Eindtijd en profetie
Jezus in de Koran: waarom is Hij zó uitzonderlijk?
En Mohammed dan?
De islam wil Jezus kleiner maken, portretteert Hem significant minder glorieus dan het Evangelie Hem verkondigt.
Hij mag dan wel profeet zijn Hij mag Messias heten. (Wat dat laatste betekent wordt in de Koran niet duidelijk) Hij mag uit een maagd geboren worden. Hij mag wonderen verrichten. Hij mag zelfs het Woord van Allah en een Geest van Hem genoemd worden.
Maar de Zoon van God?
Nee.
En precies daar zit een heel groot probleem.
Want hoe harder de Koran probeert Jezus terug te brengen tot “slechts een boodschapper”, hoe opvallender en sprekender de uitzonderlijke taal wordt die dezelfde Koran voor Hem gebruikt.
Daar komt nog iets bij.
Wanneer Mohammed door zijn tijdgenoten om een wonder wordt gevraagd, vinden we in de Koran niet het antwoord dat je bij de laatste en grootste profeet zou verwachten.
Geen zee die splijt.
Geen dode die opstaat.
Geen blinde die ziende wordt.
Geen melaatse die geneest.
Integendeel: telkens wanneer Mohammed om een teken wordt gevraagd, wordt het wonderverzoek afgewezen of wordt uiteindelijk naar de Koran zelf verwezen.
Dat contrast verdient veel meer aandacht.

Jezus is ook volgens de Koran zelf niet zomaar een profeet
Moslims zeggen vaak:
“Wij geloven ook in Jezus.”
Dat is maar heel gedeeltelijk waar.
De Koran spreekt buitengewoon hoog over Jezus. Maar juist hierdoor ontstaat een vraag die binnen de islam moeilijk verdwijnt:
Waarom is Jezus dan zo anders dan alle andere profeten?
De meest opmerkelijke tekst is Soera 4:171:
„De Messias, Jezus, de zoon van Maria, is slechts een boodschapper van Allah en Zijn Woord, dat Hij aan Maria heeft gegeven, en een Geest van Hem.”
— Soera 4:171
Let op de opeenstapeling.
Jezus is:
- de Messias;
- het Woord van Allah;
- een Geest van Hem.
Dat zijn geen alledaagse titels.
Mohammed wordt nergens het Woord van Allah genoemd.
Mozes wordt nergens het Woord van Allah genoemd.
Abraham wordt nergens het Woord van Allah genoemd.
Jezus wel.
Hoe zit dat?
“Het Woord van Allah” kun je niet zomaar wegverklaren
De gebruikelijke islamitische verklaring is dat Jezus “het Woord” heet omdat Allah zei:
Wees!
en Jezus daardoor tot bestaan kwam
Maar daarmee wordt het probleem niet opgelost.
Volgens de Koran schept Allah immers ook andere dingen door eenvoudig te bevelen dat zij er zijn.
Wanneer “door het bevel van Allah ontstaan” voldoende zou zijn om iemand het Woord van Allah te noemen, dan zou die titel helemaal niet uniek zijn.
Toch noemt de Koran uitdrukkelijk Jezus zo.
Dat wordt nog interessanter wanneer we het naast het Evangelie leggen:
„In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”
— Johannes 1:1, STV
En vervolgens:
„En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.”
— Johannes 1:14, STV
De Koran ontkent de christelijke conclusie over Jezus, maar behoudt merkwaardig genoeg taal die juist rechtstreeks raakt aan de eeuwenoude christelijke belijdenis over Hem.
Dat bewijst op zichzelf niet dat de Koran de Godheid van Christus leert.
Dat doet hij niet.
Maar het levert wel een serieus intern probleem op voor de islamitische voorstelling dat Jezus uiteindelijk slechts één menselijke boodschapper in een lange rij profeten zou zijn.
Want waarom noemt Allah juist Hém Zijn Woord?
En dan: “een Geest van Hem”
Alsof “Woord van Allah” nog niet opmerkelijk genoeg is, noemt Soera 4:171 Jezus:
“een Geest van Hem.”
Ook hier probeert islamitische uitleg de betekenis doorgaans zo beperkt mogelijk te houden.
Maar de tekst blijft staan.
Niet alleen:
een geest,
maar:
een Geest van Hém.
En opnieuw rijst dezelfde vraag.
Waarom Jezus?
Waarom wordt deze taal niet op Mohammed toegepast?
Waarom niet op Abraham?
Waarom niet op Mozes?
Binnen het christelijke getuigenis is de uitzonderlijke positie van Jezus volkomen begrijpelijk. Hij is niet slechts één profeet tussen anderen.
Hij is de Zoon.
Hij is het Woord dat vlees geworden is.
Maar wanneer de Godheid van Christus eerst wordt ontkend, moet vervolgens worden verklaard waarom de Koran Hem met taal omringt die Hem voortdurend boven de gewone profetische categorie doet uitsteken.
Jezus wordt bovendien ondersteund door de Heilige Geest
De Koran zegt over Jezus:
“Wij hebben Jezus, den zoon van Maria, de duidelijke tekenen gegeven en Hem versterkt met den Heiligen Geest.”
— Soera 2:253
Hetzelfde komt terug in Soera 5:110, waar Allah Jezus eraan herinnert dat Hij Hem met de Heilige Geest ondersteunde.
Dat maakt de uitzonderlijke positie nog opvallender.
Jezus is:
Messias.
Woord van Allah.
Geest van Hem.
Ondersteund door de Heilige Geest.
En vervolgens is dan het antwoord:
“Maar Hij is slechts een profeet.”
Dat antwoord wordt steeds problematischer naarmate je de eigen woorden van de Koran naast elkaar legt.
Zelfs Zijn geboorte is volkomen uniek
Maria zegt in de Koran:
„Hoe zal ik een zoon hebben, terwijl geen man mij heeft aangeraakt?”
— vgl. Soera 19:20
Het antwoord is dat dit voor Allah gemakkelijk is.
Jezus wordt dus zonder menselijke vader geboren.
Ook daarin is Hij uniek.
Daarmee komen we echter bij een opmerkelijk probleem in de manier waarop de Koran elders het christelijke Zoonschap bestrijdt.
Heeft God een vrouw nodig om een Zoon te hebben?
Soera 6:101 zegt:
„Hoe zou Hij een zoon kunnen hebben terwijl Hij geen gezellin heeft?”
Sta daar eens bij stil.
Het argument lijkt te zijn:
Allah heeft geen vrouw, dus hoe zou Hij een zoon kunnen hebben?
Maar christenen hebben nooit geleerd dat God met Maria gemeenschap had en daardoor Jezus verwekte.
Dat is geen christelijke leer.
Niet in het Nieuwe Testament.
Niet in de vroegchristelijke belijdenis.
Niet in de leer van de Drie-eenheid.
Christenen spreken over de Zoon van God, niet over een lichamelijke zoon die ontstond doordat God een echtgenote nam.
De Koran bestrijdt hier dus een lichamelijke voorstelling van het zoonschap die het christendom niet leert.
En het wordt nog merkwaardiger.
Maria kan volgens de Koran een Zoon hebben zonder man
Wanneer Maria vraagt:
“Hoe zal ik een zoon hebben, terwijl geen man mij heeft aangeraakt?”
is het antwoord in Soera 19:21 in essentie:
dat is gemakkelijk voor Allah.
Dus wanneer Maria zegt:
“Ik heb geen man; hoe kan ik dan een zoon krijgen?”
is het antwoord:
Allah heeft geen man nodig om haar een zoon te geven.
Maar wanneer het gaat over God en de christelijke benaming „Zoon van God”, luidt de redenering:
“Hoe kan Hij een zoon hebben als Hij geen gezellin heeft?
Zie je het probleem?
De Koran erkent in het ene geval zelf dat een zoon door Gods bovennatuurlijke handelen kan bestaan zonder voortplanting.
Maar elders wordt Gods Zoonschap bestreden alsof een echtgenote noodzakelijk zou zijn.
Dat is géén weerlegging van het christelijke geloof.
Het is een weerlegging van een geloof dat christenen niet hebben.
De Koran bestrijdt vaker een christendom dat christenen niet belijden
Dat zien we eveneens in Soera 5:116.
Daar vraagt Allah aan Jezus of Hij tegen de mensen heeft gezegd:
„Neem mij en mijn moeder als twee goden naast Allah.”
Maar Maria hoort niet bij de christelijke Drie-eenheid.
De christelijke belijdenis is niet:
God – Maria – Jezus.
Maar:
Vader – Zoon – Heilige Geest.
Ook Soera 5:73 veroordeelt degenen die zeggen dat Allah “de derde van drie” (?!) is.
Maar christenen geloven evenmin dat “God één god naast twee andere goden is”.
De leer van de Drie-eenheid zegt niet:
drie goden.
Zij zegt dat er één God is.
Het probleem is daarom veel dieper dan simpelweg:
De Koran verwerpt de Drie-eenheid.
De vraag is:
Begrijpt de Koran eigenlijk wel welke Drie-eenheid hij verwerpt?
Jezus verricht wonder na wonder
Het contrast met Mohammed wordt vervolgens buitengewoon scherp.
Over Jezus zegt Soera 5:110 dat Hij:
- als baby tot mensen sprak;
- blinden genas;
- melaatsen genas;
- doden uit de dood liet voortkomen;
- uit klei de vorm van een vogel maakte en deze tot leven liet komen.
‘De Koran voegt steeds toe dat dit gebeurde met toestemming van Allah
Maar daarmee verdwijnt het contrast niet.
Jezus doet de wonderen.
Zichtbare wonderen.
Wonderen die rechtstreeks aansluiten bij Zijn optreden als bijzondere boodschapper.
En dan komt Mohammed.
De zo genoemde laatste profeet
De boodschapper die volgens de islam de eerdere openbaringen corrigeert.
De profeet aan wie uiteindelijk de hele mensheid zich zou moeten onderwerpen.
Wat gebeurt er wanneer zijn tijdgenoten zeggen:
Laat dan een teken zien.
“Waarom is geen teken tot hem neergezonden?”
De vraag komt in de Koran niet één keer voor.
Hij komt telkens terug.
Soera 6:37:
„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”
Het antwoord?
Allah kan een teken zenden.
Maar er komt geen wonder waarmee Mohammed zijn critici overtuigt.
Soera 10:20:
„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”
Opnieuw.
Soera 13:7:
„Waarom is geen teken van zijn Heer tot hem neergezonden?”
Opnieuw.
Soera 13:27:
opnieuw dezelfde uitdaging.
Dat is opmerkelijk.
Want stel dat Mohammed publiek wonderen verrichtte zoals Mozes en Jezus.
Waarom antwoordt hij dan niet eenvoudig:
Geen teken? Jullie hebben het toch gezien?
De Koran geeft zelfs een reden waarom tekenen uitblijven
Soera 17:59 zegt in essentie dat Allah ervan weerhouden werd tekenen te zenden omdat vroegere volken die tekenen hadden verworpen.
Maar wat is dat voor argument?
Mensen verwierpen ook de tekenen van Mozes.
Tóch kreeg Mozes tekenen.
Mensen verwierpen Jezus.
Tóch verrichtte Jezus volgens de Koran wonder na wonder.
Dat sommige mensen een wonder zullen verwerpen, verklaart niet waarom een profeet geen wonder ontvangt.
Een teken dient juist om zijn aanspraak te bevestigen.
Uiteindelijk is het antwoord: de Koran zelf
Het duidelijkst wordt het in Soera 29:50-51.
De tegenstanders vragen:
Waarom zijn geen tekenen van zijn Heer tot hem neergezonden?
Mohammed moet antwoorden dat de tekenen bij Allah zijn en dat hij slechts een waarschuwer is.
Daarna volgt het argument dat het toch voldoende zou moeten zijn dat het Boek aan hem is geopenbaard.
Dat is veelzeggend.
De mensen vragen om een teken dat Mohammeds aanspraak bevestigt.
En Mohammed verwijst hen uiteindelijk naar de boodschap waarvan zij vragen waarom zij die als goddelijke openbaring zouden moeten geloven.
De boodschap wordt daarmee haar eigen bewijs.
Maar dat is dus precies wat de vraagsteller ter discussie stelde.
“Maar Mohammed spleet toch de maan?”
Hier wordt vaak Soera 54:1 aangehaald:
Het uur is nabijgekomen en de maan is gespleten.
Latere islamitische traditie maakt hier een wonder van Mohammed van..
Maar lees het vers zelf.
Er staat niet:
Mohammed spleet de maan.
Er staat zelfs niet in het vers dat Mohammed een wonder verrichtte in aanwezigheid van zijn tegenstanders.
Dat verhaal wordt door latere overlevering ingevuld.
En daarmee ontstaat opnieuw een eenvoudige vraag.
Als Mohammed daadwerkelijk voor de ogen van zijn tegenstanders de maan in tweeën had laten splijten, waarom lezen we dan later nog:
Waarom is geen teken tot hem neergezonden?
Het antwoord had dan verbluffend eenvoudig kunnen zijn:
Geen teken? Hebben jullie de maan soms gemist?
Maar zo’n antwoord staat niet in de Koran.
En dan verschijnen de wonderen later alsnog
In de latere hadithliteratuur verandert het beeld sterk.
Daar lezen we over Mohammed bij wie water uit zijn vingers stroomt, voedsel wordt vermenigvuldigd en bomen hem gehoorzamen.
Dat maakt de spanning alleen maar groter.
Want het oudste en volgens moslims hoogste islamitische gezag — de Koran — laat Mohammed herhaaldelijk geconfronteerd worden met het ontbreken van een teken.
De veel latere overleveringen leveren vervolgens alsnog de wonderen die zijn tegenstanders tijdens zijn leven kennelijk voortdurend verlangden.
Dat roept een historische vraag op die niet met vrome beweringen kan worden weggenomen:
Waarom ontbreken die wonderen in Mohammeds eigen antwoord aan degenen die hem erom vroegen?
Het contrast met Jezus kan nauwelijks groter zijn
Daarmee komen de lijnen samen.
Over Jezus zegt de Koran:
Hij is de Messias.
Hij is het Woord van Allah.
Hij is een Geest van Hem.
Hij wordt door de Heilige Geest ondersteund.
Hij wordt uit een maagd geboren.
Hij geneest de blinde.
Hij reinigt de melaatse.
Hij brengt de doden tot leven, met Gods toestemming.
Hij zal bovendien volgens de islamitische verwachting een buitengewone rol aan het einde der tijden vervullen.
Hij zal Gods oordeel brengen.
En Mohammed?
Wanneer om een teken wordt gevraagd:
Ik ben slechts een waarschuwer.
De asymmetrie is enorm.
De islam wil Mohammed boven Jezus plaatsen als laatste profeet, maar haar eigen bronnen geven Jezus kenmerken die Mohammed niet heeft.
Zelfs Satan krijgt op Jezus geen vat
De hadiths maken het contrast nog opvallender.
In Sahih al-Bukhari 3286 wordt overgeleverd dat Satan ieder kind bij de geboorte aanraakt, maar dat dit bij Jezus niet lukt.
Sahih al-Bukhari 3431 noemt Maria en haar Zoon als uitzonderingen.
Ook Sahih Muslim 2366a bevat deze traditie.
Nogmaals dan de vraag:
Waarom Jezus?
Waarom deze uitzonderingspositie?
Waarom niet Mohammed?
Waarom wordt degene die volgens de islam ‘slechts een profeet’ is voortdurend met uitzonderingen omgeven?
De islamitische bronnen lijken steeds hetzelfde probleem te creëren dat de islamitische leer vervolgens moet proberen weg te verklaren.
Misschien moeten we de vraag wel omdraaien
Moslims vragen christenen geregeld:
Waar zegt Jezus letterlijk: Ik ben God, aanbid Mij?
Maar misschien moet er eerst iets worden uitgelegd:
Waarom spreekt zelfs de Koran op zo’n uitzonderlijke manier over Jezus Christus?
Waarom is Hij het Woord van Allah?
Waarom een Geest van Hem?
Waarom de Messias?
Waarom uit een maagd?
Waarom ondersteund door de Heilige Geest?
Waarom verricht Hij wonderen die Mohammed in de Koran niet verricht?
Waarom kan Satan Hem volgens de hadith niet aanraken?
En waarom moet een boek dat zes eeuwen na Christus verschijnt vervolgens zeggen dat de fundamentele boodschap van de apostelen over Zijn kruisiging niet klopt?
Ga terug naar de oudste getuigen
Wanneer twee religies elkaar tegenspreken over Jezus, moet de vraag niet zijn:
Welke traditie ben ik gewend?
maar:
Welke getuigen staan het dichtst bij Jezus Zelf?
De Koran verschijnt ongeveer zes eeuwen na Christus.
Het Nieuwe Testament voert ons terug naar de eerste eeuw, naar de apostolische verkondiging en naar mensen die Jezus kenden of direct verbonden waren met degenen die Hem kenden.
Daar vinden wij geen Jezus die alleen maar de komst van Mohammed aankondigt.
Daar vinden wij:
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
— Johannes 1:1, STV
Daar vinden wij Thomas die voor de opgestane Christus uitroept:
Mijn Heere en mijn God!
— Johannes 20:28, STV
Daar vinden wij Paulus:
Welke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.
— Romeinen 9:5, STV
En daar vinden wij het warme hart van het Evangelie:
Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.
— 1 Korinthe 15:3-4, STV
Dat is de Jezus van de Bijbel.
Niet slechts een profeet.
Niet de voorloper van Mohammed.
Niet iemand die aan het kruis vervangen moest worden.
Maar de gekruisigde en opgestane Here Jezus Christus.
Onderzoek niet alleen wat je over Jezus is verteld
De vraag aan de moslim is daarom niet of hij respect voor Jezus heeft.
De veel belangrijkere vraag is:
Wie is Jezus echt?
Wanneer zelfs de Koran Hem uitzonderlijke titels geeft, uitzonderlijke geboorte, uitzonderlijke wonderen en een uitzonderlijke verhouding tot de Geest van God, wees dan niet tevreden met het antwoord:
Hij was gewoon een profeet.
Onderzoek waarom Hij zo anders is.
En wanneer Mohammed als laatste boodschapper wordt gepresenteerd, onderzoek dan eveneens waarom de mensen om hem heen herhaaldelijk vroegen waarom hij geen teken ontving — en waarom de Koran hun niet antwoordt met de indrukwekkende wonderen die pas later uitgebreid in de hadith verschijnen.
Wees daarin een Bereeër.
En dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.
— Handelingen 17:11, STV
Onderzoek.
Vergelijk.
Vraag door.
En bovenal: laat niet een latere religieuze traditie bepalen wie Jezus zou mogen zijn.
Ga terug naar de getuigen van het begin.

Koninkrijkstheologie en vervangingsleer ontmaskerd
Waarom de Gemeente Israël niet vervangt en het Koninkrijk niet op aarde hoeft te vestigen
Koninkrijkstheologie en vervangingsleer worden vaak als twee verschillende leerstellingen behandeld. Toch komen zij voort uit hetzelfde fundamentele probleem: het Bijbelse onderscheid tussen Israël, de Gemeente en het toekomstige Koninkrijk van Christus wordt uitgewist.
De vervangingsleer geeft de Gemeente de plaats van Israël. De beloften die God aan Israël gaf, worden op de kerk toegepast, terwijl Israël als volk geen eigen profetische toekomst meer zou hebben.
De moderne koninkrijkstheologie gaat vervolgens een stap verder. De Gemeente krijgt niet alleen de plaats van Israël, maar ook de opdracht om vóór de wederkomst het Koninkrijk van God zichtbaar op aarde te vestigen. Zij moet invloedssferen innemen, samenlevingen transformeren en de volkeren onder de heerschappij van Christus brengen.
Daarmee worden twee ernstige verwisselingen gemaakt.
De Gemeente wordt Israël.
En de Gemeente gaat doen wat alleen Christus bij Zijn wederkomst zal doen.
Het klinkt daadkrachtig en geestelijk. Toch is het niet de roeping die de Schrift aan de Gemeente geeft.

Wat is koninkrijkstheologie?
Het woord koninkrijkstheologie wordt niet altijd op dezelfde manier gebruikt. Niet iedereen die spreekt over het Koninkrijk van God bedoelt daarmee dat de kerk de wereld politiek of maatschappelijk moet overnemen.
De Schrift leert dat Christus is opgewekt, verheerlijkt en met eer en heerlijkheid gekroond. Hij bezit alle gezag. Gelovigen erkennen Hem nu reeds als hun Heer en leven onder Zijn heerschappij.
Dat betekent echter niet dat Zijn Koninkrijk reeds in zijn beloofde openbare vorm op aarde zichtbaar is geworden.
In dit artikel gaat het daarom vooral over de moderne koninkrijkstheologie die bekendstaat als Kingdom Now, dominionisme of heerschappijtheologie. Binnen deze visie zou de Gemeente de opdracht hebben om het Koninkrijk vóór de wederkomst zichtbaar te vestigen.
Het gaat dan niet meer alleen om de verkondiging van het Evangelie. De kerk moet cultuur, politiek, onderwijs, media, economie en andere maatschappelijke terreinen beïnvloeden of zelfs onder christelijke heerschappij brengen.
De Gemeente wordt zo niet langer voorgesteld als een hemels volk dat zijn Heer verwacht, maar als een geestelijk leger dat de aarde voor Hem moet veroveren.
Wat is de vervangingsleer?
De vervangingsleer houdt in dat de Gemeente de plaats van Israël in Gods heilsplan heeft ingenomen. De kerk wordt dan beschouwd als het nieuwe, ware of geestelijke Israël.
De beloften die God aan Abraham, Izak, Jakob en David gaf, worden vervolgens op de Gemeente toegepast. Het land wordt vergeestelijkt, Jeruzalem wordt een symbool, de troon van David wordt gelijkgesteld aan de huidige hemelse positie van Christus en het toekomstige herstel van Israël verdwijnt uit beeld.
Er bestaan verschillende vormen van vervangingsleer.
In de hardste vorm wordt gezegd dat God Israël vanwege zijn ongeloof definitief heeft verworpen.
In een mildere vorm spreekt men liever niet over vervanging, maar over vervulling. De kerk zou dan Israël niet hebben vervangen, maar alle beloften aan Israël zouden in de Gemeente een hogere, geestelijke vervulling hebben gekregen.
Het resultaat is echter grotendeels hetzelfde: Israël heeft als volk geen eigen toekomst meer in Gods profetische plan.
Daarmee worden de concrete beloften aan Israël losgemaakt van de mensen aan wie God ze heeft gegeven.
Heeft God Israël verstoten?
Paulus stelt in Romeinen 11 precies de vraag die de vervangingsleer raakt:
“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.” — Romeinen 11:1 (STV)
Het antwoord kan nauwelijks duidelijker zijn.
God heeft Zijn volk niet verstoten.
Paulus zegt niet dat Israël voortaan een andere betekenis heeft gekregen. Hij zegt niet dat de Gemeente nu het ware Israël is. Hij spreekt over zijn eigen natuurlijke afkomst uit Abraham en Benjamin en noemt Israël nog steeds Gods volk.
Dat betekent niet dat iedere Israëliet automatisch behouden is. Een natuurlijke afstamming uit Abraham redt niemand. Ook een Israëliet moet geloven in de Here Jezus Christus.
Maar het ongeloof van velen binnen Israël betekent niet dat Gods nationale beloften zijn vervallen.
Paulus vervolgt:
“Dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden.” — Romeinen 11:25-26 (STV)
De verharding is voor een deel.
De verharding duurt totdat.
Dat is niet de taal van definitieve vervanging. Het wijst op een tijdelijke toestand die door God zal worden beëindigd.
Israël is tijdelijk terzijde gesteld, maar niet voor altijd afgeschreven. Gods werk met Israël is onderbroken, niet opgeheven.
Gods beloften aan Israël zijn niet vervallen
God gaf aan Abraham, Izak, Jakob en David concrete beloften. Hij sprak over een nageslacht, een land, een troon, een koningshuis en een toekomstig Koninkrijk.
Deze beloften kunnen niet zonder meer worden overgedragen aan een andere groep.
Wanneer God een land aan het natuurlijke nageslacht van Abraham belooft, maar uiteindelijk alleen een hemelse zegen voor de kerk bedoelt, veranderen de woorden van betekenis.
Wanneer God een eeuwige troon aan David belooft, maar uiteindelijk alleen een geestelijke invloed van de kerk bedoelt, is de oorspronkelijke inhoud van de belofte verdwenen.
Wanneer God zegt dat Hij Israël niet zal verstoten, maar het volk vervolgens toch definitief door de Gemeente vervangt, verliest deze verzekering haar betekenis.
Het gaat daarom niet alleen om de vraag welke plaats Israël in de toekomst heeft.
Het gaat om de betrouwbaarheid van God.
God vervult Zijn beloften niet omdat Israël altijd trouw is geweest. Hij vervult ze omdat Hij Zelf trouw is.
De volgorde in Handelingen
Handelingen 15 laat duidelijk zien dat het bijeenbrengen van de Gemeente niet hetzelfde is als het herstel van Israël.
Jakobus zegt:
“Simeon heeft verhaald, hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.” — Handelingen 15:14 (STV)
God doet in deze tijd een bijzonder werk onder de heidenen. Hij verzamelt uit hen een volk voor Zijn Naam.
Dat betekent niet dat alle heidenen worden bekeerd of dat de wereld geleidelijk het Koninkrijk wordt. God neemt uit de heidenen een volk.
Daarna zegt Jakobus:
“Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen den tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.” — Handelingen 15:16 (STV)
De volgorde is belangrijk.
God vergadert eerst een volk uit de heidenen.
Daarna zal Hij wederkeren.
Daarna zal Hij de vervallen tabernakel van David herstellen.
De Gemeente is dus niet de herstelde tabernakel van David. Het bijeenbrengen van de Gemeente gaat aan dat herstel vooraf.
De vervangingsleer maakt van “na dezen” feitelijk “in plaats hiervan”. Maar dat is niet wat de Schrift zegt.
De apostelen verwachtten herstel voor Israël
Kort voor de hemelvaart vroegen de apostelen aan de opgestane Here:
“Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?” — Handelingen 1:6 (STV)
Wanneer de verwachting van een werkelijk herstel van Israël fundamenteel onjuist was geweest, was dit het geschikte moment geweest om haar te corrigeren.
De Here antwoordde echter niet dat Israël geen Koninkrijk meer zou ontvangen. Hij zei:
“Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.” — Handelingen 1:7 (STV)
Hij corrigeerde niet hun verwachting van herstel. Hij corrigeerde hun vraag naar het tijdstip.
Daarna gaf Hij hun de opdracht voor de tussenliggende periode:
“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” — Handelingen 1:8 (STV)
De opdracht aan de discipelen was niet om het Koninkrijk op te richten.
Hun opdracht was om getuigen van Christus te zijn.
Dat onderscheid is beslissend voor het beoordelen van koninkrijkstheologie.
De Gemeente bouwt het Koninkrijk niet
De Gemeente heeft een hoge en heerlijke roeping. Zij is het Lichaam van Christus, een woonstede van God in de Geest en gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel.
Maar nergens krijgt zij de opdracht om het Koninkrijk op aarde te vestigen.
De Here Jezus zei:
“Ik zal Mijn gemeente bouwen.” — Mattheüs 16:18 (STV)
Christus bouwt Zijn Gemeente.
De Gemeente bouwt niet Zijn Koninkrijk.
De taak van de Gemeente is het Evangelie der genade te verkondigen, het Woord der verzoening bekend te maken en gelovigen op te bouwen in de waarheid.
Paulus schrijft:
“Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)
Een gezant vertegenwoordigt zijn regering in een vreemd land. Hij neemt dat land niet over en richt daar niet op eigen gezag het bestuur van zijn koning op.
Dat past bij de positie van de Gemeente.
Haar burgerschap is in de hemel. Zij bevindt zich nog in de wereld, maar behoort bij Christus.
De Gemeente neemt geen naties in. Zij roept mensen uit de naties tot Christus.
Zij bouwt geen aardse troon. Zij verkondigt de komende Koning.
Zij dwingt geen samenleving onder christelijke heerschappij. Zij roept zondaren op zich met God te laten verzoenen.
Christus heeft Zijn aardse Koningschap nog niet openbaar aanvaard
De Here Jezus Christus is werkelijk verhoogd. Hij is gezeten aan de rechterhand van God en met eer en heerlijkheid gekroond.
Toch zegt de Schrift:
“Doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn.” — Hebreeën 2:8 (STV)
Christus bezit alle rechten op het Koninkrijk, maar Zijn heerschappij over de aarde is nog niet zichtbaar geopenbaard.
Hebreeën zegt bovendien:
“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods; Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.” — Hebreeën 10:12-13 (STV)
Christus is gezeten aan de rechterhand van God en verwacht het moment waarop Zijn vijanden zichtbaar aan Zijn voeten worden gesteld.
Ook Openbaring maakt onderscheid tussen de troon van de Vader en de toekomstige openbare troon van Christus:
“Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.” — Openbaring 3:21 (STV)
Christus zit nu met Zijn Vader in Diens troon. Hij spreekt over Zijn eigen troon als de plaats van Zijn toekomstige openbare regering.
Het Koninkrijk is daarom niet afwezig in absolute zin. Christus is Koning en gelovigen erkennen Zijn gezag. Maar het Koninkrijk is in deze tijd nog verborgen en niet zichtbaar als wereldomvattende heerschappij geopenbaard.
Niet de kerk, maar Christus openbaart het Koninkrijk
In Lukas 19 vertelt de Here Jezus over:
“Een zeker welgeboren man, die reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.” — Lukas 19:12 (STV)
De volgorde is helder.
De edelman vertrekt.
Hij ontvangt het Koninkrijk.
Hij keert terug.
Daarna oefent hij zijn koninklijke gezag openlijk uit.
De dienstknechten krijgen tijdens zijn afwezigheid niet de opdracht om zijn Koninkrijk alvast op aarde te vestigen. Zij moeten trouw handelen met wat hun is toevertrouwd totdat hij terugkomt.
Zo wordt ook het Koninkrijk van Christus niet openbaar omdat de Gemeente voldoende maatschappelijke invloed heeft verworven.
Het wordt openbaar wanneer de Koning Zelf wederkomt.
Niet de kerk brengt het Koninkrijk.
De Koning brengt het Koninkrijk.
Kingdom Now en maatschappelijke heerschappij
Binnen Kingdom Now wordt de Grote Opdracht vaak uitgelegd als een opdracht om gehele naties tot discipelen te maken. Dat betekent dan meer dan het Evangelie aan mensen verkondigen.
Samenlevingen, regeringen en culturele instellingen zouden onder christelijke invloed moeten worden gebracht. De kerk moet strategische posities innemen en op verschillende terreinen van de maatschappij gaan regeren.
Daarmee verandert de opdracht van de Gemeente ingrijpend.
Getuigen wordt heersen.
Evangelisatie wordt transformatie.
Dienen wordt leidinggeven aan de samenleving.
De verkondiging van Christus wordt een programma voor culturele en politieke invloed.
Maar de Here Jezus zei voor Pilatus:
“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.” — Johannes 18:36 (STV)
Christus ontkent niet dat Hij Koning is. Hij verklaart dat Zijn Koninkrijk zijn oorsprong, gezag en kracht niet aan deze wereldorde ontleent.
Daarom wordt het niet gevestigd met de middelen waarmee menselijke koninkrijken worden opgebouwd: macht, politieke druk, culturele overheersing of maatschappelijke controle.
De wereld wordt niet geleidelijk het Koninkrijk
Een belangrijk uitgangspunt binnen veel vormen van koninkrijkstheologie is dat de wereld door de invloed van de Gemeente steeds meer onder de heerschappij van Christus zal komen.
De profetische lijn van het Nieuwe Testament is echter anders.
De Here Jezus leerde dat tarwe en onkruid samen zouden opgroeien tot de oogst:
“Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst.” — Mattheüs 13:30 (STV)
Paulus waarschuwde voor de toestand in de laatste dagen:
“En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.” — 2 Timotheüs 3:1 (STV)
De Here Jezus stelde bovendien de indringende vraag:
“Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?” — Lukas 18:8 (STV)
De Gemeente wordt niet voorgesteld als een steeds machtiger wereldheerser die de aarde succesvol voor Christus inneemt.
Zij blijft een getuigend, dienend en vaak verworpen volk te midden van een wereld die haar Here niet kent.
De wereld wordt niet door de Gemeente geleidelijk in het Koninkrijk veranderd. Christus zal de wereld oordelen en onder Zijn heerschappij brengen wanneer Hij verschijnt.
De verborgen en toekomstige openbaring van het Koninkrijk
Het Koninkrijk van Christus bestaat en Christus bezit het recht om te regeren. Maar Zijn Koninkrijk is in deze tijd niet openbaar zoals het bij Zijn wederkomst zal zijn.
Nu is Christus verborgen voor de wereld.
Nu wordt Zijn heerschappij erkend door hen die in Hem geloven.
Nu vergadert Hij Zijn Gemeente.
Bij Zijn wederkomst zal Hij Zich zichtbaar openbaren, Zijn vijanden oordelen en Zijn Koninkrijk op aarde openbaar maken.
Daarom is het onjuist om de tegenwoordige geestelijke heerschappij van Christus over Zijn Gemeente gelijk te stellen aan de toekomstige zichtbare regering over Israël en de volkeren.
Wie deze fasen vermengt, loopt onvermijdelijk vooruit op Gods tijd.
De vervangingsleer schept ruimte voor Kingdom Now
Hier raken koninkrijkstheologie en vervangingsleer elkaar.
Wanneer Israël geen eigen toekomstige plaats meer heeft, komen de beloften over het Koninkrijk, de troon, het priesterschap en de heerschappij beschikbaar voor de Gemeente.
De kerk wordt het nieuwe Israël.
De beloften aan Israël worden kerkelijke beloften.
De nationale roeping van Israël wordt een maatschappelijke opdracht voor de kerk.
De toekomstige regering van de Messias wordt een tegenwoordige heerschappij van christelijke leiders.
De troon van David wordt vergeestelijkt.
Jeruzalem wordt een symbool.
De volkeren worden invloedssferen die door de kerk moeten worden ingenomen.
Zo vormt de vervangingsleer de leerstellige bodem waarop moderne koninkrijkstheologie kan groeien.
De vervangingsleer neemt Israël zijn plaats af.
Kingdom Now geeft die plaats aan de Gemeente.
Waarom moderne apostelen nodig worden binnen Kingdom Now
Wanneer de kerk het Koninkrijk wereldwijd moet vestigen, ontstaat de vraag wie dit omvangrijke werk moet leiden.
Binnen veel Kingdom Now- en NAR-kringen luidt het antwoord: moderne apostelen en profeten.
Zij zouden strategische openbaringen ontvangen, geestelijke gebieden onderscheiden, leiders aanstellen en de Gemeente in positie brengen om steden en naties te beïnvloeden.
Dat is geen toevallige toevoeging aan het systeem. Het volgt logisch uit de koninkrijkstheologie.
Een wereldwijd koninkrijk vraagt om wereldwijde bestuurders.
Nieuwe strategieën vragen om nieuwe openbaringen.
Geestelijke gebiedsverovering vraagt om leiders met buitengewoon gezag.
Maar de Gemeente heeft reeds een Hoofd: de Here Jezus Christus.
Zij heeft ook reeds een fundament:
“Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.” — Efeze 2:20 (STV)
Een fundament wordt eenmaal gelegd. Het wordt niet in iedere generatie opnieuw aangebracht.
De Gemeente wordt niet geleid door een nieuwe bestuurlijke elite van apostelen. Zij wordt opgebouwd vanuit het reeds gelegde fundament door het Woord van God.
Het Evangelie verandert van verzoening in verovering
Wanneer de koninkrijkstheologie de opdracht van de Gemeente gaat bepalen, verandert ook de nadruk van de boodschap.
Het Evangelie gaat dan steeds minder over zonde, oordeel, rechtvaardiging, verzoening en eeuwig leven. De aandacht verschuift naar bestemming, invloed, leiderschap, gebiedsinneming en maatschappelijke transformatie.
Zonde wordt vooral een hindernis voor persoonlijke bestemming.
Verlossing wordt herstel van menselijke heerschappij.
Gebed wordt strategische geestelijke oorlogsvoering over gebieden.
Aanbidding wordt een methode om een geestelijke atmosfeer te veranderen.
De Gemeente wordt een leger dat de aarde moet innemen.
Maar Paulus noemt de gelovigen gezanten die smeken:
“Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)
Het Evangelie is geen programma voor christelijke overheersing.
Het is de boodschap dat vijanden van God door het volbrachte werk van Christus met Hem verzoend kunnen worden.
De Bijbelse taak van de Gemeente
De Gemeente hoeft niet klein over haar roeping te denken. Haar hemelse positie in Christus is veel hoger dan iedere aardse machtspositie.
Zij is geroepen om Christus bekend te maken.
Zij verkondigt het Evangelie der genade.
Zij bewaart en verdedigt het Woord der waarheid.
Zij bouwt gelovigen op in Christus.
Zij wandelt als licht te midden van een donkere wereld.
Zij verwacht haar Here uit de hemel.
De Gemeente is niet geroepen om de samenleving te domineren, maar om Christus te vertegenwoordigen.
Zij is niet geroepen om de Koning tijdens Zijn afwezigheid te vervangen.
Zij is geroepen om Hem trouw te dienen totdat Hij komt.
Israël, de Gemeente en het toekomstige Koninkrijk
De Bijbelse volgorde is helder.
Christus werd verworpen, gekruisigd, opgewekt en verhoogd.
Hij vergadert nu Zijn Gemeente uit Joden en heidenen.
De Gemeente verkondigt het Evangelie en verwacht haar Here.
Wanneer dit werk voltooid is, zal God Zijn handelen met Israël openlijk voortzetten.
Christus zal wederkomen, Zijn vijanden oordelen en Zijn heerschappij over de aarde zichtbaar openbaren.
Israël zal worden hersteld en de volkeren zullen onder Zijn regering worden gebracht.
Het Koninkrijk wordt niet door de Gemeente aan Christus aangeboden alsof zij het voor Hem heeft gebouwd.
Het wordt door Christus Zelf in macht en heerlijkheid geopenbaard.
Koninkrijkstheologie en vervangingsleer gaan verder dan de Schrift
De vervangingsleer zegt dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.
Kingdom Now zegt dat de Gemeente nu reeds de plaats van de regerende Koning moet innemen.
Beide visies gaan verder dan wat de Schrift leert.
De Gemeente heeft Israël niet vervangen.
De beloften aan Israël zijn niet vervallen.
De troon van David blijft een werkelijke troon.
Het toekomstige herstel van Israël blijft staan.
De zichtbare onderwerping van de aarde aan Christus blijft het werk van de Koning.
De Gemeente heeft niet de opdracht om vóór de wederkomst het Koninkrijk op aarde te vestigen. Haar roeping is hemels: het Evangelie verkondigen, het Lichaam van Christus opbouwen en de Here Jezus Christus uit de hemel verwachten.
Niet de kerk brengt het Koninkrijk.
Niet moderne apostelen brengen het Koninkrijk.
Niet politieke invloed brengt het Koninkrijk.
Niet maatschappelijke transformatie brengt het Koninkrijk.
De Koning Zelf zal Zijn Koninkrijk in macht en heerlijkheid openbaren.
“En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en Zijn Naam één.” — Zacharia 14:9 (STV)
Zie ook:
Israël en de Gemeente: het Bijbelse onderscheid – Bijbelse basis
Israël vandaag Gods volk? – Bijbelse basis
Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis
Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus? – Bijbelse basis