Alles geschonken: leven uit Gods beloften volgens 2 Petrus 1

Gods beloften in de Bijbel

2 Petrus 1:3 zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben, maar dat Hij het al “geschonken heeft”. Kennen wij eigenlijk de rijkdom en de beloften die God in Zijn Woord bekendgemaakt heeft? Misschien hebben we niet steeds iets nieuws nodig, maar moeten we leren leven uit wat God al geschonken heeft.

Wat meer heeft een christen eigenlijk nog nodig om een godvruchtig leven te kunnen leiden? Moeten we voortdurend bidden om meer kracht, een nieuwe zalving, een nieuwe aanraking of een bijzondere geestelijke toerusting? Of zegt de Bijbel iets heel anders en iets wat veel rijker is?

2 Petrus 1:3-4 geeft daarop een opvallend duidelijk antwoord. Petrus zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben. Hij zegt dat Gods Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Direct daarna spreekt hij over de “grootste en dierbare beloften” die ons geschonken zijn.

Dat maakt kennis van Gods beloften in de Bijbel geen aardige aanvulling op het christelijke leven. Wie niet weet wat God heeft beloofd en geschonken, kan daar ook niet uit leven.

En misschien verklaart dat waarom christenen soms wanhopig zoeken naar iets wat God hun allang gegeven heeft.

Gods beloften in 2 Petrus 1
Leven uit Gods beloften 2 Petrus 1

Alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort

Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

Het woord alles verdient onze aandacht.

Petrus schrijft niet dat God ons een eerste geestelijke aanbetaling heeft gegeven en dat wij later nog op zoek moeten naar het ontbrekende deel. Evenmin maakt hij onderscheid tussen gewone christenen en een geestelijke elite die iets extra’s heeft ontvangen.

God heeft “alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort” geschonken.

Ook Paulus gebruikt soortgelijke taal:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

Niet:

God zal ons misschien zegenen.

Niet:

God kan ons zegenen wanneer wij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Maar:

Hij heeft ons gezegend.

Het christelijke leven begint daarom niet bij de vraag hoe wij God ertoe kunnen brengen ons eindelijk voldoende te geven. Het begint bij het geloof dat God in Christus heeft voorzien.

 

Gods beloften kennen is noodzakelijk

Meteen na 2 Petrus 1:3 schrijft Petrus:

“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” (2 Petrus 1:4, STV)

Opnieuw gebruikt Petrus het woord geschonken.

God heeft niet alleen voorzien in alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, Hij heeft ons ook Zijn “grootste en dierbare beloften” gegeven.

Daarmee komen we bij een pijnlijk probleem.

Hoe kun je leven uit Gods beloften wanneer je Gods beloften nauwelijks kent?

Veel christenen kennen uitspraken van bekende sprekers, filmpjes op sociale media, persoonlijke profetieën en populaire christelijke slogans beter dan de beloften die gewoon onverbloemd in Gods Woord staan.

Maar geloof kan niet leven van geestelijke slogans.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17, STV)

Geloof heeft inhoud. God hééft gesproken en geloof vertrouwt op wat Hij gezegd heeft.

Daarom is Bijbelkennis geen hobby voor mensen die toevallig graag studeren.

Kennis van Gods Woord is noodzakelijk om uit Gods beloften te kunnen leven.

 

Wat je niet kent, kun je ook niet geloven

Een gelovige kan geestelijk arm leven terwijl hij in Christus rijk is.

Niet omdat God onvoldoende gegeven heeft, maar omdat de gelovige onvoldoende weet wat hij ontvangen heeft.

Dat is een belangrijk verschil.

Wie niet weet wat de Bijbel zegt over zijn positie in Christus, kan daar moeilijk uit leven. Wie Gods beloften niet kent, zal gemakkelijker heen en weer geslingerd worden door omstandigheden. En wie niet weet wat God daadwerkelijk gezegd heeft, wordt bovendien kwetsbaar voor mensen die namens God allerlei dingen beweren.

Daarom behoren Bijbelkennis, geestelijke groei en leven uit Gods beloften bij elkaar.

Het gaat niet om kennis om de kennis als doel opzich. Het doel is dat het Woord ons denken vormt, zodat ons geloof rust op wat God gezegd heeft.

 

“God heeft mij beloofd…”

Hier is enige nuchterheid nodig.

Er wordt in christelijke kring ontzettend veel aan God toegeschreven.

“God heeft tegen mij gezegd…”

“God liet mij zien…”

“God heeft iets bijzonders beloofd…”

“Ik kreeg een woord voor jou…”

“God zegt dat er een doorbraak aankomt…”

Het klinkt indrukwekkend. Maar ondertussen ligt er thuis misschien een vrijwel gesloten verstofte Bijbel.

Dat is op zijn minst merkwaardig.

Waarom zouden we voortdurend verlangen naar een nieuw persoonlijk “woord” terwijl we nauwelijks kennis hebben van het Woord dat God ons reeds gegeven heeft?

Petrus zelf had een buitengewone ervaring meegemaakt. Hij was getuige geweest van de majesteit van Christus op de berg en had de stem uit de hemel gehoord. Toch schrijft hij verderop in hetzelfde hoofdstuk:

“En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:19, STV)

Dat zou ons te denken moeten geven.

Wie Gods stem wil kennen, moet beginnen met aandacht te geven aan Gods Woord.

 

Niet iedere belofte in de Bijbel is automatisch mijn belofte

Er hoort echter een belangrijke waarschuwing bij een studie over Gods beloften in de Bijbel.

Niet iedere belofte die in de Bijbel staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gegeven.

God deed beloften aan Abraham. Hij deed concrete beloften aan Israël. Er zijn beloften die verband houden met het land, het Koninkrijk en Israëls toekomstige herstel.

Daarnaast vinden we wat God bekendmaakt over de positie en toekomst van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Daarom kunnen we niet willekeurig een mooie tekst aanwijzen en zeggen: “Die claim ik.”

De Schrift moet recht gesneden worden:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Bij iedere Bijbelse belofte moeten we daarom vragen:

Wat staat er precies?

Tegen wie wordt dit gezegd?

In welk verband staat deze belofte?

En mogen wij deze belofte rechtstreeks op onszelf toepassen?

Dat is geen gebrek aan geloof.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

 

Hebben christenen echt “meer van God” nodig?

Hier begint 2 Petrus 1:3 behoorlijk te schuren met bepaalde populaire christelijke ideeën.

Er wordt gesproken over “meer van God”, een “nieuwe zalving”, een “impartatie”, een “nieuwe aanraking” of een bijzondere bediening waardoor iemand geestelijk naar een hoger niveau zou kunnen worden gebracht.

Maar Petrus zegt:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…” (2 Petrus 1:3, STV)

Dan mag een eenvoudige vraag worden gesteld:

Welk gedeelte van “alles” ontbreekt er nog?

Dat is geen woordspelletje. Het is een serieuze leerstellige vraag.

Als Gods Goddelijke kracht alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort, waarom zou een gelovige dan afhankelijk gemaakt moeten worden van een “gezalfde” leider die hem iets zou moeten overdragen wat hij kennelijk nog mist?

Waarom een impartatie zoeken als Petrus zegt dat God voorzien heeft?

Waarom voortdurend zoeken naar “meer” zonder eerst te onderzoeken wat God volgens Zijn Woord reeds gegeven heeft?

De vraag is niet of een christen nog moet groeien. Natuurlijk moet hij groeien.

Maar geestelijke groei is iets anders dan geestelijk incompleet zijn.

 

Gods voorziening is niet het probleem

Misschien zoeken we daarom soms op de verkeerde plaats naar de oorzaak van geestelijke armoede.

We denken dat we iets missen. Petrus zegt dat God alles geschonken heeft.

We zoeken iets nieuws. Petrus wijst naar wat gegeven is.

We zoeken een nieuwe ervaring. Petrus spreekt over kennis.

We zoeken een nieuw woord. Petrus wijst naar

“het profetische Woord, dat zeer vast is”.

Misschien ontbreekt het ons niet aan geestelijke middelen, maar aan kennis van Gods beloften en vertrouwen op Gods Woord.

Dat is een wezenlijk verschil.

 

Leven uit Gods beloften betekent niet passief worden

Petrus laat geen ruimte voor de gedachte: als God alles geschonken heeft, hoef ik dus niets meer te doen.

Direct na vers 3 en 4 schrijft hij:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,” (2 Petrus 1:5, STV)

Vervolgens noemt Petrus matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen.

Hier vinden we een prachtig evenwicht.

Wat God schenkt, wordt de basis waarop de gelovige wandelt.

Wij werken niet om God ertoe te bewegen ons uiteindelijk voldoende geestelijke middelen te geven. Wij mogen leven vanuit wat Hij uit genade geschonken heeft.

Gods gave maakt onze verantwoordelijkheid niet overbodig. Zij maakt onze wandel mogelijk.

Dat is ook waarom kennis zo belangrijk is. Petrus spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over kennis. De christen groeit niet door steeds nieuwe geestelijke sensaties te verzamelen, maar door Christus te kennen en vanuit Gods waarheid te leven.

 

Nieuw leven, geen opgeknapte oude mens

Hierbij is ook belangrijk te beseffen wat God eigenlijk geschonken heeft.

Het Evangelie is niet Gods programma om de oude mens wat godsdienstiger te maken. Het gaat om nieuw leven.

Christus kwam niet maar ‘betere idealen’ aanbieden aan de oude Adamitische mens. De gelovige ontvangt nieuw leven in Christus.

Dat maakt het verschil enorm.

Het christelijke leven is niet:

“Ik probeer met Gods hulp een betere/de beste versie van mezelf te worden.”

Het begint bij wat God gedaan heeft en bij het leven dat Hij gegeven heeft.

Daarom is het steeds opnieuw nodig dat de gelovige leert zien wie hij in Christus is, wat God hem geschonken heeft en hoe hij daaruit mag leven.

 

Vergeet niet wat God gedaan heeft

Petrus zegt iets opvallends over de gelovige bij wie de genoemde vrucht ontbreekt:

“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.” (2 Petrus 1:9, STV)

Let vooral op dat laatste woord: vergeten.

Niet: nooit ontvangen.

Niet: nooit gereinigd.

Maar vergeten wat God gedaan heeft.

Dat geeft een verrassend perspectief op geestelijke armoede. Misschien hebben we niet altijd iets nieuws nodig. Misschien moeten we opnieuw leren verstaan wat God al gedaan en gegeven heeft.

Steeds iets nieuws zoeken terwijl we het oude vergeten zijn, is geen geestelijke groei.

Het kan juist geestelijke onvolwassenheid zijn.

 

Bijbels bidden vanuit Gods beloften

Betekent dit dat we niet meer om geestelijke dingen mogen bidden? Natuurlijk niet.

Maar bidden vanuit Gods beloften ziet er anders uit dan bidden alsof God ons voortdurend iets essentieels onthoudt.

Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” (Efeze 1:17-18, STV)

Let op: “opdat gij moogt weten“.

Paulus bidt voor gelovigen dat zij gaan verstaan welke rijkdom hun deel is.

Dat is iets anders dan voortdurend bidden alsof God die rijkdom nog moet schenken.

Een prachtig gebed zou daarom kunnen zijn:

“Vader, leer mij kennen wat U in Christus geschonken hebt. Leer mij Uw Woord verstaan. Leer mij Uw beloften geloven en leer mij daaruit leven.”

 

Stop met zoeken naar en vragen om wat God al geschonken heeft

2 Petrus 1:3-4 zet ons uiteindelijk voor een eenvoudige maar confronterende vraag.

Zoeken wij voortdurend naar iets nieuws, of leren wij leven uit hetgeen God heeft geschonken?

Misschien moeten we minder vragen:

“Waar kan ik meer ontvangen?”

En vaker:

“Wat zegt Gods Woord dat God mij reeds geschonken heeft?”

Minder jagen op geestelijke ervaringen en meer kennis van Christus.

Minder afhankelijkheid van mensen die zeggen iets bijzonders te kunnen overdragen en meer vertrouwen op Gods beloften in de Bijbel.

Minder

“God zei tegen mij…”

en meer:

“Er staat geschreven.”

Want geestelijke volwassenheid bestaat niet uit een verzameling spectaculaire ervaringen. Zij groeit door kennis van Christus, kennis van Zijn Woord, geloof in Zijn beloften en een wandel die daarmee overeenkomt.

Petrus laat daar weinig onduidelijkheid over bestaan:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

God heeft niet matig gegeven.

De vraag is of wij weten wat Hij geschonken heeft.

En wanneer wij onze rijkdom in Christus nauwelijks kennen, hebben we  niet in de eerste plaats een nieuwe zalving, nieuwe impartatie, nieuwe profetie of nieuwe geestelijke ervaring nodig.

Dan wordt het hoog tijd om onze Bijbel open te doen, Gods beloften te leren kennen, ze te geloven en daaruit te leven.

 

 

 

Succes is geen roeping: de Bijbel tegenover succesprediking

Waarom “je gemeente zal verdubbelen” geen Bijbelse maatstaf is

“Je gemeente zal verdubbelen”

Het klinkt geweldig.

Je gemeente zal groeien. Je bediening zal uitbreiden. Je invloed zal toenemen. Er komt doorbraak. Meer mensen. Meer bereik. Meer zichtbaarheid.…

Uitgesproken  in de gemeente door een geestdriftige spreker, welhaast met de ondertoon van een profetie, verwachtingsvol en goedkeurend ontvangen…..

En wie zou daar nou eigenlijk tegen kunnen zijn?

Dit is een van de manieren waarop succesprediking in de kerk zo gemakkelijk ingang vindt. Zij gebruikt christelijke woorden, spreekt over geloof en Gods zegen en presenteert groei als ultiem bewijs dat God hier aan het werk is.

Maar er is hier een jeukvraag die veel belangrijker is:

Waar leert de Schrift dan, dat zichtbare groei de maatstaf  zou zijn voor de roeping en trouw van het Lichaam van Christus?

Het antwoord is zowel eenvoudig als duidelijk:

nergens.

De apostel Paulus zegt niet dat een gemeente succesvol zou moeten zijn.

Hij zegt:

“Voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.” — 1 Korinthe 4:2 (STV)

Daar staat Gods maatstaf.

Niet groot.

Niet invloedrijk.

Niet succesvol.

Getrouw.

En dat verschil is veel groter dan het oppervlakkig bekeken lijkt.

de kerk als bedrijf?
Geen succesprediking in de kerk

Groei is geen bewijs van Gods goedkeuring

Een van de gevaarlijkste redeneringen binnen het moderne christendom luidt ongeveer zo:

Het groeit, dus God zegent het.

Maar dat is geen Bijbelse redenering.

” Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.
Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdel roepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen;En hun woord zal voorteten gelijk de kanker; onder welke is Hymenéüs en Filétus2 Timotheus 2:15-17 (STV)

Een moskee kan groeien. Een sekte kan groeien. Een politieke beweging kan groeien. Een commerciële onderneming kan groeien. Een dwaalleer kan zich razendsnel verspreiden.

Waarom zou numerieke groei binnen een kerk ineens een bewijs van waarheid zijn?

Een gemeente kan in enkele jaren zomaar verdubbelen terwijl de prediking oppervlakkiger wordt.

Een andere gemeente kan kleiner worden omdat zij weigert haar boodschap aantrekkelijker te maken ten koste van de waarheid.

Welke van de twee is volgens God succesvoller?

Die vraag is al helemaal verkeerd gesteld.

De Bijbelse vraag is:

Welke is Bijbelgetrouw?

 

De Gemeente is geen onderneming

Hier raakt de succesprediking aan een dieper liggend probleem.

Veel hedendaagse kerkelijke taal lijkt opvallend veel op managementtaal:

visie, leiderschap, strategie, impact, groei, bereik, doelgroep, cultuurverandering, invloed.

Natuurlijk zijn niet al die woorden op zichzelf verkeerd. Een gemeente moet ook praktische zaken organiseren.

Maar ongemerkt kan de gemeente daardoor als een onderneming worden beschouwd.

De voorganger wordt een visionair leider.

De gemeente wordt een organisatie.

De samenkomst wordt een product.

De bezoekers worden de doelgroep.

En groei wordt de KPI van Gods zegen.

Maar Paulus noemt de Gemeente geen onderneming.

Hij noemt deze het Lichaam van Christus.

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Dat zet alles in een ander daglicht:

Het doel van het Lichaam is niet zichzelf groot te maken.

Het Hoofd moet de eerste plaats hebben.

Daarom hoort de belangrijkste vraag van een gemeente nooit te zijn:

Hoe krijgen wij meer mensen binnen?

Maar:

Krijgt Christus hier de eerste plaats en wordt Zijn Woord recht gesneden?

 

Het Lichaam van Christus heeft een hemelse roeping

Het verlangen naar zichtbaar succes hangt dikwijls samen met een ander misverstand: de gedachte dat de Gemeente geroepen zou zijn om Gods Koninkrijk hier en nu, steeds zichtbaarder, op aarde te vestigen.

Dan ontstaan grote woorden en plannen.

We moeten steden transformeren.

De cultuur veranderen.

Invloedssferen innemen.

Het Koninkrijk zichtbaar maken.

Maatschappelijke posities veroveren.

De wereld laten zien wat de Kerk kan betekenen.

Maar Paulus wijst het Lichaam van Christus omhoog in plaats van horizontaal;:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” — Kolossenzen 3:1 (STV)

En vervolgens:

“Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” — Kolossenzen 3:2 (STV)

Waarom?

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” — Kolossenzen 3:3 (STV)

Dat woord verborgen verdient aandacht.

De huidige positie van het Lichaam van Christus wordt juist niet gekenmerkt door een triomfantelijke zichtbare heerschappij over deze wereld.

Christus Zelf wordt door deze wereld niet erkend.

En de Gemeente is met Hem verbonden.

 

Wij zijn nu al gezet in de hemel

Paulus gaat nog verder:

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;” — Efeze 2:6 (STV)

Er staat niet dat dat toekomst is, als wij goed ons best blijven doen en de juiste marktstrategie volgen.

De positie van de gelovige is helemaal niet gericht op het verwerven van een zichtbare machtspositie op aarde.

Zijn burgerschap en positie zijn in de hemel, verbonden met de opgewekte Christus.

Dat betekent niet dat een christen maatschappelijk passief moet zijn. Het betekent evenmin dat evangelisatie onbelangrijk zou zijn.

Het betekent iets anders:

aardse invloed is niet de identiteit en evenmin de roeping van het Lichaam van Christus.

Dat onderscheid verdwijnt gemakkelijk wanneer christelijk succes wordt afgemeten aan gebouwen, bezoekersaantallen, online bereik en plaatselijke invloed.

 

Er komt zichtbaarheid, maar niet door onze marketing

De Schrift spreekt wel degelijk over een moment waarop Christus en Zijn heerlijkheid openbaar zullen worden.

Paulus schrijft:

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Let op die volgorde.

Nu: verborgen met Christus.

Straks: met Christus geopenbaard.

Dat is de essentie.

De Gemeente hoeft niet door menselijke strategie alvast zichtbaar te realiseren wat God op Zijn tijd in Christus openbaar zal maken.

Onze opdracht is niet Christus populair te maken.

Onze opdracht is Hem trouw bekend te maken.

 

Paulus zou volgens moderne succesformules een probleemgeval zijn

Wanneer succes werkelijk de maatstaf van een bediening is, moeten we consequent zijn.

Dan moeten we ook Paulus langs die meetlat leggen.

En dan wordt het ongemakkelijk.

Aan het einde van zijn bediening schrijft hij:

“Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben;” — 2 Timotheüs 1:15 (STV)

Dat klinkt niet echt als gemeentegroei.

Later schrijft hij:

“zij hebben mij allen verlaten; het worde hun niet toegerekend.” — 2 Timotheüs 4:16 (STV)

Stel je voor dat dit het jaarverslag van een moderne bediening was.

Mensen afgehaakt.

Medewerkers verdwenen.

Leider gevangen.

Weinig maatschappelijke invloed.

Geen indrukwekkend gebouw.

Geen succesverhaal.

Op het oog een fiasco.

Volgens sommige hedendaagse maatstaven zou er onmiddellijk een consultant moeten worden ingevlogen.

Paulus beoordeelt zijn bediening echter heel anders:

“Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.” — 2 Timotheüs 4:7 (STV)

Het geloof behouden.

Dáár ligt de maatstaf.

 

De Bijbel voorspelt zelfs dat gezonde leer aantallen kan kosten

Dit maakt het nog schrijnender.

Paulus vertelt Timotheüs niet dat trouwe prediking uiteindelijk gegarandeerd grote aantallen mensen zal trekken.

Hij zegt:

“Predik het Woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” — 2 Timotheüs 4:2 (STV)

Waarom is dat nodig?

Omdat er juist weerstand tegen gezonde leer komt:

“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;” — 2 Timotheüs 4:3 (STV)

Lees dat nog maar eens naast de voorbarig uitgesproken belofte:

Je gemeente zal verdubbelen.

De Schrift waarschuwt dat mensen de gezonde leer niet zullen verdragen.

Dat betekent dat trouw aan het Woord juist bezoekers kan kosten.

En dan?

Moeten we de boodschap dan gaan aanpassen totdat er weer groei komt?

Paulus zegt het tegenovergestelde:

Predik het Woord.

 

Het Evangelie is geen groeistrategie

Daar ligt misschien wel het grootste gevaar van succesprediking.

Het Evangelie kan langzaam veranderen van een boodschap die verkondigd moet worden in een middel waarmee iets bereikt moet worden.

Meer bezoekers.

Meer invloed.

Een grotere kerk.

Een sterkere beweging.

Een betere samenleving.

Maar het Evangelie der genade Gods is geen marketinginstrument.

Paulus zegt:

“Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.” — Handelingen 20:24 (STV)

Opnieuw ontbreekt hier de succesformule.

Paulus wil zijn loop volbrengen.

Hij wil getuigen.

Het resultaat daarvan ligt bij God.

 

Paulus predikte Christus, niet menselijke potentie

De succesboodschap richt de aandacht gemakkelijk op de mens:

jouw bestemming.

jouw doorbraak.

jouw invloed.

jouw succes.

jouw potentieel.

jouw droom.

Paulus’ boodschap heeft een ander middelpunt.

“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” — 1 Korinthe 2:2 (STV)

Het kruis is bepaald geen symbool van menselijke zelfverwezenlijking.

Het kruis betekent juist het einde van menselijke aanspraken.

En daarom schrijft Paulus:

“Maar het zij verre van mij, dat ik9 zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Dat schuurt behoorlijk met een evangelie waarin Christus uiteindelijk degene wordt Die jouw dromen, ambities en succes mogelijk moet maken.

Het Evangelie draait niet om de verheffing van de mens, maar om de heerlijkheid van Christus.

 

Vruchtbaarheid is niet hetzelfde als zichtbaarheid

Hier moeten we zorgvuldig blijven.

De Bijbel is niet tegen vruchtbaarheid.

Ook niet tegen gemeentegroei.

Wanneer mensen door het Evangelie tot geloof komen, is dat reden tot grote blijdschap.

Het probleem is dus niet groei.

Het probleem is groei als bewijsmateriaal van Gods goedkeuring en als doel van de bediening.

Dat zijn twee totaal verschillende dingen.

Paulus schrijft:

“Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.” — 1 Korinthe 3:6 (STV)

Dat is bevrijdend.

De dienaar plant.

Een ander begiet.

God geeft de wasdom.

Zodra wij verantwoordelijk worden gemaakt voor de gegarandeerde uitkomst — jouw gemeente zal verdubbelen — verschuift iets wat aan God behoort naar de mens.

 

De kleine gemeente hoeft zich niet te schamen

Dit is ook pastoraal belangrijk.

Wat doet succesprediking met de voorganger die al twintig jaar trouw het Woord verkondigt aan veertig mensen?

Wat doet zij met een gemeente die kleiner wordt?

Wat doet zij met zendelingen die jarenlang arbeiden en nauwelijks resultaat zien?

Wat doet de boodschap „God wil groei, invloed en vermenigvuldiging” met hen?

Zij kan een vals schuldgevoel produceren:

Wat doen wij verkeerd?

Misschien wel helemaal niets.

Misschien weigert die voorganger gewoon zijn boodschap af te zwakken.

Misschien is hij niet hip genoeg voor Instagram.

Misschien organiseert hij geen spectaculaire diensten.

Misschien belooft hij mensen geen doorbraak.

Misschien predikt hij wel gewoon het Woord.

Dan kan een kleine gemeente in Gods ogen gezonder zijn dan een megakerk.

Want God telt niet zoals wij tellen.

 

Het probleem is uiteindelijk het vlees

De Schrift zegt niet:

Ontdek hoe groot jij kunt worden.

De Schrift brengt ons bij Christus.

 

“Je gemeente zal verdubbelen” kan een gevaarlijke belofte zijn

Niet omdat verdubbeling an sich onmogelijk of verkeerd zou zijn.

Een gemeente kan verdubbelen.

Zij kan vertienvoudigen.

God kan een bediening een enorm bereik geven.

Maar niemand heeft daarom het recht daarvan een algemene geestelijke belofte te maken.

En al helemaal niet om succes vervolgens als bewijs van zalving, geloof of gehoorzaamheid te presenteren.

Want dan volgt onvermijdelijk de andere kant:

Als jouw gemeente niet verdubbelt, heb je dan te weinig geloof?

Heb je Gods visie gemist?

Ben je niet gezalfd genoeg?

Heb je onvoldoende groot gedacht?

Daar begint geestelijke manipulatie.

Een menselijke succesnorm wordt dan voorzien van Gods handtekening.

 

Misschien moet een gemeente wel helemaal niet verdubbelen

Misschien moet zij eerst leren.

Misschien moet zij dwaling opruimen.

Misschien moet zij Christus weer centraal stellen.

Misschien moeten gelovigen leren wie zij in Christus zijn.

Misschien moet de prediking dieper in plaats van aantrekkelijker.

Misschien moeten er niet meer stoelen worden neergezet, maar meer Bijbels worden opengeslagen.

Misschien moeten wij minder bezig zijn met hoeveel mensen er binnenkomen en meer met wat hun geleerd wordt wanneer zij binnen zijn.

Dat is minder spectaculair.

Maar het zou weleens veel Bijbelser kunnen zijn.

 

Succes is geen roeping, trouw wel

De vraag waarmee wij begonnen kunnen we daarom beantwoorden.

Waarom is het streven naar zichtbaar succes en invloed niet de roeping van het Lichaam van Christus?

Omdat het Lichaam reeds in Christus een hemelse positie heeft.

Omdat Christus het Hoofd is.

Omdat het leven van de Gemeente nu met Christus verborgen is in God.

Omdat de Gemeente niet geroepen is zichzelf te verheerlijken maar Christus bekend te maken.

Omdat groei door God wordt gegeven en niet door mensen kan worden gegarandeerd.

Omdat Paulus trouw, gezonde leer en het bewaren van het geloof als maatstaven geeft.

En omdat het uiteindelijke oordeel over onze dienst niet wordt uitgesproken door bezoekersaantallen, algoritmen, conferenties of kerkelijke jaarverslagen.

Daarom mag de tegenstelling scherp worden neergezet:

Succesprediking vraagt:

hoeveel groter ben je geworden?

De Schrift vraagt:

ben je trouw gebleven?

Een volle zaal kan indrukwekkend zijn.

Een verdubbelde gemeente kan prachtig zijn.

Een groot bereik kan nuttig zijn.

Maar geen van deze dingen bewijst dat God Zijn goedkeuring eraan heeft gegeven.

De dienaar van Christus heeft een veel eenvoudiger en tegelijk veel zwaardere opdracht:

Predik het Woord. Bewaar het geloof. Maak Christus groot. Blijf getrouw.

En laat de wasdom aan God.

lees ook:

De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam – Bijbelse basis

Trots op de zonde, wat zegt de Bijbel?

Waarom de Bijbel waarschuwt tegen het vieren van wat God veroordeelt

 

Er is iets veranderd in onze samenleving. Mensen zondigen niet alleen meer; zij zijn trots op de zonde. Wat vroeger met schaamte werd verborgen, wordt nu met applaus gevierd. Niet zelden gaat het zelfs verder: wie weigert mee te vieren, wordt weggezet als bekrompen, liefdeloos, haatzaaiend of gevaarlijk.

Dat is geen toevallige maatschappelijke ontwikkeling. De Bijbel beschreef deze geestelijke toestand al duizenden jaren geleden.

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.

De diepste vorm van verdorvenheid

De Bijbel leert dat ieder mens een zondaar is. Maar hij maakt ook onderscheid tussen iemand die struikelt en iemand die zijn zonde verheerlijkt.

David viel diep. Petrus verloochende zijn Heere. Maar beiden kwamen tot berouw.

Er is echter een veel ernstiger toestand: de mens die zijn zonde verdedigt, normaliseert en uiteindelijk verheerlijkt.

“Want de goddeloze roemt zich over de begeerte zijner ziel; en de gierigaard zegent zichzelven; hij lastert den HEERE.” (Psalm 10:3, STV)

De goddeloze schaamt zich niet voor zijn begeerten. Hij roemt erin.

Dat is dus wat we vandaag zien. Niet alleen individuele zonden worden verdedigd, maar complete levensstijlen worden verheven tot deugd. De grootste eer lijkt tegenwoordig niet meer te liggen in heiligheid, maar in “zelfexpressie”.

Hoomoed komt voor de val; trots op de zonde
Trots op de zonde, wat zegt de Bijbel?

Geen schaamte meer: een kenmerk van geestelijk verval

Jeremia beschrijft een volk dat het morele kompas volledig kwijt is.

“Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden…” (Jeremia 6:15, STV)

Dat is misschien wel het meest angstaanjagende oordeel van God: wanneer het geweten niet meer functioneert.

De mens bloost niet meer.

Hij rechtvaardigt zichzelf.

Hij noemt kwaad goed.

 

Zij verkondigen hun zonde

Jesaja gaat nog verder.

“Het aangezicht huns aangezichts getuigt tegen hen, en zij verkondigen hun zonde als Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunner ziel! want zij doen zichzelven kwaad.” (Jesaja 3:9, STV)

De inwoners van Sodom probeerden hun levenswijze niet verborgen te houden.

Zij maakten er een openbare zaak van.

Jesaja zegt: “zij verkondigen hun zonde.”

Dat is treffend actueel. In onze cultuur worden zonden niet slechts getolereerd, maar actief gepromoot. Media, onderwijs, politiek en entertainment verklaren steeds vaker dat wat God zonde noemt juist gevierd moet worden.

 

Romeinen 1 beschrijft onze tijd verbazingwekkend nauwkeurig

De apostel Paulus eindigt zijn beschrijving van een God-verwerpende samenleving met een huiveringwekkende conclusie.

“Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn,) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.” (Romeinen 1:32, STV)

Let op de opbouw.

De mens doet de zonde.

Hij keurt de zonde goed.

Hij prijst anderen die hetzelfde doen.

Dat is de laatste fase van moreel verval.

Niet de zonde is dan nog het grootste probleem.

Het applaus voor de zonde is het grootste probleem.

Kerken zwijgen of doen zelfs volop mee

Hier wordt het pijnlijk.

Steeds meer kerken lijken niet langer de roeping te voelen om zonde zonde te noemen. In plaats van profetisch tegen de geest van de tijd in te spreken, passen zij hun boodschap aan de cultuur aan.

Uit angst mensen kwijt te raken worden scherpe Bijbelse begrippen vervangen door zachte therapeutische taal.

Bekering wordt persoonlijke groei.

Heiliging wordt authenticiteit.

Zonde wordt gebrokenheid.

Gods oordeel wordt ongemakkelijk stilzwijgen.

Sommige kerken gaan zelfs nog verder. Niet alleen wordt de zonde verzwegen, zij wordt gezegend en gevierd

Dat noemt men dan liefde, inclusiviteit of vooruitgang.

Maar liefde zonder waarheid is geen Bijbelse liefde.

Een kerk die bevestigt wat God veroordeelt, is niet barmhartiger dan God. Zij is Hem ongehoorzaam.

De Here Jezus kwam niet om de zonde acceptabel te maken.

Hij kwam om zondaren zalig te maken.

Een kerk die weigert over zonde te spreken, heeft uiteindelijk ook niets meer te zeggen over genade.

Want genade is alleen genade wanneer de ernst van de zonde wordt erkend.

De wortel is menselijke hoogmoed

Waarom is trots op de zonde zo ernstig?

Omdat het de mens boven God plaatst.

God zegt:

“Dit is kwaad.”

De mens antwoordt:

“Nee, dit is goed.”

Dat is dezelfde hoogmoed die al in de hof van Eden zichtbaar werd.

Niet Gods oordeel, maar mijn oordeel.

Niet Gods waarheid, maar mijn waarheid.

Niet Gods wil, maar mijn identiteit.

De eerste zonde begon niet met moord of overspel.

De eerste zonde begon met hoogmoed.

 

Het Evangelie begint met zelfveroordeling

Opvallend genoeg zien we bij alle mannen Gods precies het tegenovergestelde.

Job zegt:

“Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw, in stof en as.” (Job 42:5-6, STV)

Jesaja roept:

“Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben…” (Jesaja 6:5, STV)

Paulus noemt zichzelf:

“…Christus Jezus is in de wereld gekomen, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.” (1 Timotheüs 1:15, STV)

Niemand die echt Gods heiligheid ziet, wordt trots op zichzelf.

 

Hoe dichter men bij God leeft, hoe kleiner men over zichzelf denkt.

Dat is ook precies de les uit Job 42. Wanneer Job echt Gods heerlijkheid ziet, blijft er niets over van zijn zelfvertrouwen. Niet zijn omstandigheden, maar de ontmoeting met Gods heiligheid verbreekt zijn trots en brengt hem tot zelfveroordeling.

 

Alleen door het kruis sterft alle menselijke trots

Daarom eindigt Paulus niet met zelfvertrouwen, maar met een belijdenis.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus…” (Galaten 6:14, STV)

Dat is het grote onderscheid.

De wereld roemt in de zonde.

Religieuze mensen roemen in hun eigen gerechtigheid.

Humanisten roemen in de mens.

Maar de gelovige roemt uitsluitend in Christus.

En precies daar botst het evangelie frontaal met de geest van deze tijd.

Niet omdat christenen beter zijn.

Maar omdat zij weten dat zij zonder Gods genade net zo verloren zouden zijn als ieder ander.

 

Resumerend

De grootste crisis van onze tijd is niet dat mensen zondigen.

,Dat heeft de mens altijd, sinds Genesis 3, gedaan.

De grootste crisis is dat de mens trots is geworden op zijn zonde en verwacht en zels eist dat de wereld daarvoor applaudisseert.

De Bijbel noemt dat geen vooruitgang.

Hij noemt het verblinding.

De vraag is daarom niet of wij zondaren zijn.

Dat zijn we allemaal.

De vraag is: schamen we ons nog over onze zonde, of zijn wij er trots op geworden?

Want wie trots is op zijn zonde, heeft de deur naar bekering gesloten.

Maar wie zich buigt aan de voet van het kruis, ontdekt dat Gods genade groter is dan de grootste zondaar.

“Want een iegelijk, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.” (Lukas 18:14, STV)

zie ook:

Het Evangelie zonder omwegen – Bijbelse basis

Het warme hart van het Evangelie – Bijbelse basis

Bekering, geen hogere wiskunde – Bijbelse basis

Bekering – geen religieuze emotie, maar een noodzakelijke omkeer – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights