Alles geschonken: leven uit Gods beloften volgens 2 Petrus 1

Gods beloften in de Bijbel

2 Petrus 1:3 zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben, maar dat Hij het al “geschonken heeft”. Kennen wij eigenlijk de rijkdom en de beloften die God in Zijn Woord bekendgemaakt heeft? Misschien hebben we niet steeds iets nieuws nodig, maar moeten we leren leven uit wat God al geschonken heeft.

Wat meer heeft een christen eigenlijk nog nodig om een godvruchtig leven te kunnen leiden? Moeten we voortdurend bidden om meer kracht, een nieuwe zalving, een nieuwe aanraking of een bijzondere geestelijke toerusting? Of zegt de Bijbel iets heel anders en iets wat veel rijker is?

2 Petrus 1:3-4 geeft daarop een opvallend duidelijk antwoord. Petrus zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben. Hij zegt dat Gods Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Direct daarna spreekt hij over de “grootste en dierbare beloften” die ons geschonken zijn.

Dat maakt kennis van Gods beloften in de Bijbel geen aardige aanvulling op het christelijke leven. Wie niet weet wat God heeft beloofd en geschonken, kan daar ook niet uit leven.

En misschien verklaart dat waarom christenen soms wanhopig zoeken naar iets wat God hun allang gegeven heeft.

Gods beloften in 2 Petrus 1
Leven uit Gods beloften 2 Petrus 1

Alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort

Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

Het woord alles verdient onze aandacht.

Petrus schrijft niet dat God ons een eerste geestelijke aanbetaling heeft gegeven en dat wij later nog op zoek moeten naar het ontbrekende deel. Evenmin maakt hij onderscheid tussen gewone christenen en een geestelijke elite die iets extra’s heeft ontvangen.

God heeft “alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort” geschonken.

Ook Paulus gebruikt soortgelijke taal:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

Niet:

God zal ons misschien zegenen.

Niet:

God kan ons zegenen wanneer wij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Maar:

Hij heeft ons gezegend.

Het christelijke leven begint daarom niet bij de vraag hoe wij God ertoe kunnen brengen ons eindelijk voldoende te geven. Het begint bij het geloof dat God in Christus heeft voorzien.

 

Gods beloften kennen is noodzakelijk

Meteen na 2 Petrus 1:3 schrijft Petrus:

“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” (2 Petrus 1:4, STV)

Opnieuw gebruikt Petrus het woord geschonken.

God heeft niet alleen voorzien in alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, Hij heeft ons ook Zijn “grootste en dierbare beloften” gegeven.

Daarmee komen we bij een pijnlijk probleem.

Hoe kun je leven uit Gods beloften wanneer je Gods beloften nauwelijks kent?

Veel christenen kennen uitspraken van bekende sprekers, filmpjes op sociale media, persoonlijke profetieën en populaire christelijke slogans beter dan de beloften die gewoon onverbloemd in Gods Woord staan.

Maar geloof kan niet leven van geestelijke slogans.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17, STV)

Geloof heeft inhoud. God hééft gesproken en geloof vertrouwt op wat Hij gezegd heeft.

Daarom is Bijbelkennis geen hobby voor mensen die toevallig graag studeren.

Kennis van Gods Woord is noodzakelijk om uit Gods beloften te kunnen leven.

 

Wat je niet kent, kun je ook niet geloven

Een gelovige kan geestelijk arm leven terwijl hij in Christus rijk is.

Niet omdat God onvoldoende gegeven heeft, maar omdat de gelovige onvoldoende weet wat hij ontvangen heeft.

Dat is een belangrijk verschil.

Wie niet weet wat de Bijbel zegt over zijn positie in Christus, kan daar moeilijk uit leven. Wie Gods beloften niet kent, zal gemakkelijker heen en weer geslingerd worden door omstandigheden. En wie niet weet wat God daadwerkelijk gezegd heeft, wordt bovendien kwetsbaar voor mensen die namens God allerlei dingen beweren.

Daarom behoren Bijbelkennis, geestelijke groei en leven uit Gods beloften bij elkaar.

Het gaat niet om kennis om de kennis als doel opzich. Het doel is dat het Woord ons denken vormt, zodat ons geloof rust op wat God gezegd heeft.

 

“God heeft mij beloofd…”

Hier is enige nuchterheid nodig.

Er wordt in christelijke kring ontzettend veel aan God toegeschreven.

“God heeft tegen mij gezegd…”

“God liet mij zien…”

“God heeft iets bijzonders beloofd…”

“Ik kreeg een woord voor jou…”

“God zegt dat er een doorbraak aankomt…”

Het klinkt indrukwekkend. Maar ondertussen ligt er thuis misschien een vrijwel gesloten verstofte Bijbel.

Dat is op zijn minst merkwaardig.

Waarom zouden we voortdurend verlangen naar een nieuw persoonlijk “woord” terwijl we nauwelijks kennis hebben van het Woord dat God ons reeds gegeven heeft?

Petrus zelf had een buitengewone ervaring meegemaakt. Hij was getuige geweest van de majesteit van Christus op de berg en had de stem uit de hemel gehoord. Toch schrijft hij verderop in hetzelfde hoofdstuk:

“En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:19, STV)

Dat zou ons te denken moeten geven.

Wie Gods stem wil kennen, moet beginnen met aandacht te geven aan Gods Woord.

 

Niet iedere belofte in de Bijbel is automatisch mijn belofte

Er hoort echter een belangrijke waarschuwing bij een studie over Gods beloften in de Bijbel.

Niet iedere belofte die in de Bijbel staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gegeven.

God deed beloften aan Abraham. Hij deed concrete beloften aan Israël. Er zijn beloften die verband houden met het land, het Koninkrijk en Israëls toekomstige herstel.

Daarnaast vinden we wat God bekendmaakt over de positie en toekomst van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Daarom kunnen we niet willekeurig een mooie tekst aanwijzen en zeggen: “Die claim ik.”

De Schrift moet recht gesneden worden:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Bij iedere Bijbelse belofte moeten we daarom vragen:

Wat staat er precies?

Tegen wie wordt dit gezegd?

In welk verband staat deze belofte?

En mogen wij deze belofte rechtstreeks op onszelf toepassen?

Dat is geen gebrek aan geloof.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

 

Hebben christenen echt “meer van God” nodig?

Hier begint 2 Petrus 1:3 behoorlijk te schuren met bepaalde populaire christelijke ideeën.

Er wordt gesproken over “meer van God”, een “nieuwe zalving”, een “impartatie”, een “nieuwe aanraking” of een bijzondere bediening waardoor iemand geestelijk naar een hoger niveau zou kunnen worden gebracht.

Maar Petrus zegt:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…” (2 Petrus 1:3, STV)

Dan mag een eenvoudige vraag worden gesteld:

Welk gedeelte van “alles” ontbreekt er nog?

Dat is geen woordspelletje. Het is een serieuze leerstellige vraag.

Als Gods Goddelijke kracht alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort, waarom zou een gelovige dan afhankelijk gemaakt moeten worden van een “gezalfde” leider die hem iets zou moeten overdragen wat hij kennelijk nog mist?

Waarom een impartatie zoeken als Petrus zegt dat God voorzien heeft?

Waarom voortdurend zoeken naar “meer” zonder eerst te onderzoeken wat God volgens Zijn Woord reeds gegeven heeft?

De vraag is niet of een christen nog moet groeien. Natuurlijk moet hij groeien.

Maar geestelijke groei is iets anders dan geestelijk incompleet zijn.

 

Gods voorziening is niet het probleem

Misschien zoeken we daarom soms op de verkeerde plaats naar de oorzaak van geestelijke armoede.

We denken dat we iets missen. Petrus zegt dat God alles geschonken heeft.

We zoeken iets nieuws. Petrus wijst naar wat gegeven is.

We zoeken een nieuwe ervaring. Petrus spreekt over kennis.

We zoeken een nieuw woord. Petrus wijst naar

“het profetische Woord, dat zeer vast is”.

Misschien ontbreekt het ons niet aan geestelijke middelen, maar aan kennis van Gods beloften en vertrouwen op Gods Woord.

Dat is een wezenlijk verschil.

 

Leven uit Gods beloften betekent niet passief worden

Petrus laat geen ruimte voor de gedachte: als God alles geschonken heeft, hoef ik dus niets meer te doen.

Direct na vers 3 en 4 schrijft hij:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,” (2 Petrus 1:5, STV)

Vervolgens noemt Petrus matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen.

Hier vinden we een prachtig evenwicht.

Wat God schenkt, wordt de basis waarop de gelovige wandelt.

Wij werken niet om God ertoe te bewegen ons uiteindelijk voldoende geestelijke middelen te geven. Wij mogen leven vanuit wat Hij uit genade geschonken heeft.

Gods gave maakt onze verantwoordelijkheid niet overbodig. Zij maakt onze wandel mogelijk.

Dat is ook waarom kennis zo belangrijk is. Petrus spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over kennis. De christen groeit niet door steeds nieuwe geestelijke sensaties te verzamelen, maar door Christus te kennen en vanuit Gods waarheid te leven.

 

Nieuw leven, geen opgeknapte oude mens

Hierbij is ook belangrijk te beseffen wat God eigenlijk geschonken heeft.

Het Evangelie is niet Gods programma om de oude mens wat godsdienstiger te maken. Het gaat om nieuw leven.

Christus kwam niet maar ‘betere idealen’ aanbieden aan de oude Adamitische mens. De gelovige ontvangt nieuw leven in Christus.

Dat maakt het verschil enorm.

Het christelijke leven is niet:

“Ik probeer met Gods hulp een betere/de beste versie van mezelf te worden.”

Het begint bij wat God gedaan heeft en bij het leven dat Hij gegeven heeft.

Daarom is het steeds opnieuw nodig dat de gelovige leert zien wie hij in Christus is, wat God hem geschonken heeft en hoe hij daaruit mag leven.

 

Vergeet niet wat God gedaan heeft

Petrus zegt iets opvallends over de gelovige bij wie de genoemde vrucht ontbreekt:

“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.” (2 Petrus 1:9, STV)

Let vooral op dat laatste woord: vergeten.

Niet: nooit ontvangen.

Niet: nooit gereinigd.

Maar vergeten wat God gedaan heeft.

Dat geeft een verrassend perspectief op geestelijke armoede. Misschien hebben we niet altijd iets nieuws nodig. Misschien moeten we opnieuw leren verstaan wat God al gedaan en gegeven heeft.

Steeds iets nieuws zoeken terwijl we het oude vergeten zijn, is geen geestelijke groei.

Het kan juist geestelijke onvolwassenheid zijn.

 

Bijbels bidden vanuit Gods beloften

Betekent dit dat we niet meer om geestelijke dingen mogen bidden? Natuurlijk niet.

Maar bidden vanuit Gods beloften ziet er anders uit dan bidden alsof God ons voortdurend iets essentieels onthoudt.

Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” (Efeze 1:17-18, STV)

Let op: “opdat gij moogt weten“.

Paulus bidt voor gelovigen dat zij gaan verstaan welke rijkdom hun deel is.

Dat is iets anders dan voortdurend bidden alsof God die rijkdom nog moet schenken.

Een prachtig gebed zou daarom kunnen zijn:

“Vader, leer mij kennen wat U in Christus geschonken hebt. Leer mij Uw Woord verstaan. Leer mij Uw beloften geloven en leer mij daaruit leven.”

 

Stop met zoeken naar en vragen om wat God al geschonken heeft

2 Petrus 1:3-4 zet ons uiteindelijk voor een eenvoudige maar confronterende vraag.

Zoeken wij voortdurend naar iets nieuws, of leren wij leven uit hetgeen God heeft geschonken?

Misschien moeten we minder vragen:

“Waar kan ik meer ontvangen?”

En vaker:

“Wat zegt Gods Woord dat God mij reeds geschonken heeft?”

Minder jagen op geestelijke ervaringen en meer kennis van Christus.

Minder afhankelijkheid van mensen die zeggen iets bijzonders te kunnen overdragen en meer vertrouwen op Gods beloften in de Bijbel.

Minder

“God zei tegen mij…”

en meer:

“Er staat geschreven.”

Want geestelijke volwassenheid bestaat niet uit een verzameling spectaculaire ervaringen. Zij groeit door kennis van Christus, kennis van Zijn Woord, geloof in Zijn beloften en een wandel die daarmee overeenkomt.

Petrus laat daar weinig onduidelijkheid over bestaan:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

God heeft niet matig gegeven.

De vraag is of wij weten wat Hij geschonken heeft.

En wanneer wij onze rijkdom in Christus nauwelijks kennen, hebben we  niet in de eerste plaats een nieuwe zalving, nieuwe impartatie, nieuwe profetie of nieuwe geestelijke ervaring nodig.

Dan wordt het hoog tijd om onze Bijbel open te doen, Gods beloften te leren kennen, ze te geloven en daaruit te leven.

 

 

 

Geen second blessing, maar Christus

Geen second blessing : alles IS gegeven in Christus

Er is een vorm van christelijk jargon dat vroom klinkt, maar de gelovige én Christus schromelijk tekortdoet.

Je hebt Christus wel ontvangen, maar nog niet volledig
Je bent wel bekeerd, maar nog niet bekrachtigd.
Je bent wel gered, maar mist nog de doorbraak.
Je hebt wel de Geest, maar bent nog niet vervuld
Je hebt wel geloof, maar nog niet die zo noodzakelijke “second blessing”.

Onder dat soort taal zit een dubbele bodem. Christus wordt niet ronduit ontkend, maar Hij wordt wel aangevuld. Alsof de gelovige in Hem nog niet helemaal compleet is.

Alsof het leven met Christus pas echt begint na een tweede ervaring, een aparte geestesdoop, een speciale aanraking, een extra zalving of een geestelijke boost.

Maar Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;”
2 Petrus 1:3 (STV)

Dat ene woord zet een dikke streep door de hele gedachte van een noodzakelijke tweede zegen:

geschonken heeft

Niet: zal misschien later schenken als je je er maar naar uitstrekt.
Niet: schenkt aan gevorderde gelovigen.
Niet: geeft pas na een aparte ervaring.
Niet: bewaart dit voor wie door een bijzondere geestelijke poort gaat.

Maar:

geschonken heeft.

Wat heeft God geschonken?

Niet een beetje. Niet een startpakket. Niet een demo. Niet een halve uitrusting. Niet een geestelijke basisversie die later via een charismatische update moet worden uitgebreid.

Petrus zegt:

alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort.

Dat zegt alles.

Dat is een bom onder elk systeem dat de gelovige na Christus nog principieel onvolledig verklaart.

 

Geen tweede zegen
Geen tweede zegen

 

De gelovige krijgt geen uitgekleed startpakket

‘Second-blessing-denken’ werkt alsof de bekering slechts de voordeur is. Je bent binnen, maar je hebt nog geen stroom. Je bent gered, maar nog niet krachtig. Je hebt vergeving, maar nog niet de echte Geesteskracht. Je hebt Christus, maar het volle christelijke leven ligt nog achter een tweede ervaring.

Dan wordt het geloofsleven een jacht.

Een jacht op meer.
Meer kracht.
Meer zalving.
Meer ervaring.
Meer vuur.
Meer doorbraak.
Meer manifestatie.

En ergens onderweg raakt de blik op Christus verduisterd. Niet altijd met grote woorden. Soms heel subtiel. Christus blijft in de belijdenis staan, maar in de praktijk verschuift de aandacht naar de ervaring ná Christus.

Dan wordt de vraag niet meer: leef ik uit wat God in Christus gegeven heeft?

Maar: heb ik die extra ervaring al gehad?

Dat is ongezond. Dat is geestelijke onzekerheid in een vroom jasje.

Petrus zet de gelovige niet op zo’n loopband. Hij begint niet met een tekort, maar met een gave. Hij zegt niet: zoek eerst nog iets wat ontbreekt. Hij zegt: Gods Goddelijke kracht heeft ons alles geschonken wat tot leven en godzaligheid behoort.

Dat is de Bijbelse orde.

Eerst gave.
Dan groei.
Eerst Christus.
Dan vrucht.
Eerst geschonken rijkdom.
Dan geestelijke oefening.

 

Groei is geen bewijs dat er eerst iets ontbrak

Natuurlijk moet een gelovige groeien. Petrus ontkent dat niet. Integendeel, hij werkt het direct uit:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,”
2 Petrus 1:5 (STV)

Daarna noemt hij matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde. Er is dus groei. Er is oefening. Er is geestelijke vorming. Er is strijd tegen zonde. Er is verdieping in kennis. Er is toenemende vrucht.

Maar die groei komt niet voort uit een ontbrekend fundament. Die groei komt voort uit een geschonken volheid.

Dat verschil is enorm.

De second-blessing-gedachte zegt in feite: je mist nog iets wezenlijks, dus zoek een tweede ervaring.

Petrus zegt: je hebt in Gods kracht alles ontvangen wat tot leven en godzaligheid behoort, breng daarom alle naarstigheid toe.

Dat is geen passiviteit. Dat is ook geen dode orthodoxie. Dat is juist gezond geestelijk leven. Niet jagen op een ontbrekende zegen, maar wandelen uit een ontvangen zegen.

Niet zoeken naar een tweede fundament, maar bouwen op het ene fundament: Christus.

 

Geen bonuspakket voor gevorderden

Een van de grote problemen in veel charismatische en pinksterachtige schema’s is dat de Heilige Geest praktisch wordt losgemaakt van de bekering tot Christus. Men zegt dan wel dat iedere gelovige de Geest heeft, maar tegelijk wordt geleerd dat er nog een aparte doop met de Geest nodig is om werkelijk krachtig, vrijmoedig of volledig toegerust te zijn.

Daarmee ontstaat een tweedeling onder gelovigen.

Gewone christenen.
En Geestgedoopte christenen.
Christenen met basisgeloof.
En christenen met kracht.
Mensen die Christus hebben.
En mensen die de volle ervaring hebben.

Maar Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.”
1 Korinthe 12:13 (STV)

Let op:

wij allen

Niet een geestelijke elite. Niet een aparte categorie overwinningschristenen. Niet alleen mensen met een indrukwekkend getuigenis over een latere ervaring. Allen die tot het lichaam van Christus behoren, zijn door één Geest tot dat ene lichaam gedoopt.

De Geest is geen bonuspakket voor gevorderden. Hij is niet de losse powerbank die je na je bekering nog moet aansluiten. Hij is de Geest van Christus, door Wie de gelovige tot Christus behoort.

Paulus schrijft ook:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;”
Efeze 1:13 (STV)

De verzegeling met de Heilige Geest wordt hier verbonden met het geloof in het Evangelie. Niet met een later geestelijk examen. Niet met een tweede crisiservaring. Niet met een aparte bijeenkomst waarin iemand eindelijk “meer” ontvangt.

De Geest verzegelt de gelovige in Christus.

Dat is geen armoedige waarheid. Dat is rijkdom.

 

Kolossenzen laat geen ruimte voor geestelijke tekorten in Christus

Paulus is in Kolossenzen scherp omdat hij precies dit gevaar ziet: Christus plus iets.

Christus plus filosofie.
Christus plus menselijke inzettingen.
Christus plus geestelijke tussenmachten.
Christus plus ascese.
Christus plus religieuze regels.
Christus plus ervaringen.

En dan schrijft hij:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;”
Kolossenzen 2:10 (STV)

“In Hem volmaakt.”

Niet in Hem begonnen, maar elders compleet gemaakt.
Niet in Hem gered, maar door een tweede zegen geestelijk afgemaakt.
Niet in Hem aangenomen, maar pas door een aparte zalving bruikbaar.

Nee:

in Hem volmaakt.

Dat betekent niet dat de gelovige in zichzelf al volmaakt leeft. Dat is duidelijk niet zo. De gelovige moet groeien, leren, strijden, belijden, zich bekeren, volharden. Maar zijn positie, zijn geestelijke grond en zijn volledige toerusting liggen in Christus.

Wie daar iets noodzakelijks naast zet, maakt Christus praktisch kleiner.

Dat is de ernst.

Niet elke taal over “meer van God” is verkeerd. Een gelovige mag verlangen naar meer kennis, grotere gehoorzaamheid, meer liefde, meer vrijmoedigheid, meer vrucht. Maar zodra “meer van God” betekent dat Christus nog niet genoeg is, zijn we van de Bijbelse weg af.

Dan wordt verlangen vermomd als tekortleer.

 

De Bijbel roept op tot vervulling met de Geest

Soms wordt tegengeworpen: maar Paulus zegt toch dat wij vervuld moeten worden met de Geest?

Zeker.

“En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;”
Efeze 5:18 (STV)

Maar dat is iets radicaal anders dan een eenmalige tweede geestesdoop als noodzakelijke aanvulling op de bekering. Vervulling met de Geest heeft te maken met wandelen onder Zijn leiding, leven in gehoorzaamheid, spreken tot elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, dankzegging en onderwerping in de vreze Gods.

Het is geen tweede fundament. Het is de dagelijkse werking van de Geest in het leven van wie Christus toebehoort.

Daar zit het verschil.

De Bijbel leert wel: wandel door de Geest.
De Bijbel leert wel: bedroef de Geest niet.
De Bijbel leert wel: wordt vervuld met de Geest.
De Bijbel leert wel: leef niet naar het vlees.
De Bijbel leert wel: breng vrucht voort.

Maar de Bijbel leert niet dat de gelovige na zijn bekering nog een aparte, noodzakelijke tweede geestesdoop moet ontvangen om ‘eindelijk compleet’ te zijn.

Dat is een systeem dat teksten op elkaar stapelt, vooral uit Handelingen, en vervolgens de brieven van de apostelen onder druk zet. Maar de leerstellige uitleg voor de gemeente vinden we juist helder in de brieven.

En daar klinkt de lijn steeds opnieuw:

In Christus ontvangen.
Door de Geest verzegeld.
Tot één lichaam gedoopt.
In Hem volmaakt.
Alles geschonken wat tot leven en godzaligheid behoort.

 

‘Second-blessing-denken’ maakt gelovigen onzeker en afhankelijk van ervaring

Het klinkt misschien vurig, maar het maakt vaak onzeker.

Want wanneer heb je genoeg ontvangen?
Wanneer was je ervaring echt?
Was die emotie van God of van jezelf?
Waarom voel je nu minder dan toen?
Waarom spreek jij niet in tongen?
Waarom ervaar jij geen vuur?
Waarom lijkt een ander verder?
Waarom blijft jouw strijd bestaan?

Zo ontstaat geestelijke klassevorming. De ene gelovige staat op het podium als bewijs van kracht. De ander zit in de zaal en vraagt zich af wat hij mist.

Maar het probleem is niet dat hij Christus mist. Het probleem is dat hij verkeerd is onderwezen over wat hij in Christus ontvangen heeft.

Petrus begint niet met geestelijke jaloezie. Hij begint met zekerheid.

Gods Goddelijke kracht heeft geschonken.
Alles wat tot leven en godzaligheid behoort.
Door de kennis van Hem.

Dat haalt de gelovige niet uit de strijd, maar het zet hem wel op vaste grond. Hij hoeft niet te bedelen om een tweede fundament. Hij mag leren leven uit het ene Fundament dat God Zelf gelegd heeft.

 

De duivel wint terrein als Christus niet genoeg lijkt

De gevaarlijkste dwaling is niet altijd de dwaling die Christus openlijk ontkent. Soms is het de dwaling die Christus prijst, maar Hem ondertussen aanvult.

Christus én een tweede zegen.
Christus én een aparte geestesdoop.
Christus én een speciale zalving.
Christus én een ‘profetische activatie.’
Christus én een impartatie.
Christus én een geestelijke doorbraakformule.

Dat klinkt vol. In werkelijkheid wordt het leeg.

Want zodra Christus niet genoeg lijkt, wordt de gelovige vatbaar voor geestelijke marktkooplui. Voor mensen die beloven wat God al gegeven heeft. Voor systemen die tekorten creëren en daarna hun eigen methode aanbieden als oplossing.

Dat is tricky.

Wie gelovigen eerst wijsmaakt dat zij iets wezenlijks missen, gaat daarna bepalen waar zij het moeten halen. Bij een spreker. Bij een conferentie. Bij handoplegging. Bij een cursus. Bij een “gezalfde” bediening. Bij een ervaring die steeds opnieuw moet worden nagejaagd.

Maar Petrus roeit dat gedachtengoed uit bij de wortel.

Alles is geschonken door Gods Goddelijke kracht, door de kennis van Hem.

Niet door de kennis van een methode.
Niet door de aanraking van een bijzondere prediker.
Niet door een sfeer.
Niet door muziek.
Niet door groepsdruk.
Niet door manifestaties.

Door de kennis van Hem.

 

Echte geestelijke kracht richt op Christus

De Heilige Geest maakt Christus groot. Hij trekt de aandacht niet los van Christus naar losse krachtservaringen. De Geest bindt aan het Woord, verheerlijkt Christus, werkt geloof, overtuigt van zonde, leidt in waarheid, vormt vrucht en doet de gelovige leven tot eer van God.

Daarom is het verdacht wanneer “Geesteswerk” vooral draait om het bijzondere, het zichtbare, het voelbare en het spectaculaire.

Niet omdat God niet machtig is.
Niet omdat God niet kan ingrijpen.
Niet omdat het christelijk leven koud en verstandelijk moet zijn.

Maar omdat de Bijbel ons niet leert leven op ‘wat voor ogen is’, maar uit geloof in Gods geopenbaarde waarheid.

Een gelovige leeft niet van kippenvel.
Niet van druk op het voorhoofd.
Niet van omvallen.
Niet van een zaal vol kabaal.
Niet van een profetisch woord dat hem even optilt.
Niet van de volgende geestelijke injectie.

Hij leeft uit Christus.

En daarom heeft hij Bijbelkennis nodig. Niet als droge theorie, maar als bescherming. Wie niet weet wat God werkelijk geschonken heeft, is kwetsbaar voor iedereen die beweert dat er nog iets ontbreekt.

 

Niet armer, maar rijker

Sommigen zullen zeggen: sloop je hiermee niet de verwachting uit het geloofsleven?

Nee. Je haalt de kramp eruit.

Het is niet arm om te zeggen dat de gelovige alles al in Christus ontvangen heeft. Het is enorm rijk.

Het is niet minder geestelijk om een noodzakelijke second blessing af te wijzen. Het is daarentrgen geestelijk volwassen omdat je weigert de volheid in Christus te verkleinen.

Het is niet koud om te zeggen dat de Geest iedere gelovige verzegelt en inlijft in het lichaam van Christus. Het is troostrijk. Het is vast. Het is Bijbels.

De gelovige hoeft niet te leven als iemand die nog wacht op zijn kickstart. Hij mag leven als iemand die in Christus gezegend is en daarom geroepen wordt om te wandelen waardiglijk.

Dat geeft rust én ernst.

Rust, omdat het fundament niet in mijn ervaring ligt.
Ernst, omdat ik geroepen ben te leven uit wat God gegeven heeft.

 

De goede vraag

De vraag is dus niet: heb jij ‘de second blessing’ al ontvangen?

De goede vraag is:

Leef jij uit Christus, in Wie God alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort?

Dat is scherp.En Bijbels,.

Want het gevaar van second-blessing-denken is dat het de gelovige naar binnen jaagt: heb ik genoeg ervaren, genoeg gevoeld, genoeg ontvangen?

De Schrift richt hem naar boven: zie op Christus.

Daar ligt de volheid.
Daar ligt de kracht.
Daar ligt het leven.
Daar ligt de godzaligheid.
Daar ligt de zekerheid.

Niet in een tweede zegen naast Hem, maar in Hem Zelf.

2 Petrus 1:3 is een Bijbelse muur tegen elke vorm van ‘geestelijke tekortleer’ die de gelovige na Christus nog afhankelijk maakt van een tweede, noodzakelijke ervaring.

Gods Goddelijke kracht heeft geschonken.

Alles.

Wat tot het leven en de godzaligheid behoort.

Door de kennis van Hem.

Wie dat serieus neemt, hoeft de Heilige Geest niet kleiner te maken. Integendeel. Hij eert juist het werk van de Geest door te erkennen dat de Geest de gelovige niet naar een losse ervaring leidt, maar naar Christus en Zijn volheid.

Geen second blessing als ontbrekende schakel.

Geen geestelijke upgrade bovenop Christus.

Geen verheven categorie van gelovigen die ‘echt de Geest’ zouden hebben.

Maar

De Geest, geschonken aan wie gelooft.
Gods kracht, werkzaam in wie Hem toebehoren
En een gelovige die niet jaagt op een ontbrekend fundament, maar leert wandelen uit wat hem in Christus geschonken is.

 

Lees ook (extern):

Bijbelstudie: Het onderpand der erfenis – Bijbels Panorama.

“Laat het los, laat God het doen!” … en waarom dat een slecht idee is – Geloofstoerusting

Christelijke Apologeet | Is de doop met de Heilige Geest een ‘second blessing’?

Jeugdige overmoed en geldingsdrang in de gemeente

Jeugdige overmoed en geldingsdrang in de gemeente

Wanneer vurigheid groter is dan kennis, inzicht en levenservaring

Elke generatie kent het: jonge gelovigen die tot geloof komen of nieuwe theologische inzichten ontdekken en daar vol vuur voor gaan staan. Dat is prachtig. IJver voor Gods Woord is een zegen.

Ik ken het verschijnsel van dichtbij, heb destijds ook de brokstukken gezien, die nu na bijna 40 jaar nog hun sporen nalaten.

Wanneer kennis, geestelijk inzicht en levenservaring nog beperkt zijn, kan datzelfde vuur omslaan in overmoed. Dan wordt overtuiging hardheid. Dan wordt helderheid stelligheid. Dan wordt strijdlust identiteit.

De Schrift waarschuwt daar eerlijk en realistisch voor.

Veel overtuiging, weinig diepte

Wie net nieuwe inzichten heeft ontdekt – bijvoorbeeld rond Wet en Genade, Israël en de Gemeente, of een andere leer – kan het gevoel hebben eindelijk “het geheel” te zien.

Maar Paulus zegt:

“Want wij kennen ten dele.” (1 Korinthe 13:9, StV)

Niemand overziet het geheel volledig. Wie nog weinig studie, worsteling en correctie achter de rug heeft, ziet vaak slechts een deel van het geheel – maar ervaart dat deel als alles.

Dat kan leiden tot:

  • snelle conclusies
  • harde kwalificaties
  • weinig geduld met andersdenkenden

Niet uit slechte intenties, maar uit gebrek aan rijpheid.

Onvoldoende levenservaring en de valkuilen

Levenservaring breekt zelfverzekerdheid af.

Wie nog weinig correctie heeft ontvangen, weinig mislukkingen heeft meegemaakt of weinig geestelijke groei heeft doorgemaakt, kan denken dat waarheid vooral een kwestie is van scherp formuleren.

Maar waarheid wordt dieper begrepen in:

  • lijden
  • teleurstelling
  • falen
  • (af)wachten

Spreuken 18:13 zegt:

“Die antwoord geeft eer hij hoort, dat is hem dwaasheid en schande.” (STV)

Onervarenheid reageert snel.
Rijpheid luistert eerst. En onderzoekt.

Geldingsdrang als verborgen motor

Soms speelt er iets subtielers mee: de behoefte om gezien of gehoord te worden.

Wanneer iemand nog geen volwassenheid, gevestigde positie, ervaring of diepte heeft, kan felheid een manier worden om gewicht te krijgen. Sterke woorden wekken indruk.

Maar indruk maken is niet hetzelfde als geestelijk bouwen.

“De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.” (1 Korinthe 8:1, STV)

Opgeblazenheid klinkt vaak als zekerheid.
Maar zij mist de stille kracht en grote waarde van nederigheid.

Testosteron en strijdlust

Vooral bij jonge mannen kan natuurlijke strijdlust een rol spelen. Debat voelt als uitdaging. Tegenstand geeft adrenaline. Overwinning geeft voldoening.

Maar de Schrift zegt:

“En een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen.” (2 Timotheüs 2:24, STV)

Strijdlust is niet automatisch geestelijke moed.
Beheersing is een veel sterker bewijs van volwassenheid.

Waar testosteron de boventoon voert en zachtmoedigheid ontbreekt, ontstaat schade:

  • broeders worden verdacht gemaakt
  • leerstellige verschillen escaleren
  • gesprekken verharden
  • het getuigenis lijdt

Gebrek aan zelfkennis

Een van de duidelijkste kenmerken van geestelijke onrijpheid is overschatting van het eigen inzicht.

Romeinen 12:3 zegt:

“… dat hij niet wijzer zij dan men behoort wijs te zijn, maar dat hij wijs zij tot matigheid.” (STV)

Wie zichzelf nog niet goed kent, spreekt vaak stelliger dan hij behoort.
Wie zijn eigen beperkingen leert zien, wordt milder.

Die mildheid is geen zwakte.
Het is kracht onder controle.

Hoe groeit echte volwassenheid?

Geestelijke volwassenheid groeit langzaam.

Dat ontstaat door:

  • langdurige omgang met de Schrift
  • correctie durven aanvaarden
  • fouten erkennen
  • luisteren naar oudere, volwassen gelovigen
  • leren zwijgen wanneer spreken niet nodig is

Jakobus 1:19 zegt:

“Een ieder mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn.” (STV)

Dat vers is een correctie op jeugdige overmoed.

Jeugdige ijver kan kostbaar zijn. Maar zonder diepgang gevaarlijk worden.

Wanneer kennis, inzicht en levenservaring nog beperkt zijn, kan:

  • overmoed ontstaan
  • geldingsdrang de toon bepalen
  • strijdlust het gesprek domineren
  • broederliefde onder druk komen te staan

Ware geestelijke volwassenheid is niet luid, niet fel, niet voortdurend strijdend.

Maar:

vast in overtuiging,
zacht in toon,
bereid om te leren,
en geworteld in nederigheid.

Wie nog weinig weet, hoeft zich niet te bewijzen.
Wie blijft groeien, zal vanzelf dieper worden, en tegelijk ook milder.

Geverifieerd door MonsterInsights