De Ethiopische kamerling en de kostbare boekrol: waarom in Handelingen 8 zoveel details
Een ontmoeting die opvallend gedetailleerd wordt beschreven
Sommige gebeurtenissen in Handelingen worden in enkele zinnen verteld. Maar wanneer Lucas ons in Handelingen 8 meeneemt naar de weg van Jeruzalem naar Gaza, vertraagt het verhaal ineens.
We krijgen opvallend veel details.
Het gaat om een Ethiopiër. Hij is een kamerling. Hij bekleedt een hoge positie aan het hof van Kandacé. Hij beheert haar schatkist. Hij is naar Jeruzalem gereisd om te aanbidden. Hij keert terug naar zijn land. Hij zit in zijn wagen. Hij bezit een boekrol van Jesaja. Hij leest daaruit hardop. Vervolgens wordt zelfs vermeld welk gedeelte hij leest.
Waarom zoveel details?
Juist daardoor wordt zichtbaar dat deze ontmoeting geen toevallige voetnoot in de geschiedenis van de vroege Gemeente is. We zien hier hoe God Zelf ervoor zorgt dat het Evangelie grenzen overgaat.
En midden in deze geschiedenis ligt een boekrol.
de Ethiopische kamerling
Een boekrol kocht je niet even in een winkel
Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat het betekende dat deze man uit Jesaja zat te lezen.
Wij hebben Bijbels in boekenkasten, op onze telefoon en op internet. Wie een Bijbel wil hebben, kan er binnen enkele minuten één bestellen.
Deze Ethiopiër leefde in een totaal andere wereld.
De boekdrukkunst bestond niet. Een Schriftrol moest met de hand worden overgeschreven. En Jesaja is bepaald geen klein Bijbelboek. Een volledige Jesajarol vergde een enorme hoeveelheid schrijfmateriaal en vele uren gespecialiseerd schrijfwerk.
Dat maakte zo’n rol zeer kostbaar.
We moeten daarom voorzichtig zijn met de conclusie dat hij de rol noodzakelijkerwijs tijdens zijn verblijf in Jeruzalem had gekocht; Handelingen vertelt ons niet waar of wanneer hij hem verkregen heeft. Maar één ding blijkt wel uit de tekst: deze hooggeplaatste Afrikaan beschikte over zijn eigen exemplaar van Jesaja.
Dat alleen al zegt iets.
Dit was geen tractaat dat iemand hem onderweg had toegestopt. Hij bezat toegang tot een kostbare handgeschreven tekst van de Hebreeuwse Schrift.
En hij lás hem ook.
Een machtige man die toegeeft dat hij het niet begrijpt
Handelingen vertelt ons:
“En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.” (Handelingen 8:28, STV)
Het antwoord van de kamerling is buitengewoon veelzeggend:
“En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht?” (Handelingen 8:31, STV)
Denk daar eens over na.
Dit is geen onontwikkelde man. Hij beheert de schatkist van een koningin. Hij behoort tot de bestuurlijke elite van zijn land. Hij is bemiddeld genoeg om een kostbare reis te ondernemen en beschikt over een Schriftrol.
Maar tegenover Gods Woord durft deze machtige man eenvoudig te zeggen:
Ik begrijp het niet. Ik heb uitleg nodig.
Dat is geestelijke honger gecombineerd met nederigheid.
En juist naar zo’n man stuurt God iemand die hem de Schrift kan openen.
Van alle gedeelten leest hij uitgerekend Jesaja 53
Dan wordt de geschiedenis nog opmerkelijker.
De man leest niet zomaar ergens in Jesaja. Lucas vertelt ons precies welk gedeelte voor hem ligt:
“De plaats nu der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.” (Handelingen 8:32, STV)
De kamerling zit met de grote vraag die iedere lezer van Jesaja 53 uiteindelijk moet beantwoorden:
Over wie gaat dit?
“En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?” (Handelingen 8:34, STV)
Daar hoeft Filippus niet lang over na te denken.
“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)
Dat ene zinnetje is schitterend.
Hij verkondigde hem Jezus.
De boekrol krijgt als het ware een stem
De Ethiopiër had de tekst.
Filippus wees hem op de Persoon.
Hij had Jesaja kunnen bezitten zonder te begrijpen naar Wie Jesaja wees. Maar nu wordt vanuit dezelfde Schrift Christus verkondigd.
Daarom is deze geschiedenis ook zo belangrijk voor ons verstaan van het Oude Testament. Filippus legt Christus niet kunstmatig over Jesaja heen. Hij begint bij de tekst die de man voor zich heeft en komt uit bij Jezus.
Jesaja had geschreven:
“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)
Eeuwen later zit een Afrikaanse hoogwaardigheidsbekleder met diezelfde profetie op zijn schoot.
En midden op een woestijnweg hoort hij Wie dat Lam is.
Waarom haalt God Filippus weg bij een menigte?
Er zit nog iets opvallends in het verhaal.
Filippus bevindt zich net daarvoor in Samaria, waar grote dingen gebeuren. Mensen luisteren naar zijn prediking en er is veel belangstelling voor het Evangelie.
En dan wordt hij daarvandaan geroepen.
Voor wat?
Voor één man.
Dat druist behoorlijk in tegen onze moderne manier van denken. Wij meten succes gemakkelijk aan bereik, bezoekersaantallen en zichtbaarheid.
God stuurt een evangelist van een menigte naar een eenzame weg om naast de wagen van één zoekend mens te lopen.
Daarmee vertelt Handelingen 8 ons ook iets over Gods hart.
Eén mens doet ertoe.
Eén zoekende Afrikaan is voor God geen voetnoot.
Van Jeruzalem richting Afrika
Maar er gebeurt tegelijkertijd iets veel groters.
Christus had vóór Zijn hemelvaart gezegd:
“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)
En kijk naar de richting in Handelingen.
Het Evangelie begint in Jeruzalem.
Vervolgens komt het in Samaria.
En nu zit daar ineens een man uit Afrika die na zijn ontmoeting met Filippus zijn reis naar het zuiden vervolgt.
We moeten niet méér zeggen dan de tekst zegt. Handelingen vertelt ons bijvoorbeeld niet wat deze kamerling later in zijn vaderland heeft gedaan en zegt evenmin dat door hem onmiddellijk een Afrikaanse gemeente werd gesticht.
Maar de richting is onmiskenbaar.
Het Evangelie is onderweg naar de volken.
Een Afrikaan hoort het Evangelie, gelooft en vervolgt daarna zijn weg.
Afrika staat bepaald niet ergens achteraan
Dat verdient onze aandacht.
Het christendom wordt tegenwoordig nogal eens voorgesteld alsof het oorspronkelijk een Europese godsdienst was die eeuwen later naar Afrika werd geëxporteerd.
Handelingen 8 maakt duidelijk hoe vertekend dat beeld is.
Europa speelt in dit gedeelte helemaal geen rol.
Hier staat een Joodse evangelist naast een Afrikaanse man en legt hem vanuit een Joodse profeet uit dat Jezus de Christus is.
Dat gebeurt in de eerste generatie van de Gemeente.
Afrika verschijnt dus al zeer vroeg nadrukkelijk in het verhaal van de verspreiding van het Evangelie.
Bij God bestaat geen racisme
En misschien is dat voor onze tijd wel een van de mooiste kanten van deze geschiedenis.
Filippus ziet geen huidskleur die hem tegenhoudt.
God ziet geen nationaliteit die iemand minder geschikt zou maken voor Zijn genade.
Er is geen Europees Evangelie, geen Afrikaans Evangelie en geen Joods Evangelie waarmee verschillende groepen op verschillende gronden behouden worden.
Er is één Heiland.
Er is één Evangelie.
Er is één grond van behoud.
En degenen die in Christus geloven, worden door één Geest tot één Lichaam gedoopt:
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)
Dat betekent niet dat Gods bijzondere beloften en bedoelingen met Israël ineens verdwijnen. Het betekent wel dat binnen het Lichaam van Christus geen etnische rangorde bestaat.
Een Jood heeft Christus nodig.
Een Afrikaan heeft Christus nodig.
Een Arabier heeft Christus nodig.
Een Nederlander heeft Christus nodig.
En wie in Christus is, leeft uitsluitend uit dezelfde genade.
Racisme is daarom niet alleen maatschappelijk verwerpelijk. Het staat haaks op de werkelijkheid van het Lichaam van Christus.
De man die buiten stond, wordt door God gezocht
Er zit bovendien iets ontroerends in deze geschiedenis.
De Ethiopiër was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden. Hij behoorde echter niet tot Israël en was bovendien een kamerling. De wet van Mozes kende voor een ontmande beperkingen met betrekking tot de vergadering van Israël.
Maar juist in Jesaja staat een prachtige belofte voor ontmanden die God zoeken:
“Ik zal hun ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.” (Jesaja 56:5, STV)
Wat moet dat betekenen wanneer we beseffen dat deze man uitgerekend Jesaja aan het lezen was?
Handelingen zegt niet dat hij op dat moment al bij Jesaja 56 was aangekomen of dat Filippus dit gedeelte met hem besproken heeft. Daar moeten we niets bij verzinnen.
Maar als lezer zien wij de prachtige verbinding wel.
Dezelfde Jesaja die het lijdende Lam beschrijft, spreekt enkele hoofdstukken later over Gods genadige ontvangst van de ontmande.
En nu zit daar in Handelingen echt zo’n man.
Met Jesaja op zijn schoot.
Een boekrol, een woestijnweg en Gods voorzienigheid
Hoe langer je naar Handelingen 8 kijkt, hoe indrukwekkender de details worden.
Een man verlangt naar God.
Hij reist honderden kilometers.
Hij bezit een kostbare Schriftrol.
Hij leest Jesaja.
Hij komt bij het gedeelte over het lijdende Lam.
Hij begrijpt het niet.
God stuurt Filippus.
Filippus hoort hem lezen.
De man stelt precies de juiste vraag.
Filippus opent vanuit Jesaja het Evangelie.
En vervolgens gaat het Evangelie met deze Afrikaanse man verder richting zijn vaderland.
Dat lijkt nauwelijks een toevallige verzameling details.
Het laat Gods voorzienigheid zien.
Hij reisde verder met blijdschap
Aan het einde gebeurt iets dat makkelijk wordt gemist.
Filippus verdwijnt.
Maar de Ethiopiër raakt niet in paniek.
“En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.” (Handelingen 8:39, STV)
Waarom kon hij verder zonder Filippus?
Omdat Filippus hem niet aan zichzelf had verbonden.
Hij had hem Jezus verkondigd.
Dat is misschien wel de mooiste les voor iedere evangelist, prediker en Bijbelleraar.
Het doel is niet dat mensen uiteindelijk van ons afhankelijk worden.
Het doel is dat zij Christus leren kennen.
Filippus kon verdwijnen.
Christus bleef.
Wat een kostbare boekrol uiteindelijk niet kon geven
De Ethiopiër bezat iets wat in zijn tijd buitengewoon kostbaar moet zijn geweest: toegang tot de woorden van Jesaja.
Maar zelfs zo’n kostbare boekrol kon hem op zichzelf niet redden.
Hij moest begrijpen over Wie hij las.
Daarom is het mogelijk om een Bijbel te bezitten en Christus toch niet te kennen. Het is mogelijk veel over de Schrift te weten en het middelpunt ervan te missen.
Filippus liet de man daarom niet achter met alleen een betere uitleg van Jesaja.
Hij “verkondigde hem Jezus”.
Daar komt uiteindelijk alles samen.
De kostbare boekrol.
Jesaja 53.
Het Lam.
Het kruis.
De opstanding.
De Afrikaanse kamerling.
En een Evangelie dat zich niet laat opsluiten binnen één volk, één land of één huidskleur.
God ziet geen tweederangs mensen.
De armen van het Evangelie staan open voor Jood en Griek, Afrikaan en Europeaan, rijk en arm, hooggeplaatst en eenvoudig.
En ergens op een eenzame weg naar Gaza liet God dat al heel vroeg in de geschiedenis van de Gemeente op een onvergetelijke manier zien:
één Afrikaanse man, één geopende boekrol en één boodschap: Jezus Christus.
Waarom de Gemeente van Christus niet hoeft te wanhopen
Gaat het echt slecht met de kerk?
Je kunt het regelmatig horen:
“Het gaat niet goed met de kerk.”
Of erger:
“De kerk slaapt”
of zou zelfs ziek zijn volgens een enkele verdwaalde geest…..
En menselijk bekeken valt daar nog best iets voor te zeggen ook. Kerkgebouwen worden gesloten, gemeenten vergrijzen, kerkelijke instituten verliezen leden en de Bijbelse boodschap verdwijnt steeds verder naar de achterdeur.
Maar voordat we daarin meegaan, moeten we toch een cruciaal onderscheid maken.
Over welke kerk hebben we het dan eigenlijk?
Met een kerkelijk instituut kan het inderdaad slecht gaan. Een denominatie kan verdwijnen. Een plaatselijke gemeente kan zelfs ophouden te bestaan. Maar de Gemeente van Christus, Zijn Lichaam, is van een heel andere orde.
De Here Jezus heeft immers Zelf gezegd:
“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Mattheüs 16:18, STV)
Let vooral op Wie hier bouwt:
“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”
Dat is een geweldige bemoediging. De toekomst van de Gemeente rust niet op onze schouders, onze verenigingsdrift of onze formules
Christus Zelf bouwt haar.
Jezus alleen
De Gemeente bestaat uit wedergeboren mensen
Daarmee komen we onmiddellijk bij een essentieel onderscheid dat tegenwoordig gemakkelijk vertroebelt. Lid zijn van een kerk is niet hetzelfde als behoren tot het Lichaam van Christus.
Een mens kan gedoopt zijn, belijdenis hebben gedaan, jarenlang trouw kerkdiensten bezoeken en veel christelijke gewoonten hebben overgenomen, zonder ooit werkelijk opnieuw geboren te zijn.
Nicodemus laat zien dat religieuze kennis op zichzelf niet voldoende is. Hij was een godsdienstig en geleerd man. Toch zei de Here Jezus:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.” (Johannes 3:3, STV)
Dat is fundamenteel.
Christelijk leven begint niet met het verbeteren van de oude mens. Het begint met nieuw leven uit God.
De Gemeente is daarom in wezen helemaal geen religieuze organisatie waarvan je door inschrijving lid wordt. Maar is een levend organisme, Bijbels gesproken een lichaam, waarvan Christus het Hoofd is.
Handelingen laat zien hoe het Evangelie de wereld ingaat
Het boek Handelingen laat prachtig zien hoe het getuigenis van Christus zich uitbreidt.
Vlak voor Zijn hemelvaart zegt de Here Jezus:
“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)
Daarin ligt als het ware de richting van het heil besloten:
Jeruzalem, Judea, Samaria en uiteindelijk de volken.
Toch zien we dat de gelovigen aanvankelijk sterk in Jeruzalem geconcentreerd blijven. Pas wanneer vervolging uitbreekt, worden zij verspreid.
Menselijk gezien lijkt dat een ramp.
Maar dan lezen we:
“Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord.” (Handelingen 8:4, STV)
Wat bedoeld was om de Gemeente te bestrijden, gebruikt God juist om het Evangelie verder te brengen.
Dat is ook vandaag een geweldige bemoediging. God is niet afhankelijk van gunstige omstandigheden. Hij kan zelfs tegenstand gebruiken om deuren te openen die anders gesloten zouden blijven.
Filippus predikte Christus
Onder de verstrooide gelovigen bevindt zich Filippus. Over zijn bediening in Samaria staat iets opvallend eenvoudigs:
“En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus.” (Handelingen 8:5, STV)
Dat verdient onze aandacht.
Er staat niet dat Filippus zichzelf presenteerde.
Hij predikte geen beweging.
Hij predikte geen geestelijke methode.
Hij predikte geen kerkgenootschap.
Hij predikte Christus.
En wanneer hij later de Ethiopische kamerheer ontmoet, gebeurt precies hetzelfde:
“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)
Daar ligt misschien wel een van de belangrijkste lessen voor de Gemeente van Jezus Christus van vandaag.
Van Jezus plus terug naar Jezus alléén
We kunnen ongemerkt zoveel aan Christus toevoegen dat Hij uiteindelijk achter onze toevoegingen verdwijnt.
Jezus plus onze denominatie. Jezus plus onze traditie. Jezus plus onze favoriete voorganger. Jezus plus onze krachtige geestelijke ervaringen. Jezus plus onze methode. Jezus plus onze bijzondere beweging.
Maar Filippus verkondigde hem Jezus.
Daarmee komen we bij de kern: Jezus alleen.
Niet omdat Bijbelse leer onbelangrijk zou zijn. Integendeel. Gezonde leer brengt ons immers steeds dichterbij Wie Christus is en wat Hij volbracht heeft.
Maar zodra onze bijzondere groep, ervaring of traditie méér aandacht krijgt dan Christus, is er iets helemaal mis gegaan.
Paulus schrijft:
“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” (1 Korinthe 2:2, STV)
De Gemeente heeft niet méér spektakel nodig.
Zij heeft Christus nodig.
God ziet ook die ene mens
In Handelingen 8 zien we dan iets merkwaardigs. Filippus bevindt zich midden in een vruchtbaar werk in Samaria, maar wordt naar een eenzame weg gestuurd.
Daar wacht geen menigte.
Daar zit één man.
Dat botst nogal met onze menselijke neiging om geestelijk succes in aantallen uit te drukken. Hoeveel bezoekers? Hoeveel volgers? Hoeveel groei? Hoeveel bereik?
God haalt Filippus als het ware weg bij een menigte om hem naast de wagen van één zoekende Afrikaan te zetten.
Blijkbaar is één mens voor God de reis waard.
Misschien ligt daar ook wel een bemoediging voor gelovigen die denken dat hun leven weinig betekenis heeft omdat zij geen groot bereik hebben.
Je hoeft geen duizenden mensen te bereiken om bruikbaar te zijn.
Misschien heeft God één mens op jouw weg gebracht.
Een Ethiopiër zoekt naar de waarheid
De Ethiopische kamerheer heeft een lange reis naar Jeruzalem gemaakt. Hij verlangt duidelijk naar de ware God en bezit een zeer kostbare boekrol van Jesaja.
Op de terugweg leest hij daaruit.
Dan brengt God Filippus precies naast zijn wagen.
Dat is een prachtig samenspel tussen Gods leiding en menselijke gehoorzaamheid. De zoekende man heeft een vraag. Filippus wordt gestuurd. De Schrift ligt open.
En welk gedeelte leest hij?
Jesaja 53.
De kamerheer wil weten over wie de profeet spreekt. Vanuit dat Schriftgedeelte verkondigt Filippus hem Jezus.
Jesaja 53 brengt ons direct bij het hart van het Evangelie
Jesaja had eeuwen vóór het kruis al geprofeteerd:
“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)
Hier ligt het hart van het Evangelie van Jezus Christus.
Wij dwaalden.
Onze ongerechtigheid stond tussen God en ons.
Maar God legde die ongerechtigheid op een Ander.
Het Evangelie vertelt daarom niet wat wij voor God moeten doen. Het verkondigt wat God in Christus voor verloren mensen gedaan heeft.
Filippus hoefde Jesaja niet los te laten om over Jezus te beginnen. Hij begon vanuit diezelfde Schrift.
Christus is niet een later toegevoegd onderwerp.
De Schriften wijzen naar Hem.
In Christus is géén plaats voor racisme
Dat de man een Ethiopiër is, is zeker niet zonder betekenis.
Een Joodse evangelist wordt door God naar een Afrikaanse man gestuurd. Zijn huidskleur, afkomst en status vormen geen belemmering voor het Evangelie.
Dat raakt ook onze houding tegenover Israël en de volken. Wie het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente serieus neemt, heeft daarmee geen enkele grond om individuele Joden boven Arabieren, Afrikanen, Europeanen of wie dan ook te stellen.
Binnen het Lichaam van Christus geldt:
“Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)
Dat wist het onderscheid tussen Israël en de Gemeente niet uit. Maar het maakt wel duidelijk dat binnen het Lichaam van Christus afkomst géén grond voor enige superioriteit is.
Aan het kruis staat niemand op een verhoging.
Wij leven allemaal van en uit Genade.
Geloof komt vóór de waterdoop
Wanneer de Ethiopiër water ziet, wil hij gedoopt worden. Ook daaruit komt een belangrijke Bijbelse waarheid naar voren.
De waterdoop is niet de oorzaak van zijn behoudenis. De doop volgt op geloof.
Paulus beschrijft in Efeze de verhouding tussen het horen van het Evangelie, geloven en het ontvangen van de Heilige Geest:
“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” (Efeze 1:13, STV)
Dat is een bijzonder belangrijke volgorde.
De gelovige wordt niet behouden omdat water hem reinigt. Christus redt.
De waterdoop is vervolgens een zichtbaar getuigenis van de verbondenheid van de gelovige met Christus: Zijn dood, begrafenis en opstanding.
Niet het water staat centraal.
Christus staat centraal.
Het geloof begint bij een levende Heer
En daarmee komen we bij de opstanding.
Het Evangelie eindigt niet bij Golgotha. Het graf is leeg.
Paulus schrijft zelfs:
“En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.” (1 Korinthe 15:14, STV)
Wij volgen daarom niet slechts de leer van een godsdienstleraar die tweeduizend jaar geleden gestorven is.
Wij behoren toe aan een levende Heer.
Christus is gestorven.
Christus is begraven.
Christus is opgestaan.
Christus leeft.
Christus komt terug.
Daarom leeft ook Zijn Gemeente.
Dat is uiteindelijk het antwoord op alle sombere verhalen over de toekomst van de kerk. Ons vertrouwen rust niet op de vraag of kerkelijke instituten in Nederland over twintig jaar nog dezelfde omvang hebben.
Ons vertrouwen rust op Jezus Christus, het levende Hoofd van Zijn Gemeente.
Kijk wie God op je weg brengt
Na de ontmoeting met de Ethiopiër gaat Filippus verder.
En ook de kamerheer vervolgt zijn weg met blijdschap.
Dat maakt Handelingen 8 verrassend praktisch.
Morgen gaan wij ook weer ergens heen. Naar ons werk, naar een winkel, naar familie, naar een afspraak of gewoon naar de buren.
Daar zijn mensen.
We weten meestal niet welke vragen zij diep vanbinnen hebben. Filippus kon van een afstand evenmin zien dat daar iemand zat die de Schrift las en zich afvroeg over Wie Jesaja eigenlijk sprak.
Daarom hoeven we niet krampachtig op zoek te gaan naar spectaculaire mogelijkheden om voor God bruikbaar te zijn.
We mogen eenvoudig onze ogen en oren openhouden.
Wie brengt God op mijn weg?
Misschien geen zaal vol mensen.
Misschien één mens.
Maar voor die ene mens kan een gesprek over de Here Jezus van eeuwigheidswaarde zijn.
Christus bouwt Zijn Gemeente
Daarom hoeven we niet mee te gaan in moedeloosheid.
Ja, met kerkelijke instituten kan het slecht gaan.
Ja, er is veel verwarring.
Ja, de Bijbelse boodschap wordt in onze samenleving steeds vaker terzijde geschoven.
Maar Christus heeft niet gezegd dat wij Zijn Gemeente overeind moeten houden.
Hij heeft gezegd:
“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”
En daarom blijft onze opdracht verrassend eenvoudig.
Niet onszelf verkondigen.
Niet onze beweging grootmaken.
Niet mensen aan onze persoonlijkheid binden.
Niet vertrouwen op religieuze vormen.
Maar doen wat Filippus deed.
De Schrift openen.
Onze mond openen.
En Jezus verkondigen.
Want uiteindelijk heeft de wereld niet allereerst behoefte aan een aantrekkelijker christendom.
De wereld heeft Christus nodig.
En ook de Gemeente zelf moet telkens weer terug naar dat ene middelpunt:
Van het één rol je makkelijk in het ander.. Na mijn video en blog over de godheid van de Here Jezus Christus kreeg ik een reactie op mijn youtube kanaal onder die betreffende video.
Van een unitarier.
“Wat is dat Jaap, een unitariër?” Hoor ik iemand denken. Dat is iemand die de Godheid van de Here Jezus Christus ontkent en de nadruk legt op Bijbelteksten die gaan over de menswording en het mens zijn van de Here Jezus Christus tijdens Zijn aardse omwandeling.
Bijbelteksten daarentegen die gaan over Zijn God-gelijk zijn, Zijn heerlijkheid, de ultieme verhoging die Hij ontvangen heeft ter gelegenheid van Zijn opstanding, deze teksten moeten in deze gedachtengang eerst wel ontkracht en weggeredeneerd worden. Omdat ik daar helemaal geen trek in heb en bovendien geen tijd voor heb, noch energie, wijd ik er nog maar een blogartikel aan in plaats van te vervallen in een woordenstrijd met herhalingen van zetten in de comments.
Er wordt met enige regelmaat beweerd dat de Here Jezus Christus volgens de Bijbel wel de Zoon van God is, maar niet werkelijk God. Jezus zou een menselijke Messias zijn, door God verheven en gezonden, maar Zelf niet delen in de goddelijke identiteit van JHWH.
Daarbij worden meestal dezelfde teksten aangevoerd: Jezus bidt tot Zijn Vader, Hij gehoorzaamt Zijn Vader, Hij zegt dat de Vader groter is dan Hij, Hij kent tijdens Zijn vernedering de dag en het uur niet en uiteindelijk sterft Hij aan het kruis.
Dat zijn allemaal Bijbelse gegevens.
Maar het probleem ontstaat wanneer men daar stopt.
Want dezelfde Schrift die de werkelijke mensheid van Christus leert, past in het Nieuwe Testament titels, eigenschappen, werken en eer die in het Oude Testament uitdrukkelijk aan JHWH toebehoren rechtstreeks toe op de Here Jezus Christus.
Daarom moet de discussie over de godheid van Jezus niet draaien om één los bewijsvers.
De veel belangrijkere vraag is:
Hoeveel eigenschappen van JHWH moeten op Jezus Christus worden toegepast voordat wij de Schrift toestaan ons te vertellen Wie Hij werkelijk is?
dezelfde God
De Bijbel leert dat er maar één God is
We moeten beginnen waar de Schrift begint:
“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!”
Deuteronomium 6:4 (STV)
Het Bijbelse geloof kent geen verzameling goden.
Er is één God.
De godheid van de Here Jezus Christus betekent daarom niet dat naast JHWH ineens een tweede god verschijnt. De werkelijke vraag is:
Wie behoort volgens de Schrift tot de identiteit van die ene God?
Het Oude Testament laat al opmerkelijke lijnen zien waarin God Zich openbaart en er tegelijk onderscheid zichtbaar wordt. Het Nieuwe Testament maakt vervolgens duidelijk Wie de Zoon is.
JHWH is de Eerste en de Laatste: Jezus is de Eerste en de Laatste
JHWH zegt:
“Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.”
Jesaja 44:6 (STV)
Deze woorden zijn buitengewoon exclusief.
JHWH zegt niet alleen dat Hij de Eerste en de Laatste is. Hij verbindt deze titel direct met Zijn unieke Godheid:
“Behalve Mij is er geen God.”
Maar in Openbaring zegt de Here Jezus Christus:
“Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.”
Openbaring 1:17-18 (STV)
Wie was dood en leeft weer?
Onmiskenbaar de Here Jezus Christus.
De titel waarmee JHWH in Jesaja Zijn unieke Godheid proclameert, wordt dus door Christus op Zichzelf toegepast.
Wie wil volhouden dat Jezus niet deelt in de identiteit van JHWH, moet dit verklaren.
Niet wegverklaren.
Jezus is JHWH
JHWH is de enige Heiland: Jezus Christus is Heiland
JHWH zegt:
“Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.”
Jesaja 43:11 (STV)
Dat is opnieuw exclusieve taal.
Buiten JHWH bestaat geen Heiland.
Maar bij de geboorte van Christus wordt gezegd:
“Dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.”
Lukas 2:11 (STV)
Paulus spreekt bovendien over:
“onzen groten God en Zaligmaker Jezus Christus.”
Titus 2:13 (STV)
En Petrus over:
“onzen God en Zaligmaker Jezus Christus.”
2 Petrus 1:1 (STV)
Hoe kan Jezus de Zaligmaker zijn als JHWH zegt:
“Er is geen Heiland behalve Mij”?
Wanneer Jezus buiten de goddelijke identiteit van JHWH zou staan, ontstaat hier een ernstig probleem.
Wanneer Christus deelt in die identiteit, valt het op zijn plaats.
JHWH alleen is Schepper: alle dingen zijn door Jezus geschapen
Een van de krachtigste teksten vinden we in Jesaja:
“Ik ben de HEERE, Die alles doe, Die de hemelen uitbreid, Ik alleen, en Die de aarde uitspan door Mijzelven.”
Jesaja 44:24 (STV)
Let vooral op:
“Ik alleen.”
En:
“door Mijzelven.”
Johannes schrijft echter over het Woord:
“Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.”
Johannes 1:3 (STV)
Paulus schrijft over Christus:
“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn…”
Kolossenzen 1:16 (STV)
Hebreeën spreekt tot de Zoon:
“Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen.”
Hebreeën 1:10 (STV)
Die laatste woorden komen uit Psalm 102, waar JHWH wordt aangesproken.
We krijgen dus:
JHWH: Ik heb alleen geschapen.
Johannes: Alles is door Christus gemaakt.
Paulus: Alle dingen zijn door Hem geschapen.
Hebreeën: De hemelen zijn werken van Zijn handen.
Als Christus Zelf een geschapen wezen zou zijn, ontstaat bovendien een fundamenteel probleem met Johannes 1:3.
Alles wat gemaakt is, is door het Woord gemaakt.
Als het Woord Zelf gemaakt zou zijn, zou Hij behoren tot de categorie dingen waarvan Johannes zegt dat zij juist door Hem gemaakt zijn.
De Schrift plaatst Christus niet aan de kant van het geschapene.
Zij plaatst Hem aan de kant van de Schepper.
JHWH is de Herder: Jezus is de goede Herder
David zegt:
“De HEERE is mijn Herder…”
Psalm 23:1 (STV)
Jesaja zegt over JHWH:
“Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder…”
Jesaja 40:11 (STV)
En in Ezechiël 34, nadat de menselijke herders van Israël hebben gefaald, zegt God:
“Zie, Ik, ja Ik, zal naar Mijn schapen vragen en zal ze opzoeken.”
Ezechiël 34:11 (STV)
God Zelf zal naar Zijn schapen omzien.
Dan verschijnt de Here Jezus en zegt:
“Ik ben de goede Herder.”
Johannes 10:11 (STV)
Dit is niet zomaar een vriendelijke metafoor.
De goede Herder uit Johannes staat in de oudtestamentische lijn waarin JHWH Zelf de Herder van Zijn volk is.
JHWH is de Rots: Christus is de Rots
Mozes zegt over God:
“Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is…”
Deuteronomium 32:4 (STV)
Paulus schrijft:
“En de steenrots was Christus.”
1 Korinthe 10:4 (STV)
“tot een Steen des aanstoots, en tot een Rotssteen der struikeling.”
Jesaja 8:14 (STV)
Petrus past deze passage vervolgens op Christus toe:
“Een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis.”
1 Petrus 2:8 (STV)
Wie is de Steen in Jesaja?
JHWH der heirscharen.
Wie is de Steen volgens Petrus?
Christus.
Wanneer zulke verbindingen zich blijven opstapelen, wordt “toeval” een steeds ongeloofwaardiger verklaring.
JHWH vergeeft zonden: Jezus vergeeft zonden
JHWH zegt:
“Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil…”
Jesaja 43:25 (STV)
Psalm 103 zegt over de HEERE:
“Die al uw ongerechtigheid vergeeft…”
Psalm 103:3 (STV)
Wanneer Jezus tegen de geraakte zegt:
“Zoon, uw zonden zijn u vergeven.”
Markus 2:5 (STV)
reageren de schriftgeleerden:
“Wie kan de zonden vergeven dan alleen God?”
Markus 2:7 (STV)
Jezus antwoordt niet:
“Jullie begrijpen het verkeerd; Ik vergeef helemaal geen zonden.”
Integendeel.
Hij geneest de man juist om zichtbaar te maken:
“dat de Zoon des mensen macht heeft, de zonden te vergeven op de aarde…”
Markus 2:10 (STV)
De schriftgeleerden begrepen heel goed wat er op het spel stond.
JHWH geeft leven: Jezus geeft eeuwig leven
JHWH zegt:
“Ik dood en maak levend…”
Deuteronomium 32:39 (STV)
Jezus zegt:
“Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil.”
Johannes 5:21 (STV)
Let vooral op:
“die Hij wil.”
En over Zijn schapen zegt Christus:
“En Ik geef hun het eeuwige leven…”
Johannes 10:28 (STV)
Een profeet kan de weg naar het eeuwige leven verkondigen.
Een apostel kan het Evangelie prediken.
Maar Jezus zegt:
Ik geef hun eeuwig leven.
JHWH is Rechter: Jezus Christus oordeelt de wereld
Abraham noemt God:
“de Rechter der ganse aarde.”
Genesis 18:25 (STV)
Jezus zegt:
“Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven.”
Johannes 5:22 (STV)
Paulus schrijft:
“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus…”
2 Korinthe 5:10 (STV)
De mensheid verschijnt uiteindelijk voor Christus.
Waarom?
Jezus Zelf vervolgt:
“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren.”
Johannes 5:23 (STV)
Gelijk zij de Vader eren
Niet minder.
Niet slechts als vertegenwoordiger.
Niet als een bijzonder schepsel.
De Zoon ontvangt eer gelijk de Vader.
Als Christus slechts een verheven schepsel zou zijn, wordt dit geen oplossing maar een probleem. De God van Israël staat immers nergens toe dat een schepsel dezelfde eer ontvangt als Hijzelf.
JHWH onderzoekt hart en nieren: Jezus doet hetzelfde
JHWH zegt:
“Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren…”
Jeremia 17:10 (STV)
De Here Jezus zegt:
“En al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek…”
Openbaring 2:23 (STV)
De overeenkomst is moeilijk te missen.
JHWH:
Ik doorgrond hart en nieren
Christus:
Ik onderzoek nieren en harten
De goddelijke kennis van het innerlijk van mensen wordt rechtstreeks aan Christus toegeschreven.
Voor JHWH buigt iedere knie: voor Jezus buigt iedere knie
Jesaja 45 is uitgesproken monotheïstisch.
JHWH zegt:
“Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.”
Jesaja 45:22 (STV)
Vervolgens:
“Dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.”
Jesaja 45:23 (STV)
Paulus schrijft:
“Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie…”
Filippenzen 2:10 (STV)
En:
“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij…”
Filippenzen 2:11 (STV)
Jesaja:
Iedere knie buigt voor JHWH
Paulus:
Iedere knie buigt voor Jezus
Paulus breekt het monotheïsme van Jesaja niet af.
Hij neemt Christus op binnen de identiteit van de ene God.
Wie JHWH aanroept wordt behouden: roep de Here Jezus aan
Joël schrijft:
“Al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.”
Joël 2:32 (STV)
De Hebreeuwse tekst spreekt over JHWH.
Paulus citeert:
“Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.”
Romeinen 10:13 (STV)
Wie is de Heere in de onmiddellijke context?
“Indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus…”
Romeinen 10:9 (STV)
Een oudtestamentische tekst over het aanroepen van JHWH wordt toegepast in een gedeelte waarin Jezus als Heere wordt beleden.
Dat is geen vierde-eeuwse kerkelijke uitvinding.
Dat staat gewoon in Romeinen.
De weg wordt bereid voor JHWH: Johannes bereidt de weg voor Jezus
Jesaja schrijft:
“Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN…”
Jesaja 40:3 (STV)
Mattheüs past deze profetie toe op Johannes de Doper.
Voor Wie maakt Johannes de weg gereed?
Voor Jezus Christus.
Jesaja zegt:
Bereid de weg van JHWH
De Evangeliën zeggen:
Johannes bereidt de weg voor Jezus
Hetzelfde zien we bij Maleachi:
“Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal…”
Maleachi 3:1 (STV)
Johannes gaat voor Christus uit.
Opnieuw wordt een verwachting rond de komst van JHWH vervuld in de komst van de Here Jezus.
Jesaja zag JHWH: Johannes zegt dat hij Christus’ heerlijkheid zag
Jesaja ziet de HEERE:
“Mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.”
Jesaja 6:5 (STV)
Johannes verwijst naar Jesaja’s woorden en schrijft:
“Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.”
Johannes 12:41 (STV)
De context in Johannes gaat over Christus.
Jesaja zag de heerlijkheid van JHWH.
Johannes zegt dat Jesaja Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.
Wie iedere identificatie tussen Jezus en JHWH categorisch afwijst, krijgt hier opnieuw iets uit te leggen.
JHWH geeft Zijn heerlijkheid aan geen ander: Jezus bezat die heerlijkheid vóór de wereld bestond
JHWH zegt:
“Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven…”
Jesaja 42:8 (STV)
Maar Jezus bidt:
“En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.”
Johannes 17:5 (STV)
Hoe kan iemand die uitsluitend een menselijke Messias is heerlijkheid bij de Vader hebben voordat de wereld bestond?
Niet alleen vóór Bethlehem.
Niet alleen vóór Abraham.
Maar vóór de wereld.
Dat sluit precies aan bij Johannes 1:
“In den beginne was het Woord…”
Johannes 1:1 (STV)
Het Woord begon daar niet te bestaan.
Het was.
JHWH komt op de wolken: Jezus komt op de wolken
Jesaja schrijft:
“Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk…”
Jesaja 19:1 (STV)
Daniël ziet:
“er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen Zoon…”
Daniël 7:13 (STV)
Deze Mensenzoon ontvangt eeuwige heerschappij.
Tijdens Zijn verhoor zegt Jezus:
“Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.”
Mattheüs 26:64 (STV)
Kajafas reageert:
“Hij heeft God gelasterd…”
Mattheüs 26:65 (STV)
Waarom zo’n reactie wanneer Jezus alleen maar zou hebben verklaard dat Hij een menselijke Messias is?
Omdat Kajafas de verwijzing begreep.
De Here Jezus identificeert Zich met de hemelse Mensenzoon uit Daniël 7, Die eeuwige heerschappij ontvangt en met de wolken des hemels komt.
Hebreeën 1: wordt Jezus rechtstreeks God genoemd?
Er wordt soms zonder omwegen beweerd:
“Jezus wordt nergens God genoemd.”
Maar dan ligt Hebreeën 1 behoorlijk dwars.
Over de Zoon staat:
“Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid…”
Hebreeën 1:8 (STV)
Wie wordt aangesproken?
De Zoon.
Hoe wordt Hij aangesproken?
“O God.”
En vervolgens:
“Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen.”
Hebreeën 1:10 (STV)
Deze woorden zijn afkomstig uit Psalm 102, waar JHWH wordt aangesproken.
Hebreeën past ze op de Zoon toe.
Binnen één hoofdstuk wordt Christus:
God genoemd.
Heere genoemd.
Als Schepper beschreven.
Boven de engelen geplaatst.
En vervolgens lezen we:
“En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.”
Hebreeën 1:6 (STV)
Daarom wordt de vraag:
“Waar staat eigenlijk dat Jezus God is?”
een beetje bleachelijk zolang Hebreeën 1 gewoon in onze Bijbel staat.
Maar Jezus bad toch tot God?
Zeker.
Jezus gehoorzaamde de Vader.
Hij had honger.
Hij werd moe.
Hij leed.
Hij werd verzocht.
Hij stierf.
Dat bewijst iets buitengewoon belangrijks:
Hij was werkelijk mens.
Maar waarom zou Zijn mensheid Zijn godheid uitsluiten?
Johannes schrijft:
“En het Woord is vlees geworden…”
Johannes 1:14 (STV)
Maar dezelfde Johannes had enkele verzen eerder geschreven:
“En het Woord was God.”
Johannes 1:1 (STV)
Hier gaat het in veel redeneringen mis.
Alle teksten over Christus’ mensheid worden letterlijk genomen.
Terecht.
Maar wanneer Hij God genoemd wordt, als Schepper wordt beschreven, eeuwige heerlijkheid bezit, JHWH-teksten op Hem worden toegepast of Hij goddelijke eer ontvangt, moet de tekst ineens worden voorzien van verklaringen waarom er niet zou staan wat er staat.
Dan moeten we ons afvragen:
Zijn we echt bezig onze leer aan de Schrift te onderwerpen, of zijn we bezig de Schrift aan onze leer te onderwerpen?
De Bijbelse oplossing laat beide gegevens gewoon staan:
Het Woord was God.
En:
Het Woord is vlees geworden.
Het opvallende manco van het unitarisme
Hier komt voor mij het fundamentele probleem van het unitarisme scherp naar voren.
Het unitarisme kan doorgaans vrij uitvoerig uitleggen waarom de Here Jezus Christus bidt tot de Vader, Zich aan Hem onderwerpt, gehoorzaam is, lijdt en als mens beperkingen kent.
Dat gedeelte van de Schrift krijgt volop aandacht.
Maar wanneer dezelfde Schrift spreekt over Christus als Degene Die God gelijk is, goddelijke heerlijkheid bezit, alle dingen schept, zonden vergeeft, leven geeft, de wereld oordeelt, dezelfde eer als de Vader ontvangt en oudtestamentische JHWH-teksten op Zich toegepast krijgt, wordt de uitleg opvallend minder vanzelfsprekend.
Dan moet vrijwel iedere tekst worden voorzien van een alternatieve betekenis.
Dan betekent “God” ineens iets anders.
“De Eerste en de Laatste” zou anders bedoeld zijn.
Scheppen zou slechts gedelegeerd scheppen betekenen.
Goddelijke eer zou slechts vertegenwoordigde eer zijn.
Het buigen van iedere knie zou niets zeggen over goddelijke identiteit.
Het aanroepen van de Naam van de Here zou zonder probleem op een niet-goddelijke Messias kunnen worden toegepast.
En wanneer de Vader tot de Zoon zegt:
“Uw troon, o God…”
Hebreeën 1:8 (STV)
moet ook dat dan iets anders betekenen dan wat de woorden zeggen.
Dat is geen kleine kanttekening aan de rand van de discussie.
Het is een structureel probleem.
Een leer over Christus moet niet alleen kunnen verklaren waarom Hij werkelijk mens is.
Zij moet ook kunnen verklaren waarom de Bijbel Hem behandelt op een wijze die geen enkel gewoon mens, profeet of engel toekomt.
De vraag is daarom niet alleen:
Hoe kan Jezus God zijn als Hij Zich aan de Vader onderwerpt?
De minstens zo indringende vraag is:
Hoe kan Jezus slechts mens zijn als de Schrift Hem keer op keer plaatst binnen de sfeer van wat uitsluitend aan God toekomt?
Zolang het unitarisme op die tweede vraag geen werkelijk samenhangend antwoord geeft, blijft juist daar zijn grootste Bijbelse zwakte zichtbaar.
De Drie-eenheid staat toch nergens in de Bijbel?
Het woord Drie-eenheid staat inderdaad niet letterlijk in de Bijbel.
Maar dat argument bewijst weinig.
De vraag is niet of onze samenvattende leerstellige term letterlijk in één vers voorkomt.
De vraag is of de Bijbelse gegevens waarop die term gebaseerd is aanwezig zijn.
En die zijn er:
Er is één God.
De Vader is God.
De Zoon is onderscheiden van de Vader.
De Zoon wordt God genoemd.
De Zoon bezit eigenschappen van JHWH.
De Zoon verricht werken van JHWH.
Oudtestamentische teksten over JHWH worden op de Zoon toegepast.
De Zoon ontvangt goddelijke eer.
De Heilige Geest wordt onderscheiden van Vader en Zoon en handelt persoonlijk en goddelijk.
De leer van de Drie-eenheid probeert de Schrift niet ingewikkelder te maken.
Zij probeert juist geen van deze Bijbelse gegevens weg te gooien.
Het cumulatieve Bijbelse bewijs dat Jezus God is
Dit is uiteindelijk het beslissende punt.
Wanneer één tekst Jezus God zou noemen, kon men eindeloos over dat ene vers discussiëren.
Wanneer één JHWH-tekst op Jezus werd toegepast, kon men misschien nog van uitzonderlijk taalgebruik spreken.
Maar we hebben geen enkele losse tekst.
We hebben een patroon dat door de Schrift heen loopt:
JHWH is de Eerste en de Laatste.
Jezus is de Eerste en de Laatste.
JHWH is Heiland.
Jezus is Heiland.
JHWH is Schepper.
Door Jezus zijn alle dingen geschapen.
JHWH is de Herder.
Jezus is de goede Herder.
JHWH is de Rots.
Christus is de Rots.
JHWH vergeeft zonden.
Jezus vergeeft zonden.
JHWH geeft leven.
Jezus geeft eeuwig leven.
JHWH oordeelt de wereld.
Jezus Christus oordeelt de wereld.
JHWH onderzoekt hart en nieren.
Jezus onderzoekt hart en nieren.
Voor JHWH buigt iedere knie.
Voor Jezus buigt iedere knie.
Wie JHWH aanroept wordt behouden.
De Here Jezus wordt aangeroepen tot behoud.
De weg wordt voor JHWH bereid.
Johannes bereidt de weg voor Jezus.
JHWH komt op de wolken.
Jezus komt op de wolken.
JHWH bezit goddelijke heerlijkheid.
Jezus bezat heerlijkheid bij de Vader voordat de wereld bestond.
Hoeveel overeenkomsten zijn nodig?
Tien?
Twintig?
Wanneer wordt het punt bereikt waarop we niet langer ieder afzonderlijk vers proberen te neutraliseren, maar eindelijk erkennen dat er een cumulatief getuigenis ligt?
Jezus is JHWH: laat Johannes het laatste woord hebben
Johannes formuleert het bijna ongeëvenaard zorgvuldig:
“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”
Johannes 1:1 (STV)
“Het Woord was bij God.”
Daar is onderscheid.
“Het Woord was God.”
Daar is de Godheid.
Vervolgens:
“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…”
Johannes 1:14 (STV)
Daar is menswording.
De Here Jezus Christus is niet de Vader.
Hij is werkelijk de Zoon.
Hij is werkelijk mens geworden.
Maar dezelfde Schrift laat ons evenmin toe Hem te reduceren tot uitsluitend een menselijke Messias of een verheven schepsel.
Daarvoor worden eenvoudigweg te moerenondeksher van de titels, eigenschappen, werken en prerogatieven van JHWH die op Hem worden toegepast.
Misschien is daarom niet de juiste vraag:
“Kun je één tekst noemen waaruit blijkt dat Jezus God is?”
De veel indringender vraag luidt:
Hoe vaak moet JHWH in het Oude Testament iets exclusief over Zichzelf zeggen, waarna het Nieuwe Testament precies datzelfde op de Here Jezus Christus toepast, voordat wij ophouden de teksten passend te maken bij onze leer en onze leer passend maken bij de teksten?
Het probleem is niet dat er niet genoeg Bijbelteksten zijn die op de godheid van Christus wijzen.
Het probleem is juist het tegenovergestelde.
Het bewijs blijft zich opstapelen.
En wie alle gegevens serieus wil nemen, kan niet blijven volstaan met tegenspreken:
“Maar Jezus bad toch?”
“Maar Jezus gehoorzaamde toch?”
“Maar Jezus stierf toch?”
Ja.
Dat dééd Hij.
Omdat het Woord werkelijk vlees geworden is.
Maar datzelfde Woord:
was God.
Daarom is de Bijbelse belijdenis niet dat een mens later God geworden is.
De Bijbelse belijdenis is dat Degene Die God was, mens geworden is.
En daarom wijzen uiteindelijk al deze lijnen in dezelfde richting:
Jezus Christus is Heer
Niet als een tweede god naast JHWH.
Niet als slechts een verheven profeet.
Niet als slechts een menselijke Messias.
Maar als de Zoon, door Wie alle dingen zijn, Die de heerlijkheid bij de Vader had eer de wereld was, voor Wie iedere knie zal buigen en Die door de Schrift geplaatst wordt binnen de identiteit van de ene God.
Daar ligt uiteindelijk het punt waarop iedere christologie getoetst moet worden: niet aan de teksten die gemakkelijk in het eigen systeem passen, maar juist aan de teksten die dat systeem onder spanning zetten.
En juist daar blijkt hoe vreselijk ontoereikend het unitarisme is.
Want een leer die uitstekend kan uitleggen waarom Jezus mens is, maar voortdurend moeite heeft met de teksten waarin Hij God gelijk wordt voorgesteld, heeft niet zomaar een klein exegetisch probleem.
Zij heeft een christologisch probleem.
Een ernstig probleem.
Want de vraag is uiteindelijk niet:
Wat maken wij van Jezus?
De vraag is:
Wie zegt de Schrift dat Hij is?
En het antwoord klinkt door van Genesis tot Openbaring: