Wat zegt de Bijbel over Zoonschap en Zoonstelling?

Zoonstelling: geen bijzaak, maar de volle positie van de gelovige in Christus

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Zoonstelling in de Bijbel: wat betekent ‘aanneming tot kinderen’?

Er zijn woorden die in de Bijbel veel zwaarder wegen dan ze in onze oren klinken. “Aanneming tot kinderen” is er zo een.

Voor veel lezers klinkt dat als: God neemt mij liefdevol aan als Zijn kind. Dat is op zichzelf niet verkeerd, maar het dekt niet de volle lading van wat Paulus zegt. Het gaat niet alleen om erbij mogen horen. Het gaat om positie. Om erfdeel. Om heerlijkheid. Om de officiële plaats van de gelovige in Christus.

De Schrift spreekt over wedergeboorte, kindschap, zoonschap, erfgenaamschap en de verwachting van de verlossing van het lichaam. Wie dat allemaal op één hoop gooit, verliest de scherpte van Paulus’ betoog. Dan wordt zoonstelling iets warms en vaags. Een soort geestelijke knuffelterm. Terwijl het in de Bijbel juist gaat over de hoge, vaste en toekomstige positie van de gelovige in Christus.

Niet Sinaï. Niet slavernij. Niet geestelijke onvolwassenheid.. Maar zoonstelling.

 

Kindschap: geboren uit God

De basis ligt bij wedergeboorte. Een mens wordt geen kind van God door natuurlijke geboorte, kerkelijke aansluiting, doopregister, religieuze opvoeding of algemene scheppingsverwantschap. De Schrift spreekt veel scherper.

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;” Johannes 1:12 (STV)

Johannes zegt niet dat alle mensen kinderen van God zijn. Hij zegt dat zij die Christus aangenomen hebben, macht ontvangen kinderen Gods te worden. Dat kindschap is verbonden aan geloof in Zijn Naam.

Ook in zijn eerste brief is Johannes helder:

“Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.” 1 Johannes 5:1 (STV)

Kindschap is dus geboorte-taal. De gelovige is uit God geboren. Dat is geen morele verbetering van de oude mens, maar nieuw leven uit God. Geen religieuze renovatie, maar wedergeboorte.

Hier begint de fout vaak. Men spreekt over Gods vaderschap alsof het vanzelf over de hele mensheid uitgesmeerd kan worden. Maar de Schrift maakt onderscheid. God is Schepper van alle mensen, maar Vader in deze heilrijke zin alleen van hen die uit Hem geboren zijn.

Zoonstelling, meer dan aaanneming tot kinderen

 

Zoonschap: niet alleen geboren, maar gesteld in positie

Paulus gebruikt in Galaten, Romeinen en Efeze een woord dat in de Statenvertaling weergegeven wordt met “aanneming tot kinderen”. Het Griekse woord is huiothesia. Dat woord bestaat uit huios, zoon, en thesis, plaatsing of stelling. Letterlijk gaat het dus om zoonstelling.

Dat is méér dan adoptie in onze moderne betekenis. Het wijst op de officiële plaatsing in de positie van zoon en erfgenaam. “Aanneming tot kinderen” is bij huiothesia eigenlijk te zwak of misleidend weergegeven; bedoeld is “zoonstelling”, de officiële aanstelling in het eerstgeboorterecht.

Dat helpt enorm om Paulus te verstaan.

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.” Efeze 1:5 (STV)

Hier gaat het niet om een onzeker proces waarin God nog maar moet zien of Hij ons uiteindelijk wel wil hebben. Het staat in Gods raadsbesluit. De gelovige is in Christus bestemd tot zoonstelling. Dat is geen prestatie, geen opklimmen, geen religieus diploma. Het is naar het welbehagen van Zijn wil.

Daarom staat het ook direct in de sfeer van genade:

“Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde.” Efeze 1:6 (STV)

Let op die laatste woorden: in den Geliefde. De zoonstelling van de gelovige staat nooit los van Christus. Wij hebben geen zelfstandig zoonschap naast Hem. Wij zijn in Hem begenadigd, in Hem aangenomen, in Hem gesteld in positie.

 

Galaten: van knecht naar zoon

In Galaten krijgt het woord zijn scherpe rand. Paulus strijdt daar tegen vermenging van wet en genade. Tegen religieuze terugkeer naar minderjarigheid. Tegen een geloof dat na Christus alsnog onder voogden en verzorgers kruipt.

Hij schrijft:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.” Galaten 4:4-5 (STV)

De lijn is glashelder. Christus kwam onder de wet. Niet omdat Hij bevrijd moest worden, maar om hen die onder de wet waren te verlossen. Het doel is niet dat de gelovige opnieuw onder de wet gezet wordt met een christelijk sausje eroverheen. Het doel is zoonstelling.

Daarom volgt:

“En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!” Galaten 4:6 (STV)

En dan de conclusie:

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

Niet meer een dienstknecht. Maar een zoon. Niet meer  minderjarigheid. Maar erfgenaamschap. Niet meer Sinaï als woonadres. Maar Christus als positie.

Daarom is Galaten zo scherp. Wie de gelovige weer principieel onder de wet zet, tast niet alleen een leerstuk aan. Hij tast de zoonstelling aan. Hij haalt de zoon terug naar de knechtenbank.

 

Romeinen: kinderen, zonen en erfgenamen

Romeinen 8 laat de volle rijkdom zien. Eerst spreekt Paulus over leiding door de Geest:

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.” Romeinen 8:14 (STV)

Daarna komt de tegenstelling met slavernij:

“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!” Romeinen 8:15 (STV)

De Geest brengt de gelovige niet terug in angstige dienstbaarheid. Niet opnieuw onder het juk. Niet opnieuw in religieuze kramp. De Geest doet roepen:

Abba, Vader.

Dan komt het getuigenis:

“Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.” Romeinen 8:16 (STV)

En meteen daarna verbindt Paulus kindschap aan erfenis:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.” Romeinen 8:17 (STV)

Dat is de volgorde: kinderen, dus erfgenamen. Erfgenamen Gods. Mede-erfgenamen van Christus. Maar ook: lijden met Hem, om met Hem verheerlijkt te worden.

De boodschap van Romeinen 8 is samen te vatten als volgt:  door de Geest realiseren gelovigen hun nieuwe positie als zonen Gods; Hij leidt hen, door Hem roepen zij “Abba, Vader”, en Hij getuigt dat zij kinderen Gods zijn. Daarna volgt dat zij, omdat zij kinderen zijn, ook erfgenamen Gods en mede-erfgenamen met Christus zijn.

Dat is geen oppervlakkig troostverhaal. Het is een diepe positionele waarheid. De gelovige leeft nu nog in zwakheid, strijd, zuchten en lijden, maar zijn positie ligt vast in Christus.

 

De zoonstelling is nu bezit en toch nog verwachting

Hier wordt het spannend. Want Paulus zegt enerzijds dat wij de Geest der zoonstelling ontvangen hebben. Anderzijds zegt hij dat wij de zoonstelling nog verwachten.

“En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.” Romeinen 8:23 (STV)

Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet.

De gelovige is nu al kind van God. Hij heeft nu al de Geest. Hij staat nu al in Christus. Hij is nu al erfgenaam. Maar de volle openbaring van die positie is nog toekomstig. Ons lichaam is nog niet verlost. Wij dragen nog zwakheid, sterfelijkheid, vernedering en strijd.

Daarom is zoonstelling tegelijk een huidige positie én een toekomstige openbaring.

Nu: de Geest der zoonstelling.

Straks: de verlossing van het lichaam.

Nu: Abba, Vader.

Straks: gelijkvormigheid aan Christus in heerlijkheid.

Nu: erfgenamen.

Straks: openbaar delen in de heerlijkheid.

Dat is precies waarom Romeinen 8 niet eindigt in triomfantalisme, maar in hoop. Geen Kingdom Now-branie. Geen “wij manifesteren nu alvast de volle heerlijkheid”. Paulus zegt dat wij zuchten. Niet ongelovig zuchten, maar gelovig zuchten. Zuchten in hoop.

“Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” Romeinen 8:24 (STV)

Wie de toekomstige zoonstelling naar het nu trekt alsof alles al zichtbaar moet worden, loopt vooruit op God. Wie de huidige positie ontkent, berooft de gelovige van zijn zekerheid. De Schrift houdt beide vast.

 

Christus is de Zoon; wij zijn zonen in Hem

Hier moet zorgvuldig onderscheiden worden. Christus is niet Zoon op dezelfde wijze als wij zonen worden. Hij is de eeuwige, unieke Zoon. Hij is de Eniggeborene van de Vader.

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Wij worden niet goddelijke zonen in Zijn unieke, eeuwige zin. Dat zou grensoverschrijding zijn. Maar wij worden in Hem gesteld in de positie van zonen. Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” Romeinen 8:29 (STV)

Dat is geen aantasting van Christus’ heerlijkheid. Integendeel. Zijn heerlijkheid blijkt juist hierin, dat Hij als de Eerstgeborene vele zonen tot heerlijkheid leidt.

“Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.” Hebreeën 2:10 (STV)

Christus is de Zoon. Wij zijn zonen in de Zoon. Christus is Erfgenaam. Wij zijn mede-erfgenamen met Christus. Christus is de Eerstgeborene. De Gemeente wordt verbonden met het eerstgeboorterecht.

De Schrift verbindt dit met Christus als Eersteling en Eerstgeborene: omdat de Gemeente het lichaam van Christus is en gezegend is met elke geestelijke zegening in Christus, is zij geroepen tot zoonstelling en eerstgeboorterecht; Hebreeën 12:23 spreekt daarom over de “Gemeente der eerstgeborenen”.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Hebreeën 12 zet de positie van de gelovige niet bij Sinaï, maar bij Sion, het hemelse Jeruzalem en de Gemeente der eerstgeborenen.

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;” Hebreeën 12:22-23 (STV)

Dat is een geweldige tegenstelling. Niet de berg die brandt. Niet vreze en beving. Niet de afstand van Sinaï. Maar een hemelse positie.

De Gemeente is niet een aardse religieuze voortzetting van Israël onder een nieuw label. Zij heeft een hemelse roeping, hemelse zegeningen en een hemelse bestemming. Dat betekent niet dat Israël wordt wegverklaard. Integendeel. Juist door te onderscheiden wat God aan Israël en wat Hij aan de Gemeente geeft, blijft de Schrift helder.

De Gemeente der eerstgeborenen staat in verbinding met Christus, de Eerstgeborene. Haar positie is niet gebaseerd op nationale voorrechten, wetsonderhouding of aardse ordening, maar op Christus’ opstanding, verhoging en hemelse heerlijkheid.

 

Waarom “aanneming tot kinderen” al snel te zwak klinkt

De Statenvertaling is hier eerbiedwaardig, maar de formulering kan bij moderne lezers een verkeerd beeld oproepen. “Aanneming tot kinderen” klinkt alsof de nadruk ligt op adoptie van buitenstaanders tot kleine kinderen. Maar Paulus’ gedachte is rijker en scherper.

Het gaat om:

geboorte uit God;

bevrijding uit slavernij;

plaatsing als zoon;

erfgenaamschap;

de Geest Die “Abba, Vader” doet roepen;

toekomstige verheerlijking;

verlossing van het lichaam;

gelijkvormigheid aan Christus.

Zoonstelling is dus geen sentimentele adoptietaal, maar positie-taal. Koninklijke taal. Erfgenaamstaal. Eerstgeboortetaal.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom Paulus zo fel is in Galaten. De wet maakt minderjarig in de zin van voogdij en tuchtmeesterschap. Christus brengt de gelovige in vrijheid en zoonstelling. Wie daarna de wet weer als heersend principe invoert, doet alsof de zoon nog steeds in de knechtenkamer thuishoort.

Dat is geen vrome voorzichtigheid. Dat is leerstellige achteruitgang.

 

De praktische vrucht: zekerheid zonder losbandigheid

Zoonstelling betekent niet dat de gelovige nu maar losbandig kan leven. Dat is de karikatuur die altijd opduikt zodra genade werkelijk genade mag zijn.

Paulus bestrijdt dat zelf:

“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?” Romeinen 6:1-2 (STV)

De zoon leeft niet heilig om zoon te worden. Hij leeft heilig omdat hij in Christus zoon is. Dat is een totaal andere motor.

Geen zweep.

Geen Sinaï als aandrijfsysteem.

Geen angst als brandstof.

Maar de Geest, de positie in Christus, de hoop der heerlijkheid en het Vader-roepen in het hart.

Johannes verbindt de toekomstige heerlijkheid direct met reiniging:

“Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.” 1 Johannes 3:2-3 (STV)

Let op: Johannes zegt niet dat onzekerheid reinigt. Hij zegt dat hoop reinigt. De verwachting van Christus’ openbaring, en van onze gelijkvormigheid aan Hem, heeft een heiligende werking.

 

Waar het misgaat

Het gaat mis wanneer men kindschap, zoonstelling en erfgenaamschap losmaakt van Christus en vult met algemene godsdienstige taal.

Dan wordt God vooral “Vader van iedereen”.

Dan wordt Genade een warm gevoel.

Dan wordt zoonstelling een vroom woord voor acceptatie.

Dan wordt het erfdeel naar de achtergrond geschoven.

Dan wordt de toekomstige heerlijkheid vervangen door een ‘nu-al-theologie’ waarin de gelovige vooral moet heersen, claimen, bouwen, zichtbaar maken en manifesteren.

Maar Romeinen 8 zegt iets anders. De schepping zucht. Wij zuchten. De Geest bidt. De heerlijkheid komt. Het lichaam moet nog verlost worden. De zoonstelling zal nog openbaar worden.

Dat bewaart voor twee dwalingen.

Aan de ene kant: wetticisme, waarin zonen weer als knechten worden behandeld.

Aan de andere kant: triomfantalisme, waarin de toekomstige heerlijkheid nu alvast op aarde wordt geclaimd alsof de verlossing van het lichaam al heeft plaatsgevonden.

Beide missen de lijn van Paulus.

 

De kern

Zoonstelling betekent dat God de gelovige in Christus stelt in de positie van zoon en erfgenaam. Dat rust niet op de wet, niet op werken, niet op kerkelijke status, niet op geestelijke ervaring, maar op Gods welbehagen en Christus’ volbrachte werk.

De gelovige is nu al kind van God door wedergeboorte.

Hij heeft nu al de Geest der zoonstelling.

Hij roept nu al: Abba, Vader.

Hij is nu al erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus.

Maar hij verwacht nog de volle openbaring daarvan: de verlossing van het lichaam.

Daarom is zoonstelling geen bijzaak. Het is de Bijbelse naam voor de hoge positie van de gelovige in Christus, tussen kruis en heerlijkheid, tussen wedergeboorte en verheerlijking, tussen de Geest als eersteling en het lichaam dat nog verlost zal worden.

Niet meer een dienstknecht.

Maar een zoon.

Niet meer onder de wet.

Maar onder Genade.

Niet meer in geestelijke onvolwassenheid

Maar in Christus gesteld tot erfgenaam.

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

 

Zijn er vandaag nog profeten? Het Bijbelse antwoord

Zijn er vandaag nog profeten?

Zijn er vandaag nog profeten in Bijbelse zin? Dit blog laat vanuit Oude en Nieuwe Testament zien waarom moderne profetieclaims kritisch getoetst moeten worden aan de Schrift.

Over weinig onderwerpen wordt in sommige christelijke kringen zo snel en zo makkelijk gesproken als over profetie. Wie een indruk deelt, een persoonlijk woord uitspreekt of zegt: God liet mij zien, krijgt al gauw het etiket profetisch opgeplakt. Maar de vraag is niet hoe populair dat taalgebruik is. De vraag is veel scherper: zijn er vandaag nog profeten in de Bijbelse zin van het woord?

Dat is geen academische vraag. Het gaat hier om de vraag of iemand namens God spreekt. En zodra een mens dat claimt, is het niet meer vrijblijvend,maar ligt er een zware claim. Want als God spreekt, dan spreekt Hij waarheid. Dan spreekt Hij met gezag. Dan spreekt Hij niet aarzelend, half raak of voor meerdere uitleg vatbaar. Dan spreekt Hij als God.

Juist daarom is zoveel modern jargon zo gevaarlijk. Het klinkt geestelijk, maar maakt Gods spreken vaak kneedbaar, feilbaar, vloeibaar en subjectief. En dat is niet zomaar een randzaak. Dat raakt het hart van de vraag hoe de gemeente van Jezus Christus leeft: uit Gods Woord, óf uit menselijke ingevingen in geestelijke verpakking.

 

Wat is een profeet volgens de Bijbel?

Een profeet is in de Bijbel geen religieuze sfeermaker, geen spirituele trendwatcher en geen christelijke voorspeller met een redelijk hoog slagingspercentage. Een profeet is een door God geroepen en gezonden boodschapper, die Gods woorden spreekt.

De HEERE zegt:

“Ik zal Mijn woorden in zijn mond geven, en hij zal tot hen spreken alles, wat Ik hem gebieden zal” (Deuteronomium 18:18) (STV).

Daar hebben we de kern. Een profeet spreekt niet uit zichzelf. Hij spreekt niet uit zijn hart, niet uit zijn intuïtie en niet uit zijn religieuze gevoeligheid. Hij spreekt wat God hem opdraagt te spreken. Daarom draagt Bijbelse profetie goddelijk gezag.

Dat verklaart ook gelijk waarom de Schrift zo scherp spreekt over valse profeten. Jeremia 23 zegt:

“Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd” (Jeremia 23:21) (STV).

Dat is ontmaskerend. Iemand kan heel druk bezig zijn, vroom klinken, overtuigend overkomen en tóch niet door God gezonden zijn. De Bijbel kent dus wel degelijk religieuze sprekers die de taal van God gebruiken zónder een woord van God te hebben.

 

De profeet in het Oude Testament

In het Oude Testament staat de profeet vaak als spreekbuis van God tegenover Israël, Juda, koningen, priesters en soms ook tegenover de volken. Hij roept op tot bekering, ontmaskert zonde, kondigt oordeel aan, wijst op Gods trouw en spreekt over toekomende gebeurtenissen. Maar in alles blijft de kern dezelfde: hij spreekt namens God.

Juist daarom is de maatstaf ook zo hoog. De Schrift zegt:

“Doch de profeet, die stoutelijk in Mijn Naam zal spreken een woord, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven” (Deuteronomium 18:20) (STV).

En dan volgt de bekende toetssteen:

“Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet, dat is het woord niet, dat de HEERE gesproken heeft” (Deuteronomium 18:22) (STV).

Daarmee is de zaak in feite al beslist. Een ware profeet van God zit niet “meestal goed”. Hij spreekt waarheid, omdat God waarheid spreekt. In het Oude Testament bestaat geen veilige categorie van profeten die vaak missen, en toch nog als ware profeten gezien moeten worden.

Dat is een frontale aanrijding met veel moderne ‘profetiepraktijk’. Tegenwoordig kan iemand herhaaldelijk iets “profeteren” dat niet uitkomt, om daarna gewoon verder te gaan alsof er niets is gebeurd. Men haast zich dan te zeggen dat ‘mensen feilbaar zijn’, dat ‘niemand volmaakt’ is, dat ‘het woord verkeerd ontvangen’ of ‘verkeerd uitgelegd’ was. Maar de Schrift is op dit punt veel duidelijker dan de moderne praktijk:

.Een woord dat niet uitkomt, is niet door de HEERE gesproken.

 

Niet alleen voorzeggend, ook leerstellig toetsbaar

De Bijbelse toets gaat nog verder. Niet alleen de vraag of een profetie uitkomt is beslissend. Ook de vraag waartoe iemands spreken leidt, is doorslaggevend. Deuteronomium 13 maakt duidelijk dat zelfs een teken of wonder iemand nog niet tot ware profeet maakt, wanneer zijn boodschap mensen van de HEERE afleidt.

Met andere woorden: ware profetie is niet alleen feitelijk waar, maar ook leerstellig trouw. Een profeet bevestigt Gods eerder geopenbaarde waarheid. Hij staat daar niet boven, hij werkt daar niet tegenin en hij vervangt die niet door ‘nieuwe geestelijke vondsten’.

Jeremia zegt :

“Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen” (Jeremia 23:22) (STV).

Dát is het morele kenmerk van ware profetie. Deze  vleit niet. Sust niet. Laat mensen niet lekker gaarkoken in hun beleving. Maar brengt Gods woorden en roept terug naar God.

 

De profeet in het Nieuwe Testament

Ook in het Nieuwe Testament blijft de kern gelijk: de profeet spreekt uit God en niet uit zichzelf. Maar de plaats van profeten staat nu in het licht van Christus, Zijn volbrachte werk en de vorming van de gemeente.

Paulus schrijft dat de gemeente is:

“Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen” (Efeziërs 2:20) (STV).

Dat is een sleuteltekst. Apostelen en profeten horen bij het fundament van de gemeente. En een fundament leg je niet steeds opnieuw. Een fundament is eenmalig, dragend en onherhaalbaar.

In Efeziërs 3:5 zegt Paulus ook dat de verborgenheid van Christus

“nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest” (STV).

Dat wijst op een bijzondere, funderende fase van openbaring in het begin van de nieuwtestamentische gemeente.

In Handelingen zie je dat nieuwtestamentische profeten inderdaad concrete openbaring ontvingen. Van Agabus staat dat hij

“gaf te kennen door den Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld” (Handelingen 11:28) (STV).

later zegt hij:

“Dit zegt de Heilige Geest” (Handelingen 21:11) (STV).

Ook hier gaat het dus niet om losse indrukken, maar om spreken met een direct beroep op God.

 

Profetie in de gemeente moet getoetst worden

Tegelijk laat het Nieuwe Testament zien dat profetisch spreken in de gemeente ook onderscheiden en beoordeeld moet worden. Paulus schrijft:

“En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen” (1 Korinthe 14:29) (STV).

Dat betekent niet dat profetie onzeker of halfgezaghebbend zou zijn. Het betekent dat de gemeente niet geroepen is tot goedgelovigheid, maar tot geestelijk onderscheid. Profetie schuwt toetsing niet.

Paulus voegt nog toe:

“De geesten der profeten zijn den profeten onderworpen. Want God is niet een God van verwarring, maar van vrede” (1 Korinthe 14:32-33) (STV).

Daarmee wordt veel moderne chaos en grootspraak meteen ontmaskerd. Waar men zich beroept op de Geest om wanorde, hysterie, druk of onaantastbaarheid te rechtvaardigen, botst dat frontaal met 1 Korinthe 14. God is niet een God van verwarring. Ware profetie is niet manipulatief, niet oncontroleerbaar en niet chaotisch.

 

Zijn er vandaag nog profeten in Bijbelse zin?

Daarmee komen we bij de kernvraag van dit blog.

Als hiermee bedoeld wordt: mensen die vandaag rechtstreeks door God geïnspireerde, onfeilbare openbaring ontvangen en spreken met hetzelfde soort gezag als de profeten in de Schrift, dan is het Bijbelse antwoord naar mijn stellige overtuiging: nee.

De reden is eenvoudig en zwaarwegend. De gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Dat fundament is gelegd. Bovendien schrijft Judas dat wij moeten strijden

“voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is” (Judas:3) (STV).

Dat geloof wordt niet voorgesteld als een voortdurende stroom van nieuwe openbaringen, maar als een eenmaal overgeleverd geheel van waarheid dat bewaard moet worden.

Dat is beslissend. De gemeente moet niet voortdurend op zoek naar nieuwe indrukken of woorden van God, maar leren leven uit het Woord dat God reeds gegeven heeft.

Wie vandaag dus zegt: God sprak tot mij en dat bedoelt als nieuw, gezaghebbend, bindend spreken van God voor de gemeente, begeeft zich op glad ijs waar het Nieuwe Testament geen veilige ruimte laat.

 

Wat dan met moderne profetieclaims?

Hier wordt het schrijnend. Moderne profetieclaims willen vaak wel de uitstraling van goddelijk gezag, maar niet de toetsing van goddelijk gezag.

Men zegt: De Heere liet mij zien.
Maar als het niet uitkomt, heet het ineens: niemand is volmaakt.
Men zegt: dit is een woord van God.
Maar als het inhoudelijk scheef blijkt, heet het ineens: je moet het niet zo zwaar maken.
Men zegt: raak de gezalfde des Heeren niet aan.

Terwijl de Schrift zegt:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede” (1 Thessalonicenzen 5:21) (STV).

Dat is precies de dubbelzinnigheid die zo link is. Men gebruikt taal die past bij goddelijke openbaring, maar zodra toetsing volgt, trekt men zich terug in menselijke feilbaarheid. Zo wordt het heilige spreken van God misbruikt en tegelijk afgezwakt.

Deuteronomium 18 laat daar niets van heel. Een woord dat niet uitkomt, is niet door de HEERE gesproken. Niet bijna waar. Niet verkeerd toegepast. Niet menselijk gebrekkig doorgegeven. Niet door de HEERE gesproken.

 

Is er dan helemaal niets profetisch vandaag?

Jawel, maar hier moet het onderscheid messcherp blijven.

Er kunnen vandaag zeker predikers, leraren of gelovigen zijn die scherp, ontdekkend, actueel en schriftgetrouw spreken. Hun bediening kan diepe indruk maken, zonde ontmaskeren, troosten, waarschuwen en de vinger leggen bij de tijdgeest. In die afgeleide zin noemen sommigen dat “profetisch”.

Maar dat is ten anderen maal iets anders dan het Bijbelse profetenambt.

Daar gaat het niet om ‘nieuwe openbaring’, maar om sterke , duidelijke toepassing van reeds gegeven openbaring. Niet: God gaf mij een nieuw woord. Wel: Gods Woord spreekt helder en indringend over deze situatie.

Dat verschil is allesbepalend. Zodra dat verschil vervaagt, wordt de gemeente van Jezus Christus vatbaar gemaakt voor subjectivisme, willekeur en geestelijke misleiding.

 

Hoe herken je een valse profeet?

De Schrift laat ook hierover geen mist hangen. Een valse profeet is iemand die spreekt zonder werkelijk door God gezonden te zijn. Hij spreekt uit eigen hart. Zijn woorden blijken niet betrouwbaar. Hij wijkt af van Gods geopenbaarde waarheid. Hij schuift zichzelf naar voren. Hij duldt geen toetsing. Hij veroorzaakt verwarring in plaats van vrede.

Johannes waarschuwt daarom:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld” (1 Johannes 4:1) (STV).

Dát is nog steeds de roeping van de gemeente. Niet alles bewonderen. Niet alles klakkeloos aannemen. Niet achter elk religieus geluid aanlopen. Maar toetsen.

 

De gemeente heeft geen nieuwe profeten nodig

De kern van het probleem ligt uiteindelijk hier: veel christenen leven alsof de Schrift op zichzelf niet genoeg is. Alsof er steeds weer verse hemelse input nodig is om echt geestelijk te kunnen leven. Alsof de gemeente geen bestaansrecht heeft zonder nieuwe profeten, nieuwe woorden, nieuwe openbaringen en nieuwe indrukken.

Dat is niet de weg van het Nieuwe Testament

De gemeente van Christus heeft geen tekort aan openbaring. Er is tekort aan gehoorzaamheid aan de openbaring die al gegeven is. De oplossing is daarom niet: meer moderne profeten. De oplossing is: meer eerbied voor het geschreven Woord van God.

De vraag is niet of wij nieuwe stemmen kunnen vinden. De vraag is of wij willen buigen voor het spreken van God in de Schrift.

 

Dus: zijn er vandaag nog profeten?

Niet in de Bijbelse zin van het woord

Er zijn vandaag geen nieuwe Jesaja’s, Jeremia’s of Agabussen die met goddelijk gezag aanvullende openbaring aan de gemeente geven. Het fundament is gelegd. Het geloof is eenmaal overgeleverd. De Schrift is gegeven. De norm ligt vast.

Wat er wel kan zijn, zijn predikers en gelovigen die op indringende en Bijbelgetrouwe wijze spreken. Maar dat is geen vrijbrief om hen “profeet” te noemen in de zware, Bijbelse betekenis van dat woord, met de dikwijls impliciete gezagsclaims de er aan vast zitten.

De juiste weg is nog steeds de oudste weg: terug naar de Schrift. Als een Bereër. Niet leven van ‘nieuwe woorden’, maar van het Woord van God. Niet achter moderne profeten aanlopen, maar luisteren naar en buigen voor wat de Geest reeds heeft gesproken in de Schrift.

Waar de gemeente de genoegzaamheid van de Bijbel loslaat, wordt zij prooi van menselijke willekeur  Maar waar zij zich weer buigt onder Gods Woord is er vaste grond.

De moderne honger naar profeten klinkt vaak geestelijk, maar is in werkelijkheid vaak een symptoom van onvrede met de eenvoud en genoegzaamheid van de Schrift. Men wil meer. Directer. Spannender. Persoonlijker. Spectaculairder.

Maar juist daar gaat het mis.

Wie leert leven van nieuwe woorden, verliest al snel de vaste grond van het Woord. En wie het geschreven Woord van God minder genoegzaam gaat vinden, maakt zichzelf klaar voor misleiding.

Daarom is de meest nuchtere en Bijbelse conclusie ook de scherpste: de gemeente van Jezus  Christus heeft vandaag niet meer profeten nodig, maar meer trouw aan de Schrift.

zie ook:

Profeten zonder toetsing 

Hedendaagse profeten zonder verantwoording 

Apostelen vandaag? 

De charismatische implosie: wat ging er mis, en wat nu 

 

Is lichamelijke genezing inbegrepen in de verzoening?

Een vrome misvatting die niet zonder gevolgen blijft

Er zijn dwalingen die hard klinken en daardoor snel worden herkend.
Maar er zijn ook dwalingen die warm klinken, hoopvol klinken, liefdevol klinken , en daarom des te linker zijn.

Dit is er zo één:

“Lichamelijke genezing is inbegrepen in de verzoening.”

Het klinkt geestelijk.
Het klinkt gelovig.
Het klinkt alsof men Christus grootmaakt.

Maar in werkelijkheid kan deze claim het geweten van zieke gelovigen verzwaren, hun verdriet verdiepen, hun gebed vertroebelen en hun blik op (de verlossing in) Christus vervormen.

Want zodra men zegt of suggereert dat lichamelijke genezing in dezelfde zin in het kruis besloten ligt als vergeving van zonden, gebeurt er iets verwoestends. Dan wordt ziekte niet meer alleen een kruis van het huidige leven, maar ook een stille aanklacht. Dan komt er een tweede last bovenop de eerste. Dan lijdt een gelovige niet alleen aan pijn, uitputting, beperking of aftakeling, maar ook aan de knagende gedachte:

“Als Christus dit ook droeg, waarom ben ik dan nog ziek?”

En precies dáár begint het geestelijke gif zijn werk te doen.

Een leer die vroom klinkt en toch genadeloos uitpakt

De claim lijkt mooi:

Jezus droeg niet alleen zonde, maar ook ziekte; dus genezing hoort bij Golgotha.

Maar wat gebeurt er als die gedachte zich bij voorbeeld vastzet in het hart van een broeder met kanker?
In het lichaam van een zuster met chronische pijn?
In het leven van iemand die al jaren bidt, smeekt, huilt, hoopt en niet beter wordt?

Dan wordt het kruis niet langer alleen een bron van troost, maar ongemerkt ook een bron van verwarring. Van wanhoop.

Want dan rijst onvermijdelijk de vraag:

Ligt het aan mij?

Heb ik te weinig geloof?
Bid ik verkeerd?
Spreek ik verkeerd?
Twijfel ik te veel?
Houd ik iets tegen?
Mis ik overgave?
Is mijn geloof te klein voor wat Christus tot stand gebracht zou hebben?

Let heel goed op wat hier gebeurt.
De zieke krijgt er niet alleen een kwaal bij, maar bijna altijd ook een geestelijke verdenking.

Niet openlijk misschien.
Niet altijd in grove woorden.
Soms heel subtiel.
Soms verstopt achter vrome taal.
Maar de uitwerking is vaak dezelfde:

de zieke gaat niet alleen gebukt onder zijn ziekte, maar ook onder de vraag of hij zelf de reden is dat hij niet geneest.

Dat is slopend.
Dat is wreed.
Dat is géén herderlijke zorg.
Dat is een extra juk op iemand die al gebroken is.

Het evangelie wordt zo als een meetlat tegen de lijdende gebruikt

Wanneer vergeving wordt gepredikt, mag ook de zwakste gelovige rusten in Christus.
Wanneer rechtvaardiging wordt gepredikt, mag de verslagen zondaar zeggen:

mijn zaligheid rust niet op mijn gevoel, maar op Hem.

Maar zodra lichamelijke genezing op dezelfde manier in de verzoening wordt opgesloten verschuift alles.

Dan wordt het kruis van Christus uiteindelijk niet alleen de grond van redding, maar ook een soort toetssteen voor je lichamelijke toestand. Dan lijkt jouw aanhoudende ziekte ineens iets te zeggen over jouw geloofsleven. Dan wordt jouw niet-genezen lichaam bijna een probleem dat om verklaring vraagt.

En dan gebeurt het afschuwelijke:
de lijdende wordt niet alleen vertroost met Christus, maar ook heimelijk gemeten aan een claim.

Hij had genezen kunnen zijn.
Hij had genezen moeten zijn.
Dus waarom is hij het niet?

Dat hoeft niemand letterlijk zo te formuleren.
De gedachte ligt opgesloten in de leer zelf.

En daardoor wordt het Evangelie, dat juist de vermoeiden rust geeft ,een nieuwe bron van onrust.

Het kruis wordt een bron van twijfel.

Jesaja 53 wordt zo gebruikt om méér te zeggen dan God zegt

De fout zit niet alleen in de pastorale uitwerking.
De fout begint al eerder: bij de uitleg.

Want deze claim staat of valt meestal met een overbelasting van Jesaja 53. Dan worden woorden als “krankheden”, “smarten” en “door Zijn striemen is ons genezing geworden” zo naar voren gehaald dat men ervan maakt:

lichamelijke genezing ligt nu al als direct verzoeningsgoed voor iedere gelovige klaar.

Maar daarmee wordt de tekst zwaarder belast dan zij dragen kan.

Jesaja 53 is allereerst een hoofdstuk van schuld, overtreding, straf, plaatsvervanging en vrede met God. Het zwaartepunt ligt niet op een algemene belofte van lichamelijk herstel in het heden, maar op de lijdende Knecht die het oordeel draagt dat zondaren verdiend hebben.

Zodra men van Jesaja 53 maakt:

“Jezus droeg dus jouw huidige lichamelijke ziekte net zo rechtstreeks als jouw schuld”

dan wordt niet alleen een stap gezet, dan wordt een grens overschreden.

Dan maakt men van een verzoeningshoofdstuk een fundament voor een genezingsclaim die de tekst zelf zo niet neerlegt.

En daar gaat het scheef. Niet aan de rand, maar in het hart van de uitleg.

Men verwart de volle verwerving met de huidige uitdeling

Hier zit de leerstellige denkfout.

Ja, Christus heeft de volle verlossing verworven.
Ja, die verlossing omvat uiteindelijk ook het lichaam.
Ja, ziekte en dood zullen niet het laatste woord houden.

Maar daaruit volgt nog niet dat alles wat Christus verworven heeft, nu al in dezelfde vorm en met dezelfde directheid wordt uitgedeeld.

Dat zien we overal in de Schrift en in het leven zelf terug.

De dood is overwonnen en toch sterven gelovigen nog.
De schepping zal vrijgemaakt en nieuw worden en toch zucht zij nog.
Het lichaam zal verheerlijkt worden en toch is het nu nog onderworpen aan het verderf.
Gods kinderen zijn gekocht en toch zuchten zij nog onder zwakheid, pijn en vergankelijkheid.

Ja het kruis is de basis van de toekomstige volkomen verlossing.
Nee: je mag daar niet van maken dat lichamelijke genezing nu al op dezelfde wijze beloofd en gegarandeerd in de verzoening ligt als vergeving en rechtvaardiging.

Wie dat toch doet, trekt  Gods heilsorde uit elkaar.

De zieke wordt zo dubbel geslagen

Een zieke gelovige draagt vaak al meer dan de buitenwereld ziet.

Hij draagt de pijn zelf.
Hij draagt de vermoeidheid.
Hij draagt het verlies van kracht.
Hij draagt de beperkingen.
Hij draagt de eenzaamheid van een lichaam dat niet meer meewerkt.
Hij draagt het uitblijven van verbetering.
Hij draagt de ziekte na soms jarenlang gebed.

En dan komt dáár nog deze leer overheen.

Dan wordt de zieke ook nog opgescheept met een geloofsprobleem.
Niet alleen een kwaal, maar ook een raadsel.
Niet alleen verdriet, maar ook verdenking.
Niet alleen lijden, maar ook innerlijke beschuldiging.

Hij vraagt zich af:

Heb ik verkeerd geloofd?
Heb ik verkeerd gebeden?
Ben ik niet geestelijk genoeg?
Ben ik te weinig vol verwachting geweest?
Heb ik misschien zelf de deur dichtgehouden?

Zie je de valse hardheid hiervan?

De zieke die juist gedragen moet worden, wordt dan van binnen verder uitgehold.
De gewonde die troost nodig heeft, krijgt zout in de wond gestrooid.
De gelovige die rust moet vinden in Gods voorzienigheid wordt op zichzelf teruggeworpen

Dit is niet groot denken van Christus, maar scheef denken van Christus

Sommigen zullen zeggen: maar wij willen toch juist veel verwachten van de Heere? Wij willen toch niet klein denken van het kruis?

Maar dát is het punt niet.

Niemand zegt dat God niet kan genezen.
Niemand zegt dat wij niet vrijmoedig mogen bidden.
Niemand zegt dat de Heere geen wonderen doet.

De vraag is niet of God machtig is.
De vraag is wat Hij heeft beloofd.
De vraag is wat de Schrift hierover werkelijk zegt.
De vraag is of wij de zieke voeden met de waarheid of met opgeblazen verwachtingen.

Want groot denken van Christus is niet: méér claimen dan Hij beloofd heeft.
Groot denken van Christus is: buigen voor wat Hij werkelijk zegt, en daarin alles van Hem verwachten.

Wie een zieke laat geloven dat zijn lichamelijke genezing in dezelfde directe zin in Golgotha ligt als zijn vergeving, doet niet aan geloofsversterking. Hij zet die zieke op een glijdende helling van hoop, spanning, teleurstelling en zelfonderzoek zonder einde.

Dat is geen verheffing van Christus.
Dat is misbruik van Zijn kruis.

Wat mag een zieke gelovige dan wél horen?

Hij mag horen dat Christus zijn zonde droeg.
Hij mag horen dat zijn vrede met God niet afhangt van zijn gezondheid.
Hij mag horen dat zijn rechtvaardiging niet kleiner wordt door zijn zwakke lichaam.
Hij mag horen dat Gods liefde niet wordt afgemeten aan zijn genezing.
Hij mag horen dat zijn lijden geen bewijs is van een tekort in Christus.
Hij mag horen dat hij in zijn ziekte niet buiten Gods trouw valt.
Hij mag horen dat de volle verlossing zeker komt, ook voor het lichaam,  maar op Gods tijd en volgens Gods plan.

Dát is troost.
Dát is stevig.
Dát laat een zieke niet verdrinken in zichzelf, maar rusten in God.

En ja, hij mag ook horen dat wij voor genezing mogen bidden. Oprecht. Volhardend. Verwachtend. Maar zonder van die genezing een maatstaf van geloof, een claim of zelfs een eis, of een automatisch verzoeningsrecht te maken.

Waar de claim helemaal scheef gaat

Deze claim gaat scheef omdat zij:

de Schrift verder duwt dan de tekst toelaat,
de verzoening breder invult dan zij openlijk geopenbaard is,
de toekomstige volkomen verlossing verwart met de huidige uitdeling,
de zieke gelovige opzadelt met vragen die het Evangelie hem niet oplegt,
en de troost van het kruis vermengt met druk die het kruis zelf niet legt.

Dat is géén kleine vergissing.
Dat is een fundamentele ontsporing in toon, uitwerking en richting.

De uitspraak dat lichamelijke genezing in de verzoening is inbegrepen, lijkt misschien ruimhartig, geestelijk en vol geloof. Maar voor veel zieke gelovigen werkt zij als zout in de wond. Maakt het lijden niet lichter, maar zwaarder. Zij brengt niet hoop, maar spanning. Niet verwachting, maar schuld. Niet vertrouwen (=geloof) maar twijfel….

Laat het kruis het kruis blijven.
De plaats waar schuld wordt gedragen.
De plaats waar goddelozen met God verzoend worden.
De plaats waar de verloren mens zijn vrede vindt in een volkomen Zaligmaker.

Maar gebruik Golgotha niet als een wapen tegen zieken.
Maak van de striemen van Christus geen zweep voor gebroken gelovigen.

Leg op lijdende schouders geen last die de Heere Zelf daar niet op heeft gelegd.

Want een zieke gelovige heeft geen opgeblazen claim nodig.
Hij heeft waarheid nodig.
Hij heeft Genade nodig.
Hij heeft Christus nodig.
En Christus is al groot genoeg zonder deze vrome overdrijving.

lees ook:

Jesaja 53:5 genezing: waarom deze tekst niet over lichamelijke genezing gaat – Bijbelse basis

Genezing en wonderen: niet de norm, maar tijdgebonden – Bijbelse basis

Genezing en ziekte: wat zegt de Bijbel echt? – Bijbelse basis

“Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht” – Bijbelse basis

extern:

Is genezing in de verzoening begrepen? Ziekte en genezing in het licht van de Bijbel

Ieder kind van God zou in voorspoed moeten geloven

Genezing tijdens een gebedsdienst? „God werkt vooral via gewone medische mogelijkheden”

Geverifieerd door MonsterInsights