Het eerstgeboorterecht in de Bijbel: betekenis, Christus en erfenis

Waarom deze vergeten waarheid zo belangrijk is

Wie bij het eerstgeboorterecht in de Bijbel alleen denkt aan een oude familietraditie waarbij de oudste zoon een groter deel van de erfenis kreeg, mist een belangrijke lijn die van Genesis tot het Nieuwe Testament loopt.

Het eerstgeboorterecht heeft in de Schrift te maken met positie, erfenis, verantwoordelijkheid, voorrang en bestemming. En uiteindelijk werpt dit begrip verrassend veel licht op de Here Jezus Christus als de Eerstgeborene, op Zijn plaats boven de schepping, op Zijn opstanding uit de doden en op de positie van de gelovige in Hem.

Dat maakt het eerstgeboorterecht veel meer dan een interessant oudtestamentisch onderwerp. Het is een sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

 

Wat betekent het eerstgeboorterecht in de Bijbel?

In onze taal denken we bij het woord eerstgeborene als vanzelf aan degene die als eerste geboren werd. In de Bijbel kan dat inderdaad de betekenis zijn, maar zeker niet altijd.

God zegt bijvoorbeeld over Israël:

“Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” — Exodus 4:22 (STV)

Israël was bepaald niet het eerste volk dat ooit op aarde bestond. Het woord eerstgeborene kan hier dus onmogelijk uitsluitend chronologisch worden opgevat.

Het spreekt van rang en positie.

Dat is direct van belang wanneer het Nieuwe Testament de Here Jezus Christus noemt:

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Sommigen lezen daaruit dat Christus het eerste geschapen wezen zou zijn. Maar die uitleg botst onmiddellijk met de volgende woorden:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

Christus wordt dus niet binnen de schepping geplaatst als het eerste schepsel. Hij staat erboven als Degene door Wie alle dingen geschapen zijn.

Paulus legt de betekenis enkele verzen later zelf uit:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar ligt de kern van het Bijbelse begrip eerstgeboorte:

voorrang, positie en erfgenaamschap.

Eerstgeboorterecht de betekenis
Eerstgeboorterecht in de Bijbel

Het eerstgeboorterecht verbonden met erfenis

Het eerstgeboorterecht was geen lege titel. Aan de eerstgeborene was een bijzondere plaats in het huis van zijn vader verbonden.

De Wet zegt:

“Maar den eerstgeborene […] zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles wat bij hem zal gevonden worden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is zijne.” — Deuteronomium 21:17 (STV)

De eerstgeborene ontving dus een dubbel erfdeel.

Daarmee wordt duidelijk dat eerstgeboorte te maken had met meer dan leeftijd. Het ging om positie binnen het huis, verantwoordelijkheid en erfenis.

Juist daarom zijn de geschiedenissen van Ezau, Ruben, Jozef, Manasse en Efraïm zo belangrijk.

 

Ezau verachtte zijn eerstgeboorterecht

Ezau is een van de bekendste voorbeelden.

Wanneer hij hongerig thuiskomt en Jakob voedsel vraagt, verlangt Jakob daarvoor zijn eerstgeboorterecht.

Ezau antwoordt:

“Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?” — Genesis 25:32 (STV)

Daarna verkoopt hij zijn eerstgeboorterecht.

De Schrift trekt zelf de conclusie:

“Alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.” — Genesis 25:34 (STV)

Dat ene woord is veelzeggend: verachtte.

Ezau achtte iets wat met Gods belofte, positie en toekomstige erfenis te maken had minder belangrijk dan zijn onmiddellijke lichamelijke behoefte.

Het zichtbare woog zwaarder dan de belofte.

Het tijdelijke woog zwaarder dan de erfenis.

Het vlees woog zwaarder dan hetgeen God had toegezegd.

Eeuwen later grijpt Hebreeën terug op precies deze geschiedenis:

“Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” — Hebreeën 12:16 (STV)

Dit was dus geen onbeduidend familievoorval.

Ezau waardeerde niet wat God waardeerde.

Dat maakt zijn geschiedenis ook vandaag nog indringend.

 

Ruben was eerstgeborene maar verloor het eerstegeboorterecht

Bij Ruben wordt nog duidelijker dat geboortevolgorde en eerstgeboorterecht niet identiek zijn.

Jakob zegt tegen hem:

“Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht en het begin mijner macht…” — Genesis 49:3 (STV)

Ruben was inderdaad letterlijk de eerste zoon van Jakob.

Maar later lezen we:

“De kinderen nu van Ruben, den eerstgeborene Israëls (want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij zijns vaders bed had ontheiligd, zo werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël…” — 1 Kronieken 5:1 (STV)

Dat is een sleuteltekst.

Ruben bleef biologisch de eerstgeborene, maar de eerstgeboorte werd aan Jozef gegeven.

De Schrift maakt dus zelf onderscheid tussen als eerste geboren worden en de positie van eerstgeboorte bezitten.

Het volgende vers is nog opmerkelijker:

“Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en uit hem is de Vorst voortgekomen; doch de eerstgeboorte was van Jozef.” — 1 Kronieken 5:2 (STV)

Uit Juda komt de Vorst.

Maar het eerstgeboorterecht ligt bij Jozef.

Dat onderscheid is belangrijk en laat zien hoe nauwkeurig de Schrift met deze begrippen omgaat.

 

Waarom kreeg Jozef een dubbel deel?

Dan begrijpen we ook waarom Jozef via zijn zonen Efraïm en Manasse twee plaatsen binnen Israël krijgt.

Jakob zegt:

“Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik tot u in Egypte gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.” — Genesis 48:5 (STV)

Efraïm en Manasse worden daarmee als het ware naast Jakobs eigen zonen geplaatst.

Jozef ontvangt via hen twee stamdelen.

En wat was het bijzondere erfdeel van de eerstgeborene?

Het dubbele deel.

Genesis 48 en 1 Kronieken 5 sluiten daarmee nauw op elkaar aan.

Het eerstgeboorterecht had dus concrete gevolgen voor de erfenis.

 

Efraïm en Manasse: de natuurlijke volgorde wordt opnieuw doorbroken

Zelfs binnen het huis van Jozef gebeurt hetzelfde patroon opnieuw.

Manasse was de oudste. Jozef zorgt er daarom bewust voor dat Manasse bij Jakobs rechterhand staat wanneer zijn vader de jongens zegent.

Maar Jakob kruist zijn handen en legt zijn rechterhand op Efraïm, de jongste.

Jozef denkt dat zijn vader zich vergist:

“Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.” — Genesis 48:18 (STV)

Jakob antwoordt:

“Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij…” — Genesis 48:19 (STV)

Opnieuw wordt de natuurlijke volgorde bewust doorbroken.

Gods toekenning van positie wordt niet eenvoudig bepaald door geboortevolgorde.

Dat patroon zien we vaker:

Kaïn vóór Seth.

Ismaël vóór Izak.

Ezau vóór Jakob.

Ruben vóór Jozef.

Manasse vóór Efraïm.

Dat is te consequent om als toevallig detail af te serveren.

Eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke

Paulus geeft later woorden die dit patroon veel dieper plaatsen:

“Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.” — 1 Korinthe 15:46 (STV)

En vervolgens:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

Daar staat de grote tegenstelling:

Adam tegenover Christus.

De eerste mens tegenover de Tweede Mens.

Het natuurlijke tegenover het geestelijke.

De oude schepping tegenover de nieuwe.

De geschiedenis van het eerstgeboorterecht loopt daardoor uiteindelijk niet dood bij Jakob, Jozef of Efraïm.

Zij wijst vooruit naar Christus.

 

Christus als Eerstgeborene van heel de schepping

Kolossenzen 1 is daarom van groot apologetisch belang.

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Wie daaruit concludeert dat Christus een schepsel is, negeert de directe context.

Paulus vervolgt:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

En:

“En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem.” — Kolossenzen 1:17 (STV)

En tenslotte:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Door Hem zijn alle dingen geschapen.

Tot Hem zijn alle dingen geschapen.

Hij is vóór alle dingen.

Door Hem bestaan alle dingen.

Hij moet in alles de Eerste zijn.

Dat is geen beschrijving van een geschapen wezen.

“Eerstgeborene” spreekt hier over Zijn hoogste positie boven de schepping.

 

Christus is de Eerstgeborene uit de doden

Paulus noemt Christus ook:

“…de Eerstgeborene uit de doden…” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Ook dat kan niet simpelweg chronologisch betekenen dat Hij de eerste persoon was die ooit uit de dood werd opgewekt.

Voor Zijn opstanding waren immers al mensen uit de dood opgewekt.

Maar zij keerden terug in een sterfelijk bestaan.

Christus niet.

“Wetende dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.” — Romeinen 6:9 (STV)

Zijn opstanding is van een andere orde.

Hij stond op in onvergankelijk leven.

Daarom noemt Paulus Hem ook:

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn.” — 1 Korinthe 15:20 (STV)

Eerstgeborene.

Eersteling.

Begin.

Christus staat aan het begin van een nieuwe orde.

 

De Laatste Adam en de Tweede Mens

Paulus schrijft:

“Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.” — 1 Korinthe 15:45 (STV)

Christus is niet een verbeterde versie van Adam.

Hij is de Laatste Adam.

En:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

De boodschap van de Schrift is dus niet dat God de oude mens door religieuze inspanning probeert te verbeteren.

In Christus ontstaat iets nieuws.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” — 2 Korinthe 5:17 (STV)

Hier krijgt het patroon uit Genesis zijn diepste betekenis.

Eerst Adam.

Daarna Christus.

Eerst het natuurlijke.

Daarna het geestelijke.

 

De Eerstgeborene onder vele broederen

Romeinen 8 gaat nog verder:

“Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” — Romeinen 8:29 (STV)

Christus is dus niet alleen Eerstgeborene.

Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

Zijn positie blijft uniek.

Hij blijft Degene Die in alles de Eerste is.

Maar God verbindt anderen met Hem.

Daarmee komen we bij een begrip dat nauw samenhangt met eerstgeboorterecht: zoonstelling.

 

Zoonstelling, erfenis en eerstgeboorterecht

Paulus schrijft:

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven…” — Efeze 1:5 (STV)

Het gaat hier om de gedachte van zoonstelling: geplaatst worden in de positie van zoon.

En waar zoonstelling verschijnt, is er ook sprake van erfenis.

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus…” — Romeinen 8:17 (STV)

Dat is veel rijker dan de versmalling van het christelijke geloof tot:

Mijn zonden zijn vergeven en later ga ik naar de hemel.

Vergeving is onmisbaar.

Maar Gods voornemen gaat verder.

Hij spreekt over zoonstelling.

Over erfenis.

Over mede-erfgenamen.

Over gelijkvormigheid aan Zijn Zoon.

Over heerlijkheid.

En over Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Dan krijgt Hebreeën 12 ineens veel meer betekenis:

“…tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn…” — Hebreeën 12:23 (STV)

De Gemeente der eerstgeborenen.

Hoe kan een hele Gemeente uit eerstgeborenen bestaan wanneer eerstgeborene alleen geboortevolgorde zou betekenen?

Dat kan niet.

Maar wanneer eerstgeboorte spreekt over positie en erfenis, wordt de uitdrukking begrijpelijk.

En precies die taal gebruikt Paulus wanneer hij spreekt over degenen die in Christus zijn.

Zij zijn geen eerstgeborenen los van Hem.

Hun hele positie bestaat in Christus.

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” — Efeze 1:3 (STV)

Alles ligt in Hem.

Niet in religieuze prestaties.

Niet in menselijke waardigheid.

Niet in het onderhouden van een systeem.

Maar in Christus.

 

Waarom veel christelijke prediking hier tekortschiet

Veel prediking stopt feitelijk bij de ingang van het Evangelie.

De mens is zondaar.

Christus stierf voor zonden.

Wie gelooft, ontvangt vergeving.

Dat is helemaal waar.

Maar het is niet het hele verhaal.

Paulus stopt daar niet.

De gelovige is gerechtvaardigd, maar ook met Christus verbonden.

Hij behoort tot Zijn Lichaam.

Hij is gezegend met geestelijke zegeningen in de hemel.

Hij heeft een hemelse roeping.

Hij ontvangt zoonstelling.

Hij is erfgenaam.

Hij is mede-erfgenaam van Christus.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

En zijn toekomst is met Christus verbonden.

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Dat is veel rijker dan een Evangelie dat uiteindelijk nauwelijks verder komt dan de vraag waar iemand na zijn dood terechtkomt.

De Schrift spreekt niet alleen over waar wij van verlost zijn.

Zij spreekt ook over waartoe wij in Christus geroepen zijn.

 

Eerstgeboorterecht en behoud zijn niet hetzelfde

Juist hier moet zorgvuldig onderscheiden worden.

Het eeuwige leven is een gave.

“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.” — Romeinen 6:23 (STV)

Een gave verdien je niet.

Daarom moeten we van Ezau ook geen verhaal maken waarin iemand zogenaamd zijn behoudenis verloor omdat hij één maaltijd belangrijker vond.

De tekst zegt iets anders.

Hij verkocht zijn eerstgeboorterecht.

Dat ging over positie en erfenis.

Wanneer behoudenis, erfenis en eerstgeboorterecht zonder onderscheid door elkaar worden gebruikt, ontstaan onnodige tegenstrijdigheden.

De Schrift maakt onderscheid.

Wij zouden dat daarom ook moeten doen.

Waarom het eerstgeboorterecht belangrijk is voor Bijbeluitleg

Het eerstgeboorterecht blijkt een sleutel te zijn die verschillende Schriftgedeelten met elkaar verbindt.

Het helpt verklaren waarom Christus “Eerstgeborene aller kreaturen” genoemd wordt zonder dat Hij een schepsel is.

Het verklaart waarom Israël Gods eerstgeborene genoemd wordt zonder het eerste volk op aarde te zijn.

Het verklaart waarom Ruben biologisch eerstgeborene was en toch zijn eerstgeboorte verloor.

Het verklaart waarom Jozef een dubbel erfdeel ontvangt.

Het verklaart waarom Efraïm vóór Manasse wordt geplaatst.

Het verbindt zoonschap met erfenis.

Het werpt licht op Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

En het helpt ons de uitdrukking “Gemeente der eerstgeborenen” te verstaan.

Dit is daarom geen vrijblijvende studie over oude familiegebruiken.

Het raakt rechtstreeks aan de Persoon en positie van Christus.

 

Het eerstgeboorterecht vindt zijn vervulling in Christus

Wanneer we de hele Bijbelse lijn overzien, wordt het patroon steeds duidelijker.

De natuurlijke eerstgeborene is niet vanzelfsprekend degene die uiteindelijk de positie ontvangt.

Het eerstgeboorterecht is verbonden met erfenis.

Het kan aan een ander worden gegeven.

Een compleet volk kan eerstgeborene worden genoemd vanwege zijn positie.

En uiteindelijk verschijnt Christus als:

de Eerstgeborene aller kreaturen,

de Eerstgeborene uit de doden,

de Eerstgeborene onder vele broederen.

Daarna spreekt Hebreeën over:

de Gemeente der eerstgeborenen.

Dat zijn geen toevallige overeenkomsten.

De Schrift verklaart de Schrift.

Een begrip dat al vroeg in Genesis zichtbaar wordt, krijgt zijn volle betekenis in de opgestane en verheerlijkte Christus.

Paulus vat het uiteindelijk prachtig samen:

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar moet iedere studie over het eerstgeboorterecht eindigen.

Niet bij Jakob.

Niet bij Jozef.

Niet bij Israël.

En ook niet bij ons.

Maar bij Christus.

Hij is de Eerstgeborene. Hij is het Hoofd. Hij is de Erfgenaam. Hij is het Begin van de nieuwe schepping.

En alles wat de gelovige ontvangen heeft, bezit hij uitsluitend in Hem.

Daarom is het eerstgeboorterecht geen belegen, stoffig detail uit Genesis.

Het is een vergeten sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

Zie ook:

zoonstelling – Bijbelse basis

extern:

Bijbelstudie: Het eerstgeboorterecht – Bijbels Panorama

De bediening van Jezus en Paulus niet hetzelfde

De vergeten sleutel tot Bijbels begrip, de blinde vlek van veel Bijbeluitleg

Waarom het Evangelie der Genade Gods niet hetzelfde is als het Evangelie van het Koninkrijk

Er is waarschijnlijk geen onderwerp dat zoveel invloed heeft op de uitleg van de Bijbel als dit.

Niet de vraag óf de Here Jezus en Paulus hetzelfde Evangelie verkondigen. Er is immers maar één Zaligmaker en één weg tot behoud.

De echte vraag is:

Tot wie sprak de Here Jezus tijdens Zijn aardse bediening?

En:

Welke nieuwe openbaring ontving Paulus van de verheerlijkte Christus?

Wie die twee vragen niet onderscheidt, loopt vast in de Schrift. Wet en genade worden vermengd. Israël en de Gemeente worden samengevoegd. Het Koninkrijk wordt verward met het Lichaam van Christus. En uiteindelijk ontstaan complete leerstelsels die de Schrift zelf nooit leert.

Dat is geen voetnoot.

Dat is de sleutel tot het begrijpen van het Nieuwe Testament.

verschil tussen de bediening van de Here Jezus en die van de apostel Paulus
Verschil tussen de bediening van de Here Jezus en die van de apostel Paulus

De bediening van de Here Jezus stond in het teken van Israël

Tijdens Zijn aardse omwandeling leefde de Here Jezus volledig onder het gezag en de bediening van de Wet.

Paulus schrijft hierover:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.” (Galaten 4:4 STV)

De Here Jezus hield de Wet.

Hij bezocht de synagogen.

Hij vierde de Joodse feesten.

Hij stuurde genezen melaatsen naar de priesters.

Hij sprak voortdurend over de vervulling van Gods beloften aan Israël.

Zelf zegt Hij:

“Maar Hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Mattheüs 15:24 STV)

En tegen de twaalf:

“Gaat niet op den weg der heidenen… Maar gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Mattheüs 10:5-6 STV)

Zijn boodschap luidde:

“Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” (Mattheüs 10:7 STV)

Dat was het Evangelie van het Koninkrijk.

 

Niet omdat de Gemeente onbelangrijk zou zijn
Maar omdat de Gemeente toen eenvoudig nog niet bestond

Het kruis veranderde alles

Na de dood, opstanding en hemelvaart van Christus breekt een nieuwe fase in Gods heilsplan aan.

Zelfs in Handelingen zien we de apostelen nog steeds Israël oproepen zich te bekeren.

Maar met de roeping van Saulus van Tarsen gebeurt iets ongekends.

Niet slechts een nieuwe zendeling verschijnt.

Er wordt een geheel nieuwe bediening geopenbaard.

 

Paulus ontving de bedeling der Genade Gods

Paulus noemt zijn opdracht niet het Evangelie van het Koninkrijk.

Hij gebruikt een andere uitdrukking:

“Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap moge volbrengen, en den dienst, dien ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.” (Handelingen 20:24 STV)

Let op de woorden.

Deze bediening ontving Paulus van de verheerlijkte Christus.

Niet tijdens de aardse omwandeling van de Here Jezus.

Niet van Petrus.

Niet van de twaalf.

Maar rechtstreeks door openbaring.

“Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.” (Galaten 1:12 STV)

 

De verborgenheid

Nog indrukwekkender is wat Paulus vervolgens schrijft.

“Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid.” (Efeze 3:2-3 STV)

En:

“Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekendgemaakt…” (Efeze 3:5 STV)

En opnieuw:

“…de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.” (Kolossenzen 1:26 STV)

Dat zijn buitengewone uitspraken.

Paulus zegt niet dat hij slechts herhaalt wat de twaalf al wisten.

Hij zegt dat God iets openbaart wat eeuwenlang verborgen is geweest.

 

Wat was die verborgenheid?

Niet een tweede weg tot behoud.

Er is maar één Zaligmaker.

Maar de volledige betekenis van het volbrachte werk van Christus.

Paulus openbaart onder meer:

  • de Gemeente als het Lichaam van Christus;
  • de eenheid van Jood en heiden in één nieuw mens;
  • de hemelse positie van de gelovige;
  • de gelovige in Christus;
  • de rechtvaardiging uit genade alleen;
  • de bedeling der genade Gods.

Deze waarheden worden in de evangeliën niet uitgewerkt.

Ze worden door Paulus geopenbaard.

 

De blinde vlek van veel christenen

Hier ontstaat de grote verwarring.

Veel christenen lezen de Evangeliën alsof elk woord rechtstreeks gericht is aan, en bedoeld is voor de Gemeente.

Daardoor ontstaan uitspraken als:

de Bergrede is de leefregel voor de Gemeente;

het Koninkrijk is de Gemeente;

de Gemeente moet het Koninkrijk op aarde vestigen;

wij moeten dezelfde tekenen doen als de twaalf;

de gemeente is het nieuwe Israël.

Maar de Schrift zegt dat uitdrukkelijk niet.

Deze conclusies ontstaan doordat verschillende bedelingen worden samengevoegd.

 

De gevolgen zijn enorm

Wanneer men de bediening van de Here Jezus en die van Paulus vermengt, ontstaan onder andere:

  • vervangingstheologie;
  • Kingdom Now;
  • wetticisme;
  • verlies van heilszekerheid;
  • sacramentalisme;
  • charismatische verwachtingen die eigenlijk bij Israëls Koninkrijk horen;
  • verwarring over discipelschap en positie in Christus.

Vrijwel iedere grote dwaling binnen de christenheid heeft ergens haar wortel in het niet onderscheiden van Israël en de Gemeente en van Koninkrijk en genade.

 

‘Recht snijden’ is geen hobby van dispensationalisten

Paulus schrijft:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15 STV)

Dat betekent niet dat wij de Bijbel in losse stukjes knippen.

Het betekent dat wij erkennen dat God in verschillende fasen van Zijn heilsplan verschillende openbaringen heeft gegeven.

De Here Jezus is altijd Dezelfde Persoon.

Maar Zijn bediening vóór Golgotha is niet identiek aan Zijn bediening vanuit de hemel door middel van Paulus.

Juist dát onderscheid maakt de Schrift harmonieus.

Minder verwarring, meer Christus

Sommigen reageren alsof dit onderscheid de woorden van de Here Jezus minder belangrijk maakt.

Het tegendeel is waar.

Juist door Zijn woorden te lezen in de context waarin Hij ze sprak, gaan ze veel meer spreken.

De Here Jezus kwam als Israëls Messias.

Paulus openbaart vervolgens de rijkdom van Christus voor het Lichaam van Christus.

Beiden spreken over dezelfde Heer.

Maar niet vanuit dezelfde bediening.

 

De grootste blinde vlek van veel Bijbeluitleg is niet ongeloof.

Het is het ontbreken van onderscheid.

Wie de aardse bediening van de Here Jezus zonder onderscheid vermengt met de bediening die de verheerlijkte Christus aan Paulus toevertrouwde, leest twee verschillende fasen van Gods heilsplan door elkaar.

Paulus mocht de verborgenheid bekendmaken.

Hij ontving de bedeling der genade Gods.

Hij verkondigde het Evangelie der genade Gods.

Daarom is het geen overbodige luxe om het Woord der waarheid recht te snijden. Het is een Bijbels gebod. Pas wanneer wij dat doen, vallen de puzzelstukken van de Schrift op hun plaats en schittert Gods genade in al haar rijkdom.

lees ook:

Wet en Genade sluiten elkaar uit – Bijbelse basis

Kingdom Now versus Bijbelse eschatologie – Bijbelse basis

Gods Koninkrijk zichtbaar maken? – Bijbelse basis

extern:

verborgenheid » Bijbels Panorama

koninkrijk » Bijbels Panorama

Is de Bijbel echt een moeilijk boek?

Het probleem ligt niet bij de Bijbel

Is de Bijbel echt een moeilijk boek? Dat wordt vaak beweerd. Zelfs sommige christenen zeggen dat zij de Schrift ingewikkeld, tegenstrijdig of ontoegankelijk vinden.

Ze lezen losse gedeelten, begrijpen de samenhang niet en besluiten uiteindelijk dat diepgaande Bijbelstudie alleen iets is voor predikanten, theologen of bijzonder begaafde mensen.

Maar misschien moeten we de vraag omdraaien.

Is de Bijbel onbegrijpelijk, of hebben we geleerd hem verkeerd te lezen?

Het probleem ligt vaak niet bij de Schrift, maar bij de bril waardoor we hem bekijken. Kerkelijke tradities, menselijke leerstellingen, populaire preken en vertrouwde uitlegmodellen hebben ons denken soms zo sterk gevormd, dat we nauwelijks nog onbevangen lezen wat er echt staat.

We komen dan niet naar de Bijbel om te leren, maar om bevestigd te worden.

We onderzoeken niet wat God zegt, maar zoeken teksten die ondersteunen wat we al geloven.

Dat is geen Bijbelstudie. Dat is het gebruiken van de Bijbel als kapstok voor onze eigen overtuigingen.

De Bijbel is geen moeilijk boek
Is de Bijbel echt een moeilijk boek?

De Bijbel wordt moeilijk wanneer we hem niet laten spreken

Veel vermeende tegenstrijdigheden ontstaan doordat teksten uit hun verband worden gehaald. Een vers wordt geciteerd zonder te vragen:

  • Wie spreekt hier?
  • Tot wie wordt gesproken?
  • Onder welke omstandigheden?
  • Over welke tijd gaat het?
  • Wat staat er vóór en na deze tekst?
  • Hoe wordt hetzelfde onderwerp elders in de Schrift behandeld?

Wie deze vragen overslaat, kan de Bijbel vrijwel alles laten zeggen.

De Schrift wordt dan een verzameling losse spreuken, morele lessen en inspirerende gedachten. Iedere prediker kiest enkele passende teksten, voegt daar een eigen boodschap aan toe en noemt het vervolgens Bijbelverkondiging.

Maar een tekst is geen stukje klei dat wij naar eigen wens mogen vormen.

De Bijbel heeft een eigen boodschap, een eigen opbouw en een eigen woordgebruik. Wie die samenhang negeert, maakt het Boek niet eenvoudiger, maar juist onbegrijpelijker.

 

Traditie kan het Woord verduisteren

Kerkelijke traditie wordt vaak behandeld alsof zij onaantastbaar is. Wat generaties lang geleerd is, wordt niet meer onderzocht. Men veronderstelt dat iets Bijbels is omdat het vertrouwd klinkt.

Maar vertrouwd is niet hetzelfde als Bijbels.

De Heere Jezus waarschuwde al voor het gevaar van menselijke overleveringen:

“Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt” (Markus 7:13, STV).

Dat is scherpe taal.

Menselijke traditie kan Gods Woord krachteloos maken. Niet omdat het Woord werkelijk zijn kracht verliest, maar omdat de betekenis ervan wordt bedekt door verklaringen die men belangrijker is gaan vinden dan wat er geschreven staat.

Een kerkelijke belijdenis kan behulpzaam zijn. Een commentaar kan inzicht geven. Een prediker kan helpen. Maar géén van deze staat boven de Schrift.

Zodra een systeem bepaalt wat een tekst mág betekenen, is de Bijbel niet langer de hoogste autoriteit. Dan is het systeem de autoriteit geworden en dient de Schrift slechts als bewijsboek.

 

De Bijbel is niet geschreven voor een geestelijke elite

Sommigen wekken de indruk dat alleen theologisch geschoolde mensen de Bijbel goed kunnen begrijpen. Natuurlijk kunnen kennis van taal, geschiedenis en achtergrond behulpzaam zijn. Maar de Schrift is niet gegeven aan een kleine academische bovenlaag.

Paulus schreef niet aan hoogleraren, maar aan gemeenten. Zijn brieven moesten worden gelezen, onderzocht en toegepast door gewone gelovigen.

Ook de gelovigen in Beréa worden geprezen omdat zij zelf controleerden of de prediking overeenkwam met de Schrift:

“En dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren” (Handelingen 17:11, STV).

Zij namen zelfs het onderwijs van Paulus niet klakkeloos aan.

Zij onderzochten dagelijks of zijn woorden juist waren.

Dát is gezonde Bijbelstudie. Niet blind vertrouwen op de spreker, maar alles toetsen aan het geschreven Woord.

Wie vandaag zegt dat gewone gelovigen niet zelf mogen beoordelen wat er gepredikt wordt, spreekt niet in de geest van Beréa. Geestelijk gezag ontslaat niemand van toetsing.

 

Onderzoekt de Schriften

De Heere Jezus zei:

“Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen” (Johannes 5:39, STV).

Hij zei niet slechts: lees af en toe selectief een vers.

Hij zei: onderzoek.

Onderzoeken vraagt aandacht, inspanning en volharding. Het betekent dat wij teksten vergelijken, woorden volgen en onderwerpen door de gehele Schrift heen bestuderen.

Dat wordt ook wel Schrift met Schrift vergelijken genoemd.

Een Bijbels begrip moet in de eerste plaats door de Bijbel zelf worden verklaard. Niet door modern taalgebruik, niet door kerkelijke gewoonte en niet door onze persoonlijke associaties.

Wanneer wij willen weten wat de Schrift bedoelt met begrippen als Koninkrijk, gemeente, wet, genade, oordeel, profetie of de dag des Heeren, moeten wij onderzoeken hoe die begrippen in de Schrift gebruikt worden.

Daarbij geldt:

Een losse tekst kan een indruk geven. De gezamenlijke Schriftplaatsen geven de leer.

 

De dag des Heeren is niet zomaar de zondag

Een aansprekend voorbeeld is de uitdrukking “de dag des Heeren”.

Sommige christenen denken daarbij automatisch aan de zondag. Maar wanneer we de plaatsen onderzoeken waar deze uitdrukking voorkomt, zien we iets anders.

De profeten spreken over de dag des Heeren als een tijd van oordeel, duisternis, verbolgenheid en Gods openlijke ingrijpen in de geschiedenis. Paulus schrijft dat deze dag komt als een dief in de nacht. Petrus verbindt hem met ingrijpende oordelen over hemel en aarde.

“Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht” (1 Thessalonicenzen 5:2, STV).

“Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden” (2 Petrus 3:10, STV).

De Schrift gebruikt deze uitdrukking dus niet als een eenvoudige benaming voor de wekelijkse zondag.

Toch kan een kerkelijk gebruik zo ingeburgerd raken, dat bijna niemand meer onderzoekt of het werkelijk overeenkomt met de Bijbel.

Dit voorbeeld laat precies zien waarom de Bijbel moeilijk lijkt. Niet omdat de Schrift onduidelijk spreekt, maar omdat wij een betekenis hebben meegekregen die wij niet meer toetsen.

 

Geestelijke dingen worden geestelijk onderscheiden

De Bijbel is geen gewoon boek. Dat betekent niet dat de woorden geen normale betekenis hebben, maar wel dat geestelijk inzicht niet uitsluitend het product is van menselijke intelligentie.

Paulus schrijft:

“Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden” (1 Korinthe 2:14, STV).

Een mens kan buitengewoon geleerd zijn en toch de kern van Gods openbaring missen. Hij kan Hebreeuws en Grieks beheersen, historische achtergronden kennen en dikke commentaren schrijven, terwijl hij de Persoon en het werk van Christus niet werkelijk verstaat.

Daartegenover kan een eenvoudige gelovige, afhankelijk van God en bereid om Schrift met Schrift te vergelijken, diep inzicht ontvangen.

Dat is geen pleidooi tegen studie. Het is een waarschuwing tegen hoogmoed.

Kennis zonder geloof kan analyseren, maar niet geestelijk verstaan.

 

Christus is de sleutel tot de Schrift

De Bijbel is geen verzameling losstaande godsdienstige verhalen. De Schrift getuigt van Christus.

Na Zijn opstanding sprak de Heere Jezus met de Emmaüsgangers:

“En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was” (Lukas 24:27, STV).

Hij liet zien dat Wet, Profeten en Psalmen over Hem spraken.

Wie Christus uit het centrum verwijdert, maakt de Bijbel tot een boek van menselijke prestaties. Dan gaan de geschiedenissen vooral over dapper zijn als David, volhouden als Job en vertrouwen als Abraham.

Maar de Schrift is niet maar een verzameling voorbeelden waarmee wij onszelf moeten verbeteren.

Hjj openbaart Gods heilsplan in Christus.

Hij is de sleutel tot de Schrift. Hij is het onderwerp van de profetie, de vervulling van de beloften, de inhoud van de typen en het middelpunt van Gods voornemen.

 

Niet alles is rechtstreeks tot ons geschreven

Een belangrijke oorzaak van verwarring is dat men ervan uitgaat dat iedere Bijbeltekst rechtstreeks over de christelijke gemeente spreekt.

Maar de Bijbel richt zich tot verschillende groepen en spreekt over verschillende tijden, verbonden en verantwoordelijkheden.

Israël is niet hetzelfde als de Gemeente.

De wet van Mozes is niet de leefregel voor het lichaam van Christus.

Profetieën over het land, Jeruzalem en de troon van David mogen niet zomaar op de kerk worden toegepast.

Alles in de Bijbel is voor ons onderwijs geschreven, maar niet alles is rechtstreeks aan ons gericht.

Paulus vermaant Timotheüs:

“Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt” (2 Timotheüs 2:15, STV).

Het Woord recht snijden betekent onderscheid maken waar de Schrift onderscheid maakt.

Wanneer alles op één hoop wordt gegooid, ontstaan tegenstrijdigheden. Geboden aan Israël worden aan de Gemeente opgelegd. Aardse beloften worden vergeestelijkt. Profetische oordelen worden op het persoonlijke geloofsleven toegepast. Verzen over het Koninkrijk worden gebruikt voor kerkelijke ambities.

Daarna zegt men dat de Bijbel moeilijk is.

Maar de verwarring is niet door de Schrift veroorzaakt.

De Bijbel corrigeert ook

Echte Bijbelstudie kan confronterend zijn. Wie werkelijk onderzoekt wat er staat, zal ontdekken dat sommige vertrouwde overtuigingen niet houdbaar zijn.

Dat kan pijn doen.

Mensen zijn vaak emotioneel verbonden met hun kerkelijke achtergrond, geliefde predikers en aangeleerde leerstellingen. Wanneer een Bijbeltekst daarmee botst, ontstaat de verleiding om de tekst aan te passen.

Men vergeestelijkt wat er letterlijk staat.

Men verklaart een duidelijke uitspraak tijdgebonden.

Men zegt dat de oorspronkelijke taal eigenlijk iets anders bedoelt.

Men beroept zich op traditie.

Men beweert dat het onderwerp te ingewikkeld is.

Maar soms is de tekst niet ingewikkeld. Soms is hij vooral ongewenst duidelijk.

De vraag is dan niet of wij de Bijbel begrijpen, maar of wij bereid zijn hem te geloven.

 

Begin gewoon bij wat geschreven staat

Wie de Bijbel wil begrijpen, moet eenvoudig beginnen:

Lees wat er staat.

Lees het in zijn verband.

Vergelijk het met andere Schriftplaatsen.

Let op tot wie gesproken wordt.

Maak onderscheid tussen Israël, de volkeren en de Gemeente.

Maak onderscheid tussen wet en genade.

Maak onderscheid tussen profetie en verborgenheid.

Laat duidelijke Schriftplaatsen licht werpen op moeilijkere gedeelten.

En wees bereid om menselijke tradities los te laten wanneer zij met de Schrift in strijd blijken te zijn.

De Bijbel hoeft geen gesloten boek te blijven.

God heeft Zijn Woord niet gegeven om Zijn waarheid voor gelovigen te verbergen. Hij heeft het gegeven om Zichzelf, Zijn Zoon en Zijn voornemen bekend te maken.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad” (Psalm 119:105, STV).

Een lamp is niet bedoeld om duisternis te veroorzaken.

Een licht is niet bedoeld om mensen te laten verdwalen.

 

Niet de Bijbel, maar onze bril is vaak het probleem

Is de Bijbel echt een moeilijk boek?

Sommige gedeelten vragen zeker zorgvuldige studie. Niet iedere tekst is onmiddellijk eenvoudig. Maar dat is iets anders dan beweren dat de Bijbel als geheel onbegrijpelijk is.

De grootste hindernis is vaak niet de tekst, maar onze houding tegenover de tekst.

Wij willen bevestigd worden, maar niet gecorrigeerd.

Wij willen troost, maar geen leer.

Wij willen toepassingen, maar geen nauwkeurige uitleg.

Wij willen een krachtige boodschap, maar niet altijd weten wat er werkelijk geschreven staat.

Zolang die houding niet verandert, blijft de Bijbel voor ons gesloten.

Niet omdat God niet duidelijk gesproken heeft, maar omdat wij weigeren werkelijk te luisteren.

Leg daarom de kerkelijke bril af. Leg populaire slogans terzijde. Laat menselijke systemen niet bepalen wat de Schrift mag zeggen.

Open de Bijbel.

Lees aandachtig.

Onderzoek dagelijks.

Vergelijk Schrift met Schrift.

En laat het Woord van God het laatste woord hebben.

 

Geverifieerd door MonsterInsights