De Galilese bruiloft ontmaskerd: Bijbelse achtergrond of moderne mythe?

Hoe een moderne mythe tot Bijbelse waarheid werd verheven

De ‘Galilese bruiloft’ is in korte tijd een populair verhaal geworden in evangelische en profetisch georiënteerde kringen. Volgens deze leer zouden allerlei woorden van de Here Jezus over Zijn wederkomst rechtstreeks verwijzen naar een bijzonder Galilees huwelijksritueel. Johannes 14, “dag en uur”, de tien maagden, de beker, de bazuin en zelfs de opname van de Gemeente zouden pas echt duidelijk worden wanneer we deze Galilese bruiloft kennen.

Het klinkt indrukwekkend. Het past bijna verdacht mooi.

Er is alleen één probleem.

Waar is het historische bewijs dat deze specifieke ‘Galilese bruiloft’ in de eerste eeuw zo bestond?

Wanneer iets vanaf de kansel wordt gepresenteerd als historische achtergrond bij Gods Woord, mag je verwachten dat die geschiedenis ook historisch aantoonbaar is.

En daar begint het verhaal behoorlijk te kraken.

 de 'joodse'of 'galilese'bruiloftsmythe
de ‘Joodse’ of ‘Galilese’ bruiloftsmythe

Wat is het verhaal van de Galilese bruiloft?

Het populaire verhaal gaat ongeveer als volgt.

Een Galilese bruidegom zou zijn toekomstige bruid een beker wijn hebben aangeboden. Wanneer zij daarvan dronk, aanvaardde zij zijn huwelijksaanzoek. Vervolgens vertrok de bruidegom naar het huis van zijn vader om daar een plaats voor haar gereed te maken.

Wanneer hij terug mocht komen, wist hij niet.

Alleen zijn vader bepaalde dag en uur.

De bruid moest daarom voortdurend gereed zijn. Op een onverwacht moment, vaak ’s nachts, gaf de vader zijn zoon toestemming. Onder bazuingeschal kwam de bruidegom zijn bruid halen. Zij werd als het ware “weggerukt” en naar het huis van de vader gebracht. Daar volgde een zeven dagen durend bruiloftsfeest.

Klinkt bekend?

Natuurlijk.

Johannes 14. Mattheüs 24. Mattheüs 25. De opname. Het huis van de Vader. “Dag en uur”. De bazuin. De bruidegom. En uiteindelijk zelfs de zeven jaren van Daniëls zeventigste week.

Alles lijkt ineens in elkaar te passen.

Misschien wel iets té mooi.

Is er historisch bewijs voor de Galilese bruiloft?

Laten we één misverstand meteen voorkomen. Niemand hoeft te ontkennen dat er in het Jodendom verlovingen, huwelijksovereenkomsten, bruidsschatten, bruidegoms, bruiden, huwelijksprocessies en bruiloftsfeesten waren.

Natuurlijk waren die er.

Ook konden regionale verschillen in gebruiken bestaan.

Maar dat is niet de kwestie.

De vraag is of dit complete en zeer specifieke scenario van de zogenaamde Galilese bruiloft historisch aantoonbaar is.

Het artikel De Galilese bruiloft: een moderne mythe doorgeprikt heeft dat onderzocht en wijst erop dat de cruciale onderdelen van het moderne verhaal niet als één specifiek Galilees huwelijksritueel uit de oude bronnen naar voren komen. Het verhaal lijkt vooral in recente decennia grote bekendheid te hebben gekregen en werd onder andere via predikers, boeken en de film Before the Wrath populair.

Dat betekent niet automatisch dat ieder afzonderlijk detail onmogelijk is.

Het betekent iets anders, en dat is belangrijk:

De complete reconstructie mag niet als bewezen historische werkelijkheid worden gepresenteerd wanneer het bewijs daarvoor ontbreekt.

De Galilese bruiloft en Johannes 14

Hier wordt het echt interessant.

De Here Jezus zegt:

“In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.” (Johannes 14:2-3, STV)

Vervolgens redeneert men ongeveer zo:

Zie je wel? Een Galilese bruidegom ging na zijn verloving naar het huis van zijn vader om daar een plaats voor zijn bruid gereed te maken. Daarom gebruikt Jezus hier de taal van een Galilese bruiloft.

Maar ho even.

Hoe weten we eigenlijk dat die Galilese bruidegom dat precies zo deed?

Als het antwoord uiteindelijk mede uit Johannes 14 wordt afgeleid, hebben we een probleem.

Want dan gebeurt dit:

Johannes 14 wordt gebruikt om de historische gewoonte te reconstrueren.

Vervolgens wordt die gereconstrueerde gewoonte gebruikt om Johannes 14 te verklaren.

En daarna wordt vanaf de kansel gezegd:

“Om Johannes 14 goed te begrijpen, moet u weten hoe een Galilese bruiloft verliep…”

NEE dus.

Dat is een cirkelredenering.

De Bijbeltekst heeft dan eerst de zogenaamde historische achtergrond geleverd, waarna diezelfde “historische achtergrond” wordt gebruikt om te bewijzen wat de Bijbeltekst zou betekenen.

Dat klinkt geleerd.

Maar geleerd klinken en iets bewijzen zijn twee verschillende dingen.

“Dag en uur weet niemand”: was dat echt een huwelijksgebruik?

Hetzelfde gebeurt met deze bekende uitspraak:

“Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.” (Mattheüs 24:36, STV)

Volgens het verhaal over de ‘Galilese bruiloft’ was dit typische huwelijkstaal.

De bruidegom zou wel voorbereidingen treffen, maar uiteindelijk bepaalde alleen zijn vader wanneer alles gereed was en wanneer hij zijn bruid mocht ophalen.

Dat levert natuurlijk een schitterende preek op.

Maar opnieuw dezelfde vervelende vraag:

Waar staat in een onafhankelijke historische bron uit of rond die periode dat dit inderdaad een specifiek Galilees huwelijksgebruik was?

Mattheüs 24:36 kan daarvoor niet zelf als bewijs dienen.

Want dan zeggen we eigenlijk:

“Wij weten dat Jezus naar een Galilees huwelijksgebruik verwijst omdat Galilese bruidegoms dit deden. En wij weten dat Galilese bruidegoms dit deden omdat Jezus dit zegt.”

Zie je het probleem?

De slang bijt zichzelf in de staart.

De beker wijn en het vermeende huwelijksaanzoek

Ook de beker krijgt in het verhaal een prachtige betekenis.

De bruidegom zou een beker wijn aan het meisje hebben aangeboden. Wanneer zij ervan dronk, accepteerde zij hem als bruidegom.

Daarna wordt een verbinding gelegd met het laatste avondmaal.

Maar waarom zouden we een gereconstrueerd huwelijksritueel nodig hebben wanneer de Here Jezus Zelf vertelt wat de beker betekent?

“Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.” (Mattheüs 26:28, STV)

Dat is nogal duidelijk.

Christus zegt niet:

Dit is de beker waarmee een Galilese bruid haar bruidegom aanvaardt.

Hij spreekt over Zijn bloed in het Nieuwe Testament.

Waarom zouden wij vervolgens een vermeende huwelijksbetekenis over de tekst heen leggen terwijl de Here Jezus Zelf de betekenis geeft?

Dat maakt de tekst niet rijker.

Het leidt de aandacht juist weg van wat Christus Zelf zegt.

De tien maagden en de Galilese bruiloft

Dan Mattheüs 25.

Er is een bruidegom.

Er zijn lampen.

Er wordt gewacht.

De bruidegom blijft langer weg dan verwacht.

En uiteindelijk klinkt midden in de nacht de roep:

“En als de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap. En te middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!” (Mattheüs 25:5-6, STV)

En daar komt de Galilese bruiloft weer tevoorschijn.

“Zie je wel! De bruidegom kwam onverwachts midden in de nacht. Precies zoals bij een Galilese bruiloft!”

Maar we weten dat de bruidegom in deze gelijkenis onverwacht komt omdat…

de Here Jezus dat Zelf vertelt.

We hebben geen romantische allegorie nodig om dat te ontdekken.

We hebben geen gereconstrueerd Galilees huwelijksritueel nodig.

Christus geeft zelfs Zelf de toepassing:

“Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal.” (Mattheüs 25:13, STV)

Daar staat de boodschap.

Gewoon in de tekst.

De Galilese bruiloft en de opname van de Gemeente

Het verhaal wordt dan nog spectaculairder wanneer de bruid wordt opgehaald.

In sommige versies van de reconstructie wordt zij zelfs gedragen of opgetild. En dan ligt de verbinding met de opname natuurlijk voor het grijpen.

Maar ook daarvoor hebben we die ‘Galilese bruiloft’ helemaal niet nodig.

Paulus schrijft:

“Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” (1 Thessalonicenzen 4:17, STV)

Daar staat het.

De opname van de Gemeente hoeft niet bewezen te worden met een dubieus huwelijksverhaal.

Sterker nog: wie een Bijbelse leer afhankelijk maakt van historisch onbewezen folklore, maakt die leer alleen maar onnodig kwetsbaar.

Wanneer iemand vervolgens aantoont dat de vermeende achtergrond niet bewezen kan worden, lijkt het alsof daarmee ook de opname onderuitgaat.

Helemaal niet.

De opname staat in de Schrift.

Dat is genoeg.

Zeven dagen bruiloft = zeven jaar verdrukking?

En dan wordt er nog een stap gezet.

Het bruiloftsfeest zou zeven dagen duren.

De zeventigste week van Daniël omvat zeven jaren.

Dus terwijl Gods oordelen over de aarde gaan, bevindt de Gemeente zich als bruid gedurende zeven jaren bij haar Bruidegom.

Opnieuw: het klinkt prachtig.

Maar een overeenkomst tussen twee getallen is nog geen door God gegeven typologie.

Waar legt de Schrift deze verbinding?

Je kunt niet twee zevens naast elkaar leggen en vervolgens zeggen dat God daarmee een profetisch patroon heeft geopenbaard.

Dat is precies hoe speculatieve Bijbeluitleg ontstaat.

Eerst ziet iemand een overeenkomst.

Dan wordt de overeenkomst een mogelijkheid.

De mogelijkheid wordt een uitleg.

De uitleg wordt een leer.

En een generatie later wordt vanaf de kansel verteld:

“De Joden in de tijd van Jezus wisten dit allemaal…”

Ho eens even.

Waar is het bewijs?

Het gevaarlijke zinnetje: “In de tijd van Jezus…”

Daar moeten we ontzettend voorzichtig mee zijn.

“In de tijd van Jezus…”

“Bij de Joden was het gebruikelijk…”

“Een Galilese bruidegom deed…”

“De rabbijnen leerden…”

“De discipelen zouden onmiddellijk hebben begrepen…”

Het klinkt allemaal indrukwekkend.

Maar bron graag?

Welke Joden?

Welke rabbijn?

Welke periode?

Welke tekst?

Welke archeologische vondst?

Welke primaire bron?

En vooral:

komt die bron werkelijk uit of rond de tijd van het Nieuwe Testament, of wordt een veel latere traditie teruggeprojecteerd naar de eerste eeuw?

Dat zijn geen twistvragen. Geen moeilijkdoenerij om het moeilijk doen.

Dat is gewoon verantwoord omgaan met geschiedenis.

En zeker wanneer die geschiedenis vervolgens gebruikt wordt om Gods Woord uit te leggen, mogen we daarin bijzonder zorgvuldig zijn.

Waarom ‘de Galilese bruiloft’ zo overtuigend klinkt

Misschien is dit wel het meest verraderlijke aspect van het hele verhaal.

De moderne reconstructie van de Galilese bruiloft lijkt bijna te perfect op een bepaald profetisch schema.

De beker past.

Het huis van de vader past.

De voorbereide plaats past.

Alleen de vader kent het moment.

Het onverwachte vertrek past.

De nacht past.

De lampen passen.

De bazuin past.

Het ophalen van de bruid past.

Het “wegrukken” past.

De zeven dagen passen.

De opname past.

De zevenjarige verdrukking past.

Werkelijk alles past.

Maar wanneer vervolgens wordt gevraagd naar onafhankelijke oude bronnen voor precies die keten van gebruiken, wordt het ineens een stuk lastiger.

En dan dringt zich een heel andere mogelijkheid op.

Misschien heeft men niet vanuit een oude Galilese bruiloft het Nieuwe Testament leren begrijpen.

Misschien heeft men uit verschillende nieuwtestamentische teksten een Galilese bruiloft gereconstrueerd.

En vervolgens wordt die reconstructie weer gebruikt om precies diezelfde teksten te verklaren.

Dat is het werkelijke probleem.

Ook Jay McCarl lost dat probleem niet zomaar op

Jay McCarl heeft belangrijk bijgedragen aan de verspreiding van deze voorstelling en heeft zijn bronnen en onderzoeksmethode uitvoerig verdedigd.

Het zou daarom te gemakkelijk zijn om simpelweg te roepen:

“Er zijn helemaal geen bronnen!”

Daar gaat de kritiek niet over.

De cruciale vraag is veel specifieker:

Welke onafhankelijke historische bronnen bewijzen dat juist deze complete verzameling gebruiken kenmerkend was voor een Galilese bruiloft in de tijd van de Here Jezus?

Want zodra Johannes 14, Mattheüs 24 en Mattheüs 25 mede worden gebruikt om het huwelijksgebruik te reconstrueren, kunnen diezelfde gereconstrueerde gebruiken niet vervolgens als onafhankelijk bewijs dienen om Johannes 14, Mattheüs 24 en Mattheüs 25 te verklaren.

Dan blijft het een cirkelredenering.

Hoeveel voetnoten je er vervolgens ook onder zet.

Geen aanval op de opname

Voor alle duidelijkheid: kritiek op het verhaal van de ‘Galilese bruiloft’ is géén aanval op de opname van de Gemeente.

Integendeel.

We hebben dat verhaal daarvoor helemaal niet nodig.

Paulus schrijft:

“Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” (1 Thessalonicenzen 4:16-17, STV)

Dát is de bron.

Niet een YouTube-filmpje.

Niet een spectaculaire documentaire.

Niet Before the Wrath.

Niet een moderne reconstructie van een Galilees huwelijk.

En ook niet een bijdehandte spreker die beweert precies te weten wat iedere Galileeër tweeduizend jaar geleden onmiddellijk zou hebben begrepen.

Gods Woord.

Toets de Galilese bruiloft aan Schrift én geschiedenis

Wanneer iemand ‘de Galilese bruiloft’ presenteert als dé historische sleutel tot Johannes 14, Mattheüs 24, Mattheüs 25 of de opname van de Gemeente, stel dan één eenvoudige vraag:

“Uit welke onafhankelijke historische bron uit of rond de tijd van Jezus blijkt dat deze specifieke Galilese huwelijksgebruiken zo bestonden?”

Niet: welke Bijbeltekst lijkt erop?

Dat is nu juist wat bewezen moet worden.

Niet: welke moderne schrijver zegt het?

Niet: welke documentaire heeft het nagespeeld?

Niet: hoeveel predikers vertellen hetzelfde verhaal?

Welke oude bron?

Als het antwoord uiteindelijk weer Johannes 14, Mattheüs 24, Mattheüs 25 of een moderne reconstructie daarvan blijkt te zijn, zijn we terug waar we begonnen.

Dan verklaart de “historische achtergrond” de Bijbel niet.

Dan heeft de Bijbel eerst de historische achtergrond geproduceerd.

En daarmee stort het kaartenhuis in elkaar.

De ‘Galilese bruiloft’ is daarom een uaansprekende waarschuwing voor iedere Bijbellezer. Niet alles wat als “Joodse achtergrond” wordt gepresenteerd, is daarmee historische werkelijkheid.

Vraag naar de bron.

Vraag naar de datering.

Vraag of de bron werkelijk bewijst wat ermee beweerd wordt.

En wanneer dat bewijs ontbreekt, wees dan niet bang om eenvoudig te zeggen:

Dit weten we niet.

Gods Woord heeft onze verzonnen zekerheden niet nodig.

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat geldt óók voor een verhaal dat duizenden keren is gepreekt, schitterend in een profetisch schema past en inmiddels zo vaak is herhaald dat bijna niemand meer vraagt waar het eigenlijk vandaan komt.

Een vaak herhaalde bewering wordt daarmee nog geen historische waarheid.

 

Bronnen voor verdere controle: De Galilese bruiloft: een moderne mythe doorgeprikt.

Voor de verdediging van de theorie en de gebruikte onderzoeksmethode is Jay McCarl – Galilean Wedding FAQs relevant. Door beide kanten naast elkaar te lezen wordt duidelijk welke vraag uiteindelijk beantwoord moet worden: niet of de reconstructie bij de Bijbelteksten past, maar of deze als specifiek eerste-eeuws Galilees gebruik onafhankelijk historisch aantoonbaar is.

 

Kan de Heer op elk moment komen? De opname van de Gemeente

Over de opname van de Gemeente

Door C.I. Scofield

Niemand ontkent dat de Schriften leren dat Christus op enig moment voor de tweede keer zal komen. Zelfs de kerk heeft, ook in haar slechtste toestand, nooit opgehouden om in haar belijdenissen ten minste van die waarheid getuigenis af te leggen.

Maar over twee vragen — de wijze waarop Hij terugkomt en het tijdstip van Zijn terugkeer — zijn de laatste tijd grote verschillen in leer ontstaan.

Op de vraag naar de wijze van de tweede komst van onze Heer wil ik hier niet ingaan. Ik wil alleen licht zoeken in de Schrift over de vraag naar het tijdstip van die komst. En zelfs daarin zal ik slechts dat aspect van Zijn komst behandelen dat door de apostel Paulus is geopenbaard.

Aandachtige studenten van het Woord weten dat aan de apostel van de heidenen een geheel van openbaring over de Gemeente is toevertrouwd. Het Oude Testament weet niets van de Gemeente, al is er wel ruimte voor gelaten. Onze Heer heeft niet méér gedaan dan aankondigen dat Hij haar zou bouwen. Afgezien van de geschriften die de Geest door Paulus gegeven heeft, zouden wij praktisch niets weten van de verborgenheid van de “Gemeente, welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult”.

Maar door deze geschriften zijn wij gezegend met een volledige en heldere openbaring over de Gemeente: haar oorsprong, werkwijze, verhoudingen, roeping en bestemming. Het is duidelijk dat een geïnspireerde beschrijving van de Gemeente, waarin niet wordt verteld wat het einde van haar aardse pelgrimsreis zal zijn, in dat opzicht tekort zou schieten.

Daarom hebben wij in twee opmerkelijke gedeelten in de brieven die door Paulus geschreven zijn, een beknopte maar bevredigende profetie over dat einde.

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.” “Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; in een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.” 1 Korinthe 15:22–23, 51–52 (STV)

“Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” 1 Thessalonicenzen 4:13–17 (STV)

Over deze gebeurtenis, en alleen over deze gebeurtenis, gaat dit artikel.

Wij weten heel goed dat er een grote hoeveelheid profetie is die spreekt over de terugkeer van Christus naar de aarde, in verband met de oprichting van het Messiaanse Koninkrijk, het hervatten van Gods handelen met Israël en de zegen voor de hele wereld.

Maar de komst waarover de aangehaalde gedeelten spreken, is niet een komst naar de aarde, maar een komst in “de lucht”. Deze komst vestigt niets op aarde, maar neemt een volk weg van de aarde.

De wederkomst van de Heer in de lucht voor de Gemeente is daarom niet dat aspect van de tweede komst waarover de oudtestamentische profeten spreken, bijvoorbeeld Zacharia 14:1–9. Het is ook niet dat aspect van Zijn komst waarover onze Heer sprak in de rede op de Olijfberg en in Zijn eschatologische gelijkenissen.

Het is een onderdeel van wat Paulus “mijn Evangelie” noemt: een onderdeel van de waarheid over de Gemeente.

Nu stel ik de vraag: kan de komst van de Heere in de lucht voor de Gemeente op elk moment plaatsvinden?

Mijn antwoord is: ja. En wel om twee redenen.

Kan de Heere elk moment komen?

Geen voorzegde gebeurtenis hoeft nog vervuld te worden

Er is geen enkele voorzegde gebeurtenis die nog vervuld móét worden vóór deze komst.

Soms wordt gezegd dat onze Heere een tussenliggende voorwaarde heeft genoemd toen Hij zei:

“En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.” Mattheüs 24:14 (STV)

Men werpt dan tegen dat dit nog niet is gebeurd.

Daarop antwoord ik het volgende.

Met “het einde” bedoelt onze Heer niet Zijn nederdaling in de lucht voor Zijn Gemeente, maar “de voleinding der wereld”, of beter: de voleinding van de eeuw, waarover de discipelen Hem gevraagd hadden in Mattheüs 24:3.

Verder is de Gemeente niet gesteld om het “Evangelie des Koninkrijks” te prediken, maar “het Evangelie der genade Gods”.

Ook zal er tijdens de verdrukking een wereldwijde prediking van het Koninkrijk plaatsvinden door het Joodse overblijfsel. Zie Openbaring 6:9–11, Openbaring 7:13–14 en Zacharia 8:23.

Verder wordt gezegd dat de Heer niet terugkomt voordat het duizendjarige rijk voorbij is.

Tegen deze tegenwerping is het voldoende te zeggen dat de gelijkenis van het tarwe en het onkruid, de gelijkenis van de edelman die naar een ver land reisde, en de beschrijvingen van het verloop van deze eeuw allemaal de mogelijkheid uitsluiten van een millennium vóór de terugkeer van de Heere in heerlijkheid naar de aarde. Zie Mattheüs 13:24–30, 36–43; Lukas 19:11–14; Mattheüs 24:6–14 en 2 Thessalonicenzen 1:3–10.

En omdat de nederdaling van de Heere in de lucht vooraf moet gaan aan Zijn terugkeer in heerlijkheid naar de aarde, is het duidelijk dat er vóór die laatste gebeurtenis onmogelijk een millennium kan plaatsvinden.

Anderen stellen dat de grote verdrukking eerst moet verlopen voordat de Gemeente kan worden opgenomen.

Daarop antwoord ik het volgende.

Er is een uitdrukkelijke belofte dat de ware Gemeente bewaard zal worden

“uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen”. Openbaring 3:10 (STV)

Verder wordt de Gemeente, priesterlijk en koninklijk, gezien in de personen van de ouderlingen in de hemel vóórdat de gebeurtenissen die de grote verdrukking vormen op aarde beginnen plaats te vinden. Deze ouderlingen worden gezien in Openbaring 4, dus vóórdat de eerste reeks oordelen — de zegeloordelen — begint. En zelfs die bereiden de verdrukking slechts voor.

Ook bevestigen alle typen deze zienswijze. Sodom kon niet worden verwoest voordat Lot eruit was weggenomen, enzovoort.

 

De houding van de gelovige is: verwachten

In de brieven van Paulus, die als enige ons rechtstreeks spreekt over de opname van de Gemeente, is de kenmerkende houding van de gelovige: verwachten.

Niet het verwachten van het Koninkrijk.

Niet het verwachten van de grote verdrukking.

Maar het verwachten van

“Zijn Zoon uit de hemelen, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus”. 1 Thessalonicenzen 1:10 (STV)

En ook:

“Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus.” Titus 2:13 (STV)

Daarom beantwoorden wij de vraag: “Kan de Heere op elk moment komen?” bevestigend.

Ja, Hij kan en zal komen.

En wanneer wij om ons heen kijken, worden wij er zeker toe gedrongen om het laatste gebed van de Schrift mee te bidden:

“Ja, kom, Heere Jezus!” Openbaring 22:20 (STV)

Zie ook:

De gebeurtenissen rond de Grote Verdrukking #1 de Opname van de Gemeente – Bijbelse basis

De gebeurtenissen rond de Grote Verdrukking #2 Verdrukking – Bijbelse basis

De verborgenheid van de Gemeente – Bijbelse basis

Extern:

opname » Bijbels Panorama

De gebeurtenissen rond de Grote Verdrukking #2 Verdrukking

De Grote Verdrukking

De laatste jaarweek van Daniël uitgelegd

Na de opname van de Gemeente begint een nieuwe fase in Gods profetische plan.

De Bijbel beschrijft deze periode in verband met de laatste jaarweek van Daniël.

Wat aan deze gebeurtenis vooraf gaat zie: de Opname van de Gemeente

De laatste jaarweek van Daniël

De basis staat in Daniël.

“Hij zal velen het verbond versterken één week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden.”
(Daniël 9:27, STV)

De “week” staat hier voor 7 jaar.

Deze periode vormt het profetische kader van de eindtijd.

Twee perioden van 3,5 jaar

Deze zeven jaar worden verdeeld in twee gelijke delen.

Elke periode duurt 3,5 jaar.

De Bijbel gebruikt hiervoor verschillende aanduidingen:

  • een tijd, tijden en een halve tijd

  • 42 maanden

  • 1260 dagen

De eerste 3,5 jaar: schijnvrede

De eerste helft van de jaarweek wordt gekenmerkt door een ogenschijnlijke stabiliteit.

Volgens Daniël wordt er een verbond gesloten.

“Hij zal velen het verbond versterken één week.”
(Daniël 9:27, STV)

Dit suggereert een politieke overeenkomst die waarschijnlijk een vorm van vrede of stabiliteit belooft.

De wereld zal denken dat er eindelijk rust komt.

Paulus beschrijft de sfeer van deze tijd als volgt:

“Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen.”
(1 Thessalonicenzen 5:3, STV)

Ondertussen begint een wereldleider op te staan die later in de Schrift wordt beschreven als de tegenstander van God. In deze eerste periode nemen de spanningen toe en beginnen de eerste oordelen zich te ontvouwen.

Toch is dit nog niet de periode diede Here Jezus de grote verdrukking noemt.

Het keerpunt: de gruwel der verwoesting

Halverwege de zeven jaar vindt een dramatische gebeurtenis plaats.

Jezus verwijst naar deze gebeurtenis.

“Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël den profeet.”
(Mattheüs 24:15, STV)

Dit moment vormt het keerpunt van de periode.

De tweede periode van 3,5 jaar: de Grote Verdrukking

De tweede helft van de zeven jaar is de periode die de Here Jezus de grote verdrukking noemt.

De Bijbel geeft meerdere exacte tijdsaanduidingen voor deze periode.

“En der vrouw werden gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halve tijd.”
(Openbaring 12:14, STV)

Een tijd = 1 jaar
Tijden = 2 jaar
Een halve tijd = 0,5 jaar

Samen 3,5 jaar.

Andere aanduidingen voor dezelfde periode zijn:

  • 42 maanden

  • 1260 dagen

Deze periode wordt gekenmerkt door:

  • wereldwijde vervolging

  • extreme politieke macht van het beest

  • zware oordelen van God

  • ongekende wereldwijde crisis

Het is deze periode die in de Schrift bekend staat als de grote verdrukking.

De focus van deze periode

Daniël maakt duidelijk op wie deze profetie gericht is.

“Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uw heilige stad.”
(Daniël 9:24, STV)

Het gaat primair over:

  • Israël

  • Jeruzalem

Ook Jeremia spreekt hierover.

“Het is een tijd der benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.”
(Jeremia 30:7, STV)

Het einde van de Grote Verdrukking

De periode eindigt met de zichtbare wederkomst van Christus.

“En zij zullen den Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels met grote kracht en heerlijkheid.”
(Mattheüs 24:30, STV)

Dan wordt:

het kwaad geoordeeld

Israël bevrijd

het Messiaanse Koninkrijk gevestigd

Geverifieerd door MonsterInsights