Charismatische leer toetsen

Waarom ik hierover blijf schrijven

Ik wil graag een tipje van de sluier oplichten over de reden waarom ik op dit blog regelmatig bepaalde onderwerpen behandel.

Een oplettende bezoeker zal inmiddels hebben gemerkt dat het hier opvallend vaak gaat over zaken die raken aan de charismatische praktijk en leer. Dat is niet toevallig. Binnen dat gedachtegoed worden regelmatig claims gedaan, verwachtingen gewekt en uitspraken gedaan waarvan ik mij steeds vaker afvraag:

waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?

En die vraag is voor mij niet onderhandelbaar.

Na mijn ongeluk ben ik verschillende keren terug geweest in een gemeente waar ik vroeger vaker kwam. Omdat daar inmiddels een leiderschapswissel had plaatsgevonden, was ik aanvankelijk behoorlijk optimistisch. Ik was benieuwd naar de prediking, de aanpak, en, plat gezegd,  de koers die men zou gaan varen.

Langzamerhand is duidelijk geworden welke richting gekozen is.

En je raadt het waarschijnlijk al: de afslag richting het pinkster- en charismatisch christendom is genomen. Inmiddels is ook gecommuniceerd dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de VPE. Wie mijn eerdere artikel daarover heeft gelezen, zal begrijpen dat ik daar bepaald niet enthousiast over ben. Dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt.

 

Het gaat mij niet om een of het etiket

Laat ik meteen iets duidelijk maken. Mijn bezwaar zit nadrukkelijk niet in een naam, een organisatie of een etiket. Ook niet in het feit dat iemand zichzelf pinksterchristen, evangelisch, reformatorisch of wat dan ook noemt.

De vraag is veel simpeler:

Wat leert de Schrift?

Dáár moet uiteindelijk alles aan getoetst worden.

Mijn zorg is dat binnen het charismatisch gedachtegoed een belangrijk Bijbels onderscheid onvoldoende of zelfs niet wordt gezien: het onderscheid tussen Gods handelen met Israël en Gods roeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, wordt vrijwel automatisch ook het boek Handelingen anders gelezen. Handelingen wordt dan gemakkelijk behandeld als een blauwdruk voor hoe iedere plaatselijke gemeente vandaag zou behoren te functioneren. Wonderen, tekenen, bijzondere manifestaties, profetieën en bovennatuurlijke ervaringen worden vervolgens niet alleen mogelijk geacht, maar dikwijls ook verwacht.

Daar zit voor mij een fundamenteel probleem.

Niet omdat ik wil voorschrijven wat God wel of niet zou kunnen doen, maar omdat de Schrift zelf bepaalt wat wij voor deze tijd als normgevende leer en praktijk mogen verwachten.

Het verschil tussen beschrijving en voorschrift is daarbij essentieel.

Niet alles wat in Handelingen gebeurde, is daarmee  een opdracht of model voor de Gemeente vandaag.

 

Wanneer ervaring de plaats van het Woord inneemt

Het gevolg van zo’n koers blijft bovendien niet beperkt tot een leerstellig verschil van inzicht.

Het beïnvloedt hoe gelovigen leren denken.

Waar het Woord niet langer praktisch de maatstaf is waaraan alles wordt getoetst, ontstaat gemakkelijk een geloofscultuur waarin ervaring steeds belangrijker wordt.

Wat voelde je?

Wat ervoer je?

Wat kreeg je op je hart?

Welke indruk ontving je?

Was er een bijzondere sfeer?

Was er “kracht”?

Heeft iemand een woord voor je?

Daarmee wil ik gevoel of emotie niet verdacht maken. Een mens zonder gevoel bestaat niet en ook geloof raakt vanzelfsprekend ons hart. Maar gevoel is geen openbaringsbron. Een indruk is geen Schriftwoord. Een bijzondere ervaring bewijst niet dat iets van God afkomstig is.

Daarom zegt de Bijbel ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot cynisme. Het is een opdracht tot groei, tot geestelijke volwassenheid.

 

Toetsing is geen gebrek aan geloof

Wat mij daarom eveneens zorgen baart, is wanneer kritische vragen weliswaar in theorie welkom worden genoemd, maar in de praktijk als lastig worden ervaren.

Er kan gezegd worden dat alles bespreekbaar is en dat de deur altijd openstaat. Maar de werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer iemand daadwerkelijk binnenkomt en vraagt:

Waar staat dit?

Waarom leren wij dit?

Is deze praktijk werkelijk uit de Schrift af te leiden?

Is dit voorschrift voor de Gemeente, of lezen wij iets in de tekst wat er niet staat?

Wie echt overtuigd is van de Bijbelse basis van zijn leer, hoeft zulke vragen niet te vrezen.

Sterker nog: een gemeente zou zulke vragen moeten verwelkomen.

De Bereërs werden immers niet geprezen omdat zij alles wat Paulus zei onmiddellijk als zoete koek aannamen, maar juist omdat zij onderzochten of hetgeen hun verteld werd met de Schrift overeenkwam:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen ongeestelijke houding.

Dat is een geestelijke houding.

 

Gelovigen moeten toegerust worden

Een van mijn grootste bezwaren tegen een sterk ervaringsgerichte geloofspraktijk is daarom dat gelovigen er uiteindelijk afhankelijk door kunnen worden.

Afhankelijk van leiders.

Afhankelijk van bijeenkomsten.

Afhankelijk van sfeer.

Afhankelijk van bijzondere ervaringen.

Afhankelijk van iemand die zegt iets “voor jou ontvangen” te hebben.

Maar de Bijbelse bedoeling is juist dat gelovigen worden opgebouwd, onderwezen en toegerust, zodat zij zelf leren staan.

Niet op de ervaring van een ander.

Niet op de charisma’s van een leider.

Niet op de emotionele intensiteit van een samenkomst.

Maar op het geopenbaarde Woord van God.

Daarom blijft dat Woord mijn uitgangspunt.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Psalm 119:105, STV)

 

Geen stormram

Je zult begrijpen dat ik mij in zo’n ontwikkeling niet thuis voel.

Tegelijkertijd voel ik mij ook niet geroepen om met een stormram een gemeente binnen te gaan en daar de boel op stelten te zetten. Dat zou waarschijnlijk weinig opbouwen en vooral loopgraven veroorzaken.

Maar zwijgen is iets anders.

Ik kan schrijven.

Ik kan onderzoeken.

Ik kan vergelijken.

Ik kan vragen stellen.

En ik kan anderen aansporen hetzelfde te doen.

In de afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad veel te mogen bestuderen en daardoor bepaalde patronen te leren herkennen. Niet omdat ik alles weet,  verre van dat, maar omdat ik steeds beter heb leren zien hoe belangrijk het is om Schriftgedeelten in hun verband te lezen en onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente, tussen Wet en Genade, tussen beschrijving en voorschrift en tussen menselijke ervaring en Goddelijke openbaring.

Daar zal ik dus voorlopig over blijven schrijven.

Niet om mensen belachelijk te maken.

Niet omdat ik ruzie zoek.

Niet omdat ik beweer dat iedereen die in een charismatische gemeente zit onoprecht is.

Integendeel. Ik twijfel er niet aan dat daar vele oprechte gelovigen zijn die werkelijk de Here Jezus Christus willen dienen.

Juist daarom vind ik dit onderwerp belangrijk.

Oprechtheid maakt een leer namelijk nog niet Bijbels.

 

Het gaat mij om die ene lezer

Ik ga met dit blog niet voor enorme bezoekersaantallen.

Natuurlijk is het leuk wanneer een artikel veel gelezen wordt, maar dat is niet mijn drijfveer.

Het gaat mij veel meer om het individu.

Als één iemand door een artikel opnieuw zijn Bijbel opent en denkt: wacht eens even, klopt hetgeen mij geleerd wordt eigenlijk wel?

Als één gelovige ontdekt dat hij niet afhankelijk hoeft te zijn van religieuze ervaringen maar mag rusten in wat God heeft gesproken.

Als één iemand leert onderscheiden tussen wat de Bijbel werkelijk zegt en wat wij er in de loop der jaren van hebben gemaakt.

Dan vind ik dat al heel waardevol.

 

Geen dichtgespijkerd systeem

Mijn uitgangspunt blijft daarom het Woord van God.

Niet een geloofsbelijdenis.

Niet een kerkelijke traditie.

Niet een denominatie.

Niet een dogmatisch systeem waarin iedere vraag bij voorbaat al van een antwoord is voorzien.

En óók niet de leer van een favoriete Bijbelleraar.

Iedere menselijke uitleg moet uiteindelijk opnieuw langs de Schrift.

Ook de mijne.

Paulus schrijft:

“Beijver u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Dat vraagt studie. Dat vraagt soms correctie. Dat vraagt ook de bereidheid om geliefde overtuigingen los te laten wanneer blijkt dat zij onvoldoende Bijbelse grond hebben.

Juist in een tijd waarin we op vrijwel ieder terrein overspoeld worden met informatie, halve waarheden, stellige claims en regelrechte desinformatie, zou de Gemeente een plaats van onversneden helderheid moeten zijn.

Niet van nieuwe mist.

Niet van nóg meer onbewezen claims.

Maar van waarheid.

Daarom schrijf ik.

En daarom kun je de komende tijd naast opbouwende artikelen en korte Bijbelstudies ook artikelen blijven verwachten die kritisch kijken naar charismatische leer en praktijk.

Soms voorzichtig.

Soms scherp.

En soms zal het ongetwijfeld een beetje schuren.

Maar hopelijk altijd met dezelfde vraag op de achtergrond:

Wat zegt de Schrift echt?

Want uiteindelijk is dat niet alleen de veiligste vraag.

Het is de enige vraag die echt beslissend is.

 

Hardop gedacht

Een preek die eigenlijk een socio-therapeutisch verhaal is

Ik hoorde deze week een preek aan, zoals helaas vaker het geval is, die ging over onze pijn – heelwording – veiligheid – identiteit – afwijzing – patronen – generaties – potentie – herstel…

En daar werden dan tal van Bijbelteksten bij aangevoerd; ook teksten die bij nadere lezing dan toch over iets heel anders en veel diepere geestelijke waarheden bleken te gaan .

De hoofdgedachte kwam ongeveer hier op neer:

Jezus helpt jou de gezonde, geheelde persoon te worden die je bedoeld was te zijn.

Alsof dát dan de hoofdzaak van de Bijbelse boodschap zou zijn. En de noodzaak van Zijn verlossingswerk het plaatsvervangend lijden en sterven was om ons in onze heelheid te brengen?

Dat is, als ik mijn Bijbel goed versta, dan toch wel een brute versimpeling van de heilsboodschap zoals die tot ons komt. De Bijbel gaat helemaal niet over ons.

Waar is het ontzag trouwens voor die Ene Naam?

En er moet me bovendien nog iets van het hart. Het spreken over “Jezus” komt op mij over alsof het hier gaat over een werknemer.
Terwijl de Bijbel Hem dan toch duidelijk bij Zijn titels noemt:
Here Jezus Christus.
Kan dat nou niet met wat meer eerbied?
Hij heeft niet met u of mij geknikkerd immers?

Wees zorgvuldig

Ik wil hiermee eigenlijk ook een lans breken voor meer zorgvuldig Schriftgebruik; de Bijbel aan het woord laten en “kapstok prediking ” achterwege laten, en de Naam van de Here Jezus Christus met gepaste eerbied te gebruiken. Dat moet toch mogelijk zijn? Of is dat teveel gevraagd?

Het zuchten van de schepping en de hoop van Gods kinderen

Het lijden van nu en de heerlijkheid die komt

Troost uit Romeinen 8:18-22

Wat het inslapen van een huisdier zoal losmaakt….onze kater van ruim 17 jaar was helemaal op.

Dan word je weer even geconfronteerd en aan het denken gezet over de betrekkelijkheid van alles en van het leven op zich…..

Romeinen 8:18-22 geeft diepe troost aan gelovigen die lijden, zuchten en wachten. Paulus ontkent de gebrokenheid van deze tegenwoordige tijd niet. Hij spreekt eerlijk over het lijden, over de schepping die zucht en over de dienstbaarheid van het verderf. Maar hij wijst ook op iets dat veel groter is: de heerlijkheid die aan Gods kinderen geopenbaard zal worden.

Wie Romeinen 8 leest, krijgt geen goedkope troost. Paulus zegt niet dat het lijden wel meevalt. Hij zegt ook niet dat een gelovige boven pijn, ziekte, verdriet, verlies of strijd verheven is. Integendeel, hij noemt het bij de naam: “het lijden dezes tegenwoordigen tijds”.

Maar dan legt hij dat lijden op de weegschaal tegenover de heerlijkheid die komt. En zijn conclusie is helder:

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.”
Romeinen 8:18

Open Bijbel bij Romeinen 8 met licht door donkere wolken als beeld van hoop te midden van lijden
Romeinen 8 vers 18

Het lijden van deze tijd is realiteit

Er is veel lijden in deze tegenwoordige tijd. Er is lichamelijke pijn. Er is ziekte. Er is rouw. Er is verlies. Er is eenzaamheid. Er is teleurstelling. Er is geestelijke strijd. Er is vermoeidheid die dieper gaat dan gewone moeheid. Er zijn tranen die op het oog niemand ziet en zuchten die niemand hoort.

De Bijbel doet niet alsof dit er niet is. Gods Woord is eerlijker dan veel menselijke troostwoorden. Soms zeggen mensen: “Je moet positief blijven.” Of: “Het komt wel goed.” Maar Romeinen 8 spreekt dieper. De Schrift erkent dat de wereld gebroken is en dat ook Gods kinderen daaraan lijden.

Dat is op zichzelf al troostvol. Een gelovige hoeft zijn pijn niet te verbergen achter vrome taal. Je hoeft niet te doen alsof je niet zucht. De schepping zucht. Gods kinderen zuchten. En even verder in Romeinen 8 lezen we zelfs dat de Geest voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.

God schrikt niet van ons zuchten. Hij weet ervan. Is er bij.

Romeinen 8 weegt het lijden tegenover de heerlijkheid

Paulus zegt niet dat het lijden klein is. Hij zegt dat de komende heerlijkheid groter is. Dat is een belangrijk verschil.

Soms is het lijden helemaal niet klein. Soms is het zwaar, rauw en langdurig. Soms voelt het alsof de last te groot is. Paulus weet dat. Hij kende verdrukking, vervolging, zwakte, gevaar en verdriet. Toch zegt hij dat het lijden van deze tijd niet te waarderen is tegen de heerlijkheid die komt.

Dat betekent: het lijden is realiteit maar niet beslissend. Het lijden is aanwezig, maar niet eeuwig. Het lijden is zwaar, maar het heeft niet het laatste woord.

De heerlijkheid die komt, is geen menselijk ideaal en geen religieuze droom. Paulus zegt dat deze heerlijkheid “aan ons zal geopenbaard worden”. Deze komt van God. Deze wordt door God onthuld. Wat nu nog verborgen is, zal straks zichtbaar worden.

Nu zijn Gods kinderen vaak zwak, aangevochten en onaanzienlijk. Nu leven zij nog in een lichaam dat moe wordt, pijn kent en sterft. Nu worden zij soms miskend, verdrukt of niet begrepen. Maar straks zal openbaar worden wie zij in Christus zijn.

De schepping zucht onder de dienstbaarheid van het verderf

Paulus trekt de lijn breder dan ons persoonlijke lijden. Niet alleen de gelovige zucht. De hele schepping zucht.

“Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe.”
Romeinen 8:22

De schepping is niet meer zoals zij oorspronkelijk bedoeld was. De wereld is mooi, maar gebroken. We zien schoonheid, maar ook vergankelijkheid. Bloemen bloeien en verwelken. Lichamen groeien en takelen af. Dieren lijden. Mensen sterven. De aarde draagt de sporen van de zondeval.

Paulus zegt dat het schepsel “der ijdelheid onderworpen” is. Dat wijst op leegheid, vergankelijkheid en vruchteloosheid. Alles onder de zon draagt het stempel van voorbijgaan. Niets blijft hier onaangetast. Alles zucht onder de dienstbaarheid van het verderf.

Maar ook hier stopt Paulus niet bij wanhoop. De schepping is onderworpen aan ijdelheid, maar niet zonder hoop.

De schepping zucht, maar niet zonder hoop

Romeinen 8 zegt dat het schepsel “met opgestoken hoofde” wacht op de openbaring der kinderen Gods. Dat is een krachtig beeld. De schepping buigt niet alleen onder de last; zij ziet ook uit. Alsof zij de hals uitstrekt. Alsof zij reikhalzend wacht.

Waarom wacht de schepping op de openbaring van de kinderen Gods?

Omdat de bevrijding van Gods kinderen samenhangt met de bevrijding van de schepping. Wanneer Christus Zijn werk zichtbaar voltooit, zal niet alleen de gelovige verheerlijkt worden. Ook de schepping zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis.

“Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.”
Romeinen 8:21

Dat is een rijke Bijbelse hoop. God laat Zijn werk niet los. Hij behandelt Zijn schepping niet als waardeloos afval. Hij zal rechtzetten wat door de zonde is aangetast. Hij zal herstellen wat gebroken is. Hij zal bevrijden wat nu nog zucht.

De kinderen Gods worden openbaar in heerlijkheid

Nu is het kindschap van Gods kinderen nog niet in volle heerlijkheid zichtbaar. De gelovige is in Christus werkelijk een kind van God, maar leeft nog in een gebroken lichaam en een gebroken wereld. Daarom is er spanning tussen wat wij in Christus zijn en wat wij nu nog ervaren.

Romeinen 8 laat zien dat die spanning tijdelijk is. Er komt een openbaring. De kinderen Gods zullen openbaar worden in heerlijkheid.

Dat betekent niet dat de gelovige zichzelf verheerlijkt. Het betekent dat God openbaar maakt wat Hij in Christus heeft gegeven. De hoop van de gelovige rust niet op eigen kracht, eigen gevoel of eigen overwinning, maar op Gods trouw.

Wie in Christus is, leeft niet naar de ondergang toe, maar naar heerlijkheid. Niet omdat het leven nu gemakkelijk is, maar omdat Gods toekomst zeker is.

Barensnood wijst op hoop, niet op wanhoop

Paulus gebruikt het beeld van barensnood. Dat is opmerkelijk. Barensnood is echte pijn. Het is geen ingebeelde pijn. Het is hevig, diep en lichamelijk. Maar barensnood is pijn met verwachting. Het is pijn die uitloopt op geboorte.

Zo spreekt Paulus over de schepping. Het zuchten van deze wereld is geen zinloos geluid in een leeg heelal. Het is niet het laatste woord van een stervende wereld zonder hoop. Het is het zuchten van een schepping die uitziet naar bevrijding.

Dat geeft diepe troost. Niet omdat alles nu al gemakkelijk wordt. Niet omdat pijn ineens geen pijn meer is. Maar omdat God door het lijden heen werkt naar Zijn doel.

De gebrokenheid is niet de bestemming. Het verderf is niet het eindstation. De dood is niet de hoogste macht.

Christus heeft het laatste woord.

Troost bij lijden: Christus heeft het laatste woord

Romeinen 8 is geen oproep om het lijden te ontkennen. Het is een oproep om het lijden te zien in het licht van Christus en Zijn komende heerlijkheid.

De Here Jezus Christus is geen toekijker op grote afstand bij onze gebrokenheid. Hij is gekomen in deze lijdende wereld. Hij heeft honger gekend, tranen gekend, verwerping gekend, pijn gekend en de dood gekend. Hij is door het lijden heen gegaan en Hij is opgestaan in heerlijkheid.

Daarom is onze hoop geen vaag gevoel, maar een Persoon.

Wie op Christus ziet, mag weten: mijn lijden is niet ongezien. Mijn zuchten is niet onverstaanbaar. Mijn zwakheid is niet vergeten. Mijn tranen verdwijnen niet in het niets.

God kent de Zijnen. En Hij heeft de heerlijkheid beloofd die aan ons geopenbaard zal worden.

Zuchten met hoop

Misschien draag je vandaag iets waar niemand iets van weet, of wat niemand helemaal begrijpt. Misschien ben je moe van het vechten. Misschien zucht je onder lichamelijke pijn, geestelijke druk, verdriet, onzekerheid of verlies.

Dan zegt Romeinen 8 niet: “Kijk er niet naar.” Het zegt: “Kijk verder.”

Kijk naar de heerlijkheid die komt.

Het lijden van nu is werkelijk, maar niet beslissend. De schepping zucht, maar zij zucht op hoop. Gods kinderen wachten, maar zij wachten op een zekere toekomst. De gebrokenheid is diep, maar Gods herstel is dieper. De dood is machtig, maar Christus is machtiger.

Daarom mag een gelovige huilen met hoop. Zuchten met verwachting. Lijden met uitzicht. Wachten met opgeheven hoofd.

Want de schepping zucht niet omdat God haar vergeten is, maar omdat zij wacht op de dag waarop Christus alles vrijmaakt van verderf en de kinderen Gods in heerlijkheid openbaar worden.

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.”
Romeinen 8:18

Geverifieerd door MonsterInsights