Psalm 103: Vergeet geen van Zijn weldaden

Loof de Heere mijn ziel

Psalm 103 is een van die Psalmen die mij steeds weer bijzonder raakt als ik hem lees. In deze blog over Psalm 103 zien we hoe David zichzelf oproept de HEERE te loven en géén van Zijn weldaden te vergeten. De hele Psalm is een indrukwekkende lofzang op Gods vergeving, barmhartigheid, goedertierenheid en trouw.

“Loof den HEERE, mijn ziel…” (Psalm 103:1, STV)

en aan het einde opnieuw:

“Loof den HEERE, mijn ziel.” (Psalm 103:22, STV)

David begint niet bij anderen. Hij spreekt allereerst zichzelf aan.

“Mijn ziel, loof den HEERE.”

Niet alleen wanneer de omstandigheden goed zijn. Niet alleen wanneer hij zich ernaar voelt:

“Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.” (Psalm 103:1, STV)

Al wat binnen in mij is.

Dat is volledige overgave. Geen reserves. Heel zijn innerlijke mens roept hij op om God te loven.

oof den HEERE, mijn ziel en vergeet geen van Zijn weldaden
Psalm 103 Vergeet geen van Zijn weldaden

Vergeet Zijn weldaden niet

Dan volgt in vers 2 voor mij persoonlijk een heel belangrijke aansporing:

“Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;” (Psalm 103:2, STV)

Vergeet niet.

Wat zijn wij daar van nature gemakkelijk toe geneigd.

We weten meestal precies wat ons ontbreekt. We herinneren ons onze teleurstellingen, onze pijn, onze onbeantwoorde vragen en onze zorgen.

Maar wat God heeft gedaan? Zijn bewaring? Zijn Genade? Zijn trouw? Zijn vergeving?

David zegt het tegen zichzelf: ziel, vergeet dat niet!

Dat spreekt mij persoonlijk erg aan. Het is goed om bewust terug te denken aan, en stil te staan bij wat God al heeft gedaan. Niet alleen in algemene zin, maar ook heel persoonlijk. Waar heeft Hij gedragen? Waar heeft Hij bewaard? Waar heeft Hij voorzien? En boven alles: wat heeft Hij in Christus geschonken?

Lofprijzing wordt hier dus gevoed door herinnering.

 

Die al uw ongerechtigheid vergeeft

Dan begint David Gods weldaden op te sommen:

“Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw krankheden geneest;” (Psalm 103:3, STV)

Opvallend is dat hij begint met vergeving.

Dat is niet toevallig.

De grootste nood van de mens is uiteindelijk niet zijn lichamelijke zwakheid, zijn moeilijke omstandigheden of zelfs zijn sterfelijkheid. Zijn diepste probleem is zijn zonde tegenover God.

En dáár begint Gods grote Genade.

“Die al uw ongerechtigheid vergeeft.”

Dat is gigantisch.

Niet een stukje. Niet alleen de fouten die wij zelf nog betrekkelijk klein vinden. David noemt hier

al uw ongerechtigheid.

Daarna noemt hij het genezen van krankheden. Zonde en ziekte zijn niet sec hetzelfde en deze woorden moeten daarom niet zonder meer als synoniemen worden behandeld. Wel behoren ziekte, zwakheid en sterfelijkheid tot die gebroken werkelijkheid die door de zondeval in de wereld gekomen is.

God is niet alleen Degene Die vergeeft. Hij is ook Degene van Wie herstel en genezing uiteindelijk afkomstig zijn.

En eens zal voor Gods verlosten iedere consequentie van de gevallen schepping voorgoed weggedaan zijn.

 

Verlost van het verderf

Die gedachte gaat verder in vers 4:

“Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;” (Psalm 103:4, STV)

Hier wordt het nog groter.

Hij vergeeft.

Hij geneest.

Hij verlost.

En Hij kroont.

Wát een beschrijving van Gods Genade.

De mens heeft van zichzelf geen kroon verdiend. Integendeel. Maar God omringt hem met “goedertierenheid en barmhartigheden”.

Dát is Genade in een notendop.

Niet ontvangen wat wij vanwege onze zonde verdiend hebben, en vervolgens uit Gods hand ontvangen wat wij nooit hadden kunnen verdienen.

 

Verzadigt met het goede

Vers 5 vervolgt:

“Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.” (Psalm 103:5, STV)

God geeft niet met mate.

Hij verzadigt.

Er zit in deze eerste verzen een prachtige opeenvolging:

Hij vergeeft.

Hij geneest.

Hij verlost.

Hij kroont.

Hij verzadigt.

De aandacht ligt voortdurend bij wat Hij doet.

Daar ligt ook de grond van deze lofprijzing. Niet in wat wij voor God tot stand brengen, maar allereerst in Wie Hij is en wat Hij doet.

 

De HEERE doet gerechtigheid

Vanaf vers 6 verruimt David zijn blik.

“De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen die onderdrukt worden.” (Psalm 103:6, STV)

God is niet alleen goed; Hij is óók rechtvaardig.

Dat hoort bij elkaar.

Wij zetten goedheid en oordeel soms tegenover elkaar, maar de Bijbel doet dat niet. Juist omdat God goed is, haat Hij het kwaad. Juist omdat Hij rechtvaardig is, ziet Hij de onderdrukte niet over het hoofd.

Vers 7 herinnert vervolgens aan Gods handelen met Israël:

“Hij heeft Mozes Zijn wegen bekendgemaakt, den kinderen Israëls Zijn daden.” (Psalm 103:7, STV)

David baseert zijn lofprijzing dus niet alleen op persoonlijke ervaring.

Hij kijkt naar Gods geopenbaarde handelen in de geschiedenis.

Dat is belangrijk.

Ons geloof rust uiteindelijk niet op ons gevoel van vandaag. God heeft Zich bekendgemaakt. Hij heeft gesproken. Hij heeft gehandeld.

 

Barmhartig en genadig

Dan komen we bij misschien wel een van de mooiste  en krachtigste samenvattingen van Gods karakter in deze Psalm:

“Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.” (Psalm 103:8, STV)

Barmhartig.

Genadig.

Lankmoedig.

Groot van goedertierenheid.

Dat betekent niet dat God zonde onbelangrijk vindt. Integendeel. Tegen de achtergrond van Zijn heiligheid wordt Zijn Genade zo groot.

Vers 9 zegt:

“Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.” (Psalm 103:9, STV)

Gods toorn is geen grillige menselijke drift. Zijn oordeel is rechtvaardig.

Maar David weet ook: Gods handelen met degenen die Hem vrezen wordt gekenmerkt door barmhartigheid.

En dan komt vers 10:

“Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.” (Psalm 103:10, STV)

Als God met ons zou handelen naar wat onze zonden verdienen, wie zou dan kunnen bestaan?

Dat is misschien wel een van de meest verootmoedigende gedachten van deze Psalm.

Wij leven niet van onze verdiensten.

Wij leven van Genade.

 

Zo hoog de hemel is

David zoekt vervolgens naar beelden om die goedertierenheid onder woorden te brengen.

En eigenlijk schieten woorden tekort.

“Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen die Hem vrezen.” (Psalm 103:11, STV)

Hoe groot is Gods goedertierenheid?

Kijk omhoog.

Kun je de afstand meten?

Zo spreekt David over Gods goedertierenheid.

Maar dan komt misschien een nog indrukwekkender beeld:

“Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.” (Psalm 103:12, STV)

Niet een paar meter.

Niet tijdelijk uit het zicht.

Zo ver het oosten is van het westen.

God vergeeft niet zoals mensen soms vergeven: “Ik vergeef het je, maar ik kan het niet vergeten.”

Hij doet de overtredingen weg.

Wat een rust ligt daarin.

 

Zoals een vader zich ontfermt

Daarna verandert het beeld opnieuw.

Van de hemel en de horizon gaat David naar een vader en zijn kinderen.

“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen die Hem vrezen.” (Psalm 103:13, STV)

God kent onze zwakheid.

Hij weet precies wat wij zijn.

“Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.” (Psalm 103:14, STV)

Dat vind ik bijzonder troostvol.

God overschat onze kracht niet.

Wij doen dat zelf vaak wel.

Wij denken misschien dat wij altijd sterk moeten zijn, alles moeten begrijpen, alles moeten aankunnen en altijd overeind moeten blijven.

God weet beter.

Hij weet dat wij stof zijn.

Dat is geen excuus voor ongeloof of ongehoorzaamheid. Maar het is wel een geweldige troost voor de zwakke mens die op Hem vertrouwt.

Onze zwakheid verrast Hem niet.

 

Gras en bloemen

Dan plaatst David de mens tegenover Gods eeuwigheid.

“De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.” (Psalm 103:15, STV)

Een bloem kan prachtig zijn.

Maar heel kort.

“Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.” (Psalm 103:16, STV)

Dat houdt ons een spiegel voor.

Wij kunnen ons leven ontzettend belangrijk vinden. Onze plannen. Onze bezittingen. Onze positie. Onze zorgen.

Maar hoe lang duurt een mensenleven eigenlijk?

Een korte bloeitijd.

Een windvlaag.

En het is voorbij.

Maar dan staat daar dat prachtige woord aan het begin van vers 17:

Maar.

“Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen…” (Psalm 103:17, STV)

Wij zijn tijdelijk.

Hij is eeuwig.

Ons leven is vluchtig.

Zijn goedertierenheid niet.

Onze kracht neemt af.

Zijn trouw niet.

Alles aan ons leven verandert, maar Zijn goedertierenheid is

“van eeuwigheid en tot eeuwigheid”.

Wat een tegenstelling.

 

Zijn troon staat vast

En dan tilt de Psalm onze blik helemaal omhoog.

“De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.” (Psalm 103:19, STV)

Dat is uiteindelijk de grond onder alles wat eraan voorafging.

God is ‘in control’.

Zijn troon wankelt niet.

Zijn Koninkrijk wordt niet bedreigd.

Hij is niet afhankelijk van menselijke macht, omstandigheden of ontwikkelingen op aarde.

“Zijn Koninkrijk heerst over alles.”

Ook wanneer wij niet begrijpen wat er gebeurt.

Ook wanneer het leven anders loopt dan wij hadden gedacht.

Ook wanneer wij onze eigen zwakheid nadrukkelijk ervaren.

Zijn troon staat vast.

 

En dan moet alles Hem loven

De Psalm begon heel persoonlijk:

“Loof den HEERE, mijn ziel.”

Maar nu wordt de kring steeds wijder.

Eerst:

“Looft den HEERE, Zijn engelen…” (Psalm 103:20, STV)

Dan:

“Looft den HEERE, al Zijn heirscharen…” (Psalm 103:21, STV)

En tenslotte:

“Looft den HEERE, al Zijn werken, aan alle plaatsen Zijner heerschappij.” (Psalm 103:22, STV)

De lofprijzing die begon in het binnenste van één mens vult uiteindelijk als het ware de hele schepping.

Engelen.

Heirscharen.

Dienaars.

Al Zijn werken.

Overal waar Zijn heerschappij is.

En waar is die heerschappij?

Over alles.

Maar opmerkelijk genoeg eindigt David precies waar hij begon.

Na die enorme oproep aan heel de schepping zegt hij opnieuw tegen zichzelf:

“Loof den HEERE, mijn ziel.” (Psalm 103:22, STV)

Alsof hij zegt:

Laat de engelen Hem loven.

Laat Zijn heirscharen Hem loven.

Laat heel Zijn schepping Hem loven.

Maar mijn ziel, vergeet jij het vooral niet.

 

Vergeet geen van Zijn weldaden

Misschien is dat voor mij wel de kern van deze hele Psalm.

Vergeet niet.

Wanneer het leven moeilijk is: vergeet niet.

Wanneer je zwak bent: vergeet niet.

Wanneer je gebeden nog niet verhoord lijken: vergeet niet.

Wanneer je terugkijkt op je leven: vergeet niet.

Hij vergeeft.

Hij verlost.

Hij ontfermt Zich.

Hij weet dat wij stof zijn.

Zijn goedertierenheid is van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Zijn troon staat vast.

Zijn Koninkrijk heerst over alles.

Daarom:

“Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.” (Psalm 103:2, STV)

Nader tot God: vind genade, barmhartigheid en hulp bij Hem

En daar kun je 24/24 terecht

Er zijn momenten waarop je niet precies weet wat je nodig hebt. Je weet alleen dat je het zelf (even) niet meer redt. Misschien ben je moe of zelfs afgemat Misschien maak je je zorgen. Misschien ben je teleurgesteld, bang of moedeloos. Misschien bid je al lange tijd om iets en lijkt er maar niets te veranderen. Misschien lijkt het soms wel alsof de hemel op slot zit.

Juist voor zulke momenten bevat de Bijbel een buitengewoon warme uitnodiging:

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” (STV)
— Hebreeën 4:16

Let op wat hier staat.

Er staat niet:

zorg eerst dat je sterk of heilig genoeg bent.

Er staat niet:

kom pas wanneer je geloof groot genoeg is.

Er staat niet:

los eerst je problemen op en nader daarna tot God.

Er staat:

Kom!

Kom bij God
Nader tot God

Je mág bij God komen

Hebreeën 4 begint deze uitnodiging niet bij ons, maar bij de Here Jezus Christus:

“Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.” (STV)
— Hebreeën 4:14

Dat maakt hét verschil.

Onze toegang tot God is niet gebaseerd op hoe goed wij het vandaag doen. Niet op onze emoties. Niet op onze geestelijke prestaties. Niet op de vraag of wij ons waardig genoeg voelen.

Onze toegang tot God rust op Jezus Christus.

Hij is onze grote Hogepriester.

Daarom kunnen en mogen wij komen.

 

Hij kent onze zwakheid

Misschien denk je soms dat niemand echt begrijpt wat er in je omgaat. Mensen kunnen met je meeleven, maar uiteindelijk kunnen zij niet voelen wat jij voelt.

Van Christus zegt de Schrift:

“Want wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.” (STV)
— Hebreeën 4:15

Dat woord zwakheden is belangrijk.

God nodigt geen mensen uit die eerst hun zwakheden hebben overwonnen. Hij nodigt mensen uit die juist midden in hun zwakheid Zijn hulp nodig hebben.

Christus kijkt niet afwachtend afstandelijk toe.

Hij weet wat verzoeking is. Hij weet wat lijden is. Hij weet wat afwijzing is. Hij weet wat verdriet is.

En daarom mogen wij juist in onze zwakheid tot Hem gaan.

 

De troon is een troon van genade

Een troon spreekt normaal gesproken van majesteit, gezag en oordeel.

Maar voor degene die tot God komt door Christus wordt hier gesproken over:

de troon der genade.

Dat is allemachtig prachtig.

De God Die volkomen heilig is, heeft in Christus de weg geopend waardoor wij met vrijmoedigheid tot Hem mogen naderen.

Niet omdat zonde ineens onbelangrijk is geworden.

Niet omdat God minder heilig is geworden.

Maar omdat Christus voldoende is.

Daarom mag de gelovige komen en daar vinden wat hij uit zichzelf nooit kan voortbrengen:

barmhartigheid en genade

 

Nader tot God

Jakobus geeft dezelfde uitnodiging op een andere manier:

“Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen.” (NBG’51)
— Jakobus 4:8

Wat een eenvoudige maar krachtige woorden, en troostvolle woorden…..

Nadert tot God

Misschien verwacht je een ingewikkelde geestelijke methode. Een stappenplan misschien….Misschien denk je dat je eerst een bepaalde ervaring moet hebben. Misschien denk je dat je God alleen kunt naderen wanneer je sterke gevoelens van geloof ervaart.

Maar de Schrift zegt eenvoudig:

“Nadert tot God…” (NBG’51)

Richt je tot Hem.

Zoek Hem.

Spreek met Hem.

Open Zijn Woord.

Belijd wat verkeerd is.

Breng je zorgen bij Hem.

Vraag om wijsheid.

Vraag om kracht.

Vraag om genade.

En daarbij klinkt die heerlijke belofte:

“…en Hij zal tot u naderen.” (NBG’51)

God zegt niet dat degene die Hem zoekt buiten moet blijven staan.

Hij nodigt je binnen.

 

God zoeken betekent niet dat Hij Zich voor jou verstopt

Wanneer de Bijbel spreekt over God zoeken, betekent dat niet dat God ergens verborgen zit en wij Hem door voldoende religieuze inspanning maar moeten zien te vinden.

Voor de gelovige is de toegang tot de Vader reeds geopend door Christus.

Paulus schrijft:

“Want door Hem hebben wij beiden den toegang door één Geest tot den Vader.” (STV) [Jood en heiden]
— Efeze 2:18

En:

“In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.” (STV)
— Efeze 3:12

Zie je hoe vaak dat woord toegang terugkomt?

Christus heeft de weg geopend.

Daarom is God zoeken niet proberen een gesloten deur open te krijgen.

Het is door de geopende deur naar binnen gaan.

 

Je hoeft niet eerst sterk te worden

Dit is misschien een van de grootste misverstanden in ons geestelijk leven.

Wij denken vaak:

Als ik straks wat sterker ben, zal ik weer meer bidden.

Als ik mijn gedachten beter op orde heb, zal ik God zoeken.

Als ik mijn leven eerst wat beter geregeld heb, kan ik weer dichter bij Hem komen.

Maar als wij zo denken, keren wij de boodschap van Hebreeën 4 om.

Daar staat namelijk niet dat sterke mensen naar de troon van God mogen gaan.

Daar staat dat wij daarheen gaan omdat wij hulp nodig hebben.

Je hoeft dus niet eerst sterk te zijn om bij God te komen.

Je gaat naar God omdat je Hem nodig hebt.

 

Bij Hem is barmhartigheid

Barmhartigheid betekent dat God Zich ontfermt.

Wij hebben niet alleen oplossingen nodig. Wij hebben Hem nodig.

Soms zijn wij hard voor onszelf. We vinden dat we sterker hadden moeten zijn. Dat we beter hadden moeten reageren. Dat we verder hadden moeten zijn.

Maar aan de troon der genade vinden wij geen koude afstandelijkheid.

Wij vinden barmhartigheid.

Dat betekent niet dat God alles wat wij doen goedkeurt. Jakobus roept juist ook op tot reiniging en bekering.

Maar degene die zich tot God keert, ontmoet een God Die genadig is.

 

Bij Hem is genade

Genade is meer dan vergeving alleen.

Genade is Gods onverdiende goedheid.

Genade draagt.

Genade versterkt.

Genade leert.

Genade helpt ons verder wanneer onze eigen kracht tekortschiet.

Paulus hoorde van de Heer:

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” (STV)
— 2 Korinthe 12:9

Wij denken vaak dat onze zwakheid eerst moet verdwijnen voordat God iets met ons kan doen.

God zegt juist dat Zijn kracht in zwakheid zichtbaar kan worden.

 

Bij Hem is hulp op het juiste moment

Hebreeën 4:16 eindigt met:

“…om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” (STV)

Daar zit een bijzondere belofte in.

God belooft niet dat Hij iedere moeilijke omstandigheid onmiddellijk wegneemt.

Maar Hij belooft wel dat er bij Hem hulp te vinden is.

Soms bestaat die hulp uit uitkomst.

Soms uit kracht om verder te gaan.

Soms uit vrede terwijl de omstandigheden nog hetzelfde zijn.

Soms uit wijsheid voor een beslissing.

Soms uit troost.

Soms uit correctie.

Soms uit het vermogen om nog één dag verder te gaan.

Maar hoe die hulp er ook uitziet: wij worden uitgenodigd haar bij Hem te zoeken.

 

Misschien is dit wel precies wat je vandaag nodig hebt

Misschien draag je iets mee waar bijna niemand vanaf weet.

Misschien ben je moe van het vechten.

Misschien heb je geen lange woorden meer voor een gebed.

Dan hoeft dat ook niet.

Je kunt eenvoudig zeggen:

Heer, ik heb U nodig.

Dat is geen zwak geloof.

Dat is gewoon erkennen waar onze hulp vandaan komt.

De psalmist zegt:

“Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.” (STV)
— Psalm 121:2

Niet van onze eigen kracht.

Niet van onze omstandigheden.

Niet van onze controle.

Onze hulp is van de HEERE.

 

Kom zoals je bent, maar blijf niet waar je bent

Jakobus verbindt het naderen tot God ook met bekering:

“Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen.”

Gods genade betekent nooit dat zonde er niet meer toe doet.

Wie tot God nadert, wordt ook opgeroepen alles los te laten wat tussen hem en God in staat.

Maar daarbij mogen wij ook weten dat wij niet eerst onszelf hoeven te reinigen om daarna misschien welkom te zijn.

Wij komen tot Hem omdat wij Hem nodig hebben.

Zijn licht maakt zichtbaar.

Zijn Woord corrigeert.

Zijn genade verandert.

 

De uitnodiging staat nog altijd open

Misschien is dat uiteindelijk de kern van Hebreeën 4:14-16 en Jakobus 4:8.

God zegt:

Kom!

Kom niet omdat je sterk bent.

Kom omdat Christus sterk is.

Kom niet omdat je alles begrijpt.

Kom omdat Hij wijsheid heeft.

Kom niet omdat je jezelf kunt redden.

Kom omdat er bij Hem hulp is.

Kom niet omdat je genade hebt verdiend.

Kom omdat Zijn troon een troon van genade is.

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade…” (STV)

En:

“Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen.” (NBG’51)

 

Misschien hoef je vandaag niet eerst alle antwoorden te vinden.

Misschien hoef je niet eerst sterker te worden.

Misschien hoef je maar één ding te doen:

Nader tot God

Want bij Hem is barmhartigheid.

Bij Hem is genade.

Bij Hem is hulp.

En door de Here Jezus Christus is de weg open.

Mag een christen genieten?

Wat de Bijbel werkelijk zegt over genieten, rijkdom en dankbaarheid

Mag een christen eigenlijk wel genieten?

Voor sommige christenen klinkt die vraag misschien vreemd. Voor anderen helemaal niet.
Er bestaat namelijk een vorm van christelijke vroomheid waarin genieten al snel verdacht wordt. Een mooie vakantie, lekker eten, een goed glas wijn, een comfortabel huis, een hobby waaraan je plezier beleeft, muziek, gezelligheid of simpelweg genieten van wat je bezit ; moet een werkelijk geestelijk mens daar niet een beetje afstand van houden?
Alsof soberheid vanzelf geestelijker is.
Alsof plezier altijd eerst langs een religieuze douane moet.
Alsof God Zijn kinderen wel dingen geeft, maar het eigenlijk liever niet ziet wanneer ze ervan genieten.
Wie vervolgens 1 Timotheüs 6 aandachtig leest, stuit op een opmerkelijke uitspraak van Paulus:

“Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)

Lees vooral die laatste woorden nog eens:

“om te genieten.”

Dat staat er echt.
En het zet een nogal hardnekkige gedachte op zijn kop.
God geeft niet alleen ; Hij geeft ook om te genieten.

Een Christen mag genieten

 

Paulus spreekt in 1 Timotheüs 6 specifiek tot rijke gelovigen. Dat maakt zijn woorden des te opvallender.
Hij zegt niet dat hun rijkdom bewijst dat zij bijzonder gezegend of geestelijk zijn. Dat zou de tekst misbruiken voor een welvaartsevangelie.
Maar hij zegt evenmin dat zij zich van hun bezit moeten ontdoen omdat bezit en geestelijk leven onverenigbaar zouden zijn.
Paulus waarschuwt voor iets anders.
Hun rijkdom mag hen niet hoogmoedig maken. Hun bezit mag niet hun zekerheid worden. Hun vertrouwen moet niet rusten op geld, want rijkdom is “ongestadig”. Hun vertrouwen behoort te rusten op de levende God.
Maar vervolgens noemt Paulus diezelfde God:

Degene Die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten.

Daarmee verschuift de hele discussie.
De Bijbelse vraag is niet:

heb je iets waarvan je geniet?

De veel belangrijkere vraag is:

Welke plaats heeft het in je leven?

Je kunt genieten van bezit zonder je vertrouwen erop te stellen. Je kunt iets moois bezitten zonder erdoor bezeten te worden. Je kunt van eten genieten zonder een slaaf van je buik te zijn. Je kunt van rust genieten zonder luiheid tot je hoogste levensdoel te maken.

Het probleem is niet dat de gave aangenaam is.

Het probleem ontstaat wanneer de gave de plaats van de Gever inneemt.
De Bijbel spreekt verrassend positief over genieten
Wie alleen teksten over zelfverloochening, lijden en zonde hoort, kan gemakkelijk een scheef beeld van het christelijke leven krijgen.
Maar luister bijvoorbeeld eens naar Prediker:

“Zie, wat ik gezien heb: een goede zaak, die schoon is, te eten en te drinken, en het goede te genieten van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon, het getal der dagen zijns levens, die hem God geeft; want dat is zijn deel.” — Prediker 5:17 (STV)

En meteen daarna:

“Ook een ieder mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave Gods.” — Prediker 5:18 (STV)

Dat is opvallend nuchter.
Werken. Eten. Drinken. Je verheugen over de vrucht van je arbeid.
En dan staat er niet: pas op, want dit is allemaal aards.
Er staat:

“datzelve is een gave Gods.”

Dat past precies bij 1 Timotheüs 6:17.
De Bijbel schildert God niet af als Iemand Die goede dingen schept en vervolgens argwanend toekijkt wanneer mensen daarvan genieten.
Hij is de Gever.
Dankbaarheid verandert de manier waarop we genieten
Eerder in dezelfde brief schrijft Paulus iets dat hier rechtstreeks mee samenhangt. Hij waarschuwt zelfs voor religieuze mensen die allerlei vormen van onthouding voorschrijven:

“Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.” — 1 Timotheüs 4:3 (STV)

Vervolgens zegt hij:

“Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;” — 1 Timotheüs 4:4 (STV)

Let op dat woord: dankzegging.
Daar hebben we een prachtige Bijbelse correctie op twee uitersten.
Aan de ene kant staat de mens die Gods gaven consumeert alsof God niet bestaat. Hij geniet, maar dankt niet. Hij ontvangt, maar erkent de Gever niet.
Aan de andere kant staat de religieuze mens die bijna bang is om te genieten. Alsof het geestelijker is om Gods goede gaven met argwaan te bekijken.
Paulus wijst een andere weg:

Ontvang wat God geeft en dank Hem ervoor.

Genieten en dankbaarheid hoeven helemaal geen tegenstellingen te zijn. Integendeel: Bijbels genieten wordt juist gekenmerkt door dankbaarheid.
Genieten is iets anders dan leven voor genot
Dat betekent natuurlijk niet dat de Bijbel hedonisme predikt.
Paulus waarschuwt voor mensen die zijn:

“Meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;” — 2 Timotheüs 3:4 (STV)

Dat is iets fundamenteel anders.
De vraag is opnieuw niet óf iemand plezier ervaart, maar wat hij liefheeft en wat hem beheerst.
Er is een wereld van verschil tussen:

Ik geniet van wat God mij geeft.

en:

Ik leef om zoveel mogelijk genot te hebben.

In het eerste staat God boven Zijn gaven.
In het tweede wordt genot zelf een god.
Dat onderscheid zien we ook bij geld. En juist daarom is de context van 1 Timotheüs 6 zo belangrijk:

“Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad…” — 1 Timotheüs 6:10 (STV)

Paulus zegt niet dat geld de wortel van alle kwaad is, maar spreekt over geldgierigheid.
En even later spreekt hij rechtstreeks tot mensen die rijk zijn.
Kennelijk hoeft een rijke gelovige niet eerst arm te worden voordat hij God kan dienen. Wel moet zijn verhouding tot zijn bezit veranderen.
Niet:

mijn bezit is mijn zekerheid.

Maar:

God is mijn zekerheid en mijn bezit heb ik uit Zijn hand ontvangen.

Dat is weer iets heel anders.
Soberheid is niet automatisch geestelijkheid
Hier mag het best een beetje schuren.
Binnen bepaalde streng-religieuze tradities is soms de indruk ontstaan dat iemand geestelijker is naarmate hij zichzelf meer ontzegt. Plezier wordt gemakkelijk met wereldgelijkvormigheid verbonden, terwijl soberheid bijna automatisch als vroomheid wordt beschouwd.
Maar dat verband legt de Schrift helemaal niet zo.
Sterker nog, Paulus waarschuwt voor menselijke godsdienstige voorschriften die indrukwekkend geestelijk kunnen lijken:

“Dewelke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.” — Kolossenzen 2:23 (STV)

Dat is confronterend.
Want ook niet genieten kan voedsel voor het vlees worden.
Een mens kan trots zijn op zijn bezit.
Maar een mens kan óók trots zijn op zijn soberheid.

“Wij doen daar niet aan.”
“Dat hebben wij niet nodig.”
“Een christen hoort zijn geld daar niet aan uit te geven.”
“Wij leven tenminste eenvoudig.”

Het klinkt misschien geestelijk, maar zodra onze zelfgekozen soberheid een maatstaf wordt waarmee wij andere gelovigen beoordelen, is er iets helemaal mis.
Zelfverloochening heeft een Bijbelse plaats.
Zelfgemaakte vroomheid eveneens ; maar dan als waarschuwing.
Het gewone leven mag tot eer van God worden geleefd
Paulus schrijft:

“Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.” — 1 Korinthe 10:31 (STV)

Dat is misschien wel een van de meest bevrijdende gedachten over het christelijke leven.
Eten kan tot eer van God.
Drinken kan tot eer van God.
Werken kan tot eer van God.
Rust kan tot eer van God.
Genieten kan tot eer van God.
Het christelijke leven bestaat niet uit een klein “geestelijk” gedeelte en daarnaast een groot gebied van gewone dingen die eigenlijk minderwaardig zijn.
God is ook God aan de eettafel.
God is ook God tijdens een vakantie.
God is ook God wanneer je door een prachtig landschap rijdt en ervan geniet.
God is ook God wanneer je na hard werken tevreden naar iets kijkt waarvoor je gespaard hebt.
God is ook God tijdens een avond met mensen van wie je houdt.
Waarom zou dankbare vreugde over Zijn goede gaven Hem beledigen?
Genade bevrijdt ook van religieuze kramp

Een wettische geloofsbeleving heeft de neiging voortdurend te vragen:

“Mag dit eigenlijk wel?”

Daarmee is niet iedere vraag naar goed en kwaad verkeerd. Natuurlijk niet. De Schrift stelt grenzen en noemt ook bepaald gedrag zonde.
Maar er kan een geestelijke kramp ontstaan waarin bijna ieder plezier eerst verdacht wordt gemaakt.
Dan wordt het geweten niet gevormd door Gods Woord, maar door menselijke regels.
Paulus schrijft daar bijzonder scherp over:

“Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.” — Kolossenzen 2:20-21 (STV)

Dat klinkt zeer actueel.
Raak niet. Smaak niet. Doe niet.
Religie kan een indrukwekkende lijst produceren.
Genade leert de gelovige vanuit een andere positie leven: niet door menselijke voorschriften gerechtvaardigd worden, maar wandelen vanuit wat hij in Christus ontvangen heeft.
Dat maakt de gelovige niet losbandig.
Het maakt hem vrij om God te dienen.

De vraag is niet alleen:

mag ik hiervan genieten?

Misschien moeten we daarom andere vragen leren stellen.

Kan ik God hiervoor danken?
Kan ik hiervan genieten zonder dat het mij beheerst?
Stel ik mijn vertrouwen erop?
Wordt iemand anders door mijn gedrag beschadigd?
Kan ik dit ontvangen als een gave en ook weer loslaten wanneer dat nodig is?
Ben ik bereid te delen?

Die laatste vraag hoort nadrukkelijk bij 1 Timotheüs 6.
Want direct nadat Paulus zegt dat God ons rijkelijk geeft om te genieten, schrijft hij:

“Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;” — 1 Timotheüs 6:18 (STV)

Dat is mooi in balans.

De rijke krijgt niet te horen:

schaam je voor wat je hebt.

Maar evenmin:

het is van jou, dus doe ermee wat je wilt.

Hij mag genieten én geven.
Ontvangen én uitdelen.
Dankbaar zijn én tegelijk vrijgevig zijn.
God is geen vijand van vreugde
Misschien is dat uiteindelijk de gedachte die we opnieuw moeten leren.
De God van de Bijbel is niet de grote Tegenstander van menselijke vreugde.
Zonde belooft vreugde en brengt slavernij. God bevrijdt juist van slavernij en leert ons Zijn gaven op hun juiste plaats te genieten.
Daarom hoeven we niet te kiezen tussen een christendom van sombere onthouding en een wereld waarin persoonlijk genot het hoogste levensdoel is.
De Schrift wijst een veel mooiere weg.
God boven alles.
En juist daardoor kunnen Zijn gaven werkelijk gaven blijven.
Een mooie maaltijd hoeft geen afgod te zijn.
Een vakantie hoeft geen vlucht uit het geestelijke leven te zijn.
Een comfortabel huis hoeft geen bewijs van materialisme te zijn.
Een hobby hoeft geen verspilde tijd te zijn.
Plezier is niet automatisch zonde.
Rijkdom is niet automatisch goddeloosheid.
Soberheid is niet automatisch heiligheid.
De beslissende vraag is steeds:

welke plaats krijgt God?

Ontvang, dank, geniet en deel
Misschien kan ik 1 Timotheüs 6:17-18 uiteindelijk zo samenvatten:

Ontvang wat God geeft. Dank Hem ervoor. Geniet ervan zonder eraan verslaafd te raken. Stel je vertrouwen op Hem en niet op Zijn gaven. En houd je handen open voor anderen.

Dat is geen oppervlakkig christendom.
Dat is vrijheid onder genade.
Paulus zegt immers niet dat God ons slechts het strikt noodzakelijke toestaat. Hij spreekt over:

“…den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)

Misschien moeten we maar eens stoppen geestelijker te willen zijn dan de Schrift.
Als God goede dingen geeft om te genieten, mogen wij ze dankbaar uit Zijn hand ontvangen.
Zonder schuldgevoel.
Zonder hoogmoed.
Zonder afgoderij.
Maar met dankbaarheid.
Geniet van de gave. Eer de Gever. En vergeet niet te delen.

Geverifieerd door MonsterInsights