De Ethiopische kamerling: Jesaja, Afrika en het Evangelie

10 minuten lezen

De Ethiopische kamerling en de kostbare boekrol: waarom in Handelingen 8 zoveel details

Een ontmoeting die opvallend gedetailleerd wordt beschreven

Sommige gebeurtenissen in Handelingen worden in enkele zinnen verteld. Maar wanneer Lucas ons in Handelingen 8 meeneemt naar de weg van Jeruzalem naar Gaza, vertraagt het verhaal ineens.

We krijgen opvallend veel details.

Het gaat om een Ethiopiër. Hij is een kamerling. Hij bekleedt een hoge positie aan het hof van Kandacé. Hij beheert haar schatkist. Hij is naar Jeruzalem gereisd om te aanbidden. Hij keert terug naar zijn land. Hij zit in zijn wagen. Hij bezit een boekrol van Jesaja. Hij leest daaruit hardop. Vervolgens wordt zelfs vermeld welk gedeelte hij leest.

Waarom zoveel details?

Juist daardoor wordt zichtbaar dat deze ontmoeting geen toevallige voetnoot in de geschiedenis van de vroege Gemeente is. We zien hier hoe God Zelf ervoor zorgt dat het Evangelie grenzen overgaat.

En midden in deze geschiedenis ligt een boekrol.

het heil naar de volken
de Ethiopische kamerling

 

Een boekrol kocht je niet even in een winkel

Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat het betekende dat deze man uit Jesaja zat te lezen.

Wij hebben Bijbels in boekenkasten, op onze telefoon en op internet. Wie een Bijbel wil hebben, kan er binnen enkele minuten één bestellen.

Deze Ethiopiër leefde in een totaal andere wereld.

De boekdrukkunst bestond niet. Een Schriftrol moest met de hand worden overgeschreven. En Jesaja is bepaald geen klein Bijbelboek. Een volledige Jesajarol vergde een enorme hoeveelheid schrijfmateriaal en vele uren gespecialiseerd schrijfwerk.

Dat maakte zo’n rol zeer kostbaar.

We moeten daarom voorzichtig zijn met de conclusie dat hij de rol noodzakelijkerwijs tijdens zijn verblijf in Jeruzalem had gekocht; Handelingen vertelt ons niet waar of wanneer hij hem verkregen heeft. Maar één ding blijkt wel uit de tekst: deze hooggeplaatste Afrikaan beschikte over zijn eigen exemplaar van Jesaja.

Dat alleen al zegt iets.

Dit was geen tractaat dat iemand hem onderweg had toegestopt. Hij bezat toegang tot een kostbare handgeschreven tekst van de Hebreeuwse Schrift.

En hij lás hem ook.

 

Een machtige man die toegeeft dat hij het niet begrijpt

Handelingen vertelt ons:

“En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.” (Handelingen 8:28, STV)

Dan gebeurt er iets bijzonders.

God stuurt Filippus naar deze ene man.

Filippus hoort hem lezen en vraagt:

“Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?” (Handelingen 8:30, STV)

Het antwoord van de kamerling is buitengewoon veelzeggend:

“En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht?” (Handelingen 8:31, STV)

Denk daar eens over na.

Dit is geen onontwikkelde man. Hij beheert de schatkist van een koningin. Hij behoort tot de bestuurlijke elite van zijn land. Hij is bemiddeld genoeg om een kostbare reis te ondernemen en beschikt over een Schriftrol.

Maar tegenover Gods Woord durft deze machtige man eenvoudig te zeggen:

Ik begrijp het niet. Ik heb uitleg nodig.

Dat is geestelijke honger gecombineerd met nederigheid.

En juist naar zo’n man stuurt God iemand die hem de Schrift kan openen.

 

Van alle gedeelten leest hij uitgerekend Jesaja 53

Dan wordt de geschiedenis nog opmerkelijker.

De man leest niet zomaar ergens in Jesaja. Lucas vertelt ons precies welk gedeelte voor hem ligt:

“De plaats nu der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.” (Handelingen 8:32, STV)

De kamerling zit met de grote vraag die iedere lezer van Jesaja 53 uiteindelijk moet beantwoorden:

Over wie gaat dit?

“En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?” (Handelingen 8:34, STV)

Daar hoeft Filippus niet lang over na te denken.

“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)

Dat ene zinnetje is schitterend.

Hij verkondigde hem Jezus.

 

De boekrol krijgt als het ware een stem

De Ethiopiër had de tekst.

Filippus wees hem op de Persoon.

Hij had Jesaja kunnen bezitten zonder te begrijpen naar Wie Jesaja wees. Maar nu wordt vanuit dezelfde Schrift Christus verkondigd.

Daarom is deze geschiedenis ook zo belangrijk voor ons verstaan van het Oude Testament. Filippus legt Christus niet kunstmatig over Jesaja heen. Hij begint bij de tekst die de man voor zich heeft en komt uit bij Jezus.

Jesaja had geschreven:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)

Eeuwen later zit een Afrikaanse hoogwaardigheidsbekleder met diezelfde profetie op zijn schoot.

En midden op een woestijnweg hoort hij Wie dat Lam is.

 

Waarom haalt God Filippus weg bij een menigte?

Er zit nog iets opvallends in het verhaal.

Filippus bevindt zich net daarvoor in Samaria, waar grote dingen gebeuren. Mensen luisteren naar zijn prediking en er is veel belangstelling voor het Evangelie.

En dan wordt hij daarvandaan geroepen.

Voor wat?

Voor één man.

Dat druist behoorlijk in tegen onze moderne manier van denken. Wij meten succes gemakkelijk aan bereik, bezoekersaantallen en zichtbaarheid.

God stuurt een evangelist van een menigte naar een eenzame weg om naast de wagen van één zoekend mens te lopen.

Daarmee vertelt Handelingen 8 ons ook iets over Gods hart.

Eén mens doet ertoe.

Eén zoekende Afrikaan is voor God geen voetnoot.

 

Van Jeruzalem richting Afrika

Maar er gebeurt tegelijkertijd iets veel groters.

Christus had vóór Zijn hemelvaart gezegd:

“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)

En kijk naar de richting in Handelingen.

Het Evangelie begint in Jeruzalem.

Vervolgens komt het in Samaria.

En nu zit daar ineens een man uit Afrika die na zijn ontmoeting met Filippus zijn reis naar het zuiden vervolgt.

We moeten niet méér zeggen dan de tekst zegt. Handelingen vertelt ons bijvoorbeeld niet wat deze kamerling later in zijn vaderland heeft gedaan en zegt evenmin dat door hem onmiddellijk een Afrikaanse gemeente werd gesticht.

Maar de richting is onmiskenbaar.

Het Evangelie is onderweg naar de volken.

Een Afrikaan hoort het Evangelie, gelooft en vervolgt daarna zijn weg.

 

Afrika staat bepaald niet ergens achteraan

Dat verdient onze aandacht.

Het christendom wordt tegenwoordig nogal eens voorgesteld alsof het oorspronkelijk een Europese godsdienst was die eeuwen later naar Afrika werd geëxporteerd.

Handelingen 8 maakt duidelijk hoe vertekend dat beeld is.

Europa speelt in dit gedeelte helemaal geen rol.

Hier staat een Joodse evangelist naast een Afrikaanse man en legt hem vanuit een Joodse profeet uit dat Jezus de Christus is.

Dat gebeurt in de eerste generatie van de Gemeente.

Afrika verschijnt dus al zeer vroeg nadrukkelijk in het verhaal van de verspreiding van het Evangelie.

 

Bij God bestaat geen racisme

En misschien is dat voor onze tijd wel een van de mooiste kanten van deze geschiedenis.

Filippus ziet geen huidskleur die hem tegenhoudt.

God ziet geen nationaliteit die iemand minder geschikt zou maken voor Zijn genade.

Er is geen Europees Evangelie, geen Afrikaans Evangelie en geen Joods Evangelie waarmee verschillende groepen op verschillende gronden behouden worden.

Er is één Heiland.

Er is één Evangelie.

Er is één grond van behoud.

En degenen die in Christus geloven, worden door één Geest tot één Lichaam gedoopt:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dat betekent niet dat Gods bijzondere beloften en bedoelingen met Israël ineens verdwijnen. Het betekent wel dat binnen het Lichaam van Christus geen etnische rangorde bestaat.

Een Jood heeft Christus nodig.

Een Afrikaan heeft Christus nodig.

Een Arabier heeft Christus nodig.

Een Nederlander heeft Christus nodig.

En wie in Christus is, leeft uitsluitend uit dezelfde genade.

Racisme is daarom niet alleen maatschappelijk verwerpelijk. Het staat haaks op de werkelijkheid van het Lichaam van Christus.

 

De man die buiten stond, wordt door God gezocht

Er zit bovendien iets ontroerends in deze geschiedenis.

De Ethiopiër was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden. Hij behoorde echter niet tot Israël en was bovendien een kamerling. De wet van Mozes kende voor een ontmande beperkingen met betrekking tot de vergadering van Israël.

Maar juist in Jesaja staat een prachtige belofte voor ontmanden die God zoeken:

“Ik zal hun ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.” (Jesaja 56:5, STV)

Wat moet dat betekenen wanneer we beseffen dat deze man uitgerekend Jesaja aan het lezen was?

Handelingen zegt niet dat hij op dat moment al bij Jesaja 56 was aangekomen of dat Filippus dit gedeelte met hem besproken heeft. Daar moeten we niets bij verzinnen.

Maar als lezer zien wij de prachtige verbinding wel.

Dezelfde Jesaja die het lijdende Lam beschrijft, spreekt enkele hoofdstukken later over Gods genadige ontvangst van de ontmande.

En nu zit daar in Handelingen echt zo’n man.

Met Jesaja op zijn schoot.

 

Een boekrol, een woestijnweg en Gods voorzienigheid

Hoe langer je naar Handelingen 8 kijkt, hoe indrukwekkender de details worden.

Een man verlangt naar God.

Hij reist honderden kilometers.

Hij bezit een kostbare Schriftrol.

Hij leest Jesaja.

Hij komt bij het gedeelte over het lijdende Lam.

Hij begrijpt het niet.

God stuurt Filippus.

Filippus hoort hem lezen.

De man stelt precies de juiste vraag.

Filippus opent vanuit Jesaja het Evangelie.

En vervolgens gaat het Evangelie met deze Afrikaanse man verder richting zijn vaderland.

Dat lijkt nauwelijks een toevallige verzameling details.

Het laat Gods voorzienigheid zien.

 

Hij reisde verder met blijdschap

Aan het einde gebeurt iets dat makkelijk wordt gemist.

Filippus verdwijnt.

Maar de Ethiopiër raakt niet in paniek.

“En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.” (Handelingen 8:39, STV)

Waarom kon hij verder zonder Filippus?

Omdat Filippus hem niet aan zichzelf had verbonden.

Hij had hem Jezus verkondigd.

Dat is misschien wel de mooiste les voor iedere evangelist, prediker en Bijbelleraar.

Het doel is niet dat mensen uiteindelijk van ons afhankelijk worden.

Het doel is dat zij Christus leren kennen.

Filippus kon verdwijnen.

Christus bleef.

 

Wat een kostbare boekrol uiteindelijk niet kon geven

De Ethiopiër bezat iets wat in zijn tijd buitengewoon kostbaar moet zijn geweest: toegang tot de woorden van Jesaja.

Maar zelfs zo’n kostbare boekrol kon hem op zichzelf niet redden.

Hij moest begrijpen over Wie hij las.

Daarom is het mogelijk om een Bijbel te bezitten en Christus toch niet te kennen. Het is mogelijk veel over de Schrift te weten en het middelpunt ervan te missen.

Filippus liet de man daarom niet achter met alleen een betere uitleg van Jesaja.

Hij “verkondigde hem Jezus”.

Daar komt uiteindelijk alles samen.

De kostbare boekrol.

Jesaja 53.

Het Lam.

Het kruis.

De opstanding.

De Afrikaanse kamerling.

En een Evangelie dat zich niet laat opsluiten binnen één volk, één land of één huidskleur.

God ziet geen tweederangs mensen.

De armen van het Evangelie staan open voor Jood en Griek, Afrikaan en Europeaan, rijk en arm, hooggeplaatst en eenvoudig.

En ergens op een eenzame weg naar Gaza liet God dat al heel vroeg in de geschiedenis van de Gemeente op een onvergetelijke manier zien:

één Afrikaanse man, één geopende boekrol en één boodschap: Jezus Christus.

Geef een reactie

Geverifieerd door MonsterInsights