“Koning Jezus”
Een vaak gebruikte uitdrukking die vol ernstige eerbied en ontzag wordt gebruikt in liederen, gebeden en preken. Ik kan me soms niet aan de indruk onttrekken dat er sprake is van jargon, vaktaal, zonder dat men volledig de inhoud begript.Ik heb het ook wel meegemaakt dat “Koning Jezus” als een soort mantra veelvuldig herhaaldelijk werd gebruikt.
Christus regeert nu niet als Koning, maar dient als Hogepriester
Wie wil spreken over het Koninkrijk van God, moet eerst helder krijgen wat Christus nú doet. Niet wat wij denken dat logisch zou zijn, en ook niet wat vaak wordt geleerd, maar wat de Schrift daarover zegt. Zodra dat punt onduidelijk wordt, raakt alles wat over het Koninkrijk gezegd wordt uit balans.
De Bijbel leert dat Christus Koning is, maar leert niet dat Hij nu al als Koning over deze wereld regeert. Dat onderscheid is wezenlijk. Het gaat niet om de vraag of Hij recht heeft op het Koninkrijk — dat staat vast — maar om de vraag wanneer Hij dat koningschap daadwerkelijk en zichtbaar uitoefent.
De verzoeking in de woestijn
Dat wordt al duidelijk in Lukas 4, bij de verzoeking in de woestijn. De duivel toont daar aan de Heere Jezus alle koninkrijken van de wereld en zegt dat die macht hem is overgegeven en dat hij die kan geven aan wie hij wil.
Opvallend is dat de Heere Jezus dit niet tegenspreekt. Hij ontkent niet dat die macht daar ligt. Hij wijst alleen die weg af die satan bedacht had. De verzoeking heeft alleen betekenis als Christus op dat moment niet regeert over de wereld. Macht die men al bezit, hoeft niet aangeboden te worden.
Dat betekent dit: Christus regeert nu niet over deze wereld. De wereld is niet Zijn Koninkrijk en deze tijd is niet de tijd van Zijn heerschappij. Dat wil niet zeggen dat God geen controle heeft, maar wel dat de wereld onder een andere macht functioneert, totdat Gods vastgestelde moment daar is.
De overste van deze wereld
Die lijn loopt door het hele Nieuwe Testament. De Heere Jezus spreekt herhaaldelijk over “de overste van deze wereld”. Die overste is geoordeeld, maar nog niet uitgeworpen. Het oordeel is uitgesproken, maar nog niet voltrokken. Ook Paulus spreekt over “de god van deze eeuw” en over een geest die nu werkt in de ongehoorzaamheid. Zulke uitspraken zijn alleen begrijpelijk als Christus nu niet regeert als zichtbaar Koning over de wereld.
“Zit aan Mijn rechterhand totdat”
Daarmee sluiten ook de woorden van Psalm 110 precies aan. Daar zegt God tot Christus: “Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal zetten tot een voetbank Uwer voeten.” Dat zitten is geen regeren over de aarde, maar wachten. Het woord “totdat” geeft een duidelijke begrenzing aan. Er is een periode waarin Christus niet optreedt als Koning, maar wacht op het moment dat Zijn vijanden daadwerkelijk onderworpen zullen worden.
Wij zien het nog niet
De Hebreeënbrief zegt dit nog explicieter: “nu zien wij nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn.” Dat ene woord “nu” laat geen ruimte voor vergeestelijking. De Schrift zegt niet dat alles al onder Zijn heerschappij staat, maar juist dat wij dat nog niet zien.
Na Zijn opstanding is Christus daarom niet gegaan om te regeren, maar om plaats te nemen aan de rechterhand van God. Dat is niet de troon van David, maar de plaats van hemelse majesteit. Vanuit die positie oefent Hij geen wereldregering uit. Hij wacht.
Maar wachten betekent niet niets doen. De Schrift laat zien dat Christus in deze tijd een andere taak vervult. Zijn huidige bediening is niet koninklijk, maar hogepriesterlijk. Dat is geen bijzaak, maar het hart van Zijn werk nu.
De Hebreeënbrief
De Hebreeënbrief maakt dit volkomen duidelijk. Christus is ingegaan in het ware heiligdom, niet om over mensen te heersen, maar om voor God te verschijnen voor ons. Hij wordt daar niet Koning genoemd, maar Bedienaar van het heiligdom. Hij leeft om voor hen te bidden die door Hem tot God gaan. Dat is priesterlijk werk, geen regeren.
Ten behoeve van
Een koning oefent gezag uit over mensen. Een priester treedt op ten behoeve van mensen tegenover God. En precies dát doet Christus nu. Hij herstelt de wereld niet, Hij oordeelt haar niet, Hij bestuurt haar niet. Hij bewaart een geroepen volk uit die wereld.
In het Heiligdom
Dat verklaart ook waarom de wereld blijft zoals zij is. Niet omdat Christus faalt, of het niet opmerkt maar omdat Hij nu iets anders doet. Hij is Hogepriester naar de ordening van Melchizedek, niet verbonden aan een aardse tempel of een nationaal koninkrijk, maar aan een hemelse werkelijkheid. Zijn werk speelt zich niet af op het wereldtoneel, maar in het heiligdom.
Niet zichtbaar
Daarom heeft de Gemeente nu geen aardse macht en geen zichtbare heerschappij. Haar plaats is niet de troon, maar de toegang tot God. Zij deelt niet in regering, maar in genade. Niet in oordeel, maar in voorspraak.
Zo vallen de lijnen samen. Christus heeft recht op het Koninkrijk, maar oefent dat recht nu niet uit. Hij wacht met het aanvaarden van Zijn koningschap. Ondertussen dient Hij als Hogepriester. Zijn macht is er wel, maar wordt nu niet gebruikt om te heersen, maar om te bewaren.
Nu verborgen, straks openbaar
Daarom is het Koninkrijk nu verborgen. Niet omdat het niet bestaat, maar omdat de Koning wacht. Niet omdat Gods plan is veranderd, maar omdat er een vaste volgorde is. Eerst dient Christus in het heiligdom. Daarna zal Hij verschijnen om te heersen op aarde. Eerst is er genade. Daarna komt oordeel. Eerst de roeping uit de wereld. Daarna de onderwerping van de wereld.
Onderscheid zien
Wie dat onderscheid niet ziet, komt ofwel tot de gedachte dat Christus nu al regeert — terwijl de zichtbare realiteit dat duidelijk weerspreekt, — of tot de gedachte dat Zijn Koninkrijk pas later begint te bestaan. De Schrift leert geen van beide. Zij leert een wachtende Koning en een dienende Hogepriester, totdat de dag komt waarop het wachten eindigt en het Koninkrijk openbaar wordt.
Zelf lezen in de Bijbel?:
Lukas 4:5–7
Johannes 12:31
Johannes 14:30
Johannes 16:11
2 Korintiërs 4:4
Efeziërs 2:2
Galaten 1:4
Psalm 110:1
Hebreeën 1:13
Hebreeën 2:8
1 Korintiërs 15:24–28
Hebreeën 4:14–16
Hebreeën 7:24–25
Hebreeën 8:1–2
Hebreeën 9:11–12
Hebreeën 10:12–13
Daniël 7:13–14
Openbaring 5:1–7
Openbaring 11:15
Openbaring 19:11–16
Kolossenzen 1:13
Filippenzen 3:20
Hebreeën 13:14
Romeinen 14:17