Wanneer ‘geestelijk gezag’ belangrijker wordt dan Christus
Er is op zich niets onbijbels aan leiderschap in de gemeente. De Schrift spreekt over oudsten, opzieners, herders, leraars en voorgangers. Ze hebben een belangrijke taak. Ze horen te onderwijzen, te waken, te dienen en de kudde te verzorgen.
Maar hier moet een ongemakkelijke vraag gesteld worden:
wat gebeurt er wanneer leiderschap niet langer dient om gelovigen tot volwassenheid te brengen, maar hen afhankelijk maakt van, of sterker gezegd ondergeschikt maakt aan leiders, bedieningen en zogenaamde geestelijke autoriteit?
En wat gebeurt er wanneer daar nog iets bij komt: profileringsdrang? Wanneer bediening status geeft? Wanneer titels steeds belangrijker worden? Wanneer er feitelijk een geestelijke rangorde ontstaat van “gewone gelovigen”, leiders, voorgangers, of gekker nog; profeten en apostelen?
Dan is het tijd om linea recta terug te keren naar een buitengewoon eenvoudige en duidelijke uitspraak van de Here Jezus Christus:
“Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders;” (Mattheüs 23:8, STV)
Gij zijt allen broeders.
Dat ene zinnetje zet heel wat moderne ideeën en modellen over leiderschap, autoriteit en bediening meteen even scherp op hun plaats.

Het doel van bediening is volwassenheid
Efeze 4 wordt regelmatig aangehaald om het belang van bedieningen te benadrukken:
“En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;” (Efeze 4:11, STV)
Maar wie bij dit vers dan stopt, mist het belangrijkste. Paulus vertelt namelijk meteen waarom Christus deze gaven heeft gegeven:
“Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus;” (Efeze 4:12, STV)
Het doel is dus niet de verheffing van een persoon of functie.
Het doel is de toerusting van de heiligen en de opbouw van het Lichaam van Christus.
En wat is het doel daarvan?
“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer…” (Efeze 4:14, STV)
Dát is een belangrijke toets.
Gezonde bediening maakt gelovigen volwassen. Ongezonde bediening houdt hen afhankelijk en onvolwassen.
Een goede leraar verlangt ernaar dat gelovigen zelf het Woord leren kennen. Een goede herder leert mensen op Christus vertrouwen. Een gezonde gemeente stimuleert gelovigen om Bijbels onderscheidingsvermogen te ontwikkelen.
Wanneer mensen daarentegen steeds afhankelijker worden van wat “de leider” zegt, is er iets helemaal uit het lood.
Christus is het Hoofd, niet de leider
Paulus vertelt vervolgens waarheen die volwassenwording moet leiden:
“Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus;” (Efeze 4:15, STV)
Niet opwassen in een bediening.
Niet opwassen in een organisatie.
Niet steeds nauwer verbonden raken met een geestelijk leider.
Opwassen in Hem.
Christus is het Hoofd van Zijn Lichaam.
Het christelijke leven vindt zijn bron niet in een menselijke geestelijke autoriteit, maar in Christus Zelf. Zoals een rank haar leven niet uit een andere rank ontvangt, zo is ook de uiteindelijke levensbron van de gelovige Christus.
Leiders kunnen dienen, onderwijzen en helpen. Maar zij kunnen nooit de plaats innemen van Degene uit Wie het geestelijke leven voortkomt.
“Gij zijt allen broeders”
Daarmee komen we bij Mattheüs 23. De Here Jezus Christus waarschuwt daar nadrukkelijk tegen geestelijke verheffing:
“Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders;” (Mattheüs 23:8, STV)
“En zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.” (Mattheüs 23:9, STV)
“En gij zult niet meesters genoemd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus.” (Mattheüs 23:10, STV)
En dan:
“Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.” (Mattheüs 23:11, STV)
Dit betekent niet dat hiermee dan iedere functie binnen de gemeente verdwijnt. Het Nieuwe Testament spreekt immers duidelijk over verschillende taken.
Maar verschil in functie is niet hetzelfde als verschil in geestelijke stand.
Dat onderscheid is cruciaal.
Geen geestelijke adelstand binnen het Lichaam
Binnen het Lichaam van Christus bestaan geen eersteklas- en tweedeklasgelovigen.
Een herder is niet méér lid van Christus dan degene die achter de schermen dient. Een leraar staat niet dichter bij Christus omdat hij vanaf een podium spreekt. Een oudste behoort niet tot een hogere geestelijke klasse.
En iemand die zichzelf ‘apostel’ of ‘profeet’ noemt, verkrijgt daarmee alles behalve een onaantastbare positie.
Paulus gebruikt het beeld van één lichaam:
“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.” (1 Korinthe 12:12, STV)
De hand heeft een andere functie dan het oog. De voet heeft een andere functie dan het oor.
Maar het oog is geen geestelijke aristocraat die boven de voet staat.
Daarom zegt Paulus:
“Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.” (1 Korinthe 12:25, STV)
Het Nieuwe Testament kent verscheidenheid van gaven en functies, maar maakt daarvan geen geestelijke standenmaatschappij.
Wanneer bediening status wordt
Hier komen we bij een probleem dat gemakkelijk onder de radar blijft: profileringsdrang.
Heel makkelijk kan de aandacht verschuiven van Christus naar de persoon.
Dan gaat het steeds meer over:
“mijn bediening”,
“mijn visie”,
“mijn roeping”,
“mijn zalving”,
“onze apostolische visie”,
“onze gemeente”,
“onze geestelijke autoriteit”.
Nie altijd wanneer dergelijke woorden gebruikt worden, is er per se iets mis. Paulus wist heel goed welke bediening hem was toevertrouwd.
De vraag is iets anders:
Wie wordt door die bediening groot gemaakt?
Paulus schrijft:
“Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus’ wil.” (2 Korinthe 4:5, STV)
Dat is een onthutsend eenvoudige toets.
“Wij prediken niet onszelven.”
Wanneer een bediening steeds sterker rondom de persoonlijkheid van één leider wordt gebouwd, wanneer diens naam bijna synoniem wordt met de bediening en wanneer kritiek op de persoon als kritiek op Gods werk wordt behandeld, moeten er alarmbellen gaan knipperen.
Johannes de Doper zei:
“Hij moet wassen, maar ik minder worden.” (Johannes 3:30, STV)
Dat is ongeveer het tegenovergestelde van geestelijke profileringsdrang.
Niet: hoe word ik zichtbaarder?
Maar: hoe wordt Christus zichtbaarder?
De grootste staat niet bovenaan
Onze wereld denkt doorgaans in organisatieschema’s. Bovenaan staat de hoogste leiding en daaronder bevinden zich verschillende lagen van gezag.
Die gedachte kan ongemerkt de gemeente binnensluipen.
Maar de Here Jezus Christus keert het principe om:
“Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient.” (Lukas 22:26, STV)
“Doch gij niet alzo.”
Dat zijn woorden die de Gemeente serieus moet nemen.
Christelijk leiderschap behoort niet een geestelijke versie te zijn van werelds machtsdenken.
Hoe hoger de verantwoordelijkheid, hoe groter de dienstbaarheid behoort te zijn.
Daarom is het woord dienaar zoveel Bijbelser dan het voortdurend benadrukken van positie, titel en autoriteit.
Paulus wilde niet heersen over het geloof van anderen
Paulus had echt apostolisch gezag. Als iemand dus had kunnen zeggen: “Jullie moeten naar mij luisteren omdat ik door God ben aangesteld”, dan was hij het.
Toch schrijft hij:
“Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap; want gij staat door het geloof.” (2 Korinthe 1:24, STV)
Wát een contrast met autoritair geestelijk leiderschap.
“Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof.”
Paulus zag zichzelf niet als eigenaar van het geestelijke leven van andere gelovigen.
Hij was een medewerker.
En waardoor stonden de Korinthiërs?
Niet door Paulus.
Niet doordat zij “onder Paulus’ bediening” stonden.
“want gij staat door het geloof.” (2 Korinthe 1:24, STV)
Zelfs Paulus mocht worden getoetst
Dit wordt nog duidelijker in Berea.
Paulus en Silas prediken daar. De Bereërs ontvangen het Woord, maar nemen zelfs de woorden van Paulus niet kritiekloos aan:
“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)
Daar stond geen willekeurige prediker.
Daar stond Paulus.
Een daadwerkelijk door Christus geroepen apostel.
En wat deden de Bereërs?
Zij controleerden hem aan de Schrift.
Lukas noemt hen daarom niet rebels.
Hij noemt hen edeler.
Daarmee valt een belangrijk argument weg dat soms rond leiderschap wordt gebruikt.
Bijbelse toetsing is géén rebellie tegen Bijbels gezag.
Bijbelse toetsing is een kenmerk van geestelijke volwassenheid.
Als zelfs Paulus aan de Schrift getoetst mocht worden, welke hedendaagse voorganger, apostel, profeet of leraar zou daar dan boven staan?
“Raak Gods gezalfde niet aan”
Daarom is het zo verdacht wanneer kritiek op leiders wordt afgewimpeld met uitspraken als:
“Raak Gods gezalfde niet aan.”
“Pas op dat je niet tegen Gods gezag ingaat.”
“God heeft deze leider aangesteld.”
“Je moet je leren onderwerpen.”
“Je moet onder geestelijke bedekking staan.”
Zodra zulke uitspraken betekenen dat de leer of het handelen van een leider niet meer vrij aan de Schrift getoetst mag worden, worden Bijbelse begrippen gebruikt om Bijbelse toetsing te verhinderen.
Dat is ernstig.
Want de Schrift zegt:
“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)
Niet:
Beproeft alle dingen, behalve hetgeen de leider zegt.
Alle dingen.
Gehoorzaamheid aan leiders is niet absoluut
Natuurlijk moet Hebreeën 13:17 hierbij genoemd worden:
“Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen…” (Hebreeën 13:17, STV)
Dat moeten we niet wegredeneren. Er bestaat werkelijk gezag en verantwoordelijkheid binnen de gemeente.
Maar deze tekst maakt een voorganger niet onfeilbaar.
Er staat niet:
“Uw voorganger bepaalt wat u moet geloven.”
Er staat evenmin:
“Uw geweten behoort aan uw voorganger.”
En zeker niet:
“Toets uw voorganger niet.”
Want dezelfde Schrift zegt:
“Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.” (Handelingen 5:29, STV)
Menselijk gezag is dus nooit absoluut.
Het staat onder Gods gezag.
En geestelijk leiderschap staat daarom altijd onder het Woord van God.
De kudde geen eigendom van de voorganger
Petrus spreekt oudsten rechtstreeks aan:
“Weidt de kudde Gods, die onder u is…” (1 Petrus 5:2, STV)
Let vooral op die twee woorden:
“de kudde Gods”.
Niet de kudde van de voorganger.
Niet de kudde van de apostel.
Niet de kudde van de bediening.
Niet de kudde van het leiderschapsteam.
Gods kudde.
En onmiddellijk daarna volgt een waarschuwing:
“Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.” (1 Petrus 5:3, STV)
Daarmee wordt leiderschap niet afgeschaft.
Het wordt op zijn Bijbelse plaats gezet.
Een herder bezit de schapen niet.
Hij verzorgt schapen die aan Iemand anders toebehoren.
Wanneer “geestelijke bedekking” een kooi wordt
In bepaalde christelijke kringen wordt veel gesproken over
“geestelijke bedekking”,
“onder autoriteit staan”,
“in lijn komen”,
“de visie van het huis”,
“apostolische autoriteit”
en
“geestelijke vaders”.
Daarbij kan een eenvoudige test worden toegepast:
Wat gebeurt er wanneer iemand nee zegt?
Mag een gemeentelid zeggen:
“Ik kan deze leer niet in de Schrift vinden”?
Mag een profetie worden tegengesproken?
Mag een voorganger inhoudelijk gecorrigeerd worden?
Mag iemand zeggen dat het leiderschap volgens hem een verkeerde beslissing heeft genomen?
Mag iemand uiteindelijk vertrekken zonder dat hem rebellie, ongehoorzaamheid, bitterheid of gebrek aan geestelijkheid wordt verweten?
Het antwoord op zulke vragen zegt heel veel over de werkelijke aard van het leiderschap.
Manipulatie begint soms heel geestelijk
Geestelijke manipulatie begint lang niet altijd met openlijke dwang.
Het kan beginnen met een ogenschijnlijk vrome gedachte:
“Als je God vertrouwt, moet je ook de leiders vertrouwen die Hij over jou heeft aangesteld.”
Vervolgens wordt toetsing uitgelegd als wantrouwen.
Wantrouwen wordt kritiek.
Kritiek wordt rebellie.
En rebellie wordt ongehoorzaamheid aan God.
Daarmee is de cirkel rond.
De leider is praktisch ontoetsbaar geworden.
Nog gevaarlijker wordt het wanneer angst wordt gebruikt:
“Pas op dat je niet tegen Gods gezalfde ingaat.”
“Je wilt toch niet buiten Gods bescherming komen?”
“Wie zich losmaakt van geestelijk gezag stelt zich geestelijk kwetsbaar op.”
Dan durft iemand uiteindelijk niet meer zelfstandig te toetsen, omdat hij bang is dat het toetsen zelf ongehoorzaamheid aan God is.
Dat is precies het tegenovergestelde van geestelijke volwassenheid.
Wanneer de vraagsteller het probleem wordt
Een andere rode vlag is gehesen wanneer iemand een inhoudelijke Bijbelse vraag stelt en de discussie vervolgens niet meer over de inhoud gaat.
Iemand vraagt:
“Waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?”
Maar in plaats van antwoord te geven, wordt zijn houding besproken.
“Waarom ben je zo kritisch?”
“Waarom heb je moeite met gezag?”
“Waar komt die weerstand vandaan?”
“Kun je je wel onderwerpen?”
Dat is een bijzonder effectieve manier om toetsing onmogelijk te maken.
De oorspronkelijke vraag was:
Is deze leer Bijbels?
Maar plotseling staat de vraagsteller terecht.
Een gezonde voorganger hoeft niet bang te zijn voor de vraag:
“Waar staat dat?”
Eigenlijk zou hij daar heel blij mee moeten zijn.
Onvolwassen gelovigen zijn gemakkelijker te managen
.Hier ligt een ongemakkelijke waarheid
Een volwassen gelovige kan voor autoritair leiderschap lastig zijn.
Hij kent zijn Bijbel.
Hij stelt vragen.
Hij onderzoekt.
Hij onderscheidt.
Hij laat zich niet imponeren door titels.
Hij verwart charisma niet met geestelijk gezag.
Hij verwart stellig spreken niet met waarheid.
Hij weet dat
“God heeft tegen mij gezegd”
geen argument is waarmee iedere discussie onmiddellijk beëindigd wordt.
Hij weet dat profetische uitspraken getoetst moeten worden.
Hij weet dat een grote bediening geen garantie voor gezonde leer is.
Hij weet dat aantallen niets bewijzen.
En bovenal weet hij dat zijn geweten uiteindelijk aan God gebonden is.
En zulke gelovigen behoort Bijbels leiderschap voort te brengen.
Gezond leiderschap maakt zichzelf minder onmisbaar
Dat klinkt misschien vreemd, maar het volgt rechtstreeks uit het doel van Efeze 4.
Een goede leraar wil dat zijn leerlingen leren begrijpen.
Een goede herder wil dat de schapen stevig staan.
Een goede oudste wil volwassen gelovigen zien.
Dat betekent niet dat de gemeente zelf uiteindelijk overbodig wordt. Christelijke volwassenheid is geen individualisme. Wij hebben elkaar nodig en zijn leden van hetzelfde Lichaam.
Maar er bestaat een diametraal verschil tussen elkaar nodig hebben als leden van Christus en afhankelijk zijn van een geestelijke leider om staande te kunnen blijven.
De eerste situatie is gemeenschap.
De tweede kan geestelijke afhankelijkheid worden.
De echte leider wijst van zichzelf af
Paulus geeft uiteindelijk misschien wel de mooiste samenvatting:
“Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.” (1 Korinthe 11:1, STV)
Niet:
Volg mij omdat ik apostel ben.
Maar:
volg mij zoals ik Christus volg.
Daar ligt de essentie.
En Johannes de Doper formuleert het nog scherper:
“Hij moet wassen, maar ik minder worden.” (Johannes 3:30, STV)
Dát is de richting van gezonde bediening.
Christus groter.
De dienaar kleiner.
Niet andersom.
Een eenvoudige maar confronterende toets
Misschien moeten gemeenten en bedieningen zichzelf daarom heel andere vragen gaan stellen.
Niet:
Hoe loyaal zijn onze mensen aan onze visie?
Maar: Hoe volwassen worden zij in Christus?
Niet:
Erkennen zij ons geestelijk gezag?
Maar: Kennen zij Gods Woord voldoende om ons te kunnen toetsen?
Niet:
Volgen zij de bediening?
Maar: Volgen zij Christus?
Niet:
Staan zij achter de leider?
Maar: Staan zij vast in het geloof?
Niet:
Hoe groot is onze invloed?
Maar: Hoe zichtbaar wordt Christus?
En misschien wel de moeilijkste:
Zijn wij blij wanneer gemeenteleden de Schrift zo goed kennen dat zij ons kunnen corrigeren wanneer wij ernaast zitten?
Want daar blijkt of leiders echt dienaren zijn.
“Eén is uw Meester”
De Gemeente van Christus heeft geen geestelijke adelstand nodig.
Zij heeft geen onaantastbare leiders nodig.
Zij heeft geen beroemdheden nodig die rondom zichzelf een bediening bouwen.
Zij heeft geen geestelijke tussenklasse nodig tussen Christus en de “gewone” gelovige.
Zij heeft dienaren nodig.
Herders.
Leraars.
Oudsten.
Mannen die het Woord betrouwbaar bedienen en vervolgens van zichzelf afwijzen naar Christus.
Want uiteindelijk blijft staan:
“Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders;” (Mattheüs 23:8, STV)
Dat is misschien wel de beste bescherming tegen geestelijke profileringsdrang die denkbaar is:
“gij zijt allen broeders.”
Waar leiderschap mensen afhankelijk maakt, is het doel van bediening uit beeld geraakt.
Waar bediening status verschaft, is het karakter van bediening uit beeld geraakt.
Waar titels rangen beginnen aan te duiden, is het Lichaam uit beeld geraakt.
Waar toetsing als rebellie wordt behandeld, is het gezag van de Schrift uit beeld geraakt.
En waar de dienaar steeds groter wordt, is Christus uit beeld geraakt.
Bijbels leiderschap doet precies het tegenovergestelde.
Het bindt mensen niet aan leiders, maar wijst hen naar Christus. Het houdt gelovigen niet klein, maar rust hen toe. Het vraagt geen blinde loyaliteit, maar leert hen onderscheiden. Het bouwt geen geestelijke rangorde, maar dient het ene Lichaam.
Want er is maar Eén Die boven de Gemeente staat.
Christus.
En de rest?
“Gij zijt allen broeders.”
lees ook:
De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam – Bijbelse basis
Autoriteit, integriteit en de macht van geladen taal – Bijbelse basis