Mag een christen genieten?

Wat de Bijbel werkelijk zegt over genieten, rijkdom en dankbaarheid

Mag een christen eigenlijk wel genieten?

Voor sommige christenen klinkt die vraag misschien vreemd. Voor anderen helemaal niet.
Er bestaat namelijk een vorm van christelijke vroomheid waarin genieten al snel verdacht wordt. Een mooie vakantie, lekker eten, een goed glas wijn, een comfortabel huis, een hobby waaraan je plezier beleeft, muziek, gezelligheid of simpelweg genieten van wat je bezit ; moet een werkelijk geestelijk mens daar niet een beetje afstand van houden?
Alsof soberheid vanzelf geestelijker is.
Alsof plezier altijd eerst langs een religieuze douane moet.
Alsof God Zijn kinderen wel dingen geeft, maar het eigenlijk liever niet ziet wanneer ze ervan genieten.
Wie vervolgens 1 Timotheüs 6 aandachtig leest, stuit op een opmerkelijke uitspraak van Paulus:

“Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)

Lees vooral die laatste woorden nog eens:

“om te genieten.”

Dat staat er echt.
En het zet een nogal hardnekkige gedachte op zijn kop.
God geeft niet alleen ; Hij geeft ook om te genieten.

Een Christen mag genieten

 

Paulus spreekt in 1 Timotheüs 6 specifiek tot rijke gelovigen. Dat maakt zijn woorden des te opvallender.
Hij zegt niet dat hun rijkdom bewijst dat zij bijzonder gezegend of geestelijk zijn. Dat zou de tekst misbruiken voor een welvaartsevangelie.
Maar hij zegt evenmin dat zij zich van hun bezit moeten ontdoen omdat bezit en geestelijk leven onverenigbaar zouden zijn.
Paulus waarschuwt voor iets anders.
Hun rijkdom mag hen niet hoogmoedig maken. Hun bezit mag niet hun zekerheid worden. Hun vertrouwen moet niet rusten op geld, want rijkdom is “ongestadig”. Hun vertrouwen behoort te rusten op de levende God.
Maar vervolgens noemt Paulus diezelfde God:

Degene Die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten.

Daarmee verschuift de hele discussie.
De Bijbelse vraag is niet:

heb je iets waarvan je geniet?

De veel belangrijkere vraag is:

Welke plaats heeft het in je leven?

Je kunt genieten van bezit zonder je vertrouwen erop te stellen. Je kunt iets moois bezitten zonder erdoor bezeten te worden. Je kunt van eten genieten zonder een slaaf van je buik te zijn. Je kunt van rust genieten zonder luiheid tot je hoogste levensdoel te maken.

Het probleem is niet dat de gave aangenaam is.

Het probleem ontstaat wanneer de gave de plaats van de Gever inneemt.
De Bijbel spreekt verrassend positief over genieten
Wie alleen teksten over zelfverloochening, lijden en zonde hoort, kan gemakkelijk een scheef beeld van het christelijke leven krijgen.
Maar luister bijvoorbeeld eens naar Prediker:

“Zie, wat ik gezien heb: een goede zaak, die schoon is, te eten en te drinken, en het goede te genieten van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon, het getal der dagen zijns levens, die hem God geeft; want dat is zijn deel.” — Prediker 5:17 (STV)

En meteen daarna:

“Ook een ieder mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave Gods.” — Prediker 5:18 (STV)

Dat is opvallend nuchter.
Werken. Eten. Drinken. Je verheugen over de vrucht van je arbeid.
En dan staat er niet: pas op, want dit is allemaal aards.
Er staat:

“datzelve is een gave Gods.”

Dat past precies bij 1 Timotheüs 6:17.
De Bijbel schildert God niet af als Iemand Die goede dingen schept en vervolgens argwanend toekijkt wanneer mensen daarvan genieten.
Hij is de Gever.
Dankbaarheid verandert de manier waarop we genieten
Eerder in dezelfde brief schrijft Paulus iets dat hier rechtstreeks mee samenhangt. Hij waarschuwt zelfs voor religieuze mensen die allerlei vormen van onthouding voorschrijven:

“Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.” — 1 Timotheüs 4:3 (STV)

Vervolgens zegt hij:

“Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;” — 1 Timotheüs 4:4 (STV)

Let op dat woord: dankzegging.
Daar hebben we een prachtige Bijbelse correctie op twee uitersten.
Aan de ene kant staat de mens die Gods gaven consumeert alsof God niet bestaat. Hij geniet, maar dankt niet. Hij ontvangt, maar erkent de Gever niet.
Aan de andere kant staat de religieuze mens die bijna bang is om te genieten. Alsof het geestelijker is om Gods goede gaven met argwaan te bekijken.
Paulus wijst een andere weg:

Ontvang wat God geeft en dank Hem ervoor.

Genieten en dankbaarheid hoeven helemaal geen tegenstellingen te zijn. Integendeel: Bijbels genieten wordt juist gekenmerkt door dankbaarheid.
Genieten is iets anders dan leven voor genot
Dat betekent natuurlijk niet dat de Bijbel hedonisme predikt.
Paulus waarschuwt voor mensen die zijn:

“Meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;” — 2 Timotheüs 3:4 (STV)

Dat is iets fundamenteel anders.
De vraag is opnieuw niet óf iemand plezier ervaart, maar wat hij liefheeft en wat hem beheerst.
Er is een wereld van verschil tussen:

Ik geniet van wat God mij geeft.

en:

Ik leef om zoveel mogelijk genot te hebben.

In het eerste staat God boven Zijn gaven.
In het tweede wordt genot zelf een god.
Dat onderscheid zien we ook bij geld. En juist daarom is de context van 1 Timotheüs 6 zo belangrijk:

“Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad…” — 1 Timotheüs 6:10 (STV)

Paulus zegt niet dat geld de wortel van alle kwaad is, maar spreekt over geldgierigheid.
En even later spreekt hij rechtstreeks tot mensen die rijk zijn.
Kennelijk hoeft een rijke gelovige niet eerst arm te worden voordat hij God kan dienen. Wel moet zijn verhouding tot zijn bezit veranderen.
Niet:

mijn bezit is mijn zekerheid.

Maar:

God is mijn zekerheid en mijn bezit heb ik uit Zijn hand ontvangen.

Dat is weer iets heel anders.
Soberheid is niet automatisch geestelijkheid
Hier mag het best een beetje schuren.
Binnen bepaalde streng-religieuze tradities is soms de indruk ontstaan dat iemand geestelijker is naarmate hij zichzelf meer ontzegt. Plezier wordt gemakkelijk met wereldgelijkvormigheid verbonden, terwijl soberheid bijna automatisch als vroomheid wordt beschouwd.
Maar dat verband legt de Schrift helemaal niet zo.
Sterker nog, Paulus waarschuwt voor menselijke godsdienstige voorschriften die indrukwekkend geestelijk kunnen lijken:

“Dewelke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.” — Kolossenzen 2:23 (STV)

Dat is confronterend.
Want ook niet genieten kan voedsel voor het vlees worden.
Een mens kan trots zijn op zijn bezit.
Maar een mens kan óók trots zijn op zijn soberheid.

“Wij doen daar niet aan.”
“Dat hebben wij niet nodig.”
“Een christen hoort zijn geld daar niet aan uit te geven.”
“Wij leven tenminste eenvoudig.”

Het klinkt misschien geestelijk, maar zodra onze zelfgekozen soberheid een maatstaf wordt waarmee wij andere gelovigen beoordelen, is er iets helemaal mis.
Zelfverloochening heeft een Bijbelse plaats.
Zelfgemaakte vroomheid eveneens ; maar dan als waarschuwing.
Het gewone leven mag tot eer van God worden geleefd
Paulus schrijft:

“Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.” — 1 Korinthe 10:31 (STV)

Dat is misschien wel een van de meest bevrijdende gedachten over het christelijke leven.
Eten kan tot eer van God.
Drinken kan tot eer van God.
Werken kan tot eer van God.
Rust kan tot eer van God.
Genieten kan tot eer van God.
Het christelijke leven bestaat niet uit een klein “geestelijk” gedeelte en daarnaast een groot gebied van gewone dingen die eigenlijk minderwaardig zijn.
God is ook God aan de eettafel.
God is ook God tijdens een vakantie.
God is ook God wanneer je door een prachtig landschap rijdt en ervan geniet.
God is ook God wanneer je na hard werken tevreden naar iets kijkt waarvoor je gespaard hebt.
God is ook God tijdens een avond met mensen van wie je houdt.
Waarom zou dankbare vreugde over Zijn goede gaven Hem beledigen?
Genade bevrijdt ook van religieuze kramp

Een wettische geloofsbeleving heeft de neiging voortdurend te vragen:

“Mag dit eigenlijk wel?”

Daarmee is niet iedere vraag naar goed en kwaad verkeerd. Natuurlijk niet. De Schrift stelt grenzen en noemt ook bepaald gedrag zonde.
Maar er kan een geestelijke kramp ontstaan waarin bijna ieder plezier eerst verdacht wordt gemaakt.
Dan wordt het geweten niet gevormd door Gods Woord, maar door menselijke regels.
Paulus schrijft daar bijzonder scherp over:

“Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.” — Kolossenzen 2:20-21 (STV)

Dat klinkt zeer actueel.
Raak niet. Smaak niet. Doe niet.
Religie kan een indrukwekkende lijst produceren.
Genade leert de gelovige vanuit een andere positie leven: niet door menselijke voorschriften gerechtvaardigd worden, maar wandelen vanuit wat hij in Christus ontvangen heeft.
Dat maakt de gelovige niet losbandig.
Het maakt hem vrij om God te dienen.

De vraag is niet alleen:

mag ik hiervan genieten?

Misschien moeten we daarom andere vragen leren stellen.

Kan ik God hiervoor danken?
Kan ik hiervan genieten zonder dat het mij beheerst?
Stel ik mijn vertrouwen erop?
Wordt iemand anders door mijn gedrag beschadigd?
Kan ik dit ontvangen als een gave en ook weer loslaten wanneer dat nodig is?
Ben ik bereid te delen?

Die laatste vraag hoort nadrukkelijk bij 1 Timotheüs 6.
Want direct nadat Paulus zegt dat God ons rijkelijk geeft om te genieten, schrijft hij:

“Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;” — 1 Timotheüs 6:18 (STV)

Dat is mooi in balans.

De rijke krijgt niet te horen:

schaam je voor wat je hebt.

Maar evenmin:

het is van jou, dus doe ermee wat je wilt.

Hij mag genieten én geven.
Ontvangen én uitdelen.
Dankbaar zijn én tegelijk vrijgevig zijn.
God is geen vijand van vreugde
Misschien is dat uiteindelijk de gedachte die we opnieuw moeten leren.
De God van de Bijbel is niet de grote Tegenstander van menselijke vreugde.
Zonde belooft vreugde en brengt slavernij. God bevrijdt juist van slavernij en leert ons Zijn gaven op hun juiste plaats te genieten.
Daarom hoeven we niet te kiezen tussen een christendom van sombere onthouding en een wereld waarin persoonlijk genot het hoogste levensdoel is.
De Schrift wijst een veel mooiere weg.
God boven alles.
En juist daardoor kunnen Zijn gaven werkelijk gaven blijven.
Een mooie maaltijd hoeft geen afgod te zijn.
Een vakantie hoeft geen vlucht uit het geestelijke leven te zijn.
Een comfortabel huis hoeft geen bewijs van materialisme te zijn.
Een hobby hoeft geen verspilde tijd te zijn.
Plezier is niet automatisch zonde.
Rijkdom is niet automatisch goddeloosheid.
Soberheid is niet automatisch heiligheid.
De beslissende vraag is steeds:

welke plaats krijgt God?

Ontvang, dank, geniet en deel
Misschien kan ik 1 Timotheüs 6:17-18 uiteindelijk zo samenvatten:

Ontvang wat God geeft. Dank Hem ervoor. Geniet ervan zonder eraan verslaafd te raken. Stel je vertrouwen op Hem en niet op Zijn gaven. En houd je handen open voor anderen.

Dat is geen oppervlakkig christendom.
Dat is vrijheid onder genade.
Paulus zegt immers niet dat God ons slechts het strikt noodzakelijke toestaat. Hij spreekt over:

“…den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)

Misschien moeten we maar eens stoppen geestelijker te willen zijn dan de Schrift.
Als God goede dingen geeft om te genieten, mogen wij ze dankbaar uit Zijn hand ontvangen.
Zonder schuldgevoel.
Zonder hoogmoed.
Zonder afgoderij.
Maar met dankbaarheid.
Geniet van de gave. Eer de Gever. En vergeet niet te delen.

Hardop gedacht

Een preek die eigenlijk een socio-therapeutisch verhaal is

Ik hoorde deze week een preek aan, zoals helaas vaker het geval is, die ging over onze pijn – heelwording – veiligheid – identiteit – afwijzing – patronen – generaties – potentie – herstel…

En daar werden dan tal van Bijbelteksten bij aangevoerd; ook teksten die bij nadere lezing dan toch over iets heel anders en veel diepere geestelijke waarheden bleken te gaan .

De hoofdgedachte kwam ongeveer hier op neer:

Jezus helpt jou de gezonde, geheelde persoon te worden die je bedoeld was te zijn.

Alsof dát dan de hoofdzaak van de Bijbelse boodschap zou zijn. En de noodzaak van Zijn verlossingswerk het plaatsvervangend lijden en sterven was om ons in onze heelheid te brengen?

Dat is, als ik mijn Bijbel goed versta, dan toch wel een brute versimpeling van de heilsboodschap zoals die tot ons komt. De Bijbel gaat helemaal niet over ons.

Waar is het ontzag trouwens voor die Ene Naam?

En er moet me bovendien nog iets van het hart. Het spreken over “Jezus” komt op mij over alsof het hier gaat over een werknemer.
Terwijl de Bijbel Hem dan toch duidelijk bij Zijn titels noemt:
Here Jezus Christus.
Kan dat nou niet met wat meer eerbied?
Hij heeft niet met u of mij geknikkerd immers?

Wees zorgvuldig

Ik wil hiermee eigenlijk ook een lans breken voor meer zorgvuldig Schriftgebruik; de Bijbel aan het woord laten en “kapstok prediking ” achterwege laten, en de Naam van de Here Jezus Christus met gepaste eerbied te gebruiken. Dat moet toch mogelijk zijn? Of is dat teveel gevraagd?

Loon en beloning voor de gelovige: kun je als christen loon verliezen?

Behoud is het begin

Wie vandaag christelijke prediking beluistert, zou gemakkelijk de indruk kunnen krijgen dat het christelijke leven uiteindelijk om één vraag draait:

Ben je gered?

Die vraag is van eeuwig belang. Maar wanneer daar vervolgens vrijwel een punt achter wordt gezet, blijft een aanzienlijk deel van het onderwijs van het Nieuwe Testament liggen.

Want de Schrift spreekt niet alleen over behouden worden, maar opvallend vaak over loon, beloning, vergelding, kronen, trouw, arbeid, schade en het verliezen van loon.

Dat roept een belangrijke vraag op.

Als een wedergeboren gelovige reeds eeuwig leven bezit uit genade, waarvoor ontvangt hij dan nog loon?

En nog scherper:

hoe kan iemand behouden zijn en toch schade lijden?

Het antwoord maakt het verschil duidelijk tussen redding als gave en loon als beloning.

Dat onderscheid beschermt enerzijds het Evangelie van genade en maakt anderzijds duidelijk dat het leven van de gelovige bepaald niet vrijblijvend is.

loon en beloning in de Bijbel
Loon voor de gelovige

Behoud is een gave, geen beloning

Hier moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt.

Een mens wordt niet behouden omdat hij voldoende goede werken heeft gedaan. Hij wordt evenmin behouden omdat zijn goede werken uiteindelijk zwaarder wegen dan zijn verkeerde werken.

Paulus schrijft:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:8-9, STV)

Let op het woord gave.

Redding is geen salaris dat God uitbetaalt nadat wij voldoende gepresteerd hebben. Het is Gods gave in Christus.

Dat onderscheid vinden we ook in Romeinen:

“Doch dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.” (Romeinen 4:4, STV)

Genade en verschuldigd loon zijn principieel verschillende zaken.

Wanneer ik ergens voor werk en mijn werkgever betaalt mij mijn salaris, heeft hij mij geen genade bewezen. Hij betaalt wat mij op grond van mijn arbeid toekomt.

Maar zo wordt een zondaar niet gerechtvaardigd.

Daarom:

Behoud wordt ontvangen. Loon wordt verdiend.

Wie die twee door elkaar haalt, maakt van genade alsnog een beloningssysteem.

Maar Genade maakt werken niet onbelangrijk

Hier ontstaat vervolgens gemakkelijk het tegenovergestelde misverstand.

Als mijn werken mij niet kunnen behouden, zouden mijn werken er dan uiteindelijk niet toe doen?

Paulus voorkomt die conclusie onmiddellijk.

Na gezegd te hebben dat wij niet uit werken behouden worden, schrijft hij:

“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.” (Efeze 2:10, STV)

De volgorde is allesbepalend.

Niet:

goede werken → behoudenis.

Maar:

behoudenis uit genade → nieuw leven in Christus → goede werken.

Wij werken dus niet om behouden te worden.

Wij mogen werken omdat wij behouden zijn.

Het christelijke leven begint daarom niet bij onze prestaties. Het begint bij wat God in Christus gedaan heeft.

Maar juist daarna begint onze verantwoordelijkheid.

Wedergeboorte is het begin, niet de finish

Hier zit misschien een van de grootste blinde vlekken.

Wanneer iemand tot geloof komt, heeft hij niet het einddoel van zijn christelijke leven bereikt. Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Vanaf dat moment begint een wandel.

Er kan groei zijn.

Er kan vrucht zijn.

Er kan trouwe dienst zijn.

Maar er kan ook geestelijke stilstand, eigenwilligheid en verspilde arbeid zijn.

Paulus schrijft:

“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken…” (Efeze 2:10, STV)

Een christen is dus niet slechts iemand die ooit “ja” tegen het Evangelie heeft gezegd en vervolgens wacht totdat hij naar de hemel gaat.

Hij is in Christus tot iets geroepen.

En daarom zal ook zijn werk beoordeeld worden.

De tekst die het onderscheid glashelder maakt

Een van de belangrijkste Schriftgedeelten hierover staat in 1 Korinthe 3.

Paulus begint bij het fundament:

“Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.” (1 Korinthe 3:11, STV)

Het fundament staat vast.

Maar vervolgens wordt op dat fundament gebouwd.

Paulus noemt goud, zilver en kostelijke stenen, maar ook hout, hooi en stoppelen.

Daarna komt de beoordeling:

“Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.” (1 Korinthe 3:13, STV)

Lees nauwkeurig wat hier beoordeeld wordt.

Niet:

of iemand voldoende gewerkt heeft om behouden te mogen worden.

Maar:

“hoedanig eens iegelijks werk is.”

Het werk wordt onderzocht.

En dan kunnen er twee uitkomsten zijn.

“Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.” (1 Korinthe 3:14, STV)

Maar vervolgens:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.” (1 Korinthe 3:15, STV)

Daar staat het.

Schade lijden — en toch behouden worden.

Je kunt behouden zijn en toch loon missen

Deze tekst is buitengewoon belangrijk omdat hij een veelvoorkomende verwarring onmogelijk maakt.

De persoon wiens werk verbrandt, verliest volgens deze tekst niet zijn behoudenis.

Paulus zegt juist nadrukkelijk:

“maar zelf zal hij behouden worden.”

Wat gaat dan verloren?

Zijn werk houdt voor Gods beoordeling geen stand.

Hij lijdt schade.

Dat betekent dat er voor een gelovige blijkbaar werkelijk iets te winnen én iets te verliezen valt zonder dat daarmee zijn positie in Christus opnieuw ter discussie wordt gesteld.

Dat wordt elders rechtstreeks bevestigd:

“Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.” (2 Johannes 1:8, STV)

Waarom deze waarschuwing wanneer loon helemaal niet verloren zou kunnen gaan?

Er bestaat blijkbaar zoiets als vol loon.

En er bestaat blijkbaar de mogelijkheid dat arbeid niet leidt tot die volle beloning.

Dat zou ons wakker moeten schudden.

De rechterstoel van Christus is geen nieuwe verlossingsproef

Paulus schrijft:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” (2 Korinthe 5:10, STV)

En:

“Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.” (Romeinen 14:10, STV)

Dat is ernstige taal.

Maar we moeten daarvan geen tweede Evangelie maken.

De gelovige verschijnt daar niet om alsnog door zijn werken te bewijzen dat Christus hem werkelijk mag behouden.

Zijn fundament is Christus.

De kwestie is zijn wandel en arbeid op dat fundament.

Dat is precies waarom 1 Korinthe 3 zo belangrijk is.

Het fundament wordt niet verbrand.

Het gebouw erop wordt getest.

De vraag is dus niet alleen:

Sta ik op het Fundament?

Maar voor wie daarop staat ook:

Wat heb ik erop gebouwd?

Het Nieuwe Testament spreekt opvallend vaak over loon

De gedachte van beloning staat bepaald niet alleen bij Paulus.

De Here Jezus zegt:

“Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen…” (Mattheüs 5:12, STV)

Ook:

“Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn…” (Lukas 6:35, STV)

In Johannes lezen we:

“En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven…” (Johannes 4:36, STV)

Hebreeën zegt:

“Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.” (Hebreeën 10:35, STV)

En bijna aan het einde van de Bijbel zegt Christus:

“En zie, Ik kom haastelijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.” (Openbaring 22:12, STV)

Dat kan onmogelijk een onbelangrijk Bijbels zijspoor zijn.

De Schrift verbindt werk en loon herhaaldelijk met elkaar.

De Bijbel spreekt zelfs over kronen

Paulus vergelijkt het christelijke leven met een wedloop:

“Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loopt alzo, dat gij dien moogt verkrijgen.” (1 Korinthe 9:24, STV)

En vervolgens:

“En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.” (1 Korinthe 9:25, STV)

Aan het einde van zijn leven kan Paulus schrijven:

“Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.” (2 Timotheüs 4:8, STV)

Jakobus spreekt over de kroon des levens:

“Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.” (Jakobus 1:12, STV)

Petrus spreekt over:

“En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.” (1 Petrus 5:4, STV)

En dan klinkt zelfs de waarschuwing:

“Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.” (Openbaring 3:11, STV)

Niet: opdat niemand uw eeuwige leven neme.

Maar:

“opdat niemand uw kroon neme.”

Dat onderscheid is veelzeggend.

Waaruit bestaat dat loon?

Hier moeten we niet méér invullen dan de Schrift zegt.

Het Nieuwe Testament spreekt over loon, kronen, heerlijkheid, erkenning en toekomstige verantwoordelijkheid. Er zijn bovendien Schriftgedeelten waarin trouw verbonden wordt met toekomstig regeren.

Paulus schrijft bijvoorbeeld:

“Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen…” (2 Timotheüs 2:12, STV)

De precieze aard en omvang van iedere toekomstige beloning wordt ons niet in een soort hemelse salaristabel uitgelegd.

Maar één ding is wel duidelijk:

God acht de trouw van Zijn kinderen van werkelijk en blijvend belang.

Wat wij hier doen, kan eeuwigheidswaarde hebben.

Niet iedere christelijke activiteit is ook waardevol

Dat is misschien nog confronterender.

1 Korinthe 3 zegt niet alleen dat slechte dingen verdwijnen. Paulus spreekt over werk dat iemand gebouwd heeft en dat desondanks kan verbranden.

Een mens kan dus religieus actief zijn en toch bouwen met hout, hooi en stoppelen.

Dat stelt andere vragen dan:

Hoeveel heb ik gedaan?

De belangrijkere vragen worden:

Waaruit kwam mijn dienst voort?

Voor Wie deed ik het?

Bouwde ik overeenkomstig Gods Woord?

Zocht ik menselijke erkenning of de goedkeuring van Christus?

Was mijn arbeid werkelijk vrucht van het nieuwe leven?

Een indrukwekkend christelijk bouwwerk kan in menselijke ogen succesvol lijken en voor Gods beoordeling nauwelijks waarde blijken te hebben.

Omgekeerd kan een leven dat hier vrijwel niemand opmerkt voor Hem kostbaar zijn.

Dat zet onze menselijke maatstaven behoorlijk op hun kop.

Dit ontneemt de gelovige zijn zekerheid niet

Sommigen worden nerveus zodra er over verantwoordelijkheid, werken en beoordeling wordt gesproken.

Dat is begrijpelijk wanneer men nooit geleerd heeft onderscheid te maken tussen behoud en loon.

Maar juist dat onderscheid geeft rust.

Mijn behoudenis rust niet op de kwaliteit van mijn christelijke prestaties.

Mijn behoudenis rust op Christus.

Tegelijkertijd geeft die zekerheid mij geen vrijbrief om mijn leven te verspillen.

Integendeel.

Juist omdat ik niet meer hoef te werken voor mijn redding, ben ik vrijgemaakt om te leven en te dienen vanuit mijn redding.

Genade schakelt verantwoordelijkheid niet uit.

Genade maakt ware dienst juist mogelijk.

Misschien moeten we stoppen met vragen naar het minimum

Een merkwaardige vraag die soms impliciet boven het christelijke leven hangt, is:

Hoeveel moet ik eigenlijk doen als ik toch al behouden ben?

Maar iemand die begrijpt wat hem in Christus geschonken is, zou uiteindelijk een andere vraag moeten stellen:

Heer, wat wilt U met het leven dat U mij gegeven hebt?

Niet uit angst dat Christus ons anders afwijst.

Niet om alsnog onze plaats in de hemel te verdienen.

Niet om tegenover andere christenen iets te bewijzen.

Maar uit dankbaarheid, geloof en liefde.

Paulus zegt:

“Zo dan, mijn geliefde broeders, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.” (1 Korinthe 15:58, STV)

Niet ijdel.

Dat is de belofte.

Werk dat werkelijk in den Heere geschiedt, is niet vergeefs.

Wat bouw jij op het Fundament?

Misschien is dat uiteindelijk de vraag die deze leer zo persoonlijk maakt.

Wanneer Christus ons Fundament is, ligt onze eeuwige zekerheid niet in onszelf.

Maar op dat Fundament wordt gebouwd.

Dag na dag.

Met onze tijd.

Met onze mogelijkheden.

Met onze woorden.

Met onze keuzes.

Met de kennis die God ons uit Zijn Woord geeft.

Met de wijze waarop wij anderen dienen.

Met datgene wat wij doen wanneer niemand kijkt.

Er komt een moment waarop openbaar zal worden hoedanig ons werk is geweest.

Dan kunnen menselijke reputatie, kerkelijke status, aantallen, zichtbaarheid en succes ineens volkomen betekenisloos blijken.

Want het oordeel daarover ligt bij Christus.

Daarom is de leer over het loon geen bedreiging voor de genade.

Het is juist een krachtige aansporing voor hen die door genade reeds behouden zijn.

Je hoeft niet te werken om kind van God te worden.

Maar als je in Christus nieuw leven ontvangen hebt, doet het ertoe hoe je dat leven besteedt.

Er kan loon zijn.

Er kan vol loon zijn.

Er kan schade zijn.

Er kan iets verloren gaan.

En toch blijft het fundament staan:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.” (1 Korinthe 3:15, STV)

Dat is tegelijkertijd volmaakte genade en ernstige verantwoordelijkheid.

De vraag voor de wedergeboren gelovige is daarom niet alleen:

Ben ik behouden?

Maar ook:

Als straks blijkt wat ik op Christus gebouwd heb — wat zal er dan overblijven?

YouTube player
Geverifieerd door MonsterInsights