Alles geschonken: leven uit Gods beloften volgens 2 Petrus 1

Gods beloften in de Bijbel

2 Petrus 1:3 zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben, maar dat Hij het al “geschonken heeft”. Kennen wij eigenlijk de rijkdom en de beloften die God in Zijn Woord bekendgemaakt heeft? Misschien hebben we niet steeds iets nieuws nodig, maar moeten we leren leven uit wat God al geschonken heeft.

Wat meer heeft een christen eigenlijk nog nodig om een godvruchtig leven te kunnen leiden? Moeten we voortdurend bidden om meer kracht, een nieuwe zalving, een nieuwe aanraking of een bijzondere geestelijke toerusting? Of zegt de Bijbel iets heel anders en iets wat veel rijker is?

2 Petrus 1:3-4 geeft daarop een opvallend duidelijk antwoord. Petrus zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben. Hij zegt dat Gods Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Direct daarna spreekt hij over de “grootste en dierbare beloften” die ons geschonken zijn.

Dat maakt kennis van Gods beloften in de Bijbel geen aardige aanvulling op het christelijke leven. Wie niet weet wat God heeft beloofd en geschonken, kan daar ook niet uit leven.

En misschien verklaart dat waarom christenen soms wanhopig zoeken naar iets wat God hun allang gegeven heeft.

Gods beloften in 2 Petrus 1
Leven uit Gods beloften 2 Petrus 1

Alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort

Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

Het woord alles verdient onze aandacht.

Petrus schrijft niet dat God ons een eerste geestelijke aanbetaling heeft gegeven en dat wij later nog op zoek moeten naar het ontbrekende deel. Evenmin maakt hij onderscheid tussen gewone christenen en een geestelijke elite die iets extra’s heeft ontvangen.

God heeft “alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort” geschonken.

Ook Paulus gebruikt soortgelijke taal:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

Niet:

God zal ons misschien zegenen.

Niet:

God kan ons zegenen wanneer wij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Maar:

Hij heeft ons gezegend.

Het christelijke leven begint daarom niet bij de vraag hoe wij God ertoe kunnen brengen ons eindelijk voldoende te geven. Het begint bij het geloof dat God in Christus heeft voorzien.

 

Gods beloften kennen is noodzakelijk

Meteen na 2 Petrus 1:3 schrijft Petrus:

“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” (2 Petrus 1:4, STV)

Opnieuw gebruikt Petrus het woord geschonken.

God heeft niet alleen voorzien in alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, Hij heeft ons ook Zijn “grootste en dierbare beloften” gegeven.

Daarmee komen we bij een pijnlijk probleem.

Hoe kun je leven uit Gods beloften wanneer je Gods beloften nauwelijks kent?

Veel christenen kennen uitspraken van bekende sprekers, filmpjes op sociale media, persoonlijke profetieën en populaire christelijke slogans beter dan de beloften die gewoon onverbloemd in Gods Woord staan.

Maar geloof kan niet leven van geestelijke slogans.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17, STV)

Geloof heeft inhoud. God hééft gesproken en geloof vertrouwt op wat Hij gezegd heeft.

Daarom is Bijbelkennis geen hobby voor mensen die toevallig graag studeren.

Kennis van Gods Woord is noodzakelijk om uit Gods beloften te kunnen leven.

 

Wat je niet kent, kun je ook niet geloven

Een gelovige kan geestelijk arm leven terwijl hij in Christus rijk is.

Niet omdat God onvoldoende gegeven heeft, maar omdat de gelovige onvoldoende weet wat hij ontvangen heeft.

Dat is een belangrijk verschil.

Wie niet weet wat de Bijbel zegt over zijn positie in Christus, kan daar moeilijk uit leven. Wie Gods beloften niet kent, zal gemakkelijker heen en weer geslingerd worden door omstandigheden. En wie niet weet wat God daadwerkelijk gezegd heeft, wordt bovendien kwetsbaar voor mensen die namens God allerlei dingen beweren.

Daarom behoren Bijbelkennis, geestelijke groei en leven uit Gods beloften bij elkaar.

Het gaat niet om kennis om de kennis als doel opzich. Het doel is dat het Woord ons denken vormt, zodat ons geloof rust op wat God gezegd heeft.

 

“God heeft mij beloofd…”

Hier is enige nuchterheid nodig.

Er wordt in christelijke kring ontzettend veel aan God toegeschreven.

“God heeft tegen mij gezegd…”

“God liet mij zien…”

“God heeft iets bijzonders beloofd…”

“Ik kreeg een woord voor jou…”

“God zegt dat er een doorbraak aankomt…”

Het klinkt indrukwekkend. Maar ondertussen ligt er thuis misschien een vrijwel gesloten verstofte Bijbel.

Dat is op zijn minst merkwaardig.

Waarom zouden we voortdurend verlangen naar een nieuw persoonlijk “woord” terwijl we nauwelijks kennis hebben van het Woord dat God ons reeds gegeven heeft?

Petrus zelf had een buitengewone ervaring meegemaakt. Hij was getuige geweest van de majesteit van Christus op de berg en had de stem uit de hemel gehoord. Toch schrijft hij verderop in hetzelfde hoofdstuk:

“En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:19, STV)

Dat zou ons te denken moeten geven.

Wie Gods stem wil kennen, moet beginnen met aandacht te geven aan Gods Woord.

 

Niet iedere belofte in de Bijbel is automatisch mijn belofte

Er hoort echter een belangrijke waarschuwing bij een studie over Gods beloften in de Bijbel.

Niet iedere belofte die in de Bijbel staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gegeven.

God deed beloften aan Abraham. Hij deed concrete beloften aan Israël. Er zijn beloften die verband houden met het land, het Koninkrijk en Israëls toekomstige herstel.

Daarnaast vinden we wat God bekendmaakt over de positie en toekomst van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Daarom kunnen we niet willekeurig een mooie tekst aanwijzen en zeggen: “Die claim ik.”

De Schrift moet recht gesneden worden:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Bij iedere Bijbelse belofte moeten we daarom vragen:

Wat staat er precies?

Tegen wie wordt dit gezegd?

In welk verband staat deze belofte?

En mogen wij deze belofte rechtstreeks op onszelf toepassen?

Dat is geen gebrek aan geloof.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

 

Hebben christenen echt “meer van God” nodig?

Hier begint 2 Petrus 1:3 behoorlijk te schuren met bepaalde populaire christelijke ideeën.

Er wordt gesproken over “meer van God”, een “nieuwe zalving”, een “impartatie”, een “nieuwe aanraking” of een bijzondere bediening waardoor iemand geestelijk naar een hoger niveau zou kunnen worden gebracht.

Maar Petrus zegt:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…” (2 Petrus 1:3, STV)

Dan mag een eenvoudige vraag worden gesteld:

Welk gedeelte van “alles” ontbreekt er nog?

Dat is geen woordspelletje. Het is een serieuze leerstellige vraag.

Als Gods Goddelijke kracht alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort, waarom zou een gelovige dan afhankelijk gemaakt moeten worden van een “gezalfde” leider die hem iets zou moeten overdragen wat hij kennelijk nog mist?

Waarom een impartatie zoeken als Petrus zegt dat God voorzien heeft?

Waarom voortdurend zoeken naar “meer” zonder eerst te onderzoeken wat God volgens Zijn Woord reeds gegeven heeft?

De vraag is niet of een christen nog moet groeien. Natuurlijk moet hij groeien.

Maar geestelijke groei is iets anders dan geestelijk incompleet zijn.

 

Gods voorziening is niet het probleem

Misschien zoeken we daarom soms op de verkeerde plaats naar de oorzaak van geestelijke armoede.

We denken dat we iets missen. Petrus zegt dat God alles geschonken heeft.

We zoeken iets nieuws. Petrus wijst naar wat gegeven is.

We zoeken een nieuwe ervaring. Petrus spreekt over kennis.

We zoeken een nieuw woord. Petrus wijst naar

“het profetische Woord, dat zeer vast is”.

Misschien ontbreekt het ons niet aan geestelijke middelen, maar aan kennis van Gods beloften en vertrouwen op Gods Woord.

Dat is een wezenlijk verschil.

 

Leven uit Gods beloften betekent niet passief worden

Petrus laat geen ruimte voor de gedachte: als God alles geschonken heeft, hoef ik dus niets meer te doen.

Direct na vers 3 en 4 schrijft hij:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,” (2 Petrus 1:5, STV)

Vervolgens noemt Petrus matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen.

Hier vinden we een prachtig evenwicht.

Wat God schenkt, wordt de basis waarop de gelovige wandelt.

Wij werken niet om God ertoe te bewegen ons uiteindelijk voldoende geestelijke middelen te geven. Wij mogen leven vanuit wat Hij uit genade geschonken heeft.

Gods gave maakt onze verantwoordelijkheid niet overbodig. Zij maakt onze wandel mogelijk.

Dat is ook waarom kennis zo belangrijk is. Petrus spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over kennis. De christen groeit niet door steeds nieuwe geestelijke sensaties te verzamelen, maar door Christus te kennen en vanuit Gods waarheid te leven.

 

Nieuw leven, geen opgeknapte oude mens

Hierbij is ook belangrijk te beseffen wat God eigenlijk geschonken heeft.

Het Evangelie is niet Gods programma om de oude mens wat godsdienstiger te maken. Het gaat om nieuw leven.

Christus kwam niet maar ‘betere idealen’ aanbieden aan de oude Adamitische mens. De gelovige ontvangt nieuw leven in Christus.

Dat maakt het verschil enorm.

Het christelijke leven is niet:

“Ik probeer met Gods hulp een betere/de beste versie van mezelf te worden.”

Het begint bij wat God gedaan heeft en bij het leven dat Hij gegeven heeft.

Daarom is het steeds opnieuw nodig dat de gelovige leert zien wie hij in Christus is, wat God hem geschonken heeft en hoe hij daaruit mag leven.

 

Vergeet niet wat God gedaan heeft

Petrus zegt iets opvallends over de gelovige bij wie de genoemde vrucht ontbreekt:

“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.” (2 Petrus 1:9, STV)

Let vooral op dat laatste woord: vergeten.

Niet: nooit ontvangen.

Niet: nooit gereinigd.

Maar vergeten wat God gedaan heeft.

Dat geeft een verrassend perspectief op geestelijke armoede. Misschien hebben we niet altijd iets nieuws nodig. Misschien moeten we opnieuw leren verstaan wat God al gedaan en gegeven heeft.

Steeds iets nieuws zoeken terwijl we het oude vergeten zijn, is geen geestelijke groei.

Het kan juist geestelijke onvolwassenheid zijn.

 

Bijbels bidden vanuit Gods beloften

Betekent dit dat we niet meer om geestelijke dingen mogen bidden? Natuurlijk niet.

Maar bidden vanuit Gods beloften ziet er anders uit dan bidden alsof God ons voortdurend iets essentieels onthoudt.

Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” (Efeze 1:17-18, STV)

Let op: “opdat gij moogt weten“.

Paulus bidt voor gelovigen dat zij gaan verstaan welke rijkdom hun deel is.

Dat is iets anders dan voortdurend bidden alsof God die rijkdom nog moet schenken.

Een prachtig gebed zou daarom kunnen zijn:

“Vader, leer mij kennen wat U in Christus geschonken hebt. Leer mij Uw Woord verstaan. Leer mij Uw beloften geloven en leer mij daaruit leven.”

 

Stop met zoeken naar en vragen om wat God al geschonken heeft

2 Petrus 1:3-4 zet ons uiteindelijk voor een eenvoudige maar confronterende vraag.

Zoeken wij voortdurend naar iets nieuws, of leren wij leven uit hetgeen God heeft geschonken?

Misschien moeten we minder vragen:

“Waar kan ik meer ontvangen?”

En vaker:

“Wat zegt Gods Woord dat God mij reeds geschonken heeft?”

Minder jagen op geestelijke ervaringen en meer kennis van Christus.

Minder afhankelijkheid van mensen die zeggen iets bijzonders te kunnen overdragen en meer vertrouwen op Gods beloften in de Bijbel.

Minder

“God zei tegen mij…”

en meer:

“Er staat geschreven.”

Want geestelijke volwassenheid bestaat niet uit een verzameling spectaculaire ervaringen. Zij groeit door kennis van Christus, kennis van Zijn Woord, geloof in Zijn beloften en een wandel die daarmee overeenkomt.

Petrus laat daar weinig onduidelijkheid over bestaan:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

God heeft niet matig gegeven.

De vraag is of wij weten wat Hij geschonken heeft.

En wanneer wij onze rijkdom in Christus nauwelijks kennen, hebben we  niet in de eerste plaats een nieuwe zalving, nieuwe impartatie, nieuwe profetie of nieuwe geestelijke ervaring nodig.

Dan wordt het hoog tijd om onze Bijbel open te doen, Gods beloften te leren kennen, ze te geloven en daaruit te leven.

 

 

 

De rodeletter-valkuil: waarom veel christenen de woorden van Jezus verkeerd toepassen

“Jezus heeft het Zelf gezegd.”

Het klinkt vroom. Eerbiedig zelfs. Alsof daarmee op voorhand het gesprek is beëindigd.

Maar  deze redenering heeft misschien wel meer verwarring veroorzaakt dan menige dwaalleer.

Niet omdat de woorden van de Here Jezus onwaar zouden zijn. Integendeel. Iedere uitspraak van de Here Jezus is volmaakt waar.

Het probleem is een ander.

Veel christenen passen de woorden van Jezus rechtstreeks toe op de Gemeente, zonder rekening te houden met Gods heilsplan, de bediening van Paulus en de Verborgenheid die pas later werd geopenbaard.

Daardoor worden Wet en Genade, Israël en de Gemeente, profetie en Verborgenheid voortdurend met elkaar vermengd.

Dit artikel is géén aanval op kerken of oprechte gelovigen. Integendeel. Juist omdat zoveel christenen deze manier van Bijbellezen hebben meegekregen, is het belangrijk opnieuw de vraag te stellen:

Wat zegt de Schrift?

Niet alleen wat zij zegt, maar ook:

  • tot wie?
  • wanneer?
  • waarom?

Dát is de sleutel tot verantwoord Bijbelgebruik.

de rode letter valkuil
De rode letter valkuil

Waarom veel christenen vooral de rode letters lezen

Opmerkelijk genoeg hebben veel christenen onbewust een canon binnen de canon gemaakt.

De rode letters lijken belangrijker te zijn geworden dan de zwarte.

Alsof de Evangeliën de definitieve uitleg geven van de rest van het Nieuwe Testament.

Maar de Schrift leert dat nergens. En, de grondtekst kent geen kleurendruk.

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is.” (2 Timótheüs 3:16, STV)

Niet een deel van de Schrift.

Ook niet alleen de woorden van Jezus.

Al de Schrift.

Waarom de bediening van Paulus vaak wordt vergeten

Vraag eens in een gemiddelde kerk:

Waarom werd Paulus geroepen?

Vaak blijven de antwoorden steken bij:

  • zendeling
  • apostel van de heidenen
  • schrijver van brieven

Allemaal waar.

Maar Paulus zegt zelf iets veel groters.

“Hoe dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid.” (Efeze 3:3, STV)

En:

“Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekendgemaakt…” (Efeze 3:5, STV)

Hier ligt de sleutel.

Paulus ontving geen tweede mening over de woorden van Jezus.

Hij ontving een nieuwe openbaring van de verheerlijkte Christus.

Daarom is de bediening van Paulus onmisbaar  en essentieel voor het verstaan van het Nieuwe Testament.

Waarom Mattheüs niet rechtstreeks tot de Gemeente spreekt

De Here Jezus zegt Zelf:

“Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Matthéüs 15:24, STV)

En:

“En gaat niet op den weg der heidenen… maar gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Matthéüs 10:5-6, STV)

Dat laat de context van Zijn aardse bediening zien.

Hij kwam als Israëls Messias.

Hij predikte het Koninkrijk.

Hij leefde onder de Wet.

De Gemeente als Lichaam van Christus was toen nog een Verborgenheid.

 

Mattheüs 6:14-15 uitgelegd: geldt deze tekst voor de Gemeente?

Hier wordt de rodeletter-valkuil zichtbaar.

“Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.” (Matthéüs 6:14, STV)

Gods vergeving is hier verbonden aan de houding van de mens.

Maar Paulus schrijft later:

“Vergevende elkander, gelijk ook God in Christus ulieden vergeven heeft.” (Efeze 4:32, STV)

De volgorde is

Niet:

vergeven om vergeving te ontvangen.

Maar:

vergeven omdat God reeds heeft vergeven.

Dat is geen tegenstelling.

Dat is voortgaande openbaring binnen Gods heilsplan.

 

Waarom Paulus de sleutel is tot het verstaan van de Bijbel

Paulus schrijft:

“Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.” (Galaten 1:12, STV)

Dat betekent dat de verhoogde Here Jezus na Zijn hemelvaart nieuwe waarheden bekendmaakte.

Niet ter vervanging van Zijn aardse bediening.

Maar als verdere ontvouwing van Gods heilsplan.

Wie Paulus overslaat, mist daarom:

  • de Verborgenheid;
  • de bedeling der Genade;
  • het Lichaam van Christus;
  • de hemelse roeping van de Gemeente.

 

Wat gebeurt er als Israël en de Gemeente door elkaar worden gehaald?

Wanneer de bediening van Paulus wordt genegeerd, ontstaat vanzelf verwarring.

Dan wordt:

  • Wet vermengd met Genade;
  • Israël vermengd met de Gemeente;
  • profetie vermengd met de Verborgenheid;
  • het Koninkrijk vermengd met het Lichaam van Christus.

Het gevolg is een Evangelie waarin voorwaarden en Genade voortdurend door elkaar lopen.

 

Recht snijden van het Woord is geen optionele keuze

Paulus schrijft niet:

“Lees de Bijbel aandachtig.”

Hij schrijft:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timótheüs 2:15, STV)

Het probleem van veel hedendaagse prediking is niet dat men te veel over Jezus spreekt.

Het probleem is dat men de Here Jezus tijdens Zijn aardse bediening leest zonder te luisteren naar wat diezelfde Here Jezus later vanuit de hemel aan Paulus heeft geopenbaard.

De rodeletter-valkuil vermijden

De rode letters zijn niet belangrijker dan de zwarte.

Samen vormen zij het volmaakte Woord van God.

Maar de Bijbel vraagt om zorgvuldig onderscheid.

Niet alles wat in de Schrift staat, is rechtstreeks tot de Gemeente gesproken.

Alles is voor ons geschreven tot lering.

Maar niet alles is aan ons gericht.

Wie dat onderscheid leert zien, ontdekt hoe de bediening van Paulus, de Verborgenheid en het onderscheid tussen Israël en de Gemeente de Bijbel ontsluiten.

Misschien is de grootste blinde vlek van het moderne christendom daarom niet een gebrek aan liefde voor de Bijbel.

Misschien is het eenvoudig een gebrek aan zorgvuldig Bijbelgebruik.

 

lees ook:

Vergeving volgens de Bijbel: hoe een populaire leer het Evangelie van Gods Genade ondermijnt – Bijbelse basis

Christus niet meer naar het vlees kennen – Bijbelse basis

De bediening van Jezus en Paulus niet hetzelfde – Bijbelse basis

De verborgenheid in de Bijbel – Bijbelse basis

De bediening van Jezus en Paulus niet hetzelfde

De vergeten sleutel tot Bijbels begrip, de blinde vlek van veel Bijbeluitleg

Waarom het Evangelie der Genade Gods niet hetzelfde is als het Evangelie van het Koninkrijk

Er is waarschijnlijk geen onderwerp dat zoveel invloed heeft op de uitleg van de Bijbel als dit.

Niet de vraag óf de Here Jezus en Paulus hetzelfde Evangelie verkondigen. Er is immers maar één Zaligmaker en één weg tot behoud.

De echte vraag is:

Tot wie sprak de Here Jezus tijdens Zijn aardse bediening?

En:

Welke nieuwe openbaring ontving Paulus van de verheerlijkte Christus?

Wie die twee vragen niet onderscheidt, loopt vast in de Schrift. Wet en genade worden vermengd. Israël en de Gemeente worden samengevoegd. Het Koninkrijk wordt verward met het Lichaam van Christus. En uiteindelijk ontstaan complete leerstelsels die de Schrift zelf nooit leert.

Dat is geen voetnoot.

Dat is de sleutel tot het begrijpen van het Nieuwe Testament.

verschil tussen de bediening van de Here Jezus en die van de apostel Paulus
Verschil tussen de bediening van de Here Jezus en die van de apostel Paulus

De bediening van de Here Jezus stond in het teken van Israël

Tijdens Zijn aardse omwandeling leefde de Here Jezus volledig onder het gezag en de bediening van de Wet.

Paulus schrijft hierover:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.” (Galaten 4:4 STV)

De Here Jezus hield de Wet.

Hij bezocht de synagogen.

Hij vierde de Joodse feesten.

Hij stuurde genezen melaatsen naar de priesters.

Hij sprak voortdurend over de vervulling van Gods beloften aan Israël.

Zelf zegt Hij:

“Maar Hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Mattheüs 15:24 STV)

En tegen de twaalf:

“Gaat niet op den weg der heidenen… Maar gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Mattheüs 10:5-6 STV)

Zijn boodschap luidde:

“Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” (Mattheüs 10:7 STV)

Dat was het Evangelie van het Koninkrijk.

 

Niet omdat de Gemeente onbelangrijk zou zijn
Maar omdat de Gemeente toen eenvoudig nog niet bestond

Het kruis veranderde alles

Na de dood, opstanding en hemelvaart van Christus breekt een nieuwe fase in Gods heilsplan aan.

Zelfs in Handelingen zien we de apostelen nog steeds Israël oproepen zich te bekeren.

Maar met de roeping van Saulus van Tarsen gebeurt iets ongekends.

Niet slechts een nieuwe zendeling verschijnt.

Er wordt een geheel nieuwe bediening geopenbaard.

 

Paulus ontving de bedeling der Genade Gods

Paulus noemt zijn opdracht niet het Evangelie van het Koninkrijk.

Hij gebruikt een andere uitdrukking:

“Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap moge volbrengen, en den dienst, dien ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.” (Handelingen 20:24 STV)

Let op de woorden.

Deze bediening ontving Paulus van de verheerlijkte Christus.

Niet tijdens de aardse omwandeling van de Here Jezus.

Niet van Petrus.

Niet van de twaalf.

Maar rechtstreeks door openbaring.

“Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.” (Galaten 1:12 STV)

 

De verborgenheid

Nog indrukwekkender is wat Paulus vervolgens schrijft.

“Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid.” (Efeze 3:2-3 STV)

En:

“Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekendgemaakt…” (Efeze 3:5 STV)

En opnieuw:

“…de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.” (Kolossenzen 1:26 STV)

Dat zijn buitengewone uitspraken.

Paulus zegt niet dat hij slechts herhaalt wat de twaalf al wisten.

Hij zegt dat God iets openbaart wat eeuwenlang verborgen is geweest.

 

Wat was die verborgenheid?

Niet een tweede weg tot behoud.

Er is maar één Zaligmaker.

Maar de volledige betekenis van het volbrachte werk van Christus.

Paulus openbaart onder meer:

  • de Gemeente als het Lichaam van Christus;
  • de eenheid van Jood en heiden in één nieuw mens;
  • de hemelse positie van de gelovige;
  • de gelovige in Christus;
  • de rechtvaardiging uit genade alleen;
  • de bedeling der genade Gods.

Deze waarheden worden in de evangeliën niet uitgewerkt.

Ze worden door Paulus geopenbaard.

 

De blinde vlek van veel christenen

Hier ontstaat de grote verwarring.

Veel christenen lezen de Evangeliën alsof elk woord rechtstreeks gericht is aan, en bedoeld is voor de Gemeente.

Daardoor ontstaan uitspraken als:

de Bergrede is de leefregel voor de Gemeente;

het Koninkrijk is de Gemeente;

de Gemeente moet het Koninkrijk op aarde vestigen;

wij moeten dezelfde tekenen doen als de twaalf;

de gemeente is het nieuwe Israël.

Maar de Schrift zegt dat uitdrukkelijk niet.

Deze conclusies ontstaan doordat verschillende bedelingen worden samengevoegd.

 

De gevolgen zijn enorm

Wanneer men de bediening van de Here Jezus en die van Paulus vermengt, ontstaan onder andere:

  • vervangingstheologie;
  • Kingdom Now;
  • wetticisme;
  • verlies van heilszekerheid;
  • sacramentalisme;
  • charismatische verwachtingen die eigenlijk bij Israëls Koninkrijk horen;
  • verwarring over discipelschap en positie in Christus.

Vrijwel iedere grote dwaling binnen de christenheid heeft ergens haar wortel in het niet onderscheiden van Israël en de Gemeente en van Koninkrijk en genade.

 

‘Recht snijden’ is geen hobby van dispensationalisten

Paulus schrijft:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15 STV)

Dat betekent niet dat wij de Bijbel in losse stukjes knippen.

Het betekent dat wij erkennen dat God in verschillende fasen van Zijn heilsplan verschillende openbaringen heeft gegeven.

De Here Jezus is altijd Dezelfde Persoon.

Maar Zijn bediening vóór Golgotha is niet identiek aan Zijn bediening vanuit de hemel door middel van Paulus.

Juist dát onderscheid maakt de Schrift harmonieus.

Minder verwarring, meer Christus

Sommigen reageren alsof dit onderscheid de woorden van de Here Jezus minder belangrijk maakt.

Het tegendeel is waar.

Juist door Zijn woorden te lezen in de context waarin Hij ze sprak, gaan ze veel meer spreken.

De Here Jezus kwam als Israëls Messias.

Paulus openbaart vervolgens de rijkdom van Christus voor het Lichaam van Christus.

Beiden spreken over dezelfde Heer.

Maar niet vanuit dezelfde bediening.

 

De grootste blinde vlek van veel Bijbeluitleg is niet ongeloof.

Het is het ontbreken van onderscheid.

Wie de aardse bediening van de Here Jezus zonder onderscheid vermengt met de bediening die de verheerlijkte Christus aan Paulus toevertrouwde, leest twee verschillende fasen van Gods heilsplan door elkaar.

Paulus mocht de verborgenheid bekendmaken.

Hij ontving de bedeling der genade Gods.

Hij verkondigde het Evangelie der genade Gods.

Daarom is het geen overbodige luxe om het Woord der waarheid recht te snijden. Het is een Bijbels gebod. Pas wanneer wij dat doen, vallen de puzzelstukken van de Schrift op hun plaats en schittert Gods genade in al haar rijkdom.

lees ook:

Wet en Genade sluiten elkaar uit – Bijbelse basis

Kingdom Now versus Bijbelse eschatologie – Bijbelse basis

Gods Koninkrijk zichtbaar maken? – Bijbelse basis

extern:

verborgenheid » Bijbels Panorama

koninkrijk » Bijbels Panorama

Geverifieerd door MonsterInsights