Is de man de priester van het gezin?

Wat zegt de Bijbel?

Je kan de uitspraak regelmatig tegenkomen onder gelovigen;

De man is de priester van het gezin.

Vooral wanneer het gaat over de geestelijke verantwoordelijkheid van echtgenoten en vaders, komt deze uitdrukking voorbij. Soms wordt zelfs gesproken over het priesterlijk gezag van de man.

Maar waar staat dat in de Bijbel?

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Ik kan me niet herinneren ooit een Bijbelgedeelte gelezen te hebben waarin de man als priester van zijn gezin wordt aangesteld. En dat roept vragen op. Want als we aan de man een priesterlijke functie toekennen, moeten we toch kunnen uitleggen waarop die gedachte gebaseerd is?

Dat de man verantwoordelijkheid draagt voor zijn vrouw en kinderen, staat buiten kijf. Maar verantwoordelijkheid dragen en priester zijn, zijn twee verschillende zaken.

Bovendien vraag ik me af of achter deze manier van spreken niet een groter probleem schuilgaat. In het christendom is men door de eeuwen heen gewend geraakt aan allerlei vormen van geestelijke hiërarchie. Het onderscheid tussen geestelijken en leken is daar een bekend voorbeeld van. Zou het kunnen dat dat denken ook invloed heeft gehad op onze opvattingen over huwelijk en gezin?

Want is de verhouding tussen man en vrouw volgens de Bijbel niet in de eerste plaats een verhouding van eenheid?

 

Man en vrouw zijn één vlees

Als we willen begrijpen hoe God de verhouding tussen man en vrouw heeft bedoeld, moeten we beginnen bij de schepping.

“Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn.” (Genesis 2:24, STV)

Dat is de grondslag van het huwelijk. Man en vrouw worden aan elkaar verbonden in een eenheid die zo nauw is dat de Schrift spreekt over één vlees.

Er staat niet dat de man een afzonderlijke geestelijke positie boven zijn vrouw krijgt, waardoor zij voor haar verhouding tot God op hem aangewezen zou zijn.

De vrouw wordt in Genesis 2:18 aangeduid als een hulp die tegenover de man is. Zij wordt hem gegeven als iemand die bij hem past. De eenheid van man en vrouw vormt vervolgens de grondslag voor hun gezamenlijke leven.

Dat betekent niet dat de Schrift geen onderscheid maakt tussen hun verantwoordelijkheden. Maar die verantwoordelijkheden moeten binnen de huwelijksgemeenschap worden verstaan, niet als een systeem van geestelijke rangen en standen.

Wie het huwelijk voornamelijk benadert vanuit de vraag wie er gezag heeft over wie, loopt het risico dat de eenheid naar de achtergrond verdwijnt.

 

Waar komt het idee van de man als gezinspriester vandaan?

Mogelijk speelt de geschiedenis van de aartsvaders hierin een rol.

Noach bouwde na de zondvloed een altaar en bracht offers aan de HEERE. Abraham deed hetzelfde. Ook Job bracht offers voor zijn kinderen, omdat hij rekening hield met de mogelijkheid dat zij gezondigd hadden (Job 1:5).

Daaruit wordt soms de gedachte gedestilleerd dat de vader van oudsher als priester van zijn gezin optrad.

Maar daarmee is nog niet aangetoond dat God iedere vader een blijvend priesterlijk ambt heeft gegeven.

Bovendien gebeurden genoemde gebeurtenissen lang vóór de instelling van het Levitische priesterschap. Onder de wet van Mozes was het priesterschap juist niet aan iedere vader of echtgenoot verbonden. Het was voorbehouden aan Aäron en zijn nakomelingen.

En met de komst van Jezus Christus is er op dit terrein een radicale verandering gekomen.

 

Jezus Christus is onze Hogepriester

De Hebreeënbrief laat uitvoerig en gedetailleerd zien dat het priesterschap van het oude verbond zijn vervulling heeft gevonden in Christus. Zijn offer is volkomen en Zijn priesterschap blijvend.

“Daar wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.” (Hebreeën 4:14, STV)

Door Zijn offer heeft Christus de toegang tot God geopend. De gelovige heeft geen aardse priester nodig om namens hem of haar tot God te naderen.

Paulus schrijft aan Timotheüs :

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” (1 Timotheüs 2:5, STV)

Dat heeft ook betekenis voor het huwelijk.

Een gelovige vrouw heeft geen echtgenoot nodig om toegang tot God te krijgen. Zij mag zelf tot de Vader naderen, op dezelfde grond als haar man: het volbrachte werk van Jezus Christus.

Een man kan voor zijn vrouw bidden, haar ondersteunen en samen met haar Gods Woord onderzoeken. Maar hij staat niet tussen haar en God.

Die plaats behoort uitsluitend aan Christus toe.

 

Het priesterschap van alle gelovigen

Het Nieuwe Testament spreekt over een priesterschap waarin alle gelovigen delen.

Petrus schrijft:

“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5, STV)

En verder:

“Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;” (1 Petrus 2:9, STV)

Het priesterschap van de gelovigen is geen voorrecht van mannen, gehuwde mannen of gezinshoofden.

Ook vrouwen delen daarin.

Een gelovige vrouw heeft geen lagere geestelijke positie dan haar man. Beiden behoren tot hetzelfde lichaam van Christus, hebben dezelfde Hogepriester en mogen op dezelfde grond tot God naderen.

Dat brengt ons bij een uitspraak van Paulus die in dit vraagstuk van groot belang is.

 

In Christus is noch man noch vrouw

Paulus schrijft aan de Galaten:

“Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28, STV)

De context gaat over het geloof in Christus, het zoonschap en het erfgenaam zijn van de belofte. Paulus maakt duidelijk dat afkomst, maatschappelijke positie en geslacht geen onderscheid maken in de geestelijke positie die gelovigen in Christus ontvangen.

Dat betekent niet dat het onderscheid tussen mannen en vrouwen is opgeheven. Evenmin verdwijnen daarmee alle verschillen in taken en verantwoordelijkheden.

Maar voor God staat een gelovige man niet op een hogere geestelijke trede dan een gelovige vrouw.

Beiden zijn één in Christus Jezus.

Het zou dan ook vreemd zijn wanneer we binnen het huwelijk alsnog een bijzondere priesterlijke positie voor de man zouden invoeren.

Daarmee ontstaat een geestelijk onderscheid waarvoor Paulus in zijn onderwijs over onze positie in Christus geen ruimte biedt.

 

Van geestelijken en leken naar de priester van het gezin

Hier ligt mogelijk een belangrijke verklaring voor het ontstaan en voortbestaan van de uitdrukking de man is de priester van het gezin.

Het priesterschap van alle gelovigen is in de kerkgeschiedenis lang niet altijd tot zijn recht gekomen.

In de gevestigde kerkelijke tradities groeide een onderscheid tussen een afzonderlijke geestelijke stand en de gewone gelovigen. Binnen de rooms-katholieke traditie kreeg het ambtelijke priesterschap bovendien een eigen sacramentele betekenis.

De Reformatie heeft het priesterschap van alle gelovigen opnieuw onder de aandacht gebracht. Toch is daarmee het denken in geestelijke rangen en standen niet verdwenen.

Ook in protestantse en evangelische gemeenten kan een voorganger of leider een positie krijgen die verder gaat dan de verantwoordelijkheid die de Schrift aan zijn bediening verbindt.

Daarbij moeten we onderscheid maken tussen geestelijk leiderschap en geestelijke verhevenheid.

Het Nieuwe Testament spreekt over oudsten, herders en leraren. Hun taak is onder meer de gelovigen toe te rusten, zodat het lichaam van Christus wordt opgebouwd en de gelovigen tot volwassenheid komen (Efeze 4:11-16).

Dat is iets anders dan een geestelijke bovenlaag vormen waarvan de overige gelovigen afhankelijk blijven.

Zou een vergelijkbare gedachte ook binnen het gezin kunnen zijn ontstaan?

De man wordt dan niet alleen gezien als iemand met een eigen verantwoordelijkheid, maar krijgt als het ware een bijzondere geestelijke positie tegenover zijn vrouw en kinderen. Hij wordt de priester van het gezin genoemd, alsof er binnen die kleine gemeenschap eveneens een geestelijke ambtsdrager nodig is.

Dat verband is aannemelijk, al kunnen we daarmee niet zomaar de historische oorsprong van de uitdrukking vaststellen.

Opmerkelijk blijft wel dat met name in evangelische maar ook charismatische kringen, waar men doorgaans geen afzonderlijke priesterstand erkent, deze benaming regelmatig wordt gebruikt.

Blijkbaar is het denken in geestelijke hiërarchie hardnekkiger dan we soms beseffen.

 

Maar de man is toch het hoofd van zijn vrouw?

Paulus schrijft:

“Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.” (Efeze 5:23, STV)

Dat staat er, en daar hoeven we niets van af te doen.

Maar het is belangrijk om deze woorden te lezen binnen het verband waarin Paulus ze gebruikt.

Efeze 5 begint dit gedeelte met de oproep:

“Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods.” (Efeze 5:21, STV)

Vervolgens spreekt Paulus over de verhouding tussen man en vrouw. De vrouw wordt aangesproken op haar houding tegenover haar man, terwijl de man wordt opgeroepen zijn vrouw lief te hebben zoals Christus de Gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven.

De nadruk ligt op de wijze waarop beiden zich binnen het huwelijk tegenover elkaar behoren te gedragen.

Paulus werkt de eenheid van man en vrouw zelfs verder uit:

“Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief.” (Efeze 5:28, STV)

En daarna verwijst hij opnieuw naar Genesis 2:24, waar gesproken wordt over het één vlees zijn.

Dat zegt wel wat!

Het hoofd-zijn van de man staat niet los van de eenheid met zijn vrouw. Het is allesbehalve een  vrijbrief om haar te overheersen of zichzelf een bijzondere geestelijke status toe te kennen.

Wie zijn vrouw liefheeft als zijn eigen lichaam, kan haar onmogelijk behandelen als iemand die geestelijk onder hem staat.

De man heeft een eigen verantwoordelijkheid, maar hij is niet de middelaar tussen zijn vrouw en God.

 

De geestelijke verantwoordelijkheid van beide ouders

Paulus schrijft:

“En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.” (Efeze 6:4, STV)

Een vader heeft dus een duidelijke verantwoordelijkheid in de opvoeding van zijn kinderen. Hij hoort hen vertrouwd te maken met Gods Woord en zelf een voorbeeld te zijn in zijn geloof en  levenswandel.

Maar ook de moeder heeft daarin een belangrijke plaats.

Paulus herinnert Timotheüs aan het geloof van zijn grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunice. Bovendien kende Timotheüs van kinds af aan de heilige Schriften (2 Timotheüs 1:5; 3:15).

Het Nieuwe Testament geeft ons geen aanleiding om de geestelijke opvoeding uitsluitend aan de vader toe te vertrouwen.

En wat te denken van een gezin waarin de vrouw gelovig is en de man niet? Zou zij dan geen geestelijke verantwoordelijkheid kunnen dragen, omdat de vermeende priester van het gezin niet gelooft?

De Bijbel leert dat niet.

Man en vrouw mogen elkaar juist ondersteunen in het geloof. Zij mogen samen bidden, samen Gods Woord onderzoeken en samen hun kinderen onderwijzen.

Daarvoor hoeft geen van beiden een bijzondere priesterlijke positie te krijgen.

 

Wanneer verantwoordelijkheid verandert in gezagsdenken

Er is niets mis met gezag wanneer het de plaats krijgt die de Schrift eraan geeft. Ouders dragen verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Oudsten hebben een taak binnen de Gemeente. En binnen het huwelijk spreekt Paulus over het hoofd-zijn van de man.

Maar het wordt problematisch wanneer zulke verantwoordelijkheden worden opgevat als een geestelijke rangorde.

Dan verschuift de aandacht van dienen naar positie, van verantwoordelijkheid naar bevoegdheid en van de gezamenlijke afhankelijkheid van Christus naar afhankelijkheid van mensen.

De uitdrukking de man is de priester van het gezin kan ongewild en onbedoeld aan die verschuiving bijdragen.

Niet iedereen die deze woorden gebruikt, zal daarmee bedoelen dat de vrouw voor haar verhouding tot God afhankelijk is van haar man. Vaak wil men eenvoudig benadrukken dat mannen hun verantwoordelijkheid serieus moeten nemen.

Die bedoeling kan op zichzelf heel goed zijn.

Maar waarom zouden we daarvoor een benaming gebruiken die de Schrift niet aan de man geeft?

Het woord priester heeft een eigen betekenis in de Bijbel. Wanneer we het gebruiken als een algemene aanduiding voor geestelijk leiderschap, raakt die betekenis op de achtergrond.

En wanneer vervolgens aan die titel ook nog een bijzonder geestelijk gezag wordt verbonden, ontstaat een opvatting die moeilijk te verenigen is met het priesterschap van alle gelovigen.

 

Het huwelijk is geen geestelijke hiërarchie

Misschien moeten we onszelf vaker de vraag stellen of ons denken over het huwelijk niet te veel wordt bepaald door gezagsverhoudingen.

Wie staat boven wie? Wie heeft het laatste woord? Wie draagt de geestelijke eindverantwoordelijkheid?

Het zijn vragen die binnen bepaalde christelijke kringen veel aandacht krijgen.

Maar wanneer Paulus over het huwelijk schrijft, spreekt hij uitvoerig over liefde, trouw, zelfverloochening en eenheid.

De man moet zijn vrouw liefhebben als zijn eigen lichaam. De vrouw wordt aangesproken op haar verhouding tot haar man. Beiden leven voor Gods aangezicht en zijn aan Hem verantwoording verschuldigd.

De eenheid van man en vrouw wordt niet opgeheven door hun onderscheiden verantwoordelijkheden. Die verantwoordelijkheden horen binnen die eenheid gestalte te krijgen.

Bovendien zijn zij, als beiden gelovig zijn, samen leden van het lichaam van Christus.

Daar is geen afzonderlijke priesterlijke positie voor de echtgenoot nodig.

De vrouw hoeft niet via haar man tot God te naderen. De man heeft evenmin een geestelijke voorsprong op zijn vrouw.

Beiden leven uit dezelfde genade.

 

Geen gezinspriester, maar samen afhankelijk van Christus

Een christelijke man hoeft geen priester van zijn gezin te zijn om zijn verantwoordelijkheid serieus te nemen.

Hij hoort zijn vrouw lief te hebben, zijn kinderen in Gods Woord te onderwijzen en zelf te leven uit het geloof. Dat is een opdracht die om toewijding, wijsheid en zelfverloochening vraagt.

Zijn vrouw heeft ondertussen dezelfde Hogepriester als hij. Zij deelt in hetzelfde priesterschap en heeft dezelfde toegang tot de Vader.

De Hebreeënbrief zegt:

“Daar wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,” (Hebreeën 10:19, STV)

Die vrijmoedigheid rust niet op de geestelijke positie van een echtgenoot, een voorganger of welke andere menselijke gezagsdrager dan ook.

Zij berust op het bloed van Jezus Christus.

Daarom vind ik de uitdrukking de man is de priester van het gezin niet alleen overbodig, maar ook ongelukkig. Deze kan een gezagsdenken in stand houden dat géén recht doet aan de eenheid van man en vrouw en aan hun gezamenlijke positie in Christus.

Het huwelijk is geen kleine kerkelijke hiërarchie, met de man als geestelijke ambtsdrager en zijn vrouw en kinderen als degenen die onder zijn priesterschap vallen.

 

Man en vrouw zijn één vlees. Als gelovigen zijn ze bovendien één in Christus Jezus. Zij hebben dezelfde Hogepriester, dezelfde toegang tot de Vader en delen in hetzelfde priesterschap.

Dat maakt de verantwoordelijkheid van de man niet kleiner. Het zet deze waar het huishoort: binnen de eenheid van het huwelijk en onder het gezag van Jezus Christus.

Niet de man, maar Christus is onze (Hoge)priester.

 

Hebben christenen schuld tegenover het Joodse volk?

Moeten christenen schuld belijden voor wat in het verleden in de naam van Jezus is misdaan tegenover het Joodse volk?

Het is een vraag die regelmatig terugkeert. Begrijpelijk, want de geschiedenis van het christendom kent gitzwarte bladzijden.

Joden zijn vervolgd, vernederd, gedwongen zich te bekeren en zelfs vermoord door mensen die zich christen noemden. Soms gebeurde dat met instemming van kerkelijke leiders. Soms waren die leiders zelf de aanstichters.

Daar kunnen we niet omheen. En dat moeten we ook niet willen.

Maar betekent dit dat christenen van vandaag schuldig zijn aan wat anderen eeuwen geleden hebben gedaan? Moeten wij namens vorige generaties schuld belijden tegenover het Joodse volk?

En hoe verhoudt die vraag zich tot onze houding tegenover Israël, de kruisiging van Christus en het antisemitisme dat ook vandaag nog voorkomt?

Wie daarop een Bijbels antwoord zoekt, zal een aantal zaken helder moeten onderscheiden.

Dragen christenen schuld naar het Joodse volk?
Dragen christenen schuld naar het Joodse volk?

Zwarte bladzijden

De vervolging van het Joodse volk is niet alleen een geschiedenis van politieke machthebbers en heidense volken. Ook de kerkgeschiedenis kent ernstige misstanden.

Denk aan de gedwongen bekeringen, de verdrijving van Joodse gemeenschappen, de beschuldigingen van rituele moord en de vervolgingen tijdens de kruistochten. In verschillende perioden werden Joden als tweederangsburgers behandeld, uitgesloten van beroepen of gedwongen in afzonderlijke wijken te wonen.

En het bleef niet beperkt tot de Rooms-Katholieke Kerk. Ook binnen het protestantisme heeft vijandschap tegenover Joden bestaan. De latere geschriften van Maarten Luther over de Joden zijn daarvan een beschamend voorbeeld.

Dat alles is des te schrijnender omdat het gebeurde onder de vlag van een geloof waarvan de Here Jezus Christus het middelpunt hoort te zijn.

Hoe kon men in Zijn naam handelen op een manier die zo lijnrecht inging tegen Zijn onderwijs?

De Here Jezus zei:

“Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen.” Mattheüs 5:44 (STV)

Wie Joden vervolgt, bedreigt of mishandelt, kan zich daarbij nooit op Christus beroepen. Zijn naam gebruiken maakt een daad nog niet christelijk.

En laten we daarbij niet de gemakkelijke uitweg kiezen door iedereen die zich aan zulke dingen schuldig maakte achteraf een naamchristen te noemen. Ook mensen die zichzelf oprecht als gelovigen beschouwden, hebben ernstig gedwaald en gezondigd.

De geschiedenis moet eerlijk verteld worden. Ook wanneer dat ongemakkelijk is.

 

Maar is de schuld van onze voorouders ook onze schuld?

Hier komen we bij de kern van de vraag.

Het is tegenwoordig niet ongebruikelijk dat christenen worden opgeroepen om namens eerdere generaties schuld te belijden. Men spreekt dan bijvoorbeeld over de schuld van de kerk tegenover het Joodse volk.

Maar wie is die kerk? En wie heeft die schuld?

Ben ik schuldig aan wat een bisschop in de middeleeuwen heeft gedaan? Draagt een gelovige vandaag persoonlijke schuld voor de antisemitische uitspraken van Luther? En kan iemand berouw hebben over een daad die hij zelf niet heeft begaan?

De Bijbel is zeer duidelijk over persoonlijke schuld.

“De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.” Ezechiël 18:20 (STV)

Dat is een belangrijk beginsel.

God rekent een mens niet de zonden van zijn voorouders toe. Een zoon is niet persoonlijk schuldig omdat zijn vader gezondigd heeft. En een christen van vandaag is niet persoonlijk schuldig omdat mensen die zich eeuwen geleden christen noemden, het Joodse volk hebben vervolgd.

Dat betekent niet dat het verleden geen gevolgen heeft. Zonden kunnen generaties lang doorwerken. Vooroordelen kunnen worden doorgegeven. Onrecht kan sporen nalaten die nog lang zichtbaar blijven.

Maar de gevolgen van vroegere zonden dragen is iets anders dan persoonlijk schuldig zijn aan die zonden.

Dat onderscheid moeten we willen zien.

 

En Daniël dan? Die beleed toch de zonden van zijn volk?

Een bekend bezwaar is dan dat Daniël in zijn gebed de zonden van Israël beleed.

“Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten.” Daniël 9:5 (STV)

Daniël spreekt inderdaad in de wij-vorm. Hij stelt zich niet buiten zijn volk, maar vereenzelvigt zich ermee.

Toch moeten we goed lezen wat hier staat.

Daniël hoort bij Israël, het volk waarmee God Zijn verbond had gesloten. Zijn gebed staat rechtstreeks in verband met de ongehoorzaamheid van Israël, de aangekondigde oordelen en de beloften die God aan dat volk had gedaan.

Daniël erkent de rechtvaardigheid van Gods weg met Israël. Hij bidt om ontferming en herstel.

Maar volgt daaruit dan dat iedere gelovige vandaag verplicht is schuld te belijden voor alle zonden die ooit door mensen met dezelfde geloofsnaam zijn gepleegd?

Nee. Die conclusie gaat veel verder dan de tekst ons toestaat.

Er bestaat een verschil tussen het erkennen van de zonden binnen een gemeenschap waartoe men behoort en het persoonlijk op zich nemen van schuld aan daden die anderen hebben begaan.

Een kerkelijke organisatie kan bovendien terecht verantwoordelijkheid nemen voor misstanden uit haar eigen geschiedenis. Zij kan onrecht erkennen, slachtoffers recht doen en afstand nemen van vroegere leerstellingen en praktijken.

Dat is toch iets anders dan te beweren dat iedere christen persoonlijk schuldig staat tegenover het Joodse volk.

 

De Bijbel waarschuwt juist tegen hoogmoed tegenover Israël

Dat christenen geen erfelijke schuld dragen, betekent zeker niet dat zij onverschillig tegenover het Joodse volk zouden mogen staan.

Integendeel.

Paulus richt zich in Romeinen 11 uitdrukkelijk tot gelovigen uit de heidenen. Hij waarschuwt ze tegen een houding van hoogmoed tegenover Israël.

“Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.” Romeinen 11:18 (STV)

Wat een ernstige waarschuwing!

De gelovigen uit de heidenen hebben geen enkele reden om zich boven Israël te verheffen. Zij hebben geen grond om neer te kijken op het volk waaruit, naar het vlees, de Christus is voortgekomen.

Paulus maakt bovendien duidelijk dat Gods beloften en roeping ten aanzien van Israël niet zijn verdwenen.

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” Romeinen 11:29 (STV)

Toch heeft juist op dit punt een ernstige ontsporing plaatsgevonden.

In grote delen van de kerkgeschiedenis groeide de gedachte dat God met Israël had afgedaan en dat de kerk definitief de plaats van Israël had ingenomen. Het Joodse volk werd vervolgens niet zelden beschouwd als een verworpen volk, dat vanwege zijn ongeloof onder een blijvende vloek zou staan.

Maar Paulus leert iets anders.

Hij spreekt over Israëls ongeloof, maar ook over Gods trouw. Hij waarschuwt de heidenen niet om zich op de borst te slaan, maar om te vrezen.

Hoe opmerkelijk is het dan dat juist onder mensen die de brief aan de Romeinen lazen, zoveel minachting voor Israël kon ontstaan?

Wie Romeinen 11 serieus neemt, kan geen ruimte geven aan christelijke hoogmoed tegenover het Joodse volk.

Wie is schuldig aan de kruisdood van Christus?

Eeuwenlang is het Joodse volk beschuldigd van de moord op Christus. Die beschuldiging werd vervolgens gebruikt om vijandschap en vervolging te rechtvaardigen.

Maar hier moeten we een belangrijke vraag stellen.

Wie is er schuldig aan de kruisdood van de Here Jezus?

Natuurlijk kunnen we wijzen op de historische gebeurtenissen. Op de Joodse leiders die Zijn dood verlangden. Op Pilatus, die Hem ondanks zijn overtuiging dat Hij onschuldig was, overleverde. Op de Romeinse soldaten die Hem kruisigden.

Maar daarmee hebben we nog lang niet alles gezegd.

Want waarom moest Christus eigenlijk sterven?

Paulus schrijft:

“Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;” Romeinen 3:23 (STV)

Allen!

Niet alleen de Joden. Niet alleen de Romeinen. Niet alleen de mensen die destijds bij de kruisiging betrokken waren.

Ook wij.

De Bijbel leert dat Christus gestorven is voor onze zonden. Dat is de kern van het Evangelie.

“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;” 1 Korinthe 15:3 (STV)

En Jesaja schreef eeuwen eerder:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” Jesaja 53:6 (STV)

Hier ligt de diepste oorzaak van het lijden en sterven van Christus.

Onze zonden.

In die zin zijn alle mensen schuldig aan de kruisdood van Christus.

Niet omdat ieder mens persoonlijk aanwezig was bij Golgotha of de historische handeling heeft uitgevoerd, heeft geroepen: “Kruisig Hem!”

Maar omdat allen gezondigd hebben en het offer van Christus noodzakelijk was voor onze verzoening met God.

Wie dat begrijpt, zal zich wel tweemaal bedenken voordat hij met een beschuldigende vinger naar het Joodse volk wijst.

Want wat zou ik daarmee zeggen? Dat hun zonden Christus aan het kruis brachten, maar de mijne niet?

De Schrift laat daar geen enkele ruimte voor.

Bovendien verklaart Petrus dat Christus is overgegeven naar Gods bepaalde raad en voorkennis (Handelingen 2:23). De kruisdood was geen onverwachte gebeurtenis waardoor Gods plan mislukte. Het was juist de vervulling van Zijn heilsplan.

Dat neemt de verantwoordelijkheid van de historische daders niet weg. Maar het laat zien dat de betekenis van het kruis veel verder reikt dan de gebeurtenissen in Jeruzalem.

En het maakt iedere gedachte aan een bijzondere, erfelijke schuld van het Joodse volk aan de kruisiging onhoudbaar.

Niet één volk heeft een Zaligmaker nodig. De hele wereld heeft een Zaligmaker nodig.

 

Liefde voor Israël betekent niet dat de staat Israël geen kritiek mag krijgen

Hier is nog een belangrijk onderscheid nodig. Een onderscheid dat in onze tijd heel makkelijk verloren gaat.

Wie het Joodse volk een warm hart toedraagt en gelooft dat God Zijn beloften aan Israël zal vervullen, hoeft daarom niet automatisch achter iedere beslissing van de huidige Israëlische regering te staan.

Het Bijbelse Israël, het Joodse volk en de moderne staat Israël zijn begrippen die met elkaar samenhangen, maar niet zonder meer samenvallen.

De staat Israël is een politieke realiteit met een regering, een leger en een rechtsorde. De beslissingen die daar genomen worden, mogen net als die van andere staten worden onderzocht en bekritiseerd.

Dat is geen antisemitisme.

Het is dan ook onjuist en oneerlijk om kritiek op het optreden van de Israëlische regering gelijk te stellen aan Jodenhaat. Toch gebeurt dat in het publieke debat. Daarmee dreigt het begrip antisemitisme zijn noodzakelijke scherpte te verliezen.

Want antisemitisme bestaat. Het is een ernstig kwaad dat bestreden moet worden. Joden worden nog altijd geconfronteerd met haat, bedreigingen, vijandigheid en vooroordelen,ook vanwege gebeurtenissen waarvoor zij persoonlijk geen enkele verantwoordelijkheid dragen.

Maar daarom moeten we heel zorgvuldig zijn met onze woorden.

Kritiek op een regering is niet hetzelfde als haat tegen een volk.

Wie Joden verantwoordelijk houdt voor alles wat de Israëlische staat doet, maakt zich schuldig aan een onrechtvaardige veralgemenisering. En wie antisemitische denkbeelden verpakt als politieke kritiek, kan zich niet verschuilen achter de vrijheid om een regering te bekritiseren.

Maar omgekeerd geldt ook dat iemand die concrete kritiek uit op het beleid of militaire optreden van Israël niet zonder meer van antisemitisme mag worden beschuldigd.

De Bijbel zelf geeft ons alle reden om dat onderscheid te maken.

Denk eens aan de profeten van Israël. Zij spaarden de koningen, priesters en leiders van hun eigen volk niet wanneer die zich schuldig maakten aan onrecht, onderdrukking of afgoderij.

Jesaja, Jeremia, Amos en andere profeten spraken soms buitengewoon scherp en hard tegen Israël.

Waren zij daarom vijanden van Israël?

Nee! Omdat zij namens God spraken, moesten zij het onrecht aanwijzen.

Gods trouw aan Israël betekende nooit dat de leiders van Israël boven Zijn oordeel verheven waren.

Waarom zouden wij dat vandaag dan wel zo moeten voorstellen?

Wie Gods beloften aan Israël serieus neemt, hoeft het handelen van de huidige Israëlische overheid niet kritiekloos te verdedigen.

En wie kritiek heeft op die overheid, hoeft daarmee Gods beloften aan Israël niet te ontkennen.

Bijbelse verbondenheid met Israël is geen blanco cheque voor politiek of militair handelen.

Dat is geen gebrek aan liefde voor het Joodse volk. Het is een kwestie van rechtvaardigheid.

 

Moeten christenen daarom hun mond houden over het Evangelie?

Soms wordt uit de pijnlijke geschiedenis een andere conclusie getrokken: christenen zouden tegenover Joden terughoudend moeten zijn met het Evangelie, omdat er in het verleden zoveel kwaad is aangericht in de naam van Jezus.

De gedachte daarachter is begrijpelijk. Maar is het ook Bijbels?

Paulus schrijft:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”  Romeinen 1:16 (STV)

Let op die woorden: eerst de Jood, en ook de Griek.

Het Evangelie is niet het eigendom van een kerkelijke organisatie. Het is Gods boodschap van genade en verzoening in de Here Jezus Christus.

Dat mensen in Zijn naam verschrikkelijke dingen hebben gedaan, maakt het Evangelie zelf niet schuldig.

Integendeel. Die geschiedenis laat ons zien hoe ver mensen kunnen afdwalen wanneer zij zich niet meer onderwerpen aan Gods Woord.

Betekent dit dat christenen zonder gevoel voor de geschiedenis het gesprek met Joodse mensen moeten aangaan? Natuurlijk niet.

Wie het Evangelie verkondigt, behoort dat te doen met liefde, respect en bescheidenheid. Niet vanuit een houding van superioriteit. Niet met dwang. Niet met minachting voor de Joodse afkomst of geschiedenis.

Maar ook niet vanuit de gedachte dat Jezus Christus voor het Joodse volk niet de Messias zou mogen zijn.

Dat zou een heel foute uitkomst zijn van een geschiedenis waarin juist Zijn naam zo vaak verkeerd is gebruikt.

 

Schuld belijden of verantwoordelijkheid nemen?

Misschien ligt hier wel het belangrijkste onderscheid.

Ik kan geen berouw hebben over een zonde die ik niet zelf heb begaan, alsof die zonde mijn persoonlijke daad was. Maar ik kan wel erkennen dat anderen verschrikkelijk hebben gehandeld. Ik kan mij daarvan uitdrukkelijk distantiëren. En ik kan ervoor waken dat dezelfde denkbeelden opnieuw ingang vinden.

Wanneer ik antisemitisme tegenkom, kan ik me daartegen uitspreken.

Wanneer iemand beweert dat God Israël heeft verworpen, kan ik de Schrift openen en laten zien wat Paulus daarover schrijft.

Wanneer het verleden wordt verdraaid of gebagatelliseerd, kan ik de waarheid verdedigen.

En wanneer een Joodse medemens geconfronteerd wordt met haat of bedreiging, mag ik niet onverschillig blijven.

Maar ik mag ook niet zwijgen wanneer het begrip antisemitisme wordt gebruikt om terechte kritiek op het handelen van een overheid te smoren.

Want rechtvaardigheid vraagt niet om selectieve verontwaardiging.

Daarvoor hoef ik geen schuld te belijden die niet de mijne is.

Sterker nog: een openbare schuldbelijdenis kan makkelijk een leeg gebaar worden wanneer het niet gepaard gaat met een Bijbelse houding in het heden.

Het gaat niet om de vraag of wij ons schuldig genoeg voelen over het verleden. Het gaat erom of wij vandaag rechtvaardig handelen.

 

Wat zijn christenen het Joodse volk dan verschuldigd?

Geen erfelijke schuld. Geen verplichting om persoonlijke verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de misdaden van eerdere generaties.

Maar wel liefde, eerlijkheid, respect en de bereidheid om op te komen tegen onrecht.

En bovenal: een houding die gevormd wordt door de Schrift.

Dat betekent dat wij het Joodse volk niet moeten idealiseren. Israël is, evenals ieder ander volk, bepaald niet vrij van zonde. De Bijbel spreekt daar zelf openlijk over.

Maar het betekent evenmin dat wij Israël mogen verachten of Gods beloften aan dat volk terzijde mogen schuiven.

De Schrift geeft ons geen ruimte voor antisemitisme, maar ook geen opdracht om uit schuldgevoel het onderscheid tussen Israël en de Gemeente uit te wissen.

En zij geeft ons evenmin een opdracht om iedere politieke beslissing van de moderne staat Israël als de wil van God te beschouwen.

Wij hoeven het verleden niet goed te praten om het Evangelie te verdedigen. Wij hoeven het Evangelie niet te verzwijgen om het verleden eerlijk onder ogen te zien. En wij hoeven een regering niet kritiekloos te steunen om het Joodse volk lief te hebben.

Wij zijn schuldig om hen met de Zoon in aanraking te brengen, dat wat Paulus aanhoudend deed.

Niet de schuld van anderen, maar onze eigen verantwoordelijkheid

De geschiedenis van de vervolging van het Joodse volk is ernstig. Vooral wanneer die vervolging plaatsvond in de naam van Hem Die leerde om zelfs onze vijanden lief te hebben.

Niet wegpoetsen dat.

Maar schuld is geen erfenis die zomaar van generatie op generatie wordt overgedragen. God houdt de mens verantwoordelijk voor zijn eigen handelen.

Tegelijk mogen we nooit vergeten dat er één geschiedenis is waarbij niemand van ons kan zeggen dat hij er niets mee te maken heeft:

De kruisdood van de Here Jezus Christus.

Niet omdat wij allemaal persoonlijk bij de kruisiging aanwezig waren, maar omdat wij allemaal gezondigd hebben.

Daarom is het zo fout om het Joodse volk een bijzondere schuld aan de dood van Christus toe te rekenen.

De vraag is niet of wij alsnog schuld moeten belijden voor wat anderen eeuwen geleden hebben gedaan.

De vraag is of wij onze eigen schuld tegenover God erkennen en bereid zijn te luisteren naar wat Hij in Zijn Woord zegt.

Over Israël. Over Zijn trouw. Over menselijke hoogmoed. Over de liefde tot onze naaste. Over rechtvaardigheid. En bovenal over de Here Jezus Christus, Die gekomen is om zondaren zalig te maken.

Christenen hebben geen geërfde schuld tegenover het Joodse volk. Maar zij hebben wel een verantwoordelijkheid tegenover God om het Joodse volk rechtvaardig en liefdevol te behandelen. Zonder antisemitisme. Zonder politieke blindheid. En zonder het Evangelie prijs te geven.

Want uiteindelijk hebben Jood en heiden precies hetzelfde nodig.

Niet een verklaring van historische onschuld.

Maar verzoening met God door de Here Jezus Christus.

 

Niet afkomst maar geloof: ook Israël heeft Jezus Christus nodig

Waarom ook Israël de Messias nodig heeft

God heeft Israël niet verworpen. Zijn beloften aan Abraham, Izak en Jakob staan vast. Maar betekent dat ook dat iedere nakomeling van Abraham daarom deelt in Gods heil? De Schrift geeft daarop een ondubbelzinnig antwoord. Niet natuurlijke afstamming, maar geloof is bepalend voor de zaligheid. Voor Jood én voor heiden.

Israël is uitverkoren. Maar waarvoor?

Wanneer het over Israël gaat, worden twee Bijbelse waarheden nogal eens tegenover elkaar gezet. Aan de ene kant heeft God Israël uitverkoren en aan dit volk bijzondere beloften gedaan. Aan de andere kan leert de Schrift dat bij God geen aanneming des persoons is.

Hoe kunnen beide waarheden naast elkaar bestaan?

Het antwoord is eenvoudig, zolang we onderscheid maken tussen Gods verkiezing van een volk en het persoonlijke behoud van een mens.

Israël werd uitverkoren om een bijzondere plaats in Gods heilsplan in te nemen. Aan dit volk werden de woorden Gods toevertrouwd. Uit dit volk zou de Messias voortkomen. Israël was geroepen om Gods Naam bekend te maken onder de volkeren.

Paulus schrijft:

“Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis? Veel in alle manier. Want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.”

Romeinen 3:1-2 (Statenvertaling)

Dat is een geweldig voorrecht. Maar een voorrecht betekent nog géén persoonlijke zaligheid.

De verkiezing van Israël als volk betekent niet dat iedere Israëliet door zijn geboorte gerechtvaardigd is. Wie dat onderscheid uit het oog verliest, verwart Gods verbondsbeloften met de vraag hoe een zondaar behouden wordt.

Abraham werd gerechtvaardigd door geloof

Laten we beginnen bij Abraham zelf.

Waarom werd Abraham door God rechtvaardig gerekend? Was dat vanwege zijn afkomst? Nationaliteit? Besnijdenis? Gehoorzaamheid aan de wet?

Geen van deze dingen.

“En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”

Genesis 15:6

Abraham werd gerechtvaardigd door geloof. Niet door zijn afkomst, niet door de wet en zelfs niet door de besnijdenis, die hij pas later ontving.

Paulus maakt dit in Romeinen 4 uitvoerig duidelijk. De rechtvaardiging van Abraham vond plaats voordat hij besneden was. Daarmee laat de Schrift zien dat de besnijdenis niet de grond van zijn rechtvaardigheid was, maar een teken daarvan.

En dat is van groot belang.

Want wanneer zelfs Abraham, de stamvader van Israël, uitsluitend door geloof gerechtvaardigd werd, op welke grond zouden zijn nakomelingen dan langs een andere weg behouden kunnen worden?

De Schrift kent geen twee wegen tot God.

 

Niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël

Paulus schrijft in Romeinen 9:

“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”

Romeinen 9:6

Dat is een opmerkelijke uitspraak.

Paulus ontkent daarmee niet dat Israël als volk bestaat. Hij ontkent evenmin dat God Zijn beloften aan Israël zal vervullen. Maar hij maakt duidelijk dat natuurlijke afstamming op zichzelf geen aanspraak op persoonlijke zaligheid geeft.

Even verder schrijft hij:

“Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.”

Romeinen 9:8

Hier ligt het onderscheid.

Men kan naar het vlees van Abraham afstammen zonder te delen in het geloof van Abraham. Men kan deel uitmaken van het uitverkoren volk zonder persoonlijk een gelovige te zijn.

Dat was in de dagen van de profeten zo. Dat was in de dagen van Christus zo. En dat is vandaag niet anders.

Gods verkiezing van Israël als volk heeft de noodzaak van persoonlijke bekering nooit opgeheven.

Bij God is geen aanneming des persoons

De Bijbel laat er geen misverstand over bestaan dat God de mens niet beoordeelt naar zijn afkomst.

Petrus zegt:

“Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is.”

Handelingen 10:34

En Paulus schrijft:

“Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.”

Romeinen 3:22

Let op die laatste woorden:

“want er is geen onderscheid.”

Niet omdat Israël geen bijzondere plaats in Gods plan zou hebben. Die plaats heeft het weldegelijk. Maar als het gaat om de rechtvaardiging van een zondaar, bestaat er geen uitzondering.

De Jood wordt niet gerechtvaardigd omdat hij Jood is. De heiden wordt niet buitengesloten omdat hij geen Jood is.

Beiden staan als zondaren tegenover dezelfde heilige God. Beiden hebben dezelfde Verlosser nodig. En beiden worden uitsluitend door geloof gerechtvaardigd.

Wie voor Israël een andere weg tot God openhoudt dan voor de heidenen, komt daarmee tegenover de duidelijke woorden van de apostel Paulus te staan.

 

Jezus Christus is ook voor Israël de enige weg

Hier raakt het onderwerp aan een gevoelige kwestie.

Soms wordt gesteld dat christenen het Joodse volk niet met het Evangelie hoeven te benaderen. Israël heeft immers al een bijzondere verhouding tot God. Het volk heeft de wet, de profeten, de verbonden en de beloften.

Dat is waar. Maar daarmee is de vraag naar de zaligheid nog niet beantwoord.

Juist tegen Joden die de Schriften kenden en de God van Abraham vereerden, werd verkondigd:

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”

Handelingen 4:12

Petrus sprak deze woorden niet tot heidenen die nog nooit van de God van Israël hadden gehoord. Hij sprak tot de leiders van het Joodse volk.

Dat maakt zijn uitspraak zo krachtig.

Als de natuurlijke afstamming van Abraham voldoende zou zijn voor de zaligheid, waarom moest Petrus dan juist aan Israël de Naam van Jezus Christus verkondigen?

Waarom riep hij zijn volksgenoten op tot bekering?

Waarom schreef Paulus dat hij grote droefheid en voortdurende smart in zijn hart had over zijn broeders naar het vlees (Romeinen 9:1-3)?

En waarom bad hij voor hun zaligheid?

“Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid.”

Romeinen 10:1

Paulus bad om de zaligheid van Israël, omdat natuurlijke afstamming geen zaligheid garandeert.

Wie denkt dat Israël Christus niet nodig heeft, moet zich daarom ernstig rekenschap geven van deze woorden.

 

De zaligheid is uit de Joden, maar niet uitsluitend voor de Joden

De Here Jezus zei tegen de Samaritaanse vrouw:

“Want de zaligheid is uit de Joden.”

Johannes 4:22

Dat is een waarheid die geen christen mag vergeten.

De Messias is uit Israël voortgekomen. De Schriften zijn aan Israël toevertrouwd. Gods beloften zijn aan de vaderen gedaan.

Maar “uit de Joden” betekent niet “uitsluitend voor de Joden”.

Het Evangelie is Gods kracht tot zaligheid voor ieder die gelooft.

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”

Romeinen 1:16

Opnieuw is geloof het beslissende onderscheid.

Niet eerst de Jood omdat zijn afkomst hem redt, maar omdat God Zijn heil in de geschiedenis eerst aan Israël bekendmaakte.

En ook de Griek, omdat dezelfde genade zich uitstrekt tot de volkeren.

 

Heeft God Israël dan verworpen?

Nee.

Hier moeten we oppassen om van het ene uiterste in het andere terecht te komen.

Dat Israël niet automatisch behouden is vanwege zijn afkomst, betekent niet dat God Zijn beloften aan Israël heeft ingetrokken.

Paulus vraagt:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre.”

Romeinen 11:1

En even verder:

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”

Romeinen 11:29

God blijft trouw aan Zijn Woord, ook wanneer mensen ontrouw zijn.

Maar Gods trouw aan Zijn beloften betekent niet dat Hij ongeloof als geloof aanrekent.

Dat onderscheid is van doorslaggevend belang.

God heeft Israël niet voorgoed terzijdegeschoven. Zijn plan met het volk is niet afgelopen. De beloften aan Abraham, Izak en Jakob blijven staan.

Maar hun uiteindelijke vervulling betekent niet dat de noodzaak van bekering vervalt.

Integendeel: De toekomstige bekering van Israël maakt deel uit van Gods geopenbaarde plan.

 

Eerst bekering, dan terugverzameling

In Deuteronomium 30 spreekt Mozes over de toekomstige verstrooiing en terugverzameling van Israël.

Maar de volgorde waarin die gebeurtenissen worden genoemd, verdient bijzondere aandacht.

Eerst lezen we:

“En gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.”

Deuteronomium 30:2

Daarna volgt:

“En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.”

Deuteronomium 30:3

De volgorde is opmerkelijk.

Eerst de bekering. Daarna de door God beloofde terugverzameling.

Dat maakt het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen de huidige politieke staat Israël en de uiteindelijke vervulling van Gods beloften aan het volk.

Het bestaan van een Joodse staat is op zichzelf geen bewijs dat Israël als volk zich tot zijn Messias heeft bekeerd.

De hedendaagse terugkeer naar, en aanwezigheid in het land kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het volledige geestelijke en nationale herstel waarover de profeten spreken.

Want dat herstel omvat méér dan een geografische terugkeer.

Het omvat een verandering van hart, een terugkeer tot de HEERE en uiteindelijk de erkenning van Jezus Christus als de beloofde Messias.

Wie alleen naar het land kijkt en de bekering buiten beschouwing laat, mist het belangrijkste.

 

“En alzo zal geheel Israël zalig worden”

Romeinen 11:26 is een bekende tekst:

“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”

Wat betekent dit?

Betekent het dat iedere Israëliet die ooit heeft geleefd, ongeacht geloof of ongeloof, alsnog behouden wordt?

Nee. Dat zou rechtstreeks botsen met alles wat Paulus eerder over de rechtvaardiging door geloof heeft geschreven.

Het gaat om Gods toekomstige verlossing van Israël als volk. De Schrift verbindt die verlossing met het afwenden van de goddeloosheden van Jakob.

Paulus vervolgt namelijk:

“De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.”

Romeinen 11:26

En Jesaja 59:20 spreekt over degenen die zich bekeren van de overtreding in Jakob.

De toekomstige behoudenis van Israël staat dus niet los van de verlossing van de zonde.

God zal Zijn volk niet behouden door zijn ongeloof gewoon voorbij te zien. Hij zal het behouden door de Verlosser.

De beloofde toekomst van Israël is daarom geen alternatief voor het Evangelie. Zij bevestigt juist de noodzaak ervan.

 

Het woord is nabij: in uw mond en in uw hart

Er is nog een opmerkelijke verbinding tussen Deuteronomium 30 en Romeinen 10.

Mozes zegt:

“Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.”

Deuteronomium 30:14

Paulus haalt deze woorden aan en verklaart ze vanuit Christus.

“Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.”

Romeinen 10:8

En dan volgt:

“Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.”

Romeinen 10:9

Hier wordt goed zichtbaar waar het uiteindelijk om gaat.

De toekomstige bekering van Israël is niet eenvoudig een terugkeer naar uiterlijke wetsbetrachting. Het gaat om geloof in Hem Die door God uit de doden is opgewekt.

De Messias Die door velen onder Zijn eigen volk werd verworpen, is dezelfde Messias door Wie Israël behouden zal worden.

Niet door een andere weg.

Niet door natuurlijke afstamming.

Niet door nationale identiteit.

Maar door geloof.

 

De olijfboom: ongeloof breekt af, geloof doet staan

Romeinen 11 bevat nog een ernstige waarschuwing.

Paulus vergelijkt Israël met een olijfboom en spreekt over natuurlijke takken die werden afgebroken en wilde takken die werden ingeënt.

Waarom werden die natuurlijke takken afgebroken?

Paulus geeft zelf het antwoord:

“Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof.”

Romeinen 11:20

Dat is de kern van de zaak.

Niet hun Joodse afkomst was verkeerd. Niet Gods beloften waren verdwenen. Maar ongeloof was de oorzaak van hun afbreking.

En waardoor staan degenen die nu delen in de zegeningen?

Door geloof.

Daarom waarschuwt Paulus de gelovigen uit de heidenen ook om zich niet te verheffen boven de natuurlijke takken.

Er is geen enkele reden voor hoogmoed tegenover Israël.

Wie door geloof deel heeft gekregen aan Gods genade, kan zich daarop niet beroemen alsof hij die genade zelf heeft verdiend.

Ook hier staat niet afkomst tegenover afkomst, maar ongeloof tegenover geloof.

 

Israël tot jaloersheid verwekken: hoe dan?

Paulus leert dat de zaligheid naar de heidenen is gekomen om Israël tot jaloersheid te verwekken.

Maar hoe moet dat gebeuren?

Soms wordt gedacht dat christenen Israël vooral door hun levenswandel tot jaloersheid moeten brengen. Natuurlijk behoort een gelovige een leven te leiden dat overeenkomt met zijn belijdenis.

Maar Paulus legt de nadruk ergens anders.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”

Romeinen 10:17

Hoe kan iemand geloven in Hem van Wie hij niet heeft gehoord?

Daarom vraagt Paulus:

“En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?”

Romeinen 10:14

Het antwoord is duidelijk.

Israël heeft niet genoeg aan bewondering, sympathie of politieke steun. Het heeft, net als alle andere volkeren, het Evangelie nodig.

De grootste liefde die christenen het Joodse volk kunnen bewijzen, is daarom niet het bevestigen van een weg tot God buiten Christus om, maar het bekendmaken van de Messias Die uit hun eigen volk is voortgekomen.

Dat hoeft niet hooghartig of respectloos te gebeuren.

Integendeel. Wie beseft dat hijzelf uitsluitend door genade behouden is, heeft geen reden om zich boven een ander te verheffen.

Maar liefde mag nooit betekenen dat we de waarheid verzwijgen.

 

Eén Heer, één Evangelie, één weg tot zaligheid

De Bijbel eindigt niet bij een tegenstelling tussen Jood en heiden.

Hij wijst op één Heer, Die rijk is over allen die Hem aanroepen.

“Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen.”

Romeinen 10:12

En meteen daarna:

“Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.”

Romeinen 10:13

Een iegelijk.

Dáár ligt de ruimte van Gods genade.

De Jood wordt niet buitengesloten omdat Israël als volk de Messias heeft verworpen. De heiden wordt niet buitengesloten omdat hij geen nakomeling van Abraham naar het vlees is.

Maar evenmin wordt iemand behouden omdat hij tot een bepaald volk behoort.

Voor God is niet de natuurlijke afkomst beslissend, maar het geloof in Zijn Zoon.

Dat was waar voor Abraham.

Dat was waar in de dagen van de apostelen.

Dat is vandaag net zo waar.

En dat zal óók waar zijn wanneer Israël in de toekomst zijn Messias zal erkennen.

 

Gods trouw maakt geloof niet overbodig

De vraag of God nog een toekomst heeft voor Israël, mag niet worden verward met de vraag hoe een Israëliet behouden wordt.

Op de eerste vraag antwoordt Paulus dat God Zijn volk niet heeft verstoten.

Op de tweede vraag antwoordt hij dat de rechtvaardigheid Gods komt over allen die geloven.

Beide waarheden horen bij elkaar.

Wie Gods beloften aan Israël wegredeneert, doet tekort aan Zijn trouw. Maar wie denkt dat de natuurlijke afstamming van Abraham iemand buiten het geloof in Christus om zalig maakt, doet tekort aan het Evangelie.

De toekomstige hoop voor Israël ligt niet in zijn afkomst als zodanig, niet in zijn nationale bestaan en niet in het bezit van het land.

Die hoop ligt in de Verlosser Die uit Sion zal komen en de goddeloosheden van Jakob zal afwenden.

Daarom blijft de boodschap aan Israël dezelfde als aan de volkeren:

Bekeert u en gelooft het Evangelie.

Want God heeft géén twee wegen tot zaligheid gegeven.

Er is één Heere.

Er is één Verlosser.

En er is één Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid voor ieder die gelooft.

Eerst de Jood, en óók de Griek.

zie ook:

israel – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights