Wat de Bijbel werkelijk zegt over genieten, rijkdom en dankbaarheid
Mag een christen eigenlijk wel genieten?
Voor sommige christenen klinkt die vraag misschien vreemd. Voor anderen helemaal niet.
Er bestaat namelijk een vorm van christelijke vroomheid waarin genieten al snel verdacht wordt. Een mooie vakantie, lekker eten, een goed glas wijn, een comfortabel huis, een hobby waaraan je plezier beleeft, muziek, gezelligheid of simpelweg genieten van wat je bezit ; moet een werkelijk geestelijk mens daar niet een beetje afstand van houden?
Alsof soberheid vanzelf geestelijker is.
Alsof plezier altijd eerst langs een religieuze douane moet.
Alsof God Zijn kinderen wel dingen geeft, maar het eigenlijk liever niet ziet wanneer ze ervan genieten.
Wie vervolgens 1 Timotheüs 6 aandachtig leest, stuit op een opmerkelijke uitspraak van Paulus:
“Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)
Lees vooral die laatste woorden nog eens:
“om te genieten.”
Dat staat er echt.
En het zet een nogal hardnekkige gedachte op zijn kop.
God geeft niet alleen ; Hij geeft ook om te genieten.

Paulus spreekt in 1 Timotheüs 6 specifiek tot rijke gelovigen. Dat maakt zijn woorden des te opvallender.
Hij zegt niet dat hun rijkdom bewijst dat zij bijzonder gezegend of geestelijk zijn. Dat zou de tekst misbruiken voor een welvaartsevangelie.
Maar hij zegt evenmin dat zij zich van hun bezit moeten ontdoen omdat bezit en geestelijk leven onverenigbaar zouden zijn.
Paulus waarschuwt voor iets anders.
Hun rijkdom mag hen niet hoogmoedig maken. Hun bezit mag niet hun zekerheid worden. Hun vertrouwen moet niet rusten op geld, want rijkdom is “ongestadig”. Hun vertrouwen behoort te rusten op de levende God.
Maar vervolgens noemt Paulus diezelfde God:
Degene Die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten.
Daarmee verschuift de hele discussie.
De Bijbelse vraag is niet:
heb je iets waarvan je geniet?
De veel belangrijkere vraag is:
Welke plaats heeft het in je leven?
Je kunt genieten van bezit zonder je vertrouwen erop te stellen. Je kunt iets moois bezitten zonder erdoor bezeten te worden. Je kunt van eten genieten zonder een slaaf van je buik te zijn. Je kunt van rust genieten zonder luiheid tot je hoogste levensdoel te maken.
Het probleem is niet dat de gave aangenaam is.
Het probleem ontstaat wanneer de gave de plaats van de Gever inneemt.
De Bijbel spreekt verrassend positief over genieten
Wie alleen teksten over zelfverloochening, lijden en zonde hoort, kan gemakkelijk een scheef beeld van het christelijke leven krijgen.
Maar luister bijvoorbeeld eens naar Prediker:
“Zie, wat ik gezien heb: een goede zaak, die schoon is, te eten en te drinken, en het goede te genieten van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon, het getal der dagen zijns levens, die hem God geeft; want dat is zijn deel.” — Prediker 5:17 (STV)
En meteen daarna:
“Ook een ieder mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave Gods.” — Prediker 5:18 (STV)
Dat is opvallend nuchter.
Werken. Eten. Drinken. Je verheugen over de vrucht van je arbeid.
En dan staat er niet: pas op, want dit is allemaal aards.
Er staat:
“datzelve is een gave Gods.”
Dat past precies bij 1 Timotheüs 6:17.
De Bijbel schildert God niet af als Iemand Die goede dingen schept en vervolgens argwanend toekijkt wanneer mensen daarvan genieten.
Hij is de Gever.
Dankbaarheid verandert de manier waarop we genieten
Eerder in dezelfde brief schrijft Paulus iets dat hier rechtstreeks mee samenhangt. Hij waarschuwt zelfs voor religieuze mensen die allerlei vormen van onthouding voorschrijven:
“Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.” — 1 Timotheüs 4:3 (STV)
Vervolgens zegt hij:
“Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;” — 1 Timotheüs 4:4 (STV)
Let op dat woord: dankzegging.
Daar hebben we een prachtige Bijbelse correctie op twee uitersten.
Aan de ene kant staat de mens die Gods gaven consumeert alsof God niet bestaat. Hij geniet, maar dankt niet. Hij ontvangt, maar erkent de Gever niet.
Aan de andere kant staat de religieuze mens die bijna bang is om te genieten. Alsof het geestelijker is om Gods goede gaven met argwaan te bekijken.
Paulus wijst een andere weg:
Ontvang wat God geeft en dank Hem ervoor.
Genieten en dankbaarheid hoeven helemaal geen tegenstellingen te zijn. Integendeel: Bijbels genieten wordt juist gekenmerkt door dankbaarheid.
Genieten is iets anders dan leven voor genot
Dat betekent natuurlijk niet dat de Bijbel hedonisme predikt.
Paulus waarschuwt voor mensen die zijn:
“Meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;” — 2 Timotheüs 3:4 (STV)
Dat is iets fundamenteel anders.
De vraag is opnieuw niet óf iemand plezier ervaart, maar wat hij liefheeft en wat hem beheerst.
Er is een wereld van verschil tussen:
Ik geniet van wat God mij geeft.
en:
Ik leef om zoveel mogelijk genot te hebben.
In het eerste staat God boven Zijn gaven.
In het tweede wordt genot zelf een god.
Dat onderscheid zien we ook bij geld. En juist daarom is de context van 1 Timotheüs 6 zo belangrijk:
“Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad…” — 1 Timotheüs 6:10 (STV)
Paulus zegt niet dat geld de wortel van alle kwaad is, maar spreekt over geldgierigheid.
En even later spreekt hij rechtstreeks tot mensen die rijk zijn.
Kennelijk hoeft een rijke gelovige niet eerst arm te worden voordat hij God kan dienen. Wel moet zijn verhouding tot zijn bezit veranderen.
Niet:
mijn bezit is mijn zekerheid.
Maar:
God is mijn zekerheid en mijn bezit heb ik uit Zijn hand ontvangen.
Dat is weer iets heel anders.
Soberheid is niet automatisch geestelijkheid
Hier mag het best een beetje schuren.
Binnen bepaalde streng-religieuze tradities is soms de indruk ontstaan dat iemand geestelijker is naarmate hij zichzelf meer ontzegt. Plezier wordt gemakkelijk met wereldgelijkvormigheid verbonden, terwijl soberheid bijna automatisch als vroomheid wordt beschouwd.
Maar dat verband legt de Schrift helemaal niet zo.
Sterker nog, Paulus waarschuwt voor menselijke godsdienstige voorschriften die indrukwekkend geestelijk kunnen lijken:
“Dewelke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.” — Kolossenzen 2:23 (STV)
Dat is confronterend.
Want ook niet genieten kan voedsel voor het vlees worden.
Een mens kan trots zijn op zijn bezit.
Maar een mens kan óók trots zijn op zijn soberheid.
“Wij doen daar niet aan.”
“Dat hebben wij niet nodig.”
“Een christen hoort zijn geld daar niet aan uit te geven.”
“Wij leven tenminste eenvoudig.”
Het klinkt misschien geestelijk, maar zodra onze zelfgekozen soberheid een maatstaf wordt waarmee wij andere gelovigen beoordelen, is er iets helemaal mis.
Zelfverloochening heeft een Bijbelse plaats.
Zelfgemaakte vroomheid eveneens ; maar dan als waarschuwing.
Het gewone leven mag tot eer van God worden geleefd
Paulus schrijft:
“Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.” — 1 Korinthe 10:31 (STV)
Dat is misschien wel een van de meest bevrijdende gedachten over het christelijke leven.
Eten kan tot eer van God.
Drinken kan tot eer van God.
Werken kan tot eer van God.
Rust kan tot eer van God.
Genieten kan tot eer van God.
Het christelijke leven bestaat niet uit een klein “geestelijk” gedeelte en daarnaast een groot gebied van gewone dingen die eigenlijk minderwaardig zijn.
God is ook God aan de eettafel.
God is ook God tijdens een vakantie.
God is ook God wanneer je door een prachtig landschap rijdt en ervan geniet.
God is ook God wanneer je na hard werken tevreden naar iets kijkt waarvoor je gespaard hebt.
God is ook God tijdens een avond met mensen van wie je houdt.
Waarom zou dankbare vreugde over Zijn goede gaven Hem beledigen?
Genade bevrijdt ook van religieuze kramp
Een wettische geloofsbeleving heeft de neiging voortdurend te vragen:
“Mag dit eigenlijk wel?”
Daarmee is niet iedere vraag naar goed en kwaad verkeerd. Natuurlijk niet. De Schrift stelt grenzen en noemt ook bepaald gedrag zonde.
Maar er kan een geestelijke kramp ontstaan waarin bijna ieder plezier eerst verdacht wordt gemaakt.
Dan wordt het geweten niet gevormd door Gods Woord, maar door menselijke regels.
Paulus schrijft daar bijzonder scherp over:
“Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.” — Kolossenzen 2:20-21 (STV)
Dat klinkt zeer actueel.
Raak niet. Smaak niet. Doe niet.
Religie kan een indrukwekkende lijst produceren.
Genade leert de gelovige vanuit een andere positie leven: niet door menselijke voorschriften gerechtvaardigd worden, maar wandelen vanuit wat hij in Christus ontvangen heeft.
Dat maakt de gelovige niet losbandig.
Het maakt hem vrij om God te dienen.
De vraag is niet alleen:
mag ik hiervan genieten?
Misschien moeten we daarom andere vragen leren stellen.
Kan ik God hiervoor danken?
Kan ik hiervan genieten zonder dat het mij beheerst?
Stel ik mijn vertrouwen erop?
Wordt iemand anders door mijn gedrag beschadigd?
Kan ik dit ontvangen als een gave en ook weer loslaten wanneer dat nodig is?
Ben ik bereid te delen?
Die laatste vraag hoort nadrukkelijk bij 1 Timotheüs 6.
Want direct nadat Paulus zegt dat God ons rijkelijk geeft om te genieten, schrijft hij:
“Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;” — 1 Timotheüs 6:18 (STV)
Dat is mooi in balans.
De rijke krijgt niet te horen:
schaam je voor wat je hebt.
Maar evenmin:
het is van jou, dus doe ermee wat je wilt.
Hij mag genieten én geven.
Ontvangen én uitdelen.
Dankbaar zijn én tegelijk vrijgevig zijn.
God is geen vijand van vreugde
Misschien is dat uiteindelijk de gedachte die we opnieuw moeten leren.
De God van de Bijbel is niet de grote Tegenstander van menselijke vreugde.
Zonde belooft vreugde en brengt slavernij. God bevrijdt juist van slavernij en leert ons Zijn gaven op hun juiste plaats te genieten.
Daarom hoeven we niet te kiezen tussen een christendom van sombere onthouding en een wereld waarin persoonlijk genot het hoogste levensdoel is.
De Schrift wijst een veel mooiere weg.
God boven alles.
En juist daardoor kunnen Zijn gaven werkelijk gaven blijven.
Een mooie maaltijd hoeft geen afgod te zijn.
Een vakantie hoeft geen vlucht uit het geestelijke leven te zijn.
Een comfortabel huis hoeft geen bewijs van materialisme te zijn.
Een hobby hoeft geen verspilde tijd te zijn.
Plezier is niet automatisch zonde.
Rijkdom is niet automatisch goddeloosheid.
Soberheid is niet automatisch heiligheid.
De beslissende vraag is steeds:
welke plaats krijgt God?
Ontvang, dank, geniet en deel
Misschien kan ik 1 Timotheüs 6:17-18 uiteindelijk zo samenvatten:
Ontvang wat God geeft. Dank Hem ervoor. Geniet ervan zonder eraan verslaafd te raken. Stel je vertrouwen op Hem en niet op Zijn gaven. En houd je handen open voor anderen.
Dat is geen oppervlakkig christendom.
Dat is vrijheid onder genade.
Paulus zegt immers niet dat God ons slechts het strikt noodzakelijke toestaat. Hij spreekt over:
“…den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)
Hallellujah, wat een bevrijdend Woord!
Hoi Marten, gek genoeg werden je comments weer tegen gehouden, dat mag niet meer gebeuren als je eenmaal bent ‘doorgelaten’. Ik ben nog op vakantie, als ik weer thuis ben duik ik onder de motorkap om te kijken hoe dat komt. Bedankt voor je commentaar 🙏🏽