Wat is de Gemeente van Jezus Christus?

Vreemde vraag, denk je wellicht. Maar het zal je gedacht zijn wat sommige mensen hier allemaal onder verstaan. Om een goed en helder antwoord  te kunnen vinden op deze vraag schrijf ik dit blog.

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Het Lichaam van Christus volgens de Bijbel

Als het woord “gemeente” valt, denken veel mensen onmiddellijk aan de kerk, een kerkgebouw, een plaatselijke geloofsgemeenschap, een denominatie of een organisatie met voorgangers, oudsten en ledenlijsten. Maar wie vanuit de Schrift vraagt wat de Gemeente van Jezus Christus echt is, komt bij iets veel fundamentelers terecht.

De Gemeente is geen menselijke organisatie die rondom Jezus Christus is opgebouwd. Deze is het Lichaam van Christus, waarvan de opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus Zelf het Hoofd is.

Dat verschil is niet maar een kwestie van woorden. Het bepaalt hoe we kijken naar de positie van de gelovige, naar kerkelijk leiderschap, naar Israël, naar onze hemelse roeping en uiteraard naar Christus Zelf.

Het lichaam van Christus colgens de Bijbel
Wat is de gemeente van Jezus Christus?

Christus bouwt Zijn Gemeente

De eerste belangrijke aanwijzing vinden we in de woorden van de Here Jezus Christus:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Mattheüs 16:18, STV)

Let op de woorden:

“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”

De Here Jezus sprak niet over iets wat vanaf Adam altijd al had bestaan. Hij sprak over iets dat Hij zou bouwen. De Gemeente heeft daarom een bijzondere plaats in Gods heilsplan.

En minstens zo belangrijk: Christus zegt niet dat mensen Zijn Gemeente zullen bouwen. Hij bouwt haar.

Dat zet gelijk een streep door het idee dat de Gemeente in essentie een menselijke instelling zou zijn. Mensen kunnen kerkgenootschappen oprichten, gebouwen neerzetten, statuten schrijven en organisaties besturen.

Maar alleen Christus kan Zijn Gemeente bouwen.

 

De Gemeente is het Lichaam van Christus

Paulus geeft de meest directe omschrijving:

“En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” (Efeze 1:22-23, STV)

De Gemeente is dus zoals we hier zien: Zijn Lichaam.

Dat is veel meer dan een mooi beeld voor christelijke samenwerking. Christus is het Hoofd en de gelovigen vormen gezamenlijk Zijn Lichaam.

Dat betekent ook dat het leven van de Gemeente niet voortkomt uit menselijke structuren, programma’s of leiders. Haar leven komt voort uit Christus.

Zoals een lichaam niet onafhankelijk van het hoofd kan functioneren, zo heeft de Gemeente geen zelfstandig geestelijk bestaan naast Christus. Haar positie, identiteit, leven en toekomst zijn allemaal verbonden met Hem.

Dat maakt de Gemeente in de eerste plaats christocentrisch. (Christocentrisch = gericht op Christus als Hoofd, fundament, levensbron en middelpunt.)

Niet de voorganger staat centraal.

Niet een bediening.

Niet een kerkverband.

Niet een bepaalde beweging.

Christus.

 

Wie hoort tot de Gemeente?

Ook hierover laat de Schrift weinig ruimte voor menselijke definities.

Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

De Gemeente wordt dus gevormd door mensen die door de Heilige Geest tot één Lichaam zijn gemaakt.

Dat is iets anders dan lid worden van een kerk.

Je kunt op een ledenlijst staan zonder dat daarmee bewezen is dat je tot het Lichaam van Christus behoort. Omgekeerd kan iemand tot Christus behoren zonder aangesloten te zijn bij het kerkgenootschap dat anderen misschien als het enige juiste beschouwen.

De bepalende vraag is niet:

Bij welke kerk hoor je?

Maar:

Ben je in Christus?

De Gemeente bestaat uit mensen die door geloof deel gekregen hebben aan het nieuwe leven in Christus.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17, STV)

Christelijk geloof is daarom niet in de eerste plaats het aannemen van een ‘christelijke levensstijl’. Wat je daar ook onder mag verstaan. Het gaat om nieuw leven.

 

Christus gaf niet alleen Zijn leven voor ons

Hier ligt een belangrijk onderscheid.

Het Evangelie verkondigt dat Christus voor onze zonden gestorven is. Maar behoud houdt niet op bij vergeving.

De gelovige ontvangt leven in Christus.

“En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon. Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.” (1 Johannes 5:11-12, STV)

Eeuwig leven is daarom niet slechts eindeloos blijven bestaan. Het is leven dat in Gods Zoon gevonden wordt.

Christus gaf Zijn leven voor ons tot verlossing, maar Hij geeft ook Zijn leven aan ons.

Daarom zegt Paulus:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij…” (Galaten 2:20, STV)

Dáár ligt het geheim van de Gemeente.

Het is niet een verzameling mensen die allemaal proberen Jezus na te doen. Het is een Lichaam van mensen die hun nieuwe leven in Christus ontvangen hebben.

 

Jood en heiden worden één nieuw Lichaam

Een ander wezenlijk kenmerk van de Gemeente is dat daarin het vroegere onderscheid tussen Jood en heiden geen basis vormt voor de positie in Christus.

Paulus noemt dit onderdeel van de verborgenheid:

“Dat de heidenen zijn medeërfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie;” (Efeze 3:6, STV)

Let op die woorden:

“van hetzelfde lichaam.”

De heiden wordt niet eerst Jood om vervolgens bij Gods volk te mogen horen. Evenmin wordt de Jood heiden.

God doet iets nieuws.

Gelovigen uit Joden en heidenen worden in Christus samengevoegd tot één Lichaam.

Dat is van groot belang, omdat hierover tegenwoordig veel verwarring bestaat.

 

De Gemeente is niet Israël

Een duidelijk Bijbels onderscheid tussen Israël en de Gemeente voorkomt veel leerstellige verwarring.

Israël heeft in de Schrift een eigen roeping, geschiedenis, beloften en toekomst. De Gemeente heeft eveneens een eigen roeping, positie en toekomst.

De Gemeente is daarom niet eenvoudig een nieuwe naam voor Israël.

Evenmin heeft de Gemeente Israël vervangen.

Paulus zegt over Israël:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre…” (Romeinen 11:1, STV)

En later:

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” (Romeinen 11:29, STV)

De Bijbel geeft ons daarom geen reden om de beloften die God aan Israël deed stilzwijgend naar de Gemeente over te hevelen.

Dat gebeurt helaas nog steeds vaak. Beloften die betrekking hebben op Israël, het land, Jeruzalem en het toekomstige Koninkrijk worden dan “vergeestelijkt” en op de kerk toegepast.

Maar daarmee wordt niet alleen Israël van zijn beloften beroofd; ook de unieke positie van de Gemeente raakt uit beeld.

De Gemeente hoeft helemaal niet Israël  te worden om een buitengewoon heerlijke positie te hebben.

Haar roeping is namelijk hemels.

 

Een hemelse roeping

Paulus schrijft:

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;” (Filippenzen 3:20, STV)

En:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

De positie van de Gemeente wordt dus niet bepaald door aardse macht, politieke invloed of maatschappelijke status.

Dat is een belangrijke correctie op allerlei vormen van christendom waarin men leert dat de kerk geroepen zou zijn om de wereld over te nemen, maatschappelijk te domineren of het Koninkrijk van God op aarde te vestigen.

De Gemeente heeft een andere, hogere roeping.

Zij behoort bij de verworpen maar inmiddels verheerlijkte Christus.

Het Hoofd bevindt Zich in de hemel.

Het burgerschap is in de hemel.

De zegeningen zijn in Christus in de hemel.

En de verwachting is vanuit de hemel.

Dat is een radicaal ander perspectief.

 

De Gemeente was een verborgenheid

Paulus spreekt meerdere malen over een “verborgenheid”. Een begrip dat bij sommigen voor veel onbegrip zorgt.

Daarmee bedoelt hij niet iets geheimzinnigs of mystieks, maar eenvoudig een waarheid die God eerder niet bekendgemaakt had zoals Hij die later heeft geopenbaard.

Paulus schrijft:

“En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;” (Efeze 3:9, STV)

Dit verklaart waarom de Gemeente niet eenvoudig gezocht en gevonden kan worden in alle oudtestamentische profetieën over Israël.

Gods voornemen met de Gemeente was in Hem verborgen en werd later geopenbaard.

Juist daarom is het gevaarlijk om Israël en de Gemeente zonder onderscheid in elkaar te schuiven.

Dan verdwijnt namelijk precies dat bijzondere karakter waarvan Paulus zegt dat het een verborgenheid was.

 

De Gemeente is een woonplaats van God

De Gemeente is niet alleen een Lichaam. Zij wordt ook voorgesteld als een geestelijke tempel.

“Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere; Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.” (Efeze 2:21-22, STV)

Ook hier is het verschil met menselijke religie enorm.

Onder het oude verbond stond de tempel op een geografische plaats.

In de huidige bedeling woont God door Zijn Geest in Zijn Gemeente.

Daarom is een kerkgebouw op zichzelf nooit “het huis van God” in dezelfde betekenis waarin de tempel dat onder Israël was.

Het huis van God bestaat uit levende stenen.

“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5, STV)

Dat heeft verstrekkende gevolgen voor onze kijk op kerk-zijn.

 

Geen geestelijke elite binnen het Lichaam

Als we goed begrijpen wat het Lichaam van Christus is, wordt ook duidelijk hoe vreemd een systeem van geestelijke rangen en standen eigenlijk is.

Paulus vergelijkt de Gemeente met één lichaam waarin vele leden verschillende functies hebben.

Niet ieder lid doet hetzelfde. Niet iedere gave is hetzelfde. Niet iedere taak is hetzelfde.

Maar verschil in functie betekent geen verschil in geestelijke waarde.

“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.” (1 Korinthe 12:12, STV)

Dat laat geen ruimte voor profileringsdrang.

De Gemeente heeft één Hoofd.

Niet een apostel.

Niet een profeet.

Niet een voorganger.

Niet een gezalfde leider.

Maar Christus.

Menselijke bedieningen hebben alleen betekenis voor zover zij het Lichaam dienen en de leden helpen groeien tot geestelijke volwassenheid.

Zodra gelovigen structureel afhankelijk worden gemaakt van bijzondere leiders, “gezalfden” of geestelijke specialisten, wordt het Bijbelse beeld omgedraaid

Bediening behoort het Lichaam op te bouwen, niet zichzelf.

De Gemeente leeft onder, door en uit Genade

Ook dit behoort tot de identiteit.

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Dat betekent niet dat het leven van de gelovige er niet toe doet. Integendeel.

Genade redt niet alleen; genade onderwijst.

“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld;” (Titus 2:11-12, STV)

De Gemeente wordt daarom niet gevormd door mensen die door nauwgezette wetsbetrachting en inspanning proberen God gunstig te stemmen.

Zij bestaat uit mensen die uit genade behouden zijn en vanuit die genade leren wandelen.

 

Waarom dit onderscheid vandaag zo belangrijk is

Dit is geen abstract leerstellig onderwerp.

Als niet meer duidelijk is wat de Gemeente eigenlijk is, ontstaan vrijwel vanzelf allerlei verschuivingen.

Dan wordt de Gemeente een organisatie die succes moet hebben.

Leiders worden bestuurders of geestelijke beroemdheden.

Gemeenteopbouw wordt organisatiegroei.

Geestelijke vrucht wordt meetbaar gemaakt in bezoekersaantallen.

Roeping wordt invloed.

Dienstbaarheid wordt profilering.

En het Hoofd raakt langzaam maar zeker uit beeld.

Maar het Nieuwe Testament tekent een heel ander beeld.

Christus is het Hoofd.

De gelovigen zijn Zijn leden.

De Heilige Geest vormt hen tot één Lichaam.

Genade is de grondslag waarop zij staan.

De hemel bepaalt hun positie en verwachting.

Dan wordt de vraag niet langer:

Hoe maken wij onze kerk groot?

De vraag wordt:

Hoe wordt Christus verheerlijkt?

 

De Gemeente is eigendom van Christus

Misschien ligt daarin uiteindelijk de eenvoudigste en tegelijk diepste waarheid.

De Gemeente is Zijn Gemeente.

Hij heeft haar lief.

Hij heeft Zich voor haar gegeven.

“Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;” (Efeze 5:25, STV)

Daarom mag niemand, onder geen voorwaarde, zich de Gemeente toe-eigenen.

Geen leider kan zeggen:

“mijn gemeente”

alsof zij van hem is.

Geen denominatie bezit het Lichaam van Christus.

Geen beweging heeft het alleenrecht op Gods werk.

Christus kocht.

Christus bouwt.

Christus voedt

Christus heiligt.

Christus is het Hoofd.

En te Zijner tijd zal Christus haar tot Zich nemen.

 

Wat is dan wél de Gemeente van Jezus Christus

Samengevat kunnen we daarom zeggen:

De Gemeente van Jezus Christus is het door God gevormde hemelse volk, de Gemeente der eerstgeborenen, wedergeboren gelovigen uit Jood en heiden, die door de Heilige Geest tot één Lichaam met de opgestane en verheerlijkte Christus zijn verbonden. Christus is het Hoofd en de levensbron van dit Lichaam. De Gemeente leeft onder Genade, is een woonplaats van God door de Geest, deelt in Christus’ hemelse positie en verwachting en moet onderscheiden worden van Israël.

Dat is vele malen rijker dan “naar de kerk gaan”.

Wie in Christus is, behoort tot iets dat mensen nooit zouden kunnen bouwen.

Tot Zijn Lichaam.

En daarom hoort in de Gemeente uiteindelijk maar Eén centraal te staan:

de Here Jezus Christus.

zie ook:

Jezus alleen: Christus bouwt Zijn Gemeente – Bijbelse basis

gemeente van Jezus Christus – Bijbelse basis

Charismatische leer toetsen

Waarom ik hierover blijf schrijven

Ik wil graag een tipje van de sluier oplichten over de reden waarom ik op dit blog regelmatig bepaalde onderwerpen behandel.

Een oplettende bezoeker zal inmiddels hebben gemerkt dat het hier opvallend vaak gaat over zaken die raken aan de charismatische praktijk en leer. Dat is niet toevallig. Binnen dat gedachtegoed worden regelmatig claims gedaan, verwachtingen gewekt en uitspraken gedaan waarvan ik mij steeds vaker afvraag:

waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?

En die vraag is voor mij niet onderhandelbaar.

Na mijn ongeluk ben ik verschillende keren terug geweest in een gemeente waar ik vroeger vaker kwam. Omdat daar inmiddels een leiderschapswissel had plaatsgevonden, was ik aanvankelijk behoorlijk optimistisch. Ik was benieuwd naar de prediking, de aanpak, en, plat gezegd,  de koers die men zou gaan varen.

Langzamerhand is duidelijk geworden welke richting gekozen is.

En je raadt het waarschijnlijk al: de afslag richting het pinkster- en charismatisch christendom is genomen. Inmiddels is ook gecommuniceerd dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de VPE. Wie mijn eerdere artikel daarover heeft gelezen, zal begrijpen dat ik daar bepaald niet enthousiast over ben. Dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt.

 

Het gaat mij niet om een of het etiket

Laat ik meteen iets duidelijk maken. Mijn bezwaar zit nadrukkelijk niet in een naam, een organisatie of een etiket. Ook niet in het feit dat iemand zichzelf pinksterchristen, evangelisch, reformatorisch of wat dan ook noemt.

De vraag is veel simpeler:

Wat leert de Schrift?

Dáár moet uiteindelijk alles aan getoetst worden.

Mijn zorg is dat binnen het charismatisch gedachtegoed een belangrijk Bijbels onderscheid onvoldoende of zelfs niet wordt gezien: het onderscheid tussen Gods handelen met Israël en Gods roeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, wordt vrijwel automatisch ook het boek Handelingen anders gelezen. Handelingen wordt dan gemakkelijk behandeld als een blauwdruk voor hoe iedere plaatselijke gemeente vandaag zou behoren te functioneren. Wonderen, tekenen, bijzondere manifestaties, profetieën en bovennatuurlijke ervaringen worden vervolgens niet alleen mogelijk geacht, maar dikwijls ook verwacht.

Daar zit voor mij een fundamenteel probleem.

Niet omdat ik wil voorschrijven wat God wel of niet zou kunnen doen, maar omdat de Schrift zelf bepaalt wat wij voor deze tijd als normgevende leer en praktijk mogen verwachten.

Het verschil tussen beschrijving en voorschrift is daarbij essentieel.

Niet alles wat in Handelingen gebeurde, is daarmee  een opdracht of model voor de Gemeente vandaag.

 

Wanneer ervaring de plaats van het Woord inneemt

Het gevolg van zo’n koers blijft bovendien niet beperkt tot een leerstellig verschil van inzicht.

Het beïnvloedt hoe gelovigen leren denken.

Waar het Woord niet langer praktisch de maatstaf is waaraan alles wordt getoetst, ontstaat gemakkelijk een geloofscultuur waarin ervaring steeds belangrijker wordt.

Wat voelde je?

Wat ervoer je?

Wat kreeg je op je hart?

Welke indruk ontving je?

Was er een bijzondere sfeer?

Was er “kracht”?

Heeft iemand een woord voor je?

Daarmee wil ik gevoel of emotie niet verdacht maken. Een mens zonder gevoel bestaat niet en ook geloof raakt vanzelfsprekend ons hart. Maar gevoel is geen openbaringsbron. Een indruk is geen Schriftwoord. Een bijzondere ervaring bewijst niet dat iets van God afkomstig is.

Daarom zegt de Bijbel ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot cynisme. Het is een opdracht tot groei, tot geestelijke volwassenheid.

 

Toetsing is geen gebrek aan geloof

Wat mij daarom eveneens zorgen baart, is wanneer kritische vragen weliswaar in theorie welkom worden genoemd, maar in de praktijk als lastig worden ervaren.

Er kan gezegd worden dat alles bespreekbaar is en dat de deur altijd openstaat. Maar de werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer iemand daadwerkelijk binnenkomt en vraagt:

Waar staat dit?

Waarom leren wij dit?

Is deze praktijk werkelijk uit de Schrift af te leiden?

Is dit voorschrift voor de Gemeente, of lezen wij iets in de tekst wat er niet staat?

Wie echt overtuigd is van de Bijbelse basis van zijn leer, hoeft zulke vragen niet te vrezen.

Sterker nog: een gemeente zou zulke vragen moeten verwelkomen.

De Bereërs werden immers niet geprezen omdat zij alles wat Paulus zei onmiddellijk als zoete koek aannamen, maar juist omdat zij onderzochten of hetgeen hun verteld werd met de Schrift overeenkwam:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen ongeestelijke houding.

Dat is een geestelijke houding.

 

Gelovigen moeten toegerust worden

Een van mijn grootste bezwaren tegen een sterk ervaringsgerichte geloofspraktijk is daarom dat gelovigen er uiteindelijk afhankelijk door kunnen worden.

Afhankelijk van leiders.

Afhankelijk van bijeenkomsten.

Afhankelijk van sfeer.

Afhankelijk van bijzondere ervaringen.

Afhankelijk van iemand die zegt iets “voor jou ontvangen” te hebben.

Maar de Bijbelse bedoeling is juist dat gelovigen worden opgebouwd, onderwezen en toegerust, zodat zij zelf leren staan.

Niet op de ervaring van een ander.

Niet op de charisma’s van een leider.

Niet op de emotionele intensiteit van een samenkomst.

Maar op het geopenbaarde Woord van God.

Daarom blijft dat Woord mijn uitgangspunt.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Psalm 119:105, STV)

 

Geen stormram

Je zult begrijpen dat ik mij in zo’n ontwikkeling niet thuis voel.

Tegelijkertijd voel ik mij ook niet geroepen om met een stormram een gemeente binnen te gaan en daar de boel op stelten te zetten. Dat zou waarschijnlijk weinig opbouwen en vooral loopgraven veroorzaken.

Maar zwijgen is iets anders.

Ik kan schrijven.

Ik kan onderzoeken.

Ik kan vergelijken.

Ik kan vragen stellen.

En ik kan anderen aansporen hetzelfde te doen.

In de afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad veel te mogen bestuderen en daardoor bepaalde patronen te leren herkennen. Niet omdat ik alles weet,  verre van dat, maar omdat ik steeds beter heb leren zien hoe belangrijk het is om Schriftgedeelten in hun verband te lezen en onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente, tussen Wet en Genade, tussen beschrijving en voorschrift en tussen menselijke ervaring en Goddelijke openbaring.

Daar zal ik dus voorlopig over blijven schrijven.

Niet om mensen belachelijk te maken.

Niet omdat ik ruzie zoek.

Niet omdat ik beweer dat iedereen die in een charismatische gemeente zit onoprecht is.

Integendeel. Ik twijfel er niet aan dat daar vele oprechte gelovigen zijn die werkelijk de Here Jezus Christus willen dienen.

Juist daarom vind ik dit onderwerp belangrijk.

Oprechtheid maakt een leer namelijk nog niet Bijbels.

 

Het gaat mij om die ene lezer

Ik ga met dit blog niet voor enorme bezoekersaantallen.

Natuurlijk is het leuk wanneer een artikel veel gelezen wordt, maar dat is niet mijn drijfveer.

Het gaat mij veel meer om het individu.

Als één iemand door een artikel opnieuw zijn Bijbel opent en denkt: wacht eens even, klopt hetgeen mij geleerd wordt eigenlijk wel?

Als één gelovige ontdekt dat hij niet afhankelijk hoeft te zijn van religieuze ervaringen maar mag rusten in wat God heeft gesproken.

Als één iemand leert onderscheiden tussen wat de Bijbel werkelijk zegt en wat wij er in de loop der jaren van hebben gemaakt.

Dan vind ik dat al heel waardevol.

 

Geen dichtgespijkerd systeem

Mijn uitgangspunt blijft daarom het Woord van God.

Niet een geloofsbelijdenis.

Niet een kerkelijke traditie.

Niet een denominatie.

Niet een dogmatisch systeem waarin iedere vraag bij voorbaat al van een antwoord is voorzien.

En óók niet de leer van een favoriete Bijbelleraar.

Iedere menselijke uitleg moet uiteindelijk opnieuw langs de Schrift.

Ook de mijne.

Paulus schrijft:

“Beijver u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Dat vraagt studie. Dat vraagt soms correctie. Dat vraagt ook de bereidheid om geliefde overtuigingen los te laten wanneer blijkt dat zij onvoldoende Bijbelse grond hebben.

Juist in een tijd waarin we op vrijwel ieder terrein overspoeld worden met informatie, halve waarheden, stellige claims en regelrechte desinformatie, zou de Gemeente een plaats van onversneden helderheid moeten zijn.

Niet van nieuwe mist.

Niet van nóg meer onbewezen claims.

Maar van waarheid.

Daarom schrijf ik.

En daarom kun je de komende tijd naast opbouwende artikelen en korte Bijbelstudies ook artikelen blijven verwachten die kritisch kijken naar charismatische leer en praktijk.

Soms voorzichtig.

Soms scherp.

En soms zal het ongetwijfeld een beetje schuren.

Maar hopelijk altijd met dezelfde vraag op de achtergrond:

Wat zegt de Schrift echt?

Want uiteindelijk is dat niet alleen de veiligste vraag.

Het is de enige vraag die echt beslissend is.

 

De Godheid van Jezus in het Oude Testament

Geen late christelijke uitvinding

Wie beweert dat de eerste christenen van Jezus pas later God hebben gemaakt, loopt tegen een groot probleem aan: het Oude Testament zelf.

De gedachte dat Jezus Christus God is, maar toch onderscheiden is van de Vader, verschijnt namelijk niet ineens uit het niets in het Nieuwe Testament. Lang voordat Johannes schreef dat het Woord bij God was én God was, vinden we in de Hebreeuwse Schriften opmerkelijke passages waarin de HEERE Zich zichtbaar openbaart, waarin Hij van de HEERE onderscheiden wordt en toch Zelf als de HEERE wordt aangeduid.

Dat maakt een veelgehoorde moderne bewering uiterst kwetsbaar: de Godheid van Christus is niet het product van een kerkvergadering eeuwen na Jezus. De wortels ervan liggen diep verankerd in de Schrift zelf.

 

Godheid Jezus in het oude Testament

Eén God, en toch een opmerkelijk onderscheid

Het uitgangspunt van Israël was erg duidelijk:

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!” (Deuteronomium 6:4, STV)

Het Bijbelse geloof is geen geloof in meerdere goden. De HEERE is één.

Juist daarom is Johannes 1 zo indrukwekkend:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

Let op beide elementen.

Het Woord was bij God. Er is dus onderscheid.

En het Woord was God. Er is dus ook volledige Goddelijke identiteit.

Soms wordt beweerd dat Johannes hier onder invloed van Griekse filosofie een totaal nieuw concept introduceerde. Maar daarvoor hoeven we helemaal niet naar Plato of andere Griekse denkers. Johannes kende zijn eigen Schriften.

En juist daarin vinden we het Woord des HEEREN op een manier voorgesteld die veel verder gaat dan een geluid of een boodschap.

 

Een HEERE op aarde en een HEERE in de hemel?

Een van de opmerkelijkste teksten vinden we al in Genesis.

Bij het oordeel over Sodom en Gomorra lezen we:

“Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel.” (Genesis 19:24, STV)

Lees die zin nog eens heel goed.

De HEERE doet vuur regenen van de HEERE uit de hemel.

Waarom wordt dat zo geformuleerd?

Wanneer men vooraf beslist dat het Oude Testament nooit onderscheid binnen de Goddelijke identiteit kan bevatten, wordt zo’n tekst lastig. Maar wanneer we de Schrift eerst laten spreken voordat we ons systeem opleggen, zien we iets opvallends.

Er is één HEERE.

En toch kan de Schrift spreken over de HEERE in relatie tot de HEERE.

Genesis 19 staat daarin niet op zichzelf

Wie stond er in de brandende braambos?

In Exodus 3 ontmoet Mozes God bij de brandende braambos.

Maar kijk hoe het verhaal begint.

Eerst verschijnt de Engel des HEEREN aan Mozes in het vuur. Even later zegt de tekst dat de HEERE ziet dat Mozes naderbij komt en dat God tot hem spreekt vanuit de braambos.

Wie bevindt Zich daar?

De Engel des HEEREN?

De HEERE?

God?

Het opmerkelijke antwoord van de tekst is dat deze benamingen door elkaar heen worden gebruikt.

Dat is belangrijk. Deze Engel blijkt geen gewone geschapen boodschapper te zijn die toevallig namens God spreekt. Hij wordt op verschillende plaatsen op een manier met God geïdentificeerd die bij gewone engelen ondenkbaar zou zijn.

 

De Engel in Wie Gods Naam is

Dat blijkt ergduidelijk in Exodus 23.

God belooft Israël een Engel die hen zal leiden.

Over Hem zegt God:

“Hoedt u voor Zijn aangezicht, en zijt Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtreding niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.” (Exodus 23:21, STV)

Dat is buitengewoon sterke taal.

Deze Engel draagt Gods gezag. Israël moet Hem gehoorzamen. Tegen Hem in opstand komen heeft consequenties die verbonden zijn met zonde tegen God.

En vervolgens komt de verklaring:

“Mijn Naam is in het binnenste van Hem.”

In de Bijbel is Gods Naam niet maar een verzameling letters. Gods Naam vertegenwoordigt Hemzelf, Zijn gezag, aanwezigheid en wezen.

Wanneer God dus zegt dat Zijn Naam in deze Engel is, hebben we niet te maken met zomaar een hemelse boodschapper.

Deze Engel is de zichtbare openbaring van de HEERE.

 

Wie heeft Israël uit Egypte geleid?

Vraag een Bijbellezer wie Israël uit Egypte verloste en het antwoord zal terecht zijn: God.

Maar dan wordt het interessant.

Op verschillende plaatsen wordt diezelfde verlossing toegeschreven aan de HEERE, aan Zijn aanwezigheid én aan de Engel des HEEREN.

Dat betekent niet dat de Bijbel zichzelf tegenspreekt.

Het betekent dat de Schrift deze Goddelijke Engel kan vereenzelvigen met Degene Die Israël verloste.

De Engel kan zelfs spreken alsof Hij Zelf degene is Die Israël uit Egypte heeft geleid.

Dat verklaart waarom dit patroon later zo belangrijk wordt voor het begrijpen van Christus.

De Engel die zegt: Ik ben de God van Bethel

In Genesis 31 vertelt Jakob over een droom waarin de Engel Gods tot hem spreekt.

En dan in vers 13 zegt deze Engel iets verbazingwekkends: Hij identificeert Zich met de God Die Jakob eerder te Bethel had ontmoet.

Niet:

“Ik ben door de God van Bethel gezonden.”

Niet:

“Ik vertegenwoordig de God van Bethel.”

Hij identificeert Zich met die God.

Opnieuw zien we hetzelfde patroon: de Engel wordt onderscheiden en toch tegelijkertijd met God vereenzelvigd.

Wie het Nieuwe Testament kent, begint inmiddels waarschijnlijk te begrijpen waarom dit zo belangrijk is.

 

Jakobs zegen: God en de Engel samengebracht

Nog duidelijker wordt het in Genesis 48 wanneer Jakob Efraïm en Manasse zegent.

Jakob spreekt over de God voor Wiens aangezicht Abraham en Izak wandelden, over de God Die hem zijn hele leven geweid heeft en vervolgens over:

“De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad…” (Genesis 48:16, STV)

Maar vervolgens vraagt Jakob niet dat zij de jongens zullen zegenen, alsof God en de Engel twee losstaande wezens zijn.

De zegen wordt als één geheel uitgesproken.

Dat maakt het te gemakkelijk om simpelweg te zeggen: “De Engel spreekt alleen namens God.”

Hier spreekt de Engel namelijk helemaal niet.

Jakob spreekt over Hem.

En Jakob plaatst deze Engel binnen de Goddelijke identiteit.

 

Het Woord des HEEREN werd gezien

Daarmee komen we bij een tweede belangrijke lijn: het Woord des HEEREN.

Wij zijn gewend aan formuleringen als: “Het Woord des HEEREN kwam tot…” en denken dan automatisch aan een stem in het hoofd van een profeet.

Maar sommige oudtestamentische teksten laten een groter beeld zien.

In Genesis 15 komt het Woord des HEEREN tot Abram in een gezicht.

Een gezicht is iets wat men ziet.

Dat klinkt misschien eenvoudig, maar het nogal verstrekkende gevolgen.

Het Woord des HEEREN is in bepaalde passages niet alleen iets wat gehoord wordt. Het Woord verschijnt.

 

De HEERE verscheen door het Woord des HEEREN

Ook in de geschiedenis van Samuel is dit bijzonder duidelijk.

Aan het begin van 1 Samuël 3 wordt gezegd dat het Woord des HEEREN schaars was en dat er weinig gezichten waren.

Later wordt beschreven dat de HEERE kwam en stond.

Aan het einde lezen we:

“En de HEERE voer voort te verschijnen te Silo; want de HEERE openbaarde Zich aan Samuël te Silo door het woord des HEEREN.” (1 Samuël 3:21, STV)

Let op het taalgebruik.

De HEERE verscheen.

De HEERE openbaarde Zich.

En dat gebeurde door het Woord des HEEREN.

Wanneer Johannes eeuwen later schrijft over het Woord dat bij God was en God was, hoeft hij daarvoor helemaal geen vreemd filosofisch systeem te importeren.

Zijn Bijbel had hem al voorbereid.

 

Het Woord dat vlees werd

Dan krijgt Johannes 1:14 ineens nog veel meer diepte:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Het Woord dat in de Hebreeuwse Schriften verschijnt, spreekt en God openbaart, wordt vlees.

Johannes presenteert Jezus dus niet als een mens die later tot Goddelijke status werd verheven.

Het is precies andersom.

Degene Die reeds God was, kwam in het vlees.

De incarnatie is niet de vergoddelijking van een mens.

Het is de vleeswording van het eeuwige Woord.

 

Jeremia werd zelfs aangeraakt

Jeremia 1 maakt het beeld nog sterker.

Het Woord des HEEREN komt tot Jeremia. Vervolgens lezen we:

“En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan…” (Jeremia 1:9, STV)

Nu is er niet alleen sprake van horen.

Niet alleen van zien.

Er wordt gesproken over een hand en over aanraking.

Het Oude Testament kent dus zeker verschijningen waarin God Zich in een zichtbare, menselijke vorm openbaart.

Dat betekent uiteraard niet dat de vleeswording al vóór Bethlehem had plaatsgevonden. Johannes zegt uitdrukkelijk dat het Woord vlees werd.

Maar het betekent wel dat zichtbare manifestaties van de HEERE geen nieuwtestamentische noviteit zijn.

 

De onzichtbare God en Zijn zichtbare openbaring

Wanneer we deze teksten naast elkaar leggen, ontstaat een opmerkelijk patroon.

Aan de ene kant is God verheven en onzichtbaar.

Aan de andere kant verschijnt God zichtbaar aan mensen.

De Schrift gebruikt daarbij onder andere:

  • de Engel des HEEREN;
  • het Woord des HEEREN;
  • Gods Naam;
  • een zichtbare Goddelijke Persoon;
  • en later de Mensenzoon.

Dat helpt ons begrijpen waarom Johannes kan zeggen dat niemand God ooit gezien heeft en tegelijkertijd kan spreken over de Zoon Die Hem bekendgemaakt heeft.

De onzichtbare God wordt gekend door Zijn zichtbare openbaring.

En in het Nieuwe Testament wordt duidelijk Wie die zichtbare openbaring in zijn volheid is: Jezus Christus.

 

De Goddelijke Wolkenrijder

Een van de krachtigste aanwijzingen vinden we in Daniël 7.

In verschillende oudtestamentische teksten is rijden op of komen met de wolken een kenmerk van de HEERE. De wolken behoren tot Zijn majesteit en hemelse heerschappij.

Maar in Daniël gebeurt iets opmerkelijks.

Daniël ziet de Oude van dagen.

En vervolgens:

“Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.” (Daniël 7:13, STV)

Hier zijn duidelijk twee onderscheiden Figuren.

De Oude van dagen is aanwezig.

En iemand als een Mensenzoon komt met de wolken des hemels.

Dat is geen onbeduidend detail.

Aan deze Mensenzoon wordt vervolgens heerschappij, eer en een allesomvattend Koninkrijk gegeven.

Hier wordt het oudtestamentische patroon bijna niet meer te missen: een Goddelijke Persoon wordt onderscheiden van God en deelt tegelijkertijd in wat aan God toekomt.

 

Jezus zegt tegen Kajafas precies Wie Hij is

Daarom is het verhoor van Jezus voor de hogepriester zo belangrijk.

Wanneer Kajafas Hem vraagt of Hij de Christus is, antwoordt Jezus:

“Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.” (Mattheüs 26:64, STV)

Voor ons kan dat bijna klinken als een raadselachtig antwoord.

Voor Kajafas was het dat niet.

Jezus combineert Psalm 110 met Daniël 7 en identificeert Zich met de Mensenzoon Die op de wolken komt.

De reactie van de hogepriester is veelzeggend: hij scheurt zijn kleren en beschuldigt Jezus van godslastering.

Waarom?

Omdat Jezus volgens hem blijkbaar méér claimt dan alleen het Messiasschap of het zijn van een menselijke koning.

Hij plaatst Zich in de Goddelijke positie die de Schrift aan de hemelse Mensenzoon toekent.

Kajafas begreep de claim.

De vraag is of wij hem nog begrijpen.

 

Jezus is niet de Vader, maar Hij is wel God

Hier moeten we zorgvuldig blijven.

De Schrift leert niet dat Jezus de Vader is.

Johannes zegt:

“Het Woord was bij God…” (Johannes 1:1, STV)

Er is dus werkelijk onderscheid.

Maar dezelfde zin gaat verder:

“…en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

We hoeven het ene niet op te offeren om het andere te bewaren.

Jezus is niet de Vader.

Maar daarom is Hij niet minder God.

Juist het Oude Testament helpt ons om dat te verstaan. Daar ontmoeten we al een zichtbare HEERE Die van de onzichtbare HEERE onderscheiden kan worden zonder dat de Schrift ineens twee goden leert.

De eenheid van God blijft onaangetast.

Maar die eenheid blijkt rijker dan een eenvoudige eenpersoonsvoorstelling van God.

Circular wheel diagram with a central circle reading “JESUS IS YAHWEH,” surrounded by labeled segments (God, Creator, Light, Savior, Judge, The First and The Last, Rock, etc.). Each segment contains Bible cross-references to support the claim.

Daarom is Johannes 1 geen late kerkelijke uitvinding

De populaire theorie dat Jezus eerst een gewone Joodse leraar was en dat Zijn volgelingen Hem geleidelijk tot God hebben verheven, moet daarom veel meer verklaren dan vaak wordt toegegeven.

Dat moet niet alleen Johannes verklaren.

Dat moet Genesis verklaren.

Exodus.

Samuel.

Jeremia.

Daniël.

En  moet verklaren waarom Joodse schrijvers die rotsvast geloofden dat de HEERE één is, zonder aarzeling oudtestamentische taal over de HEERE op Jezus toepasten.

Het christelijke getuigenis over Jezus valt niet als een plotseling, buitenaards, element de Bijbel binnen.

Het komt uit de Schrift zelf.

 

De vraag is uiteindelijk niet wanneer Jezus God werd

Dat is eigenlijk de verkeerde vraag.

Het Nieuwe Testament vertelt ons niet hoe een mens Jezus uiteindelijk als God vereerd begon te worden.

Het vertelt ons hoe Degene Die God was Mens werd.

Dat verschil is allesbepalend.

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En vervolgens:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Dat is geen kerkelijke promotie van Jezus.

Dat is openbaring.

Dezelfde Schrift die zegt dat God één is, leert ons ook dat de HEERE Zich zichtbaar heeft geopenbaard, dat Zijn Engel Zijn Naam draagt, dat Zijn Woord verschijnt en dat de Mensenzoon met de wolken des hemels komt.

En wanneer Jezus van Nazareth uiteindelijk zegt dat Hij die Mensenzoon is, weten we waarom Kajafas zijn kleren scheurde.

 

Jezus beweerde niet alleen namens God te spreken. Hij presenteerde Zich als Degene over Wie de Schriften al eeuwenlang hadden gesproken

De Godheid van Jezus Christus is daarom geen vreemde toevoeging aan het Oude Testament.

Het is de onthulling van een waarheid die er vanaf het begin al in zat.
YouTube player

 

Lees ook:

Het eerstgeboorterecht in de Bijbel: betekenis, Christus en erfenis

 

Jezus is JHWH

Is de Here Jezus JHWH?

( extern):

https://www.bijbelspanorama.nl/bijbelstudie/geschreven/s17_de_betekenis_van_de_naam_jezus_christus/

https://boeken.vlichthus.nl/wat-dunkt-u-van-de-christus-bettex/

https://wachttorenkijker.vlichthus.nl/jehovah-god-in-openbaring-1/

 

Geverifieerd door MonsterInsights