Standhouden in verdrukking | De vervolgde kerk en Gods trouw

Niet omdat wij zo sterk zijn, maar omdat Christus trouw is

Hoe blijven christenen trouw aan Christus wanneer hun geloof hun vrijheid of zelfs hun leven kost? De Bijbel laat zien dat standhouden in verdrukking niet draait om menselijke kracht, maar om Gods genade en de trouw van de opgestane Here Jezus Christus.

Er zijn christenen voor wie het bezit van een Bijbel echt gevaarlijk is. Gelovigen die in het geheim samenkomen, hun familie verliezen omdat zij de Here Jezus Christus belijden, gevangen worden gezet of zelfs met de dood worden bedreigd vanwege hun geloof.

En toch houden ze stand.

Dat is indrukwekkend. Waar halen deze mensen de kracht vandaan om onder zulke omstandigheden trouw te blijven aan Christus? Zijn zij sterker dan wij? Hebben zij meer geloof? Beschikken zij over een bijzondere geestelijke kracht die wij missen?

Of ligt het antwoord ergens anders?

De Bijbel leert ons dat standhouden in verdrukking uiteindelijk niet berust op onze eigen kracht, maar op de trouw van de Here Jezus Christus.

Dat is geen goedkope troost. Het is een waarheid die juist voor de vervolgde kerk van onschatbare betekenis en waarde is.

Standhouden in verdrukking, de vervolgde kerk.
Standhouden in verdrukking, de vervolgde kerk.

Vervolging van christenen, realiteit vanaf het begin

In onze westerse samenleving zijn we gewend geraakt aan godsdienstvrijheid. We kunnen ongehinderd, in alle vrijheid onze Bijbel lezen, samenkomen met andere gelovigen en openlijk over ons geloof spreken. Dat vinden we normaal.

Maar voor veel christenen elders is dat helemaal niet vanzelfsprekend.

De geschiedenis van de Gemeente laat zien dat vervolging van christenen geen uitzonderlijk verschijnsel is. Vanaf het ontstaan van de Gemeente hebben gelovigen weerstand, vijandschap en vervolging ondervonden.

Paulus schrijft in 2 Timotheüs 3:12:

“En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.” (STV)

Dat is een veelzeggende uitspraak.

Niet dat christenen misschien vervolgd zullen worden wanneer zij iets verkeerd doen. Nee, juist het godzalig willen leven in Christus Jezus roept weerstand op.

De Here Jezus had Zijn discipelen daar al voor gewaarschuwd:

“Gedenkt des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.” (Johannes 15:20, STV)

Wie Christus volgt, moet er dus niet vreemd van opkijken wanneer hij weerstand ondervindt.

Dat betekent overigens niet dat iedere vorm van tegenstand automatisch vervolging om Christus’ wil is. Soms roepen christenen weerstand op door hun eigen gedrag, hoogmoed of onverstand. Petrus maakt in zijn eerste brief nadrukkelijk onderscheid tussen lijden vanwege verkeerd handelen en lijden omdat iemand christen is.

Maar wanneer iemand lijdt vanwege zijn verbondenheid met Christus, is dat geen bewijs dat er iets mis is met zijn geloof.

Integendeel.

Juist daarom is het belangrijk om te zien wat Bijbelse standvastigheid echt betekent.

 

Standhouden in verdrukking, ook wanneer je bang bent

Wij hebben nogal eens de neiging om geloofshelden op een voetstuk te plaatsen.

Denk aan de apostelen, aan de martelaren uit de kerkgeschiedenis of aan vervolgde christenen die ondanks verschrikkelijke omstandigheden hun geloof niet verloochenen.

Wat een geloof! Wat een moed!

Maar daarmee kunnen we gemakkelijk een verkeerd beeld neerzetten.

Alsof deze mensen geen angst kennen. Alsof zij nooit twijfelen, nooit huilen of nooit wanhopig worden.

De Bijbel schildert ons een veel realistischer beeld.

Paulus schrijft in 2 Korinthe 1:8-9:

“Want wij willen niet, broeders, dat u onbekend zij onze verdrukking, die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven. Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods; opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt.” (STV)

Lees dat nog eens.

Paulus was uitermate zwaar belast. Boven zijn macht. Hij vreesde zelfs voor zijn leven.

Was zijn geloof daarmee tekortgeschoten?

Nee.

Juist in die omstandigheden leerde hij niet op zichzelf te vertrouwen, maar op God, Die de doden opwekt.

Daar ligt een bijzonder belangrijke les.

Bijbelse standvastigheid is niet hetzelfde als menselijke onverzettelijkheid. Het is blijven vertrouwen op God wanneer onze eigen kracht tekortschiet.

Een vervolgde christen hoeft dus geen bovenmenselijke held te zijn om trouw te blijven aan Christus.

Hij mag zwak zijn, bang zijn, verdriet hebben.

Maar zijn behoud en zijn hoop liggen niet in zijn eigen geestelijke prestaties.

Ze liggen in Christus.

Vanuit die waarheid kunnen we beter begrijpen waarom Gods genade genoeg is, juist wanneer menselijke kracht ontbreekt.

 

Gods genade is ook genoeg als onze kracht tekortschiet

In 2 Korinthe 12 lezen we dat Paulus de Here driemaal had gebeden om verlost te worden van een bepaalde beproeving, die hij zijn doorn in het vlees noemt.

Het antwoord van de Here is veelzeggend:

“En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.” (2 Korinthe 12:9, STV)

Hij zegt: “Mijn genade is u genoeg.”

Wat een antwoord!

De omstandigheden hoeven niet eerst te veranderen voordat Gods genade genoeg is.

En dat is wat het Evangelie zo bijzonder maakt. Onze zekerheid ligt niet in de vraag of wij sterk genoeg zijn om alle beproevingen te doorstaan, maar in de betrouwbaarheid van Hem Die ons heeft liefgehad.

Daarom moeten we ook voorzichtig zijn met opvattingen die geloof gelijkstellen aan een leven zonder lijden of tegenslag.

 

Geloof is niet hetzelfde als voortdurend zichtbare overwinning

Hier moet ik toch even iets aanstippen.

Binnen bepaalde christelijke stromingen wordt de indruk gewekt dat een werkelijk gelovige voortdurend in overwinning hoort te leven.

Ziekte, tegenslag, armoede en andere moeilijkheden worden dan makkelijk verbonden aan onvoldoende geloof, een gebrek aan geestelijke autoriteit of het niet toepassen van Gods beloften.

Men spreekt over doorbraken, het proclameren van overwinning en het opeisen van zegeningen.

Maar hoe verhoudt zich dat tot de vervolgde Gemeente?

Wat zeggen we tegen een christen die vanwege zijn geloof gevangen zit?

Dat hij onvoldoende geloof heeft?

Dat hij zijn geestelijke autoriteit niet goed gebruikt?

Dat hij de overwinning nog niet heeft geclaimd?

Het wordt hoog tijd dat we zulke opvattingen eens serieus toetsen aan de Schrift.

Paulus schrijft in Filippenzen 1:29:

“Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.” (STV)

Niet alleen geloven, maar ook lijden om Christus’ wil.

En dat wordt hier nota bene verbonden aan Gods genade!

Dat staat toch wel heel ver af van een prediking waarin het christelijke leven voornamelijk draait om succes, voorspoed en zichtbare overwinningen.

Begrijp me goed. Lijden is op zichzelf geen verdienste en zeker niet iets wat we moeten opzoeken. De Bijbel leert ons ook om te bidden om uitredding.

Maar nergens wordt ons beloofd dat een christen gevrijwaard zal blijven van vervolging en verdrukking.

De overwinning van de gelovige bestaat niet noodzakelijk uit het verdwijnen van de verdrukking, maar uit het feit dat zelfs de verdrukking hem niet van Christus kan scheiden.

Die zekerheid wordt in Romeinen 8 op indrukwekkende wijze uitgewerkt.

 

Christus’ liefde houdt ons vast in de verdrukking

In Romeinen 8 stelt Paulus een indrukwekkende vraag:

“Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?” (Romeinen 8:35, STV)

Let eens op die opsomming.

Het zijn geen denkbeeldige gevaren. Paulus wist uit eigen ervaring waarover hij sprak.

En dan schrijft hij:

“Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.” (Romeinen 8:37, STV)

In dit alles!

Niet buiten deze omstandigheden. Niet pas wanneer de moeilijkheden verdwenen zijn.

Maar midden in de verdrukking.

En bovendien: door Hem.

Niet door onze bijzondere geestelijke vermogens. Niet door onze geloofsprestaties.

Door Hem, Die ons liefgehad heeft.

Daarom kan een christen die vanwege zijn geloof wordt gedood, toch een overwinnaar zijn.

Dat klinkt voor de wereld misschien onbegrijpelijk. De wereld ziet immers alleen het verlies van een mensenleven.

Maar de gelovige weet dat de dood niet het laatste woord heeft.

Christus is opgestaan uit de doden.

En juist die opstanding vormt de grondslag van onze hoop.

Die hoop maakt duidelijk waarom de vervolgde Gemeente, ondanks alles wat zij verliest, niet zonder toekomst is.

 

De hoop op de opstanding draagt de lijdende kerk

Hebreeën 11 wordt wel het hoofdstuk van de geloofshelden genoemd.

We lezen over mensen die door het geloof koninkrijken overwonnen, beloften verkregen en aan grote gevaren ontkwamen.

Maar het hoofdstuk vertelt ook iets anders.

Er waren gelovigen die werden gemarteld, bespot, gevangen gezet en gedood.

Hebreeën 11:35 zegt over sommigen van hen:

“En anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.” (STV)

Wat een aangrijpend getuigenis.

Sommigen werden bevrijd. Anderen niet.

Sommigen ontkwamen aan de dood. Anderen stierven.

En toch worden zij allemaal genoemd als getuigen van het geloof.

Hoe kan dat?

Omdat geloof niet wordt afgemeten aan de zichtbare afloop van onze omstandigheden.

Deze gelovigen verwachtten hun uiteindelijke toekomst van God. Hun hoop reikte verder dan dit tijdelijke leven.

Dat is ook vandaag van grote betekenis voor de vervolgde Gemeente.

Een christen kan alles verliezen wat hij in deze wereld bezit, maar de belofte van het eeuwige leven in Christus blijft staan.

Dat maakt het lijden niet minder werkelijk, het verdriet niet minder diep en het verlies niet minder ingrijpend.

Maar het geeft een hoop die verder reikt dan de dood.

En juist daarom mogen we ook in de donkerste omstandigheden vasthouden aan Gods nabijheid en trouw.

 

Verdrukking betekent niet dat God Zijn kinderen verlaten heeft

Soms kan het lijken alsof God ver weg is.

Wanneer gelovigen jarenlang gevangen zitten, wanneer gezinnen uiteengerukt worden en wanneer gebeden om bevrijding ogenschijnlijk onbeantwoord blijven, kunnen er moeilijke vragen ontstaan.

Waar is God?

Waarom grijpt Hij niet in?

Waarom laat Hij dit toe?

We moeten niet doen alsof wij op al die vragen een eenvoudig antwoord hebben.

De Bijbel geeft ons ook geen verklaring voor iedere afzonderlijke gebeurtenis.

Maar de Schrift verzekert ons wel dat verdrukking niet betekent dat God Zijn kinderen heeft verlaten.

Paulus schrijft:

“Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig; Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven.” (2 Korinthe 4:8-9, STV)

Vooral die woorden zijn kostbaar:

Vervolgd, doch niet daarin verlaten.

De gelovige kan door mensen worden verlaten, maar is daarom nog niet door Christus verlaten.

Dat is geen belofte dat alle omstandigheden goed zullen aflopen naar menselijke maatstaven.

Het is de zekerheid dat de Here trouw blijft aan degenen die Hem toebehoren.

Die trouw vraagt niet alleen om bewondering, maar ook om een concrete houding tegenover onze vervolgde broeders en zusters.

 

Gedenkt de gevangenen, verbonden met het Lichaam van Christus

De vervolgde kerk is geen ver-van-ons-bedverhaal.

Zij behoort tot hetzelfde Lichaam van Christus als wij.

Paulus schrijft in 1 Korinthe 12:26:

“En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.” (STV)

Dat is geen vrijblijvende uitspraak.

Wanneer één lid van het Lichaam lijdt, gaat dat de andere leden aan.

De schrijver van de Hebreeënbrief zegt het nog indringender:

“Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk behandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk behandeld waart.” (Hebreeën 13:3, STV)

Dat is geen kleinigheidje.

Alsof wij zelf gevangen zitten.

Alsof wij zelf mishandeld worden.

Wat zou er veranderen wanneer wij de vervolgde Gemeente echt zo zouden bekijken?

Dan zouden we waarschijnlijk minder makkelijk voorbijgaan aan berichten over christenvervolging.

Dan zouden we niet alleen bidden voor onze eigen omstandigheden, onze gezondheid en onze dagelijkse zorgen, maar ook voor broeders en zusters die vanwege hun geloof grote gevaren lopen.

En waar mogelijk zouden we praktische hulp bieden.

Niet omdat wij betere christenen zijn, maar omdat wij met hen verbonden zijn in Christus.

Die verbondenheid krijgt vooral vorm in ons gebed. Daarom is het goed om ons af te vragen waarvoor we bidden.

 

Bidden om bescherming, vrijmoedigheid en volharding

Natuurlijk mogen en moeten we bidden om bescherming en bevrijding van vervolgde christenen.

Maar er is nog iets opvallends.

Paulus zat zelf gevangen toen hij de gelovigen in Efeze vroeg voor hem te bidden.

Wat vroeg hij?

“En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid des Evangelies bekend te maken; Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken.” (Efeze 6:19-20, STV)

Dat vind ik bijzonder.

Paulus vraagt hier niet in de eerste plaats om zijn vrijlating.

Hij vraagt om vrijmoedigheid om het Evangelie bekend te maken.

Zelfs als gevangene.

Dat betekent niet dat bevrijding onbelangrijk was. Maar het laat zien waar zijn hart naar uitging.

Christus moest bekendgemaakt worden.

Misschien is dat ook een belangrijke les voor onze gebeden.

Laten we bidden om bescherming, om uitredding en om verlichting van het lijden.

Maar laten we ook bidden dat vervolgde christenen stand mogen houden in het geloof, dat zij vertroost worden door Gods Woord en dat het Evangelie ondanks de tegenstand zijn weg mag vinden.

En terwijl we voor hen bidden, moeten we ook beseffen dat wij hun omstandigheden niet vanuit een veilige afstand kunnen beoordelen. Hun volharding wijst ons terug naar onze eigen afhankelijkheid van genade.

 

De vervolgde kerk houdt ons een spiegel voor

Wij spreken in onze tijd veel over geloofsbeleving.

Over ervaringen, bijzondere samenkomsten, geestelijke groei en persoonlijke zegeningen.

Daar hoeft op zichzelf niets verkeerds aan te zijn.

Maar het wordt problematisch wanneer onze ervaringen belangrijker worden dan het Woord van God, of wanneer we het geestelijke leven gaan beoordelen aan de hand van zichtbare successen.

De vervolgde Gemeente houdt ons wat dat betreft een spiegel voor.

Wat blijft er van ons geloof over wanneer alle uiterlijke zekerheden wegvallen?

Wanneer er geen kerkgebouw is?

Wanneer er geen christelijke activiteiten meer georganiseerd kunnen worden?

Wanneer het bezit van een Bijbel gevaarlijk wordt?

Wanneer geloven in Christus daadwerkelijk iets kost?

Dan komt de vraag naar voren waarop het uiteindelijk aankomt.

Is Christus voor ons genoeg?

Paulus schrijft:

“Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.” (Filippenzen 1:21, STV)

Dat zijn woorden die we misschien makkelijk kunnen citeren.

Maar wat betekenen ze ?

Voor Paulus was Christus niet een aanvulling op een verder aangenaam leven.

Christus was zijn leven.

En juist daarom kon hij, ondanks gevangenschap en de dreiging van de dood, spreken over hoop en overwinning.

Niet omdat hij zijn omstandigheden beheerste.

Maar omdat zijn leven in handen lag van de opgestane Heiland.

Dat brengt ons bij de kern van dit alles: niet onze trouw staat uiteindelijk centraal, maar de trouw van Christus.

Niet onze trouw, maar Zijn trouw

Misschien ligt hier wel de belangrijkste les.

Wanneer we spreken over standhouden in verdrukking, richten we onze aandacht gemakkelijk op de volharding van de gelovige.

Hoe sterk is zijn geloof? Hoeveel kan hij verdragen? Hoe lang houdt hij het vol?

Maar de Bijbel richt onze blik steeds weer op Christus.

Paulus schrijft in 2 Timotheüs 1:12:

“Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.” (STV)

Let op wat Paulus zegt.

Niet: ik weet hoe sterk mijn geloof is.

Maar:

“Ik weet, Wien ik geloofd heb.”

Daar ligt het geheim.

Het geloof ontleent zijn waarde niet aan de kracht waarmee wij geloven, maar aan de betrouwbaarheid van Degene op Wie het gericht is.

En daarom is het zo belangrijk dat wij Gods Woord kennen.

Niet om daarmee een bepaalde uitkomst af te dwingen, maar om te weten Wie God is, wat Hij beloofd heeft en wat wij in Christus ontvangen hebben.

Het geloof leeft immers niet van gevoelens of omstandigheden, maar van Gods betrouwbare beloften.

Daarom moeten we ook met bescheidenheid spreken over hen die onder zware druk staan. Wij weten niet hoe wij zelf zouden reageren, maar we mogen wel weten op Wie ook wij uiteindelijk aangewezen zijn.

 

Ook in menselijke zwakheid blijft Gods genade

Hier past ook enige bescheidenheid.

Wij kunnen makkelijk spreken over standhouden in vervolging zolang we zelf veilig zijn.

Maar wie van ons weet hoe hij zou reageren wanneer zijn gezin wordt bedreigd? Wanneer hij wordt gemarteld? Wanneer hem de keuze wordt voorgelegd om Christus te verloochenen of zijn leven te verliezen?

Laten we niet te snel oordelen.

Petrus was ervan overtuigd dat hij zijn Heere nooit zou verloochenen.

En toch gebeurde het.

Driemaal zelfs.

Maar daarmee was het verhaal van Petrus niet afgelopen. De opgestane Here Jezus zocht hem weer op en herstelde hem.

Wat een genade!

Dat betekent niet dat het verloochenen van Christus onbelangrijk is. Integendeel. Maar het leert ons wel dat menselijke zwakheid en Gods genade niet tegenover elkaar staan alsof de Here alleen sterke mensen zou kunnen gebruiken.

Daarom moeten we nooit met een opgeheven vingertje naar vervolgde christenen kijken.

Wij hebben geen reden om onszelf geestelijk sterker te achten.

Ook wij leven alleen van genade.

En juist die genade wijst ons ten slotte naar de vaste grond onder ons geloof: Christus Zelf blijft trouw.

 

Christus blijft trouw

Er zijn christenen die vandaag in gevangenschap zitten vanwege hun geloof.

Er zijn gelovigen die hun familie, hun bezit of hun maatschappelijke positie verloren hebben omdat zij de Here Jezus Christus belijden.

En er zijn er die hun leven hebben gegeven om Zijn Naam.

Laten we hen niet vergeten.

Maar laten we hen ook niet op een voetstuk plaatsen alsof hun standvastigheid voortkomt uit een uitzonderlijke menselijke kracht.

Ze zijn mensen zoals wij.

Met dezelfde kwetsbaarheid, dezelfde menselijke gevoelens en dezelfde afhankelijkheid van Gods genade.

En misschien is dat wel het mooiste getuigenis dat van de vervolgde Gemeente uitgaat.

Niet dat christenen zulke sterke mensen zijn.

Maar dat Christus een trouwe Heiland is.

Paulus schrijft aan het einde van zijn leven:

“En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.” (2 Timotheüs 4:18, STV)

Paulus wist dat zijn einde naderde. Zijn vertrouwen betekende niet dat hij aan de dood zou ontkomen.

Zijn zekerheid lag ergens anders.

De Here zou hem bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk.

En daarom kunnen we, ook met het oog op de vervolgde Gemeente, vasthouden aan deze heerlijke waarheid:

Wij houden niet stand omdat wij zo sterk zijn, maar omdat Christus trouw is.

En Zijn trouw houdt niet op waar onze mogelijkheden eindigen.

zie ook:

De wereld anno 2026.388.000.000 mensen , 1 op de 7 christenen, wordt vervolgd vanwege hun geloof – Bijbelse basis

 

De gemeente van Jezus Christus; Zijn lichaam

Rechtstreeks en herhaaldelijk genoemd

De Bijbel noemt de Gemeente niet alleen maar bij wijze van beeldspraak het lichaam van Christus; het staat er rechtstreeks en herhaaldelijk. De Here Jezus Christus is het Hoofd, en alle gelovigen in deze tijd vormen samen Zijn lichaam.

Een van de duidelijkste teksten is:

“En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.”
(1 Korinthe 12:27, STV)

Dat laat weinig ruimte voor twijfel. Paulus zegt niet: “gij lijkt op een lichaam”, maar:

“Gijlieden zijt het lichaam van Christus.”

 

Christus is het Hoofd van dat lichaam

In Efeze wordt dezelfde waarheid verder uitgewerkt:

“…en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.”
(Efeze 1:22-23, STV)

Hier staan de twee begrippen rechtstreeks naast elkaar:

Christus = het Hoofd
de Gemeente = Zijn lichaam

Ook Kolossenzen zegt:

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente…”
(Kolossenzen 1:18, STV)

Dat is dus geen afgeleide leer. Het is letterlijk de woordkeus van de Schrift.

 

Iedere gelovige is een lid van dat ene lichaam

Paulus legt in 1 Korinthe 12 uit hoe dat lichaam is samengesteld:

“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.”
(1 Korinthe 12:12, STV)

En vervolgens:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…”
(1 Korinthe 12:13, STV)

Dat is belangrijk. De gelovige wordt niet door menselijke organisatie, kerkelijke inschrijving of denominatie lid van dit lichaam. De Heilige Geest voegt hem bij Christus.

Daarom kan Paulus zeggen:

“Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.”
(Efeze 5:30, STV)

Dat is de lijn die ook in Efeze 5 wordt vastgehouden: Christus wordt daar het Hoofd der Gemeente genoemd en de Gemeente Zijn lichaam.

De verbinding met Christus is dus organisch

Een lichaam staat niet op afstand van zijn hoofd. Het vormt er één geheel mee.

Dat is waarom Paulus zulke sterke uitdrukkingen kan gebruiken als:

“Want wij zijn leden van elkander.”
(Efeze 4:25, STV)

en:

“…opdat wij zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus; Uit Welken het gehele lichaam…”
(Efeze 4:15-16, STV)

De Gemeente ontvangt leven, richting en samenhang vanuit Christus.

Zoals het natuurlijke lichaam niet zelfstandig van het hoofd kan functioneren, zo bestaat de Gemeente alleen in Christus.

 

“Alzo ook Christus”

1 Korinthe 12:12 gaat zelfs opvallend ver. Paulus schrijft niet:

“zo ook de Gemeente”,

maar:

“…alzo ook Christus.” (STV)

Christus en Zijn lichaam worden daar zo nauw met elkaar verbonden dat het geheel onder de naam van het Hoofd wordt aangeduid.

Dat past bij de verborgenheid die Paulus verkondigt: gelovigen zijn niet slechts volgelingen van Christus die buiten Hem staan, maar zijn in Christus geplaatst.

 

Eén nieuwe mens

Daarmee hangt ook Efeze 2 samen:

“…opdat Hij die twee in Zichzelven tot één nieuwen mens zou scheppen…”
(Efeze 2:15, STV)

Jood en heiden worden in deze tijd niet tot twee verschillende lichamen gemaakt. Zij worden in Christus samengebracht tot één nieuwe mens.

Dat sluit weer aan bij Efeze 4:

“Eén lichaam is het, en één Geest…”
(Efeze 4:4, STV)

En het doel van de bediening is:

“…tot opbouw des lichaams van Christus; totdat wij allen zullen komen… tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.”
(Efeze 4:12-13, STV)

Opvallend is hier ook de uitdrukking “een volkomen man”. De gedachtegang is die van Christus als Hoofd en de Gemeente als Zijn lichaam.

Daarom is Efeze 5 zo belangrijk

Efeze 5 wordt vaak aangehaald om te bewijzen dat de Gemeente de bruid van Christus zou zijn. Maar let goed op wat Paulus schrijft:

“Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.”
(Efeze 5:23, STV)

En even verder:

“Want wij zijn leden Zijns lichaams…”
(Efeze 5:30, STV)

Juist waar Paulus over huwelijk spreekt, noemt hij de Gemeente niet de bruid, maar blijft hij spreken over Hoofd en lichaam.

Daarmee wordt het onderscheid belangrijk:

Israël wordt in de profetieën voorgesteld in de huwelijksrelatie met de HEERE.

De Gemeente wordt in de brieven van Paulus voorgesteld als het lichaam van de opgestane Christus.

 

De kern

De Gemeente is dus niet slechts een groep mensen die Jezus volgt.

Maar is:

Zijn lichaam.

Christus is:

Het Hoofd.

De gelovigen zijn:

leden van dat lichaam.

En zij zijn door één Geest:

tot één lichaam gedoopt.

Daarom is deze positie zelfs veel inniger dan alleen het beeld van een bruid die met een bruidegom verenigd zal worden. De Gemeente is reeds in gemeenschap met Christus verbonden. Hij is ons leven.

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.”
(Kolossenzen 3:3, STV)

Daar ligt het onderscheid: Israël heeft een profetische bestemming als vrouw/bruid; de Gemeente heeft nú al zijn positie als het Lichaam van Christus.

lees ook:

lichaam van Christus – Bijbelse basis

Wat is de Gemeente van Jezus Christus?

Vreemde vraag, denk je wellicht. Maar het zal je gedacht zijn wat sommige mensen hier allemaal onder verstaan. Om een goed en helder antwoord  te kunnen vinden op deze vraag schrijf ik dit blog.

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Het Lichaam van Christus volgens de Bijbel

Als het woord “gemeente” valt, denken veel mensen onmiddellijk aan de kerk, een kerkgebouw, een plaatselijke geloofsgemeenschap, een denominatie of een organisatie met voorgangers, oudsten en ledenlijsten. Maar wie vanuit de Schrift vraagt wat de Gemeente van Jezus Christus echt is, komt bij iets veel fundamentelers terecht.

De Gemeente is geen menselijke organisatie die rondom Jezus Christus is opgebouwd. Deze is het Lichaam van Christus, waarvan de opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus Zelf het Hoofd is.

Dat verschil is niet maar een kwestie van woorden. Het bepaalt hoe we kijken naar de positie van de gelovige, naar kerkelijk leiderschap, naar Israël, naar onze hemelse roeping en uiteraard naar Christus Zelf.

Het lichaam van Christus colgens de Bijbel
Wat is de gemeente van Jezus Christus?

Christus bouwt Zijn Gemeente

De eerste belangrijke aanwijzing vinden we in de woorden van de Here Jezus Christus:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Mattheüs 16:18, STV)

Let op de woorden:

“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”

De Here Jezus sprak niet over iets wat vanaf Adam altijd al had bestaan. Hij sprak over iets dat Hij zou bouwen. De Gemeente heeft daarom een bijzondere plaats in Gods heilsplan.

En minstens zo belangrijk: Christus zegt niet dat mensen Zijn Gemeente zullen bouwen. Hij bouwt haar.

Dat zet gelijk een streep door het idee dat de Gemeente in essentie een menselijke instelling zou zijn. Mensen kunnen kerkgenootschappen oprichten, gebouwen neerzetten, statuten schrijven en organisaties besturen.

Maar alleen Christus kan Zijn Gemeente bouwen.

 

De Gemeente is het Lichaam van Christus

Paulus geeft de meest directe omschrijving:

“En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” (Efeze 1:22-23, STV)

De Gemeente is dus zoals we hier zien: Zijn Lichaam.

Dat is veel meer dan een mooi beeld voor christelijke samenwerking. Christus is het Hoofd en de gelovigen vormen gezamenlijk Zijn Lichaam.

Dat betekent ook dat het leven van de Gemeente niet voortkomt uit menselijke structuren, programma’s of leiders. Haar leven komt voort uit Christus.

Zoals een lichaam niet onafhankelijk van het hoofd kan functioneren, zo heeft de Gemeente geen zelfstandig geestelijk bestaan naast Christus. Haar positie, identiteit, leven en toekomst zijn allemaal verbonden met Hem.

Dat maakt de Gemeente in de eerste plaats christocentrisch. (Christocentrisch = gericht op Christus als Hoofd, fundament, levensbron en middelpunt.)

Niet de voorganger staat centraal.

Niet een bediening.

Niet een kerkverband.

Niet een bepaalde beweging.

Christus.

 

Wie hoort tot de Gemeente?

Ook hierover laat de Schrift weinig ruimte voor menselijke definities.

Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

De Gemeente wordt dus gevormd door mensen die door de Heilige Geest tot één Lichaam zijn gemaakt.

Dat is iets anders dan lid worden van een kerk.

Je kunt op een ledenlijst staan zonder dat daarmee bewezen is dat je tot het Lichaam van Christus behoort. Omgekeerd kan iemand tot Christus behoren zonder aangesloten te zijn bij het kerkgenootschap dat anderen misschien als het enige juiste beschouwen.

De bepalende vraag is niet:

Bij welke kerk hoor je?

Maar:

Ben je in Christus?

De Gemeente bestaat uit mensen die door geloof deel gekregen hebben aan het nieuwe leven in Christus.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17, STV)

Christelijk geloof is daarom niet in de eerste plaats het aannemen van een ‘christelijke levensstijl’. Wat je daar ook onder mag verstaan. Het gaat om nieuw leven.

 

Christus gaf niet alleen Zijn leven voor ons

Hier ligt een belangrijk onderscheid.

Het Evangelie verkondigt dat Christus voor onze zonden gestorven is. Maar behoud houdt niet op bij vergeving.

De gelovige ontvangt leven in Christus.

“En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon. Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.” (1 Johannes 5:11-12, STV)

Eeuwig leven is daarom niet slechts eindeloos blijven bestaan. Het is leven dat in Gods Zoon gevonden wordt.

Christus gaf Zijn leven voor ons tot verlossing, maar Hij geeft ook Zijn leven aan ons.

Daarom zegt Paulus:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij…” (Galaten 2:20, STV)

Dáár ligt het geheim van de Gemeente.

Het is niet een verzameling mensen die allemaal proberen Jezus na te doen. Het is een Lichaam van mensen die hun nieuwe leven in Christus ontvangen hebben.

 

Jood en heiden worden één nieuw Lichaam

Een ander wezenlijk kenmerk van de Gemeente is dat daarin het vroegere onderscheid tussen Jood en heiden geen basis vormt voor de positie in Christus.

Paulus noemt dit onderdeel van de verborgenheid:

“Dat de heidenen zijn medeërfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie;” (Efeze 3:6, STV)

Let op die woorden:

“van hetzelfde lichaam.”

De heiden wordt niet eerst Jood om vervolgens bij Gods volk te mogen horen. Evenmin wordt de Jood heiden.

God doet iets nieuws.

Gelovigen uit Joden en heidenen worden in Christus samengevoegd tot één Lichaam.

Dat is van groot belang, omdat hierover tegenwoordig veel verwarring bestaat.

 

De Gemeente is niet Israël

Een duidelijk Bijbels onderscheid tussen Israël en de Gemeente voorkomt veel leerstellige verwarring.

Israël heeft in de Schrift een eigen roeping, geschiedenis, beloften en toekomst. De Gemeente heeft eveneens een eigen roeping, positie en toekomst.

De Gemeente is daarom niet eenvoudig een nieuwe naam voor Israël.

Evenmin heeft de Gemeente Israël vervangen.

Paulus zegt over Israël:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre…” (Romeinen 11:1, STV)

En later:

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” (Romeinen 11:29, STV)

De Bijbel geeft ons daarom geen reden om de beloften die God aan Israël deed stilzwijgend naar de Gemeente over te hevelen.

Dat gebeurt helaas nog steeds vaak. Beloften die betrekking hebben op Israël, het land, Jeruzalem en het toekomstige Koninkrijk worden dan “vergeestelijkt” en op de kerk toegepast.

Maar daarmee wordt niet alleen Israël van zijn beloften beroofd; ook de unieke positie van de Gemeente raakt uit beeld.

De Gemeente hoeft helemaal niet Israël  te worden om een buitengewoon heerlijke positie te hebben.

Haar roeping is namelijk hemels.

 

Een hemelse roeping

Paulus schrijft:

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;” (Filippenzen 3:20, STV)

En:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

De positie van de Gemeente wordt dus niet bepaald door aardse macht, politieke invloed of maatschappelijke status.

Dat is een belangrijke correctie op allerlei vormen van christendom waarin men leert dat de kerk geroepen zou zijn om de wereld over te nemen, maatschappelijk te domineren of het Koninkrijk van God op aarde te vestigen.

De Gemeente heeft een andere, hogere roeping.

Zij behoort bij de verworpen maar inmiddels verheerlijkte Christus.

Het Hoofd bevindt Zich in de hemel.

Het burgerschap is in de hemel.

De zegeningen zijn in Christus in de hemel.

En de verwachting is vanuit de hemel.

Dat is een radicaal ander perspectief.

 

De Gemeente was een verborgenheid

Paulus spreekt meerdere malen over een “verborgenheid”. Een begrip dat bij sommigen voor veel onbegrip zorgt.

Daarmee bedoelt hij niet iets geheimzinnigs of mystieks, maar eenvoudig een waarheid die God eerder niet bekendgemaakt had zoals Hij die later heeft geopenbaard.

Paulus schrijft:

“En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;” (Efeze 3:9, STV)

Dit verklaart waarom de Gemeente niet eenvoudig gezocht en gevonden kan worden in alle oudtestamentische profetieën over Israël.

Gods voornemen met de Gemeente was in Hem verborgen en werd later geopenbaard.

Juist daarom is het gevaarlijk om Israël en de Gemeente zonder onderscheid in elkaar te schuiven.

Dan verdwijnt namelijk precies dat bijzondere karakter waarvan Paulus zegt dat het een verborgenheid was.

 

De Gemeente is een woonplaats van God

De Gemeente is niet alleen een Lichaam. Zij wordt ook voorgesteld als een geestelijke tempel.

“Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere; Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.” (Efeze 2:21-22, STV)

Ook hier is het verschil met menselijke religie enorm.

Onder het oude verbond stond de tempel op een geografische plaats.

In de huidige bedeling woont God door Zijn Geest in Zijn Gemeente.

Daarom is een kerkgebouw op zichzelf nooit “het huis van God” in dezelfde betekenis waarin de tempel dat onder Israël was.

Het huis van God bestaat uit levende stenen.

“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5, STV)

Dat heeft verstrekkende gevolgen voor onze kijk op kerk-zijn.

 

Geen geestelijke elite binnen het Lichaam

Als we goed begrijpen wat het Lichaam van Christus is, wordt ook duidelijk hoe vreemd een systeem van geestelijke rangen en standen eigenlijk is.

Paulus vergelijkt de Gemeente met één lichaam waarin vele leden verschillende functies hebben.

Niet ieder lid doet hetzelfde. Niet iedere gave is hetzelfde. Niet iedere taak is hetzelfde.

Maar verschil in functie betekent geen verschil in geestelijke waarde.

“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.” (1 Korinthe 12:12, STV)

Dat laat geen ruimte voor profileringsdrang.

De Gemeente heeft één Hoofd.

Niet een apostel.

Niet een profeet.

Niet een voorganger.

Niet een gezalfde leider.

Maar Christus.

Menselijke bedieningen hebben alleen betekenis voor zover zij het Lichaam dienen en de leden helpen groeien tot geestelijke volwassenheid.

Zodra gelovigen structureel afhankelijk worden gemaakt van bijzondere leiders, “gezalfden” of geestelijke specialisten, wordt het Bijbelse beeld omgedraaid

Bediening behoort het Lichaam op te bouwen, niet zichzelf.

De Gemeente leeft onder, door en uit Genade

Ook dit behoort tot de identiteit.

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Dat betekent niet dat het leven van de gelovige er niet toe doet. Integendeel.

Genade redt niet alleen; genade onderwijst.

“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld;” (Titus 2:11-12, STV)

De Gemeente wordt daarom niet gevormd door mensen die door nauwgezette wetsbetrachting en inspanning proberen God gunstig te stemmen.

Zij bestaat uit mensen die uit genade behouden zijn en vanuit die genade leren wandelen.

 

Waarom dit onderscheid vandaag zo belangrijk is

Dit is geen abstract leerstellig onderwerp.

Als niet meer duidelijk is wat de Gemeente eigenlijk is, ontstaan vrijwel vanzelf allerlei verschuivingen.

Dan wordt de Gemeente een organisatie die succes moet hebben.

Leiders worden bestuurders of geestelijke beroemdheden.

Gemeenteopbouw wordt organisatiegroei.

Geestelijke vrucht wordt meetbaar gemaakt in bezoekersaantallen.

Roeping wordt invloed.

Dienstbaarheid wordt profilering.

En het Hoofd raakt langzaam maar zeker uit beeld.

Maar het Nieuwe Testament tekent een heel ander beeld.

Christus is het Hoofd.

De gelovigen zijn Zijn leden.

De Heilige Geest vormt hen tot één Lichaam.

Genade is de grondslag waarop zij staan.

De hemel bepaalt hun positie en verwachting.

Dan wordt de vraag niet langer:

Hoe maken wij onze kerk groot?

De vraag wordt:

Hoe wordt Christus verheerlijkt?

 

De Gemeente is eigendom van Christus

Misschien ligt daarin uiteindelijk de eenvoudigste en tegelijk diepste waarheid.

De Gemeente is Zijn Gemeente.

Hij heeft haar lief.

Hij heeft Zich voor haar gegeven.

“Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;” (Efeze 5:25, STV)

Daarom mag niemand, onder geen voorwaarde, zich de Gemeente toe-eigenen.

Geen leider kan zeggen:

“mijn gemeente”

alsof zij van hem is.

Geen denominatie bezit het Lichaam van Christus.

Geen beweging heeft het alleenrecht op Gods werk.

Christus kocht.

Christus bouwt.

Christus voedt

Christus heiligt.

Christus is het Hoofd.

En te Zijner tijd zal Christus haar tot Zich nemen.

 

Wat is dan wél de Gemeente van Jezus Christus

Samengevat kunnen we daarom zeggen:

De Gemeente van Jezus Christus is het door God gevormde hemelse volk, de Gemeente der eerstgeborenen, wedergeboren gelovigen uit Jood en heiden, die door de Heilige Geest tot één Lichaam met de opgestane en verheerlijkte Christus zijn verbonden. Christus is het Hoofd en de levensbron van dit Lichaam. De Gemeente leeft onder Genade, is een woonplaats van God door de Geest, deelt in Christus’ hemelse positie en verwachting en moet onderscheiden worden van Israël.

Dat is vele malen rijker dan “naar de kerk gaan”.

Wie in Christus is, behoort tot iets dat mensen nooit zouden kunnen bouwen.

Tot Zijn Lichaam.

En daarom hoort in de Gemeente uiteindelijk maar Eén centraal te staan:

de Here Jezus Christus.

zie ook:

Jezus alleen: Christus bouwt Zijn Gemeente – Bijbelse basis

gemeente van Jezus Christus – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights