God hééft gesproken!

Waarom de Bijbel Zijn definitieve Woord is

Heeft God vandaag nog nieuwe profeten, apostelen en openbaringen nodig om Zijn Gemeente te leiden? Of heeft Hij in de Here Jezus Christus en door de Bijbel bekendgemaakt wat wij voor ons geloof nodig hebben?

Die vraag raakt het hart van het christendom.

Er waait een verontrustende wind door een deel van de hedendaagse christenheid. Steeds vaker klinkt de boodschap dat de Bijbel alleen niet voldoende zou zijn. Christenen worden aangespoord om ‘Gods stem persoonlijk te leren verstaan’, nieuwe openbaringen’ te ontvangen en te luisteren naar mensen die beweren rechtstreeks namens God te spreken.

“God heeft mij verteld…” “De Heilige Geest openbaarde mij…” “Ik heb een profetisch woord voor de Gemeente…”

Het klinkt indrukwekkend en bijzonder geestelijk. Maar achter dergelijke uitspraken schuilt een fundamentele vraag: is het geschreven Woord van God nog voldoende, of hebben wij daarnaast nieuwe goddelijke boodschappen/boodschappers nodig?

De Bijbel geeft ons alle reden om vast te houden aan zijn gezag en genoegzaamheid. Niet omdat God tegenwoordig minder machtig zou zijn, maar omdat Hij in Zijn Zoon heeft gesproken en door Zijn apostelen het fundament van de Gemeente heeft gelegd.

 

God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg
God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg

God heeft gesproken door Zijn Zoon

De brief aan de Hebreeën begint met een duidelijke verklaring:

“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon (…)” (Hebreeën 1:1-2, STV)

Deze woorden laten een niet mis te verstane duidelijke ontwikkeling in Gods openbaring zien.

Onder het oude verbond sprak God op verschillende tijden en verschillende manieren. Hij sprak door Mozes, de profeten, dromen, visioenen en bijzondere verschijningen.

Maar met de komst van de Here Jezus Christus brak iets beslissends aan.

God zond niet nóg een profeet. Hij sprak door Zijn eigen Zoon.

De Here Jezus Christus is het vleesgeworden Woord. Johannes schrijft:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En daarna:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (…)” (Johannes 1:14, STV)

Hier staan we op het hoogtepunt van Gods zelfopenbaring. Christus is niet zomaar iemand die namens God spreekt. Hij is Zelf God, geopenbaard in het vlees.

Wie daarom suggereert dat de christelijke Gemeente steeds opnieuw ‘nieuwe openbaringen’ nodig heeft om de volle waarheid te leren kennen, miskent makkelijk het definitieve karakter van Gods spreken in Zijn Zoon.

Het christendom rust niet op een voortdurende stroom ‘nieuwe openbaringen’, maar op de Persoon en het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

De Bijbel is géén onvolledig handboek

Paulus schrijft aan Timotheüs:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;” (2 Timotheüs 3:16, STV)

Hier wordt iets gezegd wat in veel moderne geestelijke bewegingen op de achtergrond dreigt te raken.

De Schrift is van God ingegeven.

Dat betekent dat wij niet te maken hebben met menselijke opvattingen over God, maar met Zijn gezaghebbende Woord.

En Paulus gaat verder:

“Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Timotheüs 3:17, STV)

Laat die woorden eens goed tot u doordringen: tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

Niet gedeeltelijkis toegerust.een Niet voorlopig toegerust, totdat er een nieuwe ‘profeet’ verschijnt.. Niet afhankelijk van een ‘apostel’ die toegang beweert te hebben tot hogere verborgen kennis.

De Schrift is voldoende om de gelovige toe te rusten tot alles wat God van hem vraagt.

Dat betekent niet dat de Bijbel antwoord geeft op elke praktische vraag die een mens kan stellen. Evenmin betekent het dat onderwijs, gebed of de gemeenschap met andere gelovigen overbodig zijn.

Het betekent dat geen nieuwe leerstellige openbaring nodig is om Gods heilswaarheid aan te vullen.

Wie beweert dat de Gemeente zonder nieuwe profetieën geestelijk tekortkomt, moet zich daarom afvragen hoe die bewering zich ooit kan verhouden tot de genoegzaamheid van het geïnspireerde Woord.

 

Het geloof is eenmaal overgeleverd

Judas schrijft:

“…dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.” (Judas vers 3, STV)

Het woord “eenmaal” is hier bepalend.

Het geloof waarvan Judas spreekt, is niet een religieus systeem dat voortdurend moet worden uitgebreid met nieuwe leerstellingen.

Het is het geloof dat aan de heiligen is overgeleverd.

Dat betekent dat de Gemeente geroepen is om de ontvangen waarheid te bewaren, te verkondigen en te verdedigen.

Niet om nieuwe geloofswaarheden te ontdekken die eerdere generaties onbekend waren.

Niet om het apostolische onderwijs aan te vullen met boodschappen van moderne ‘profeten’.

En zeker niet om zich afhankelijk te maken van mensen die beweren toegang te hebben tot bijzondere kennis die voor gewone gelovigen verborgen blijft.

Dat is dus het gevaar van veel hedendaagse ‘openbaringsbewegingen’.

De gelovige wordt niet langer uitsluitend verwezen naar de Schrift, maar ook naar de zogenaamde geestelijke inzichten van bijzondere leiders.

Daardoor ontstaat een gevaarlijke verschuiving: het gezag verplaatst zich ongemerkt van Gods geschreven Woord naar de persoon die zegt namens God te spreken.

 

Het fundament van de Gemeente wordt niet telkens opnieuw gelegd

Paulus schrijft over de Gemeente:

“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;” (Efeze 2:20, STV)

Een fundament wordt gelegd voordat het gebouw wordt opgetrokken.

De apostelen en profeten vervulden in de begintijd van de Gemeente een bijzondere, funderende taak. Christus is de Hoeksteen, en op het apostolische getuigenis wordt de Gemeente gebouwd.

”Dit is van groot belang voor de beoordeling van de hedendaagse beweging die opnieuw ‘apostelen’ en ‘profeten’ met bijzonder gezag wil aanstellen.

Sommige leiders beroepen zich daarbij op Efeze 4:11, waar gesproken wordt over apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.

Maar je mag Efeze 4 niet losmaken van Efeze 2.

Het feit dat Christus apostelen en profeten heeft gegeven, betekent niet automatisch dat er in iedere generatie opnieuw mensen zouden moeten verschijnen met hetzelfde funderende openbaringsgezag als de oorspronkelijke apostelen.

Het Nieuwe Testament laat zien dat de apostelen een unieke plaats innamen. Zij waren getuigen van de opgestane Christus en door Hem aangesteld om Zijn getuigenis bekend te maken.

Paulus spreekt in 1 Korinthe 15:8 over zijn bijzondere ontmoeting met de opgestane Heer..

De Gemeente van vandaag heeft geen nieuw fundament nodig.

De Gemeente moet trouw blijven aan het fundament dat reeds gelegd is.te

Een moderne ‘apostel’ die ‘nieuwe goddelijke leerstellingen’ verkondigt, voegt geen verdieping toe aan het apostolische geloof, maar maakt aanspraak op een gezag waarvoor de Schrift geen grond geeft.

 

“God heeft mij gezegd”, een uitspraak met vergaande gevolgen

Er is nauwelijks een uitspraak die binnen een christelijke gemeenschap zoveel gezag kan opeisen als:

“God heeft mij gezegd.”

Want wie durft God tegen te spreken?

En daarin schuilt het gevaar.

Een voorganger die zegt:

“Ik denk dat dit verstandig is”

kan worden bevraagd.

Een leraar die zegt:

“Volgens mij betekent deze Bijbeltekst dit”

moet zijn uitleg vanuit de Schrift aantonen.

Maar iemand die zegt:

“God heeft rechtstreeks tot mij gesproken”,

presenteert zijn boodschap als afkomstig van de hoogste Autoriteit.

En wanneer die boodschap vervolgens niet ter discussie mag worden gesteld, ligt geestelijk misbruik op de loer.

De geschiedenis van religieuze bewegingen laat zien hoe makkelijk mensen onder druk kunnen worden gezet door leiders die hun persoonlijke overtuigingen presenteren als goddelijke opdrachten.

Daarom is de houding van de gelovigen in Berea ook zo leerzaam.

Zij onderzochten dagelijks de Schriften om na te gaan of de boodschap die zij hoorden daarmee overeenstemde (Handelingen 17:11).

Denk daar eens serieus over na.

Ook het onderwijs van Paulus werd aan de Schrift getoetst.

En tegenwoordig zouden wij de woorden van een zelfbenoemde ‘profeet’ dan  kritiekloos moeten aanvaarden?

Dat is de wereld op zijn kop.

De Bijbel leert ons niet om onze geestelijke onderscheiding uit te schakelen zodra iemand beweert namens God te spreken.

Integendeel:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn (…)” (1 Johannes 4:1, STV)

Een boodschap wordt niet betrouwbaar doordat iemand deze met grote overtuiging brengt.

En een profetische uitspraak wordt niet ‘afkomstig van God’ doordat deze emotioneel indruk maakt.

De inhoud moet worden getoetst aan de waarheid die God heeft geopenbaard.

 

De Heilige Geest brengt geen concurrerende openbaring

Een veelgehoord verwijt aan christenen die vasthouden aan de genoegzaamheid van de Schrift is dat zij ‘de Heilige Geest voor de voeten zouden lopen’.

Soms wordt zelfs gesuggereerd dat wie geen nieuwe profetieën verwacht, niet openstaat voor Gods spreken.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De Heilige Geest is geen concurrent van de Schrift. Hij is De Goddelijke Auteur.

De Here Jezus zei tegen Zijn discipelen:

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.” (Johannes 14:26, STV)

Deze belofte had prmair betrekking op de apostelen, die door de Heilige Geest werden toegerust om betrouwbaar van Christus te getuigen.

Wanneer de Heilige Geest vandaag in gelovigen werkt, brengt Hij hen niet weg van de Schrift, maar opent Hij hun verstand en hart voor de waarheid daarvan.

Dat noemen wij de verlichting door de Heilige Geest.

Er is een belangrijk verschil tussen openbaring en verlichting.

Bij openbaring maakt God waarheid bekend die de mens voordien niet kende. Bij verlichting opent de Heilige Geest het verstand om de reeds geopenbaarde waarheid te begrijpen en toe te passen.

Dit onderscheid wordt tegenwoordig maar al te vaak genegeerd.

Het gevolg is dat persoonlijke gedachten, ingevingen en gevoelens op hetzelfde niveau worden gezet als het geïnspireerde Woord van God.

Maar mijn gevoel is niet onfeilbaar.

Mijn gedachten zijn niet onfeilbaar.

Zelfs mijn sterkste geestelijke overtuigingen zijn niet onfeilbaar.

Alleen Gods Woord heeft dat gezag.

De gevaarlijke honger naar ‘nieuwe openbaringen’

Waarom is er tegenwoordig zoveel belangstelling voor persoonlijke profetieën, dromen, visioenen, hemelse rechtbanken en zogenaamde profetische activaties?

Een belangrijke verklaring is dat veel christenen het gewone leven uit het Woord blijkbaar niet meer bijzonder genoeg vinden.

Het lezen en onderzoeken van de Bijbel lijkt voor sommigen te simpel.

Er moet iets gebeuren. Iets bovennatuurlijks. Iets dat niemand anders heeft meegemaakt.

Een persoonlijke boodschap. Een bijzondere ervaring. Een nieuwe zalving. Een verborgen geheimenis.

Maar nergens leert de Schrift dat geestelijke volwassenheid afhangt van de hoeveelheid bijzondere ervaringen die iemand verzamelt.

Integendeel.

Paulus spoort Timotheüs aan:

“Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is (…)” (2 Timotheüs 3:14, STV)

Let op dat woord: “blijf”.

De apostel spoort Timotheüs niet aan om steeds nieuwe openbaringen te zoeken, maar om trouw te blijven aan de waarheid die hem is toevertrouwd.

Dat is een boodschap die haaks staat op een religieuze cultuur waarin het nieuwe, spectaculaire en buitengewone dikwijls meer aandacht krijgt dan het eenvoudige onderwijs van de Schrift.

Het is veelzeggend wanneer een gemeente enthousiast raakt over iemand die zegt een visioen van de hemel te hebben ontvangen, terwijl een gedegen Bijbelstudie nauwelijks belangstelling trekt.

Dan is er iets aan de hand.

Niet omdat ervaringen op zichzelf de maatstaf zijn voor dwaling, maar omdat het geschreven Woord van God zijn centrale plaats dreigt te verliezen.

 

Maar spreekt God dan helemaal niet meer?

Deze vraag wordt vaak gesteld alsof er slechts twee mogelijkheden bestaan.

Óf God geeft vandaag nog rechtstreeks nieuwe openbaringen, óf Hij zwijgt volledig.

Dat is een valse tegenstelling.

God spreekt vandaag door Zijn Woord.

Wanneer de Bijbel wordt gelezen, spreekt niet slechts een schrijver uit lang vervlogen tijden.

Wij horen de woorden die God door Zijn Geest heeft laten vastleggen.

Het Woord is levend en krachtig (Hebreeën 4:12).

De Heilige Geest gebruikt dat Woord om zondaren te overtuigen, gelovigen te onderwijzen, dwalingen te ontmaskeren en mensen te vertroosten.

Daarvoor is geen nieuwe profetie nodig.

Ook mogen wij bidden om wijsheid, zoals Jakobus 1:5 ons leert. God bestuurt de levens van Zijn kinderen door Zijn voorzienigheid en wil ons leiden in onze omstandigheden.

Maar Zijn voorzienige leiding of de innerlijke overtuiging die wij ervaren, mogen wij niet zonder meer gelijkstellen aan een onfeilbare goddelijke openbaring.

Dat onderscheid beschermt ons tegen geestelijke hoogmoed en misleiding.

 

Is de Bijbelse openbaring afgesloten?

God heeft gesproken in Zijn Zoon. Het geloof is eenmaal overgeleverd. De apostelen en profeten hebben het fundament van de Gemeente gelegd. De geïnspireerde Schrift is voldoende om de mens Gods volledig toe te rusten.

Daaruit volgt de leerstellige overtuiging dat de bijzondere, funderende openbaring van de apostolische tijd niet voortdurend hoeft te worden voortgezet.

Deze overtuiging wordt vaak aangeduid als het afgesloten karakter van de bijzondere openbaring.

Dat betekent niet dat de Heilige Geest niet langer werkzaam is.

Het  betekent dat Zijn werk vandaag niet afhankelijk is van nieuwe gezaghebbende boodschappen die aan het apostolische getuigenis worden toegevoegd.

De Gemeente bezit in de Bijbel een betrouwbaar en voldoende getuigenis van Gods geopenbaarde waarheid.

 

Zelfs een engel uit de hemel mag het Evangelie niet veranderen

Misschien is de scherpste waarschuwing wel te vinden in Galaten 1:8:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)

Paulus is hier buitengewoon scherp.

Zelfs wanneer een engel uit de hemel zou verschijnen, mag zijn boodschap niet worden aanvaard wanneer zij afwijkt van het Evangelie.

Laat dat eens op je inwerken.

Een indrukwekkende bovennatuurlijke verschijning is dus geen bewijs dat de boodschap betrouwbaar is.

Niet de ervaring bepaalt de waarheid.

Niet de verschijning bepaalt de waarheid.

Niet de status van de boodschapper bepaalt de waarheid.

Het reeds verkondigde Evangelie is de maatstaf.

Dat maakt veel moderne aanspraken op bijzondere openbaring buitengewoon kwetsbaar.

Want wanneer zelfs een engel niet het recht heeft om het Evangelie te veranderen, welk recht zou een hedendaagse profeet dan hebben om nieuwe leerstellige waarheden aan de Gemeente op te leggen?

Geen.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

De grote behoefte van de Gemeente is niet een nieuwe generatie ‘profeten’ die ons vertelt wat God zogenaamd nu pas wil openbaren.

Zij heeft geen nieuwe ‘apostelen’ nodig die een tweede fundament leggen.

Zij heeft geen geestelijke elite nodig die toegang claimt tot verborgen kennis uit de hemel.

Wat de Gemeente nodig heeft, is een terugkeer naar het gezag, de betrouwbaarheid en de genoegzaamheid van de Bijbel.

Naar de verkondiging van de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus.

Naar het Evangelie van Gods genade.

Naar gezond Bijbels onderwijs waarin de Schrift wordt uitgelegd in plaats van verdrongen door persoonlijke ervaringen.

Dit vraagt om geestelijke onderscheiding, maar ook om nederigheid.

Want niemand van ons staat boven het Woord.

Geen voorganger. Geen Bijbelleraar. Geen evangelist. Geen apostel of profeet die vandaag aanspraak maakt op bijzonder gezag.

Ook ik niet.

Iedere leerstelling moet aan de Schrift worden getoetst.

En waar de Schrift duidelijk spreekt, hoort de mens gewoon te luisteren.

 

God hééft gesproken. Luisteren wij nog?

Het probleem van onze tijd is niet dat God te weinig heeft gezegd.

Het probleem is dat we vaak te weinig aandacht schenken aan wat Hij heeft gezegd.

We zoeken het bijzondere, terwijl het geïnspireerde Woord voor ons ligt.

We luisteren naar mensen die beweren namens God te spreken, terwijl we nauwelijks onderzoeken wat God Zelf in de Schrift heeft laten vastleggen.

We verlangen naar nieuwe openbaringen, terwijl de rijkdom van de al gegeven openbaring voor velen grotendeels onbekend blijft.

Dat is geen geestelijke vooruitgang.

Dat is een gevaarlijke verschuiving van Gods objectieve waarheid naar menselijke subjectiviteit.

De Here Jezus Christus is Gods beslissende openbaring. De Heilige Schrift is Zijn geïnspireerde, gezaghebbende en voldoende Woord voor de Gemeente.

Wie méér gezaghebbende openbaring zoekt dan God ons heeft toevertrouwd, loopt het gevaar minder waarde te hechten aan wat Hij reeds heeft gegeven.

De hoogste vorm van geestelijkheid is niet dat iemand voortdurend nieuwe woorden van God beweert te ontvangen.

Het is dat hij gelooft, bewaart en gehoorzaamt wat God heeft gesproken.

We hebben geen nieuw woord van God nodig.

We moeten terug naar het Woord van God.

 

 

Demonen en bevrijdingsbediening: wat zegt de Bijbel?

Waarom zoveel aandacht voor de duivel, terwijl Christus de overwinning al heeft behaald?

Het valt me steeds weer op. In  evangelische en vooral pinkster- en charismatische kringen wordt regelmatig gesproken over demonen, demonische activiteiten, geestelijke gebondenheid en bevrijdingsbediening. Soms lijkt het alsof achter vrijwel ieder probleem een demonische macht schuilgaat die eerst moet worden aangepakt voordat een christen echt vrij kan leven.

Demonen en bevrijding wat zegt de Bijbel
Demonen en bevrijding wat zegt de Bijbel?

 

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Ziekte? Misschien een demon. Angst? Een demonische gebondenheid. Problemen in het gezin? Mogelijk een generatievloek. Tegenslag in het leven? Een aanval van de vijand.

En voor je het weet, draait een belangrijk deel van het geloofsleven om het herkennen, bestrijden, binden en uitdrijven van demonische machten.

Maar is dat eigenlijk wel Bijbels?

In andere kringen, waaronder de klassieke Maranatha- en vergaderingstraditie, hoor je doorgaans veel minder over dit soort zaken. Daar ligt de nadruk veel meer op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus, de positie van de gelovige in Hem en de verwachting van Zijn wederkomst.

Dat verschil is niet maar een kwestie van smaak of kerkelijke cultuur. Er ligt een belangrijk leerstellig onderscheid aan ten grondslag.

Wat zeggen de Evangeliën zoal over demonen? Waarom komen we in Handelingen nog demonuitdrijvingen tegen? En waarom vinden we in de brieven aan de Gemeente geen opdracht tot een afzonderlijke bevrijdingsbediening?

Laten we de Bijbel zelf laten spreken.

Demonen uitdrijven in de Evangeliën: waarom deed Jezus dat?

Iemand die de Bijbel serieus neemt, zal het bestaan van satan en demonische machten niet ontkennen. De Evangeliën spreken er duidelijk over.

De Here Jezus dreef demonen uit, bevrijdde mensen van onreine geesten en demonstreerde daarmee Zijn macht over het rijk van de duisternis.

De vraag die ik wil stellen is:

waarom deed Hij dat?

Was Zijn bedoeling dan om een voorbeeld te geven van een bevrijdingsbediening die iedere christelijke gemeente vervolgens zou moeten invullen?

Of hadden deze wonderen een bijzondere betekenis binnen Zijn bediening als de beloofde Messias van Israël?

In Mattheüs 10 zendt de Here Jezus Zijn twaalf discipelen uit. Zij krijgen onder meer de opdracht zieken te genezen en demonen uit te drijven.

Maar let op de woorden die daaraan voorafgaan.

Mattheüs 10:5-6:

“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen; Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (STV)

Dat is duidelijk.

De discipelen worden op dat moment niet naar alle volken gezonden, maar uitdrukkelijk naar Israël.

En wat moeten zij verkondigen?

Mattheüs 10:7:

“En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” (STV)

Dat is de context.

De Messias was gekomen. Het beloofde Koninkrijk werd aangekondigd. En de wonderen die Christus en Zijn discipelen verrichtten, getuigden van de macht en autoriteit van de Koning.

Dat blijkt ook uit Mattheüs 12:28:

“Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.” (STV)

Het uitdrijven van demonen stond dus rechtstreeks in verband met de openbaring van de Messias en de aankondiging van het Koninkrijk.

De wonderen waren niet bedoeld om de aandacht op demonen te vestigen, maar op Christus!

Dat is een onderscheid dat we goed moeten bewaren.

 

De macht van Christus, niet de macht van de duivel

De geschiedenis van de bezetene in Markus 5.

Deze man verkeerde in een verschrikkelijke toestand. Hij leefde tussen de graven, kon niet gebonden worden en werd door demonische machten beheerst.

Maar zodra de Here Jezus verschijnt, blijkt Wie werkelijk het gezag heeft.

De demonen kunnen niets beginnen zonder Zijn toestemming.

Wat leert dit verhaal ons?

Dat wij ons uitgebreid moeten verdiepen in demonische hiërarchieën, hun namen en hun werkwijzen?

Nee.

De geschiedenis toont de absolute macht van de Zoon van God.

En dat is exact waar sommige moderne bevrijdingsbedieningen de aandacht van afleiden. Er wordt soms eindeloos gesproken over de activiteiten van satan, alsof christenen voortdurend moeten ontdekken welke demon achter welk probleem zit.

Maar de Bijbel brengt geen Evangelie van demonische dreiging.

De Bijbel verkondigt Jezus Christus, Die macht heeft over alle overheden en machten.

 

Handelingen is niet alleen geschiedenis, maar ook een overgangsboek

Hier komen we bij een bijzonder belangrijk punt dat in veel charismatische Schriftuitleg onvoldoende of zelfs geen aandacht krijgt.

Het boek Handelingen is niet alleen een verslag van gebeurtenissen uit de begintijd van het christendom.

Het is ook een overgangsboek in de heilsgeschiedenis.

We zien de overgang van de bediening aan Israël naar de wereldwijde verkondiging van het Evangelie en de ontwikkeling van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

Aanvankelijk ligt de nadruk op Jeruzalem en Israël. Petrus neemt een vooraanstaande plaats in. Later bereikt het Evangelie Samaria en de heidenen. Vervolgens komt de bediening van Paulus steeds nadrukkelijker naar voren.

De Gemeente ontstaat op de Pinksterdag, maar het onderwijs over haar bijzondere hemelse positie en roeping wordt vooral in de apostolische brieven ontvouwd.

Dat onderscheid is zeer belangrijk.

Inderdaad, ook in Handelingen worden demonen uitgedreven.

In Handelingen 8 lezen we dat onreine geesten mensen verlaten tijdens de bediening van Filippus.

In Handelingen 16 drijft Paulus een waarzeggende geest uit een dienstmaagd.

En in Handelingen 19 lezen we over buitengewone wonderen door de handen van Paulus.

Dus nee, het uitdrijven van demonen hield niet meteen op na de hemelvaart van Christus.

Maar daarmee is niet aangetoond dat iedere christelijke gemeente een bevrijdingsbediening hoort te hebben.

Een gebeurtenis die de Schrift beschrijft, is daarmee niet meteen een opdracht die de Schrift voorschrijft.

Dat onderscheid wordt nogal eens vergeten.

 

Beschrijving is geen voorschrift

In Handelingen 19:11 lezen we:

“En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;” (STV)

Let op dat woord: ongewone.

Het gaat hier om bijzondere gebeurtenissen tijdens de apostolische bediening.

Zelfs zweetdoeken en gordeldoeken die met Paulus in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht, waarna ziekten en boze geesten weken.

Maar wie zou op grond daarvan durven beweren dat iedere gemeente vandaag een bediening met zweetdoeken moet organiseren?

Toch wordt met andere gebeurtenissen uit Handelingen wel zo geredeneerd.

Men leest dat iets gebeurde en concludeert dan dat het dus ook vandaag moet gebeuren.

Maar zo werkt het niet.

We moeten vragen aan wie iets werd gezegd, in welke omstandigheden het plaatsvond, welk doel het diende en of het later als blijvende opdracht aan de Gemeente wordt onderwezen.

Anders maken we van het boek Handelingen een handboek met voorbeelden waaruit iedereen naar believen een eigen bediening kan samenstellen.

En dan is de stap naar allerlei exotische praktijken niet groot meer.

 

Wat leren de brieven aan de Gemeente over demonen?

Nu komen we bij wat mij betreft het meest overtuigende gedeelte van dit onderwerp.

Wanneer Paulus schrijft aan de Gemeente, bespreekt hij uitvoerig het christelijke leven.

Hij heeft het over rechtvaardiging, heiliging, het vlees, de nieuwe mens, het wandelen door de Geest, de geestelijke strijd, het gebed en de volwassenheid van de gelovige.

Hij waarschuwt ook uitdrukkelijk voor de satan.

Maar waar vinden we in zijn brieven de opdracht om demonen uit wedergeboren gelovigen te drijven?

Waar onderwijst hij dat christenen ‘generatievloeken’ moeten verbreken?

Waar vinden we instructies om ‘territoriale geesten’ te binden?

Waar lezen we dat geestelijke volwassenheid afhankelijk is van een ‘bijzondere bevrijdingsbediening’?

Nergens.

En dat is opmerkelijk, temeer omdat Paulus zoveel aandacht besteedt aan de geestelijke wandel van de gelovige.

Uiteraard moeten we voorzichtig zijn met argumenten die uitsluitend gebaseerd zijn op wat ergens niet staat.

Maar hier gaat het om meer dan zwijgen.

De apostel geeft namelijk wél uitvoerig onderwijs over hoe de gelovige tegenover de duivel en zijn listen hoort te staan.

En dat onderwijs ziet er anders uit dan wat in bepaalde bevrijdingsbedieningen wordt gepraktiseerd.

 

 

Efeze 6: de geestelijke strijd is reëel, maar hoe voeren we die?

Efeze 6 wordt vaak terecht aangehaald wanneer het gaat over geestelijke strijd.

Paulus schrijft in Efeze 6:12:

“Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.” (STV)

Daar valt niets op af te dingen.

De geestelijke strijd is reëel.

Maar kijk eens aandachtig naar wat Paulus vervolgens schrijft.

Hij spreekt over de gehele wapenrusting Gods.

Waaruit bestaat die?

Uit waarheid, gerechtigheid, de bereidheid van het Evangelie des vredes, geloof, zaligheid, het Woord van God en gebed.

En waartoe dient deze wapenrusting?

Om staande te blijven tegenover de listen van de duivel.

Niet om voortdurend demonen op te sporen en te identificeren.

Niet om met demonische machten in gesprek dan wel in gevecht te gaan.

Niet om allerlei geestelijke gebieden te veroveren.

En evenmin om elke tegenslag in het leven als een demonische aanval te bestempelen.

Paulus leert ons niet hoe wij demonen moeten bevelen, maar hoe wij in de waarheid van God moeten standhouden.

Dat is een wezenlijk verschil.

En misschien mogen we ons ook wel afvragen waarom sommige predikers zoveel aandacht besteden aan manieren van geestelijke oorlogsvoering die Paulus helemaal niet onderwijst.

 

De gelovige is al verlost uit de macht van de duisternis

Hier ligt een sterke bemoediging.

Kolossenzen 1:13 zegt:

“Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde;” (STV)

Let eens op de werkwoordsvormen.

God heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis.

Hij heeft ons overgezet in het Koninkrijk van Zijn geliefde Zoon.

Dat is geen toekomstige mogelijkheid. Het is een volbracht feit.

En in Kolossenzen 2:10 lezen we:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (STV)

Wat een geweldige waarheid!

De gelovige is in Christus tot volheid gebracht.

Niet omdat hij inmiddels alle mogelijke demonen heeft laten uitdrijven.

Niet omdat iemand alle zogenaamde generatievloeken over zijn leven heeft verbroken.

Maar omdat hij in Christus is.

Dat betekent niet dat een gelovige nooit meer verzocht, misleid of aangevallen kan worden. De Schrift leert duidelijk het tegendeel.

Maar beïnvloeding en verzoeking zijn iets anders dan demonische bezetenheid.

De gedachte dat een wedergeboren gelovige door demonen bewoond wordt en daarom een bijzondere uitdrijving nodig heeft, kan niet uit Bijbels onderwijs worden afgeleid.

Wie dat toch leert, zal daarvoor een duidelijke Bijbelse basis moeten geven.

Een indrukwekkend getuigenis is daarvoor niet genoeg.

Een bijzondere ervaring ook niet.

 

De werken van het vlees; niet iedere zonde is een demon

Nog een belangrijk punt.

In sommige charismatische kringen wordt gemakkelijk gesproken over ‘een geest van angst’, ‘een geest van jaloezie’,’een geest van boosheid’, ‘een geest van verslaving’ of ‘een geest van onreinheid’.

Maar wat zegt Paulus?

In Galaten 5 spreekt hij over de werken van het vlees.

Daaronder vallen onder meer vijandschappen, twist, nijdigheid, toorn en dronkenschappen.

Hij noemt deze dingen niet demonische gebondenheden.

Hij noemt ze werken van het vlees.

En wat is zijn antwoord?

Galaten 5:16:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (STV)

 

Wandel door de Geest

De gelovige wordt opgeroepen te leven vanuit zijn nieuwe positie in Christus.

Dat vraagt geloof, kennis van Gods Woord en een wandel in afhankelijkheid van de Heilige Geest.

Wie iedere zondige neiging aan een demon toeschrijft, loopt het gevaar de verantwoordelijkheid van de gelovige zelf weg te nemen.

En wie iedere ziekte, angststoornis of psychische klacht demonisch verklaart, kan mensen bovendien ernstig beschadigen.

Laten we daar a.u.b voorzichtig mee zijn!

Een mens die lijdt, heeft geen behoefte aan ongefundeerde beschuldigingen over ‘verborgen demonische machten’.

Hij heeft behoefte aan waarheid, liefde, zorg en waar nodig deskundige hulp.

En bovenal mag hij gewezen worden op de Genade en trouw van God.

 

Generatievloeken en bevrijdingsgebeden: waar staat dat dan?

Een andere terugkerende gedachte is dat christenen gebonden kunnen blijven door zonden van hun voorouders.

Daarom zouden generatievloeken verbroken moeten worden door speciale gebeden of bevrijdingsrituelen.

Maar waar vinden we die opdracht in de brieven aan de Gemeente?

Paulus schrijft in Galaten 3:13:

“Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.” (STV)

Dit vers spreekt specifiek over de vloek van de Wet. We moeten het dus niet zomaar gebruiken om iedere mogelijke vorm van erfelijke belasting of de gevolgen van vroegere zonden weg te redeneren.

Maar het onderstreept wel dat onze verlossing rust op het volbrachte werk van Christus.

De apostelen leren nergens dat wedergeboren gelovigen eerst een inventarisatie van hun familiegeschiedenis moeten maken om verborgen geestelijke vloeken te ontdekken.

Toch wordt dat in sommige bedieningen voorgesteld als een noodzakelijke stap naar geestelijke vrijheid.

Waar zegt de Bijbel dat?

Een beroep op oudtestamentische teksten over de gevolgen van zonden in opeenvolgende generaties is nog geen bewijs dat de Gemeente een dergelijke bevrijdingspraktijk moet kennen.

Daarvoor is meer nodig dan een verzameling los aangehaalde Bijbelteksten.

Een leer wordt niet Bijbels doordat men er (veel) Bijbelteksten bij noemt, dat is dan pas het geval als die teksten, gelezen in hun verband, werkelijk leren wat men beweert.

 

De duivel krijgt soms meer aandacht dan Christus

Dit vind ik misschien wel het meest verontrustende gevolg van een overdreven nadruk op demonische activiteiten.

Een gelovige kan zo voortdurend bezig raken met wat satan mogelijk doet, dat hij nauwelijks nog toekomt aan de rijkdom van wat Christus heeft gedaan.

Er ontstaat een geloofsleven waarin men steeds opnieuw bevrijding zoekt.

Steeds opnieuw moeten gebondenheden worden verbroken.

Steeds opnieuw moeten geestelijke aanvallen worden afgeslagen.

Steeds opnieuw is er een nieuwe doorbraak nodig.

 

Maar wanneer is het dan genoeg?

Wanneer mag de gelovige eenvoudig rusten in het volbrachte werk van zijn Heiland?

Paulus schrijft in Kolossenzen 2:15:

“En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door Hetzelve over hen getriomfeerd.” (STV)

Wie heeft overwonnen?

Christus!

Niet de bevrijdingsprediker.

Niet degene die de indrukwekkendste gebeden uitspreekt.

Niet degene die het hardst tegen demonen schreeuwt.

Christus heeft overwonnen.

En de gelovige mag weten dat hij verbonden is met deze overwinnende Heiland.

Dat is geen reden voor geestelijke laksheid Het is juist de grond voor een leven in geloof, waakzaamheid en dankbaarheid.

 

Waarom begint Paulus niet met geestelijke oorlogsvoering?

Lees de brief aan de Efeziërs eens in zijn geheel.

Paulus begint niet met satan.

Hij begint met Gods zegeningen in Christus.

Hij schrijft over onze uitverkiezing in Hem, onze verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de misdaden en onze verzegeling met de Heilige Geest.

Vervolgens spreekt hij over onze levendmaking met Christus en onze hemelse positie in Hem.

Daarna volgt zijn onderwijs over de praktische wandel van de gelovige.

En pas tegen het einde van de brief komt de geestelijke wapenrusting ter sprake.

Dát is de volgorde van het apostolische onderwijs.

Eerst wat God in Christus voor ons heeft gedaan.

Dan wie wij in Christus zijn.

Vervolgens hoe wij behoren te wandelen. En binnen die wandel leren wij ook standhouden tegenover de listen van de duivel.

Wanneer een prediking deze volgorde omkeert en voortdurend begint bij de dreiging van satan, raakt de Bijbelse verhouding gemakkelijk zoek.

Dan wordt de gelovige niet opgebouwd in de kennis van Christus, maar mogelijk afhankelijk gemaakt van mensen die beweren bijzondere kennis te hebben van de demonische wereld.

En daar moeten we bijzonder kritisch op zijn.

 

 

Geestelijke volwassenheid, niet afhankelijkheid van bevrijdingsspecialisten

In Efeze 4 lezen we dat Christus gaven aan Zijn Gemeente heeft gegeven met het oog op de opbouw van het Lichaam.

Het doel daarvan is dat gelovigen opgroeien tot geestelijke volwassenheid.

Efeze 4:14:

“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;” (STV)

Dat is een ernstige waarschuwing.

De bedoeling van Bijbels onderwijs is met name niet dat gelovigen steeds afhankelijker worden van bijzondere bedieningen en geestelijke specialisten.

Het doel is dat zij groeien in de kennis van Christus en leren onderscheiden wat waarheid en dwaling is.

En dat geldt ook voor het onderwijs over demonen en bevrijding.

Wanneer een christen voortdurend te horen krijgt dat hij mogelijk nog gebonden is, dat er verborgen vloeken over zijn leven liggen of dat hij zonder een bijzondere bevrijdingsbediening niet werkelijk vrij kan worden, dan mag hij vragen:

Waar leert de Schrift dat?

En als die vraag niet vanuit het Bijbelse onderwijs beantwoord kan worden, waarom zou hij zich dan aan zulke beweringen onderwerpen?

De Gemeente heeft geen nieuwe openbaringen nodig over vermeende demonische structuren, maar heeft behoefte aan gezond onderwijs uit het Woord van God.

 

Een woord van bemoediging voor wie bang is geworden

Misschien heb je zelf wel onderwijs gehad waardoor je voortdurend bang bent geworden voor demonische machten.

Misschien is je verteld dat bepaalde problemen in je leven wijzen op geestelijke gebondenheid.

Of dat je nog niet echt vrij bent zolang iemand niet voor je heeft gebeden om bepaalde vloeken te verbreken.

Dan wil ik je graag wijzen op de woorden van Romeinen 8:38-39:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)

Wat een geweldige zekerheid!

Paulus ontkent het bestaan van geestelijke machten niet.

Maar hij verkondigt dat geen enkele geschapen macht de gelovige kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus.

Dáár ligt onze zekerheid.

Niet in de kracht van onze gebeden.

Niet in de kennis van een bevrijdingsprediker.

Niet in het aantal geestelijke aanvallen dat wij menen te hebben afgeslagen.

Maar in Christus. In Hem alleen.

En daarom hoeven we niet steeds angstig rond te kijken naar wat de duivel mogelijk doet.

We mogen onze aandacht richten op Hem Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

Laat er geen misverstand over bestaan.

Satan bestaat. Demonische machten bestaan. De geestelijke strijd is reëel.

Maar dat betekent niet dat iedere hedendaagse leer over demonische gebondenheid, generatievloeken of bevrijdingsbediening daarmee ook Bijbels is.

De Evangeliën tonen ons de macht van de Messias, Die het Koninkrijk aan Israël aankondigde.

Handelingen beschrijft de bijzondere overgangsperiode waarin het Evangelie vanuit Jeruzalem zijn weg vond naar de volken en waarin de apostolische bediening met tekenen en wonderen gepaard ging.

De brieven aan de Gemeente geven ons vervolgens het leerstellige onderwijs over onze positie, roeping en wandel in Christus.

En daarin vinden we geen opdracht om een afzonderlijke bevrijdingsbediening op te bouwen waarin wedergeboren gelovigen voortdurend van demonen moeten worden verlost.

We vinden er wel de opdracht om te wandelen door de Geest, het Woord der waarheid vast te houden, de duivel te weerstaan en de gehele wapenrusting Gods aan te doen.

Daarom moeten we niet alles geloven wat onder de noemer van geestelijke strijd wordt aangeboden.

Ook niet wanneer het indrukwekkend klinkt.

Ook niet wanneer er bijzondere getuigenissen bij worden verteld.

En ook niet wanneer iemand beweert dat hij door een speciale zalving of openbaring inzicht heeft gekregen in de demonische wereld.

 

De vraag blijft:

Wat zegt de Bijbel?

Want een christen wordt niet geestelijk volwassen door steeds meer over demonen te weten te komen.

Hij groeit door de kennis van de Here Jezus Christus.

En uiteindelijk gaat het daarom.

Niet om de duivel groot te maken, maar om Christus te verheerlijken.

Niet om mensen angst aan te jagen, maar om hen te bepalen bij de zekerheid van Gods beloften.

Niet om nieuwe afhankelijkheden te scheppen, maar om gelovigen op te bouwen in het geloof.

Kolossenzen 3:1-2 zegt:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” (STV)

Daar hoort onze aandacht te liggen.

Niet bij een voortdurende zoektocht naar demonische machten, maar bij onze opgestane en verheerlijkte Heiland.

Want niet de duivel heeft het laatste woord.

Christus heeft overwonnen.

En in Hem is de gelovige geborgen.

 

Toets daarom de leer aan het Woord van God. Niet de ervaring, niet de traditie en niet het gezag van een prediker bepalen wat waar is. De Bijbel is de maatstaf.

 

Psalm 103: Vergeet geen van Zijn weldaden

Loof de Heere mijn ziel

Psalm 103 is een van die Psalmen die mij steeds weer bijzonder raakt als ik hem lees. In deze blog over Psalm 103 zien we hoe David zichzelf oproept de HEERE te loven en géén van Zijn weldaden te vergeten. De hele Psalm is een indrukwekkende lofzang op Gods vergeving, barmhartigheid, goedertierenheid en trouw.

“Loof den HEERE, mijn ziel…” (Psalm 103:1, STV)

en aan het einde opnieuw:

“Loof den HEERE, mijn ziel.” (Psalm 103:22, STV)

David begint niet bij anderen. Hij spreekt allereerst zichzelf aan.

“Mijn ziel, loof den HEERE.”

Niet alleen wanneer de omstandigheden goed zijn. Niet alleen wanneer hij zich ernaar voelt:

“Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.” (Psalm 103:1, STV)

Al wat binnen in mij is.

Dat is volledige overgave. Geen reserves. Heel zijn innerlijke mens roept hij op om God te loven.

oof den HEERE, mijn ziel en vergeet geen van Zijn weldaden
Psalm 103 Vergeet geen van Zijn weldaden

Vergeet Zijn weldaden niet

Dan volgt in vers 2 voor mij persoonlijk een heel belangrijke aansporing:

“Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;” (Psalm 103:2, STV)

Vergeet niet.

Wat zijn wij daar van nature gemakkelijk toe geneigd.

We weten meestal precies wat ons ontbreekt. We herinneren ons onze teleurstellingen, onze pijn, onze onbeantwoorde vragen en onze zorgen.

Maar wat God heeft gedaan? Zijn bewaring? Zijn Genade? Zijn trouw? Zijn vergeving?

David zegt het tegen zichzelf: ziel, vergeet dat niet!

Dat spreekt mij persoonlijk erg aan. Het is goed om bewust terug te denken aan, en stil te staan bij wat God al heeft gedaan. Niet alleen in algemene zin, maar ook heel persoonlijk. Waar heeft Hij gedragen? Waar heeft Hij bewaard? Waar heeft Hij voorzien? En boven alles: wat heeft Hij in Christus geschonken?

Lofprijzing wordt hier dus gevoed door herinnering.

 

Die al uw ongerechtigheid vergeeft

Dan begint David Gods weldaden op te sommen:

“Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw krankheden geneest;” (Psalm 103:3, STV)

Opvallend is dat hij begint met vergeving.

Dat is niet toevallig.

De grootste nood van de mens is uiteindelijk niet zijn lichamelijke zwakheid, zijn moeilijke omstandigheden of zelfs zijn sterfelijkheid. Zijn diepste probleem is zijn zonde tegenover God.

En dáár begint Gods grote Genade.

“Die al uw ongerechtigheid vergeeft.”

Dat is gigantisch.

Niet een stukje. Niet alleen de fouten die wij zelf nog betrekkelijk klein vinden. David noemt hier

al uw ongerechtigheid.

Daarna noemt hij het genezen van krankheden. Zonde en ziekte zijn niet sec hetzelfde en deze woorden moeten daarom niet zonder meer als synoniemen worden behandeld. Wel behoren ziekte, zwakheid en sterfelijkheid tot die gebroken werkelijkheid die door de zondeval in de wereld gekomen is.

God is niet alleen Degene Die vergeeft. Hij is ook Degene van Wie herstel en genezing uiteindelijk afkomstig zijn.

En eens zal voor Gods verlosten iedere consequentie van de gevallen schepping voorgoed weggedaan zijn.

 

Verlost van het verderf

Die gedachte gaat verder in vers 4:

“Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;” (Psalm 103:4, STV)

Hier wordt het nog groter.

Hij vergeeft.

Hij geneest.

Hij verlost.

En Hij kroont.

Wát een beschrijving van Gods Genade.

De mens heeft van zichzelf geen kroon verdiend. Integendeel. Maar God omringt hem met “goedertierenheid en barmhartigheden”.

Dát is Genade in een notendop.

Niet ontvangen wat wij vanwege onze zonde verdiend hebben, en vervolgens uit Gods hand ontvangen wat wij nooit hadden kunnen verdienen.

 

Verzadigt met het goede

Vers 5 vervolgt:

“Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.” (Psalm 103:5, STV)

God geeft niet met mate.

Hij verzadigt.

Er zit in deze eerste verzen een prachtige opeenvolging:

Hij vergeeft.

Hij geneest.

Hij verlost.

Hij kroont.

Hij verzadigt.

De aandacht ligt voortdurend bij wat Hij doet.

Daar ligt ook de grond van deze lofprijzing. Niet in wat wij voor God tot stand brengen, maar allereerst in Wie Hij is en wat Hij doet.

 

De HEERE doet gerechtigheid

Vanaf vers 6 verruimt David zijn blik.

“De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen die onderdrukt worden.” (Psalm 103:6, STV)

God is niet alleen goed; Hij is óók rechtvaardig.

Dat hoort bij elkaar.

Wij zetten goedheid en oordeel soms tegenover elkaar, maar de Bijbel doet dat niet. Juist omdat God goed is, haat Hij het kwaad. Juist omdat Hij rechtvaardig is, ziet Hij de onderdrukte niet over het hoofd.

Vers 7 herinnert vervolgens aan Gods handelen met Israël:

“Hij heeft Mozes Zijn wegen bekendgemaakt, den kinderen Israëls Zijn daden.” (Psalm 103:7, STV)

David baseert zijn lofprijzing dus niet alleen op persoonlijke ervaring.

Hij kijkt naar Gods geopenbaarde handelen in de geschiedenis.

Dat is belangrijk.

Ons geloof rust uiteindelijk niet op ons gevoel van vandaag. God heeft Zich bekendgemaakt. Hij heeft gesproken. Hij heeft gehandeld.

 

Barmhartig en genadig

Dan komen we bij misschien wel een van de mooiste  en krachtigste samenvattingen van Gods karakter in deze Psalm:

“Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.” (Psalm 103:8, STV)

Barmhartig.

Genadig.

Lankmoedig.

Groot van goedertierenheid.

Dat betekent niet dat God zonde onbelangrijk vindt. Integendeel. Tegen de achtergrond van Zijn heiligheid wordt Zijn Genade zo groot.

Vers 9 zegt:

“Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.” (Psalm 103:9, STV)

Gods toorn is geen grillige menselijke drift. Zijn oordeel is rechtvaardig.

Maar David weet ook: Gods handelen met degenen die Hem vrezen wordt gekenmerkt door barmhartigheid.

En dan komt vers 10:

“Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.” (Psalm 103:10, STV)

Als God met ons zou handelen naar wat onze zonden verdienen, wie zou dan kunnen bestaan?

Dat is misschien wel een van de meest verootmoedigende gedachten van deze Psalm.

Wij leven niet van onze verdiensten.

Wij leven van Genade.

 

Zo hoog de hemel is

David zoekt vervolgens naar beelden om die goedertierenheid onder woorden te brengen.

En eigenlijk schieten woorden tekort.

“Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen die Hem vrezen.” (Psalm 103:11, STV)

Hoe groot is Gods goedertierenheid?

Kijk omhoog.

Kun je de afstand meten?

Zo spreekt David over Gods goedertierenheid.

Maar dan komt misschien een nog indrukwekkender beeld:

“Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.” (Psalm 103:12, STV)

Niet een paar meter.

Niet tijdelijk uit het zicht.

Zo ver het oosten is van het westen.

God vergeeft niet zoals mensen soms vergeven: “Ik vergeef het je, maar ik kan het niet vergeten.”

Hij doet de overtredingen weg.

Wat een rust ligt daarin.

 

Zoals een vader zich ontfermt

Daarna verandert het beeld opnieuw.

Van de hemel en de horizon gaat David naar een vader en zijn kinderen.

“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen die Hem vrezen.” (Psalm 103:13, STV)

God kent onze zwakheid.

Hij weet precies wat wij zijn.

“Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.” (Psalm 103:14, STV)

Dat vind ik bijzonder troostvol.

God overschat onze kracht niet.

Wij doen dat zelf vaak wel.

Wij denken misschien dat wij altijd sterk moeten zijn, alles moeten begrijpen, alles moeten aankunnen en altijd overeind moeten blijven.

God weet beter.

Hij weet dat wij stof zijn.

Dat is geen excuus voor ongeloof of ongehoorzaamheid. Maar het is wel een geweldige troost voor de zwakke mens die op Hem vertrouwt.

Onze zwakheid verrast Hem niet.

 

Gras en bloemen

Dan plaatst David de mens tegenover Gods eeuwigheid.

“De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.” (Psalm 103:15, STV)

Een bloem kan prachtig zijn.

Maar heel kort.

“Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.” (Psalm 103:16, STV)

Dat houdt ons een spiegel voor.

Wij kunnen ons leven ontzettend belangrijk vinden. Onze plannen. Onze bezittingen. Onze positie. Onze zorgen.

Maar hoe lang duurt een mensenleven eigenlijk?

Een korte bloeitijd.

Een windvlaag.

En het is voorbij.

Maar dan staat daar dat prachtige woord aan het begin van vers 17:

Maar.

“Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen…” (Psalm 103:17, STV)

Wij zijn tijdelijk.

Hij is eeuwig.

Ons leven is vluchtig.

Zijn goedertierenheid niet.

Onze kracht neemt af.

Zijn trouw niet.

Alles aan ons leven verandert, maar Zijn goedertierenheid is

“van eeuwigheid en tot eeuwigheid”.

Wat een tegenstelling.

 

Zijn troon staat vast

En dan tilt de Psalm onze blik helemaal omhoog.

“De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.” (Psalm 103:19, STV)

Dat is uiteindelijk de grond onder alles wat eraan voorafging.

God is ‘in control’.

Zijn troon wankelt niet.

Zijn Koninkrijk wordt niet bedreigd.

Hij is niet afhankelijk van menselijke macht, omstandigheden of ontwikkelingen op aarde.

“Zijn Koninkrijk heerst over alles.”

Ook wanneer wij niet begrijpen wat er gebeurt.

Ook wanneer het leven anders loopt dan wij hadden gedacht.

Ook wanneer wij onze eigen zwakheid nadrukkelijk ervaren.

Zijn troon staat vast.

 

En dan moet alles Hem loven

De Psalm begon heel persoonlijk:

“Loof den HEERE, mijn ziel.”

Maar nu wordt de kring steeds wijder.

Eerst:

“Looft den HEERE, Zijn engelen…” (Psalm 103:20, STV)

Dan:

“Looft den HEERE, al Zijn heirscharen…” (Psalm 103:21, STV)

En tenslotte:

“Looft den HEERE, al Zijn werken, aan alle plaatsen Zijner heerschappij.” (Psalm 103:22, STV)

De lofprijzing die begon in het binnenste van één mens vult uiteindelijk als het ware de hele schepping.

Engelen.

Heirscharen.

Dienaars.

Al Zijn werken.

Overal waar Zijn heerschappij is.

En waar is die heerschappij?

Over alles.

Maar opmerkelijk genoeg eindigt David precies waar hij begon.

Na die enorme oproep aan heel de schepping zegt hij opnieuw tegen zichzelf:

“Loof den HEERE, mijn ziel.” (Psalm 103:22, STV)

Alsof hij zegt:

Laat de engelen Hem loven.

Laat Zijn heirscharen Hem loven.

Laat heel Zijn schepping Hem loven.

Maar mijn ziel, vergeet jij het vooral niet.

 

Vergeet geen van Zijn weldaden

Misschien is dat voor mij wel de kern van deze hele Psalm.

Vergeet niet.

Wanneer het leven moeilijk is: vergeet niet.

Wanneer je zwak bent: vergeet niet.

Wanneer je gebeden nog niet verhoord lijken: vergeet niet.

Wanneer je terugkijkt op je leven: vergeet niet.

Hij vergeeft.

Hij verlost.

Hij ontfermt Zich.

Hij weet dat wij stof zijn.

Zijn goedertierenheid is van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Zijn troon staat vast.

Zijn Koninkrijk heerst over alles.

Daarom:

“Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.” (Psalm 103:2, STV)

Geverifieerd door MonsterInsights