Demonen en bevrijdingsbediening: wat zegt de Bijbel?

Waarom zoveel aandacht voor de duivel, terwijl Christus de overwinning al heeft behaald?

Het valt me steeds weer op. In  evangelische en vooral pinkster- en charismatische kringen wordt regelmatig gesproken over demonen, demonische activiteiten, geestelijke gebondenheid en bevrijdingsbediening. Soms lijkt het alsof achter vrijwel ieder probleem een demonische macht schuilgaat die eerst moet worden aangepakt voordat een christen echt vrij kan leven.

Demonen en bevrijding wat zegt de Bijbel
Demonen en bevrijding wat zegt de Bijbel?

 

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Ziekte? Misschien een demon. Angst? Een demonische gebondenheid. Problemen in het gezin? Mogelijk een generatievloek. Tegenslag in het leven? Een aanval van de vijand.

En voor je het weet, draait een belangrijk deel van het geloofsleven om het herkennen, bestrijden, binden en uitdrijven van demonische machten.

Maar is dat eigenlijk wel Bijbels?

In andere kringen, waaronder de klassieke Maranatha- en vergaderingstraditie, hoor je doorgaans veel minder over dit soort zaken. Daar ligt de nadruk veel meer op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus, de positie van de gelovige in Hem en de verwachting van Zijn wederkomst.

Dat verschil is niet maar een kwestie van smaak of kerkelijke cultuur. Er ligt een belangrijk leerstellig onderscheid aan ten grondslag.

Wat zeggen de Evangeliën zoal over demonen? Waarom komen we in Handelingen nog demonuitdrijvingen tegen? En waarom vinden we in de brieven aan de Gemeente geen opdracht tot een afzonderlijke bevrijdingsbediening?

Laten we de Bijbel zelf laten spreken.

Demonen uitdrijven in de Evangeliën: waarom deed Jezus dat?

Iemand die de Bijbel serieus neemt, zal het bestaan van satan en demonische machten niet ontkennen. De Evangeliën spreken er duidelijk over.

De Here Jezus dreef demonen uit, bevrijdde mensen van onreine geesten en demonstreerde daarmee Zijn macht over het rijk van de duisternis.

De vraag die ik wil stellen is:

waarom deed Hij dat?

Was Zijn bedoeling dan om een voorbeeld te geven van een bevrijdingsbediening die iedere christelijke gemeente vervolgens zou moeten invullen?

Of hadden deze wonderen een bijzondere betekenis binnen Zijn bediening als de beloofde Messias van Israël?

In Mattheüs 10 zendt de Here Jezus Zijn twaalf discipelen uit. Zij krijgen onder meer de opdracht zieken te genezen en demonen uit te drijven.

Maar let op de woorden die daaraan voorafgaan.

Mattheüs 10:5-6:

“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen; Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (STV)

Dat is duidelijk.

De discipelen worden op dat moment niet naar alle volken gezonden, maar uitdrukkelijk naar Israël.

En wat moeten zij verkondigen?

Mattheüs 10:7:

“En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” (STV)

Dat is de context.

De Messias was gekomen. Het beloofde Koninkrijk werd aangekondigd. En de wonderen die Christus en Zijn discipelen verrichtten, getuigden van de macht en autoriteit van de Koning.

Dat blijkt ook uit Mattheüs 12:28:

“Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.” (STV)

Het uitdrijven van demonen stond dus rechtstreeks in verband met de openbaring van de Messias en de aankondiging van het Koninkrijk.

De wonderen waren niet bedoeld om de aandacht op demonen te vestigen, maar op Christus!

Dat is een onderscheid dat we goed moeten bewaren.

 

De macht van Christus, niet de macht van de duivel

De geschiedenis van de bezetene in Markus 5.

Deze man verkeerde in een verschrikkelijke toestand. Hij leefde tussen de graven, kon niet gebonden worden en werd door demonische machten beheerst.

Maar zodra de Here Jezus verschijnt, blijkt Wie werkelijk het gezag heeft.

De demonen kunnen niets beginnen zonder Zijn toestemming.

Wat leert dit verhaal ons?

Dat wij ons uitgebreid moeten verdiepen in demonische hiërarchieën, hun namen en hun werkwijzen?

Nee.

De geschiedenis toont de absolute macht van de Zoon van God.

En dat is exact waar sommige moderne bevrijdingsbedieningen de aandacht van afleiden. Er wordt soms eindeloos gesproken over de activiteiten van satan, alsof christenen voortdurend moeten ontdekken welke demon achter welk probleem zit.

Maar de Bijbel brengt geen Evangelie van demonische dreiging.

De Bijbel verkondigt Jezus Christus, Die macht heeft over alle overheden en machten.

 

Handelingen is niet alleen geschiedenis, maar ook een overgangsboek

Hier komen we bij een bijzonder belangrijk punt dat in veel charismatische Schriftuitleg onvoldoende of zelfs geen aandacht krijgt.

Het boek Handelingen is niet alleen een verslag van gebeurtenissen uit de begintijd van het christendom.

Het is ook een overgangsboek in de heilsgeschiedenis.

We zien de overgang van de bediening aan Israël naar de wereldwijde verkondiging van het Evangelie en de ontwikkeling van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

Aanvankelijk ligt de nadruk op Jeruzalem en Israël. Petrus neemt een vooraanstaande plaats in. Later bereikt het Evangelie Samaria en de heidenen. Vervolgens komt de bediening van Paulus steeds nadrukkelijker naar voren.

De Gemeente ontstaat op de Pinksterdag, maar het onderwijs over haar bijzondere hemelse positie en roeping wordt vooral in de apostolische brieven ontvouwd.

Dat onderscheid is zeer belangrijk.

Inderdaad, ook in Handelingen worden demonen uitgedreven.

In Handelingen 8 lezen we dat onreine geesten mensen verlaten tijdens de bediening van Filippus.

In Handelingen 16 drijft Paulus een waarzeggende geest uit een dienstmaagd.

En in Handelingen 19 lezen we over buitengewone wonderen door de handen van Paulus.

Dus nee, het uitdrijven van demonen hield niet meteen op na de hemelvaart van Christus.

Maar daarmee is niet aangetoond dat iedere christelijke gemeente een bevrijdingsbediening hoort te hebben.

Een gebeurtenis die de Schrift beschrijft, is daarmee niet meteen een opdracht die de Schrift voorschrijft.

Dat onderscheid wordt nogal eens vergeten.

 

Beschrijving is geen voorschrift

In Handelingen 19:11 lezen we:

“En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;” (STV)

Let op dat woord: ongewone.

Het gaat hier om bijzondere gebeurtenissen tijdens de apostolische bediening.

Zelfs zweetdoeken en gordeldoeken die met Paulus in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht, waarna ziekten en boze geesten weken.

Maar wie zou op grond daarvan durven beweren dat iedere gemeente vandaag een bediening met zweetdoeken moet organiseren?

Toch wordt met andere gebeurtenissen uit Handelingen wel zo geredeneerd.

Men leest dat iets gebeurde en concludeert dan dat het dus ook vandaag moet gebeuren.

Maar zo werkt het niet.

We moeten vragen aan wie iets werd gezegd, in welke omstandigheden het plaatsvond, welk doel het diende en of het later als blijvende opdracht aan de Gemeente wordt onderwezen.

Anders maken we van het boek Handelingen een handboek met voorbeelden waaruit iedereen naar believen een eigen bediening kan samenstellen.

En dan is de stap naar allerlei exotische praktijken niet groot meer.

 

Wat leren de brieven aan de Gemeente over demonen?

Nu komen we bij wat mij betreft het meest overtuigende gedeelte van dit onderwerp.

Wanneer Paulus schrijft aan de Gemeente, bespreekt hij uitvoerig het christelijke leven.

Hij heeft het over rechtvaardiging, heiliging, het vlees, de nieuwe mens, het wandelen door de Geest, de geestelijke strijd, het gebed en de volwassenheid van de gelovige.

Hij waarschuwt ook uitdrukkelijk voor de satan.

Maar waar vinden we in zijn brieven de opdracht om demonen uit wedergeboren gelovigen te drijven?

Waar onderwijst hij dat christenen ‘generatievloeken’ moeten verbreken?

Waar vinden we instructies om ‘territoriale geesten’ te binden?

Waar lezen we dat geestelijke volwassenheid afhankelijk is van een ‘bijzondere bevrijdingsbediening’?

Nergens.

En dat is opmerkelijk, temeer omdat Paulus zoveel aandacht besteedt aan de geestelijke wandel van de gelovige.

Uiteraard moeten we voorzichtig zijn met argumenten die uitsluitend gebaseerd zijn op wat ergens niet staat.

Maar hier gaat het om meer dan zwijgen.

De apostel geeft namelijk wél uitvoerig onderwijs over hoe de gelovige tegenover de duivel en zijn listen hoort te staan.

En dat onderwijs ziet er anders uit dan wat in bepaalde bevrijdingsbedieningen wordt gepraktiseerd.

 

 

Efeze 6: de geestelijke strijd is reëel, maar hoe voeren we die?

Efeze 6 wordt vaak terecht aangehaald wanneer het gaat over geestelijke strijd.

Paulus schrijft in Efeze 6:12:

“Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.” (STV)

Daar valt niets op af te dingen.

De geestelijke strijd is reëel.

Maar kijk eens aandachtig naar wat Paulus vervolgens schrijft.

Hij spreekt over de gehele wapenrusting Gods.

Waaruit bestaat die?

Uit waarheid, gerechtigheid, de bereidheid van het Evangelie des vredes, geloof, zaligheid, het Woord van God en gebed.

En waartoe dient deze wapenrusting?

Om staande te blijven tegenover de listen van de duivel.

Niet om voortdurend demonen op te sporen en te identificeren.

Niet om met demonische machten in gesprek dan wel in gevecht te gaan.

Niet om allerlei geestelijke gebieden te veroveren.

En evenmin om elke tegenslag in het leven als een demonische aanval te bestempelen.

Paulus leert ons niet hoe wij demonen moeten bevelen, maar hoe wij in de waarheid van God moeten standhouden.

Dat is een wezenlijk verschil.

En misschien mogen we ons ook wel afvragen waarom sommige predikers zoveel aandacht besteden aan manieren van geestelijke oorlogsvoering die Paulus helemaal niet onderwijst.

 

De gelovige is al verlost uit de macht van de duisternis

Hier ligt een sterke bemoediging.

Kolossenzen 1:13 zegt:

“Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde;” (STV)

Let eens op de werkwoordsvormen.

God heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis.

Hij heeft ons overgezet in het Koninkrijk van Zijn geliefde Zoon.

Dat is geen toekomstige mogelijkheid. Het is een volbracht feit.

En in Kolossenzen 2:10 lezen we:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (STV)

Wat een geweldige waarheid!

De gelovige is in Christus tot volheid gebracht.

Niet omdat hij inmiddels alle mogelijke demonen heeft laten uitdrijven.

Niet omdat iemand alle zogenaamde generatievloeken over zijn leven heeft verbroken.

Maar omdat hij in Christus is.

Dat betekent niet dat een gelovige nooit meer verzocht, misleid of aangevallen kan worden. De Schrift leert duidelijk het tegendeel.

Maar beïnvloeding en verzoeking zijn iets anders dan demonische bezetenheid.

De gedachte dat een wedergeboren gelovige door demonen bewoond wordt en daarom een bijzondere uitdrijving nodig heeft, kan niet uit Bijbels onderwijs worden afgeleid.

Wie dat toch leert, zal daarvoor een duidelijke Bijbelse basis moeten geven.

Een indrukwekkend getuigenis is daarvoor niet genoeg.

Een bijzondere ervaring ook niet.

 

De werken van het vlees; niet iedere zonde is een demon

Nog een belangrijk punt.

In sommige charismatische kringen wordt gemakkelijk gesproken over ‘een geest van angst’, ‘een geest van jaloezie’,’een geest van boosheid’, ‘een geest van verslaving’ of ‘een geest van onreinheid’.

Maar wat zegt Paulus?

In Galaten 5 spreekt hij over de werken van het vlees.

Daaronder vallen onder meer vijandschappen, twist, nijdigheid, toorn en dronkenschappen.

Hij noemt deze dingen niet demonische gebondenheden.

Hij noemt ze werken van het vlees.

En wat is zijn antwoord?

Galaten 5:16:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (STV)

 

Wandel door de Geest

De gelovige wordt opgeroepen te leven vanuit zijn nieuwe positie in Christus.

Dat vraagt geloof, kennis van Gods Woord en een wandel in afhankelijkheid van de Heilige Geest.

Wie iedere zondige neiging aan een demon toeschrijft, loopt het gevaar de verantwoordelijkheid van de gelovige zelf weg te nemen.

En wie iedere ziekte, angststoornis of psychische klacht demonisch verklaart, kan mensen bovendien ernstig beschadigen.

Laten we daar a.u.b voorzichtig mee zijn!

Een mens die lijdt, heeft geen behoefte aan ongefundeerde beschuldigingen over ‘verborgen demonische machten’.

Hij heeft behoefte aan waarheid, liefde, zorg en waar nodig deskundige hulp.

En bovenal mag hij gewezen worden op de Genade en trouw van God.

 

Generatievloeken en bevrijdingsgebeden: waar staat dat dan?

Een andere terugkerende gedachte is dat christenen gebonden kunnen blijven door zonden van hun voorouders.

Daarom zouden generatievloeken verbroken moeten worden door speciale gebeden of bevrijdingsrituelen.

Maar waar vinden we die opdracht in de brieven aan de Gemeente?

Paulus schrijft in Galaten 3:13:

“Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.” (STV)

Dit vers spreekt specifiek over de vloek van de Wet. We moeten het dus niet zomaar gebruiken om iedere mogelijke vorm van erfelijke belasting of de gevolgen van vroegere zonden weg te redeneren.

Maar het onderstreept wel dat onze verlossing rust op het volbrachte werk van Christus.

De apostelen leren nergens dat wedergeboren gelovigen eerst een inventarisatie van hun familiegeschiedenis moeten maken om verborgen geestelijke vloeken te ontdekken.

Toch wordt dat in sommige bedieningen voorgesteld als een noodzakelijke stap naar geestelijke vrijheid.

Waar zegt de Bijbel dat?

Een beroep op oudtestamentische teksten over de gevolgen van zonden in opeenvolgende generaties is nog geen bewijs dat de Gemeente een dergelijke bevrijdingspraktijk moet kennen.

Daarvoor is meer nodig dan een verzameling los aangehaalde Bijbelteksten.

Een leer wordt niet Bijbels doordat men er (veel) Bijbelteksten bij noemt, dat is dan pas het geval als die teksten, gelezen in hun verband, werkelijk leren wat men beweert.

 

De duivel krijgt soms meer aandacht dan Christus

Dit vind ik misschien wel het meest verontrustende gevolg van een overdreven nadruk op demonische activiteiten.

Een gelovige kan zo voortdurend bezig raken met wat satan mogelijk doet, dat hij nauwelijks nog toekomt aan de rijkdom van wat Christus heeft gedaan.

Er ontstaat een geloofsleven waarin men steeds opnieuw bevrijding zoekt.

Steeds opnieuw moeten gebondenheden worden verbroken.

Steeds opnieuw moeten geestelijke aanvallen worden afgeslagen.

Steeds opnieuw is er een nieuwe doorbraak nodig.

 

Maar wanneer is het dan genoeg?

Wanneer mag de gelovige eenvoudig rusten in het volbrachte werk van zijn Heiland?

Paulus schrijft in Kolossenzen 2:15:

“En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door Hetzelve over hen getriomfeerd.” (STV)

Wie heeft overwonnen?

Christus!

Niet de bevrijdingsprediker.

Niet degene die de indrukwekkendste gebeden uitspreekt.

Niet degene die het hardst tegen demonen schreeuwt.

Christus heeft overwonnen.

En de gelovige mag weten dat hij verbonden is met deze overwinnende Heiland.

Dat is geen reden voor geestelijke laksheid Het is juist de grond voor een leven in geloof, waakzaamheid en dankbaarheid.

 

Waarom begint Paulus niet met geestelijke oorlogsvoering?

Lees de brief aan de Efeziërs eens in zijn geheel.

Paulus begint niet met satan.

Hij begint met Gods zegeningen in Christus.

Hij schrijft over onze uitverkiezing in Hem, onze verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de misdaden en onze verzegeling met de Heilige Geest.

Vervolgens spreekt hij over onze levendmaking met Christus en onze hemelse positie in Hem.

Daarna volgt zijn onderwijs over de praktische wandel van de gelovige.

En pas tegen het einde van de brief komt de geestelijke wapenrusting ter sprake.

Dát is de volgorde van het apostolische onderwijs.

Eerst wat God in Christus voor ons heeft gedaan.

Dan wie wij in Christus zijn.

Vervolgens hoe wij behoren te wandelen. En binnen die wandel leren wij ook standhouden tegenover de listen van de duivel.

Wanneer een prediking deze volgorde omkeert en voortdurend begint bij de dreiging van satan, raakt de Bijbelse verhouding gemakkelijk zoek.

Dan wordt de gelovige niet opgebouwd in de kennis van Christus, maar mogelijk afhankelijk gemaakt van mensen die beweren bijzondere kennis te hebben van de demonische wereld.

En daar moeten we bijzonder kritisch op zijn.

 

 

Geestelijke volwassenheid, niet afhankelijkheid van bevrijdingsspecialisten

In Efeze 4 lezen we dat Christus gaven aan Zijn Gemeente heeft gegeven met het oog op de opbouw van het Lichaam.

Het doel daarvan is dat gelovigen opgroeien tot geestelijke volwassenheid.

Efeze 4:14:

“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;” (STV)

Dat is een ernstige waarschuwing.

De bedoeling van Bijbels onderwijs is met name niet dat gelovigen steeds afhankelijker worden van bijzondere bedieningen en geestelijke specialisten.

Het doel is dat zij groeien in de kennis van Christus en leren onderscheiden wat waarheid en dwaling is.

En dat geldt ook voor het onderwijs over demonen en bevrijding.

Wanneer een christen voortdurend te horen krijgt dat hij mogelijk nog gebonden is, dat er verborgen vloeken over zijn leven liggen of dat hij zonder een bijzondere bevrijdingsbediening niet werkelijk vrij kan worden, dan mag hij vragen:

Waar leert de Schrift dat?

En als die vraag niet vanuit het Bijbelse onderwijs beantwoord kan worden, waarom zou hij zich dan aan zulke beweringen onderwerpen?

De Gemeente heeft geen nieuwe openbaringen nodig over vermeende demonische structuren, maar heeft behoefte aan gezond onderwijs uit het Woord van God.

 

Een woord van bemoediging voor wie bang is geworden

Misschien heb je zelf wel onderwijs gehad waardoor je voortdurend bang bent geworden voor demonische machten.

Misschien is je verteld dat bepaalde problemen in je leven wijzen op geestelijke gebondenheid.

Of dat je nog niet echt vrij bent zolang iemand niet voor je heeft gebeden om bepaalde vloeken te verbreken.

Dan wil ik je graag wijzen op de woorden van Romeinen 8:38-39:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)

Wat een geweldige zekerheid!

Paulus ontkent het bestaan van geestelijke machten niet.

Maar hij verkondigt dat geen enkele geschapen macht de gelovige kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus.

Dáár ligt onze zekerheid.

Niet in de kracht van onze gebeden.

Niet in de kennis van een bevrijdingsprediker.

Niet in het aantal geestelijke aanvallen dat wij menen te hebben afgeslagen.

Maar in Christus. In Hem alleen.

En daarom hoeven we niet steeds angstig rond te kijken naar wat de duivel mogelijk doet.

We mogen onze aandacht richten op Hem Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

Laat er geen misverstand over bestaan.

Satan bestaat. Demonische machten bestaan. De geestelijke strijd is reëel.

Maar dat betekent niet dat iedere hedendaagse leer over demonische gebondenheid, generatievloeken of bevrijdingsbediening daarmee ook Bijbels is.

De Evangeliën tonen ons de macht van de Messias, Die het Koninkrijk aan Israël aankondigde.

Handelingen beschrijft de bijzondere overgangsperiode waarin het Evangelie vanuit Jeruzalem zijn weg vond naar de volken en waarin de apostolische bediening met tekenen en wonderen gepaard ging.

De brieven aan de Gemeente geven ons vervolgens het leerstellige onderwijs over onze positie, roeping en wandel in Christus.

En daarin vinden we geen opdracht om een afzonderlijke bevrijdingsbediening op te bouwen waarin wedergeboren gelovigen voortdurend van demonen moeten worden verlost.

We vinden er wel de opdracht om te wandelen door de Geest, het Woord der waarheid vast te houden, de duivel te weerstaan en de gehele wapenrusting Gods aan te doen.

Daarom moeten we niet alles geloven wat onder de noemer van geestelijke strijd wordt aangeboden.

Ook niet wanneer het indrukwekkend klinkt.

Ook niet wanneer er bijzondere getuigenissen bij worden verteld.

En ook niet wanneer iemand beweert dat hij door een speciale zalving of openbaring inzicht heeft gekregen in de demonische wereld.

 

De vraag blijft:

Wat zegt de Bijbel?

Want een christen wordt niet geestelijk volwassen door steeds meer over demonen te weten te komen.

Hij groeit door de kennis van de Here Jezus Christus.

En uiteindelijk gaat het daarom.

Niet om de duivel groot te maken, maar om Christus te verheerlijken.

Niet om mensen angst aan te jagen, maar om hen te bepalen bij de zekerheid van Gods beloften.

Niet om nieuwe afhankelijkheden te scheppen, maar om gelovigen op te bouwen in het geloof.

Kolossenzen 3:1-2 zegt:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” (STV)

Daar hoort onze aandacht te liggen.

Niet bij een voortdurende zoektocht naar demonische machten, maar bij onze opgestane en verheerlijkte Heiland.

Want niet de duivel heeft het laatste woord.

Christus heeft overwonnen.

En in Hem is de gelovige geborgen.

 

Toets daarom de leer aan het Woord van God. Niet de ervaring, niet de traditie en niet het gezag van een prediker bepalen wat waar is. De Bijbel is de maatstaf.

 

Wat zegt de Bijbel over het ontvangen van de Heilige Geest?

Het onderscheid tussen Handelingen en de brieven

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Voor wie wil weten wat de Bijbel zegt over het ontvangen van de Heilige Geest, is het essentieel om te weten dat het boek Handelingen een historisch overgangsboek is. Handelingen beschrijft de overgang van de bedeling van de Wet en het Jodendom naar de bedeling van Genade en het ontstaan van de Gemeente.

De apostel Paulus vraagt aan discipelen in Efeze:

“Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben niet eens gehoord, of er een Heilige Geest is.” (Handelingen 19:2 STV)

Handelingen beschrijft gelovigen die de Nazarener-gelofte afleggen en hun haar laten knippen om op het altaar in Jeruzalem te offeren (Handelingen 21:23-26).

Apollos was een vurig prediker, maar kende aanvankelijk alleen de doop van Johannes de Doper (Hand. 18:24-26). Priscilla en Aquilla moesten hem de weg van God nauwkeuriger uitleggen.

De twaalf mannen in Efeze (Handelingen 19:1-7) noemden zich wel ‘discipelen’ (leerlingen), maar zij kenden alleen de doop van Johannes en hadden nog niet gehoord van de volbrachte verlossing en de uitstorting van de Heilige Geest. Pas nadat Paulus hen over de Heere Jezus onderwees, kwamen zij tot geloof en ontvingen zij de Geest.

De ontsluiting van het Evangelie in Handelingen

In Handelingen zien we hoe het Evangelie stapsgewijs werd geopend voor verschillende groepen:

De Joden in Jeruzalem op de Pinksterdag (Handelingen 2:1-4).

De Samaritanen (Handelingen 8:14-17).

De Heidenen in het huis van Cornelius (Handelingen 10:44-48).

Bij al deze sleutelmomenten was de apostel Petrus aanwezig, aan wie de Here Jezus de sleutels van het Koninkrijk der hemelen had toevertrouwd (Matthéüs 16:19). Toen Petrus dit later in Jeruzalem uitlegde, erkende de gemeente dat God ook aan de heidenen de bekering tot het leven had geschonken (Handelingen 11:18).

Ontvangst door geloof

Waar Handelingen de historische overgang beschrijft, ontvouwen de brieven van Paulus de gezonde leer voor de Gemeente. Paulus leert dat elke gelovige op het moment van zijn bekering de Heilige Geest ontvangt.

Sterker gezegd:

Wie de Geest niet heeft , is geen eigendom van Christus

“Doch gij zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.” (Romeinen 8:9 STV)

Verzegeld op het moment van geloof

“In Welken gij ook zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, geloofd hebbende, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” (Efeze 1:13 STV)

Gedoopt tot één Lichaam

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13 STV)

Door deze doop met de Heilige Geest wordt de gelovige uit de oude staat (“in Adam”) overgeplaatst in de nieuwe staat (“in Christus”):

“Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20)

Het lichaam als tempel van de Geest

“Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Denwelken gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?” (1 Korinthe 6:19 STV; zie ook 2 Korinthe.6:16)

De Eenheid van de Geest en de opdracht tot vervulling

In Efeze 4:4-6 vat Paulus de geestelijke werkelijkheid van de bedeling van Genade samen:

“Één lichaam is het, en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt in één hoop uwer roeping; Één Heere, één geloof, één doop, Één God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.”

Hoewel het bezit van de Heilige Geest vaststaat vanaf het moment van geloof, is er de voortdurende opdracht voor de wandel:

Vervuld zijn met de Geest wil zeggen dat de Geest de leiding over ons denken, spreken en handelen heeft. Dit openbaart zich praktisch in:

Een hart vol lofprijzing en dankbaarheid (Efeze. 5:19-20 STV).

Onderlinge eerbied en onderdanigheid (Efeze 5:21 STV)

Praktische dienstbaarheid in het dagelijks leven (zoals de zeven diakenen in Handelingen 6:3).

Het waarneembare bewijs van de inwoning van de Geest

De Here Jezus zei over de Heilige Geest:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en het u verkondigen” (Johannes 16:14 STV)

Het bewijs dat iemand de Heilige Geest bezit, is dus niet het zoeken naar eigen eer of bijzondere verschijnselen, maar een onweerstaanbaar verlangen om de Here Jezus Christus groot te maken. Stefanus is daar een sprekend voorbeeld van: toen hij vol was van de Heilige Geest, sprak hij niet over zichzelf, maar getuigde hij enkel van Jezus Christus en zag hij de hemel geopend.

Het doel van Gods raadsbesluit staat vast:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid van God den Vader.” (Filippenzen 2:11 STV)

lees ook:

Een aparte doop in de Geest, leert de Bijbel dit?

 

Wat is de Gemeente van Jezus Christus?

Vreemde vraag, denk je wellicht. Maar het zal je gedacht zijn wat sommige mensen hier allemaal onder verstaan. Om een goed en helder antwoord  te kunnen vinden op deze vraag schrijf ik dit blog.

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Het Lichaam van Christus volgens de Bijbel

Als het woord “gemeente” valt, denken veel mensen onmiddellijk aan de kerk, een kerkgebouw, een plaatselijke geloofsgemeenschap, een denominatie of een organisatie met voorgangers, oudsten en ledenlijsten. Maar wie vanuit de Schrift vraagt wat de Gemeente van Jezus Christus echt is, komt bij iets veel fundamentelers terecht.

De Gemeente is geen menselijke organisatie die rondom Jezus Christus is opgebouwd. Deze is het Lichaam van Christus, waarvan de opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus Zelf het Hoofd is.

Dat verschil is niet maar een kwestie van woorden. Het bepaalt hoe we kijken naar de positie van de gelovige, naar kerkelijk leiderschap, naar Israël, naar onze hemelse roeping en uiteraard naar Christus Zelf.

Het lichaam van Christus colgens de Bijbel
Wat is de gemeente van Jezus Christus?

Christus bouwt Zijn Gemeente

De eerste belangrijke aanwijzing vinden we in de woorden van de Here Jezus Christus:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Mattheüs 16:18, STV)

Let op de woorden:

“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”

De Here Jezus sprak niet over iets wat vanaf Adam altijd al had bestaan. Hij sprak over iets dat Hij zou bouwen. De Gemeente heeft daarom een bijzondere plaats in Gods heilsplan.

En minstens zo belangrijk: Christus zegt niet dat mensen Zijn Gemeente zullen bouwen. Hij bouwt haar.

Dat zet gelijk een streep door het idee dat de Gemeente in essentie een menselijke instelling zou zijn. Mensen kunnen kerkgenootschappen oprichten, gebouwen neerzetten, statuten schrijven en organisaties besturen.

Maar alleen Christus kan Zijn Gemeente bouwen.

 

De Gemeente is het Lichaam van Christus

Paulus geeft de meest directe omschrijving:

“En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” (Efeze 1:22-23, STV)

De Gemeente is dus zoals we hier zien: Zijn Lichaam.

Dat is veel meer dan een mooi beeld voor christelijke samenwerking. Christus is het Hoofd en de gelovigen vormen gezamenlijk Zijn Lichaam.

Dat betekent ook dat het leven van de Gemeente niet voortkomt uit menselijke structuren, programma’s of leiders. Haar leven komt voort uit Christus.

Zoals een lichaam niet onafhankelijk van het hoofd kan functioneren, zo heeft de Gemeente geen zelfstandig geestelijk bestaan naast Christus. Haar positie, identiteit, leven en toekomst zijn allemaal verbonden met Hem.

Dat maakt de Gemeente in de eerste plaats christocentrisch. (Christocentrisch = gericht op Christus als Hoofd, fundament, levensbron en middelpunt.)

Niet de voorganger staat centraal.

Niet een bediening.

Niet een kerkverband.

Niet een bepaalde beweging.

Christus.

 

Wie hoort tot de Gemeente?

Ook hierover laat de Schrift weinig ruimte voor menselijke definities.

Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

De Gemeente wordt dus gevormd door mensen die door de Heilige Geest tot één Lichaam zijn gemaakt.

Dat is iets anders dan lid worden van een kerk.

Je kunt op een ledenlijst staan zonder dat daarmee bewezen is dat je tot het Lichaam van Christus behoort. Omgekeerd kan iemand tot Christus behoren zonder aangesloten te zijn bij het kerkgenootschap dat anderen misschien als het enige juiste beschouwen.

De bepalende vraag is niet:

Bij welke kerk hoor je?

Maar:

Ben je in Christus?

De Gemeente bestaat uit mensen die door geloof deel gekregen hebben aan het nieuwe leven in Christus.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17, STV)

Christelijk geloof is daarom niet in de eerste plaats het aannemen van een ‘christelijke levensstijl’. Wat je daar ook onder mag verstaan. Het gaat om nieuw leven.

 

Christus gaf niet alleen Zijn leven voor ons

Hier ligt een belangrijk onderscheid.

Het Evangelie verkondigt dat Christus voor onze zonden gestorven is. Maar behoud houdt niet op bij vergeving.

De gelovige ontvangt leven in Christus.

“En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon. Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.” (1 Johannes 5:11-12, STV)

Eeuwig leven is daarom niet slechts eindeloos blijven bestaan. Het is leven dat in Gods Zoon gevonden wordt.

Christus gaf Zijn leven voor ons tot verlossing, maar Hij geeft ook Zijn leven aan ons.

Daarom zegt Paulus:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij…” (Galaten 2:20, STV)

Dáár ligt het geheim van de Gemeente.

Het is niet een verzameling mensen die allemaal proberen Jezus na te doen. Het is een Lichaam van mensen die hun nieuwe leven in Christus ontvangen hebben.

 

Jood en heiden worden één nieuw Lichaam

Een ander wezenlijk kenmerk van de Gemeente is dat daarin het vroegere onderscheid tussen Jood en heiden geen basis vormt voor de positie in Christus.

Paulus noemt dit onderdeel van de verborgenheid:

“Dat de heidenen zijn medeërfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie;” (Efeze 3:6, STV)

Let op die woorden:

“van hetzelfde lichaam.”

De heiden wordt niet eerst Jood om vervolgens bij Gods volk te mogen horen. Evenmin wordt de Jood heiden.

God doet iets nieuws.

Gelovigen uit Joden en heidenen worden in Christus samengevoegd tot één Lichaam.

Dat is van groot belang, omdat hierover tegenwoordig veel verwarring bestaat.

 

De Gemeente is niet Israël

Een duidelijk Bijbels onderscheid tussen Israël en de Gemeente voorkomt veel leerstellige verwarring.

Israël heeft in de Schrift een eigen roeping, geschiedenis, beloften en toekomst. De Gemeente heeft eveneens een eigen roeping, positie en toekomst.

De Gemeente is daarom niet eenvoudig een nieuwe naam voor Israël.

Evenmin heeft de Gemeente Israël vervangen.

Paulus zegt over Israël:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre…” (Romeinen 11:1, STV)

En later:

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” (Romeinen 11:29, STV)

De Bijbel geeft ons daarom geen reden om de beloften die God aan Israël deed stilzwijgend naar de Gemeente over te hevelen.

Dat gebeurt helaas nog steeds vaak. Beloften die betrekking hebben op Israël, het land, Jeruzalem en het toekomstige Koninkrijk worden dan “vergeestelijkt” en op de kerk toegepast.

Maar daarmee wordt niet alleen Israël van zijn beloften beroofd; ook de unieke positie van de Gemeente raakt uit beeld.

De Gemeente hoeft helemaal niet Israël  te worden om een buitengewoon heerlijke positie te hebben.

Haar roeping is namelijk hemels.

 

Een hemelse roeping

Paulus schrijft:

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;” (Filippenzen 3:20, STV)

En:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

De positie van de Gemeente wordt dus niet bepaald door aardse macht, politieke invloed of maatschappelijke status.

Dat is een belangrijke correctie op allerlei vormen van christendom waarin men leert dat de kerk geroepen zou zijn om de wereld over te nemen, maatschappelijk te domineren of het Koninkrijk van God op aarde te vestigen.

De Gemeente heeft een andere, hogere roeping.

Zij behoort bij de verworpen maar inmiddels verheerlijkte Christus.

Het Hoofd bevindt Zich in de hemel.

Het burgerschap is in de hemel.

De zegeningen zijn in Christus in de hemel.

En de verwachting is vanuit de hemel.

Dat is een radicaal ander perspectief.

 

De Gemeente was een verborgenheid

Paulus spreekt meerdere malen over een “verborgenheid”. Een begrip dat bij sommigen voor veel onbegrip zorgt.

Daarmee bedoelt hij niet iets geheimzinnigs of mystieks, maar eenvoudig een waarheid die God eerder niet bekendgemaakt had zoals Hij die later heeft geopenbaard.

Paulus schrijft:

“En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;” (Efeze 3:9, STV)

Dit verklaart waarom de Gemeente niet eenvoudig gezocht en gevonden kan worden in alle oudtestamentische profetieën over Israël.

Gods voornemen met de Gemeente was in Hem verborgen en werd later geopenbaard.

Juist daarom is het gevaarlijk om Israël en de Gemeente zonder onderscheid in elkaar te schuiven.

Dan verdwijnt namelijk precies dat bijzondere karakter waarvan Paulus zegt dat het een verborgenheid was.

 

De Gemeente is een woonplaats van God

De Gemeente is niet alleen een Lichaam. Zij wordt ook voorgesteld als een geestelijke tempel.

“Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere; Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.” (Efeze 2:21-22, STV)

Ook hier is het verschil met menselijke religie enorm.

Onder het oude verbond stond de tempel op een geografische plaats.

In de huidige bedeling woont God door Zijn Geest in Zijn Gemeente.

Daarom is een kerkgebouw op zichzelf nooit “het huis van God” in dezelfde betekenis waarin de tempel dat onder Israël was.

Het huis van God bestaat uit levende stenen.

“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5, STV)

Dat heeft verstrekkende gevolgen voor onze kijk op kerk-zijn.

 

Geen geestelijke elite binnen het Lichaam

Als we goed begrijpen wat het Lichaam van Christus is, wordt ook duidelijk hoe vreemd een systeem van geestelijke rangen en standen eigenlijk is.

Paulus vergelijkt de Gemeente met één lichaam waarin vele leden verschillende functies hebben.

Niet ieder lid doet hetzelfde. Niet iedere gave is hetzelfde. Niet iedere taak is hetzelfde.

Maar verschil in functie betekent geen verschil in geestelijke waarde.

“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.” (1 Korinthe 12:12, STV)

Dat laat geen ruimte voor profileringsdrang.

De Gemeente heeft één Hoofd.

Niet een apostel.

Niet een profeet.

Niet een voorganger.

Niet een gezalfde leider.

Maar Christus.

Menselijke bedieningen hebben alleen betekenis voor zover zij het Lichaam dienen en de leden helpen groeien tot geestelijke volwassenheid.

Zodra gelovigen structureel afhankelijk worden gemaakt van bijzondere leiders, “gezalfden” of geestelijke specialisten, wordt het Bijbelse beeld omgedraaid

Bediening behoort het Lichaam op te bouwen, niet zichzelf.

De Gemeente leeft onder, door en uit Genade

Ook dit behoort tot de identiteit.

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Dat betekent niet dat het leven van de gelovige er niet toe doet. Integendeel.

Genade redt niet alleen; genade onderwijst.

“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld;” (Titus 2:11-12, STV)

De Gemeente wordt daarom niet gevormd door mensen die door nauwgezette wetsbetrachting en inspanning proberen God gunstig te stemmen.

Zij bestaat uit mensen die uit genade behouden zijn en vanuit die genade leren wandelen.

 

Waarom dit onderscheid vandaag zo belangrijk is

Dit is geen abstract leerstellig onderwerp.

Als niet meer duidelijk is wat de Gemeente eigenlijk is, ontstaan vrijwel vanzelf allerlei verschuivingen.

Dan wordt de Gemeente een organisatie die succes moet hebben.

Leiders worden bestuurders of geestelijke beroemdheden.

Gemeenteopbouw wordt organisatiegroei.

Geestelijke vrucht wordt meetbaar gemaakt in bezoekersaantallen.

Roeping wordt invloed.

Dienstbaarheid wordt profilering.

En het Hoofd raakt langzaam maar zeker uit beeld.

Maar het Nieuwe Testament tekent een heel ander beeld.

Christus is het Hoofd.

De gelovigen zijn Zijn leden.

De Heilige Geest vormt hen tot één Lichaam.

Genade is de grondslag waarop zij staan.

De hemel bepaalt hun positie en verwachting.

Dan wordt de vraag niet langer:

Hoe maken wij onze kerk groot?

De vraag wordt:

Hoe wordt Christus verheerlijkt?

 

De Gemeente is eigendom van Christus

Misschien ligt daarin uiteindelijk de eenvoudigste en tegelijk diepste waarheid.

De Gemeente is Zijn Gemeente.

Hij heeft haar lief.

Hij heeft Zich voor haar gegeven.

“Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;” (Efeze 5:25, STV)

Daarom mag niemand, onder geen voorwaarde, zich de Gemeente toe-eigenen.

Geen leider kan zeggen:

“mijn gemeente”

alsof zij van hem is.

Geen denominatie bezit het Lichaam van Christus.

Geen beweging heeft het alleenrecht op Gods werk.

Christus kocht.

Christus bouwt.

Christus voedt

Christus heiligt.

Christus is het Hoofd.

En te Zijner tijd zal Christus haar tot Zich nemen.

 

Wat is dan wél de Gemeente van Jezus Christus

Samengevat kunnen we daarom zeggen:

De Gemeente van Jezus Christus is het door God gevormde hemelse volk, de Gemeente der eerstgeborenen, wedergeboren gelovigen uit Jood en heiden, die door de Heilige Geest tot één Lichaam met de opgestane en verheerlijkte Christus zijn verbonden. Christus is het Hoofd en de levensbron van dit Lichaam. De Gemeente leeft onder Genade, is een woonplaats van God door de Geest, deelt in Christus’ hemelse positie en verwachting en moet onderscheiden worden van Israël.

Dat is vele malen rijker dan “naar de kerk gaan”.

Wie in Christus is, behoort tot iets dat mensen nooit zouden kunnen bouwen.

Tot Zijn Lichaam.

En daarom hoort in de Gemeente uiteindelijk maar Eén centraal te staan:

de Here Jezus Christus.

zie ook:

Jezus alleen: Christus bouwt Zijn Gemeente – Bijbelse basis

gemeente van Jezus Christus – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights