Het onderscheid tussen Handelingen en de brieven

Voor wie wil weten wat de Bijbel zegt over het ontvangen van de Heilige Geest, is het essentieel om te weten dat het boek Handelingen een historisch overgangsboek is. Handelingen beschrijft de overgang van de bedeling van de Wet en het Jodendom naar de bedeling van Genade en het ontstaan van de Gemeente.
De apostel Paulus vraagt aan discipelen in Efeze:
“Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben niet eens gehoord, of er een Heilige Geest is.” (Handelingen 19:2 STV)
Handelingen beschrijft gelovigen die de Nazarener-gelofte afleggen en hun haar laten knippen om op het altaar in Jeruzalem te offeren (Handelingen 21:23-26).
Apollos was een vurig prediker, maar kende aanvankelijk alleen de doop van Johannes de Doper (Hand. 18:24-26). Priscilla en Aquilla moesten hem de weg van God nauwkeuriger uitleggen.
De twaalf mannen in Efeze (Handelingen 19:1-7) noemden zich wel ‘discipelen’ (leerlingen), maar zij kenden alleen de doop van Johannes en hadden nog niet gehoord van de volbrachte verlossing en de uitstorting van de Heilige Geest. Pas nadat Paulus hen over de Heere Jezus onderwees, kwamen zij tot geloof en ontvingen zij de Geest.

De ontsluiting van het Evangelie in Handelingen
In Handelingen zien we hoe het Evangelie stapsgewijs werd geopend voor verschillende groepen:
De Joden in Jeruzalem op de Pinksterdag (Handelingen 2:1-4).
De Samaritanen (Handelingen 8:14-17).
De Heidenen in het huis van Cornelius (Handelingen 10:44-48).
Bij al deze sleutelmomenten was de apostel Petrus aanwezig, aan wie de Here Jezus de sleutels van het Koninkrijk der hemelen had toevertrouwd (Matthéüs 16:19). Toen Petrus dit later in Jeruzalem uitlegde, erkende de gemeente dat God ook aan de heidenen de bekering tot het leven had geschonken (Handelingen 11:18).
Ontvangst door geloof
Waar Handelingen de historische overgang beschrijft, ontvouwen de brieven van Paulus de gezonde leer voor de Gemeente. Paulus leert dat elke gelovige op het moment van zijn bekering de Heilige Geest ontvangt.
Sterker gezegd:
Wie de Geest niet heeft , is geen eigendom van Christus
“Doch gij zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.” (Romeinen 8:9 STV)
Verzegeld op het moment van geloof
“In Welken gij ook zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, geloofd hebbende, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” (Efeze 1:13 STV)
Gedoopt tot één Lichaam
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13 STV)
Door deze doop met de Heilige Geest wordt de gelovige uit de oude staat (“in Adam”) overgeplaatst in de nieuwe staat (“in Christus”):
“Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20)
Het lichaam als tempel van de Geest
“Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Denwelken gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?” (1 Korinthe 6:19 STV; zie ook 2 Korinthe.6:16)
De Eenheid van de Geest en de opdracht tot vervulling
In Efeze 4:4-6 vat Paulus de geestelijke werkelijkheid van de bedeling van Genade samen:
“Één lichaam is het, en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt in één hoop uwer roeping; Één Heere, één geloof, één doop, Één God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.”
Hoewel het bezit van de Heilige Geest vaststaat vanaf het moment van geloof, is er de voortdurende opdracht voor de wandel:
Vervuld zijn met de Geest wil zeggen dat de Geest de leiding over ons denken, spreken en handelen heeft. Dit openbaart zich praktisch in:
Een hart vol lofprijzing en dankbaarheid (Efeze. 5:19-20 STV).
Onderlinge eerbied en onderdanigheid (Efeze 5:21 STV)
Praktische dienstbaarheid in het dagelijks leven (zoals de zeven diakenen in Handelingen 6:3).
Het waarneembare bewijs van de inwoning van de Geest
De Here Jezus zei over de Heilige Geest:
“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en het u verkondigen” (Johannes 16:14 STV)
Het bewijs dat iemand de Heilige Geest bezit, is dus niet het zoeken naar eigen eer of bijzondere verschijnselen, maar een onweerstaanbaar verlangen om de Here Jezus Christus groot te maken. Stefanus is daar een sprekend voorbeeld van: toen hij vol was van de Heilige Geest, sprak hij niet over zichzelf, maar getuigde hij enkel van Jezus Christus en zag hij de hemel geopend.
Het doel van Gods raadsbesluit staat vast:
“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid van God den Vader.” (Filippenzen 2:11 STV)
lees ook:
Een aparte doop in de Geest, leert de Bijbel dit?