Het tempelvisioen uit Ezechiel 47

De levengevende stroom

Door C.I. Scofield

Ezechiël 47:1-12

De indeling

De bron van de rivier
Ezechiël 47:1-2 — Alle zegen vloeit voort uit het altaar.

De grootte van de rivier
Ezechiël 47:3-5.

De kracht van de rivier
Ezechiël 47:6-12.

Ezechiël 47 beschrijft een wonderlijke rivier die uitgaat van de tempel en leven brengt waar zij komt. Dit gedeelte wordt vaak vergeestelijkt alsof het alleen zou gaan over de verbreiding van het Evangelie. Maar de tekst zelf spreekt concreet over Jeruzalem, de tempel, het land en de zeeën. Tegelijk ligt er een rijke toepassing in op het werk van de Heilige Geest: wandel, gebed, dienst en volheid.

De levengevende stroom
De levengevende stroom

De kern van de les

Misschien is er geen gedeelte uit de profetische Schriften dat meer uit zijn juiste en ware betekenis is getrokken dan dit gedeelte. Door de meeste uitleggers is het opgevat als een symbool van de verbreiding van het Evangelie: een stroom die steeds breder en dieper wordt, totdat uiteindelijk de hele wereld bekeerd is.

Maar tegen deze uitleg zijn drie bezwaren in te brengen.

Ten eerste leert de Schrift niet dat de hele wereld door de prediking van het Evangelie bekeerd zal worden. Zij leert eerder dat deze tegenwoordige eeuw gekenmerkt wordt door het uitroepen van een volk voor Zijn Naam, dat de Gemeente vormt, die Zijn lichaam is.

Ten tweede maken andere Schriftgedeelten duidelijk dat deze rivier een letterlijke rivier zal zijn, die uitgaat van de tempel die in Jeruzalem gebouwd zal worden na het herstel van de Joden. Zie Zacharia 14:8 en Openbaring 22:1.

Ten derde zijn de zeeën waarheen deze rivier zal stromen de Dode Zee en de Middellandse Zee, hoewel vooral de Dode Zee op de voorgrond staat. Zulke geografische aanduidingen zijn te wezenlijk onderdeel van het verhaal om ze terzijde te schuiven vanwege de noodzaak van een fantasierijke uitleg.

Men zal zich herinneren dat in verband met het oordeel over de volken en de terugkeer van de Heere ingrijpende veranderingen worden voorzegd in het gebied rond Jeruzalem:

“En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.” Zacharia 14:4 (STV)

En:

“Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats.” Zacharia 14:10 (STV)

Vreemd eigenlijk dat dit ongeloofwaardig zou lijken voor een generatie die gezien heeft hoe Krakatau door een uitbarsting van binnenuit als het ware tot stof werd weggeblazen, en hoe een heel land verwoest werd door de uitbarsting van de Mont Pelée. Waarom zou een kleine heuvel als de Olijfberg niet in tweeën gespleten kunnen worden? Waarom zou de God Die water uit een rots in de woestijn deed voortkomen, geen rivier uit de berg Moria kunnen doen uitgaan?

Tot zover de uitleg. Maar uitleg en toepassing zijn twee verschillende dingen. De Bergrede moet worden uitgelegd met het oog op het toekomstige Koninkrijk, maar het blijft altijd waar dat de zachtmoedigen gelukkig zijn, en dat de reinen van hart God zullen zien.

Zo kan er ook heel goed een toepassing zijn van Ezechiëls rivier op het werk van de Heilige Geest in deze tijd. Water is immers een beeld van zowel de Geest als het Woord, en Christus gebruikt “stromen des levenden waters” om het werk van de Geest met en na Pinksteren te illustreren.

De enkels spreken van de wandel en doen denken aan “wandelen door de Geest”. De rechtvaardigheid van de wet wordt vervuld in ons, “die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.” Romeinen 8:4 (STV)

En opnieuw:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)

De knieën doen denken aan gebed. Wij worden eraan herinnerd dat het bijzonder voorrecht van de christen is om “in den Geest” te bidden. Misschien is er geen grotere nood dan deze: dat wij ophouden te bidden vanuit de sfeer van onze eigen wil of verlangens, en leren onszelf over te geven aan de Geest, opdat Hij door ons bidt.

De lendenen spreken vervolgens van dienst. Geen waarheid voor deze bedeling staat helderder vast dan deze: alle vruchtbare en aanvaardbare dienst moet plaatsvinden in de kracht van de Geest. Zelfs de apostelen van onze Heere — mannen die drie jaar lang onder Zijn persoonlijke onderwijs hadden gestaan en aan wie Hij na Zijn opstanding veertig dagen lang onderwijs had gegeven over de dingen van het Koninkrijk — mochten hun grote zending niet beginnen voordat zij bekleed waren met kracht uit de hoogte. Hoe aanmatigend is het dan als wij denken te kunnen dienen buiten de kracht van de Geest om.

“Wateren om in te zwemmen” spreken van de Goddelijke volheid die voor ons beschikbaar is.

Maar misschien ligt de kern van deze les in die ene uitzondering op de genezende kracht van het water:

“Doch zijn modderige plaatsen en zijn moerassen zullen niet gezond worden; zij zijn tot zout overgegeven.” Ezechiël 47:11 (STV)

De uitleg daarvan is uiteraard letterlijk, maar de toepassing ligt voor de hand. Een modderige plaats en een moeras zijn plekken waar al veel water gekomen is — maar tevergeefs. De modderige plaats heeft het water veranderd in slijk, en het moeras in een onbebouwbare poel: een plaats van bedorven lucht en ziekte.

Dat is een treffend beeld van iemand op wie de overtuigende en dringende werking van de Geest tevergeefs is gekomen.

“Want de aarde, die den regen menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook bebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.” Hebreeën 6:7-8 (STV)

Kan de Heer op elk moment komen? De opname van de Gemeente

Over de opname van de Gemeente

Door C.I. Scofield

Niemand ontkent dat de Schriften leren dat Christus op enig moment voor de tweede keer zal komen. Zelfs de kerk heeft, ook in haar slechtste toestand, nooit opgehouden om in haar belijdenissen ten minste van die waarheid getuigenis af te leggen.

Maar over twee vragen — de wijze waarop Hij terugkomt en het tijdstip van Zijn terugkeer — zijn de laatste tijd grote verschillen in leer ontstaan.

Op de vraag naar de wijze van de tweede komst van onze Heer wil ik hier niet ingaan. Ik wil alleen licht zoeken in de Schrift over de vraag naar het tijdstip van die komst. En zelfs daarin zal ik slechts dat aspect van Zijn komst behandelen dat door de apostel Paulus is geopenbaard.

Aandachtige studenten van het Woord weten dat aan de apostel van de heidenen een geheel van openbaring over de Gemeente is toevertrouwd. Het Oude Testament weet niets van de Gemeente, al is er wel ruimte voor gelaten. Onze Heer heeft niet méér gedaan dan aankondigen dat Hij haar zou bouwen. Afgezien van de geschriften die de Geest door Paulus gegeven heeft, zouden wij praktisch niets weten van de verborgenheid van de “Gemeente, welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult”.

Maar door deze geschriften zijn wij gezegend met een volledige en heldere openbaring over de Gemeente: haar oorsprong, werkwijze, verhoudingen, roeping en bestemming. Het is duidelijk dat een geïnspireerde beschrijving van de Gemeente, waarin niet wordt verteld wat het einde van haar aardse pelgrimsreis zal zijn, in dat opzicht tekort zou schieten.

Daarom hebben wij in twee opmerkelijke gedeelten in de brieven die door Paulus geschreven zijn, een beknopte maar bevredigende profetie over dat einde.

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.” “Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; in een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.” 1 Korinthe 15:22–23, 51–52 (STV)

“Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” 1 Thessalonicenzen 4:13–17 (STV)

Over deze gebeurtenis, en alleen over deze gebeurtenis, gaat dit artikel.

Wij weten heel goed dat er een grote hoeveelheid profetie is die spreekt over de terugkeer van Christus naar de aarde, in verband met de oprichting van het Messiaanse Koninkrijk, het hervatten van Gods handelen met Israël en de zegen voor de hele wereld.

Maar de komst waarover de aangehaalde gedeelten spreken, is niet een komst naar de aarde, maar een komst in “de lucht”. Deze komst vestigt niets op aarde, maar neemt een volk weg van de aarde.

De wederkomst van de Heer in de lucht voor de Gemeente is daarom niet dat aspect van de tweede komst waarover de oudtestamentische profeten spreken, bijvoorbeeld Zacharia 14:1–9. Het is ook niet dat aspect van Zijn komst waarover onze Heer sprak in de rede op de Olijfberg en in Zijn eschatologische gelijkenissen.

Het is een onderdeel van wat Paulus “mijn Evangelie” noemt: een onderdeel van de waarheid over de Gemeente.

Nu stel ik de vraag: kan de komst van de Heere in de lucht voor de Gemeente op elk moment plaatsvinden?

Mijn antwoord is: ja. En wel om twee redenen.

Kan de Heere elk moment komen?

Geen voorzegde gebeurtenis hoeft nog vervuld te worden

Er is geen enkele voorzegde gebeurtenis die nog vervuld móét worden vóór deze komst.

Soms wordt gezegd dat onze Heere een tussenliggende voorwaarde heeft genoemd toen Hij zei:

“En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.” Mattheüs 24:14 (STV)

Men werpt dan tegen dat dit nog niet is gebeurd.

Daarop antwoord ik het volgende.

Met “het einde” bedoelt onze Heer niet Zijn nederdaling in de lucht voor Zijn Gemeente, maar “de voleinding der wereld”, of beter: de voleinding van de eeuw, waarover de discipelen Hem gevraagd hadden in Mattheüs 24:3.

Verder is de Gemeente niet gesteld om het “Evangelie des Koninkrijks” te prediken, maar “het Evangelie der genade Gods”.

Ook zal er tijdens de verdrukking een wereldwijde prediking van het Koninkrijk plaatsvinden door het Joodse overblijfsel. Zie Openbaring 6:9–11, Openbaring 7:13–14 en Zacharia 8:23.

Verder wordt gezegd dat de Heer niet terugkomt voordat het duizendjarige rijk voorbij is.

Tegen deze tegenwerping is het voldoende te zeggen dat de gelijkenis van het tarwe en het onkruid, de gelijkenis van de edelman die naar een ver land reisde, en de beschrijvingen van het verloop van deze eeuw allemaal de mogelijkheid uitsluiten van een millennium vóór de terugkeer van de Heere in heerlijkheid naar de aarde. Zie Mattheüs 13:24–30, 36–43; Lukas 19:11–14; Mattheüs 24:6–14 en 2 Thessalonicenzen 1:3–10.

En omdat de nederdaling van de Heere in de lucht vooraf moet gaan aan Zijn terugkeer in heerlijkheid naar de aarde, is het duidelijk dat er vóór die laatste gebeurtenis onmogelijk een millennium kan plaatsvinden.

Anderen stellen dat de grote verdrukking eerst moet verlopen voordat de Gemeente kan worden opgenomen.

Daarop antwoord ik het volgende.

Er is een uitdrukkelijke belofte dat de ware Gemeente bewaard zal worden

“uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen”. Openbaring 3:10 (STV)

Verder wordt de Gemeente, priesterlijk en koninklijk, gezien in de personen van de ouderlingen in de hemel vóórdat de gebeurtenissen die de grote verdrukking vormen op aarde beginnen plaats te vinden. Deze ouderlingen worden gezien in Openbaring 4, dus vóórdat de eerste reeks oordelen — de zegeloordelen — begint. En zelfs die bereiden de verdrukking slechts voor.

Ook bevestigen alle typen deze zienswijze. Sodom kon niet worden verwoest voordat Lot eruit was weggenomen, enzovoort.

 

De houding van de gelovige is: verwachten

In de brieven van Paulus, die als enige ons rechtstreeks spreekt over de opname van de Gemeente, is de kenmerkende houding van de gelovige: verwachten.

Niet het verwachten van het Koninkrijk.

Niet het verwachten van de grote verdrukking.

Maar het verwachten van

“Zijn Zoon uit de hemelen, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus”. 1 Thessalonicenzen 1:10 (STV)

En ook:

“Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus.” Titus 2:13 (STV)

Daarom beantwoorden wij de vraag: “Kan de Heere op elk moment komen?” bevestigend.

Ja, Hij kan en zal komen.

En wanneer wij om ons heen kijken, worden wij er zeker toe gedrongen om het laatste gebed van de Schrift mee te bidden:

“Ja, kom, Heere Jezus!” Openbaring 22:20 (STV)

Zie ook:

De gebeurtenissen rond de Grote Verdrukking #1 de Opname van de Gemeente – Bijbelse basis

De gebeurtenissen rond de Grote Verdrukking #2 Verdrukking – Bijbelse basis

De verborgenheid van de Gemeente – Bijbelse basis

Extern:

opname » Bijbels Panorama

Geverifieerd door MonsterInsights