Mensen die teveel tijd over hebben gaan soms nadenken en herinneren zich ineens ouwe meuk . Zo vergaat het mij in elk geval.
De kracht zat ‘m in de herhaling?
Onze voorganger heeft het op zeker moment nodig gevonden om de gemeente te impregneren over het ’trouw betalen van tienden’ Daarover werd intensief, indringend en terugkerend gepreekt, en er volgde tevens een aparte Bijbelstudieavond.
Geen Bijbelstudie maar visie overdracht
Dat was geen Bijbelstudie, achteraf gezien….De Bijbel werd, zoals daar gebruikelijk was, hoofdzakelijk als kapstok gebruikt om de gewenste gedachte/visie over te brengen.
Wij hadden eerder ooit geleerd zelf Bijbelstudie te doen oa. door Schrift met Schrift te vergelijken, en we hebben destijds veel gelezen over de Bijbelse tempeldienst in het algemeen en uiteraard ‘het geven en innen van tienden’ en in welke context eea. staat.
Recent kwam ik nog wat papierwerk tegen hiervan. Daar is wel wat tijd overheen gegaan zeg… .
Geld
Over geld heb ik geen probleem gemaakt; er zijn nou eenmaal onkosten die gemaakt moeten worden om samen te komen, en verder was er ook steun aan christelijke doelen. Prima allemaal.
Maar om daarvoor dan tempel onderwijs één op één uit het oude Testament op de plaatselijke gemeente te projecteren ging me veel te ver. Ik wilde weten hoe het zat, heb het onderzocht, en het bleek een misvatting.
Voelde me wel geroepen om bij te dragen in de kosten. Logisch dat je bijdraagt toch? Zo noemde ik de betaalopdracht destijds ook: bijdrage.
Correctie tijdens gebed
Daar werd ik tijdens een gebedsmoment indirect over afgerekend/gecorrigeerd door de voorganger, dat er een ‘bijdrage’ was overgemaakt, maar geen tienden. Dat was niet goed.
Was weer een signaal dat er sprake was van ordinaire manipulatie. Deze man deed zich voor als heel geestelijk, het hoofd van het plaatselijke lichaam, kreeg ook regelmatig beelden en woorden voor bepaalde mensen door…
Ondertussen stug door blijven hameren op onze ‘plicht om trouw onze ’tienden in het schathuis’ te brengen. Dat moesten we toch vooral gaan doen, en gehoorzaam zijn, dan zou God ons meer en overvloedig kunnen zegenen.
Hysterie
Er werden themadiensten gehouden en onderwerpen aangekondigd. Zoals ‘Generatie vloeken.’ Gemeenteleden namen familie mee, broers en zussen , vaders, moeders.
Want er waren banden en die moesten verbroken worden. Naar mijn beste weten was dat allemaal opgeklopte hysterie. Er werd niks verbroken.
Wonderlijk blijft het wel dat zoveel mensen binnen kwamen en ook bleven komen terwijl het gewoon algemeen genomen geen goed en Bijbels gedegen onderwijs was.
Weer wat geleerd
Het heeft er allemaal wel voor gezorgd dat we zelf veel meer gingen studeren en onderzoeken dus in die zin was het zeker ook een vruchtbare tijd.
Nog steeds zijn er bepaalde typische pinkster triggerwoorden (waarover later meer) waarbij al de rode lampen gaan rinkelen en bellen gaan knipperen. Bepaald goedgelovig en vaak onwetend volk stinkt er nog steeds in zo valt te vrezen. Niet gehinderd door enige goede Bijbelkennis ben je ook vatbaar voor allerlei wind van leer. Kapstok prediking. En soms ook platte manipulatie.
Het belang van Bijbelstudie, geen boekstudie
Dus er zit voor de gelovige die iets goeds wil leren maar één ding op: Bijbelstudie. Geen zoveelste boekstudie, wat een of ander helder licht erover geschreven heeft in zijn/haar twintigste boek, maar gewoon de Bijbel. Het Woord van God.
Exit
Er kwamen nieuwe mensen bij en er verdwenen ook genoeg stilletjes via de achterdeur. Een fenomeen wat ik later elders ook terugzag.
Niet lang hierna trok ik ook de deur achter me dicht. Ik ben zonder uitleg of navraag vertrokken, moegetergd maar een wijze les rijker.
Geen wrok achteraf, wel ‘hoe is het mogelijk’…..en het verlangen anderen hiervoor te behoeden.
Pinksteren: geen losse geest-ervaring, maar vrucht van de opstanding
Pinksteren is misschien wel één van de meest gevierde én minst begrepen momenten in het christelijke jaar.
Er wordt gezongen over de Geest. Er wordt gesproken over vuur. Over kracht. Over tongen. Over verwachting. Over “meer”. Over “kom, Heilige Geest”. En voordat je het weet, is Pinksteren veranderd in een geestelijke verlangmachine: alsof Pasen nog niet genoeg was, alsof Christus wel opstond, maar de gelovige daarna nog op een tweede pakket uit de hemel moest wachten.
Maar dat is precies waar het misgaat.
Pinksteren is niet Gods correctie op een onvolledig Pasen. Pinksteren is de openbare demonstratie van wat in de opstanding van Christus werkelijkheid is geworden. De Heilige Geest komt niet als los verkrijgbare krachtcentrale naast Christus. Hij is de Geest van de opgestane, verheerlijkte Christus. Wie Pinksteren losmaakt van Pasen, krijgt vanzelf een scheef evangelie.
En een scheef evangelie zoekt altijd naar extra’s.
Extra kracht.
Extra zalving.
Extra ervaring.
Extra vuur.
Extra tekenen.
Maar de Schrift wijst niet naar een tekort in Pasen. De Schrift wijst naar de volheid van de opgestane Christus.
Pinksteren is geen correctie op Pasen
De vergeten vraag bij Johannes 20
In Johannes 20 verschijnt de opgestane Heere Jezus aan Zijn discipelen. En dan staat daar een tekst die in veel Pinksterdenken ongemakkelijk in de weg zit:
“En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.” (Johannes 20:22, STV)
De vraag is eenvoudig: gebeurde er toen niets?
Zei Christus werkelijk: “Ontvangt de Heilige Geest”, terwijl zij Hem op dat moment niet ontvingen? Was dit slechts een leeg gebaar, een vooraankondiging zonder werkelijke inhoud, een soort hemelse trailer voor Handelingen 2?
Dat is moeilijk vol te houden.
De Heere Jezus blaast op hen. Dat is niet zomaar theater. Adem, wind en geest liggen in de Schrift dicht bij elkaar. De Geest is de adem van God, het leven van God, de werkzame kracht van God. En juist de opgestane Christus geeft Zijn discipelen deel aan dat leven.
Daarom moet Johannes 20 zwaar wegen. Niet omdat Handelingen 2 onbelangrijk is, maar omdat Handelingen 2 niet tegen Johannes 20 uitgespeeld mag worden.
De Geest is verbonden met de verheerlijking van Christus
Johannes 7 zegt dat de Heilige Geest nog niet was gegeven, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. Dat betekent niet dat de Geest in absolute zin nog niet bestond of nooit gewerkt had. De Geest werkte in de schepping, sprak door de profeten en was werkzaam in Gods openbaring. Maar de gave van de Geest als nieuwtestamentische werkelijkheid hangt samen met de verheerlijking van Christus.
En wanneer wordt Christus verheerlijkt?
Niet pas op Pinksteren.
De lijn in het Johannesevangelie loopt naar het kruis, door het kruis heen, naar de opstanding. De Zoon wordt verhoogd. De dood wordt overwonnen. De Eersteling staat op uit de doden. De nieuwe schepping breekt aan.
Daarom zegt Petrus later niet: “Pinksteren is het grote middelpunt.” Hij predikt Christus. Hij predikt de gekruisigde en opgestane Heere. Hij predikt dat God Hem heeft opgewekt. Hij predikt dat David in Psalm 16 profetisch sprak over de opstanding van Christus.
Pinksteren is niet het centrum. Christus is het centrum.
Petrus preekt op Pinksteren vooral Pasen
Dat is een punt dat vaak ondergesneeuwd raakt. In Handelingen 2 gebeurt iets indrukwekkends: geluid als van een geweldige gedreven wind, verdeelde tongen als van vuur, spreken in andere talen. En toch blijft Petrus niet hangen bij de verschijnselen.
Hij verklaart ze. Maar daarna gaat hij onmiddellijk naar Christus.
Hij zegt dat Jezus door mensen gekruisigd is, maar naar Gods bepaalde raad en voorkennis. Hij zegt dat God Hem heeft opgewekt. Hij verklaart uit Psalm 16 dat de dood Hem niet kon houden. Niet omdat Petrus een emotionele ervaring had, maar omdat de Schrift het gezegd had.
Dat is Schriftlogica.
De dood kon Christus niet houden, omdat God had voorzegd dat Zijn Heilige geen verderving zou zien. Gods Woord bepaalde de uitleg van het gebeuren. Niet de ervaring. Niet de verwondering van de menigte. Niet het verschijnsel van tongen. Niet het geluid van de wind.
Het Woord verklaarde het teken.
Daar zit een les in voor vandaag.
Waar de ervaring het Woord gaat verklaren, ontstaat verwarring. Waar het Woord de ervaring verklaart, komt helderheid.
Pinksteren is geen herhaalbare blauwdruk
Een grote fout is dat Handelingen 2 wordt behandeld als een handleiding voor vandaag. Alsof de gemeente terug moet naar Pinksteren. Alsof het normale christelijke leven bestaat uit het opnieuw najagen van die zichtbare tekenen.
Maar Handelingen beschrijft een overgangstijd. Een heilshistorisch scharnierpunt. Een unieke publieke demonstratie dat de verhoogde Christus Zijn beloofde Geest gegeven heeft.
Dat is iets anders dan een blauwdruk.
Natuurlijk werkt de Heilige Geest vandaag. Zonder de Geest is er geen geloof, geen wedergeboorte, geen verstaan van Gods Woord, geen heiliging, geen geestelijk leven. Maar dat betekent niet dat de uiterlijke tekenen van Handelingen 2 de norm zijn voor de gemeente in elke tijd.
De norm voor de gemeente ligt niet in het kopiëren van de tekenen van Handelingen. De norm ligt in de leer van de apostelen, verder uitgewerkt in de brieven.
En juist daar valt op hoe nuchter het Nieuwe Testament is.
Niet: jaag op vuur.
Niet: zoek een tweede Pinksteren.
Niet: bewijs uw geestelijkheid met tongentaal.
Niet: wacht op een nieuwe uitstorting.
Maar: wandel door de Geest. Word vervuld met de Geest. Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen. Spreek tot elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Stel uw lichaam tot een levend offer. Houd Christus vast als Hoofd.
Dat is veel minder spectaculair voor het vlees. Maar veel gezonder voor de gemeente.
Vervuld met de Geest is niet los van het Woord
Een belangrijk misverstand is dat “vervuld worden met de Geest” vaak wordt losgetrokken van het Woord. Dan wordt het een sfeer. Een gevoel. Een moment. Een stroom. Een druk in de zaal. Een emotionele golf.
Maar Paulus zet de zaak anders uiteen.
In Efeze 5 spreekt hij over vervuld worden met de Geest. In Kolossenzen 3 spreekt hij over het rijkelijk wonen van het Woord van Christus. De uitwerking is opvallend gelijk: spreken met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
Dat is geen toeval.
De Geest werkt niet buiten Christus om. En de Geest werkt niet buiten het Woord om. De Geest verheerlijkt Christus, neemt uit Christus, wijst op Christus en opent het Woord van Christus.
Daarom is een gemeente niet geestelijker naarmate er meer religieuze spanning in de lucht hangt. Een gemeente is gezond wanneer het Woord van Christus rijkelijk woont in haar midden.
Niet arm aan Schrift en rijk aan beleving.
Maar rijk aan Schrift, en daardoor werkelijk geestelijk.
Tongentaal was een teken, geen statussymbool
Handelingen 2 spreekt over talen. Niet over onverstaanbaar religieus geluid als bewijs van diepere geestelijkheid. De mensen horen in hun eigen taal de grote werken Gods spreken. Dat is precies het punt: God laat iets horen.
Maar ook waar Paulus later over tongen spreekt, is hij bepaald niet bezig met een romantisering van tongentaal. In 1 Korinthe 14 wordt juist duidelijk dat onverstaanbare taal de gemeente niet opbouwt als zij niet uitgelegd wordt. Profetisch verstaanbaar spreken is nuttiger dan religieus geluid waar niemand iets mee kan.
Tongen zijn een teken. Geen speeltje. Geen keurmerk. Geen geestelijke medaille. Geen bewijs dat iemand méér heeft dan een gewone gelovige.
Wie van tongentaal een geestelijke ladder maakt, heeft de bedoeling van het teken gemist.
De Heilige Geest kwam niet om gelovigen indrukwekkend te laten klinken. Hij kwam om Christus te verheerlijken en Gods Woord krachtig te laten spreken.
Leviticus 23: Pinksteren begint bij de eerstelingsgarf
Pinksteren hangt in de Schrift samen met de hoogtijden van de HEERE. In Leviticus 23 wordt eerst de eerstelingsgarf gebracht. Die wordt bewogen op de dag na de sabbat, op de eerste dag van de week, tijdens het feest van de ongezuurde broden.
Dat beeld is rijk.
De eerstelingsgarf wijst op Christus in Zijn opstanding. Hij is de Eersteling uit de doden. De graankorrel is in de aarde gevallen en gestorven, maar heeft vrucht voortgebracht. Pasen is daarom niet slechts de herinnering aan een wonder uit het verleden. Pasen is het begin van de nieuwe schepping.
Vanaf die dag worden 50 dagen geteld. Dan komen de twee beweegbroden. Die broden worden eveneens aan de HEERE voorgesteld. Zij zijn gemaakt van de eerste opbrengst van de oogst.
Daarin ligt een diepe lijn: de gemeente komt voort uit de opstanding van Christus. Niet uit menselijke religie. Niet uit Israël dat zichzelf vernieuwt. Niet uit wereldverbetering. Niet uit een charismatische golf. Maar uit Christus, de Eersteling.
De gemeente leeft omdat Hij leeft.
Gedesemde broden: heilig voor God, maar nog niet volmaakt
Opvallend is dat de twee beweegbroden gedesemd zijn. Normaal heeft zuurdeeg in de Schrift vaak een negatieve betekenis: bederf, zonde, valse leer, religieuze besmetting. Maar juist bij deze broden is zuurdeeg aanwezig.
Dat is veelzeggend.
De gemeente is van Christus. De gelovigen zijn geheiligd in Hem. Zij behoren God toe. Maar zij dragen nog het oude lichaam met zich mee. De zonde heerst niet meer, maar zij is nog wel aanwezig. Genade heerst, maar de oude natuur is nog niet verdwenen.
Daarom is de gemeente nu geen triomferende volmaaktheidsmachine op aarde. Zij is een hemels geroepen volk in een vernederd lichaam. Zij is aan God voorgesteld, maar nog onderweg. Zij is van Christus, maar wacht nog op de verlossing van het lichaam.
Dat maakt ook korte metten met allerlei overwinningsretoriek alsof de gemeente nu al zichtbaar het Koninkrijk moet neerzetten. De gemeente is niet geroepen om de wereld te dopen in christelijke make-up. Zij is geroepen om Christus te belijden, Zijn Woord te bewaren en buiten de legerplaats Zijn smaadheid te dragen.
Geen Kingdom Now, maar Christus nu verborgen
Een belangrijk punt bij Pinksteren is dit: de verhoogde Christus is nu verborgen in de hemel. Hij regeert, ja. Hij is Heere, ja. Alle macht is Hem gegeven, ja. Maar Zijn koninkrijk wordt nu niet zichtbaar door de gemeente als politieke, culturele of religieuze machtsfactor op aarde.
Deze tijd wordt gekenmerkt door verborgenheid.
Christus is verworpen door de wereld. De wereld heeft Hem niet gekend. De Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij is gekruisigd buiten de poort. En de gelovige wordt niet geroepen om van Egypte een christelijk recreatiepark te maken, maar om uit te gaan tot Hem.
Dat botst met moderne koninkrijksretoriek.
“Wij moeten het Koninkrijk zichtbaar maken.”
“Wij moeten de cultuur transformeren.”
“Wij moeten de hemel op aarde brengen.”
“Wij moeten de wereld claimen.”
Het klinkt krachtig. Het klinkt actief. Het klinkt bijna apostolisch. Maar het mist de ernst van de huidige bedeling: Christus is verborgen, en de gemeente leeft in verbondenheid met een verworpen Heer.
De gemeente is geen religieuze projectontwikkelaar van een zichtbaar koninkrijk. Zij is het lichaam van Christus, geroepen uit deze wereld, gevoed door het Woord, geleid door de Geest, wachtend op de wederkomst.
De gevaarlijke roep om “meer”
Veel Pinksterverwarring begint met één klein woord: meer.
Meer Geest.
Meer vuur.
Meer zalving.
Meer kracht.
Meer tekenen.
Meer manifestatie.
Maar achter dat woord kan een gevaarlijke suggestie schuilgaan: dat Christus niet genoeg gegeven heeft. Dat de gelovige in Hem nog wezenlijk tekortkomt. Dat Pasen wel vergeving bracht, maar niet volheid. Dat men naast Christus nog een apart geestelijk niveau nodig heeft.
Dat klinkt vroom, maar het is gevaarlijk.
Want de gelovige is niet arm omdat hij te weinig spektakel heeft. Hij wordt arm wanneer hij niet leeft uit wat hij in Christus ontvangen heeft. De oplossing is dan niet een nieuwe uitstorting, maar terugkeer naar de volheid van Christus zoals die in het Woord wordt geopenbaard.
De Geest maakt niet los van Christus.
De Geest maakt vast aan Christus.
De Geest trekt de aandacht niet naar Zichzelf als aparte ervaring.
De Geest verheerlijkt de Zoon.
De Geest geeft geen religieuze mistmachine.
De Geest opent het Woord.
Pinksteren is de vrijmoedigheid van de verkondiging
Wat verandert er dan zichtbaar op Pinksteren?
Er wordt gesproken.
Dat is de grote lijn. De discipelen zwijgen niet langer.
Zij getuigen.
Petrus staat op.
De Schriften gaan open.
Christus wordt verkondigd.
De opstanding wordt uitgelegd.
De menigte wordt aangesproken.
De Naam van de Heer wordt gepredikt.
Dát is de vrucht van de Geest: niet religieuze zelfvergroting, maar Christusverkondiging.
De Geest maakt van bange discipelen getuigen van de opgestane Christus.
Niet getuigen van hun eigen diepe innerlijke proces.
Niet getuigen van hun bijzondere geestelijke niveau.
Niet getuigen van hun tongentaalervaring.
Maar getuigen van Hem.
Daar ligt een scherpe correctie voor vandaag.
Veel moderne geestelijkheid is ik-gericht. Mijn ervaring. Mijn zalving. Mijn droom. Mijn bediening. Mijn profetie. Mijn doorbraak. Mijn vuur.
Maar de apostolische prediking is Christusgericht.
Zijn kruis.
Zijn opstanding.
Zijn verhoging.
Zijn Naam.
Zijn belofte.
Zijn wederkomst.
Dat is Pinksteren zonder geestelijke opsmuk.
Wat Pinksteren vandaag betekent
Pinksteren betekent niet dat wij moeten wachten tot de Heilige Geest eindelijk weer komt. Hij is gegeven. De gelovige leeft uit de Geest van de opgestane Christus.
Pinksteren betekent niet dat de gemeente terug moet naar Handelingen 2 als blauwdruk. Handelingen 2 is een uniek heilshistorisch tekenmoment.
Pinksteren betekent niet dat tongentaal het bewijs is van geestelijke volheid. Het Nieuwe Testament zelf corrigeert dat misverstand.
Pinksteren betekent niet dat de gemeente het Koninkrijk zichtbaar moet vestigen. Christus is nu verborgen, en de gemeente wordt gevormd in verbondenheid met Hem.
Pinksteren betekent wel dat Christus leeft. Dat Hij verhoogd is. Dat de beloofde Geest gegeven is. Dat het Woord nu met vrijmoedigheid verkondigd mag worden. Dat de gemeente leeft uit de Eersteling. Dat gelovigen hun lichaam mogen stellen tot een levend offer. Dat het Woord van Christus rijkelijk in hen mag wonen.
Dat is minder spectaculair dan veel moderne Pinksterretoriek.
Maar het is veel steviger.
Slot: geen tweede fase, maar volheid in Christus
Wie Pinksteren losmaakt van Pasen, krijgt een religieuze zoektocht naar aanvulling. Wie Pinksteren vanuit Pasen begrijpt, ziet de rijkdom van de opgestane Christus.
De Heilige Geest is niet gekomen om Christus aan te vullen, alsof Zijn opstanding nog niet genoeg was. De Geest is gegeven omdat Christus is opgestaan en verheerlijkt. Hij past toe wat Christus verworven heeft. Hij opent het Woord. Hij verheerlijkt de Zoon. Hij vormt de gemeente. Hij doet spreken van de grote werken Gods.
Daarom heeft de gemeente geen nieuw Pinksteren nodig.
Zij heeft nodig dat zij ophoudt met jagen naar geestelijke extra’s en opnieuw gaat leven uit de volheid van Christus.
Niet terug naar de tekenen als norm.
Niet vooruit naar een zelfgebouwd koninkrijk.
Maar omhoog naar de verborgen Christus.
En vandaaruit: wandelen door de Geest, geworteld in het Woord, wachtend op Zijn komst.
“Kom, Heilige Geest.” Waarom deze uitroep niet Bijbels is
Het klinkt warm. Geestelijk. Afhankelijk zelfs.
Alleen moet de vraag hierbij gesteld worden:
“Was Die er nog niet?”
Niet elke godsdienstig mooi klinkende oproep is een Bijbelse. Niet elke aanbiddingsregel is gezonde leer. En niet elke geestelijke uitroep komt voort uit geestelijk inzicht. Soms komt het indrukwekkend en verlangend over, terwijl het in werkelijkheid onkunde verraadt. Soms lijkt iets afhankelijk, terwijl het eigenlijk voorbijgaat aan wat God gedaan en gezegd heeft.
De vraag is dus niet of mensen het oprecht bedoelen. Oprecht verkeerd blijft verkeerd. De vraag is: is deze uitroep naar de Schrift?
En daar wringt iets. Want de Schrift leert nergens dat de gelovige herhaaldelijk moet roepen om de komst van de Heilige Geest. De Schrift leert dat de Heilige Geest gegeven is aan allen die Christus toebehoren. Niet als tijdelijke bezoeker. Niet als sfeerbrenger. Niet als religieuze krachtwolk. Maar als Persoon, als Zegel, als Onderpand, als inwonende Geest van God.
Daarom is “Kom, Heilige Geest” geen onschuldige uitdrukking. Het kan een leerstellige mistbank zijn. Een wolk van vroomheid die het zicht beneemt op de duidelijke leer van het Nieuwe Testament.
kom Heilige Geest
De Geest is niet afwezig
Wie bidt: “Kom, Heilige Geest”, wekt al snel de indruk dat de Geest er nog niet is. Alsof Hij eerst moet afdalen voordat er echt iets kan gebeuren. Alsof de gelovige zonder Hem zit te wachten op een nieuwe komst, een nieuwe aanraking, een nieuwe hemelse injectie.
Maar Paulus zegt iets anders.
“Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?” 1 Korinthe 6:19 (STV)
Merk op die woorden: “Die in u is.”
Niet: Die hopelijk straks komt.
Niet: Die moet worden uitgenodigd.
Niet: Die pas aanwezig is als de muziek aanzwelt, de handen omhooggaan en de zaal in extase raakt.
De Heilige Geest is in de gelovige.
Dat is geen charismatische ervaringstaal, maar Bijbelse waarheid. Geen opwekkingsretoriek, maar leer van Paulus. De gelovige is een tempel van de Heilige Geest. Dat betekent: de Geest woont daar. Hij logeert niet. Hij zweeft niet op afstand. Hij wacht niet bij de deur tot wij Hem met genoeg emotie naar binnen zingen.
Hij is gegeven.
De Geest is gegeven als onderpand
De Schrift spreekt zelfs nog sterker. De Heilige Geest is niet alleen gegeven; Hij is gegeven als onderpand.
“Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.” 2 Korinthe 1:22 (STV)
En opnieuw:
“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.” Efeze 1:13-14 (STV)
Dat woord onderpand nekt de gedachte dat de gelovige telkens opnieuw moet roepen alsof de Geest nog moet komen.
Een onderpand is een garantie. Een aanbetaling. Een door God Zelf gegeven waarborg. De Heilige Geest is Gods zegel op de gelovige. Hij is de Goddelijke waarborg dat de erfenis zeker is.
Dus wat gebeurt er als een gelovige zingt of bidt: “Kom, Heilige Geest”?
Dan klinkt dat al snel alsof het onderpand ontbreekt. Alsof het zegel onzeker is. Alsof God iets nog niet gegeven heeft wat Hij volgens de Schrift wél gegeven heeft.
Dat is geen geestelijke diepgang. Dat is geestelijke slordigheid.
Niet vragen om de komst, maar wandelen door de Geest
De Schrift roept de gelovige niet op om de Geest naar beneden te zingen. De Schrift roept de gelovige op om te wandelen door de Geest Die reeds gegeven is.
“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)
Dat is een totaal ander verhaal.
Niet: roep Hem dichterbij.
Maar: wandel door Hem.
Niet: haal Hem naar beneden.
Maar: leef in overeenstemming met Hem.
Niet: doe alsof Hij afwezig is.
Maar: erken dat Hij in u woont en onderwerp u aan Zijn leiding.
De gelovige heeft niet te weinig Geest omdat de Geest afwezig is. De gelovige leeft vaak te weinig uit de Geest omdat hij wandelt naar het vlees. Dat is een heel ander probleem.
En daar wordt de moderne vroomheid vaak wazig. Men maakt van de Heilige Geest een ervaring die moet neerdalen, terwijl de Schrift spreekt over een Persoon Die in de gelovige woont en door Wie de gelovige behoort te wandelen.
De Bijbel zegt: word vervuld met de Geest
De bekende tegenwerping komt snel: “Maar we bedoelen toch dat de Geest meer moet werken?”
Goed. Maar zeg dan wat de Schrift zegt.
Paulus schrijft:
“En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;” Efeze 5:18 (STV)
Dát is de Bijbelse formulering. Wordt vervuld met de Geest.
Niet omdat de Geest nog niet gegeven is, maar omdat de gelovige onder Zijn invloed, leiding, kracht en heerschappij moet leven. Het verschil is wezenlijk.
De Geest bezitten is één ding, ‘vervuld’ te zijn met de Geest is een ander ding.
Alle gelovigen hebben de Geest, maar niet allen zijn vervuld met de Geest.
Dat is het punt.
De kwestie is niet: heeft de gelovige de Geest?
Ja, anders behoort hij Christus niet toe.
De kwestie is: is de gelovige vervuld met de Geest?
Leeft hij onder Zijn leiding? Bedroeft hij Hem niet? Wandelt hij in gehoorzaamheid aan Christus?
Dáár ligt de Bijbelse spanning. Niet in het binnenroepen van een afwezige Geest, maar in het leven uit de inwonende Geest.
Zonder de Geest behoort men Christus niet toe
Paulus is hier niet voorzichtig. Hij zegt het scherp:
“Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.” Romeinen 8:9 (STV)
Dat vers laat geen grijs middengebied over.
Wie Christus toebehoort, heeft de Geest.
Wie de Geest niet heeft, behoort Christus niet toe.
Daarom is het gevaarlijk om in de gemeente een taal te gebruiken die doet alsof gelovigen nog zonder de Geest zijn totdat zij Hem opnieuw aanroepen. Dat past niet bij Romeinen 8. Dat past eerder bij verwarring over Pinksteren, Handelingen en de overgangssituatie in de heilsgeschiedenis.
De Geest is gekomen op Pinksteren. De Gemeente leeft niet vóór Pinksteren, maar ná Pinksteren. De gelovige staat niet te wachten in de opperzaal. Hij staat in Christus, verzegeld met de Geest der belofte.
“Kom” klinkt vroom, maar kan ongeloof ademen
Hier moeten we eerlijk zijn. De uitroep “Kom, Heilige Geest” kan voortkomen uit verlangen. Maar leerstellig bezien kan zij ook iets anders ademen: ongeloof tegenover wat God zegt dat Hij al gedaan heeft.
God zegt: Ik heb u Mijn Geest gegeven.
De liedcultuur zegt: Kom, Heilige Geest.
God zegt: u bent verzegeld.
De aanbiddingsretoriek zegt: kom dichterbij.
God zegt: uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest.
De religieuze sfeer zegt: daal neer in deze plaats.
God zegt: wandel door de Geest.
De emotiecultuur zegt: raak ons aan.
Dat klinkt scherp, maar het moet gezegd worden. Oppervlakkig hedendaags christendom leeft niet uit volbrachte feiten, maar uit herhaalde verlangens. Niet uit positie in Christus, maar uit honger naar beleving. Niet uit de leer van de apostelen, maar uit de dynamiek van het moment.
En daar zit het manco.
De Heilige Geest wordt zo niet meer vooral gezien als Degene Die Christus verheerlijkt, de gelovige verzegelt, het Woord toepast, de gelovige heiligt en in de waarheid leidt. Hij wordt de “aanwezige sfeer” die men probeert op te roepen.
Dat is niet Bijbels. Dat is religieuze stemmingmakerij.
De Heilige Geest verheerlijkt Christus
De Heere Jezus zegt over de Heilige Geest:
“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Johannes 16:14 (STV)
Waar de Heilige Geest werkt, wordt Christus verheerlijkt. Niet de ervaring. Niet de zaal. Niet de aanbiddingsleider. Niet de zalving van het moment. Niet de zogenaamde atmosfeer. Christus.
De Geest trekt geen aandacht naar Zichzelf los van de Zoon. Hij maakt Christus groot. Hij neemt uit Christus en verkondigt het aan de Zijnen. Hij leidt in de waarheid. Hij past het Woord toe. Hij overtuigt. Hij heiligt. Hij troost. Hij verzegelt.
Daarom is een Geest-taal die losraakt van Christus en het Woord altijd verdacht. Ze kan indrukwekkend klinken, maar indrukwekkend is niet hetzelfde als Bijbels.
De verwarring komt voort uit verkeerde toepassing van Handelingen
Veel van deze verwarring ontstaat doordat men het boek Handelingen leest als een herhaalbaar draaiboek voor de gemeente vandaag. Men ziet daar bijzondere momenten waarop de Geest komt, valt, vervult, zichtbaar werkt, en men maakt daarvan een patroon voor iedere samenkomst.
Maar Handelingen beschrijft een overgangsperiode. Het boek laat zien hoe het Evangelie vanuit Jeruzalem naar Judea, Samaria en de heidenen gaat. Het beschrijft heilshistorische momenten. Niet elk gebeuren in Handelingen is een opdracht om dat vandaag kerks na te bootsen.
De brieven geven de normale leerstellige positie van de gelovige en de gemeente. En in die brieven is de lijn helder: de gelovige heeft de Geest ontvangen, is verzegeld met de Geest, behoort te wandelen door de Geest, mag de Geest niet bedroeven en moet vervuld worden met de Geest.
De Schrift leert in 1 Korinthe 6 dat het lichaam van de gelovige “een tempel van de Heilige Geest” is en dat de Geest daarin woont. Dan moet de vraag gesteld worden of het naar de Schrift is om te zeggen dat sommige christenen niet de inwoning van de Heilige Geest hebben.
Die vraag legt de vinger bij het probleem: men mag en kan de inwoning van de Geest bij de gelovige niet onzeker maken.
De Geest wordt bedroefd, niet opnieuw opgeroepen
De Schrift zegt niet: roep de Geest telkens opnieuw. De Schrift zegt:
“En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.” Efeze 4:30 (STV)
Ook dit is veelzeggend.
De Geest is zo werkelijk aanwezig in de gelovige, dat Hij bedroefd kan worden. Niet omdat Hij afwezig is, maar juist omdat Hij inwonend aanwezig is. De oproep is daarom niet: haal Hem terug. De oproep is: bedroef Hem niet.
Dat maakt de zaak concreter en ernstiger.
Het probleem is niet dat de Geest weg is. Het probleem is dat de gelovige Hem kan bedroeven door zonde, ongehoorzaamheid, bitterheid, onreinheid, hoogmoed, wereldgelijkvormigheid, vleselijkheid en ongehoorzaamheid aan het Woord.
Daar helpt geen herhaalde zangregel tegen. Daar helpt bekering, belijdenis, gehoorzaamheid en wandelen door de Geest.
Bijbelse gebedstaal
Wie Bijbels wil bidden, hoeft de Heilige Geest niet te negeren. Integendeel. Juist wie de Schrift serieus neemt, zal diep afhankelijk willen leven van Zijn werk.
Maar dan wel in de taal en lijn van de Schrift.
Bid dus niet alsof de Geest afwezig is, maar bid vanuit het feit dat Hij gegeven is.
“Vader, vervul mij met Uw Geest.”
“Heere, laat mij wandelen door Uw Geest.”
“Vader, bewaar mij ervoor Uw Geest te bedroeven.”
“Heere, open mijn ogen voor Uw Woord.”
“Vader, werk door Uw Geest in mij, opdat Christus verheerlijkt wordt.”
Dat is geen dor rationalisme. Dat is geen angst voor de Heilige Geest. Dat is juist eerbied voor de Heilige Geest zoals Hij Zich in de Schrift laat kennen.
Wie werkelijk Bijbels over de Geest wil spreken, moet ophouden Hem te behandelen als een afwezige gast en beginnen te rekenen met Zijn inwonende aanwezigheid.
Het verschil tussen vroom klinken en Bijbels spreken
“Kom, Heilige Geest” is een zin die goed klinkt in een zaal. Hij doet het goed in muziek. Hij roept gevoel op. Hij lijkt nederig.
Maar de vraag is niet: klinkt het mooi?
De vraag is: klopt het met de Schrift?
En dan moeten we eerlijk zijn: voor de gelovige ná Pinksteren is deze uitroep op zijn minst onzuiver en eigenlijk ronduit misleidend. Want hij suggereert een gemis dat de Schrift niet leert. Hij maakt onzeker wat God zeker heeft gemaakt. Hij vraagt om een komst waar de apostelen spreken over inwoning, verzegeling en onderpand.
Taal vormt denken. Liederen vormen leer. Gebeden vormen verwachting. En verkeerde verwachting opent de deur voor verkeerde praktijk.
Als je steeds roept om een Geest Die volgens de Schrift al gegeven is, ga je op den duur zoeken naar tekenen dat Hij eindelijk gekomen is. Dan wordt beleving de bevestiging. Dan wordt sfeer de maatstaf. Dan wordt intensiteit verward met waarheid.
En dan ben je verder van huis dan je denkt.
De Heilige Geest hoeft niet door de gemeente naar beneden geroepen te worden. Hij is door de Vader en de Zoon gegeven. Hij woont in iedere ware gelovige. Hij verzegelt tot de dag der verlossing. Hij is het onderpand van de erfenis. Hij verheerlijkt Christus. Hij leidt in de waarheid. Hij werkt door het Woord.
Daarom is de Bijbelse roep niet:
Kom, Heilige Geest.
Maar:
Heer, leer mij wandelen door de Geest Die U gegeven hebt.
Niet onzeker smeken om wat God al gaf, maar gelovig leven uit wat God heeft gezegd.
Dat is nuchter. Scherp. Minder geschikt voor religieuze mistmachines wellicht.