Is de gemeente de bruid van Christus?

Is de gemeente de bruid van Christus? Een Bijbelse correctie op een populaire claim

Het wordt vaak gezegd alsof er geen verschil van inzicht mogelijk is. Alsof elke gelovige dit gewoon hoort te weten. Alsof alleen een onwetend of lastig mens er nog vragen bij zou stellen. Maar juist daar moet een alarmbel afgaan. Want zodra men met grote stelligheid iets beweert dat de Schrift zelf niet met dezelfde stelligheid formuleert, is uiterste voorzichtigheid geboden.

Dat zien we ook hier. De uitspraak “de gemeente is de bruid van Christus” klinkt vroom, warm en voor velen zelfs vertrouwd. Maar dat is nog geen bewijs dat het ook leerstellig nauwkeurig is. Het punt is niet dat Christus en de gemeente geen heilige, innige en liefdevolle verhouding zouden hebben. Het punt is dat men vaak méér zegt dan de Schrift zegt, en stelliger spreekt dan de apostelen spreken.

In de Bijbel wordt dat ook benoemd: de gemeente wordt daar nadrukkelijk beschreven als het lichaam waarvan Christus het Hoofd is, (Ef. 5:23 , Kol. 1:18) terwijl tegelijk duidelijk is dat het begrip “bruid” nergens expliciet of impliciet voor de gemeente gebruikt wordt . Daar ligt precies de zenuw van deze discussie.

 De gemeente is volgens de Schrift uitdrukkelijk het lichaam van Christus

Wie eerlijk wil zijn, moet beginnen waar de Schrift zelf begint.

“En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is” (Efeze 1:22-23) (STV)

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt” (1 Korinthe 12:13) (STV)

“Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen” (Efeze 5:30) (STV)

Dit is geen losse beeldspraak aan de rand van het Nieuwe Testament. Dit is de centrale apostolische leer. De gemeente is het lichaam van Christus. Dat is rechtstreeks geopenbaard, herhaald en uitgewerkt.

Juist daarom is het problematisch wanneer iemand met grote stelligheid een andere titel naar voren schuift alsof die even helder, even direct en even fundamenteel geopenbaard is.

 

Het probleem is niet zozeer de beeldspraak, maar de grote stelligheid

Laat dat goed scherp staan. Het probleem is niet dat men in preek of lied soms bruid taal gebruikt om de liefde tussen Christus en de Zijnen te beschrijven. De Schrift gebruikt immers zelf huwelijksbeelden.

Het probleem ontstaat wanneer men van die beeldspraak een harde hoofddefinitie maakt.

Dan verandert een mogelijk afgeleid beeld in een leerstellige formule. Dan wordt iets dat men zorgvuldig zou moeten formuleren, gepresenteerd als een onbetwistbaar fundament. En precies daar gaat het mis.

Want een beeld mag nooit de plaats innemen van de eigenlijke leer.

 

Efeze 5 wordt vaak aangehaald, maar bewijst niet wat men denkt

Vrijwel altijd komt men uit bij Efeze 5. Dat is begrijpelijk, maar ook onthullend. Want juist dat hoofdstuk laat zien hoe snel men meer leest dan er staat.

“Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven” (Efeze 5:25) (STV)

“Want deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente” (Efeze 5:32) (STV)

Paulus gebruikt hier het huwelijk om licht te werpen op de verhouding tussen Christus en de gemeente. Dat is rijk, diep en heilig. Maar hij geeft hier niet simpelweg een technische definitie alsof hij zegt: onthoud goed, de officiële titel van de gemeente is de bruid van Christus.

Sterker nog: in hetzelfde gedeelte legt hij nadruk op hoofd en lichaam.

“Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams” (Efeze 5:23) (STV)

“Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen” (Efeze 5:30) (STV)

Dus juist het hoofdstuk dat men het liefst inzet om de populaire slogan te verdedigen, onderstreept de taal van het lichaam.

Dat moet je niet gladstrijken of wegpolijsten. Dat moet je serieus nemen.

 

Openbaring maakt de zaak niet simpeler, maar juist veel rijker

Daarna wijst men meestal naar Openbaring 19.

“Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid” (Openbaring 19:7) (STV)

Maar wie daar te snel van maakt: zie je wel, de gemeente is de bruid van Christus, leest te plat. Want Openbaring 21 laat zien hoe voorzichtig je moet zijn met deze beeldtaal.

“Kom herwaarts, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God” (Openbaring 21:9-10) (STV)

Dus de bruid wordt daar niet simpelweg voorgesteld in de vorm van een kale leerstellige formule over de gemeente. Johannes ziet het heilige Jeruzalem. Dat is apocalyptische, profetische en symbolisch geladen taal. Die kun je niet reduceren tot een goedkope one-liner.

Wie dat toch doet, maakt de Schrift feitelijk kleiner dan zij is.

 

Israël wordt in het Oude Testament juist vaak als vrouw van de HEERE voorgesteld

Daar komt nog iets bij dat al die stellige taal uiterst kwetsbaar maakt. In het Oude Testament wordt juist Israël met huwelijksbeeldspraak verbonden aan de HEERE.

“Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam” (Jesaja 54:5) (STV)

“Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd” (Jeremia 3:14) (STV)

Ook Hosea laat uitvoerig zien hoe Israël in termen van huwelijk, ontrouw, tucht en herstel beschreven wordt. Wie dus vandaag roept dat de gemeente zonder meer en exclusief de bruid van Christus is, praat veel te snel. De Schrift gebruikt huwelijksbeeldspraak namelijk breder dan dit populaire systeem toelaat.

Dat betekent niet dat elke toepassing op de gemeente daarom verboden is. Maar het betekent wel dat grootspraak hier misplaatst is.

 

De gemeente is een verborgenheid en wordt als zodanig anders geopenbaard

Paulus leert niet dat de gemeente een voortzetting is van oudtestamentische beelden. Hij spreekt over een verborgenheid.

“Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid” (Efeze 3:3) (STV)

“Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest” (Efeze 3:5) (STV)

En hoe wordt die verborgenheid ontvouwd? Niet allereerst als een technische bruidstitel, maar als een nieuw lichaam in levende eenheid met een verheerlijkt Hoofd in de  waar de gemeente expliciet wordt beschreven als een apart, hemels volk, onderscheiden van Israël, met een hemelse positie.

Dus als men per se leerstellig nauwkeurig wil zijn, moet men niet beginnen met een populaire slogan, maar met de taal die de apostel zelf centraal stelt.

 

Wat klopt er dan niet aan die stellige uitspraak?

Wat er niet klopt, is niet alleen de inhoudelijke versmalling, maar ook de toon.

Zij is te stellig voor wat de Schrift zo expliciet zegt.

Zij is te simplistisch voor de rijkdom van Efeze 5 en Openbaring 21.

Zij is te selectief omdat zij de huwelijksbeeldspraak rond Israël wegdrukt.

Zij is te oppervlakkig omdat zij de centrale paulinische openbaring van de gemeente als lichaam van Christus naar de achtergrond schuift.

Zij is vaak ook te kerkelijk ingesleten: men herhaalt een vertrouwde formulering, maar toetst niet meer of de formulering zelf wel precies genoeg is.

En dat is gevaarlijk. Want zodra traditietaal krachtiger gaat klinken dan Schriftuurlijke taal, raakt men onvermijdelijk uit koers.

 

Wat is dan een Bijbels zorgvuldige formulering?

Een zorgvuldige formulering zou ongeveer zo klinken:

De gemeente heeft een heilige, liefdevolle en innige verhouding tot Christus. De Schrift gebruikt daarbij ook huwelijksbeeldspraak. Maar de gemeente wordt in het Nieuwe Testament uitdrukkelijk en leerstellig geopenbaard als het lichaam van Christus. Daarom moet men terughoudend zijn om de uitspraak “de gemeente is de bruid van Christus” met grote dogmatische stelligheid te brengen, alsof dat de centrale en expliciete titel van de gemeente is.

Dat is veel nauwkeuriger. Minder populair misschien. Minder romantisch ook. Maar wel eerlijker tegenover de tekst.

 

Waarom dit geen kleinigheid is

Sommigen halen hun schouders op en zeggen dat dit maar een detail is. Dat is het niet.

Want hier zie je een veel groter probleem aan het werk: men neemt een geliefde formulering, maakt haar absoluut, en overschreeuwt vervolgens de nauwkeurigere taal van de Schrift. Dat gebeurt vaker dan men denkt. En het resultaat is altijd hetzelfde: het Woord wordt niet meer gevolgd, maar ingevuld.

De vraag is daarom niet: klinkt het mooi?
De vraag is: staat het er zo?

De vraag is niet: hoor je dit vaak?
De vraag is: spreken de apostelen zo?

De vraag is niet: voelt dit geestelijk aan?
De vraag is: is het leerstellig zuiver geformuleerd?

Wie de gemeente echt hoog wil achten en de plaats wil geven die hem toekomt , moet hem niet verlagen tot een versleten slogan. De heerlijkheid van de gemeente ligt niet in vrome clichétaal, maar in het wonder dat deze al één lichaam is, en daar niet nog op wacht, één gemaakt met de verhoogde Christus, gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Hem.

Dáár ligt de nadruk die het Nieuwe Testament legt.

Dus nee, het is niet verstandig om met grote stelligheid te beweren dat de gemeente de bruid van Christus zou zijn, alsof dat een eenvoudige, expliciete en overal bevestigde leerformule is. Zo spreekt de Schrift niet.

De Schrift spreekt duidelijker, rijker en preciezer.

Zie ook:

bruid – Bijbelse basis

God is niet de kerk, het Bijbelse verschil tussen kerk en gemeente

God is niet de kerk maar de Schepper

Er is een verwarring die diep in het christendom is geslopen.
Een verwarring die niet onschuldig is, maar fundamenteel misleidend. God is niet de kerk. Toch leven veel christenen alsof dat wél zo is. Kerk, gebouw, organisatie en zelfs leiders krijgen een plaats die alleen God toekomt. Maar de Bijbel maakt een scherp onderscheid tussen wat mensen hebben gebouwd en wat God heeft voortgebracht.

Dat lijkt misschien een nuance,  maar het is een geestelijk breekpunt.

Veel mensen spreken achteloos:

  • “De kerk zegt…”
  • “Ik ga naar de kerk…”
  • “De kerk bepaalt…”

Maar wat bedoelen ze eigenlijk?

Een gebouw?
Een organisatie?
Een denominatie?

De Bijbel kent dat allemaal niet.

De Schrift spreekt niet over een instituut, maar over een levend lichaam.

God is niet de kerk.
God is niet de kerk.

Wat betekent “gemeente” volgens de Bijbel

Het woord dat in het Nieuwe Testament gebruikt wordt is:

ekklesia — uitgeroepenen, bijeengeroepenen

Dat zijn geen stenen.
Dat zijn geen systemen.
Dat zijn mensen.

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente…” (Kolossenzen 1:18 STV)

De Gemeente is:

  • een lichaam
  • levend
  • afhankelijk van Christus

En Christus alleen is het Hoofd.

 

Waarom het woord kerk misleidend kan zijn

Het idee dat God verbonden is aan een plek of gebouw is onbijbels.

“De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is, Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt.” (Handelingen 17:24 STV)

En nog scherper:

“Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?” (1 Korinthe 3:16 STV)

God woont niet in bakstenen.
Niet in systemen.
Niet in structuren.

Hij woont in gelovigen.

 

Waarom dit onderscheid essentieel is

Het woord “kerk” komt van kyriakon — “van de Heere”.

Maar in de praktijk is het gaan betekenen:

  • instituut
  • organisatie
  • machtsstructuur

En precies daar gaat het mis.

Want zodra een systeem zichzelf tussen God en mens plaatst, ontstaat religie.

 

Het gevaar is groter dan je denkt

Wanneer de kerk centraal komt te staan:

  • krijgt een organisatie geestelijk gezag
  • worden leiders onaantastbaar
  • wordt kritiek gezien als opstand tegen God
  • verschuift vertrouwen van Christus naar mensen

Dat is geen detail.
Dat is geestelijke misleiding.

 

Christus is het fundament, niet de kerk

“Want niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.” (1 Korinthe 3:11 STV)

Niet:

  • een denominatie
  • een traditie
  • een instituut

Maar Christus.

Alleen Christus.

 

Wat is de gemeente dan wel?

De gemeente is:

  • het lichaam van Christus
  • gevormd door wedergeboren gelovigen
  • verbonden door de Geest
  • wereldwijd één

“Want wij zijn allen door één Geest tot één lichaam gedoopt…” (1 Korinthe 12:13 STV)

Niet tot een organisatie.
Maar tot een lichaam.

De kerk is wat mensen hebben gebouwd.
De gemeente is wat God heeft voortgebracht.

God is niet de kerk.
En wie dat wel zo behandelt, verwart het werk van mensen met het werk van God.

De oproep

Uiteindelijk draait het hier niet om woorden, maar om werkelijkheid:

“Laat u met God verzoenen.” (2 Korinthe 5:20 STV)

Niet:

verbind je aan een systeem

onderwerp je aan een instituut

word lid van een kerk

Maar:

laat u met God verzoenen door Jezus Christus

lees ook:

God woont niet in een kerkgebouw

God spreekt over Zijn Zoon

Wat bedoelt de Bijbel met “leven uit Genade”?

De verborgenheid van de Gemeente

Waarom dit onderscheid vaak niet meer wordt gezien

Wie de brieven van Paulus zorgvuldig leest, ontdekt dat de Gemeente een verborgenheid (geheimenis) wordt genoemd. Dat betekent niet dat zij geheimzinnig of mystiek is, maar dat zij vroeger verborgen was en later door God geopenbaard werd.

Dit punt is beslissend voor het begrijpen van Gods heilsplan. Veel verwarring in het christendom ontstaat doordat men deze verborgenheid niet meer onderscheidt van Gods plan met Israël.

In dit artikel zet ik de belangrijkste lijnen uit de Schrift overzichtelijk naast elkaar.

Wat betekent “verborgenheid” in de Bijbel?

In het Nieuwe Testament betekent een verborgenheid een waarheid die voorheen niet geopenbaard was, maar nu bekendgemaakt wordt.

Paulus schrijft:

“Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid.”
— Efeze 3:2-3 (STV)

En verder:

“…de bedeling der verborgenheid, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God.”
— Efeze 3:9 (STV)

Het gaat dus om een onderdeel van Gods plan dat niet zichtbaar was in de oudtestamentische profetieën.

Wat de profeten wél zagen

De oudtestamentische profeten zagen vooral twee grote gebeurtenissen:

  • het lijden van de Messias
  • de heerlijkheid van Zijn Koninkrijk

Petrus beschrijft dit:

“Onderzoekende op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en tevoren getuigde het lijden dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna.”
— 1 Petrus 1:11 (STV)

Wat zij niet zagen, was de periode tussen deze twee gebeurtenissen.

Dáár ligt de verborgenheid.

De verborgen tussenperiode

Tussen het lijden van Christus en de openbaring van Zijn Koninkrijk ligt een periode waarin God iets nieuws doet.

Jakobus zegt hierover:

“Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam.”
— Handelingen 15:14 (STV)

God verzamelt dus nu een volk uit alle volken. Dat volk is de Gemeente.

De verborgenheid van de Gemeente

De kern van deze verborgenheid is dat Joden en heidenen samen één lichaam vormen in Christus.

Paulus schrijft:

“Dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie.”
— Efeze 3:6 (STV)

Dit was nieuw.

In het Oude Testament waren de heidenen buiten het verbond, maar nu worden zij gelijkgesteld met gelovigen uit Israël.

Christus woont in de gelovigen

Een tweede component van deze verborgenheid is de inwonende Christus.

“De verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; Aan welke God heeft willen bekendmaken welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus in u, de hoop der heerlijkheid.”
— Kolossenzen 1:26-27 (STV)

Dit betekent dat Christus niet alleen voor ons gestorven is, maar ook in ons leeft.

De Gemeente als lichaam van Christus

Paulus gebruikt voor de Gemeente vooral één beeld: een lichaam.

“En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is.”
— Efeze 1:22-23 (STV)

En:

“Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.”
— Efeze 5:30 (STV)

Dit beeld benadrukt een levende eenheid tussen Christus en de gelovigen.

Christus is het Hoofd, de gelovigen vormen Zijn lichaam.

De Here Jezus predikte tijdens Zijn aardse bediening nog niet de Gemeente

Tijdens Zijn aardse bediening richtte Jezus zich in de eerste plaats tot Israël.

Hij zegt:

“Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.”
— Mattheüs 15:24 (STV)

Toen Hij de twaalf uitzond gaf Hij dezelfde opdracht:

“Gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.”
— Mattheüs 10:6 (STV)

Hun boodschap was:

“Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.”
— Mattheüs 10:7 (STV)

De Gemeente werd pas later geopenbaard.

De Gemeente zou nog gebouwd worden

Jezus zegt:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn Gemeente bouwen.”
— Mattheüs 16:18 (STV)

Let op het woord zal.

De Gemeente bestond toen nog niet. Zij zou pas ontstaan na kruis, opstanding en Pinksteren.

De verborgenheden van het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament noemt meerdere verborgenheden:

  • de verborgen vorm van het Koninkrijk
  • de tijdelijke verharding van Israël
  • de Gemeente als lichaam van Christus
  • Christus in de gelovigen
  • de opname van de Gemeente
  • de verborgen werking van de ongerechtigheid
  • Gods plan om alles onder Christus samen te brengen

Deze verborgenheden beschrijven samen de huidige bedeling van Gods genade.

Israël en de Gemeente zijn niet hetzelfde

De Schrift maakt onderscheid tussen beide.

Israël:

  • een volk
  • aardse beloften
  • land en koninkrijk
  • herstel in de toekomst

De Gemeente:

  • lichaam van Christus
  • hemelse roeping
  • samengesteld uit alle volken
  • verbonden met Christus in de hemel

De kwestie van de bruid

In sommige christelijke tradities wordt de Gemeente, min of meer vanzelfsprekend, de bruid van Christus genoemd. Toch is dit niet het hoofdbeeld dat de apostelen gebruiken.

Paulus spreekt steeds over:

  • het lichaam van Christus
  • Christus als Hoofd

Daarnaast beschrijft het Oude Testament Israël juist vaak als de vrouw van de HEERE.

Bijvoorbeeld:

“Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam.”
— Jesaja 54:5 (STV)

In Openbaring wordt de bruid verbonden met het nieuwe Jeruzalem.

“Kom herwaarts, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams.”
— Openbaring 21:9 (STV)

“En hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem.”
— Openbaring 21:10 (STV)

Daarom is het belangrijk om beelden uit de Schrift niet door elkaar te halen.

De kern van de verborgenheid

De verborgenheid van de Gemeente betekent dat God in deze tijd:

  • een volk verzamelt uit alle volken
  • dat volk verenigt met Christus
  • en hen een hemelse roeping geeft

Paulus noemt deze tijd daarom:

“de bedeling der genade Gods.”
— Efeze 3:2 (STV)

De Gemeente is géén voortzetting van Israël en ook géén vervanging van Israël. Zij is een verborgen werk van God, geopenbaard na de komst van Christus.

Wanneer dit onderscheid wordt losgelaten, ontstaan vrijwel automatisch verwarringen:

  • profetieën worden verkeerd toegepast
  • Israël en de Gemeente worden vermengd
  • het koninkrijk wordt vergeestelijkt

Maar wanneer het onderscheid wél wordt gezien, ontstaat een helder overzicht van Gods plan:

eerst
de komst van de Messias

nu
de verborgen periode van de Gemeente

en straks
de openbaring van Christus en het herstel van Israël.

Dát is de verborgenheid die Paulus mocht bekendmaken.

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén

Handelingen 15 rekent af met een verkeerd uitgangspunt

Handelingen 15 is geen detail in de Bijbelse heilsgeschiedenis. Het is een beslissend moment waarin het Evangelie wordt veiliggesteld tegen vermenging.

De stelling die in Jeruzalem werd ingebracht was bikkelhard:

“Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.”
(Handelingen 15:1 STV)

Met andere woorden:

Heidenen moesten volgens hen daar ‘onder Mozes’ komen.
Onder Israël.
Onder de Wet.

Dan pas konden zij zalig worden.

Dat was de kern van het conflict.

Petrus’ explosieve uitspraak

Wanneer Petrus opstaat, zegt hij iets dat de religieuze hiërarchie volledig op zijn kop zet.

Hij rekent af met deze misvatting:

“Maar wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.”
(Handelingen 15:11 STV)

Let op de volgorde.

Niet: zij zoals wij.
Maar: wij zoals zij.

Dat is geen verspreking. Dat is een leerstellig fundament.

Als hij had gezegd: “zij zoals wij”, dan bleef Israël de norm. Dan zou het klinken alsof heidenen mogen delen in een Joods ‘heilsvoordeel’.

Maar Petrus zegt het dus andersom.

Wij worden zalig zoals zij.

Dat betekent:

Wij Joden worden niet behouden vanwege onze verbonden.
Niet vanwege Mozes.
Niet vanwege besnijdenis.
Niet vanwege nationale verkiezing.

Wij worden behouden zoals heidenen, door Genade.

Dat breekt alle eventueel nog aanwezige religieuze hoogmoed radicaal af.

De Wet was nooit een heilsweg

Petrus zegt:

“Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?”
(Handelingen 15:10 STV)

Dat juk was de Wet.

En Petrus erkent openlijk:

Wij konden het niet dragen.

Dus hoe zou het dan een reddingsweg kunnen zijn?

Paulus zegt:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.”
(Romeinen 3:20 STV)

De Wet openbaart zonde.
Zij rechtvaardigt niet.

Dat gold voor heidenen.
Dat gold óók voor Israël.

Het Oude Testament bevestigt dit patroon

God klaagt in het Oude Testament voortdurend over het ongeloof van Zijn eigen volk.

“Hoe lang zal Mij dit volk lasteren? en hoe lang zullen zij niet aan Mij geloven?”
(Numeri 14:11 STV)

“Om al dit zondigden zij nog, en geloofden niet aan Zijn wonderen.”
(Psalm 78:32 STV)

“Ik heb kinderen grootgemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.”
(Jesaja 1:2 STV)

“Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart.”
(Jeremia 5:23 STV)

Israël had:

– de Wet
– de verbonden
– de tempeldienst
– de profeten

Maar het hart bleef ongelovig.

Mozes zegt al:

“Maar de HEERE heeft ulieden geen hart gegeven om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.”
(Deuteronomium 29:4 STV)

Dat is aangrijpend.

Verbondspositie veranderde het hart niet.

Daarom belooft God via de profeten een nieuw verbond:

Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE.(Jeremia 31:31-32 STV)

“En Ik zal u een nieuw hart geven.”
(Ezechiël 36:26 STV)

Het probleem was niet gebrek aan religie.
Het probleem was ongeloof.

Komt het heil uit Israël? Ja. Loopt het via Israël? Nee.

De Heere Jezus zegt:

“De zaligheid is uit de Joden.”
(Johannes 4:22 STV)

Omdat Christus uit Israël is voortgekomen:

“Uit welken Christus is, zoveel het vlees aangaat.”
(Romeinen 9:5 STV)

Historisch komt het heil uit Israël.

Maar volgens de Verlossinsleer loopt het heil niet via Israël.

De toegang is niet Mozes.
Niet het Sinaïtische verbond.
Niet nationale afkomst.

De toegang is Christus.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.”
(1 Timotheüs 2:5 STV)

De Gemeente en Israël

In de Gemeente is geen hiërarchisch onderscheid in de zaligheid:

“Want Hij is onze Vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende.”
(Efeze 2:14 STV)

“Opdat Hij die twee in Zichzelven tot één nieuwen mens zou scheppen.”
(Efeze 2:15 STV)

“Daarin is noch Jood noch Griek.”
(Galaten 3:28 STV)

De Gemeente is geen heidense uitbreiding van Israël onder de Wet.

Zij is een nieuw lichaam in Christus:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt.”
(1 Korinthe 12:13 STV)

Dat betekent niet dat Israël ophoudt Israël te zijn in Gods heilsplan.

Maar het betekent wel:

Er is geen dubbele heilsroute.

Niet één via Wet voor Israël
en één via Genade voor heidenen.

Er is één Weg.

Handelingen 15 bewaart het evangelie voor vermenging.

Israël had voorrechten.
Israël had openbaring.
Israël had de Wet.

Maar Israël had óók ongeloof.

Daarom zegt Petrus het zo radicaal:

“Wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.”
(Handelingen 15:11 STV)

Wij — zoals zij.

Dat breekt verbondstrots.
Dat breekt wetticisme.
Dat breekt religieuze hiërarchie.

Het heil komt historisch uit Israël.
Maar het loopt niet via Israël.

Cruciaal

Verder vermeldt de Hebreeenbrief nog het volgende:

Want het betaamde Hem om Welken alle dingen zijn en door Welken alle dingen zijn, dat Hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.
Want én Hij Die heiligt, én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen Zeggende: Ik zal Uw Naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der gemeente zal Ik U lofzingen. En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Ziedaar, Ik en de kinderen die Mij God gegeven heeft. (Hebreeën 2:10-13 STV)

Het heil loopt via Christus alleen. En Hij is met name dáárom onze ‘oudste broer’.

Dát is Bijbels.

En wie daar iets tussen stopt, hoe goedbedoeld ook, herhaalt precies het probleem dat in Handelingen 15 principieel werd verworpen.

Dat is géén detail.

Dát is het Evangelie.

Het lichaam van de Messias? Nee. Het lichaam van Christus

Op het verkeerde been gezet

Ik bezoek af en toen de website cvandaag,nl. Het meeste nieuws zit daar overigens achter een betaalmuur, meestal ben ik er vrij snel klaar.

Ik zag de laatste tijd herhaaldelijk bij binnenkomst deze reclame. Verwijst hier naar. Ik heb even een screenshot gemaakt.

Opzettelijke contaminatie

De terminologie deugt niet. Ik denk aan een opzettelijk gevalletje van contaminatie, Wellicht omdat die Ene Naam en het Evangelie na 2000 jaar nog alijd aanstoot geeft

Het klinkt vroom. Het klinkt Hebreeuws. Het klinkt alsof men dichter bij de wortels van het geloof wil komen.

Maar leerstellig is het een misser.

De uitdrukking “het lichaam van de Messias” wordt soms gebruikt voor de Gemeente. Dat lijkt onschuldig. Toch klopt het niet. En wie het onderscheid tussen Israël en de Gemeente serieus neemt, kan er niet achteloos aan voorbijgaan.

Hier staat meer op het spel dan woordkeus.

Hier staat openbaring op het spel.

Wat zegt de Schrift wél?

Paulus spreekt consequent over het lichaam van Christus.

“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.” (1 Korinthe 12:12 STV)

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente.” (Kolossenzen 1:18 STV)

Nergens spreekt de Bijbel over “het lichaam van de Messias”.

Dat is geen detail. Dat is opvallend.

De Heilige Geest heeft niet zomaar willekeurig woorden gekozen.

“Welke dingen wij ook spreken, niet met woorden die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.” (1 Korinthe 2:13 STV)

Als de Schrift “Christus” zegt, wie zijn wij dan om dat te vervangen door “Messias”?

Het woord “Messias” betekent Gezalfde. Het is de titel van:

  • De beloofde Koning uit het huis van David
  • De vervuller van de verbonden met Israël
  • Degene Die Zijn troon in Jeruzalem zal innemen

De Messias is onlosmakelijk verbonden met de profetieën van het Oude Testament. Met Sion. Met het koningschap. Met de restauratie van Israël.

De Messias was geen verborgenheid.

Israël verwachtte Hem.

Het lichaam is een verborgenheid

Maar de Gemeente als lichaam van Christus was géén oudtestamentische verwachting.

Paulus noemt dit een geheimenis:

“Dat Hij hun heeft willen bekendmaken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen; welke is Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid.” (Kolossenzen 1:27 STV)

En:

“Dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie.” (Efeze 3:6 STV)

Het lichaam behoort tot de verborgenheid.

De Messias behoort tot de geopenbaarde beloften.

Dat verschil is fundamenteel.

Wanneer men spreekt over “het lichaam van de Messias”, vermengt men het profetische programma van Israël met het verborgenheidsprogramma van de Gemeente.

Christus is de verhoogde Heer

De Gemeente is verbonden met de verheerlijkte Christus aan Gods rechterhand.

“En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen.” (Efeze 1:22 STV)

Dit is geen aardse Messiaanse regering vanuit Jeruzalem.

Dit is een hemelse positie.

Het lichaam is één met de verhoogde Christus.

Niet met de nog te openbaren Messiaanse heerschappij op aarde.

Waarom dit onderscheid geen gekunstelde onzin is

Zodra men het lichaam “Messiaans” gaat noemen, verschuift er iets:

  • De focus verschuift van hemel naar aarde
  • De Gemeente wordt onder het koninkrijk geplaatst
  • Israël en Gemeente gaan door elkaar lopen
  • Het unieke van Paulus’ bediening vervaagt

En precies daar gaat het vandaag vaak mis.

Men wil terug naar “Hebreeuwse wortels”. Men wil dichter bij de Joodse context staan. Men vervangt “Jezus” door “Yeshua” en  “Christus” door “Messias” alsof dat geestelijker zou zijn.

Maar geestelijkheid zit niet in Hebreeuwse klanken.

Geestelijkheid zit in gehoorzaamheid aan de openbaring.

Schriftgetrouw taalgebruik is geen muggenzifterij

Wie dit afdoet als semantiek, heeft niet begrepen hoe zorgvuldig Gods openbaring is opgebouwd.

God heeft onderscheid gemaakt.

Tussen Israël en de Gemeente.
Tussen profetie en verborgenheid.
Tussen aardse beloften en hemelse roeping.

En dat onderscheid wordt bewaakt door, en uitgedrukt in woorden.

De Gemeente is het lichaam van Christus.

Niet ‘het lichaam van de Messias’

Ook niet in Israël.

Dat is geen polemische scherpte om de scherpte zelf.

Dat is eenvoudig trouw aan de Schrift.

Is de gemeente geroepen om nu te heersen over de aarde?

Een Bijbels onderscheid tussen scheppingsmandaat en Koninkrijk

Onlangs hoorde ik de uispraak:

“De mens (en dus de gemeente?) is een tempel en geroepen om te heersen over deze wereld”

Dat klinkt krachtig. Bijbels zelfs. Maar bij nadere beschouwing blijkt hier een fundamentele verschuiving plaats te vinden.

Laten we zorgvuldig onderscheiden wat de Schrift erover zegt.

Het scheppingsmandaat

De uitspraak verwijst meestal naar Genesis.

“En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.” (Genesis 1:26 STV)

Hier gaat het om de mensheid als schepsel, in de oorspronkelijke scheppingsorde. Dit is geen politieke of geestelijke dominantie, maar rentmeesterschap onder God.

De mens mocht beheren, (verwijst prmair al naar Christus, wat Hij daadwerkelijk zal doen t.z.t) niet nú autonoom regeren.

De breuk van de zondeval

Na Genesis 3 verandert alles.

“Vervloekt is het aardrijk om uwentwil; met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.” (Genesis 3:17 STV)

De aarde wordt niet een terrein van triomf, maar van strijd. De heerschappij van de mens is niet opgeheven, maar wel gebroken en gefrustreerd.

Sindsdien leeft de mens in een gevallen wereld.

Daarom is het leerstellig onjuist om Genesis 1 rechtstreeks toe te passen op de gemeente alsof er niets is gebeurd.

Wat zegt het Nieuwe Testament over de gemeente?

Het Nieuwe Testament beschrijft de gemeente niet als een heersend machtsinstituut, maar als een lichaam in een vijandige wereld.

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.” (Johannes 18:36 STV)

En:

“Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.” (Hebreeën 13:14 STV)

De toon is duidelijk: pelgrimschap, verwachting, volharding.

Niet dominantie.

De toekomstige heerschappij

De Schrift spreekt wél over heerschappij, maar in toekomstig perspectief.

“En zij leefden en heersten als koningen met Christus, duizend jaren.” (Openbaring 20:4 STV)

En:

“Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen.” (2 Timotheüs 2:12 STV)

De volgorde is wezenlijk: eerst verdragen, dan heersen.

Het Koninkrijk in zichtbare heerschappij is verbonden aan Christus’ wederkomst, niet aan een huidige kerkelijke machtspositie.

Waar gaat het leerstellig mis?

Wanneer men zegt dat de gemeente nú geroepen is om te heersen over de aarde, gebeuren er meestal vier dingen.

Er wordt geen rekening gehouden met de zondeval.
Het kruis wordt praktisch overgeslagen.
De eschatologie wordt naar voren gehaald.
En het Koninkrijk wordt verward met de huidige bedeling van Genade.

Hier raakt dit denken dikwijls aan dominion-theologie of NAR-invloeden, waarin de kerk wordt gezien als instrument om de aarde onder geestelijk gezag te brengen.

Maar dat is niet de toon van het Nieuwe Testament.

Het onderscheid tussen Koninkrijk en Gemeente

De Schrift leert dat Christus zal heersen.

“En de HEERE zal Koning worden over de ganse aarde.” (Zacharia 14:9 STV)

Dat is verbonden aan Zijn openbaring in macht en heerlijkheid.

De gemeente daarentegen wordt nu gekenmerkt door:

  • getuigenis
  • lijden
  • verwachting
  • afhankelijkheid

Christus is het Hoofd.

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente.” (Kolossenzen 1:18 STV)

De gemeente regeert niet autonoom; zij onderwerpt zich.

De kern van het vraagstuk

De uitspraak “de gemeente moet heersen” klinkt actief en krachtig. Maar zij verschuift de hoop van de toekomst naar het heden.

Het accent verschuift van:

wederkomst
naar
culturele transformatie.

Van:

volharding
naar
invloed.

Van:

verwachting
naar
project.

Dat is een leerstellige verlegging van perspectief.

Ja, de mens kreeg in Genesis een scheppingsmandaat.
Ja, Christus zal heersen.
Ja, de heiligen zullen met Hem regeren.

Maar dat behoort tot het toekomende wereldbestel.

Nu leeft de gemeente in de spanning van het “reeds” en het “nog niet”.

De kerk, de Gemeente, is geen machtsinstituut dat de aarde moet onderwerpen. Zij is een lichaam dat getuigt en uitziet.

De vraag is daarom niet: hoe veroveren wij de aarde?

De vraag is: blijven wij trouw aan Christus terwijl wij wachten op Zijn Koninkrijk?

De toekomstige rol van de Gemeente

De toekomstige rol van de Gemeente

Wanneer wij de toekomstige rol van de Gemeente willen verstaan, moeten wij beginnen bij haar identiteit. Niet bij traditie. Niet bij kerkelijke formuleringen. Maar bij het beeld dat de Schrift zelf gebruikt.

De Gemeente is niet de verbondsvrouw van de HEERE.
Dát beeld hoort bij Israël.

De Gemeente is het Lichaam van Christus.

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente.” (Kolossenzen 1:18 STV)

Vanuit dat beeld moeten wij haar toekomst doordenken.

Een hemelse roeping

De Gemeente heeft geen aardse roeping zoals Israël. Haar positie is hemels.

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” (Efeze 2:6 STV)

“Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” (Filippenzen 3:20 STV)

Israël verwacht de Messias op aarde.
De Gemeente verwacht Hem uit de hemel.

Dat bepaalt ook haar toekomst.

De opname: het eerstvolgende moment

Voor de Gemeente is de eerstvolgende profetische gebeurtenis niet het Koninkrijk op aarde, maar de ontmoeting met de Heere in de lucht.

“Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” (1 Thessalonicenzen 4:17 STV)

Hier wordt geen aardse vestiging beschreven, maar een hemelse vereniging.

Dat past bij haar identiteit als Lichaam.

De rechterstoel van Christus

Na de opname volgt beoordeling van dienst.

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus.” (2 Korinthe 5:10 STV)

Dit is geen oordeel tot verdoemenis.
Het betreft loon en verantwoordelijkheid.

De Gemeente zal niet geoordeeld worden als volk (zoals Israël in Mattheüs 25), maar individueel als leden van het Lichaam.

Verschijnen met Christus

Wanneer Christus verschijnt in heerlijkheid, verschijnt de Gemeente met Hem.

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:4 STV)

Het Lichaam deelt in de openbaring van het Hoofd.

Dat is logisch.
Wat aan het Hoofd gebeurt, raakt het Lichaam.

Heersen met Christus

De Schrift leert dat gelovigen zullen delen in Zijn heerschappij.

“Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen.” (2 Timotheüs 2:12 STV)

Dit heersen is geen overname van Israëls beloften.
Israël ontvangt het aardse Koninkrijk onder de Zoon van David.

De Gemeente deelt in de hemelse regering van Christus.

Het onderscheid blijft:

Israël — aards, koninklijk, nationaal.
Gemeente — hemels, organisch verbonden, mede-erfgenaam.

In de toekomende eeuwen

Paulus opent nog een breder perspectief:

“Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.” (Efeze 2:7 STV)

De Gemeente zal in de eeuwigheid een demonstratie zijn van Gods Genade.

Niet als natie.
Niet als verbondsvolk.
Maar als verlost Lichaam, verenigd met het Hoofd.

Waar de Gemeente niet toe is geroepen

De Gemeente is niet geroepen om:

  • het Koninkrijk nu te vestigen
  • politieke heerschappij te zoeken
  • de wereld te christianiseren

Zij is vreemdeling.

“Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege.” (2 Korinthe 5:20 STV)

Een gezant vertegenwoordigt een ander rijk.

De toekomstige rol van de Gemeente is:

  • opgenomen worden tot Christus
  • voor Zijn rechterstoel verschijnen
  • met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid
  • delen in Zijn heerschappij
  • in de toekomende eeuwen Gods Genade openbaren

Dit alles vloeit voort uit één waarheid:

De Gemeente is het Lichaam van Christus.

En het Lichaam zal zijn waar het Hoofd is.

Onderzoek zelf de Schrift.
Vergelijk Schrift met Schrift.
Snijd het Woord recht.

zie ook:

De Gemeente is geen Israël

Het verschil tussen de tijd van het Koninkrijk en de tijd van de Gemeente

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De grote verdrukking, voor wie bestemd

Schrift met Schrift vergelijken

“Koning Jezus” (vervolg)

“Koning Jezus” (vervolg)

Waarom de gemeente geen koninkrijk is en geen bruid

De uitdrukking “Koning Jezus” klinkt vroom en bijbels. Toch gaat het hier vaak mis. Niet omdat de titel Koning onjuist zou zijn, maar omdat men die op de verkeerde relatie toepast.

De Bijbel maakt namelijk een scherp onderscheid tussen:

  • Israël
  • de gemeente
  • en de verschillende relaties die Jezus Christus tot beiden heeft.

Wie dat onderscheid loslaat, raakt vroeg of laat verstrikt in verwarring.

 

koning Jezus

Jezus is Koning — maar waarvan?

De Schrift is helder: Jezus is Koning.
Maar nooit wordt Hij Koning genoemd van de gemeente.

Bijbelse werkelijkheid:

  • Hij is Koning van Israël
  • erfgenaam van de troon van David
  • Koning van het toekomstige aardse koninkrijk

Dat koningschap is:

  • door Israël verworpen
  • daardoor uitgesteld
  • en zal pas openbaar worden bij Zijn wederkomst

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.” (Johannes 18:36)

Dat betekent niet dat het Koninkrijk geestelijk is,
maar dat het nu nog niet gevestigd is.

De gemeente staat niet onder een Koning

De gemeente wordt in het Nieuwe Testament nooit voorgesteld als een volk met een koning en onderdanen.

Integendeel.

De Bijbel zegt consequent:

  • Christus is het Hoofd
  • de gemeente is het lichaam

“Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente.” (Kolossenzen 1:18)

Een hoofd:

  • regeert geen onderdanen
  • maar stuurt een lichaam aan
  • in een levende, organische eenheid

Dat is geen koninklijke, maar een lichamelijke relatie.

De gemeente is óók geen bruid

Nog zo’n hardnekkig misverstand:
“De gemeente is de bruid van Christus.”

Dat klinkt vertrouwd, maar is bijbels onjuist.

Waarom?

De bruid/vrouw-taal in de Bijbel is verbondstaal — en die hoort exclusief bij Israël.

Israël:

  • ging een huwelijksverbond aan (Sinaï)
  • werd ontrouw (overspel)
  • werd verstoten
  • zal hersteld worden
  • en zal als bruid terugkeren

De gemeente:

  • heeft geen huwelijksverbond
  • geen overspelgeschiedenis
  • geen echtscheiding
  • geen profetisch herstel als vrouw

Daarom kan de gemeente niet de bruid zijn.

Openbaring 21 bevestigt dit:
de bruid wordt geïdentificeerd met het nieuwe Jeruzalem, verbonden aan Israël — niet met de gemeente als lichaam.

Wat is de gemeente dan wél?

De Schrift gebruikt voor de gemeente andere beelden:

  • Lichaam
  • Huisgezin
  • Tempel
  • Kinderen van God

“Zo zijt gij dan … huisgenoten van God.” (Efeze 2:19)

Dat is een familierelatie, geen koninklijke hiërarchie.

Wij zijn:

  • geen onderdanen
  • maar kinderen
  • geen volk onder een koning
  • maar leden onder een Hoofd

Waarom dit onderscheid essentieel is

Zodra men zegt:

  • “Jezus is Koning van de gemeente”
  • of “de gemeente is de bruid”

ontstaat onvermijdelijk:

  • vermenging van Israël en gemeente
  • koninkrijkstheologie
  • het idee dat wij (nu) een koninkrijk moeten bouwen
  • verlies van bijbels perspectief op profetie

Wat begint als taalgebruik, eindigt als afwijkende leer

Samenvattend

De Bijbel is helder, mits we haar laten spreken:

  • ✔️ Jezus is Koning
  • ✔️ Hij is Koning van Israël
  • ❌ Hij is geen Koning van de gemeente
  • ✔️ De gemeente is Zijn lichaam
  • ❌ De gemeente is geen bruid
  • ✔️ De bruid is Israël

Niet alles wat vroom klinkt, is Bijbels.
Maar alles wat Bijbels is, verdraagt helder onderscheid en bestudering.

Wat doet Christus sinds Zijn opstanding?

Wat doet Christus sinds Zijn opstanding?

Sinds Zijn opstanding en hemelvaart zit Christus aan de rechterhand van God, van waaruit Hij actief betrokken is bij de gelovigen en de voortgang van Gods plan. Zijn huidige werk is essentieel voor het behoud, de heiliging en de toekomstige verheerlijking van de Gemeente.

Christus als Hogepriester

Op dit moment vervult Christus de rol van Hogepriester naar de orde van Melchizedek (Hebreeën 7:17). Dit betekent dat Hij als middelaar optreedt tussen God en de gelovigen. Hij bidt en pleit voor hen bij de Vader, zodat zij vergeving en genade ontvangen. Dit is niet alleen een eenmalige daad, maar een voortdurende bediening:

  • Hij bemiddelt voor de gelovigen: Hij zorgt ervoor dat hun zonden niet langer tegen hen getuigen, maar dat zij gerechtvaardigd blijven door Zijn offer (Romeinen 8:34)​.
  • Hij geeft toegang tot de troon van genade: Door Zijn werk als Hogepriester kunnen gelovigen vrijmoedig tot God naderen (Hebreeën 4:14-16).
  • Hij houdt hen staande in het geloof: Zijn voortdurende voorspraak voorkomt dat gelovigen verloren gaan (Hebreeën 7:25).

Christus als Hoofd van de Gemeente

Christus is het Hoofd van de Gemeente (Efeze 1:22-23), wat betekent dat Hij actief leiding geeft aan Zijn lichaam op aarde:

  • Hij onderwijst en leidt Zijn volk door de Heilige Geest: Hij inspireert en geeft inzicht in de Schrift, zodat gelovigen groeien in kennis en wijsheid (Johannes 14:26).
  • Hij bouwt en zuivert de Gemeente: Hij vormt de gelovigen naar Zijn beeld, maakt hen heilig en bereidt hen voor op de toekomst (Efeze 5:25-27).
  • Hij geeft gaven aan de Gemeente: Hij rust gelovigen uit met geestelijke gaven om hen in staat te stellen het werk van het Koninkrijk te doen (1 Korinthe 12:7-11).

Christus als Voorbereider van de toekomst

Christus is bezig een plaats te bereiden voor de gelovigen in de hemelse heerlijkheid (Johannes 14:2-3). Dit betekent:

  • Hij werkt toe naar de opname van de Gemeente: Er komt een moment waarop Hij de Gemeente tot Zich neemt, opneemt in de hemel (1 Thessalonicenzen 4:16-17).
  • Hij leidt de wereldgeschiedenis naar Zijn wederkomst: Hoewel de wereld lijkt te worden beheerst door chaos, heeft Christus de regie in handen en zal Hij op Gods tijd terugkomen om alles recht te zetten (Openbaring 19:11-16).

Christus als Onderhouder van de schepping

Volgens Kolossenzen 1:16-17 onderhoudt Christus de hele schepping en zorgt Hij ervoor dat alles in stand blijft:

  • Hij regeert met soevereine macht: Ondanks de zondeval blijft Christus de uiteindelijke Heer over de schepping.
  • Hij gebruikt de geschiedenis om Gods plan te vervullen: Hij zorgt ervoor dat alle dingen meewerken ten goede voor degenen die Hem liefhebben (Romeinen 8:28).

Christus is op dit moment niet passief, maar actief betrokken bij het leven van gelovigen en de voortgang van Gods Koninkrijk. Hij is de bemiddelaar bij de Vader, het hoofd van de Gemeente, de voorbereider van de toekomst en de onderhouder van de schepping. Zijn huidige bediening is erop gericht om Zijn volk te bewaren, te leiden en voor te bereiden op de dag dat Hij terugkeert om Zijn Koninkrijk definitief te vestigen​.

Bruidegom en bruid, wie zijn zij in de Bijbel?

Regelmatig lees ik iets waarvan ik denk “dat had ik zelf niet duidelijker kunnen formuleren”. Als ik de website Alleen Geloof bekijk heb ik dat eigenlijk best vaak.  Sylvia heeft de gave om eenvoudig maar toch heel duidelijk Bijbelse waarheid uit te leggen. Vandaar herplaats ik het hier, me realiserend dat dit één van de punten is waar veel misverstanden over bestaan, en waar ook verkeerde verwachtingen over leven. “Na de opname van de Gemeente de wereld verdrukking, en wij een bruiloft” bijvoorbeeld. Ook wordt de Gemeente van Jezus Christus wel “bruidsgemeente” genoemd.

Hoe zit het nou?

Op de dag van het huwelijk worden man en vrouw, bruidegom en bruid genoemd. In de Bijbel komen de begrippen bruidegom en bruid ook voor, maar hebben daar natuurlijk een veel diepere betekenis. De Bruidegom is namelijk Christus, samen met Zijn Lichaam, de Gemeente. De Bruid is het Volk Israël.

Die de Bruid heeft, is de Bruidegom

Johannes 3
26 En zij kwamen tot Johannes (Johannes de Doper), en zeiden tot hem (de Heere Jezus): Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.
27 Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit den hemel niet gegeven zij.
28 Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben. (de wegbereider)
29 Die de bruid heeft (het Volk Israël)is de bruidegom (de Heere Jezus Christus inclusief Zijn Lichaam, de Gemeente), maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. (Johannes de Doper is de vriend van de Bruidegom)
30 Hij (Christus, de Bruidegom) moet wassen (= groeien; volgroeien), maar ik minder worden. (= het gaat helemaal niet om mij, maar alleen om de Heere Jezus Christus)
31 Die van boven komt, is boven allen (Christus, de Bruidegom); die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen.

De Bruidegom Die uit de Hemel komt

De Bruidegom is de Zoon des Mensen, die de Christus blijkt te zijn. Hij is uit de Hemel gekomen, en de bedoeling was dat Hij een Bruiloft zou vieren met Zijn Bruid. Er is in Johannes 3 (bovenstaand) de Bruidegom en de Bruid en de vriend van de Bruidegom. Uit dit verband blijkt duidelijk dat de Bruidegom de Christus is. Johannes de Doper zegt immers: ‘Ik ben de Christus niet. Die de Bruid heeft, is de Bruidegom’. De vriend van de Bruidegom is Johannes de Doper, Zijn voorloper. De Heere Jezus is gekomen om Zijn Volk Zalig te maken. ‘Zaligmaken’ betekent redden, ofwel verlossen. Hij zou haar verlossen van haar zonden. Hij zou haar verlossen van het Oude Verbond der Wet. Dat was de taak die de Heere Jezus had gekregen. Israël zou Zijn Bruid zijn. (zie ook de studie ‘het Bijbelse huwelijk’)

Galaten 4
4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw (het Joodse Volk; Maria), geworden onder de wet;
5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren (het Joodse Volk), verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen aanstelling tot zonen verkrijgen zouden.

Mattheüs 18
11 Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken (te redden; te verlossen), dat verloren was. (door zonden)

Ze heeft Hem niet aangenomen

Johannes 1
11 Hij is gekomen tot het Zijne (het Volk Israël), en de Zijnen (die behoorden tot het Volk) hebben Hem niet aangenomen. (= geloofd)

Het Woord van God ‘daalde af’, en kwam in de handen van Mozes. God gaf, bij de Sinaï, Zijn Woord. Bij de Sinaï heeft de Heere Zijn Bruid ondertrouwd. Als Volk Israël hebben ‘de Zijnen’ dit Woord niet aangenomen, ofwel niet geloofd. Het Volk was Zijn Eigendom, maar zij heeft Zijn Woord altijd tegengesproken. Vanaf het begin was Israël de Heere ontrouw, hoewel zij Zijn Vrouw was. (zie ook de studie ‘Het Bijbelse huwelijk‘)

Ondertrouw

Jeremia 2
1 En des HEEREN woord geschiedde tot mij (= profeet Jeremia), zeggende:
2 Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.

Huwelijksverbond

Ezechiël 16
8 Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne (liefdestijd); zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u (= de Heere deed een Belofte dat Hij voor haar zou zorgen, als zij Hem zou dienen en zou volgen)en kwam met u in een verbond (het Huwelijksverbond)spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne.

Het Volk Israël was Zijn Eigendom

Jeremia 2
31 O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?
32 Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen (de versiering; trouwjurk)(er had een bruiloft op aarde gekomen, als het Volk Israël zich had laten versieren tot Bruid) Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal.

Mogen de mede-erfgenamen niet eten?

Lukas 5
33 En zij (Schriftgeleerden, en de Farizeën) zeiden tot Hem (de Heere Jezus): Waarom vasten de discipelen van Johannes (de Doper) dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der Farizeën, maar de Uwe (de twaalf discipelen van de Heere Jezus) eten en drinken?
34 Doch Hij (de Heere Jezus) zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen (zonen), terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten? (een bruiloft is immers een feest!)
35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij (de discipelen; Juda) vasten in die dagen. (de Bruidegom zal er dus ook een tijd niet zijn, dan is er tijd voor rouw en vasten)

Symboliek

Ook deze verzen bevatten symboliek; er zit een geestelijke Waarheid achter. Zoals bij alle gebeurtenissen uit de Bijbel. De volgelingen van Johannes de Doper, en de volgelingen van de Farizeeën, handelden toen nog vanuit de leefregel van het Oude Verbond der Wet. De volgelingen van de Heere Jezus, die eten en drinken, omdat zij nu al handelen vanuit de vrijheid van het Nieuwe Verbond der Genade. (Het vasten was overigens niet eens een voorgeschreven in de Wet van Mozes; leidslieden hadden dit zélf ingesteld om God daar, zogenaamd, mee te behagen). De Heere Jezus zegt: ‘kun je de zonen van de Bruiloftszaal laten vasten? Mogen de zonen, ofwel de mede-erfgenamen, van de Bruidegom niet eten?’

Onzienlijke Christus

Johannes 3
35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen.

Momenteel is er geen bruiloftsfeest. Er is geen blijdschap, geen vreugde, geen feest. Wij weten dat de Bruidegom in Zijn Hemelvaart naar de Hemel is vertrokken. Hij is onzichtbaar voor de wereld, en voor Israël. Wel woont de onzienlijke Christus, ofwel de Heilige Geest, in de harten van de gelovigen. Met gelovige ogen zien wij – de Gemeente – Hem aan de Rechterhand van de Vader. De Bruidegom is dus niet meer in het midden van Zijn Bruid, het Volk Israël. De Bruid heeft Hem afgewezen. ‘De Zijnen hebben Hem niet aangenomen’. Alle stammen zijn in de verstrooiing, ofwel de ballingschap, terecht gekomen. Daar past inderdaad verdriet, en rouw, en vasten bij.

Het Koninkrijk der Hemelen is als een Bruiloft

Het Nieuwe Verbond der Genade is, na de Opstanding van de Christus, wel gepredikt, maar het Volk heeft de Nieuwe Bruidegom niet aanvaard. In Mattheüs 21 wordt het Koninkrijk der Hemelen vergeleken met een Bruiloft, die een Koning voor Zijn Zoon bereidde. De genodigden (het Joodse Volk) wilden echter niet komen, en hadden allerlei excuses. Pas in de dagen van de Wederkomst van Christus zullen zij de Bruiloft binnengaan.

Mattheüs 22
2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning (God de Vader), die zijn zoon (Christus) een bruiloft bereid had;
3 En zond zijn dienstknechten uit, om de genoden (genodigden; het Joodse Volk) ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen. (de Zijnen hebben Hem niet aangenomen)

Een Nieuw Verbond; een Nieuw Huwelijk

De Bruidegom is Christus, de Bruid is Israël, en het is niet tot een Bruiloft gekomen. Het Nieuwe Verbond der Genade is wel gekomen, maar de Vrouw was niet bereid. Er is dus geen nieuw huwelijk, geen relatie, ontstaan. De Heere houdt Zich echter altijd aan Zijn Beloften. Ook de Beloften Die Hij aan Zijn Volk Israël gedaan heeft. Hij zal Zijn Volk niet vergeten. Er komt in de toekomst een Nieuw Verbond tussen de Bruidegom en de Bruid. Er komt weer vreugde en blijdschap. In het verleden is er verwoesting en verstoring geweest in het Land Israël, en dit zal in de (nabije) toekomst wéér zo zijn.

De Grote Verdrukking over Israël

Israël gaat namelijk eerst door de grote Verdrukking, er komt een oordeel over het Volk (zie ook de studie ‘Mattheüs 24 ‘en ‘De 70e Jaarweek’) Daarna zal de Heere terugkomen op aarde. De vijanden zullen dan vertrekken en de verstrooide stammen zullen terugkeren naar het Land van de Heere. Er komt een terugverzameling van alle stammen uit de ballingschap. Dan zal er een Bruiloft zijn. Zijn Bruid zal, in de toekomst, onder het Nieuwe (Huwelijks-)Verbond leven.

Mattheüs 24
Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking (de grote Verdrukking over Israël), en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil (het is een oordeel van de Heere).

LEES VERDER IN DE PDF BRUIDEGOM EN BRUID; CHRISTUS EN ISRAËL- pdf
Geverifieerd door MonsterInsights