ongelovigen in de strijd ontmoet, men hun halzen moet slaan totdat zij grondig onderworpen zijn, waarna gevangenen stevig gebonden worden. Daarna kunnen zij eventueel vrijgelaten of vrijgekocht worden, totdat de oorlog ten einde komt.

Dit is oorlogstaal.

Niet symbolisch.

Niet therapeutisch.

Niet innerlijk of overdrachtelijk  bedoeld.

Het gaat om strijd, halzen, onderwerping, gevangenneming en oorlog.

Wie beweert dat geweld in de islam alleen ontstaat door “verkeerde interpretatie”, moet uitleggen waarom zulke teksten überhaupt in de “heilige bron” staan. De radicale lezer hoeft er geen geweld bij te verzinnen. Hij hoeft alleen maar  letterlijk te lezen.

Dát is het euvel

 

“Dood hen waar u hen aantreft”

Soera 4:89 spreekt over mensen die zouden willen dat de gelovigen ongelovig worden zoals zij. De tekst zegt dat men hen niet als bondgenoten moet nemen tenzij zij emigreren op de weg van Allah. Als zij zich afkeren, moeten zij gegrepen en gedood worden waar men hen aantreft.

Opnieuw: dit is geen neutrale religieuze tekst over verschil van inzicht.

Het gaat niet om:

“Laat ieder in zijn waarde.”

Het gaat niet om:

“Dwing niemand.”

Het gaat om vijandschap, loyaliteit, afkeer, grijpen en doden.

Dit soort radicale teksten heeft een totaal andere toon dan het Evangelie van Christus. In het Nieuwe Testament wordt de vijand niet een doelwit voor religieuze zuivering, maar iemand aan wie genade, waarheid en liefde bewezen moet worden.

 

“Dood hen waar u hen tegenkomt”

Ook Soera 2:191 bevat harde taal. Daar staat dat de ongelovigen gedood moeten worden waar men hen tegenkomt en verdreven uit de plaatsen waaruit zij de moslims verdreven hebben; vervolging wordt daar erger genoemd dan doden. De tekst beperkt ook iets rond de heilige moskee, maar voegt eraan toe dat wanneer zij daar vechten, zij gedood moeten worden; dat wordt de vergelding voor de ongelovigen genoemd.

Wie deze tekst wil verdedigen als puur defensief, zal in elk geval moeten erkennen dat het gebruikte vocabulaire snoeihard is. Het gaat om doden, verdrijven, vergelding en ongelovigen. De vraag is dus niet of er context bestaat. De vraag is of de tekst in zichzelf een religieus raamwerk biedt waarin geweld tegen ongelovigen als geoorloofd en zelfs opgedragen wordt voorgesteld.

Het antwoord daarop is: ja.

 

Kruisiging, amputatie en doodstraf

Soera 5:33 noemt de straf voor hen die oorlog voeren tegen Allah en zijn boodschapper en verderf op aarde verspreiden. De genoemde straffen zijn dood, kruisiging, het afhakken van handen en voeten aan tegenovergestelde zijden, of verbanning uit het land. Daarbovenop wordt gesproken over schande in deze wereld en een grote bestraffing in het hiernamaals.

Ook hier zie je weer het patroon: religieuze tegenstand wordt niet slechts gezien als dwaling, maar als oorlog tegen Allah en zijn boodschapper. En daarop volgen lijfstraffen van een extreme hardheid.

Dat is niet zomaar “oude taal”.

Dat is een juridisch-religieuze geweldsinstructie

Wanneer een religieuze tekst zulke straffen noemt, kan men niet verbaasd doen wanneer latere islamitische rechtstradities daar harde strafsystemen uit ontwikkelen.

 

“Vecht tegen de ongelovigen in uw nabijheid”

Soera 9:123 roept gelovigen op om te vechten tegen de ongelovigen die dichtbij zijn, en hen hardheid of strengheid te laten vinden.

Ook deze tekst is belangrijk, omdat hij het geweld niet beperkt tot een vage vijand ver weg. De ongelovigen “in uw nabijheid” komen in beeld.

Dat maakt het zo explosief.

Wanneer godsdienst niet alleen een persoonlijke overtuiging is, maar ook een opdracht tot strijd tegen nabije ongelovigen, dan wordt samenleven kwetsbaar. Dan is vrede niet vanzelfsprekend. Dan hangt alles af van de vraag of zulke teksten worden geneutraliseerd, geherinterpreteerd of simpelweg niet toegepast.

Maar ze staan er wel.

Dát is een feit.

 

Het bekende uitvluchtwoord: context

Natuurlijk zal onmiddellijk het woord “context” vallen.

Maar context mag geen rookgordijn worden.

Context kan uitleggen tegen wie een tekst oorspronkelijk gericht was. Context kan laten zien in welke situatie een tekst werd uitgesproken. Context kan details verduidelijken.

Maar context kan niet wegtoveren dat er bevelende geweldstaal staat.

Als een tekst zegt:

vecht, dood, grijp, beleger, onderwerp, kruisig, hak af

dan mag je niet doen alsof het eigenlijk alleen maar over innerlijke vrede gaat. Dat is geen uitleg meer. Dat is witkalk.

En precies daar mist men doorgaans de boot in  gesprekken over islam. Men citeert graag teksten die vriendelijk klinken. Maar zodra de harde teksten op tafel komen, dan trekt men de joker:

“dat moet je anders begrijpen”.

Hoe anders dan precies?

En op basis waarvan?

En waarom begrijpen radicale moslims deze teksten dan zo moeiteloos als geweldsteksten?

 

Het hemelsbrede verschil met Christus

Hier komt het grote contrast.

Christus roept Zijn discipelen niet op om ongelovigen te onderwerpen. Hij zendt hen uit om te getuigen. Niet met zwaard, maar met Woord. Niet met dwang, maar met prediking. Niet met jihad, maar met kruisdragen.

De Heere Jezus zegt niet dat Zijn Koninkrijk door geweld wordt opgericht.

Integendeel:

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.”

Als Zijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Zijn dienaren gestreden hebben. Maar dat doen zij niet.

Dat is geen klein verschil in aanpak.

Dat is een andere geest.

Een ander Koninkrijk.

Een andere Heer.

Het kruis van Christus is geen religieuze stormram waarmee vijanden worden neergeslagen. Het is de plaats waar de Zoon van God Zichzelf geeft voor vijanden. Dat is precies waarom het christelijk geloof in zijn kern niet door dwang verspreid mag worden. Zodra het zwaard het Evangelie moet helpen, heeft men het Evangelie al verraden.

 

Waarom dit gezegd moet worden

Veel mensen zijn bang om deze teksten te noemen. Bang om hard te klinken. Bang om “islamofoob” genoemd te worden. Bang voor conflict.

Maar zwijgen helpt niemand.

Het helpt christenen niet, want zij verliezen onderscheidingsvermogen.

Het helpt moslims niet, want zij worden niet eerlijk geconfronteerd met de problematische teksten in hun eigen bron.

Het helpt de samenleving niet, want men bouwt beleid en dialoog op een half verhaal.

En het helpt de waarheid niet, want waarheid wordt ingeruild voor empatische beleefdheid.

Wie werkelijk eerlijk wil spreken, moet durven zeggen: er staan in de Koran teksten die geweld tegen ongelovigen, Joden, christenen, afvalligen of tegenstanders religieus kunnen legitimeren. Dat is geen verzinsel van critici. Dat is zichtbaar in de tekst zelf.

 

De kern

Het probleem is niet, en dat beweeert ook niemand dat iedere moslim gewelddadig zou zijn.

Dat is gewoon niet zo.

Het probleem is dat de islamitische brontekst geweldstaal bevat die door gewelddadige moslims niet willekeurig wordt verzonnen, maar voluit tekstueel kan worden onderbouwd. En gelegitimeerd.

Daar zit de angel.

Niet alle moslims passen deze teksten toe.

Maar wie ze wél toepast, kan zich erop beroepen.

En dat maakt het probleem ernstig.

 

Een eerlijk gesprek over islam begint niet met slogans, maar met teksten.

Niet met “religie van vrede”.

Niet met “alle godsdiensten zijn hetzelfde”.

Niet met de aanname

“dat staat er eigenlijk niet”.

Maar met lezen.

Gewoon lezen.

Soera 9:5. Soera 9:29. Soera 47:4. Soera 4:89. Soera 5:33. Soera 9:123.

 

De vraag is niet of deze teksten opbouwend zijn. Dat zijn ze niet.

De vraag is ook niet of moderne moslims allemaal zo leven. Dat doen ze niet.

De vraag is: staan deze teksten er, en bieden zij religieuze grond voor geweld en onderwerping?

Ja.

En wie dat blijft ontkennen, preekt geen vrede, maar sluit zijn ogen voor de bron.

Zie ook:

Het islamitisch dilemma ontmaskerd: Waarom de Koran je terugstuurt naar de Bijbel – Bijbelse basis

De islam bezwijkt onder haar eigen claims – Bijbelse basis

Jezus en mohammed in één adem noemen? – Bijbelse basis

 

 

Hebt u de Heilige Geest ontvangen toen u tot geloof kwam?

Wat Handelingen 19 echt zegt; waarschuwing tegen geestelijke verwarring

Er zijn van die Bijbelteksten die telkens opnieuw uit de kast worden gehaald zodra men een bepaalde geestelijke ervaring wil verdedigen. Handelingen 19 is zo’n gedeelte. Paulus ontmoet in Éfeze enkele discipelen en stelt hun de vraag:

“Zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heiligen Geest is.” Handelingen 19:2 (STV)

Voor bepaalde mensen  is daarmee de zaak beslist. Zie je wel, zegt men dan, je kunt dus geloven en tóch de Heilige Geest nog niet ontvangen hebben. Eerst kom je tot geloof, later moet er nog iets bij komen: een aparte ervaring, een tweede zegen, een geestesdoop, een doorbraak, een aanraking, een impartatie, een krachtmoment.

Maar is dat wat Handelingen 19 leert?

Of wordt hier een overgangssituatie in de heilsgeschiedenis gebruikt als gietmal voor een hedendaagse ervaringsleer?

Dat is geen onbelangrijke vraag. Het raakt de zekerheid van de gelovige, het verstaan van het werk van Christus en de vraag of wij rusten in wat God in Christus gegeven heeft, of blijven jagen naar iets waarvan de Schrift gewoon zegt dat het ons al geschonken is.

wat-Handelingen19 echt zegt
Wat-Handelingen-19 echt zegt.

De vraag van Paulus was geen charismatische ‘altar call’

Paulus vraagt niet aan willekeurige religieuze zoekers of zij een bijzondere ervaring hadden gehad. Hij ontmoet discipelen. Mensen die in zekere zin volgelingen waren, maar kennelijk met een (ernstig) gebrek aan onderwijs.

Zij kenden de doop van Johannes. Zij stonden dus in de lijn van verwachting, bekering en uitzien naar de Komende. Maar zij hadden niet helemaal begrepen wat er inmiddels gebeurd was: Christus was gekomen, gestorven, opgestaan en verheerlijkt. De belofte van de Geest moest in dat licht worden verstaan.

Hun probleem was niet dat Christus (werk) onvolledig was. Hun probleem was dat hun kennis onvolledig was.

Dat is nogal een verschil.

Paulus behandelt hen daarom niet als mensen die nog een trapje hoger op een geestelijke ladder moeten. Hij onderwijst hen. Hij brengt ze bij Christus. Hij laat zien dat Johannes vooruitwees naar Hem Die na hem kwam.

“Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.” Handelingen 19:4 (STV)

De kern is dus niet: zoek een tweede ervaring.

De kern is: zie op Christus, de Gekruisigde en Opgestane, in Wie de belofte vervuld is.

 

De Heilige Geest is geen los verkrijgbare powerbank

Een groot probleem in veel moderne prediking is dat de Heilige Geest wordt losgemaakt van Christus. Dan wordt de Geest vooral verbonden met kracht, gevoel, manifestatie, profetie, tongentaal, genezing, aanbiddingshoogtepunten en bijzondere ervaringen.

Maar de Schrift verbindt de Heilige Geest veel dieper met Christus Zelf.

De Heilige Geest is de Geest van God, maar Hij wordt in het Nieuwe Testament nadrukkelijk openbaar in verbinding met de opgestane Christus.

Hij is de Geest der waarheid, de Trooster, de Geest van het leven, de Geest waardoor de gelovige deel krijgt aan Christus’ opstandingsleven.

Dat maakt een levensgroot verschil.

Want dan is de Heilige Geest niet een extra toevoeging bovenop Christus.

Hij is niet een aparte geestelijke accessoire voor wie na zijn bekering op een hoger geestelijk niveau komt. Hij is niet de beloning voor de vurigen, de gevoeligen of de geestelijk ambitieuzeren.

De Heilige Geest is verbonden met het heil in Christus.

Wie door geloof in Christus is, is niet half gered, half levend, half verzegeld en half verbonden aan God. Hij is in Christus.

Paulus schrijft aan dezelfde Efeziërs later:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” Efeze 1:13 (STV)

Let op de volgorde.

Het woord der waarheid wordt gehoord.

Het Evangelie der zaligheid wordt geloofd.

En de gelovige wordt verzegeld met de Heilige Geest der belofte.

Dat is geen wankel, zweverig ongrijpbaar iets.

Dat is Gods zegel.

 

“Nadat gij geloofd hebt” betekent niet: op een later tijdstip

Sommigen lezen Efeze 1:13 alsof daar ruimte zit voor een latere, aparte fase: eerst geloof, daarna misschien ooit de Geest.

“Nadat u geloofd hebt” betekent niet: nadat u een tijd als gelovige als kip zonder kop zonder Geest hebt rondgelopen. Het betekent: toen u tot geloof gekomen bent. Nadat het geloof begonnen is, volgt de verzegeling.

Niet als los tweede stadium, maar als onderdeel van Gods heilswerk in Christus.

Dát is de bemoediging.

De gelovige hoeft niet in onzekerheid te leven. Hij hoeft niet te denken:

Ben ik wel ver genoeg? Heb ik wel genoeg ervaren? Is mijn geloof wel aangevuld met de juiste kracht? Heb ik wel de echte Geestesdoop gehad?

NEE. De Bijbel wijst hem niet naar zichzelf, maar naar Christus.

Wie gelooft, kijkt niet naar binnen om zekerheid te vinden in de intensiteit van zijn ervaring. Hij kijkt naar Christus en naar het Woord van God.

 

Johannes 20 is belangrijker dan vaak wordt erkend

Een sleuteltekst in dit vraagstuk is Johannes 20. Op de dag van Zijn opstanding verschijnt de Heere Jezus aan Zijn discipelen. Niet met een vaag symbool, maar met een zeer betekenisvolle daad:

“En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvang de Heilige Geest.” Johannes 20:22 (STV)

Dit gebeurt niet op de Pinksterdag, maar op de dag van de opstanding.

Dat is van groot belang.

Christus blaast op hen. Adem, wind en geest liggen in de Bijbelse taal dicht bij elkaar. De opgestane Christus deelt Zijn leven mee. Het gaat om opstandingsleven. Om leven uit de dood. Om nieuwe schepping.

Zoals God bij Adam de levensadem inblies, zo blaast Christus hier op Zijn discipelen. Maar nu gaat het niet om natuurlijk leven uit de eerste schepping. Het gaat om leven uit de opstanding, leven verbonden met de tweede Mens, de laatste Adam.

De Heilige Geest is hier niet een sfeer, niet een emotie, niet een religieuze tinteling, maar het leven van de opgestane Christus.

 

Pinksteren is geen correctie op Pasen

Veel christenen denken onbewust alsof Pasen en Pinksteren twee losse geestelijke hoofdstukken zijn. Pasen is dan vergeving en opstanding. Pinksteren is kracht, ervaring en manifestatie. En vervolgens wordt er soms gedaan alsof Pasen niet genoeg is zonder een soort persoonlijk pinksterwonder.

Maar Pinksteren hóórt bij Pasen.

Pinksteren is de openlijke manifestatie van wat in Christus’ opstanding tot stand is gebracht. De opgestane Christus is de bron. De Geest wordt niet los van Hem uitgedeeld. Pinksteren is geen reparatie van een tekort in Pasen. Pinksteren is de publieke, krachtige openbaring van het opstandingsleven van Christus.

Daarom staat er in Handelingen 2:

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.” Handelingen 2:4 (STV)

Let op het woord “vervuld”.

Vervuld worden met de Heilige Geest is niet hetzelfde als voor het eerst de Heilige Geest ontvangen. Vervulling wijst op de werking, doorwerking, openbaring en beheersing door de Geest. Ontvangen wijst op het bezit van de Geest als gave van God.

Wie dat onderscheid kwijtraakt, raakt al snel verstrikt in verwarring.

 

Ontvangen en vervuld worden zijn niet hetzelfde

Hier ligt een belangrijk Bijbels onderscheid.

De gelovige ontvangt de Heilige Geest bij het geloof in Christus. Hij wordt verzegeld. Hij krijgt deel aan Christus’ leven. Hij is wedergeboren. Hij is van Christus.

Maar de gelovige kan wel meer of minder vervuld zijn met de Geest. Hij kan wandelen door de Geest of het vlees ruimte geven. Hij kan geleid worden in de waarheid of onwetend blijven. Hij kan geestelijk groeien of kind blijven. Hij kan de Geest bedroeven. Hij kan de werking van de Geest in zijn leven weerstaan in de praktijk.

Dat is dus heel iets anders dan zeggen dat een gelovige de Heilige Geest nog niet heeft.

De vraag moet niet zijn: heb ik als gelovige de Heilige Geest wel ontvangen?

De vraag is: leef ik uit wat God mij in Christus gegeven heeft?

Dat is scherper. En eerlijker.

 

De gelovigen in Efeze hadden vooral onderwijs nodig

De mannen in Handelingen 19 wisten niet wat “Heilige Geest” inhield. Zij kenden de prediking van Johannes, maar misten zicht op de vervulling in Christus. Hun gebrek was geen bewijs voor een normale christelijke toestand zonder Heilige Geest. Het was een overgangssituatie.

Met name Handelingen staat vol van zulke overgangssituaties. Het boek beschrijft hoe het Evangelie van Jeruzalem naar Judea, Samaria en de einden der aarde gaat. Joden, Samaritanen, heidenen en discipelen van Johannes worden in de voortgang van Gods werk zichtbaar verbonden aan Christus.

Daarom moet je Handelingen aandachtig en met onderscheid  lezen. Niet alles wat beschreven wordt, is automatisch voorgeschreven als vaste regeling van orde voor de Gemeente vandaag.

Wie van elke bijzondere gebeurtenis in Handelingen een standaardmodel maakt, bouwt zijn leer op overgangsmomenten. Dat is gevaarlijk. Dan ga je van uitzonderingen een dichtgemetseld systeem maken.

En dat is wat ik vaak zie gebeuren.

 

Tongentaal en profetie waren tekenen, geen maatstaf voor elke gelovige

In Handelingen 19 gebeurt er iets zichtbaars:

“En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.” Handelingen 19:6 (STV)

Dat wordt nogal eens gebruikt als pressiemiddel.

Men zegt dan: zie je wel, als de Geest komt, moet er iets zichtbaar gebeuren. Er moet tongentaal zijn. Er moet profetie zijn. Er moet een waarneembaar bewijs zijn.

Maar dat is een onzorgvuldige en nogal voorbarige conclusie.

In Handelingen 19 gaat het om een bijzondere bevestiging in een bijzondere situatie. Deze mannen stonden nog in de lijn van Johannes’ doop en moesten zichtbaar worden ingevoegd in de werkelijkheid van Christus’ volbrachte werk. De tekenen bevestigen dat zij niet buiten de vervulling staan.

Maar nergens leert de Schrift dat iedere gelovige tongentaal moet spreken als bewijs dat hij de Heilige Geest heeft.

Dat zou bovendien strijdig zijn met Paulus’ eigen onderwijs in 1 Korinthe 12, waar hij juist duidelijk maakt dat niet allen dezelfde gave hebben. De Geest deelt uit naar Zijn wil. De Geest is geen machine die bij iedereen hetzelfde verschijnsel produceert.

Wie tongentaal of zichtbare manifestaties tot bewijs van het hebben ontvangen van de Heilige Geest maakt, verschuift en vermagert de zekerheid in Christus naar ervaring. En dat is bepaald geen verdieping. Dat is verlies.

 

Bidden om de Heilige Geest alsof Hij nog niet gegeven is

In sommige kringen wordt gelovigen geleerd om te bidden om de Heilige Geest alsof zij Hem nog niet ontvangen hebben. Dat klinkt vroom. Het klinkt afhankelijk. Het kan ook diep verwarrend zijn.

Want als een gelovige in Christus is, verzegeld met de Heilige Geest der belofte, dan is het niet Bijbels om hem te leren bidden alsof God Zijn Geest nog moet geven.

Natuurlijk mag een gelovige bidden om vervulling, leiding, kracht, wijsheid, vrijmoedigheid, vrucht, groei en gehoorzaamheid. Natuurlijk is hij afhankelijk van de Geest. Natuurlijk kan hij zonder de werking van de Geest niets geestelijks voortbrengen.

Maar dat is iets anders dan bidden alsof hij de Geest nog niet bezit.

Het eerste is Bijbels.

Het tweede maakt onzeker.

 

De Geest leidt in de hele waarheid, niet in onzekerheid

De Heere Jezus noemt de Heilige Geest “de Geest der waarheid”. Dat is veelzeggend. De Geest is niet de Geest van verwarring, groepsdruk, religieuze opwinding, twijfel of onzekerheid

Hij leidt in de hele waarheid.

Dat betekent: Hij verheerlijkt Christus. Hij opent het Woord. Hij leert de gelovige verstaan wat hem in Christus geschonken is. Hij richt het geloof niet op zichzelf, maar op de Heere.

Daarom is gedegen onderwijs ook zo belangrijk. Paulus lost de situatie in Éfeze niet op met sfeer, muziek, emotionaliteit of massale druk. Hij legt uit. Hij wijst op Christus. Hij brengt orde in hun begrip.

Dat is vandaag de dag ook hard nodig.

Veel gelovigen zijn geestelijk onrustig, niet omdat zij te weinig ervaring hebben, maar omdat zij te weinig Bijbels onderwijs hebben ontvangen. Zij zoeken iets wat God allang in Christus gegeven heeft.

Zij wachten op een doorbraak, terwijl zij moeten leren staan in hun positie.

 

De gelovige is met Christus verbonden

De Heilige Geest ontvangen betekent dat de gelovige verbonden is met Christus. Niet oppervlakkig. Niet symbolisch alleen. Werkelijk.

Paulus zegt:

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;” Efeze 2:6 (STV)

En in Kolossenzen:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Kolossenzen 3:3 (STV)

Dat is ontzagwekkend rijk.

De gelovige leeft niet vanuit een leegte die eerst nog gevuld moet worden door een latere extra geestelijke ervaring. Hij leeft vanuit de volheid die hij moet leren kennen, geloven en praktisch uitleven.

Hij is gestorven met Christus.

Hij is opgewekt met Christus.

Zijn leven is verborgen met Christus in God.

Hij is verzegeld met de Heilige Geest.

 

Dat is geen armoedig christendom.

Dat is geen droge leer.

Dat is de vaste grond onder het geloof.

 

De moderne ervaringsdrang maakt gelovigen arm

Hier mag het scherp gezegd worden.

Een prediking die gelovigen voortdurend vertelt dat zij méér moeten ontvangen om eindelijk echt geestelijk te zijn, kan vroom klinken, maar zij berooft hen vaak van de rijkdom die zij in Christus al hebben ontvangen.

Dan wordt Christus het begin, maar ervaring de voltooiing.

Dan wordt geloof de deur, maar manifestatie de uitwerking.

Dan wordt het Woord de aanzet, maar gevoel de bevestiging.

Dat is een gevaarlijke vervanging.

De Bijbel leert niet dat de gelovige zijn zekerheid moet zoeken in de vraag of er genoeg kracht, tinteling, tongentaal, profetie, emotie of vuur in zijn leven zichtbaar is. De Bijbel leert dat de gelovige moet rusten in Christus en wandelen door de Geest.

Dat is niet minder geestelijk. Dat is juist geestelijk.

 

Niet jagen naar een tweede zegen, maar leren wandelen in de gegeven zegen

De gelovige heeft geen tweede fundament nodig. Hij heeft onderwijs nodig in het Ene fundament.

Hij hoeft niet naar een tweede Christus, een tweede evangelie of een tweede inwijding. Hij moet leren begrijpen wat het betekent dat Christus gestorven, opgestaan en verheerlijkt is.

De Geest is gegeven om Christus te verheerlijken, niet om de aandacht van Christus af te trekken naar de ervaring van de gelovige.

Daarom is het zo belangrijk om het verschil te zien tussen:

bezit van de Geest

vervulling met de Geest

werking van de Geest

vrucht van de Geest

gaven van de Geest

leiding door de Geest

Wie dat allemaal op één hoop gooit, krijgt verwarring. En verwarring is geen vrucht van de Geest.

 

Wat Handelingen 19 ons laat zien

Handelingen 19 leert niet dat iedere gelovige na zijn bekering nog een aparte geestesdoop moet zoeken of ervaren.

Het leert dat er mensen kunnen zijn die wel onderwijs hebben ontvangen, maar nog niet helder zien wat God in Christus heeft gedaan.

Het leert dat onvolledig onderwijs moet worden aangevuld met prediking van Christus en Zijn werk.

Het leert dat Johannes niet het eindpunt was, maar de wegwijzer naar Christus.

Het leert dat de Heilige Geest verbonden is met de opgestane Heer.

Het leert dat bijzondere tekenen in Handelingen een bevestigende functie hadden in een overgangstijd.

Het leert dat de Geest de gelovige brengt tot waarheid, vrijmoedigheid en kennis van wat God geschonken heeft.

En het leert vooral dat de gelovige niet moet leven uit geestelijke onzekerheid, maar uit de vaste werkelijkheid van Christus’ volbrachte werk.

 

Dé vraag

De vraag is dus niet of een gelovige nog moet wachten op iets waardoor Christus eindelijk compleet wordt.

Christus is compleet.

Zijn werk is compleet.

Zijn opstanding is werkelijk.

Zijn Geest is gegeven.

De echte vraag is: kent de gelovige zijn rijkdom in Christus?

Weet hij wat hem geschonken is?

Wandelt hij door de Geest?

Laat hij zich leiden door het Woord?

Rust hij in Christus, of jaagt hij achter ervaringen aan die hem telkens weer onzeker maken?

Dat is de boodschap van Handelingen 19.

 

Rust in Christus, wandel door de Geest

“Hebt u de Heilige Geest ontvangen?” is geen slogan om gelovigen de onzekerheid in te jagen. Het is een vraag die ons terugbrengt naar de kern: weten wij wat God in Christus gegeven heeft?

De Heilige Geest is geen los verkrijgbaar geestelijk vuurwerk. Hij is de Geest van de waarheid. De Geest van Christus. De Geest van het opstandingsleven. De Geest waardoor de gelovige verzegeld is, onderwezen wordt, geleid wordt en leert wandelen in de werkelijkheid van Christus.

Wie gelooft in de Heere Jezus Christus, hoeft niet te leven als een geestelijke bedelaar die voor de deur blijft staan wachten op iets dat God nog zou moeten geven. Hij mag leren staan in wat God reeds gegeven heeft.

Niet opschepperig. Niet zelfverzekerd in het vlees. Niet hoogmoedig.

Maar vast, nuchter, dankbaar en Bijbelvast.

Want de rijkdom van de gelovige ligt niet in zijn ervaring.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

 

Handelingen 19 wordt vaak gebruikt om te leren dat gelovigen na hun bekering nog apart de Heilige Geest moeten ontvangen. Maar het gedeelte laat vooral zien dat de discipelen in Éfeze onvolledig onderwijs hadden ontvangen. Paulus wijst hen op Christus, naar Wie Johannes de Doper vooruitwees. De Heilige Geest is verbonden met de opgestane Christus en met het nieuwe leven dat de gelovige in Hem ontvangt. Wie gelooft, is verzegeld met de Heilige Geest der belofte. Vervuld worden met de Geest is belangrijk, maar dat moet niet worden verward met het fundamenteel ontvangen van de Geest bij het geloof.

 

Hebt u de Heilige Geest ontvangen?

Die vraag uit Handelingen 19 wordt vaak gebruikt om gelovigen onzeker te maken. Alsof geloof in Christus nog niet genoeg is. Alsof er na bekering nog een aparte geestelijke inwijding nodig is om écht mee te tellen.

Maar Paulus wijst de discipelen in Efeze niet naar een ervaring.

Hij wijst hen naar Christus.

De Heilige Geest is geen los verkrijgbaar krachtpakket. Hij is de Geest van de opgestane Christus. Wie gelooft, wordt verzegeld met de Heilige Geest der belofte.

De vraag is dus niet: heb ik genoeg gevoeld?

De vraag is: weet ik wat God mij in Christus geschonken heeft?

Daar begint de echte rust.

Zie ook:

heilige geest – Bijbelse basis

pinksteren – Bijbelse basis

Extern:

Bijbelstudie lezingen: De Heilige Geest- Bijbels Panorama ..

 

 

Wat valt er af te dingen op pinkstertheologie?

De pinksterleer onder de loep

Wie zegt: “Ik ben een echte Pinksterman”, zegt meestal niet alleen iets over zijn achtergrond. Hij zegt iets over zijn geloofsleven. Hij voelt zich thuis in een traditie waarin de Heilige Geest met nadruk wordt verbonden aan kracht, ervaring, genezing, tongentaal, profetie, aanbidding, doorbraak en verwachting.

Dat kan oprecht zijn. Daar moeten we eerlijk in zijn. Er zijn pinkstergelovigen met liefde voor Christus, ernst in gebed en bewogenheid voor verloren mensen. Het zou oneerlijk zijn om dat weg te zetten alsof het allemaal toneel is.

Dat is het punt hier ook niet.

Maar juist omdat het vaak oprecht is, moeten we des te serieuzer kijken naar de leer erachter. Want oprechtheid maakt een gedachtengang nog niet Bijbels. Vuur is functioneel in de haard, maar verwoestend als het door het huis gaat. Zo is het ook met geestelijke ervaring. Zij kan een plaats hebben, maar zij mag nooit het fundament worden.

En daar vliegt pinkstertheologie regelmatig uit de bocht.

Waar de focus kantelt

De traditionele pinksterbeweging legt veel nadruk op de doop met de Heilige Geest, de gaven van de Geest, tongentaal, profetie, genezing en directe leiding van God. Op zich zijn dat geen onbelangrijke dingen. De Bijbel spreekt veel over de Heilige Geest. De Bijbel spreekt ook over gaven. De Bijbel noemt gebed om genezing. De Bijbel benadrukt Gods leiding.

De vraag is hier dus niet of deze woorden in de Bijbel voorkomen.

De vraag is: welke plaats krijgen ze?

Daar gaat het vaak mis in de pinksterpraktijk. Dan komt het recht snijden van Gods Woord op de helling te staan. Niet altijd openlijk. Niet altijd bewust. Maar wel degelijk. Het geloofsleven rust dan steeds minder in het volbrachte werk van Christus en steeds meer in wat de gelovige vandaag ervaart, ontvangt, merkt, voelt, uitspreekt of meemaakt.

Dan verandert de terminologie. En men bedoelt ook iets anders.

Niet alleen: Christus is gestorven en opgestaan.
Maar: heb jij de kracht al ervaren?

Niet alleen: je bent in Hem aangenomen.
Maar: heb jij de doop in de Geest al ontvangen?

Niet alleen: wandel door geloof.
Maar: heb jij er wel verwachting voor?

Niet alleen: toets alles aan de Bijbel.
Maar: sta jij wel open voor wat de Geest nú wil doen?

Dat klinkt misschien vroom. Maar het is niet onschuldig. En zeker niet zonder risico. Want zodra de ervaring het bewijs van geestelijkheid wordt, raakt de gelovige zijn rust kwijt. Dan is Christus niet langer genoeg als vaste grond. Dan moet er steeds weer iets aan toegevoegd worden. Een aanraking. Een doorbraak. Een woord. Een bevestiging. Een genezing. Een manifestatie.

En zo wordt “er is meer” het nieuwe evangelie.

De eigen ervaring als meetlat voor de gemeente

Daar komt nog iets bij. In pinkster- en charismatische kringen wordt de eigen ervaring gemakkelijk tot norm verheven. Iemand is wonderlijk genezen, heeft iets bijzonders meegemaakt, kreeg een sterke indruk, ervoer een doorbraak — en vervolgens wordt die persoonlijke ervaring ongemerkt tot blauwdruk voor anderen gebombardeerd.

Dat klinkt geestelijk, maar het is gevaarlijk.

Als God iemand werkelijk heeft genezen, mag daar zeker dankbaarheid voor zijn. Dat hoeft ook zeker niet verdacht gemaakt te worden. Maar uit een bijzondere genade in iemands persoonlijke leven mag je geen algemene regel destilleren voor het hele lichaam van Christus.

En daar zit het euvel. De redenering wordt dan:

God genas mij, dus Hij wil dit kennelijk ook zo voor anderen.
Ik heb bevrijding ervaren, dus anderen moeten deze weg ook gaan.
Ik kreeg een woord of indruk, dus zo spreekt God blijkbaar vandaag.
Ik heb doorbraak meegemaakt, dus wie geen doorbraak ervaart, mist geloof, verwachting of openheid.

Maar dat is géén gezonde Bijbelse redeneertrant.

Dat is ervaring die zich voordoet als leer

 

De Bijbel is de norm, niet mijn verhaal. Mijn ervaring mag getuigen, maar mag niet regeren. Mag bemoedigen, maar mag geen juk worden op de schouders van anderen.

Ondergeschikt aan het Woord.

Altijd.

Want zodra mijn wonder de meetlat wordt, zadel ik de ander met zijn niet-genezen lichaam, zijn blijvende strijd of zijn uitblijvende doorbraak op met een last. Dan is de vraag niet meer:

wat heeft God geopenbaard in Zijn Woord?

maar:

waarom gebeurt bij jou niet wat bij mij gebeurde?

En dáár wordt een getuigenis puur giftig.

Een persoonlijke genezing kan echt zijn. Een bijzondere ervaring kan zondermeer oprecht zijn. Maar geen enkele ervaring, hoe aangrijpend ook, kan ooit de plaats innemen van de Schrift.

God is soeverein. Hij geneest de één en geeft de ander Genade om te dragen. Hij bevrijdt soms onmiddellijk en vormt soms door een levenslange weg van zwakheid heen.

Wie zijn eigen ervaring tot norm maakt, maakt Gods vrijmacht kleiner en legt mensen lasten op die de Schrift hen nergens oplegt.

Kort gezegd:

een wonder mag tot dankbaarheid leiden, maar nooit tot systeemvorming.

De Schrift blijft in theorie leidend, maar raakt in de praktijk ondergeschikt

De meeste pinkstergelovigen zullen zeggen dat zij de Bijbel hoogachten. En dat geloof ik ook graag. De pijn zit hem vaak niet in de belijdenis, maar in de praktijk.

Officieel is de Schrift het hoogste gezag.

Praktisch komt daar een tweede laag overheen.

Een woord van de Heer.
Een profetische indruk.
Een beeld tijdens het gebed.
Een innerlijke stem.
Een “ik ervaar dat God zegt”.
Een bevestiging via omstandigheden.

En natuurlijk wordt er dan gezegd: “We moeten alles toetsen.” Maar in de praktijk is dat toetsen vaak boterzacht. Want wie durft nog rustig te zeggen: dit was niet van God, als iemand met tranen in de ogen vertelt dat de Heer het op zijn hart legde?

Daar begint de scheefgroei.

Niet omdat God niet kan leiden. Niet omdat de Heilige Geest niet werkt. Maar omdat menselijke indrukken het gezag toebedeeld krijgen dat zij niet mogen en horen te hebben.

De Schrift wordt uiteraard niet bruut van tafel geveegd. Dat zou te duidelijk zijn.

Zij wordt aangevuld.

En juist dat is bloedlink.

Want een Bijbel mét voortdurend aanvullende “woorden erbij” is in de praktijk geen gesloten en voldoende Woord meer. Dan heeft de gelovige niet genoeg aan wat geschreven staat. Dan heeft hij ook nog actuele signalen nodig om zeker te weten wat God precies wil.

Zo ontstaat een buitenbijbelse afhankelijkheid van ingevingen. En dat is iets anders dan afhankelijkheid van God.

De Geestdoop als tweede stap

Een belangrijk punt is de leer dat de gelovige na zijn bekering nog een aparte doop met de Heilige Geest zou horen te ondergaan. In veel pinksterkringen is dat bijna vanzelfsprekend. Eerst kom je tot geloof. Daarna moet je vervuld worden met kracht. En vaak hangt daar tongentaal, vrijmoedigheid, geestelijke intensiteit of een bijzondere ervaring aan vast.

Dat klinkt aansprekelijk. Wie wil er nu geen volheid? Wie wil er geen kracht? Wie wil er niet vuriger zijn?

Wie wil dat nou niet?

Maar de vraag is hier: wat doet dit met het Evangelie?

Het verdeelt gelovigen impliciet in twee groepen. Zij die “alleen” bekeerd zijn, en gelovigen die “meer” ontvangen hebben. Gewone christenen tegenover geestelijk toegeruste christenen. Mensen met Christus, en mensen met Christus plus kracht.

Dat is een gevaarlijke opsplitsing.

De Bijbel leert dat wie van Christus is, de Geest van Christus heeft. De gelovige is niet een halflege tempel in aanbouw die nog even moet worden aangesloten op de permanente stroomvoorziening. Natuurlijk zal een christen vervuld worden met de Geest. Natuurlijk zal hij wandelen door de Geest. Natuurlijk kan er groei, verdieping en vrijmoedigheid zijn.

Maar dat is iets anders dan een aparte status creëren waarbij sommige gelovigen kennelijk nog iets wezenlijks missen. De kers op de taart, zeg maar.

Zo’n leer brengt onrust en legt een vraag onder het geloofsleven:

heb ik het wel echt ontvangen?

En die vraag kan eindeloos blijven knagen.

Tongentaal als geestelijk keurmerk

Daar komt tongentaal bij. In de pinkstertraditie heeft tongentaal een uitzonderlijke plaats gekregen. Soms heel uitgesproken als bewijs van de Geestesdoop, soms wat voorzichtiger als teken van openheid, vrijheid of geestelijke verdieping.

Maar Paulus maakt er in 1 Korinthe geen keurmerk van. Integendeel. Hij begrenst, ordent en relativeert. Hij vraagt niet: “Spreken jullie allemaal in tongen? Dat zou wel moeten.” De strekking is daar juist dat niet allen dezelfde gave hebben.

Toch wordt tongentaal in de praktijk vaak meer dan een gave. Het wordt een prestatie. Wie het heeft, is ergens doorheen. Wie het niet heeft, mist blijkbaar iets. Misschien zegt men dat niet hardop, maar impliciet zegt men het wel.

En de sfeer is in zulke kringen regelmatig sterker dan de leer.

Mensen gaan meedoen. Klanken vormen. Verwachtingen invullen. Niet altijd uit bedrog, maar uit groepsdruk. Uit verlangen ergens bij te horen. Uit angst om de Geest tegen te staan. Uit het gevoel dat stilte minder geestelijk is dan kabaal.

Daar zit iets nogal wrangs in. Een gave die volgens de Bijbel tot opbouw moet dienen, wordt zo een meetlat voor de ziel.

Dat is geen vrijheid. Dat is prestatiedruk met een vroom smoelwerk.

Tongentaal als aangeleerde techniek

Een veelzeggend voorbeeld heb ik zelf horen verkondigen: de gedachte dat men tongentaal “thuis maar moet gaan oefenen”. Dat klinkt wellicht nogal onschuldig: probeer het maar, laat je remmingen los, oefen in overgave. Maar juist daarin wordt zichtbaar hoe krom de praktijk kan worden.

Want als de gave van tongentaal geoefend moet worden, wat is het dan nog?

Is het dan een gave van de Geest, of een aangeleerd religieus gedragspatroon? Is het spreken zoals de Geest gaf uit te spreken, of het produceren van klanken omdat de omgeving verwacht dat er iets moet komen? Wordt hier een geestelijke gave ontvangen, of wordt iemand langzaam een groepsdingetje aangeleerd?

In Handelingen 2 moesten de discipelen helemaal niet thuis oefenen met klanken. Zij spraken gewoon zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Het initiatief lag ook daar bij God, niet bij een methode. Er was geen workshop tongentaal, geen trainingsschema, geen aansporing om de eerste lettergrepen maar gewoon uit te proberen.

De Geest gaf. En zij spraken.

Dat is dus iets radicaal anders dan mensen onder subtiele druk zetten om een ervaring te produceren.

Hier wordt de gave omgekat tot techniek. En zodra een gave techniek wordt, ligt imitatie op de loer. Dan kan iemand gaan denken: als ik maar begin, komt de rest vanzelf. Of: als ik het niet doe, sta ik de Geest tegen. Of: als anderen het kunnen en ik niet, zal er met mij wel iets mis zijn.

Dat is geen Bijbelse vrijheid. Dat is geestelijke conditionering.

Paulus spreekt in 1 Korinthe 12 over gaven die door de Geest worden uitgedeeld naar Zijn wil. Hij maakt er geen vaardigheid van die iedereen met wat oefening onder de knie kan krijgen. En in 1 Korinthe 14 wordt tongentaal bovendien begrensd door orde, verstaanbaarheid en opbouw van de gemeente. De richting is dus niet: oefenen tot iedereen het kan. De richting is: laat alles tot stichting geschieden.

Daarom is “ga thuis maar tongentaal oefenen” eigenlijk een zeer ontmaskerende zin. Deze laat zien dat men officieel over een gave spreekt, maar praktisch met een techniek werkt. Officieel zegt men: de Geest geeft. Praktisch zegt men: jij moet produceren.

En daar wordt de gelovige alweer belast. Niet met de eenvoudige oproep om te wandelen door geloof, maar met de druk om een religieuze uiting aan te leren die vervolgens als teken van geestelijke volheid wordt gezien.

Een gave die geoefend moet worden om echt te lijken, is hoogstwaarschijnlijk niet de gave waarover de Schrift spreekt.

Genezing en de last op de zieke

Nergens wordt het probleem schrijnender dan bij genezing.

Bidden om genezing is Bijbels. Laat dat helder zijn. God kan genezen. God geneest ook soms. De gemeente mag bidden. Zieken mogen bij de Heere worden gebracht. Daar hoeft geen enkele nuchtere christen bang voor te zijn.

Maar pinkstertheologie blijft eigenlijk nooit bij eenvoudig afhankelijk gebed. Er wordt vaak een laag overheen gelegd. Genezing wordt neergezet als iets wat altijd beschikbaar is, verwacht moet worden, opgeëist mag worden, ontvangen moet worden of in de verzoening besloten zou liggen.

En dan begint de ellende.

Want als genezing beschikbaar is en iemand geneest niet, waar ligt het dan toch aan?

Aan te weinig geloof?
Aan verborgen zonde?
Aan ongeloof in de omgeving?
Aan een vloek?
Aan een blokkade?
Aan het niet goed “ontvangen” van de genezing?
Aan een gebrek aan verwachting?

De zieke heeft dan niet alleen de ziekte te dragen, maar dient ook een uitputtend geestelijk onderzoek naar zijn tekort te ondergaan. Hij ligt al op de grond, en krijgt er nog een leerstellig gewicht bovenop.

Dat is hard. Soms zelfs zeer wreed.

De Bijbel leert lichamelijke genezing, maar tegelijkertijd ook blijvende zwakheid. De Bijbel kent wonderen, maar zeker ook tranen en teleurstelling. De Bijbel kent uitredding, maar ook lijden dat niet meteen wordt weggenomen. Paulus kende kracht, maar had ook een doorn in het vlees. Timotheüs kende geloof, maar had ook lichamelijke klachten. Trofimus werd door Paulus ziek achtergelaten.

Dat past erg slecht in een triomfantelijk genezingsdogma. Maar het past wel in de realiteit van een schepping die in barensnood is.

Het lichaam is gekocht door Christus. Feit. Maar het is nog niet verheerlijkt. Wij wachten nog op de verlossing van ons lichaam. Wie dat negeert, trekt de toekomst naar voren en maakt van het heden een podium voor teleurstelling en deceptie.

Profetie met overdrukventiel

Een ander zwak punt is de omgang met profetie. In charismatische taal klinkt al snel: “God liet mij zien”, “de Heer zegt”, “ik kreeg een woord”, “ik ervaar dat God dit spreekt”.

Dat klinkt indrukwekkend. Maar het roept een eenvoudige vraag op: als God het zegt, hoe feilbaar mag het dan zijn?

Bijbelse profetie draagt het gewicht en de lading van Gods spreken. Daar mag je nooit lichtvoetig mee omgaan. Als iemand vandaag zegt dat God iets zegt, moet hij niet achteraf wegduiken met het excuus: “Ja, het was natuurlijk ook deels menselijk gekleurd.”

Dat is veel te goedkoop.

Veel moderne profetie wil wel de kracht van Gods Naam, maar niet de verantwoordelijkheid van Gods gezag. Men wil wel spreken met gewicht, maar als het niet klopt, blijkt het ineens een oefening, indruk, aanvoelen of leerproces te zijn.

Dat is gewoon link. Want Gods Naam wordt gebruikt om menselijke gedachten extra gewicht te geven. En wie daartegen bezwaar maakt, krijgt al snel te horen dat hij de Geest bedroeft of te verstandelijk is.

Maar nuchter toetsen is geen ongehoorzaamheid aan de Geest. Het is een opdracht in gehoorzaamheid aan het Woord.

Het boek Handelingen als draaiboek

De pinksterleer leest Handelingen al snel alsof het een draaiboek is voor het normale christelijke leven. Wat daar gebeurde, moet nu ook net zo gebeuren. Dezelfde tekenen, dezelfde doorbraken, dezelfde krachten, dezelfde dynamiek.

Maar Handelingen is niet zomaar een handleiding voor onze wekelijkse gemeentepraktijk. Het is het verslag van een unieke heilshistorische overgang: van Jeruzalem naar de volken, van Israël naar de heidenen, van het fundament naar de verbreiding van het Evangelie.

Daarom moet je voorzichtig en begrijpend lezen. Niet alles wat beschreven wordt, is bedoeld als verbindende norm. De Bijbel geeft ook geschiedenis. En geschiedenis is niet automatisch opdracht.

Dat onderscheid wordt vaak onvoldoende of zelfs helemaal niet gemaakt. Dan pakt men uit Handelingen vooral de spectaculaire momenten en bouwt daar een verwachtingstheologie van. Maar men vergeet dat diezelfde Schrift ook spreekt over volharding, lijden, verdragen, wachten, sterven, eenvoud, orde, leer en trouw.

Wie Handelingen leest zonder de brieven, krijgt snel vuur zonder vuurplaats.

Moderne apostelen en geestelijke bouwfraude

In sommige kringen groeit de pinksterlijn uit naar het idee van hedendaagse apostelen en profeten. Niet altijd openlijk. Soms noemt men het anders. Apostolische leiders. Vaderfiguren. Fundamentbedieningen. Mensen met bijzondere zalving of gezag.

Maar de gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, waarbij Christus Zelf de uiterste Hoeksteen is. Een fundament leg je niet elke generatie opnieuw. Je bouwt erop.

Wie vandaag apostelen en profeten lanceert alsof de gemeente nog steeds nieuwe funderende stemmen nodig heeft, raakt aan de genoegzaamheid van het Bijbelse getuigenis. Dan krijgt de gemeente van Jezus Christus steeds nieuwe bouwtekeningen. Nieuwe bewegingen. Nieuwe accenten. Nieuwe woorden. Nieuwe doorbraken.

Maar een huis dat telkens opnieuw gefundeerd moet worden, is geen stevig huis.

Sterker nog: het is een bouwplaats zonder eindinspectie.

De pastorale optelsom

De zwaarste rekening wordt niet betaald door de sprekers op het podium. Die kunnen door naar de volgende conferentie, de volgende dienst, de volgende serie over doorbraak.

De rekening wordt betaald door de mensen in de stoelen.

De zieke die niet geneest.
De weduwe die geen stem uit de hemel hoort.
De stille gelovige die niet expressief genoeg is.
De jongere die tongentaal probeert te produceren.
De kwetsbare christen die denkt dat zijn geloof tekortschiet.
De kritische toetser die wordt weggezet als koud, angstig of controlerend.
De beschadigde ziel die na een mislukte profetie met de brokken blijft zitten.

Daar ligt de pijn. Pinksterleer belooft vaak vrijheid, maar levert niet zelden het tegenovergestelde. Zij spreekt over kracht, maar maakt zwakken soms nog zwakker. Zij spreekt over verwachting, maar heeft weinig taal voor teleurstelling. Zij spreekt over overwinning, maar weet vaak geen raad en geeft geen antwoord op het kruisvormige leven van de gelovige.

En daar wordt dan weer zichtbaar hoe diep de kloof eigenlijk ligt. Een leer moet je niet alleen beoordelen op de mooiste of krachtigste getuigenissen, maar ook op wat zij doet bij degene bij wie het wonder uitblijft.

De Bijbelgetrouwe lijn

De Heilige Geest hoeft niet verdedigd te worden met overdrijving.

Hij werkt.
Hij overtuigt.
Hij troost.
Hij heiligt.
Hij leidt.
Hij opent het Woord.
Hij verheerlijkt Christus.

Maar Hij maakt de gelovige niet, nooit, afhankelijk van geestelijke sensatie. Hij zet Christus niet in de schaduw. Hij maakt de Schrift niet onvoldoende. Hij schept geen elite van mensen met “meer”. Hij drijft zieken niet de schuldhoek in. Hij gebruikt Gods Naam niet als stempel op menselijke ingevingen.

De Geest van God bindt ons aan Christus en aan het Woord.

Daarom is de vraag niet of iemand vurig is. Vuur kan ook vreemd vuur zijn. De vraag is niet of iemand bewogen spreekt. Bewogenheid kan ook meeslepend misleiden. De vraag is niet of er iets gebeurt. Er gebeurt in de religieuze wereld altijd wel iets.

De vraag is:

is het Bijbelvast?

Wordt Christus verhoogd?
Wordt de Schrift geëerd?
Wordt het Evangelie helder gehouden?
Worden zwakken gedragen in plaats van belast?
Worden claims getoetst?
Wordt ervaring onder het Woord gebracht?
Blijft het kruis het centrum?

Als daarop geen helder ja komt, is voorzichtigheid geen ongeloof. Dan is voorzichtigheid gehoorzaamheid.

Van vaste grond naar bewegende grond

Er valt het nodige af te dingen op pinksterleer en praktijk.

Niet omdat iedere pinkstergelovige onecht, overspannen of, erger nog, onoprecht zou zijn. Niet omdat God niet zou kunnen genezen. Niet omdat de Heilige Geest niet vandaag werkt. Maar omdat deze theologie telkens de neiging heeft het geloofsleven te laten hellen van vaste grond naar bewegende grond.

Van Christus naar ervaring.
Van Woord naar indruk.
Van geloof naar gevoel.
Van genade naar krachtmeting.
Van kruis naar doorbraak.
Van wachten op de verlossing van het lichaam naar claimen van genezing nu.
Van apostolisch fundament naar moderne stemmen met gezag.
Van persoonlijk getuigenis naar algemene norm.
Van gave naar techniek.
Van afhankelijk ontvangen naar religieus produceren.

Dat laatste mag nooit onderschat worden. Een eigen ervaring, zelfs een indrukwekkende ervaring, is geen leerstellige meetlat. Geen mal om beton in te gieten. Een genezing is geen hermeneutische sleutel. Een doorbraak is geen dogma. Een indruk is geen openbaringsbron. Een getuigenis is geen Bijbelse norm voor de hele gemeente. En tongentaal die geoefend moet worden omdat dat verwacht wordt, is geen bewijs van geestelijke volheid, maar eerder een teken dat de praktijk haar Bijbelse kader is kwijtgeraakt.

Dat is niet zomaar een randzaak.

Dat raakt de kern van het christelijk leven.

Een gelovige heeft geen extra ervaring nodig om compleet te zijn in Christus. Hij hoeft niet door een charismatische sluis om werkelijk geestelijk te worden. Hij hoeft zijn ziekte niet te verklaren als geloofstekort. Hij hoeft menselijke indrukken niet te slikken omdat iemand er “de Heer zegt” boven zet. Hij hoeft het wonderverhaal van een ander niet als maatlat over zijn eigen leven te laten leggen. En hij hoeft geen klanken te oefenen om zichzelf of anderen te bewijzen dat hij geestelijk genoeg is.

Hij mag rusten in het volbrachte werk van Christus. Hij mag wandelen door geloof. Hij mag bidden om genezing zonder genezing op te eisen. Hij mag dankbaar luisteren naar een getuigenis zonder dat getuigenis tot leer te verheffen. Hij mag de Geest verwachten zonder achter elke emotie een openbaring te zoeken. Hij mag toetsen, vragen stellen, afstand houden en toch vol zijn van eerbied voor God.

Want de Heilige Geest is niet een Geest van druk, maar de Geest der waarheid. En waar Hij werkt, daar wordt de gemeente niet opgejaagd naar steeds meer spektakel, maar dieper geworteld in Christus, nuchter in het Woord, ootmoedig in het geloof en rijk in Genade.

 

Zie ook:

Genezingsbedieningen? – Bijbelse basis

VPE kritisch bekeken: profetie, leiderschap en pinkstertheologie getoetst aan de Bijbel – Bijbelse basis

Tongentaal of misleiding? De Bijbel spreekt – Bijbelse basis

Klanktaal als “full-color geloof”? – Bijbelse basis

Als een genezingsdienst eindigt in het graf: de harde werkelijkheid achter charismatische genezingsclaims

Als genezing wordt geclaimd maar de zieke sterft: de gevaarlijke misleiding van charismatische genezingsclaims

Als een genezingsdienst eindigt in het graf

leugenachtige charismatische genezingsclaims

Er zijn verhalen die je niet zomaar “gevallen” kunt noemen. Daarvoor komen ze té dichtbij. Te pijnlijk. Te echt.

Dit betreft namelijk een zeer nabij familielid.

Het gebeurde ruim 20 jaar geleden.

Een man op leeftijd  krijgt prostaatkanker. Hij verlangt naar genezing. Hij bidt. Hij hoopt. Hij strekt zich uit. Hij reist stad en land af naar genezingsdiensten, omdat hem steeds wordt voorgehouden dat God ook vandaag lichamelijke genezing wil en kan geven, en dat je die genezing mag verwachten, ontvangen, vasthouden, uitspreken.

Dan komt hij trerecht bij een bekende maar niet nader genoemde gebedsgenezer. die op campagne is zoals dat heet.Tijdens de genezingsdienst klinkt de uitspraak:

“Er zijn hier vier mannen met prostaatkanker.”

Wie ernstig ziek is, hoort zo’n zin niet neutraal. Die hoort hoop. Die hoort misschien zelfs: dit is mijn moment. God heeft mij gezien. God roept mij naar voren.

Zo ook deze man. Hij gaat naar voren. Hij wordt ter plekke genezen verklaard.

Maar later overlijdt hij.

Aan prostaatkanker.

En dan komt de vraag die niemand in zulke kringen ooit hardop stelt:

Hoe kan dat?

Niet hoe het medisch kan. Dat is duidelijk genoeg.
Maar hoe het geestelijk kan.

Hoe kan iemand in de Naam van God genezen verklaard worden, terwijl diezelfde ziekte later het lichaam sloopt en het graf wint?

Daar moet je niet omheen praten. Daar moet je niet vroom omheen dansen. Daar moet je niet achteraf een mistgordijn van “misschien”, “innerlijk”, “procesmatig”, “je moet het geestelijk zien” of “hij had het moeten vasthouden” overheen kwakken.

Het eerlijke antwoord is even eenvoudig als onthutsend:

Die genezingsverklaring was niet waar.

Het probleem is niet gebed, maar valse pretentie

Laat dit meteen duidelijk zijn: het probleem is niet dát er voor zieken gebeden wordt.

Daar mag geen misverstand over bestaan. Een christen mag bidden voor genezing. Een gemeente mag bidden voor zieken. Oudsten mogen bij een zieke komen. Jakobus 5 spreekt daar openlijk over. Er is niets mis met vrijmoedig gebed, met smeking, met tranen, met hoop, met het vragen om Gods ontferming.

Het probleem begint waar bidden verandert in verklaren.

Bidden zegt:

Heere, ontferm U. Genees als het U behaagt. Draag deze zieke. Geef kracht. Geef vrede. Geef genade.

Maar verklaren zegt:

U bent genezen. De ziekte is weg. God heeft het gedaan. Ontvang het. Twijfel niet. Spreek het uit.

Dat is van een andere orde.

Het eerste buigt onder God.
Het tweede spreekt namens God.

En dáár gaat het doorgaans mis in charismatische genezingskringen. Men bidt niet alleen. Men claimt. Men verklaart. Men spreekt uit. Men benoemt ziekten vanaf het podium. Men wekt de indruk dat God op dat moment concreet en aantoonbaar handelt.

Maar als de zieke later overlijdt aan precies diezelfde ziekte, dan blijkt dat er niet namens God is gesproken, maar voor God uit.

En dat is zeer ernstig.

“Er zijn hier vier mannen met prostaatkanker”

Die zin klinkt indrukwekkend. Bijna profetisch. Alsof er een hemelse radar door de zaal gaat. Alsof God Zelf via de spreker de verborgen ziekten aanwijst.

 

Maar laten we nuchter zijn

In een grote samenkomst is het statistisch helemaal niet wonderlijk dat er mannen met prostaatkanker aanwezig zijn. Prostaatkanker komt veel voor, zeker onder oudere mannen. In een zaal met honderden mensen is de kans aanzienlijk dat meerdere mannen met die diagnose aanwezig zijn of zijn geweest.

Een algemene uitspraak kan dan klinken als een bovennatuurlijke openbaring, terwijl ze in werkelijkheid breed genoeg is om doel te treffen.

Maar de pijn zit nog dieper.

Want zelfs als de spreker werkelijk dacht dat hij iets van God ontving, blijft de vraag:

Is het waar gebleken?

Dat is de Bijbelse toets.

Niet: klonk het indrukwekkend?
Niet: raakte het iemand emotioneel?
Niet: kwam er beweging in de zaal?
Niet: voelde iemand warmte, tinteling, kracht of hoop?

Maar: is het waar?

Wanneer iemand met prostaatkanker naar voren wordt geroepen, genezen wordt verklaard en later aan prostaatkanker overlijdt, dan heeft de toetsing plaatsgevonden.

De claim is door de mand gezakt.

Niet een beetje. Niet bijna. Niet “anders dan verwacht”.

Keihard.Gezakt.

 

Achteraf vergeestelijken is laf

In zulke situaties zie je vaak een bekende uitweg.

Men zegt dan:

“Misschien was hij geestelijk genezen.”
“Misschien ging het om innerlijke genezing.”
“Misschien is er toch iets gebeurd wat wij niet kunnen zien.”

Dat klinkt heilig, maar het is vaak niets anders dan een reddingsboei voor een mislukte claim.

Want laten we eerlijk zijn: als iemand naar voren komt vanwege prostaatkanker, in een genezingsdienst, na een aanwijzing over prostaatkanker, en vervolgens genezen wordt verklaard, dan begrijpt iedereen wat er bedoeld wordt.

Niet: “u hebt innerlijke rust ontvangen.”
Niet: “u bent geestelijk bemoedigd.”
Niet: “u hebt kracht gekregen om te sterven.”

Nee

De boodschap is:

De kanker is aangepakt. U bent lichamelijk genezen.

Als later blijkt dat dit niet zo is, mag men niet ineens de betekenis veranderen.

Dat is geen uitleg.
Dat is laf vluchtgedrag.

Eerst lichamelijke genezing claimen en daarna, als de dood komt, zeggen dat het “misschien geestelijk bedoeld was”, is gewoon oneerlijk. Dan verschuif je de doelpalen nadat de bal naast is gegaan.

De zieke krijgt de rekening

De meest giftige uitweg is deze:

“Hij had het moeten vasthouden.”
“Hij is gaan twijfelen.”
“Hij heeft de genezing niet beleden.”
“Er was ongeloof.”
“De vijand heeft het geroofd.”

Daarmee wordt de lijder alsnog verantwoordelijk gemaakt voor de valse claim van de genezer.

Dat is ronduit wreed.

Een ernstig zieke man die stad en land afreist naar genezingsdiensten, is meestal geen cynicus. Dat is iemand die hoopt. Iemand die bidt. Iemand die zich vastklampt aan elke strohalm. Iemand die misschien bang is. Iemand die zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen nog niet wil en kan loslaten. Iemand die leeft tussen scan, uitslag, behandeling, pijn, vermoeidheid en gebed.

En juist zo iemand wordt dan geestelijk belast met de gedachte:

Had ik maar meer geloof gehad.
Had ik maar minder getwijfeld.
Had ik maar beter beleden.
Had ik maar sterker gestaan.
Had ik maar meer verwacht.

Dat is géén herderlijke zorg.

Dat is zware geestelijke mishandeling in vrome verpakking

 

Christus genas echt

Wie de genezingen van de Heere Jezus leest, ziet iets heel anders dan wat in veel moderne genezingsdiensten gebeurt.

Wanneer Christus geneest, gebeurt het werkelijk. Zichtbaar. Concreet. Aantoonbaar.

Blinden zien.
Verlamden lopen.
Melaatsen worden gereinigd.
Doven horen.
Doden staan op.

Er is geen achteraf praat nodig. Geen verklaring dat iemand “in de geest” genezen is terwijl zijn lichaam zichtbaar ziek blijft. Geen podiumclaim die later door de werkelijkheid wordt ingehaald.

Bij Christus is genezing geen theater van verwachting. Geen suggestieve massapsychologie. Geen emotionele druk. Geen kunstig opgebouwde sfeer. Geen oproep om vooral niet te twijfelen aan iets wat niet aantoonbaar gebeurd is.

Zijn genezingen dragen gezag.

Dat is precies waarom de vergelijking tussen Christus en moderne gebedsgenezers zo gruwelijk pijnlijk is. Men leent de taal van Jezus’ wonderen, maar levert vaak iets totaal anders: claims, verwachtingen, sfeer, suggestie, en achteraf een stapel excuses.

 

Ook de apostelen waren geen genezingsmachines

Ook in het Nieuwe Testament zelf is het beeld veel nuchterder dan de harde charismatische genezingsleer suggereert.

Paulus had een bijzondere apostolische bediening. God deed krachtige tekenen door hem. En toch lezen we ook dit:

“Trofimus heb ik te Milete ziek achtergelaten.”
2 Timotheüs 4:20 (STV)

Dat ene zinnetje snijdt dwars door veel moderne genezingstheologie heen.

Waarom liet Paulus Trofimus ziek achter?
Waarom verklaarde hij hem niet genezen?
Waarom sprak hij geen “woord van geloof” over hem uit?
Waarom zei hij niet: “Trofimus, ontvang je genezing”?

Omdat zelfs de apostelen niet beschikten over een permanente genezingsknop.

Timotheüs had lichamelijke klachten. Paulus adviseert hem niet om zijn genezing te claimen, maar schrijft:

“Drink niet langer alleen water, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.”
1 Timotheüs 5:23 (STV)

Epafroditus was ernstig ziek, zelfs bijna gestorven. Paulus zegt niet dat dit onmogelijk was voor een trouwe dienaar van God. Hij beschrijft het gewoon als werkelijkheid.

“Want hij is ook ziek geweest tot nabij de dood; maar God heeft Zich over hem ontfermd.”
Filippenzen 2:27 (STV)

Let op de formulering: God ontfermde Zich. Dat is Genade. Geen techniek. Geen recht dat men afdwingt. Geen pakket dat automatisch geactiveerd wordt door genoeg geloof.

Paulus zelf kende ook zwakheid. Zijn doorn in het vlees werd niet weggenomen, ondanks herhaald gebed. Het antwoord van de Heere was:

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.”
2 Korinthe 12:9 (STV)

Dat is een heel andere toon dan: “U hoeft dit niet te dragen, want genezing ligt al klaar.”

 

De Bijbel belooft verlossing van het lichaam, maar niet volledige gezondheid nu

Hier zit een belangrijk punt.

De Bijbel leert dat het lichaam ertoe doet. Het christelijk geloof is niet zweverig. De opstanding is lichamelijk. De toekomst is niet dat wij als zielen ergens in een wolk verdwijnen, maar dat God Zijn schepping verlost en Zijn kinderen opwekt in heerlijkheid.

Maar die volledige lichamelijke verlossing is nog toekomstig.

Paulus schrijft dat ook gelovigen zuchten en wachten op de verlossing van hun lichaam. Zie Romeinen 8:23.

Dat betekent: wij leven nog in een gebroken lichaam, in een gevallen schepping, onder vergankelijkheid, ziekte en dood.

God kan nu genezen. Zeker.
God mag nu genezen. Zeker.
God geneest soms ook nu. Zeker.

Maar dat is niet hetzelfde als zeggen dat iedere gelovige recht heeft op lichamelijke genezing in dit leven, of dat ziekte altijd een indringer is die eenvoudig verdreven moet worden door genoeg geloof, verwachting of proclamatie.

De dood is een vijand.
Het lichaam is sterfelijk.
De schepping zucht.

Wie doet alsof de volle opstandingswerkelijkheid nu al opeisbaar is, schuift de toekomst naar voren en verkoopt een halve waarheid als hele waarheid.

En wat dat echt is weet iedereen.

Halve waarheden zijn vaak de gevaarlijkste leugens.

 

Genezing in de verzoening is geen vrijbrief voor genezingsclaims

Vaak wordt gezegd: “Maar door Zijn striemen zijn wij genezen.”

Daarmee wordt dan bedoeld: lichamelijke genezing is net zo gegarandeerd als vergeving van zonden. Een soort “one package deal”. Jezus droeg zonde én ziekte, dus een gelovige mag genezing claimen.

Maar dat gaat MANK.

Jesaja 53 spreekt in de kern over de Knecht Die de ongerechtigheid van velen draagt. De diepste wond van de mens is niet kanker, artrose, verlamming of pijn. De diepste wond is zonde, schuld, vervreemding van God, oordeel en verlorenheid.

De genezing waar Jesaja 53 in zijn diepste betekenis over spreekt, is allereerst de herstelling van de breuk tussen God en zondaren.

Lichamelijke genezing is niet los verkrijgbaar als bewijs dat je genoeg geloof hebt. En ze is ook niet gegarandeerd in dit leven alsof elke zieke christen eigenlijk al genezen zou moeten zijn.

De opstanding komt. De verlossing van het lichaam komt. Geen ziekte krijgt het laatste woord over wie in Christus is.

Maar dat betekent niet dat elke gelovige nu al uit elke ziekte wordt opgetild.

Wie dat wel beweert, moet niet alleen kijken naar triomfantelijke teksten, maar ook naar Trofimus, Timotheüs, Epafroditus, Paulus’ doorn, het zuchten van de schepping en de werkelijkheid van het sterven.

 

De grote schade: valse hoop in Gods Naam

Het ergste aan deze charismatische genezingsclaims is niet dat mensen hoop hebben.

Hoop is kostbaar.

Het ergste is dat mensen hoop krijgen op basis van woorden die God niet gesproken heeft.

Dat is geen kleine fout. Dat raakt aan Gods Naam.

Wanneer iemand zegt: “U bent genezen”, terwijl God dat niet aantoonbaar heeft gedaan, wordt Gods Naam verbonden aan menselijke overmoed. De zieke denkt: God heeft mij genezen. De familie denkt: God heeft gesproken.

De gemeente denkt: hier is een wonder gebeurd.

En als de ziekte daarna doorgaat, komt de verwarring.

Heeft God Zich bedacht?
Was de genezing tijdelijk?
Heeft satan het gestolen?
Hebben wij gefaald?
Was er verborgen zonde?
Was er ongeloof?
Waarom heeft God dit toegelaten?

Maar de vraag die veel eerder gesteld had moeten worden, is deze:

Wie gaf die genezer het recht om dit namens God uit te spreken?

Dat is de vraag die bijna nooit gesteld mag worden.

Want wie die vraag stelt, wordt al snel weggezet als kritisch, ongelovig, rationeel, koud, religieus, tegen de Geest of vijandig tegenover genezing.

Maar Bijbelvaste toetsing is geen ongeloof.
Toetsing is gehoorzaamheid.

 

Toetsing is geen zonde

In charismatische kringen wordt toetsing vaak verdacht gemaakt. Je mag niet “negatief spreken”. Je moet “ontvangen”. Je moet “in geloof blijven staan”. Je moet “de atmosfeer niet verstoren”. Je moet “niet redeneren”.

Maar de Bijbel roept dus op tot toetsen.

Niet alles wat geestelijk klinkt, komt van de Geest van God. Niet iedereen die met kracht spreekt, spreekt waarheid. Niet ieder “woord van kennis” is kennis. Niet iedere genezingsclaim is genezing. Niet ieder indrukwekkend podiummoment is een werk van God.

Een Bijbelvaste toets is eenvoudig:

Is de ziekte weg?
Is er medische bevestiging?
Is de claim controleerbaar?
Komt de uitspraak uit?
Wordt de zieke vrijgelaten of onder druk gezet?
Wordt Christus verheerlijkt of de genezer?
Wordt de Schrift recht gedaan of misbruikt?
Wordt er nederig gebeden of hoogmoedig verklaard?

Waar die vragen niet welkom zijn, is iets grondig mis.

Waar toetsing verboden wordt, krijgt misleiding ruimte.

 

“Raak Mijn gezalfden niet aan” is geen vrijbrief voor geestelijke onverantwoordelijkheid

Vaak wordt kritiek op bekende genezers afgeweerd met teksten als:

“Raak Mijn gezalfden niet aan.”

Maar dat is misbruik van de Schrift.

Niemand staat boven toetsing. Geen spreker, geen apostel, geen profeet, geen genezer, geen voorganger, geen bediening, geen beweging.

Als iemand publiekelijk zieken genezen verklaart, mag hij publiekelijk getoetst worden.

Wie grote woorden spreekt, moet grote toetsing verdragen.

En als blijkt dat iemand mensen genezen verklaart die later aan dezelfde ziekte overlijden, dan is de vraag niet of wij wel eerbiedig genoeg zijn voor zijn bediening.

De vraag is of zijn bediening wel eerbiedig genoeg is voor Gods Naam, Gods Woord en Gods kwetsbare kinderen.

 

De vrome taal maakt het niet minder ernstig

Juist de vrome taal maakt dit gevaarlijk.

Niemand zegt: “Ik geef u valse hoop.”
Niemand zegt: “Ik weet eigenlijk niet zeker of God dit doet.”
Niemand zegt: “Ik gebruik religieuze suggestie in een emotioneel geladen omgeving.”

Nee, men zegt:

“De Heilige Geest laat mij zien…”
“De Heer zegt…”
“Ik spreek genezing uit…”
“Ontvang het…”
“Het is volbracht…”
“De kanker moet wijken…”
“U bent genezen in Jezus’ Naam…”

Maar vrome woorden maken een onware uitspraak niet waar.

Sterker nog: vrome woorden kunnen een onware uitspraak extra gevaarlijk maken, omdat de zieke niet meer durft te twijfelen aan de spreker zonder te vrezen dat hij aan God twijfelt.

Dat is geestelijke druk.

En die druk hoort niet bij de goede Herder.

 

De goede Herder breekt het gekrookte riet niet

Christus gaat anders om met lijdende mensen.

Hij verplettert hen niet onder geloofsprestaties. Hij maakt van ziekte geen examen waarbij de uitslag afhangt van de intensiteit van je verwachting. Hij legt op stervende gelovigen geen extra last: “Als je maar genoeg gelooft, hoef je niet te sterven.”

De Heere is nabij in ziekte.
Hij is nabij in angst.
Hij is nabij in pijn.
Hij is nabij in chemo, bestraling, ziekenhuisbedden, slapeloze nachten en stille tranen.
Hij is nabij wanneer genezing komt.
En Hij is nabij wanneer genezing uitblijft.

Dat is geen zwak evangelie.

Dat is een dieper evangelie dan de glitter van genezingspodia.

Want de troost van Christus is niet afhankelijk van een geslaagde genezingsdienst. De hoop van de gelovige rust niet op een man met een microfoon, maar op de gekruisigde en opgestane Heere.

 

De dood van een gelovige is geen nederlaag van God

Wanneer een gelovige sterft aan kanker, is dat niet omdat kanker sterker is dan God.

Het is ook niet automatisch omdat iemand te weinig geloof had.
Niet omdat de familie verkeerd bad.
Niet omdat de gemeente onvoldoende verwachting had.
Niet omdat een genezing “geroofd” werd.

Een gelovige sterft omdat wij nog leven in een wereld waarin de dood nog werkelijkheid is. Maar voor wie in Christus is, heeft de dood niet het laatste woord.

Dat is het verschil tussen Bijbelse hoop en charismatische overmoed.

Charismatische overmoed zegt:

“Je hoeft niet ziek te zijn. Je hoeft niet te sterven. Claim je genezing.”

Bijbelse hoop zegt:

“God kan genezen. Maar ook als het lichaam sterft, is Christus de Opstanding en het Leven.”

Dat tweede klinkt misschien minder spectaculair op een podium. Maar het houdt wel stand bij een graf.

 

Een graf ontmaskert veel podiumtaal

Er is weinig zo ontnuchterend als een graf.

Een graf prikt door opgeklopte taal heen.
Een graf laat zien welke woorden standhouden.
Een graf vraagt niet naar sfeer, muziek, handoplegging of kippenvel.
Een graf vraagt: was het waar?

Als iemand genezen is verklaard en later aan dezelfde ziekte overlijdt, dan heeft het graf de claim ontmaskerd.

Niet God is ontmaskerd.
Niet het evangelie is ontmaskerd.
Niet de kracht van Christus is ontmaskerd.

De menselijke pretentie is ontmaskerd.

En dat moet gezegd worden.

Juist uit liefde voor zieken. Juist uit eerbied voor God. Juist uit zorg voor families die anders achterblijven met schuld, twijfel en geestelijke verwarring.

 

Noem het wat het is

We moeten ophouden met nette woorden voor geestelijke roekeloosheid.

Een zieke genezen verklaren zonder dat God aantoonbaar genezen heeft, is geen geloof.
Het is overmoed.

Een kankerdiagnose vanaf het podium benoemen en daarna iemand genezen verklaren zonder controleerbare werkelijkheid, is geen bewijs van apostolische kracht.
Het is gevaarlijk religieus theater.

Een stervende gelovige achterlaten met de gedachte dat hij zijn genezing misschien niet goed heeft vastgehouden, is geen pastorale zorg.
Het is geestelijke beschadiging.

Een mislukte genezingsclaim achteraf vergeestelijken, is geen diepe uitleg.
Het is damage control.

En Gods Naam verbinden aan een uitspraak die niet waar blijkt te zijn, is geen zalving.
Het is ijdel gebruik van Gods Naam.

 

Wat had men dan moeten zeggen?

Heel eenvoudig.

Men had mogen bidden.

Men had mogen zeggen:

“Broeder, wij bidden dat de Heere Zich over u ontfermt. Wij vragen om genezing. Wij vertrouwen Zijn macht. Wij leggen u in Zijn handen. En wat er ook gebeurt: Christus is getrouw.”

Dat is Bijbelvast.
Dat is eerlijk.
Dat is herderlijk.

Maar men had nooit mogen zeggen:

“U bent genezen.”

Tenzij het echt zo was.

En dan nog zou nederigheid passen. Laat medisch onderzoek het bevestigen. Laat de tijd het tonen. Laat God de eer krijgen zonder haastige podiumtriomf.

Echte genezing heeft geen marketing nodig.

 

De vraag aan iedere christen

Daarom moet iedere gelovige deze vraag eerlijk doordenken:

Wat geloof ik eigenlijk over ziekte, genezing en geloof?

Geloof ik dat God kan genezen?
Ja.

Geloof ik dat wij voor zieken mogen bidden?
Ja.

Geloof ik dat God soms wonderlijk ingrijpt?
Ja.

Maar geloof ik dat iedere zieke gelovige nu recht heeft op lichamelijke genezing?
Nee.

Geloof ik dat een genezer iemand zomaar genezen mag verklaren zonder aantoonbare werkelijkheid?
Nee.

Geloof ik dat uitblijvende genezing op het conto van de zieke mag worden gezet?
Nee.

Geloof ik dat de Schrift ruimte laat voor lijden, ziekte, zwakheid en sterven van gelovigen?
Ja.

Geloof ik dat Christus ook daarin genoeg is?
Ja.

En precies daar ligt het verschil tussen Bijbels geloof en charismatische verwarring.

 

Een scherpe conclusie

De vraag is dus niet of God kan genezen.

Natuurlijk kan God genezen.

De vraag is of mensen het recht hebben om namens God genezing uit te spreken wanneer God die genezing niet aantoonbaar geeft.

En het antwoord is: nee.

Een man met prostaatkanker naar voren roepen, hem genezen verklaren, en hem later aan prostaatkanker zien overlijden, is geen klein pastoraal misverstand. Het is een ernstige geestelijke ontsporing.

Daar mag de kerk niet omheen praten.

Want achter elke mislukte genezingsclaim staat geen abstract debat, maar een mens. Een gezin. Een sterfbed. Een graf. En vaak een spoor van verwarring dat nog jaren blijft liggen.

Daarom moet dit hardop gezegd worden:

 

Wie namens God genezing uitspreekt die God niet geeft, geneest geen zieken maar verwondt gewetens.

 

En nog scherper:

 

Een genezingsdienst die eindigt in schuld, verwarring en een graf, heeft geen bewijs geleverd van Gods kracht, maar van charismatische overmoed.

 

De hoop van de zieke gelovige ligt niet in een genezingsdienst. Niet in een “woord van kennis”. Niet in een bekende gebedsgenezer. Niet in een sfeer van verwachting. Niet in een uitgesproken claim.

De hoop van de zieke gelovige ligt in Christus.

Hij kan genezen.
Hij mag genezen.
Hij geeft soms genezing.

Maar als Hij niet geneest, is Hij nog stééds de goede Herder.

 

En wie in Zijn hand sterft, is niet mislukt. Die is niet tekortgeschoten. Die heeft geen nederlaag geleden door gebrek aan geloof.

Die is geborgen.

Niet omdat een genezer hem genezen verklaarde.

Maar omdat Christus Zijn eigendom nooit loslaat, ook niet door ziekte, kanker, dood en graf heen.

Zie ook

Is lichamelijke genezing inbegrepen in de verzoening? – Bijbelse basis

Moderne claims op lichamelijke genezing: Bijbels of misleidend? – Bijbelse basis

Genezingscampagne of het Evangelie? – Bijbelse basis

Genezingsbedieningen? – Bijbelse basis

(extern)

‘God geneest’-claim mag niet op flyer, wel online | Trouw

Minister waarschuwt voor controversiële gebedsgenezer Tom de Wal | NPO Radio 1

Zijn genezingsclaims van gebedsgenezers schadelijk?

Op zoek naar een wonder tijdens genezingsdienst Jan Zijlstra – Omroep Gelderland

 

De islam bezwijkt onder haar eigen claims

Duidelijke eenvoud?

De islam wordt vaak gepresenteerd als de religie van de duidelijke eenvoud. Eén God. Eén Boek. Een heldere boodschap. Geen verwarring, geen mysterie, geen innerlijke spanning. Juist dat beeld oefent op velen aantrekkingskracht uit. Het klinkt strak, overzichtelijk en onaantastbaar.

Maar wat blijft daarvan over zodra de islam niet op slogans wordt beoordeeld, maar op haar eigen bronnen, haar eigen claims en haar eigen logica?

Dan ontstaat een heel ander beeld. Dan blijkt dat de islam niet zo onaantastbaar is als zij graag verschijnt. Dan wordt zichtbaar dat de Koran volgens deze analyse niet werkelijk zelfverklarend is, dat de hadith geen bijzaak zijn maar een reddingslijn, dat moreel problematische elementen niet zomaar weg te poetsen zijn, en dat de islamitische godsleer minder eenvoudig is dan men vaak doet voorkomen. De aanklacht is dus niet: “wij vinden de islam niet mooi.” De aanklacht is veel fundamenteler: de islam maakt zijn eigen grote woorden en claims niet waar.

De islam bezwijkt onder haar eigen claims

Een boek dat beweert alles duidelijk uit te leggen

Een van de grootste islamitische claims is dat de Koran helder is, de tekenen duidelijk uiteenzet en volledig inzicht geeft. Dat klinkt indrukwekkend, totdat je die claim toetst op concrete teksten.

Dan rijst de vraag: als de Koran zo duidelijk is, waarom blijken centrale passages zonder latere uitlegtraditie nauwelijks te begrijpen? Hoe weet men vanuit de Koran zelf wie bepaalde figuren precies zijn? Hoe weet men exact welke plaatsen bedoeld worden? Hoe komt men vanuit de Koran alleen uit bij de gebruikelijke islamitische interpretaties van bekende passages? Precies daar wordt het pijnlijk. Want zodra de tekst concreet moet worden ingevuld, blijkt men telkens terug te vallen op Hadiths, commentaren en overlevering.

Dat is niet zomaar een kleine exegetische voetnoot. Dat raakt de kern. Een boek dat beweert alles helder uit te leggen, maar dat op beslissende punten zonder externe traditie niet op zichzelf kan staan, ondermijnt  zijn eigen pretentie. Dan staat er niet een wonderlijk zelfverklarend boek, maar een tekst die gedragen moet worden door een interpretatief en beschermend bouwwerk dat er later omheen is gezet.

 

De Koran blijkt niet genoeg

Daarmee komt een tweede probleem naar voren. De islam wordt vaak gepresenteerd alsof zij eenvoudig rust op de Koran alleen. Maar in de praktijk blijkt dat beeld onhoudbaar. De Koran kan niet los staan  van de Hadiths. Niet los van Tafsir. Niet los van de latere uitlegtraditie.

Dat gegeven is vernietigend voor het populaire beeld van islamitische eenvoud. Want als de Koran werkelijk volledig en glashelder was, zou zij niet voortdurend externe sleutels nodig hebben om haar eigen tekst te ontsluiten. Dan zou de tekst zichzelf dragen. In werkelijkheid laat deze inhoud juist zien dat de islam niet op een zelfstandig begrijpelijk boek rust, maar op een geheel van tekst plus traditie. Die zogenaamd pure eenvoud blijkt dan een mythe.

 

Als Allah en de engelen exact hetzelfde doen

Een van de scherpste punten raakt de islamitische godsleer. Daarbij komt de vraag op hoe bepaalde verzen moeten worden begrepen waarin Allah samen met de engelen salawat verricht. De redenering die dan wordt opgebouwd, is explosief: als engelen bidden, dan bidden zij tot Allah. Maar als Allah volgens dezelfde formulering ook die handeling verricht, tot wie richt hij zich dan? Tot wie bidt hij?

Het punt is helder. Hier wordt niet slechts taalkunde bedreven, maar de logica van het islamitische godsbeeld beproefd. Moslims bekritiseren het christelijk spreken over Gods veelvuldigheid vaak alsof elk complex godsbeeld direct ongerijmd is. Maar zodra er in de eigen bronnen vragen ontstaan over handelingen die Allah samen met de engelen verricht, blijkt de islam zelf minder eenvoudig dan zij graag voorstelt. Dan blijkt dat ook binnen de islam vragen rijzen die niet met een simpele slogan kunnen worden afgedaan.

 

De islam is minder simpel dan zij beweert

Daarmee wordt een diepere laag geraakt. Het gangbare islamitische verhaal luidt: het christendom is ingewikkeld, de islam is eenvoudig. Het christendom kent leerstukken die moeilijk te bevatten zijn, maar de islam zou zuiver, rechtlijnig en logisch zijn.

Juist dat verhaal komt hier onder vuur te liggen. Want zodra men eerlijk kijkt naar de verhouding tussen Allah, Zijn spraak, de ongeschapen Koran, de engelen en de religieuze handelingen die aan Allah worden toegeschreven, wordt zichtbaar dat ook de islam geen plat en simpel systeem is. Zij draagt zelf spanning in zich. Zij stelt zelf vragen op die niet zomaar weg te glimlachen zijn. En daarmee verdwijnt een belangrijk deel van haar polemische zelfverzekerdheid.

 

Mut‘ah: morele rot onder religieuze verpakking. Vrouwen geëerd of vrouwen gebruikt?

De islamitische apologetiek spreekt graag over ‘eer voor vrouwen’. Maar ‘eer’ is geen woord dat je met religieuze inkt op uitbuiting kunt schrijven. Eer is geen etiket dat moreel bederf rein maakt. Als een systeem vrouwen echt verheft, dan doet het dat niet via constructies waarin mannelijke wellust tijdelijk wordt gelegitimeerd en daarna weer ontbonden.

Zie hier de kloof tussen islamitische popaganda en islamitische realiteit. Mooie woorden over waardigheid en bescherming klinken indrukwekkend, maar verliezen hun inrukwekkende glans wanneer de bronnen zelf laten zien dat er praktijken zijn geweest die moeilijk anders dan vernederend kunnen worden genoemd. Dan blijkt dat religieuze taal soms niet gebruikt wordt om onrecht te ontmaskeren, maar om het een vroom jasje te geven.

Nergens wordt dit betoog feller dan bij het onderwerp mut‘ah, het tijdelijke huwelijk. Dit is  een praktijk waarbij een vrouw voor korte duur wordt genomen, seksueel gebruikt, betaald en daarna weer weggestuurd. De religieuze verpakking verandert volgens deze analyse niets aan het morele wezen van de zaak. Wie dit ziet zoals het is, ziet geen verheven moraal, maar een gelegaliseerde vorm van prostitutie.

Juist hier wordt het islamitische zelfbeeld frontaal aangevallen. Want hoe vaak wordt niet gezegd dat Mohammed vrouwen eerde, beschermde en verhief? Wat blijft daar dan van over als er ruimte is voor een praktijk die in feite een tijdelijke seksuele overeenkomst blijkt? Een vrouw voor enkele dagen “huwen”, daarna scheiden en haar betalen, hoe moet dat anders worden uitgelegd dan als religieuze camouflage voor morele vuiligheid?

Het wordt nog scherper wanneer de vraag rijst waarom een echte profeet zoiets ooit zou toestaan. Als bepaalde pre-Islamitische praktijken en gebruiken wél resoluut werden bestreden, waarom deze dan niet? Waarom eerst toelaten en pas later afschaffen , als dat al duidelijk gebeurde? Daarmee is niet alleen Mohammed verdacht, maar ook het morele karakter van de goddelijke leiding die hierachter zou staan.

 

De schaduw van het heidendom rond de Ka‘ba

Een ander punt betreft de historische wortels van de islam. De Ka‘ba, de zwarte steen, de rituele omgangen en andere sektarische elementen worden in verband gebracht met pre-islamitische gebruiken. Daarmee wordt de islam niet slechts van oppervlakkige beïnvloeding beschuldigd, maar van ordinaire voortzetting van oudere heidense gebruiken.

De implicatie daarvan is groot. Want de islam presenteert zich juist als de grote zuivering van afgoderij, als de terugkeer naar de zuivere aanbidding van ‘de ene ware God’. Maar wat als de islam op cruciale punten geen radicale breuk met het heidendom betekende, maar gewoon  oude rituelen heeft overgenomen en opnieuw heeft ingecorporeerd? Dan valt er een donkere schaduw over haar oorsprongsclaim.

Dan namen als Hubal en zelfs Baäl en hun voorkomen. De strekking is duidelijk: niet slechts dat er religieuze gebruiken bestonden vóór de islam, maar dat de islam elementen heeft voortgezet die verbonden waren met afgoderij. Dat is een buitengewoon zware aanklacht, maar precies daarom ook van belang: om te laten zien dat het fundament van de islam historisch veel minder zeker is dan vaak wordt aangenomen.

 

Thora en Evangelie brengen de islam in verlegenheid

Ook de verhouding van de islam tot de Bijbel is van belang.  De Koran spreekt immers op verschillende plaatsen dat Joden en christenen beschikten over hun geschriften en daarop aangesproken konden worden. Dat levert een ernstig probleem op voor de bekende islamitische claim dat de Bijbel én Thora beiden corrupt zouden zijn.

Want als de Thora en het Evangelie in de tijd van Mohammed werkelijk beschikbaar en bruikbaar waren, dan wordt het moeilijk vol te houden dat deze geschriften fundamenteel vals waren. En als zij wél corrupt waren, waarom beroept de Koran zich er dan op alsof zij nog als maatstaf kunnen functioneren? Daarmee ontstaat een dilemma waar de islam niet meer uitkomt.

Juist hier wordt de spanning ondraaglijk. De islam wil tegelijk bevestigen en corrigeren. Zij wil zeggen dat eerdere openbaring van God kwam, maar ook dat het christelijke en joodse getuigenis niet betrouwbaar is waar het de islam weerspreekt. Dat klinkt strategisch slim, maar logisch wringt het aan alle kanten. Want een corrupte maatstaf is geen maatstaf. En een bevestigde maatstaf kan niet zomaar worden genegeerd zodra zij de islam tegenspreekt.

 

De ongeschapen Koran maakt het niet eenvoudiger

Ook de leer van de ongeschapen Koran pleit tegen de islam. Want als de Koran ongeschapen is, eeuwig is, en toch niet eenvoudigweg identiek wordt gesteld aan Allah, dan rijst de vraag hoeveel eeuwige werkelijkheden er dan naast Allah bestaan.

Daarmee wordt het islamitische simplisme opnieuw onder druk gezet. Wie alle complexiteit in het christelijk spreken over God als onaanvaardbaar wegzet, moet eerlijk genoeg zijn om dezelfde strengheid op de eigen leer toe te passen. Maar juist daar blijkt dat de islamitische traditie zelf met ingewikkelde categorieën werkt: ongeschapen spraak, onderscheiden maar toch niet los van Allah, eeuwige realiteit zonder meergodendom te willen aannemen. Dan blijkt opnieuw dat de islam veel minder “eenvoudig” is dan haar polemiek doet voorkomen.

 

Niet zomaar paar losse problemen, maar een systeem dat kraakt

De kracht van deze scherpe inhoud zit hierin dat zij niet blijft steken in één lastig detail. Niet één moeilijk vers. Niet één historische vraag. Niet één moreel incident. Het geheel wordt opgebouwd als een samenhangende aanklacht.

De Koran blijkt niet werkelijk zelfverklarend.
De hadith blijken niet optioneel, maar onmisbaar.
De godsleer blijkt minder strak dan voorgesteld.
De moraal rond mut‘ah werpt een donkere schaduw over het profetische voorbeeld.
De oorsprong van de islam draagt de geur van heidense continuïteit.
En de verhouding tot Torah en Evangelie zet de islam klem in een dilemma dat zij niet eenvoudig kan oplossen.

Wie dat alles laat inwerken, ziet waarom de conclusie zo hard is. De islam is geen religie met wat onbeantwoorde vragen, maar als een systeem dat op waarheid, helderheid, moraal en geschiedenis tegelijk onder zware druk staat. En juist omdat die druk uit haar eigen claims voortkomt, wordt deze zo dodelijk.

 

De façade van religieuze zekerheid

Veel mensen voelen zich aangetrokken tot religieuze stelligheid. Een geloof dat eenvoudig klinkt. Een systeem dat geen twijfel lijkt toe te laten. Een boek dat het laatste woord claimt. Maar stelligheid is geen bewijs van waarheid. Een harde toon is geen teken van goddelijke autoriteit. En religieuze zekerheid kan een façade zijn waarachter zwakke plekken worden verborgen.

Dat is wat dit blog wil blootleggen. Niet alleen dat er vragen zijn, maar dat de islam op haar eigen terrein kwetsbaar is. Kwetsbaar waar men helderheid claimt. Kwetsbaar waar men morele superioriteit claimt. Kwetsbaar waar men historische zuiverheid claimt. Kwetsbaar waar men logische eenvoud claimt. En wie die kwetsbaarheid eenmaal ziet, kan niet meer doen alsof er slechts wat randvragen spelen.

 

Conclusie

De samenvatting van dit alles is vernietigend. De islam bezwijkt niet door vijandige karikaturen van buitenaf, maar onder het gewicht van haar eigen pretenties. Wat wordt verkocht als de religie van helderheid blijkt afhankelijk van externe uitleg. Wat wordt neergezet als morele verhevenheid raakt besmet door religieus gelegitimeerde praktijken die moreel stuitend zijn. Wat zichzelf neerzet als zuivere monotheïstische eenvoud blijkt intern complexer en problematischer dan toegegeven wordt. En wat zich presenteert als hemelse correctie van eerdere openbaring raakt verstrikt in een dilemma dat de betrouwbaarheid van het eigen verhaal aantast.

Daarom is de conclusie van dit blog onontkoombaar scherp: de islam staat niet stevig omdat zij haar eigen claims herhaalt, maar zij valt zodra die claims werkelijk worden getoetst. Niet bewondering, maar ontmaskering blijft dan over. Niet rust, maar spanning. Niet goddelijk licht, maar een systeem dat jammerlijk kraakt in zijn voegen.

Wie de waarheid liefheeft, mag geen genoegen met religieuze zelfverzekerdheid. Juist daar moet worden doorgevraagd. Juist daar moet worden getoetst. En juist daar blijkt dat een religie die onaantastbaar leek, onder haar eigen gewicht bezwijkt.

Zie ook:

Het islamitisch dilemma ontmaskerd: Waarom de Koran je terugstuurt naar de Bijbel – Bijbelse basis

De koran, de Bijbel en het islamitisch dilemma – Bijbelse basis

De vervalste Bijbel? De mythe die instort onder 5000 manuscripten – Bijbelse basis

Jesus Is God – Isa Is Not – Bijbelse basis

Waarheid of leugen, allah: waarachtig of een bedrieger? – Bijbelse basis

Deuteronomium 18 en Mohammed ?!? – Bijbelse basis

Een andere Jezus: Paulus waarschuwt in 2 Korinthe 11

Een andere Jezus, een andere geest, een ander evangelie

Een andere Jezus is volgens Paulus een levensgevaarlijke vorm van geestelijke misleiding. In 2 Korinthe 11 waarschuwt hij niet alleen voor een andere Jezus, maar ook voor een andere geest en een ander evangelie. Daarmee maakt hij duidelijk dat niet alles wat christelijk klinkt werkelijk van Christus is. Juist daarom moet de gemeente leren onderscheiden wat een andere Jezus is en vasthouden aan de Christus van de Schrift.

Veel prediking klinkt christelijk. De naam van Jezus valt. Er wordt uit de Bijbel gelezen. Er is emotie, overtuiging en soms veel geestelijke taal.

Maar Paulus laat in 2 Korinthe 11 zien dat dit nog geen bewijs is dat het werkelijk om de waarheid gaat.

Hij waarschuwt namelijk voor een andere Jezus, een andere geest en een ander evangelie. Dat zijn geen onschuldige verschillen van inzicht. Dat is geestelijke misleiding.

“Doch ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.” (2 Korinthe 11:3, STV)

“Want indien degene, die komt, een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht.” (2 Korinthe 11:4, STV)

Paulus spreekt hier niet over een klein accentverschil. Hij trekt een scheidslijn. Er is waarheid, en er is vervalsing.

Het gevaar komt van binnenuit

Opvallend is dat Paulus hier niet waarschuwt voor openlijke vijanden van het christelijk geloof. Hij waarschuwt voor mensen die komen prediken.

Dat maakt deze tekst zo scherp.

Het grootste gevaar voor de gemeente komt vaak niet van buiten, maar van binnenuit. Niet van openlijke vijandschap, maar van religieuze misleiding die zich christelijk voordoet.

Dat was in Eden al zo. De slang kwam niet met een grove, directe ontkenning. Hij kwam met verdraaiing. Met twijfel. Met een subtiele verschuiving.

Zo werkt misleiding nog steeds.

Niet alles wat over Jezus spreekt, predikt de ware Jezus.

De eenvoudigheid die in Christus is

Paulus vreest dat de gelovigen zullen afwijken van “de eenvoudigheid, die in Christus is”.

Daarmee bedoelt hij niet oppervlakkigheid. Hij bedoelt zuiverheid. Een onverdeelde gerichtheid op Christus. Geen religieuze omwegen. Geen menselijke toevoegingen. Geen geestelijke opsmuk.

De ware prediking drijft een mens niet naar religieuze sensatie, maar naar Christus.

Niet naar zelfverheffing, maar naar afhankelijkheid.

Niet naar ervaringen als fundament, maar naar het Woord van God.

Zodra die eenvoudigheid verdwijnt, ontstaat ruimte voor vervalsing. Dan komt er iets naast Christus. Of iets boven Christus. Of iets dat aantrekkelijker lijkt dan Christus.

Maar wat naast Christus komt, verdringt uiteindelijk Christus.

Een andere Jezus is geen kleine afwijking

Dit is misschien wel het meest confronterende punt.

Paulus zegt niet dat deze verleiders een heidense afgod prediken. Nee, hij zegt dat zij een andere Jezus prediken.

Dus: dezelfde naam, maar een andere inhoud.

Dat zien we vandaag overal.

Er wordt een Jezus gepresenteerd die vooral bestaat om mensen succesvol te maken. Een Jezus die vooral bevestigt. Een Jezus die niet meer scherp spreekt over zonde, oordeel, bekering en heiligheid.

Soms is het een Jezus zonder kruis.

Soms een Jezus zonder bloed.

Soms een Jezus zonder toorn.

Soms een Jezus zonder heerschappij.

Maar een Jezus die niet de Christus van de Schrift is, kan niemand redden.

De ware Heere Jezus Christus is niet kneedbaar. Hij is niet aan te passen aan menselijke voorkeuren. Hij is de Zoon van God, de Heilige, de Gekruisigde en Opgestane Heere.

Wie een andere Christus brengt, brengt geen licht maar misleiding.

Een andere Jezus en een andere geest

Paulus noemt ook een andere geest.

Daarmee maakt hij iets heel belangrijks duidelijk: niet iedere geestelijke ervaring komt van de Heilige Geest.

Dat is een waarheid die vandaag hard nodig is.

Veel mensen denken: als iets krachtig voelt, veel emotie oproept of indrukwekkend oogt, dan zal het wel van God zijn. Maar de Bijbel leert dat niet.

De Heilige Geest verheerlijkt Christus en leidt in de waarheid.

“Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.” (Johannes 16:13, STV)

Waar mensen losraken van de Schrift, verslaafd raken aan ervaringen, opgeblazen worden in geestelijke trots of voortdurend achter nieuwe manifestaties aanjagen, is reden tot ernstige waakzaamheid.

Niet iedere sfeer is van God.

Niet iedere manifestatie is van de Heilige Geest.

Niet iedere religieuze kracht is heilig.

Een andere Jezus en een ander evangelie

Dan noemt Paulus nog een ander evangelie.

Hier raakt hij de kern.

Het evangelie is Gods boodschap van redding voor verloren zondaren. Wie dat evangelie vervalst, raakt het hart van het christelijk geloof.

Het ware evangelie verkondigt dat een zondaar alleen uit genade, alleen door het geloof, alleen op grond van het volbrachte werk van Christus behouden wordt.

Zodra daar iets aan wordt toegevoegd, is het evangelie al aangetast.

Denk aan:

  • Genade plus werken
  • geloof plus prestaties
  • Christus plus religieuze verdienste
  • bekering vervangen door zelfontplooiing
  • verzoening vervangen door succes, herstel of doorbraak

Dan klinkt het misschien nog christelijk, maar het is niet meer het evangelie dat Paulus predikte.

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel, u een evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)

Paulus laat hier geen ruimte voor vaagheid. Een ander evangelie is niet een variant op de waarheid. Het is een vervalsing.

Waarom veel christenen een andere Jezus verdragen

Het aangrijpende in 2 Korinthe 11:4 is dat Paulus zegt: “zo verdroegt gij hem met recht.”

Met andere woorden: jullie laten het toe.

Jullie pikken het.

Jullie verdragen dat iemand een andere Jezus, een andere geest en een ander evangelie brengt.

Dat is vandaag niet anders.

Veel christenen toetsen nauwelijks meer. Als iemand vlot spreekt, veel invloed heeft, sterke verhalen vertelt en geestelijk overkomt, dan vindt men het al gauw goed.

Maar charisma is geen toetssteen.

Succes is geen toetssteen.

Populariteit is geen toetssteen.

Emotionele impact is geen toetssteen.

De toets is waarheid.

Hoe moet je toetsen?

De Schrift roept gelovigen op om te toetsen.

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” (1 Johannes 4:1, STV)

Dat betekent dat iedere prediking, bediening en geestelijke claim moet worden gemeten aan het Woord van God.

Niet aan sfeer.

Niet aan wonderverhalen.

Niet aan uitstraling.

Niet aan bereik.

Niet aan succes.

De echte vragen zijn:

Wordt de Christus van de Schrift gepredikt?

Wordt het Evangelie van genade zuiver gebracht?

Wordt zonde ernstig genomen?

Staat het kruis centraal?

Wordt de mens vernederd en God verheerlijkt?

Leidt deze prediking tot gehoorzaamheid aan het Woord?

Waar die vragen verdwijnen, verdwijnt ook de bescherming tegen misleiding.

Waarom deze waarschuwing nu zo actueel is

Juist vandaag is 2 Korinthe 11 brandend actueel.

Er zijn meer platforms, meer predikers, meer conferenties, meer video’s en meer “bedieningen” dan ooit. Maar meer aanbod betekent niet automatisch meer waarheid.

Integendeel.

Er wordt een Jezus aangeboden die vooral therapeutisch is.

Er wordt een evangelie gepresenteerd dat vooral motiverend is.

Er wordt een geestelijkheid bevorderd die vooral om ervaring draait.

Maar Paulus waarschuwt: achter zulke verschuivingen kan een diepe geestelijke vervalsing schuilgaan.

Niet alles wat christelijk klinkt, is christelijk.

Niet alles wat over Jezus spreekt, verkondigt de ware Jezus.

Niet alles wat geestelijk oogt, is van de Heilige Geest.

Niet alles wat evangelie heet, is het evangelie van God.

De gemeente heeft geen vernieuwing nodig maar trouw

De kerk heeft geen nieuwe Jezus nodig.

Zij heeft geen spannendere geest nodig.

Zij heeft geen aantrekkelijker evangelie nodig.

Zij heeft nodig wat de apostelen verkondigd hebben.

De ware Christus.

De ware Geest.

Het ware Evangelie.

De kracht van de gemeente ligt niet in originaliteit, maar in trouw. Niet in spektakel, maar in waarheid. Niet in religieuze show, maar in volharding bij het Woord van God.

Zodra de gemeente denkt dat Christus alleen niet meer genoeg is, staat zij al op glad ijs.

De waarschuwing van Paulus is glashelder. Een andere Jezus redt niet, een andere geest heiligt niet en een ander evangelie zaligt niet.

Daarom moet de gemeente niet alles aanvaarden wat vroom klinkt, maar alles toetsen aan de Schrift.

Alleen de ware Christus van de Bijbel redt. Wie afwijkt van Hem, komt uit bij een andere Jezus.

 

Veelgestelde vragen FAQ

Wat betekent een andere Jezus in 2 Korinthe 11?

Paulus bedoelt een valse voorstelling van Christus. Men gebruikt wel de naam Jezus, maar verkondigt niet de Bijbelse Christus zoals de apostelen Hem predikten.

Wat is een andere geest?

Dat is een geestelijke invloed die niet van de Heilige Geest komt. Niet iedere religieuze ervaring of indrukwekkende manifestatie is van God.

Wat is een ander evangelie?

Dat is iedere boodschap die afwijkt van het Evangelie van Genade in Christus. Zodra werken, prestaties of aardse succesbeloften de kern gaan vormen, is het Evangelie vervalst.

Waarom is 2 Korinthe 11 vandaag nog zo belangrijk?

Omdat veel moderne prediking sterk gericht is op beleving, succes en charisma, terwijl de waarheid van Christus en Zijn Evangelie naar de achtergrond schuift.

Sekte in aanbouw, mijn verhaal

Dit ging er mis

Ik zat zelf in een sekte in wording — en in deze video vertel ik wat ik daar van binnenuit heb meegemaakt. Wat begon als iets oprechts en betrokken, veranderde voor mij langzaam in een omgeving waarin controle, invloed en afhankelijkheid een steeds grotere rol gingen spelen. Ik deel dit verhaal niet om mensen aan te vallen, maar om inzicht te geven in processen die van buitenaf vaak moeilijk te herkennen zijn. Of je het een sekte noemt of niet — dat laat ik aan jou over. Wat ik wél weet, is wat ik heb meegemaakt. Als je iets herkent in dit verhaal, neem dat serieus en blijf zelf nadenken.

YouTube player

Ik heb er eerder over geblogd:

De sekte van Wim Griffioen, alwéér een episode over deze klote sekte

Valse Christus sekte: hoe een leider zichzelf God noemt en mensen misleidt

Hoe sekten Bijbelteksten misbruiken voor macht

Sektarisme, manipulatie, kuddegedrag, kerkje spelen

Valse Christus sekte: hoe een leider zichzelf God noemt en mensen misleidt

160 mensen geloven dat hij de Heer is: zo werkt geestelijke misleiding, de zoveelste valse Christus

Een valse christus sekte is geen ver-van-je-bed-verhaal. Er zijn vandaag groepen waarin een leider zichzelf de vleesgeworden Heer noemt en mensen die dat zonder twijfel geloven. Niet ondanks de Bijbel, maar zogenaamd dankzij de Bijbel.

Ergens in Nederland zit zo’n groep van ongeveer 160 mensen.
Ze lezen de Bijbel. Ze spreken over God. Ze gebruiken christelijke taal.

En toch geloven ze iets huiveringwekkends:

hun leider is de ‘vleesgeworden Heer.’

Niet symbolisch.
Niet overdrachtelijk.
Letterlijk.

Hoe kan het dat mensen met een Bijbel in de hand zo ver afdwalen?

 

Dit begint nooit met waanzin, maar met “dieper inzicht”

Niemand stapt een groep binnen waar op dag één wordt gezegd:
“Deze man is God.”

Het begint subtiel:

  • Bijbelstudies die “dieper” lijken
  • Kritiek op andere gelovigen (“zij zien het niet”)
  • Een leider met charisma en overtuiging

Langzaam verschuift de basis:

  • van Schrift → naar uitleg
  • van uitleg → naar persoon
  • van persoon → naar absolute autoriteit

En dan, bijna ongemerkt, wordt de grens overschreden.

 

De beslissende verschuiving: van Christus naar een mens

De Bijbel zegt:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Dat spreekt over één unieke gebeurtenis:
God werd mens in Jezus Christus.

Maar in sektes gebeurt iets anders:

deze tekst wordt losgemaakt van zijn context
en toegepast op een hedendaagse leider

Niet openlijk eerst, maar stap voor stap.

Tot de conclusie ineens “logisch” lijkt:
God openbaart Zich opnieuw… in hem.

In elke valse christus sekte zie je hetzelfde patroon terugkomen. De leider wordt steeds belangrijker, terwijl Christus steeds meer naar de achtergrond verdwijnt. Uiteindelijk draait een valse christus sekte niet meer om waarheid, maar om gehoorzaamheid aan één persoon.

 

Wat vreten ze uit met hun Bijbel?

Ze gooien hem niet weg.
Dat maakt het juist zo gevaarlijk.

Selectief lezen

Alle teksten die hun leider ondersteunen worden benadrukt.
Alles wat hem tegenspreekt wordt genegeerd of verdraaid.

Verdraaien van de Schrift

“Die ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.” (2 Petrus 3:16, STV)

De Bijbel wordt geen autoriteit meer — maar een hulpmiddel
om een vooraf vastgestelde waarheid te bevestigen.

De leider wordt de sleutel tot de Bijbel

In plaats van:
de Schrift verklaart zichzelf

wordt het:
de leider verklaart de Schrift

En daarmee gebeurt het onvermijdelijke:

de Schrift wordt ondergeschikt gemaakt aan een mens.

 

Waarom gaan mensen hierin mee?

Niet omdat ze dom zijn.
Maar omdat ze langzaam gevangen raken.

Psychologisch

  • behoefte aan zekerheid
  • verlangen naar leiding
  • angst om fout te zitten

Sociaal

  • vrienden en familie zitten in de groep
  • vertrekken betekent alles verliezen
  • kritiek = verraad

Geestelijk

  • twijfel wordt gezien als ongeloof
  • gehoorzaamheid wordt verheven tot hoogste deugd

De Bijbel zelf waarschuwt hier keihard voor

“Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan…” (Mattheüs 24:24, STV)

Let op:
niet “misschien”, maar zullen.

En niet alleen buiten de kerk — maar juist er middenin.

De kern: er is maar Eén

De Schrift laat geen enkele ruimte voor herhaling:

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” (1 Timotheüs 2:5, STV)

Niet:

  • een nieuwe vleeswording
  • een moderne openbaring in een leider
  • een “uitverkoren lichaam” vandaag

Christus is uniek. Eenmalig. Volkomen.

Wie een valse christus sekte onderzoekt, ontdekt dat de Bijbel nog wel gebruikt wordt, maar nooit meer de hoogste autoriteit is. De interpretatie van de leider bepaalt alles.

 

Wat hier werkelijk gebeurt (zonder omwegen)

Laat ik het zeggen zoals het is:

  • een mens neemt de plaats van Christus in 
  • volgelingen buigen daarvoor
  • de Bijbel wordt aangepast om het te legitimeren

Dat is geen misverstand.
Dat is geen “andere visie”.

Dat is antichristelijk, afgoderij in christelijke verpakking.

 

Hoe herken je een valse christus sekte?

Een valse christus sekte herken je niet meteen aan extreme uitspraken, maar aan een aantal terugkerende kenmerken:

de leider claimt unieke openbaring

kritiek wordt ontmoedigd of bestraft

de groep sluit zich af van buitenstaanders

de Bijbel wordt selectief gebruikt

de leider wordt onmisbaar voor waarheid

In elke valse christus sekte zie je dat Christus langzaam naar de achtergrond verdwijnt en de leider centraal komt te staan.

Dit soort groepen lijken extreem.
Maar de mechanismen erachter zijn nogal platvloers:

Elke beweging waarin:

een mens centraal komt te staan

kritiek onmogelijk wordt

en de Schrift ondergeschikt raakt

zit op hetzelfde spoor.

Daarom is dit geen ver-van-je-bed-verhaal.

Het is een waarschuwing.

zie ook;

Hoe sekten Bijbelteksten misbruiken voor macht – Bijbelse basis

(extern)

Bijbelstudie lezing: Antichrist & antichristen. (1 Joh. 2)

Er is geen trapje uit de hel: de leugen van alverzoening ontmaskerd

Waarom “allen”, “eeuwig” en de oproep tot bekering het gammele bouwwerk laten instorten

Alverzoening klinkt aantrekkelijk.
Een God van liefde die uiteindelijk iedereen redt, wie wil dat nou niet?

Maar zodra je deze leer naast de Schrift legt, valt iets op:
deze staat of valt met een paar sleutelwoorden die systematisch worden verdraaid.

  • “allen” wordt universeel gemaakt
  • “eeuwig” wordt tijdelijk gemaakt
  • oproepen tot bekering worden uitgehold

Haal je die drie weg, dan blijft er niets over.

“Allen” betekent niet: iedereen zonder uitzondering

De redenering is simpel:

‘Christus stierf voor allen → dus allen worden gered.’

Maar dat staat nergens.

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.”
(1 Korinthe 15:22, STV)

Klinkt universeel, totdat Paulus zelf de uitleg geeft:

“Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.”
(1 Korinthe 15:23, STV)

Dus:

  • “allen in Adam” → alle mensen
  • “allen in Christus” → allen die van Christus zijn

Niet dezelfde groep.

De Bijbel, maar ook ons taalgebruik, gebruikt “allen” vaak als:

👉 allen binnen een bepaalde categorie, niet iedereen zonder uitzondering.

Opstanding is niet hetzelfde als leven

Hier gaat het tweede mis.

Ja, iedereen zal opstaan.
Maar niet iedereen zal leven.

“En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.”
(Johannes 5:29, STV)

Twee uitkomsten:

  • leven
  • verdoemenis

En nog scherper:

“Die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.”
(1 Johannes 5:12, STV)

Niet: krijgt het later
Maar: heeft het niet

Nieuw leven is alleen “in Christus”

De Schrift kent geen automatische levendmaking van alle mensen.

Leven is altijd verbonden aan één realiteit:

👉 in Christus zijn

“Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel…”
(2 Korinthe 5:17, STV)

Niet iedereen is in Christus.
Dat gebeurt door geloof, niet vanzelf.

“Eeuwig” betekent niet tijdelijk

Om het probleem van oordeel op te lossen, wordt het woord “eeuwig” hergedefinieerd.

Maar de Schrift laat geen ruimte voor die truc:

“En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.”
(Mattheüs 25:46, STV)

Zelfde woord.
Twee bestemmingen.

Als de straf tijdelijk is,
dan is het leven dat ook.

Maar dat wil niemand toegeven.

Waarom dan al die oproepen?

En hier wordt het echt beslissend.

Als iedereen uiteindelijk toch gered wordt,
waarom dan:

  • luisteren
  • gehoorzamen
  • bekeren
  • geloven

Waarom zegt Christus:

“Bekeert u en gelooft het Evangelie.”
(Markus 1:15, STV)

Waarom waarschuwt de Schrift:

“Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?”
(Hebreeën 2:3, STV)

Waarom deze ernst:

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”
(Johannes 3:36, STV)

Niet: verdwijnt later
Maar: blijft

De oproepen zijn geen ‘window dressing’

De Bijbel spreekt niet alsof alles toch goed komt.

Integendeel:

  • geloof is noodzakelijk
  • bekering is dringend
  • ongehoorzaamheid heeft gevolgen

“Strijdt om in te gaan door de enge poort…”
(Lukas 13:24, STV)

Dat zeg je niet als iedereen er vanzelf doorheen gaat.

Alverzoening lijkt liefdevol,
maar ondermijnt precies datgene wat het Evangelie urgent maakt:

  • het maakt geloof optioneel
  • het verzwakt bekering
  • het ontkracht waarschuwingen
  • het relativeert oordeel

Maar de Schrift doet dat nergens.

Er is geen trapje uit de poel des vuurs

Alverzoening moet uiteindelijk één ding doen:
een uitweg verzinnen waar God die niet geeft.

Een tweede kans.
Een herstel na het oordeel.
Een ontsnapping achteraf.

Maar de Schrift kent dat niet.

Nergens.

Niet één tekst spreekt over terugkeer uit de poel des vuurs.
Niet één tekst over herstel na het laatste oordeel.
Niet één tekst over een “uiteindelijk komt het goed”.

Wat er wél staat, is dit:

“En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.”
(Openbaring 20:15, STV)

Geworpen.

Niet: tijdelijk geplaatst.
Niet: opgevoed.
Niet: voorbereid op herstel.

Geworpen.

En over die plaats zegt de Schrift:

“En zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.”
(Openbaring 20:10, STV)

Niet: tot ze geleerd hebben.
Niet: tot ze zich bekeren.
Maar: in alle eeuwigheid.

Dit is waarom de oproep zo dringend is

Omdat er géén weg terug is.

Omdat de beslissing hier valt.

Omdat de genadetijd eindigt.

“En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel.”
(Hebreeën 9:27, STV)

Niet daarna nog een kans.
Niet daarna nog herstel.
Maar: oordeel.

Daarom zegt Christus niet:

het komt uiteindelijk allemaal goed

Maar:

“Strijdt om in te gaan door de enge poort…”
(Lukas 13:24, STV)

Onontkoombare conclusie

👉 Er is geen trapje uit de poel des vuurs.
👉 Er is geen tweede kans na het oordeel.
👉 Er is geen universele verzoening achteraf.

Alverzoening klinkt liefdevol,
maar spreekt de ernst van Gods Woord tegen.

En wie die ernst wegneemt,
neemt ook de noodzaak van bekering weg.

Daarom blijft de oproep staan, scherp, dringend en persoonlijk:

“Bekeert u en gelooft het Evangelie.”
(Markus 1:15, STV)

Dat is géén randtekst.
Dat is de realiteit volgens Christus Zelf.

Zie ook:

Bijbelstudie lezing: ‘Allen’ als misverstand. (Efeze. 3)….

Bijbelstudie: ALLE KNIE ZAL ZICH BUIGEN – Bijbels Panorama..

Waarom een messiasverwachting niets bewijst: de Mahdi, de Maitreya, de Messias en de grote vergissing

De messias die nooit komt

Waarom een messiasverwachting op zichzelf niets bewijst

Veel mensen denken dat een religie geloofwaardiger wordt wanneer zij een messiasverwachting heeft. Het klinkt immers indrukwekkend: een volk of religie leeft in verwachting van een komende verlosser die recht zal brengen en de wereld zal herstellen.

Maar wie iets dieper kijkt, ontdekt een ongemakkelijke waarheid:

Een messiasverwachting is helemaal niet uniek

Sterker nog: bijna elke grote religie kent een vorm van zo’n verwachting.

Dat betekent dat de verwachting zelf nog niets bewijst.

De islam verwacht ook een redder

Binnen de islam leeft een sterke verwachting van een eindtijdfiguur: de Mahdi.

Volgens veel islamitische tradities zal deze leider verschijnen vlak voor het einde van de wereld. Hij zal:

  • de islam wereldwijd laten zegevieren
  • recht en orde herstellen
  • oorlog voeren tegen vijanden van de islam
  • samen optreden met Isa (Jezus) die volgens de islam zal terugkeren

Voor miljoenen moslims is deze verwachting zeer serieus.

Maar het bestaan van die verwachting maakt de Mahdi nog geen realiteit

Als dat wel zo was, zou elke religie met een eindtijdverlosser automatisch gelijk hebben.

Dat is uiteraard onmogelijk.

De mens verlangt altijd naar een redder

De geschiedenis laat zien dat de mensheid voortdurend redders verwacht.

Het is een religieus patroon:

  • het jodendom verwacht de Messias
  • de islam verwacht de Mahdi
  • het boeddhisme verwacht Maitreya
  • sommige hindoeïstische tradities verwachten Kalki

Waarom?

Omdat de wereld zichtbaar gebroken is.

Mensen voelen intuïtief dat er iemand moet komen die alles rechtzet.

Maar een verlangen naar een redder is nog geen bewijs dat men de juiste Redder kent.

De Bijbel zegt iets totaal anders

Hier komt het radicale verschil.

De Bijbel zegt niet:

er komt ooit een redder.

maar zegt:

de Redder is al gekomen. Geloof dat.

Het evangelie verkondigt dat de Messias niet een toekomstig politiek figuur is, maar een historische Persoon: Jezus Christus.

“Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.”
(Galaten 4:4, STV)

De Messias is niet een droom van religieuze verwachting.

Hij verscheen in de geschiedenis.

Hij leefde.

Hij stierf.

Hij stond op uit de dood.

Het probleem van een messias zonder Jezus

Een religie die een messias verwacht maar Jezus verwerpt, staat uiteindelijk met lege handen.

Want de Bijbel maakt duidelijk dat de vraag naar de Messias uiteindelijk neerkomt op één beslissende vraag:

Wat doet men met Jezus Christus?

“Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.”
(1 Johannes 2:22, STV)

Dat is confronterend.

Maar het maakt het onderscheid helder.

Een messiasverwachting kan nog alle kanten op.

Maar het evangelie wijst naar één Persoon.

Waarom een messiasverwachting zelfs gevaarlijk kan zijn

Ironisch genoeg kan een sterke messiasverwachting mensen juist vatbaar maken voor misleiding.

De Bijbel waarschuwt hier expliciet voor.

“Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (zo het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.”
(Matthéüs 24:24, STV)

Wie alleen wacht op een toekomstige redder, kan zo maar  de verkeerde omarmen.

Geschiedenis en religie zitten vol voorbeelden daarvan.

Het Evangelie

De Bijbel draait daarom niet om een religieuze verwachting.

Het draait om een historische realiteit.

Jezus Christus is de beloofde

“Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is.
En de zaligheid is in geen Ander; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”
(Handelingen 4:11–12, STV)

Dáár ligt het beslissende punt.

Niet in de vraag of men een verlosser verwacht.

Maar in de vraag:

Kent men de Verlosser die al gekomen is?

Een messiasverwachting bewijst helemaal niets.

De islam heeft er één.
Het Jodendom heeft er één.
Andere religies hebben er ook één.

Maar alleen het Evangelie zegt:

De Messias is al gekomen.

Zijn Naam is Jezus Christus.

En wie Hem verwerpt terwijl hij een andere redder verwacht, zal bedrogen uitkomen.

 

De gevaarlijkste manier om de Bijbel te lezen

De Schrift verdraaien tot eigen verderf

Waar 2 Petrus 3:16 voor waarschuwt, en waarom dat vandaag nog gebeurt

Er is een ongemakkelijke waarheid die zelden wordt uitgesproken:
je kunt de Bijbel lezen, citeren en onderwijzen, en hem toch verdraaien tot je eigen verderf.

Dat is precies waar de apostel Petrus voor waarschuwt.

Ik bespreek hier een Bijbeltekst die zelden wordt aangehaald, maar die een van de scherpste waarschuwingen van het Nieuwe Testament bevat. De apostel Petrus schrijft over mensen die met de Schrift omgaan op een manier die niet tot leven leidt, maar tot oordeel.

Hij schrijft:

“Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.” (2 Petrus 3:16, STV)

Dat is een verbijsterende uitspraak.
De Bijbel kan namelijk niet alleen verkeerd begrepen worden, hij kan ook verdraaid worden.

En Petrus zegt dat dat niet zonder gevolgen blijft.

Wanneer de Bijbel wordt gebruikt om een eigen leer te bevestigen

Het woord dat Petrus gebruikt voor “verdraaien” betekent letterlijk verwrin­gen of forceren. Het beeld is dat van iets dat zo wordt gebogen dat het een vorm krijgt die het oorspronkelijk niet had.

Dat gebeurt wanneer iemand:

  • teksten uit hun context haalt
  • een systeem in de tekst leest dat er niet uit voortkomt
  • bepaalde Schriftgedeelten negeert
  • duidelijke teksten wegredeneert
  • de Schrift gebruikt als kapstok voor een idee
  • de Schrift gebruikt om een ingelegde vreemde leer te verdedigen

In dat geval spreekt de Bijbel niet meer zelf.
De tekst wordt gedwongen iets te zeggen wat de lezer wil.

Petrus noemt twee kenmerken van zulke mensen

Petrus beschrijft de mensen die dit doen met twee woorden:

ongeleerd
onvast

Dat betekent niet dat zij geen opleiding hebben. Het betekent dat zij:

  • niet werkelijk door de Schrift onderwezen zijn
  • geestelijk instabiel zijn
  • zich niet willen laten corrigeren door het Woord

Het probleem is dus niet gebrek aan intelligentie, maar gebrek aan onderwerping aan de Schrift.

Paulus werd verdraaid

Het opmerkelijke is dat Petrus dit schrijft over de brieven van Paulus.

Hij zegt dat sommige dingen in Paulus’ brieven moeilijk te begrijpen zijn. Niet omdat Paulus onduidelijk was, maar omdat zijn onderwijs diep is. Vooral zijn onderwijs over:

  • genade
  • wet
  • Israël
  • de gemeente
  • het heilsplan van God

Juist die onderwerpen zijn in de geschiedenis van de kerk het meest verdraaid.

Het probleem is van alle tijden

Verkeerde uitleg ontstaat vaak wanneer men de onderscheiden in de Schrift niet respecteert.

Wanneer men bijvoorbeeld:

  • Israël en de gemeente door elkaar haalt
  • wet en Genade vermengt
  • profetieën vergeestelijkt
  • of Gods heilsplan herschrijft

kan de roeping van de gemeente zelf verdraaid worden.

Het gevaar van Schriftverdraaiing zit dus niet alleen buiten, maar juist binnen het christendom zelf.

Het resultaat: geestelijke schade

Petrus gebruikt een schokkend woord voor het gevolg:

verderf.

“tot hun eigen verderf.” (2 Petrus 3:16, STV)

Dat betekent dat verkeerd omgaan met de Schrift uiteindelijk tegen de mens zelf werkt.

De Bijbel is namelijk niet maar een boek dat je kunt bestuderen.
Het is het Woord van God.

Wie het buigt naar zijn eigen wil, komt uiteindelijk zelf onder het oordeel van dat Woord te staan.

Hoe het voorkomen wordt

De Bijbel zelf laat zien hoe de Schrift moet worden behandeld.

Niet door:

  • teksten te isoleren
  • systemen te verdedigen
  • of eigen ideeën te bevestigen

maar door:

  • de context serieus te nemen
  • Schrift met Schrift te vergelijken
  • te luisteren naar wat er werkelijk staat
  • bereid te zijn gecorrigeerd te worden

De houding van de gelovige is daarom niet:

de Schrift corrigeren

maar:

zich laten corrigeren door de Schrift.

Een confronterende vraag

Iedere generatie christenen denkt dat zij de Schrift correct leest.

Maar de waarschuwing van Petrus blijft staan.

De vraag is daarom niet alleen:

kennen we de Bijbel?

De echte vraag is:

laten we de Bijbel spreken, of laten we de Bijbel zeggen wat we willen horen?

Want volgens Petrus is het mogelijk de Schrift te bezitten
en te verdraaien tot eigen verderf.

De sekte van Wim Griffioen, alwéér een episode over deze klote sekte

Totaal -maar gecontroleerd- losgeslagen in naam van de Heer

Wim Griffioen, de dorre en on-goddelijke ex-accountant die ‘voor zichzelf’ begon, en vrouwen en meisjes overheerst

En dan krijg je ineens een appje van een oom, die meldt dat er weer een aflevering met als onderwerp de sekte online staat.

Het kijken was voor mij schokkend. Ik zag gezichten terug van mensen waar ik meer dan 35 jaar geleden vrij intensief mee omging. De gezichten zijn daarom zo bekend omdat ik hun ouders gekend heb, en het heel  goed zichtbaar is van wie zij kinderen zijn. Daaronder bevindt zich ook directe familie van mij, het zijn onder andere kinderen van neven.

Die achteraf dus keihard mede manipulatoren, ordinaire vrouwen en kindermeppers blijken te zijn geworden. Ook zie ik het laatst bekende huis van mijn volle oom langskomen in de beelden.

De EO vond het nodig om de video vanwege auteursrecht te laten verwijderen. Na een hele week online gestaan te hebben .Ik ga niet linken naar uitzending gemist want ik gun ze geen inkomsten via mij van dit grote  leed. Ik heb er zelf uberhaupt niks aan verdiend, had direct al een copyright melding maar had aanvankelijk wel toestemming om te plaatsen. Ik meen dat ik niks verkeerds heb geschreven, of gedaan in deze.

En gelijk een copy right strike van youtube waar ik allerminst van onder de indruk ben.

EO, zak erin! En diep graag.

Ik was gewaarschuwd

In een heel vroeg stadium ben ik daar weggegaan, op aanraden en waarschuwing van mijn ouders, die deze ellende hebben zien aankomen. Maar dat het zo erg zou worden , dat iedereen het ongeveer met iedereen doet, en daar een geestelijk sausje overheen geflikkerd word, is ongeveer het laagste van het laagste wat je kunt verzinnen als de Naam van de Heer genoemd wordt. Bij deze dus weer een blogpost die over deze enge, goddeloze en in meerdere opzichten losbandige club van Griffioen in Boskoop/Waddinxveen gaat.

Machtsmisbruik, manipulatie, sektarisme

Iets in mij zegt dat dit nog steeds niet het laatste is wat we hier over gaan horen. Dingen als machtsmisbruik, manipulatie, en dan onder het mom van geestelijkheid. als je erin zit : het gevoel van de geen kant op kunnen, altijd en overal gecontroleerd worden.

Dat heeft absoluut niks (met de vrijheid in) Christus te maken, laat dat duidelijk zijn.

lees ook:

Sekte in aanbouw, mijn verhaal – Bijbelse basis

De gevaarlijkste manier om de Bijbel te lezen – Bijbelse basis

Sektarisme, manipulatie, kuddegedrag, kerkje spelen – Bijbelse basis

Sektarisme, manipulatie, kuddegedrag, kerkje spelen, vervolg – Bijbelse basis

extern:

https://www.studioalphen.nl/nieuws/mijn-vader-heeft-seks-met-me-tante-en-mijn-moeder-met-mijn-oom-ex-leden-boskoopse-sekte-te-zien-in-programma/

https://archive.vn/ZoRTK

wat ouwe koeien uit mijn archief:

Sekteleider Griffioen op non-actief gezet
08-06-1995 Reformatorisch Dagblad
WADDINXVEEN – Wim Griffioen, de leider van de Waddinxveense religieuze groep, blijkt al enkele weken niet meer voor te gaan, zo deelden enkele groepsleden mee.
De oorzaak is volgens enkele betrokkenen dat de raad van oudsten hem verbood te spreken vanwege een onoirbare seksuele relatie met een vrouwelijk lid van de sekte. Dit werd publiek toen de bewuste vrouw met haar man en vijf kinderen uittrad en vorige week een verklaring aflegde. Een lid van de Raad van Oudsten weigerde het RD commentaar.
In Waddinxveen en omgeving ontstond commotie toen sekteleden alle banden met eigen familie verbraken en die zelfs doodverklaarden. Een dochter weigerde haar stervende vader te bezoeken.
Inmiddels verklaarde de 32-jarige moeder dat zij, onder geestelijke druk van Griffioen, gedwongen werd tot regelmatig seksueel contact met de sekteleider. Ze deed aangifte bij de Waddinxveense politie. De vrouw heeft specialistische hulp gezocht.
De politie bevestigde „met de zaak bezig te zijn, alhoewel er niet een formele klacht wegens verkrachting kon worden ingediend”. Ook andere beschuldigingen aan het adres van Griffioen worden door de politie onderzocht
Verwoestend spoor in de regio
04-05-1995 Reformatorisch Dagblad
Vader ligt al enkele weken op sterven. De dochter -aanhangster van de sekte van Wim Griffioen in Waddinxveen- wordt gesmeekt om afscheid te komen nemen. Maar de hoorn gaat steevast op de haak als bloedverwanten bellen. Ook brieven helpen niet. Voor de deurmat wordt de sinds haar eigen ‘wedergeboorte’ doodverklaarde familie afgescheept.
De vader is inmiddels gestorven. „Mijn man stierf zonder afscheid te hebben genomen van onze dochter. Ze wil met ons niets meer te maken hebben. Ze vertelde ons ook nooit dat zij een kind verwachtte en wij grootouders zouden worden”, aldus de weduwe.
Veel verdriet heerst er inmiddels en families zijn verscheurd. Wat ooit begon als een serieuze bijbelstudiegroep is ontaard in een sekte met alle gevolgen van dien. „Noem Griffioen rustig de grote verleider, zoals de Bijbel erover spreekt”, voegt een predikant me toe. De hervormde kerk in Waddinxveen belegde intussen al twee bijeenkomsten, onder leiding van ds. C. D. Zonnenberg, om betrokken families met elkaar in contact te brengen en te ondersteunen.
Eerder stond in de hervormde kerkbode van Waddinxveen een door het ministerie van vier predikanten ondertekende ernstige waarschuwing tegen Griffioens denkbeelden. „Laten we de macht van de satan niet onderschatten. We hebben er mee te maken”. De predikanten wijzen er overigens op dat tot nu toe géén -voor de Nederlandse wet- strafbare feiten zijn gepleegd. Ieder staat machteloos.
Niets zeggen
Andere voorbeelden? Opa en oma zien hun kleinkind op straat. Het kind mag niet meer bij hen komen want zijn vader en moeder horen ook tot Griffioens getrouwen. „Waarom kom je niet meer bij ons”, zo kan oma haar leed niet verzwijgen. „Mama zegt dat u niet echt van de Heere houdt en daarom mag ik niks meer tegen u zeggen”.
„Van harte gefeliciteerd met je kleinzoon”, hoort een verbaasde Waddinxveense. Ze wist van niets. Dochter en schoonzoon horen bij Griffioen en de zijnen en weigeren elk contact.
Twee jongvolwassen dochters uit een ander gezin komen nooit meer thuis. Wéér een andere moeder: „Mijn dochter kwam me letterlijk dood te verklaren en vertellen zei dat ze nooit meer contact wil hebben met me”.
Behoudend
Rond de honderd leden telt de naamloze sekte van Wim Griffioen (geboren 1950). Vrijwel allen komen uit behoudende delen van de kerken of uit evangelische groepen. Eerder meelevende hervormden en leden van de Gereformeerden Gemeenten; ze horen er ook bij. Griffioen zelf komt uit de gereformeerde gemeente van Utrecht. Het gezin behoorde tot de rand van die kerk, verhuisde naar Alphen aan den Rijn en werd daar hervormd.
Wim wordt boekhouder, maar verkoopt op een gegeven moment zijn administratiekantoor en gaat naar de Evangelische Bijbelschool in Doorn. Daar krijgt hij onder meer les van de bekende Jacob Klein Haneveld. Vervolgens geeft Griffioen bijbelstudie aan huis in Alphen.
In 1984 wordt Griffioen actief in Waddinxveen. Volgens sommigen had zijn boodschap toen, globaal genomen, een bijbelse lijn. Inmiddels is dat volgens ex-volgelingen voorbij. „Niet het Woord is norm, maar de uitleg van Griffioen”. Langzaam komen er meer volgelingen naar het op zondagmorgen afgehuurde “Het Nieuwe Trefpunt” aan de Stationsstraat.
Volgens insiders vindt er na de dood van Klein Haneveld -die ook wel voorging in de Stationsstraateen omslag in het denken van Griffioen plaats. In diens omgeving bivakkeren mensen zoals ex-gereformeerd predikant Ben Groot Enzerink. Met hem ontwikkelt Griffioen een leer die kortweg gezegd inhoudt dat God telkens wéér in het vlees komt. Dat gebeurt dan via voorgangers zoals Griffioen. Helaas vindt ook Groot Enzerink dat hij goddelijke trekken vertoont. Dat geeft scheiding tussen beiden en ieder gaat eigen weg.
Doodverklaard
Kenmerkend voor Griffioens theologie is dat mensen die een bedreiging voor hem vormen of het met hem oneens zijn, verworpen en doodverklaard worden. Dat wordt ook publiek meegedeeld tijdens de bijeenkomst. Toen eigen getrouwen daarover vragen stelden, zou Griffioen gezegd hebben: „Ik ben de Heer”. Daarover lijkt de ‘gemeente’ van Griffioen evenwel nóg niet eensluidend. Enkele getuigen hoorden hem beweren de Messias te zijn. Eén van hen werd daarop boos en verkocht de nepmessias een mep en zette hem uit zijn huis.
Gesprekken hebben inmiddels geleerd dat, in ieder geval de mannelijke, leden ‘trekken’ van de ‘Heer’ hebben. Ze leven „niet meer hier maar in de hemel”.
Eén lid van de gemeente, J. van den Berg uit Zevenhuizen, ontkent inderdaad dat Griffioen de enige ‘Heer’ is. Van den Berg zegt dat hijzelf net zo goed leiding zou kunnen geven. Met evenveel gezag als Griffioen.
Van den Berg staat bij het schoolbord in zijn winkel met benodigdheden voor het zelf maken van wijn aan het Noordeinde. Met ferme zwaai veegt hij de reklame weg en maakt zijn theologische visie aanschouwelijk. Inderdaad, hij zou Griffioen kunnen vervangen, want ook de voorganger zelf gebruikt tijdens de samenkomsten -die soms drie uur duren- veelvuldig het schoolmeesterskrijt.
Griffioens ‘theologie’ zegt dat leden door wedergeboorte gestorven zijn. Ze zijn een totaal ander iemand geworden. Hun oude lichaam én familie achten zij niet meer: „Ik ben dus Jan van den Berg niet meer. Die is dood. Ik ben een nieuw schepsel”.
‘Doden’
Mensen móeten breken met hun natuurlijke familie. Een letterlijk citaat uit een ‘preek’ van Griffioen verklaart die afstand -verbod tot omgang zelfs- vanuit de tekst dat de doden hun doden moeten begraven: „Daarom moeten wij onze aandacht van de doden afwenden”. Erfenissen worden evenwel geaccepteerd als „gaven van God”.
Het eren van vader en moeder naar bijbels gebod wordt als volgt uitgelegd: God is de Vader en met de moeder wordt Jeruzalem bedoeld (naar een vrije uitleg van Galaten 4:26). Maar sekteleden willen ook wel schermen met de tekst dat wie vader of moeder liefheeft boven Christus Hem niet waardig is. Dat is weer tegenstrijdig. De ‘nieuwe familieband’ is sterk en moet oude banden vervangen. Daarom gaat men op zondagmiddagen bij elkaar op visite.
Ex-jehovah-getuige Joseph Wilting schreef een brochure over de vraag hoe we “Destruktieve sekten” (sekten met een vernietigend karakter) kunnen herkennen: De leiding oefent controle uit over gedachten, gevoelens en gedrag van leden. Er zijn veel geboden en verboden. De sleutel om harten van mensen te openen is dat onder de juiste omstandigheden alle mensen kwestbaar zijn. Kenmerkend zijn verder toewijding voor een persoon, idee of ding. Maar ook „isolering van vrienden en familie en het afbreken van de persoonlijkheid”.
Ramen zemen
Aan veel van deze door Wilting beschreven kenmerken voldoet de groep van Griffioen. Een charismatische uitstraling ontbreekt echter. Griffioen is geen vlotte leider. Hij wekt eerder de indruk wat zielig te zijn. Bij problemen in een gezin springt hij in, helpt dan in het huishouden en haalt de kinderen uit school. Juist in een periode dat zijn gezag tanend was, verrichtte hij veel hand en spandiensten in gezinnen. De kritiek verstomde want „hij is toch een fijne man”. Ook schaamt Grifioen zich, indien nodig, het ramen lappen niet.
Zakelijk is de naamloze gemeente ondergebracht in de stichting Immanuël. De leden geven hun bijdragen vrijwillig. Sommigen verklaren tienden te geven. Overigens leeft hij in een sober ingerichte -voor zijn gehandicapte dochter van 17 aangepaste- huurwoning.
Eruit
Er zijn ook mensen uit de sekte gestapt. Anderen werden weerhouden in de sekte te treden door bijvoorbeeeld een kerkelijk meelevende vriendin of vriend die wist te overtuigen met bijbelse argumenten. Juist die -vaak nog jonge- mensen vertellen dat ze de kracht van God ervaren hebben in het gebed en in deze worsteling.
„Bidt om het heil van hen die een heilloze weg gaan”, zo zei ds. Zonnenberg vorige week donderdagavond tot familie van de sekteleden. „Ik bid al zes jaar iedere dag. Tevergeefs. Maar ik weet dat de Heere hen niet loslaat en hen eruit zal halen”, zo getuigt daarop een aanwezige. Een ander vertelt dat ze de verjaardag van de dochter, die bij Griffioen zit, altijd herdenkt bij een andere dochter thuis. Behalve koffie met wat lekkers te nuttigen wordt ook de Bijbel geopend en bidt men met elkaar. „Onze verwachting is en blijft van de Heere want Hij is machtig. Zijn goede hand mocht ik erin zien dat we kort geleden voor het eerst sinds lange tijd weer bij onze dochter welkom waren”, vertelt een moeder.
Sektarisch
Inzage in de -afgebroken- correspondentie tussen sekteleden en hun familie onderstreept het sektarische karakter van de gemeente van Griffioen. „Wij leven niet meer. U staat buiten. Wij willen geen communicatie meer naar het vlees. Zo zijn er voor die in Christus zijn geen aardse banden meer, we hebben een nieuwe familie gekregen”, zo luiden enkele citaten. Na een dergelijke brief weigeren de sekteleden verder te praten. Hoogstens nog een korte reactie. „Er staat geen mens centraal in ons denken. Wij leven in de Eén en niet in de twee. Wie buigen kan en wil zal genade ontvangen”.
Voor familieleden die telefonisch contact zoeken doet de telefoonbeantwoorder zijn werk. Ingesproken teksten worden kort schriftelijk beantwoord: „Gehoor geven aan jullie is luisteren. Aardse banden houden op te bestaan, het oude is voorbijgegaan. Als je de Geest deelachtig bent, herken je of mensen je uit de hemel naar beneden willen trekken, we willen pas contact als jullie ook dat leven kent”. „Wij willen pas contact als jullie erkennen dat Christus vleselijk aanwezig is”, zegt een zoon tegen zijn vader, kennelijk doelend op zijn ‘wedergeboren’ staat.
Een betrokken familielid stuurde een ernstige, indringende brief waarin op bijbelse gronden gewaarschuwd werd tegen de leer van Griffioen. Daarop werd geheel niet gereageerd. De afscheidsbrief lijkt gestandaardiseerd.
Vuurschieten
Ook ds. Zonnenberg wijst op de sektarische elementen. De groep wordt gekenmerkt door een sterke band en de leden zien er hun nieuwe familie in. Bevallingen worden zo mogelijk geheel begeleid door sekteleden, met het roepen van de arts en ziekenhuisopnamen wacht men zeer lang. Het lichaam wordt onbelangrijk geacht. „Als het zó gebeurt, is het kenmerk van sektarisch denken”. De familie wordt doodverklaard en ogen schieten vuur als sekteleden door familie worden aangesproken. Bijbelse argumenten worden genegeerd of naar eigen behoefte uitgelegd en toegepast.
De predikant beluisterde enkele bandjes van ‘bijbelstudies’ van Griffioen. Opmerkelijk is dat Griffioen vaak de Statenvertaling citeert: het verraadt zijn afkomst. Op het eerste gehoor meeslepend, zo oordeelt ds. Zonnenberg. „Maar toen ik wat hoofdlijnen op papier probeerde te zetten, kon ik er geen touw meer aan vastknopen”.
Ontsporingen
Hoewel hij verder (nog) geen strafbare feiten pleegde, leven er wel zorgen over mogelijke seksuele ontsporingen. Dat gebeurt namelijk vaker bij zulke groepen. Familieleden weten met zekerheid dat Griffioen diverse sleutels heeft van huizen van ‘gemeenteleden’ en zo maar naar binnen stapt.
Griffioen wil zelf pas na lang aandringen spreken met iemand van het RD. Het is een moeizaam gesprek. Soms schudt hij meewarig het hoofd en breekt een net begonnen uitleg af: Ach, laat maar. Verantwoording geeft hij niet. Op de foto wil hij evenmin.
Hoe was uw relatie met Groot Enzerink? Verschilde u van mening met hem over wie nu op aarde de heer was?
„Ik ontken noch bevestig dat. Trouwens de krant brengt nieuws dat oud is. Wij verkondigen aan hen wie we ontmoeten”.
U legt aan de mensen in uw bijeenkomsten uit dat ze hun aardse vader en moeder niet hoeven te eren. Klopt dat?
„Kijk maar in de Bijbel, daar staat het”.
„Zegt u dat u de Heer bent?”
„Ik vind het niet zinvol dat te bespreken. Maar de krant stelt allemaal van die menselijke vragen”. „En als je er als journalist één aspect uithaalt, heb je altijd gelijk”.
U leeft van de giften van leden. Hen zijn de tienden opgelegd?
„Ik verplicht niets”.
Kent uw bijeenkomst een kerkeraad?
„Kijk maar in de Bijbel. Als daar oudsten in genoemd worden, hebben wij ze ook”.
„Met wie weet u zich in de geschiedenis verbonden?
„Er zullen wel mensen zijn die er precies eender over gedacht hebben. Daar ben ik dan mee verbonden. Trouwens, alles hangt er vanaf hoe je de Bijbel leest.
Aanvaard u de vroeg-christelijke geloofsbelijdenissen? Leest u die?
„Die lezen we niet”.

Beseft u dat er veel leed is in gezinnen, omdat uw volgelingen gebroken hebben met de familie; deze zelfs doodverklaarden? Is dat bijbels?

„Ach, dat is weer zo’n menselijke vraag. Het kruis brengt toch verdrukking!”.

 

 

 

Klanktaal als “full-color geloof”?

Een Bijbelse weerlegging van de moderne tongentaal/klanktaal ervaring

In charismatische kringen wordt tongentaal voorgesteld als een persoonlijke gebedstaal. Mensen vertellen hoe hun geloof vroeger “zwart-wit” was, maar dat het door de gaven van de Geest veranderde in een levendige ervaring. Het spreken in klanken zou het geloof verdiepen, emoties losmaken en een intieme verbinding met God geven.

Het klinkt indrukwekkend. Maar de vraag is niet hoe indrukwekkend een ervaring voelt. De vraag is:

Komt dit overeen met de Schrift?

Wanneer we de Bijbel zorgvuldig lezen, blijkt dat de moderne praktijk van klanktaal nauwelijks overeenkomt met wat de Schrift over tongentaal zegt.

Tongentaal in de Bijbel: echte talen

Op de Pinksterdag gebeurde iets concreets en controleerbaars.

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, gelijk de Geest hun gaf uit te spreken.”
— Handelingen 2:4 (STV)

Het gevolg was direct zichtbaar:

“En een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.”
— Handelingen 2:6 (STV)

De talen waren dus:

  • echte talen
  • herkenbaar voor de hoorders
  • verstaanbaar voor de aanwezige volken

Het verschijnsel had niets te maken met willekeurige klanken of extatische spraak.

Het doel van tongentaal

De apostel Paulus legt uit waarom deze gave bestond:

“Zo dan, de talen zijn tot een teken, niet dengenen die geloven, maar den ongelovigen.”
— 1 Korinthe 14:22 (STV)

Tongentaal was dus géén persoonlijke geestelijke ervaring.

Het was een teken voor ongelovigen, verbonden met Gods handelen in de eerste periode van de verkondiging van het Evangelie.

De charismatische praktijk draait dit precies om. De klanktaal wordt juist gebruikt voor persoonlijke beleving, innerlijke opbouw en emotionele intensiteit.

Maar dat is niet het doel dat Paulus noemt.

Paulus stelt strikte grenzen

Wanneer Paulus het spreken in talen bespreekt, stelt hij opvallend strenge voorwaarden.

“En indien iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten hoogste drie geschiede, en dat bij beurten; en dat één het uitlegge.”
— 1 Korinthe 14:27 (STV)

En als er geen uitlegger aanwezig is, zegt Paulus:

“Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente.”
— 1 Korinthe 14:28 (STV)

Deze regels laten zien dat het verschijnsel controleerbaar moest blijven. Het ging niet om extatische uitingen of spontane klankstromen.

De praktijk in veel moderne bijeenkomsten – waar tientallen mensen tegelijk onverstaanbare klanken spreken – staat daar haaks op.

Het probleem van “persoonlijke gebedstaal”

Vaak wordt gezegd dat tongentaal een persoonlijke gebedstaal is waarmee iemand rechtstreeks tot God spreekt. Daarbij wordt soms verwezen naar 1 Korinthe 14:2.

Maar Paulus schrijft die woorden in een kritische context. Zijn hele betoog in dat hoofdstuk is juist dat onverstaanbare taal de gemeente niet opbouwt.

Daarom zegt hij:

“Doch in de gemeente wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tienduizend woorden in een vreemde taal.”
— 1 Korinthe 14:19 (STV)

Paulus plaatst verstaanbaar onderwijs dus ver boven extatische taal.

Het probleem van ervaring als norm

De aantrekkingskracht van klanktaal ligt vooral in de ervaring. Mensen beschrijven het als:

  • bevrijdend
  • emotioneel
  • intens
  • een diep gevoel van nabijheid van God

Maar ervaring is geen betrouwbaar criterium voor waarheid.

Veel religies kennen vergelijkbare verschijnselen. Extatische spraak komt voor in verschillende spirituele tradities, zelfs buiten het christendom.

Het bestaan van een ervaring bewijst dus niet dat die ervaring van God komt.

De Schrift geeft een ander fundament:

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”
— Romeinen 10:17 (STV)

De Geest werkt door het Woord

In het Nieuwe Testament staat het werk van de Heilige Geest nooit los van het Woord van God.

De Heere Jezus zegt:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.”
— Johannes 16:14 (STV)

De Geest richt de aandacht niet op spectaculaire manifestaties of persoonlijke ervaringen, maar op Christus en Zijn Woord.

Wanneer het geestelijke leven steeds meer afhankelijk wordt van bijzondere ervaringen, ontstaat een geloof dat voortdurend nieuwe prikkels nodig heeft.

Dat is precies het tegenovergestelde van het rustige vertrouwen dat de Schrift beschrijft.

Het gevaar van een geestelijke egotrip

In de praktijk kan de moderne tongentaalcultuur leiden tot subtiele vormen van geestelijke competitie.

Wie in tongen spreekt, wordt gezien als iemand die een diepere geestelijke ervaring heeft. Wie dat niet heeft, kan zich gemakkelijk tweederangs voelen.

Het gevolg is dat mensen gaan zoeken naar een ervaring die hen bevestigt. De focus verschuift van Christus naar de eigen beleving.

Maar de apostel Paulus waarschuwt juist tegen geestelijke zelfverheffing.

“Niemand roeme in mensen.”
— 1 Korinthe 3:21 (STV)

En het evangelie zelf richt de mens niet op zichzelf, maar op Christus.

Wanneer het spectaculaire verdwijnt

Paulus maakt ook duidelijk dat de spectaculaire gaven tijdelijk waren.

“De profetieën zullen te niet gedaan worden, en de talen zullen ophouden.”
— 1 Korinthe 13:8 (STV)

De nadruk van het christelijke leven ligt daarom niet op spectaculaire manifestaties, maar op blijvende dingen zoals geloof, hoop en liefde.

Het christelijk geloof is geen zoektocht naar steeds nieuwe ervaringen.

Het is een leven dat rust op het volbrachte werk van Christus.

De ‘moderne klanktaal  die in veel kringen wordt gepresenteerd als een persoonlijke gebedstaal staat ver af van het Bijbelse verschijnsel van tongentaal.

In de Schrift zien we:

  • echte talen
  • een teken voor ongelovigen
  • strikte regels voor gebruik
  • een duidelijke plaats in Gods heilsplan

Wat we vandaag vaak zien is iets anders: een ervaringsgerichte praktijk waarin emotie en beleving centraal staan.

Maar het christelijk geloof wordt niet gedragen door ervaringen.

Het wordt gedragen door het Woord van God.

Dat Woord is niet “zwart-wit”.

Het is levend en krachtig — zonder dat wij er een geestelijke “full-color egotrip” van hoeven te maken.

lees ook:

Jesaja 28:11, andere tongen en de Naam van Jezus

Genezingscampagne of het Evangelie?

Over een genezingscampagne, verkeerde verwachtingen en het gevaar van opgeklopt spektakel

Opnieuw verschijnt er een aankondiging van een zogenaamde genezingscampagne, dit keer in Rotterdam. Met als optredend artiest ene Andrew Ebenezar.

Er wordt gesproken over wonderen, tekenen en genezingen. Mensen worden uitgenodigd om te komen “met verwachting”, omdat God daar bijzondere dingen zou gaan doen.

Voor sommige christenen klinkt dat hoopvol. Wie verlangt er niet naar genezing, naar doorbraken, naar zichtbare wonderen?

Maar een belangrijke vraag moet gesteld worden:

Is dit het patroon dat we in de Bijbel zien?

 

God kán genezen

Laat dat eerst duidelijk zijn. De Bijbel leert nergens dat God vandaag niet meer zou kunnen genezen.

“Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.” (Hebreeën 13:8 STV)

God is niet veranderd. Hij kan ingrijpen. Hij kan ziekte wegnemen. Hij kan onverwacht herstel geven.

Ook lezen we:

“Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren.” (Jakobus 5:14 STV)

Gebed voor zieken is dus volkomen Bijbels.

Maar dat is iets heel anders dan genezingscampagnes organiseren.

De eerste Christenen organiseerden geen genezingsdiensten

Wie het Nieuwe Testament eerlijk leest, ontdekt iets opvallends.

De apostelen reisden rond om het evangelie te prediken. Wonderen gebeurden soms, maar ze werden nooit als evenement aangekondigd.

Er staat nergens:

“Kom morgen naar Jeruzalem, want er zullen wonderen en genezingen plaatsvinden.”

Wonderen waren in de Schrift geen programma.

Ze waren:

  • een soevereine daad van God
  • een bevestiging van het apostolische getuigenis
  • geen religieuze bijeenkomst die mensen konden plannen

De Schrift zegt:

“En zij gingen uit en predikten overal, en de Heere werkte mede, en bevestigde het Woord door tekenen die daarop volgden.” (Markus 16:20 STV)

Let op de volgorde.

Eerst het Woord.
Daarna bevestiging.

Niet andersom.

Het probleem van moderne genezingscampagnes

Bij moderne campagnes verschuift de nadruk vaak ongemerkt.

Niet het evangelie staat centraal, maar:

  • wonderen
  • genezingen
  • manifestaties
  • spectaculaire getuigenissen

Het christelijk geloof wordt zo langzaam veranderd in een zoektocht naar ervaringen.

Maar Paulus zegt juist:

“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” (1 Korinthe 2:2 STV)

De apostelen predikten geen wonder-evangelie.

Zij predikten Christus en het kruis.

De Bijbel leert ook dat ziekte kan blijven

Dat wordt in genezingscampagnes zelden gezegd.

Paulus had zelf een blijvende lichamelijke zwakheid.

“En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een doorn in het vlees…” (2 Korinthe 12:7 STV)

Hij bad drie keer om genezing.

Maar de Heer nam het niet weg.

Dat betekent iets belangrijks: genezing is géén universele belofte voor dit leven.

Ook Timotheüs werd niet naar een genezingsdienst gestuurd.

Paulus schreef:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.” (1 Timotheüs 5:23 STV)

Dat klinkt opmerkelijk nuchter.

Wanneer het evangelie naar de achtergrond verdwijnt

Veel genezingscampagnes hebben een herkenbaar patroon.

Er wordt gesproken over:

  • doorbraak
  • kracht
  • wonderen
  • manifestaties

Maar zelden over:

  • zonde
  • bekering
  • verzoening
  • het kruis

Toch is dat precies waar het evangelie over gaat.

De Here Jezus zei:

“Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel?” (Markus 8:36 STV)

De grootste nood van een mens is niet ziekte.

Het is verlorenheid.

De vraag die we moeten stellen

Het Evangelie stelt een andere vraag dan veel moderne campagnes.

Niet:

“Wil je een wonder meemaken?”

Maar:

“Wie is Jezus Christus voor jou?”

Is Hij:

  • de Zoon van God
  • de gekruisigde Verlosser
  • de opgestane Heer

Of slechts een wonderdoener van wie wij verwachten dat Hij onze problemen oplost?

Terug naar de eenvoud van het Evangelie

De kerk heeft geen wondercampagnes nodig.

Wat zij nodig heeft is:

  • prediking van het Woord
  • onderwijs in de Schrift
  • bekering en geloof
  • een leven dat gericht is op Christus

Wonderen kunnen eventueel gebeuren.
Maar zij zijn nooit het centrum.

Het centrum is altijd:

Jezus Christus en Dien gekruisigd.

Profeten zonder toetsing

Waarom moderne ‘apostelen en profeten’ onvermijdelijk ontsporen

In mijn vorige blog besprak ik eerder het probleem van zogenaamde hedendaagse profeten. In dit blog wil ik daar nog wat verder op inzoomen.

Het probleem zit in het model

Binnen delen van de charismatische wereld is een structuur ontstaan die vaak wordt verbonden met de New Apostolic Reformation. In dit model functioneren moderne ‘apostelen’bals geestelijke leiders over netwerken van gemeenten, terwijl ”profeten’ nieuwe openbaringen” van God ontvangen.

Het klinkt indrukwekkend, maar het creëert een gevaarlijk mechanisme.

Wanneer iemand eenmaal als profeet wordt erkend door invloedrijke leiders, ontstaat een kring van wederzijdse legitimatie. Apostelen bevestigen profeten. Profeten bevestigen apostelen. Kritiek wordt vervolgens gezien als rebellie tegen geestelijk gezag.

Zo ontstaat een gesloten systeem.

En precies dáár begint de ellende.

De Schrift kent geen feilbare profeten

De Bijbel spreekt uiterst serieus over profeten. Een profeet spreekt niet zijn eigen gedachten, maar het Woord van God. Daarom was de toets eenvoudig en streng.

“Maar de profeet, die zal vermeten spreken een woord in Mijn Naam, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, die profeet zal sterven.”
— Deuteronomium 18:20 (STV)

De Schrift kent dus geen categorie van “een profeet die soms fout zit”.

Wanneer iemand namens God spreekt en het blijkt onwaar te zijn, dan is dat geen kleine fout. Het is het misbruiken van Gods Naam.

Wanneer profetie informatiemisbruik wordt

Een van de beschuldigingen rond Shawn Bolz is dat zogenaamde woorden van kennis gebaseerd waren op informatie die vooraf online werd verzameld.

Met andere woorden:

  • sociale media
  • internetinformatie
  • publieke gegevens

werden gebruikt om vervolgens een “profetie” te presenteren.

Wanneer zulke informatie wordt voorgesteld als bovennatuurlijke openbaring van God, dan is dat niet slechts een misverstand. Het is geestelijke manipulatie.

Het is precies de reden waarom de Schrift gelovigen oproept tot toetsing.

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.”
— 1 Johannes 4:1 (STV)

Het probleem van geestelijke hiërarchie

De moderne apostolische netwerken functioneren vaak volgens een piramide:

  • apostelen bovenaan
  • profeten daaronder
  • pastors en gemeenten daaronder.

In zo’n structuur ontstaat vanzelf een cultuur waarin leiders elkaar beschermen. Wanneer een profeet ontspoort, wordt het probleem vaak intern gehouden. De reputatie van het netwerk staat immers op het spel.

Maar de Bijbel kent geen oncontroleerbare geestelijke elite.

Integendeel.

“Die zondigen, bestraf die in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vrees mogen hebben.”
— 1 Timotheüs 5:20 (STV)

Openbare misleiding vraagt openbare correctie.

Niet om iemand te vernederen, maar om de gemeente te beschermen.

Het echte probleem: ervaring boven Schrift

Wat deze hele kwestie blootlegt, is een verschuiving die al langer gaande is.

In veel kerken is de nadruk verschoven van:

  • Schrift naar ervaring
  • waarheid naar manifestatie
  • toetsing naar autoriteit.

Wanneer ervaring de norm wordt, verdwijnt de vraag of iets werkelijk bijbels is. Mensen vragen dan:

  • Was het krachtig?
  • Was het bovennatuurlijk?
  • Voelde je de Geest?

Maar zelden nog:

Is het waar volgens de Schrift?

En juist dáár begint geestelijke misleiding om nog niet te spreken van machtsmoisbruik

De gemeente is gebouwd op een voltooid fundament

De kerk van Christus is niet gebouwd op moderne apostelen of hedendaagse profeten. Het fundament ligt al vast.

“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.”
— Efeze 2:20 (STV)

De apostelen en profeten van de Schrift hebben het fundament gelegd. De gemeente bouwt daarop. Zij voegt geen ‘nieuwe openbaringen’ toe.

Wanneer kerken opnieuw een systeem bouwen waarin apostelen en profeten nieuwe openbaringen brengen, verlaten zij feitelijk het fundament dat God al gelegd heeft.

Waarom zulke systemen uiteindelijk ontsporen

Geschiedenis laat een patroon zien. Iedere beweging die:

  • nieuwe openbaringen introduceert
  • leiders boven toetsing plaatst
  • kritiek demoniseert

zal uiteindelijk ontsporen.

Niet omdat mensen per se slechter zijn dan vroeger, maar omdat het systeem zelf onbijbels is. Wanneer iemand autoriteit krijgt zonder duidelijke Bijbelse grenzen, wordt misbruik bijna onvermijdelijk.

Terug naar het Woord

De oplossing is niet cynisme. De oplossing is ook niet het demoniseren van individuele leiders.

De oplossing is eenvoudiger en tegelijk nog radicaler.

Terug naar het Woord van God.

De gemeente heeft geen nieuwe apostelen nodig.
Geen moderne profeten.
Geen verborgen openbaringen.

Zij heeft al alles wat nodig is.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht voor mijn pad.”
— Psalm 119:105 (STV)

Waar de Schrift centraal staat, kan de gemeente onderscheiden.
Waar ervaring boven de Schrift komt te staan, wordt misleiding onvermijdelijk.

En daarom blijft de vraag voor iedere kerk dezelfde:

Staat het Woord centraal,  of zijn we een systeem aan het bouwen waarin mensen namens God spreken zonder dat God werkelijk gesproken heeft?

Geverifieerd door MonsterInsights