Charismatische leer toetsen

Waarom ik hierover blijf schrijven

Ik wil graag een tipje van de sluier oplichten over de reden waarom ik op dit blog regelmatig bepaalde onderwerpen behandel.

Een oplettende bezoeker zal inmiddels hebben gemerkt dat het hier opvallend vaak gaat over zaken die raken aan de charismatische praktijk en leer. Dat is niet toevallig. Binnen dat gedachtegoed worden regelmatig claims gedaan, verwachtingen gewekt en uitspraken gedaan waarvan ik mij steeds vaker afvraag:

waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?

En die vraag is voor mij niet onderhandelbaar.

Na mijn ongeluk ben ik verschillende keren terug geweest in een gemeente waar ik vroeger vaker kwam. Omdat daar inmiddels een leiderschapswissel had plaatsgevonden, was ik aanvankelijk behoorlijk optimistisch. Ik was benieuwd naar de prediking, de aanpak, en, plat gezegd,  de koers die men zou gaan varen.

Langzamerhand is duidelijk geworden welke richting gekozen is.

En je raadt het waarschijnlijk al: de afslag richting het pinkster- en charismatisch christendom is genomen. Inmiddels is ook gecommuniceerd dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de VPE. Wie mijn eerdere artikel daarover heeft gelezen, zal begrijpen dat ik daar bepaald niet enthousiast over ben. Dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt.

 

Het gaat mij niet om een of het etiket

Laat ik meteen iets duidelijk maken. Mijn bezwaar zit nadrukkelijk niet in een naam, een organisatie of een etiket. Ook niet in het feit dat iemand zichzelf pinksterchristen, evangelisch, reformatorisch of wat dan ook noemt.

De vraag is veel simpeler:

Wat leert de Schrift?

Dáár moet uiteindelijk alles aan getoetst worden.

Mijn zorg is dat binnen het charismatisch gedachtegoed een belangrijk Bijbels onderscheid onvoldoende of zelfs niet wordt gezien: het onderscheid tussen Gods handelen met Israël en Gods roeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, wordt vrijwel automatisch ook het boek Handelingen anders gelezen. Handelingen wordt dan gemakkelijk behandeld als een blauwdruk voor hoe iedere plaatselijke gemeente vandaag zou behoren te functioneren. Wonderen, tekenen, bijzondere manifestaties, profetieën en bovennatuurlijke ervaringen worden vervolgens niet alleen mogelijk geacht, maar dikwijls ook verwacht.

Daar zit voor mij een fundamenteel probleem.

Niet omdat ik wil voorschrijven wat God wel of niet zou kunnen doen, maar omdat de Schrift zelf bepaalt wat wij voor deze tijd als normgevende leer en praktijk mogen verwachten.

Het verschil tussen beschrijving en voorschrift is daarbij essentieel.

Niet alles wat in Handelingen gebeurde, is daarmee  een opdracht of model voor de Gemeente vandaag.

 

Wanneer ervaring de plaats van het Woord inneemt

Het gevolg van zo’n koers blijft bovendien niet beperkt tot een leerstellig verschil van inzicht.

Het beïnvloedt hoe gelovigen leren denken.

Waar het Woord niet langer praktisch de maatstaf is waaraan alles wordt getoetst, ontstaat gemakkelijk een geloofscultuur waarin ervaring steeds belangrijker wordt.

Wat voelde je?

Wat ervoer je?

Wat kreeg je op je hart?

Welke indruk ontving je?

Was er een bijzondere sfeer?

Was er “kracht”?

Heeft iemand een woord voor je?

Daarmee wil ik gevoel of emotie niet verdacht maken. Een mens zonder gevoel bestaat niet en ook geloof raakt vanzelfsprekend ons hart. Maar gevoel is geen openbaringsbron. Een indruk is geen Schriftwoord. Een bijzondere ervaring bewijst niet dat iets van God afkomstig is.

Daarom zegt de Bijbel ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot cynisme. Het is een opdracht tot groei, tot geestelijke volwassenheid.

 

Toetsing is geen gebrek aan geloof

Wat mij daarom eveneens zorgen baart, is wanneer kritische vragen weliswaar in theorie welkom worden genoemd, maar in de praktijk als lastig worden ervaren.

Er kan gezegd worden dat alles bespreekbaar is en dat de deur altijd openstaat. Maar de werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer iemand daadwerkelijk binnenkomt en vraagt:

Waar staat dit?

Waarom leren wij dit?

Is deze praktijk werkelijk uit de Schrift af te leiden?

Is dit voorschrift voor de Gemeente, of lezen wij iets in de tekst wat er niet staat?

Wie echt overtuigd is van de Bijbelse basis van zijn leer, hoeft zulke vragen niet te vrezen.

Sterker nog: een gemeente zou zulke vragen moeten verwelkomen.

De Bereërs werden immers niet geprezen omdat zij alles wat Paulus zei onmiddellijk als zoete koek aannamen, maar juist omdat zij onderzochten of hetgeen hun verteld werd met de Schrift overeenkwam:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen ongeestelijke houding.

Dat is een geestelijke houding.

 

Gelovigen moeten toegerust worden

Een van mijn grootste bezwaren tegen een sterk ervaringsgerichte geloofspraktijk is daarom dat gelovigen er uiteindelijk afhankelijk door kunnen worden.

Afhankelijk van leiders.

Afhankelijk van bijeenkomsten.

Afhankelijk van sfeer.

Afhankelijk van bijzondere ervaringen.

Afhankelijk van iemand die zegt iets “voor jou ontvangen” te hebben.

Maar de Bijbelse bedoeling is juist dat gelovigen worden opgebouwd, onderwezen en toegerust, zodat zij zelf leren staan.

Niet op de ervaring van een ander.

Niet op de charisma’s van een leider.

Niet op de emotionele intensiteit van een samenkomst.

Maar op het geopenbaarde Woord van God.

Daarom blijft dat Woord mijn uitgangspunt.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Psalm 119:105, STV)

 

Geen stormram

Je zult begrijpen dat ik mij in zo’n ontwikkeling niet thuis voel.

Tegelijkertijd voel ik mij ook niet geroepen om met een stormram een gemeente binnen te gaan en daar de boel op stelten te zetten. Dat zou waarschijnlijk weinig opbouwen en vooral loopgraven veroorzaken.

Maar zwijgen is iets anders.

Ik kan schrijven.

Ik kan onderzoeken.

Ik kan vergelijken.

Ik kan vragen stellen.

En ik kan anderen aansporen hetzelfde te doen.

In de afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad veel te mogen bestuderen en daardoor bepaalde patronen te leren herkennen. Niet omdat ik alles weet,  verre van dat, maar omdat ik steeds beter heb leren zien hoe belangrijk het is om Schriftgedeelten in hun verband te lezen en onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente, tussen Wet en Genade, tussen beschrijving en voorschrift en tussen menselijke ervaring en Goddelijke openbaring.

Daar zal ik dus voorlopig over blijven schrijven.

Niet om mensen belachelijk te maken.

Niet omdat ik ruzie zoek.

Niet omdat ik beweer dat iedereen die in een charismatische gemeente zit onoprecht is.

Integendeel. Ik twijfel er niet aan dat daar vele oprechte gelovigen zijn die werkelijk de Here Jezus Christus willen dienen.

Juist daarom vind ik dit onderwerp belangrijk.

Oprechtheid maakt een leer namelijk nog niet Bijbels.

 

Het gaat mij om die ene lezer

Ik ga met dit blog niet voor enorme bezoekersaantallen.

Natuurlijk is het leuk wanneer een artikel veel gelezen wordt, maar dat is niet mijn drijfveer.

Het gaat mij veel meer om het individu.

Als één iemand door een artikel opnieuw zijn Bijbel opent en denkt: wacht eens even, klopt hetgeen mij geleerd wordt eigenlijk wel?

Als één gelovige ontdekt dat hij niet afhankelijk hoeft te zijn van religieuze ervaringen maar mag rusten in wat God heeft gesproken.

Als één iemand leert onderscheiden tussen wat de Bijbel werkelijk zegt en wat wij er in de loop der jaren van hebben gemaakt.

Dan vind ik dat al heel waardevol.

 

Geen dichtgespijkerd systeem

Mijn uitgangspunt blijft daarom het Woord van God.

Niet een geloofsbelijdenis.

Niet een kerkelijke traditie.

Niet een denominatie.

Niet een dogmatisch systeem waarin iedere vraag bij voorbaat al van een antwoord is voorzien.

En óók niet de leer van een favoriete Bijbelleraar.

Iedere menselijke uitleg moet uiteindelijk opnieuw langs de Schrift.

Ook de mijne.

Paulus schrijft:

“Beijver u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Dat vraagt studie. Dat vraagt soms correctie. Dat vraagt ook de bereidheid om geliefde overtuigingen los te laten wanneer blijkt dat zij onvoldoende Bijbelse grond hebben.

Juist in een tijd waarin we op vrijwel ieder terrein overspoeld worden met informatie, halve waarheden, stellige claims en regelrechte desinformatie, zou de Gemeente een plaats van onversneden helderheid moeten zijn.

Niet van nieuwe mist.

Niet van nóg meer onbewezen claims.

Maar van waarheid.

Daarom schrijf ik.

En daarom kun je de komende tijd naast opbouwende artikelen en korte Bijbelstudies ook artikelen blijven verwachten die kritisch kijken naar charismatische leer en praktijk.

Soms voorzichtig.

Soms scherp.

En soms zal het ongetwijfeld een beetje schuren.

Maar hopelijk altijd met dezelfde vraag op de achtergrond:

Wat zegt de Schrift echt?

Want uiteindelijk is dat niet alleen de veiligste vraag.

Het is de enige vraag die echt beslissend is.

 

1 Petrus 5:6-11 lijden, zorgen, de duivel en Gods genade

Als de leeuw brult, maar God zorgt; 1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Er bestaat christelijke prediking waarin lijden bijna als een storing in het geloofsleven wordt beschouwd. Als je werkelijk gelooft, zou je moeten overwinnen. Als je dicht bij God leeft, zou je voortdurend doorbraken moeten meemaken. Zegen wordt zichtbaar in succes, gezondheid en voorspoed. Tegenslag vraagt dan al snel om een verklaring: heb je wel voldoende geloof? Staat er misschien ergens een deur open voor de vijand?

Lees daar eens rustig 1 Petrus 5:6-11 naast.

1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Petrus schrijft niet aan mensen die God verlaten hebben. Hij schrijft aan gelovigen. En toch spreekt hij zonder omwegen over vernedering, bekommernis, geestelijke strijd en lijden.

Maar daar eindigt hij niet.

Boven dit alles plaatst Petrus de machtige werkelijkheid van Gods zorg, Gods genade en de eeuwige heerlijkheid waartoe de gelovige in Christus geroepen is.

Dat maakt dit gedeelte tegelijk ontmaskerend en buitengewoon sterk vertroostend.

Verneder u onder de krachtige hand van God

Petrus schrijft:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (1 Petrus 5:6, STV)

Bijbelse nederigheid betekent niet dat een christen zichzelf voortdurend waardeloos moet vinden. Het betekent dat hij zijn plaats tegenover God kent.

Hij is God.

Wij zijn het niet.

Dat klinkt eenvoudig, maar juist in moeilijke omstandigheden wordt dit op de proef gesteld. Wij willen begrijpen waarom iets gebeurt. Wij willen oplossingen. Wij willen controle. En als het even kan willen wij ook weten wanneer het voorbijgaat.

Petrus geeft geen methode waarmee de gelovige Gods hand kan dwingen.

Hij zegt:

“…opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (STV)

Let vooral op die laatste woorden: te Zijner tijd.

Niet op mijn tijd.

Niet wanneer ik voldoende geloof heb geproduceerd.

Niet wanneer ik de juiste geestelijke formule heb gevonden.

God bepaalt de tijd.

Dat vraagt geloof.

 

God vraagt niet dat u uw zorgen ontkent

Onmiddellijk daarna volgen misschien wel de bekendste woorden uit dit gedeelte:

“Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Dit vers wordt vaak los geciteerd, maar het woordje dan uit vers 6 helpt ons de samenhang te zien. Het werpen van onze zorgen op God behoort bij het ons vernederen onder Zijn krachtige hand.

Dat is belangrijk.

Bijbels geloof betekent namelijk niet dat wij doen alsof onze zorgen niet bestaan.

Petrus zegt niet: ontken uw bekommernis.

Hij zegt:

werp haar op Hem.

Je mag dus bezorgd zijn over je toekomst. Je mag verdriet kennen. Je mag niet begrijpen waarom een bepaalde weg door je leven loopt. Je mag met vragen bij God komen.

Maar je hoeft die last niet zelf te dragen alsof alles uiteindelijk van jou afhankelijk is.

Waarom niet?

Niet omdat alles onmiddellijk goed zal komen volgens onze definitie van “goed”.

Maar omdat:

“…Hij zorgt voor u.” (STV)

Vier eenvoudige woorden.

En misschien behoren ze wel tot de meest herderlijke woorden van het Nieuwe Testament.

Hij zorgt voor u

 

Gods zorg betekent niet de afwezigheid van lijden

Hier wordt het apologetisch belangrijk.

Want vers 7 wordt soms gebruikt alsof Gods zorg betekent dat Hij de gelovige tegen alle ernstige moeilijkheden beschermt.

Maar dat kan Petrus onmogelijk bedoelen.

Een paar regels verder schrijft dezelfde apostel:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

En vervolgens:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben…” (1 Petrus 5:10, STV)

God zorgt voor u.

En:

u zult een weinig tijd lijden.

Die twee werkelijkheden staan in dezelfde alinea.

Daarmee valt een complete voorspoedsleer eigenlijk al om.

Gods zorg wordt in de Schrift niet bewezen door de afwezigheid van lijden

Integendeel: Gods zorg wordt juist zichtbaar doordat Hij de gelovige in en door het lijden heen vasthoudt en hem uiteindelijk tot Zijn bestemming brengt.

 

De duivel is reëel, maar Petrus zet hem op zijn plaats

Dan verschijnt ineens de tegenstander:

“Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden.” (1 Petrus 5:8, STV)

Dat is ernstige taal.

De Bijbel bagatelliseert de duivel niet.

Maar merk tegelijk op hoe nuchter Petrus over geestelijke strijd spreekt.

Geen ingewikkelde technieken.

Geen geestelijke oorlogsvoering waarbij christenen demonen moeten identificeren die boven steden of gebieden zouden regeren.

Geen speciale gebedsformules.

Geen stappenplan.

Geen “profetische handelingen”.

Geen bevel om de duivel te binden.

Petrus zegt:

“Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof…” (1 Petrus 5:9, STV)

Daar staat het.

Vaststaan in het geloof

De duivel wordt niet bestreden door spectaculaire geestelijke ervaringen, maar doordat de gelovige weigert zijn vertrouwen op God los te laten.

Dat is minder sensationeel.

Maar het is tenminste gewoon Bijbels.

 

Waarom juist tijdens het lijden waakzaam zijn?

De plaats van vers 8 is veelzeggend.

Petrus spreekt eerst over nederigheid en bekommernis. Daarna waarschuwt hij voor de tegenstander. Vervolgens spreekt hij opnieuw over lijden.

Dat suggereert een belangrijke geestelijke werkelijkheid.

Juist wanneer wij lijden, zijn wij kwetsbaar.

Niet alleen lichamelijk of emotioneel, maar ook geestelijk.

Dan kunnen gedachten opkomen als:

Waar is God nu?

Waarom laat Hij dit toe?

Zorgt Hij werkelijk voor mij?

Waarom wordt mijn gebed niet verhoord zoals ik had gehoopt?

Juist daar kan de briesende leeuw proberen binnen te komen.

Niet noodzakelijk met iets spectaculairs.

Soms is één leugen voldoende:

God heeft je verlaten

En daartegenover staat het eenvoudige Woord der waarheid:

“…want Hij zorgt voor u.” (STV)

Daarom moet de gelovige vaststaan in het geloof.

Niet vaststaan in zijn gevoel.

Niet in zijn omstandigheden.

Niet in zichtbare resultaten.

Maar in wat God gesproken heeft.

 

Lijden is geen bewijs van onvoldoende geloof

Dat verdient nadruk, juist in onze tijd.

Petrus schrijft:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

Lijden behoort blijkbaar niet tot een uitzonderingscategorie voor christenen die iets verkeerd hebben gedaan.

De broederschap in de wereld kent het.

Dat staat haaks op de gedachte dat ziekte, vervolging, verlies of tegenslag noodzakelijk betekenen dat iemand onvoldoende geloof heeft.

Soms wordt een gelovige door zulke prediking zelfs tweemaal getroffen.

Eerst is er het lijden zelf.

Daarna komt de beschuldiging dat het lijden blijkbaar iets zegt over zijn geloof.

Petrus doet precies het tegenovergestelde.

Hij maakt van het lijden geen aanklacht tegen de gelovige, maar plaatst het binnen het grotere perspectief van Gods eeuwige bedoeling.

 

Een weinig tijd tegenover eeuwige heerlijkheid

Dan komt het geweldige vers 10:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (1 Petrus 5:10, STV)

Hier verlegt Petrus onze blik op de tijd.

Wij kijken naar vandaag.

God laat ons kijken naar de eeuwigheid.

Petrus noemt het lijden:

een weinig tijds.

En onze bestemming:

eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

Dat betekent niet dat Petrus menselijk lijden bagatelliseert. Een nacht kan verschrikkelijk lang duren wanneer je pijn hebt. Een periode van verlies kan jaren doorwerken.

Maar tegenover de eeuwigheid krijgt zelfs een mensenleven een andere verhouding.

Paulus schrijft iets vergelijkbaars:

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.” (Romeinen 8:18, STV)

Daar ligt christelijke hoop.

Niet: het wordt morgen gemakkelijker.

Maar:

dit is niet het einde van het verhaal.

 

God is bezig,ook wanneer wij dat niet zien of voelen

Petrus gebruikt vervolgens vier prachtige woorden:

“…Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (STV)

Dat is opmerkelijk.

De gelovige kan tijdens beproeving het gevoel hebben dat alles wordt afgebroken.

Petrus zegt dat God ondertussen bezig is te funderen.

Wij voelen zwakheid.

God versterkt.

Wij ervaren onzekerheid.

God bevestigt.

Wij zien onvolkomenheid.

God volmaakt.

Dat is een heel andere boodschap dan: als je geloof sterk genoeg is, zal God de beproeving verwijderen.

Misschien doet Hij dat.

Maar misschien ook wel niet.

Zijn belofte is groter dan onmiddellijke verlichting.

Zijn uiteindelijke doel is de gelovige brengen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

 

Christelijke kracht begint waar zelfvertrouwen ophoudt

Daarmee raakt dit gedeelte ook aan een bredere Bijbelse lijn.

Wij denken bij geestelijke groei gemakkelijk aan steeds sterker worden. Maar Bijbels gezien betekent groeien vaak dat wij steeds minder vertrouwen stellen in onze eigen kracht en steeds meer leren leven uit Gods kracht.

Paulus schrijft:

“Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt.” (2 Korinthe 1:9, STV)

Dat is geen nederlaag.

Dat is geestelijke volwassenheid.

Het “ik red mij wel” moet plaatsmaken voor vertrouwen op Hem Die zelfs de doden opwekt.

Daarom begint Petrus ook met:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods…” (STV)

En hij eindigt met:

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

Zie je de richting?

Van onze zwakheid naar Zijn kracht.

Van onze bekommernis naar Zijn zorg.

Van tijdelijk lijden naar eeuwige heerlijkheid.

Van de briesende leeuw naar de God aller genade.

 

Geef de briesende leeuw niet de hoofdrol

Misschien moeten we daar ook in onze prediking veel nuchterder in worden.

Ja, de duivel bestaat.

Ja, hij is onze tegenpartij.

Ja, Petrus waarschuwt ernstig voor hem.

Maar lees hoeveel aandacht hij uiteindelijk krijgt.

De leeuw brult.

Maar God bepaalt

De tegenstander zoekt wie hij kan verslinden.

Maar God zorgt voor u.

Het lijden is werkelijk.

Maar het duurt een weinig tijds.

Gods heerlijkheid daarentegen is eeuwig.

Daarom hoeft een christen niet voortdurend angstig bezig te zijn met wat de duivel mogelijk doet.

Petrus richt onze blik uiteindelijk niet op de tegenstander, maar op:

“De God nu aller genade…” (STV)

Dát is waar de ogen van de gelovige behoren te rusten.

 

Hij zorgt voor u

Misschien lees je dit wel terwijl er helemaal niets spectaculairs in je leven gebeurt.

Geen doorbraak.

Geen onmiddellijke oplossing.

Misschien bid je al lange tijd voor iets en lijkt de hemel gesloten.

Dan zegt Petrus niet dat je harder moet geloven en je best doen totdat God eindelijk in beweging komt.

Hij zegt:

                                                                                       “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Leg het bij Hem.

Ook voor de honderdste keer.

En wanneer de tegenstander fluistert dat Gods stilte betekent dat God afwezig is, blijf dan staan.

Vast in het geloof

Want degene die jou geroepen heeft, is niet zomaar God.

Petrus noemt Hem:

De God aller genade.

En Hij heeft je niet geroepen tot een eindeloos bestaan van strijd en lijden.

Hij heeft je geroepen:

“…tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus…” (STV)

De leeuw mag een tijdlang brullen.

Het lijden mag een tijdlang pijn doen.

De zorgen kunnen zwaar wegen.

Maar geen daarvan krijgt het laatste woord.

Dat woord behoort aan de God aller genade.

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

Het eerstgeboorterecht in de Bijbel: betekenis, Christus en erfenis

Waarom deze vergeten waarheid zo belangrijk is

Wie bij het eerstgeboorterecht in de Bijbel alleen denkt aan een oude familietraditie waarbij de oudste zoon een groter deel van de erfenis kreeg, mist een belangrijke lijn die van Genesis tot het Nieuwe Testament loopt.

Het eerstgeboorterecht heeft in de Schrift te maken met positie, erfenis, verantwoordelijkheid, voorrang en bestemming. En uiteindelijk werpt dit begrip verrassend veel licht op de Here Jezus Christus als de Eerstgeborene, op Zijn plaats boven de schepping, op Zijn opstanding uit de doden en op de positie van de gelovige in Hem.

Dat maakt het eerstgeboorterecht veel meer dan een interessant oudtestamentisch onderwerp. Het is een sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

 

Wat betekent het eerstgeboorterecht in de Bijbel?

In onze taal denken we bij het woord eerstgeborene als vanzelf aan degene die als eerste geboren werd. In de Bijbel kan dat inderdaad de betekenis zijn, maar zeker niet altijd.

God zegt bijvoorbeeld over Israël:

“Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” — Exodus 4:22 (STV)

Israël was bepaald niet het eerste volk dat ooit op aarde bestond. Het woord eerstgeborene kan hier dus onmogelijk uitsluitend chronologisch worden opgevat.

Het spreekt van rang en positie.

Dat is direct van belang wanneer het Nieuwe Testament de Here Jezus Christus noemt:

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Sommigen lezen daaruit dat Christus het eerste geschapen wezen zou zijn. Maar die uitleg botst onmiddellijk met de volgende woorden:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

Christus wordt dus niet binnen de schepping geplaatst als het eerste schepsel. Hij staat erboven als Degene door Wie alle dingen geschapen zijn.

Paulus legt de betekenis enkele verzen later zelf uit:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar ligt de kern van het Bijbelse begrip eerstgeboorte:

voorrang, positie en erfgenaamschap.

Eerstgeboorterecht de betekenis
Eerstgeboorterecht in de Bijbel

Het eerstgeboorterecht verbonden met erfenis

Het eerstgeboorterecht was geen lege titel. Aan de eerstgeborene was een bijzondere plaats in het huis van zijn vader verbonden.

De Wet zegt:

“Maar den eerstgeborene […] zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles wat bij hem zal gevonden worden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is zijne.” — Deuteronomium 21:17 (STV)

De eerstgeborene ontving dus een dubbel erfdeel.

Daarmee wordt duidelijk dat eerstgeboorte te maken had met meer dan leeftijd. Het ging om positie binnen het huis, verantwoordelijkheid en erfenis.

Juist daarom zijn de geschiedenissen van Ezau, Ruben, Jozef, Manasse en Efraïm zo belangrijk.

 

Ezau verachtte zijn eerstgeboorterecht

Ezau is een van de bekendste voorbeelden.

Wanneer hij hongerig thuiskomt en Jakob voedsel vraagt, verlangt Jakob daarvoor zijn eerstgeboorterecht.

Ezau antwoordt:

“Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?” — Genesis 25:32 (STV)

Daarna verkoopt hij zijn eerstgeboorterecht.

De Schrift trekt zelf de conclusie:

“Alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.” — Genesis 25:34 (STV)

Dat ene woord is veelzeggend: verachtte.

Ezau achtte iets wat met Gods belofte, positie en toekomstige erfenis te maken had minder belangrijk dan zijn onmiddellijke lichamelijke behoefte.

Het zichtbare woog zwaarder dan de belofte.

Het tijdelijke woog zwaarder dan de erfenis.

Het vlees woog zwaarder dan hetgeen God had toegezegd.

Eeuwen later grijpt Hebreeën terug op precies deze geschiedenis:

“Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” — Hebreeën 12:16 (STV)

Dit was dus geen onbeduidend familievoorval.

Ezau waardeerde niet wat God waardeerde.

Dat maakt zijn geschiedenis ook vandaag nog indringend.

 

Ruben was eerstgeborene maar verloor het eerstegeboorterecht

Bij Ruben wordt nog duidelijker dat geboortevolgorde en eerstgeboorterecht niet identiek zijn.

Jakob zegt tegen hem:

“Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht en het begin mijner macht…” — Genesis 49:3 (STV)

Ruben was inderdaad letterlijk de eerste zoon van Jakob.

Maar later lezen we:

“De kinderen nu van Ruben, den eerstgeborene Israëls (want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij zijns vaders bed had ontheiligd, zo werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël…” — 1 Kronieken 5:1 (STV)

Dat is een sleuteltekst.

Ruben bleef biologisch de eerstgeborene, maar de eerstgeboorte werd aan Jozef gegeven.

De Schrift maakt dus zelf onderscheid tussen als eerste geboren worden en de positie van eerstgeboorte bezitten.

Het volgende vers is nog opmerkelijker:

“Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en uit hem is de Vorst voortgekomen; doch de eerstgeboorte was van Jozef.” — 1 Kronieken 5:2 (STV)

Uit Juda komt de Vorst.

Maar het eerstgeboorterecht ligt bij Jozef.

Dat onderscheid is belangrijk en laat zien hoe nauwkeurig de Schrift met deze begrippen omgaat.

 

Waarom kreeg Jozef een dubbel deel?

Dan begrijpen we ook waarom Jozef via zijn zonen Efraïm en Manasse twee plaatsen binnen Israël krijgt.

Jakob zegt:

“Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik tot u in Egypte gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.” — Genesis 48:5 (STV)

Efraïm en Manasse worden daarmee als het ware naast Jakobs eigen zonen geplaatst.

Jozef ontvangt via hen twee stamdelen.

En wat was het bijzondere erfdeel van de eerstgeborene?

Het dubbele deel.

Genesis 48 en 1 Kronieken 5 sluiten daarmee nauw op elkaar aan.

Het eerstgeboorterecht had dus concrete gevolgen voor de erfenis.

 

Efraïm en Manasse: de natuurlijke volgorde wordt opnieuw doorbroken

Zelfs binnen het huis van Jozef gebeurt hetzelfde patroon opnieuw.

Manasse was de oudste. Jozef zorgt er daarom bewust voor dat Manasse bij Jakobs rechterhand staat wanneer zijn vader de jongens zegent.

Maar Jakob kruist zijn handen en legt zijn rechterhand op Efraïm, de jongste.

Jozef denkt dat zijn vader zich vergist:

“Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.” — Genesis 48:18 (STV)

Jakob antwoordt:

“Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij…” — Genesis 48:19 (STV)

Opnieuw wordt de natuurlijke volgorde bewust doorbroken.

Gods toekenning van positie wordt niet eenvoudig bepaald door geboortevolgorde.

Dat patroon zien we vaker:

Kaïn vóór Seth.

Ismaël vóór Izak.

Ezau vóór Jakob.

Ruben vóór Jozef.

Manasse vóór Efraïm.

Dat is te consequent om als toevallig detail af te serveren.

Eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke

Paulus geeft later woorden die dit patroon veel dieper plaatsen:

“Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.” — 1 Korinthe 15:46 (STV)

En vervolgens:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

Daar staat de grote tegenstelling:

Adam tegenover Christus.

De eerste mens tegenover de Tweede Mens.

Het natuurlijke tegenover het geestelijke.

De oude schepping tegenover de nieuwe.

De geschiedenis van het eerstgeboorterecht loopt daardoor uiteindelijk niet dood bij Jakob, Jozef of Efraïm.

Zij wijst vooruit naar Christus.

 

Christus als Eerstgeborene van heel de schepping

Kolossenzen 1 is daarom van groot apologetisch belang.

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Wie daaruit concludeert dat Christus een schepsel is, negeert de directe context.

Paulus vervolgt:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

En:

“En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem.” — Kolossenzen 1:17 (STV)

En tenslotte:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Door Hem zijn alle dingen geschapen.

Tot Hem zijn alle dingen geschapen.

Hij is vóór alle dingen.

Door Hem bestaan alle dingen.

Hij moet in alles de Eerste zijn.

Dat is geen beschrijving van een geschapen wezen.

“Eerstgeborene” spreekt hier over Zijn hoogste positie boven de schepping.

 

Christus is de Eerstgeborene uit de doden

Paulus noemt Christus ook:

“…de Eerstgeborene uit de doden…” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Ook dat kan niet simpelweg chronologisch betekenen dat Hij de eerste persoon was die ooit uit de dood werd opgewekt.

Voor Zijn opstanding waren immers al mensen uit de dood opgewekt.

Maar zij keerden terug in een sterfelijk bestaan.

Christus niet.

“Wetende dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.” — Romeinen 6:9 (STV)

Zijn opstanding is van een andere orde.

Hij stond op in onvergankelijk leven.

Daarom noemt Paulus Hem ook:

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn.” — 1 Korinthe 15:20 (STV)

Eerstgeborene.

Eersteling.

Begin.

Christus staat aan het begin van een nieuwe orde.

 

De Laatste Adam en de Tweede Mens

Paulus schrijft:

“Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.” — 1 Korinthe 15:45 (STV)

Christus is niet een verbeterde versie van Adam.

Hij is de Laatste Adam.

En:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

De boodschap van de Schrift is dus niet dat God de oude mens door religieuze inspanning probeert te verbeteren.

In Christus ontstaat iets nieuws.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” — 2 Korinthe 5:17 (STV)

Hier krijgt het patroon uit Genesis zijn diepste betekenis.

Eerst Adam.

Daarna Christus.

Eerst het natuurlijke.

Daarna het geestelijke.

 

De Eerstgeborene onder vele broederen

Romeinen 8 gaat nog verder:

“Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” — Romeinen 8:29 (STV)

Christus is dus niet alleen Eerstgeborene.

Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

Zijn positie blijft uniek.

Hij blijft Degene Die in alles de Eerste is.

Maar God verbindt anderen met Hem.

Daarmee komen we bij een begrip dat nauw samenhangt met eerstgeboorterecht: zoonstelling.

 

Zoonstelling, erfenis en eerstgeboorterecht

Paulus schrijft:

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven…” — Efeze 1:5 (STV)

Het gaat hier om de gedachte van zoonstelling: geplaatst worden in de positie van zoon.

En waar zoonstelling verschijnt, is er ook sprake van erfenis.

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus…” — Romeinen 8:17 (STV)

Dat is veel rijker dan de versmalling van het christelijke geloof tot:

Mijn zonden zijn vergeven en later ga ik naar de hemel.

Vergeving is onmisbaar.

Maar Gods voornemen gaat verder.

Hij spreekt over zoonstelling.

Over erfenis.

Over mede-erfgenamen.

Over gelijkvormigheid aan Zijn Zoon.

Over heerlijkheid.

En over Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Dan krijgt Hebreeën 12 ineens veel meer betekenis:

“…tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn…” — Hebreeën 12:23 (STV)

De Gemeente der eerstgeborenen.

Hoe kan een hele Gemeente uit eerstgeborenen bestaan wanneer eerstgeborene alleen geboortevolgorde zou betekenen?

Dat kan niet.

Maar wanneer eerstgeboorte spreekt over positie en erfenis, wordt de uitdrukking begrijpelijk.

En precies die taal gebruikt Paulus wanneer hij spreekt over degenen die in Christus zijn.

Zij zijn geen eerstgeborenen los van Hem.

Hun hele positie bestaat in Christus.

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” — Efeze 1:3 (STV)

Alles ligt in Hem.

Niet in religieuze prestaties.

Niet in menselijke waardigheid.

Niet in het onderhouden van een systeem.

Maar in Christus.

 

Waarom veel christelijke prediking hier tekortschiet

Veel prediking stopt feitelijk bij de ingang van het Evangelie.

De mens is zondaar.

Christus stierf voor zonden.

Wie gelooft, ontvangt vergeving.

Dat is helemaal waar.

Maar het is niet het hele verhaal.

Paulus stopt daar niet.

De gelovige is gerechtvaardigd, maar ook met Christus verbonden.

Hij behoort tot Zijn Lichaam.

Hij is gezegend met geestelijke zegeningen in de hemel.

Hij heeft een hemelse roeping.

Hij ontvangt zoonstelling.

Hij is erfgenaam.

Hij is mede-erfgenaam van Christus.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

En zijn toekomst is met Christus verbonden.

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Dat is veel rijker dan een Evangelie dat uiteindelijk nauwelijks verder komt dan de vraag waar iemand na zijn dood terechtkomt.

De Schrift spreekt niet alleen over waar wij van verlost zijn.

Zij spreekt ook over waartoe wij in Christus geroepen zijn.

 

Eerstgeboorterecht en behoud zijn niet hetzelfde

Juist hier moet zorgvuldig onderscheiden worden.

Het eeuwige leven is een gave.

“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.” — Romeinen 6:23 (STV)

Een gave verdien je niet.

Daarom moeten we van Ezau ook geen verhaal maken waarin iemand zogenaamd zijn behoudenis verloor omdat hij één maaltijd belangrijker vond.

De tekst zegt iets anders.

Hij verkocht zijn eerstgeboorterecht.

Dat ging over positie en erfenis.

Wanneer behoudenis, erfenis en eerstgeboorterecht zonder onderscheid door elkaar worden gebruikt, ontstaan onnodige tegenstrijdigheden.

De Schrift maakt onderscheid.

Wij zouden dat daarom ook moeten doen.

Waarom het eerstgeboorterecht belangrijk is voor Bijbeluitleg

Het eerstgeboorterecht blijkt een sleutel te zijn die verschillende Schriftgedeelten met elkaar verbindt.

Het helpt verklaren waarom Christus “Eerstgeborene aller kreaturen” genoemd wordt zonder dat Hij een schepsel is.

Het verklaart waarom Israël Gods eerstgeborene genoemd wordt zonder het eerste volk op aarde te zijn.

Het verklaart waarom Ruben biologisch eerstgeborene was en toch zijn eerstgeboorte verloor.

Het verklaart waarom Jozef een dubbel erfdeel ontvangt.

Het verklaart waarom Efraïm vóór Manasse wordt geplaatst.

Het verbindt zoonschap met erfenis.

Het werpt licht op Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

En het helpt ons de uitdrukking “Gemeente der eerstgeborenen” te verstaan.

Dit is daarom geen vrijblijvende studie over oude familiegebruiken.

Het raakt rechtstreeks aan de Persoon en positie van Christus.

 

Het eerstgeboorterecht vindt zijn vervulling in Christus

Wanneer we de hele Bijbelse lijn overzien, wordt het patroon steeds duidelijker.

De natuurlijke eerstgeborene is niet vanzelfsprekend degene die uiteindelijk de positie ontvangt.

Het eerstgeboorterecht is verbonden met erfenis.

Het kan aan een ander worden gegeven.

Een compleet volk kan eerstgeborene worden genoemd vanwege zijn positie.

En uiteindelijk verschijnt Christus als:

de Eerstgeborene aller kreaturen,

de Eerstgeborene uit de doden,

de Eerstgeborene onder vele broederen.

Daarna spreekt Hebreeën over:

de Gemeente der eerstgeborenen.

Dat zijn geen toevallige overeenkomsten.

De Schrift verklaart de Schrift.

Een begrip dat al vroeg in Genesis zichtbaar wordt, krijgt zijn volle betekenis in de opgestane en verheerlijkte Christus.

Paulus vat het uiteindelijk prachtig samen:

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar moet iedere studie over het eerstgeboorterecht eindigen.

Niet bij Jakob.

Niet bij Jozef.

Niet bij Israël.

En ook niet bij ons.

Maar bij Christus.

Hij is de Eerstgeborene. Hij is het Hoofd. Hij is de Erfgenaam. Hij is het Begin van de nieuwe schepping.

En alles wat de gelovige ontvangen heeft, bezit hij uitsluitend in Hem.

Daarom is het eerstgeboorterecht geen belegen, stoffig detail uit Genesis.

Het is een vergeten sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

Zie ook:

zoonstelling – Bijbelse basis

extern:

Bijbelstudie: Het eerstgeboorterecht – Bijbels Panorama

Geverifieerd door MonsterInsights