Jezus is JHWH: Bijbelse bewijzen uit Oude en Nieuwe Testament

Daarom is de Here Jezus Christus echt JHWH

Van het één rol je makkelijk in het ander.. Na mijn video en blog over de godheid van de Here Jezus Christus kreeg ik een reactie op mijn youtube kanaal onder die betreffende video.

Van een unitarier.

“Wat is dat Jaap, een unitariër?” Hoor ik iemand denken. Dat is iemand die de Godheid van de Here Jezus Christus ontkent en de nadruk legt op Bijbelteksten die gaan over de menswording en het mens zijn van de Here Jezus Christus tijdens Zijn aardse omwandeling.

Bijbelteksten daarentegen die gaan over Zijn God-gelijk zijn,  Zijn heerlijkheid, de ultieme verhoging die Hij ontvangen heeft ter gelegenheid van Zijn opstanding, deze teksten moeten in deze gedachtengang eerst wel ontkracht en weggeredeneerd worden. Omdat ik daar helemaal geen trek in heb en bovendien geen tijd voor heb, noch energie, wijd ik er nog maar een blogartikel aan in plaats van te vervallen in een woordenstrijd met herhalingen van zetten in de comments.

Er wordt met enige regelmaat beweerd dat de Here Jezus Christus volgens de Bijbel wel de Zoon van God is, maar niet werkelijk God. Jezus zou een menselijke Messias zijn, door God verheven en gezonden, maar Zelf niet delen in de goddelijke identiteit van JHWH.

Daarbij worden meestal dezelfde teksten aangevoerd: Jezus bidt tot Zijn Vader, Hij gehoorzaamt Zijn Vader, Hij zegt dat de Vader groter is dan Hij, Hij kent tijdens Zijn vernedering de dag en het uur niet en uiteindelijk sterft Hij aan het kruis.

Dat zijn allemaal Bijbelse gegevens.

Maar het probleem ontstaat wanneer men daar stopt.

Want dezelfde Schrift die de werkelijke mensheid van Christus leert, past in het Nieuwe Testament titels, eigenschappen, werken en eer die in het Oude Testament uitdrukkelijk aan JHWH toebehoren rechtstreeks toe op de Here Jezus Christus.

Daarom moet de discussie over de godheid van Jezus niet draaien om één los bewijsvers.

De veel belangrijkere vraag is:

Hoeveel eigenschappen van JHWH moeten op Jezus Christus worden toegepast voordat wij de Schrift toestaan ons te vertellen Wie Hij werkelijk is?

 

dezelfde God

De Bijbel leert dat er maar één God is

We moeten beginnen waar de Schrift begint:

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!”
Deuteronomium 6:4 (STV)

Het Bijbelse geloof kent geen verzameling goden.

Er is één God.

De godheid van de Here Jezus Christus betekent daarom niet dat naast JHWH ineens een tweede god verschijnt. De werkelijke vraag is:

Wie behoort volgens de Schrift tot de identiteit van die ene God?

Het Oude Testament laat al opmerkelijke lijnen zien waarin God Zich openbaart en er tegelijk onderscheid zichtbaar wordt. Het Nieuwe Testament maakt vervolgens duidelijk Wie de Zoon is.

 

JHWH is de Eerste en de Laatste: Jezus is de Eerste en de Laatste

JHWH zegt:

“Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.”
Jesaja 44:6 (STV)

Deze woorden zijn buitengewoon exclusief.

JHWH zegt niet alleen dat Hij de Eerste en de Laatste is. Hij verbindt deze titel direct met Zijn unieke Godheid:

“Behalve Mij is er geen God.”

Maar in Openbaring zegt de Here Jezus Christus:

“Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.”
Openbaring 1:17-18 (STV)

Wie was dood en leeft weer?

Onmiskenbaar de Here Jezus Christus.

De titel waarmee JHWH in Jesaja Zijn unieke Godheid proclameert, wordt dus door Christus op Zichzelf toegepast.

Wie wil volhouden dat Jezus niet deelt in de identiteit van JHWH, moet dit verklaren.

Niet wegverklaren.

de Godheid van Jezus Christus
Jezus is JHWH

JHWH is de enige Heiland: Jezus Christus is Heiland

JHWH zegt:

“Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.”
Jesaja 43:11 (STV)

Dat is opnieuw exclusieve taal.

Buiten JHWH bestaat geen Heiland.

Maar bij de geboorte van Christus wordt gezegd:

“Dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.”
Lukas 2:11 (STV)

Paulus spreekt bovendien over:

“onzen groten God en Zaligmaker Jezus Christus.”
Titus 2:13 (STV)

En Petrus over:

“onzen God en Zaligmaker Jezus Christus.”
2 Petrus 1:1 (STV)

Hoe kan Jezus de Zaligmaker zijn als JHWH zegt:

“Er is geen Heiland behalve Mij”?

Wanneer Jezus buiten de goddelijke identiteit van JHWH zou staan, ontstaat hier een ernstig probleem.

Wanneer Christus deelt in die identiteit, valt het op zijn plaats.

 

JHWH alleen is Schepper: alle dingen zijn door Jezus geschapen

Een van de krachtigste teksten vinden we in Jesaja:

“Ik ben de HEERE, Die alles doe, Die de hemelen uitbreid, Ik alleen, en Die de aarde uitspan door Mijzelven.”
Jesaja 44:24 (STV)

Let vooral op:

“Ik alleen.”

En:

“door Mijzelven.”

Johannes schrijft echter over het Woord:

“Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.”
Johannes 1:3 (STV)

Paulus schrijft over Christus:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn…”
Kolossenzen 1:16 (STV)

Hebreeën spreekt tot de Zoon:

“Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen.”
Hebreeën 1:10 (STV)

Die laatste woorden komen uit Psalm 102, waar JHWH wordt aangesproken.

We krijgen dus:

JHWH: Ik heb alleen geschapen.

Johannes: Alles is door Christus gemaakt.

Paulus: Alle dingen zijn door Hem geschapen.

Hebreeën: De hemelen zijn werken van Zijn handen.

Als Christus Zelf een geschapen wezen zou zijn, ontstaat bovendien een fundamenteel probleem met Johannes 1:3.

Alles wat gemaakt is, is door het Woord gemaakt.

Als het Woord Zelf gemaakt zou zijn, zou Hij behoren tot de categorie dingen waarvan Johannes zegt dat zij juist door Hem gemaakt zijn.

De Schrift plaatst Christus niet aan de kant van het geschapene.

Zij plaatst Hem aan de kant van de Schepper.

Circular wheel diagram with a central circle reading “JESUS IS YAHWEH,” surrounded by labeled segments (God, Creator, Light, Savior, Judge, The First and The Last, Rock, etc.). Each segment contains Bible cross-references to support the claim.

JHWH is de Herder: Jezus is de goede Herder

David zegt:

“De HEERE is mijn Herder…”
Psalm 23:1 (STV)

Jesaja zegt over JHWH:

“Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder…”
Jesaja 40:11 (STV)

En in Ezechiël 34, nadat de menselijke herders van Israël hebben gefaald, zegt God:

“Zie, Ik, ja Ik, zal naar Mijn schapen vragen en zal ze opzoeken.”
Ezechiël 34:11 (STV)

God Zelf zal naar Zijn schapen omzien.

Dan verschijnt de Here Jezus en zegt:

“Ik ben de goede Herder.”
Johannes 10:11 (STV)

Dit is niet zomaar een vriendelijke metafoor.

De goede Herder uit Johannes staat in de oudtestamentische lijn waarin JHWH Zelf de Herder van Zijn volk is.

 

JHWH is de Rots: Christus is de Rots

Mozes zegt over God:

“Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is…”
Deuteronomium 32:4 (STV)

Paulus schrijft:

“En de steenrots was Christus.”
1 Korinthe 10:4 (STV)

Nog scherper wordt het in Jesaja 8:

“Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen…”
Jesaja 8:13 (STV)

En diezelfde HEERE zal zijn:

“tot een Steen des aanstoots, en tot een Rotssteen der struikeling.”
Jesaja 8:14 (STV)

Petrus past deze passage vervolgens op Christus toe:

“Een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis.”
1 Petrus 2:8 (STV)

Wie is de Steen in Jesaja?

JHWH der heirscharen.

Wie is de Steen volgens Petrus?

Christus.

Wanneer zulke verbindingen zich blijven opstapelen, wordt “toeval” een steeds ongeloofwaardiger verklaring.

 

JHWH vergeeft zonden: Jezus vergeeft zonden

JHWH zegt:

“Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil…”
Jesaja 43:25 (STV)

Psalm 103 zegt over de HEERE:

“Die al uw ongerechtigheid vergeeft…”
Psalm 103:3 (STV)

Wanneer Jezus tegen de geraakte zegt:

“Zoon, uw zonden zijn u vergeven.”
Markus 2:5 (STV)

reageren de schriftgeleerden:

“Wie kan de zonden vergeven dan alleen God?”
Markus 2:7 (STV)

Jezus antwoordt niet:

“Jullie begrijpen het verkeerd; Ik vergeef helemaal geen zonden.”

Integendeel.

Hij geneest de man juist om zichtbaar te maken:

“dat de Zoon des mensen macht heeft, de zonden te vergeven op de aarde…”
Markus 2:10 (STV)

De schriftgeleerden begrepen heel goed wat er op het spel stond.

 

JHWH geeft leven: Jezus geeft eeuwig leven

JHWH zegt:

“Ik dood en maak levend…”
Deuteronomium 32:39 (STV)

Jezus zegt:

“Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil.”
Johannes 5:21 (STV)

Let vooral op:

“die Hij wil.”

En over Zijn schapen zegt Christus:

“En Ik geef hun het eeuwige leven…”
Johannes 10:28 (STV)

Een profeet kan de weg naar het eeuwige leven verkondigen.

Een apostel kan het Evangelie prediken.

Maar Jezus zegt:

Ik geef hun eeuwig leven.

 

JHWH is Rechter: Jezus Christus oordeelt de wereld

Abraham noemt God:

“de Rechter der ganse aarde.”
Genesis 18:25 (STV)

Jezus zegt:

“Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven.”
Johannes 5:22 (STV)

Paulus schrijft:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus…”
2 Korinthe 5:10 (STV)

De mensheid verschijnt uiteindelijk voor Christus.

Waarom?

Jezus Zelf vervolgt:

“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren.”
Johannes 5:23 (STV)

Gelijk zij de Vader eren

Niet minder.

Niet slechts als vertegenwoordiger.

Niet als een bijzonder schepsel.

De Zoon ontvangt eer gelijk de Vader.

Als Christus slechts een verheven schepsel zou zijn, wordt dit geen oplossing maar een probleem. De God van Israël staat immers nergens toe dat een schepsel dezelfde eer ontvangt als Hijzelf.

 

JHWH onderzoekt hart en nieren: Jezus doet hetzelfde

JHWH zegt:

“Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren…”
Jeremia 17:10 (STV)

De Here Jezus zegt:

“En al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek…”
Openbaring 2:23 (STV)

De overeenkomst is moeilijk te missen.

JHWH:

Ik doorgrond hart en nieren

Christus:

Ik onderzoek nieren en harten

De goddelijke kennis van het innerlijk van mensen wordt rechtstreeks aan Christus toegeschreven.

 

Voor JHWH buigt iedere knie: voor Jezus buigt iedere knie

Jesaja 45 is uitgesproken monotheïstisch.

JHWH zegt:

“Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.”
Jesaja 45:22 (STV)

Vervolgens:

“Dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.”
Jesaja 45:23 (STV)

Paulus schrijft:

“Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie…”
Filippenzen 2:10 (STV)

En:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij…”
Filippenzen 2:11 (STV)

Jesaja:

Iedere knie buigt voor JHWH

Paulus:

Iedere knie buigt voor Jezus

Paulus breekt het monotheïsme van Jesaja niet af.

Hij neemt Christus op binnen de identiteit van de ene God.

 

Wie JHWH aanroept wordt behouden: roep de Here Jezus aan

Joël schrijft:

“Al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.”
Joël 2:32 (STV)

De Hebreeuwse tekst spreekt over JHWH.

Paulus citeert:

“Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.”
Romeinen 10:13 (STV)

Wie is de Heere in de onmiddellijke context?

“Indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus…”
Romeinen 10:9 (STV)

Een oudtestamentische tekst over het aanroepen van JHWH wordt toegepast in een gedeelte waarin Jezus als Heere wordt beleden.

Dat is geen vierde-eeuwse kerkelijke uitvinding.

Dat staat gewoon in Romeinen.

 

De weg wordt bereid voor JHWH: Johannes bereidt de weg voor Jezus

Jesaja schrijft:

“Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN…”
Jesaja 40:3 (STV)

Mattheüs past deze profetie toe op Johannes de Doper.

Voor Wie maakt Johannes de weg gereed?

Voor Jezus Christus.

Jesaja zegt:

Bereid de weg van JHWH

De Evangeliën zeggen:

Johannes bereidt de weg voor Jezus

Hetzelfde zien we bij Maleachi:

“Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal…”
Maleachi 3:1 (STV)

Johannes gaat voor Christus uit.

Opnieuw wordt een verwachting rond de komst van JHWH vervuld in de komst van de Here Jezus.

 

Jesaja zag JHWH: Johannes zegt dat hij Christus’ heerlijkheid zag

Jesaja ziet de HEERE:

“Mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.”
Jesaja 6:5 (STV)

Johannes verwijst naar Jesaja’s woorden en schrijft:

“Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.”
Johannes 12:41 (STV)

De context in Johannes gaat over Christus.

Jesaja zag de heerlijkheid van JHWH.

Johannes zegt dat Jesaja Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.

Wie iedere identificatie tussen Jezus en JHWH categorisch afwijst, krijgt hier opnieuw iets uit te leggen.

 

JHWH geeft Zijn heerlijkheid aan geen ander: Jezus bezat die heerlijkheid vóór de wereld bestond

JHWH zegt:

“Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven…”
Jesaja 42:8 (STV)

Maar Jezus bidt:

“En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.”
Johannes 17:5 (STV)

Hoe kan iemand die uitsluitend een menselijke Messias is heerlijkheid bij de Vader hebben voordat de wereld bestond?

Niet alleen vóór Bethlehem.

Niet alleen vóór Abraham.

Maar vóór de wereld.

Dat sluit precies aan bij Johannes 1:

“In den beginne was het Woord…”
Johannes 1:1 (STV)

Het Woord begon daar niet te bestaan.

Het was.

 

JHWH komt op de wolken: Jezus komt op de wolken

Jesaja schrijft:

“Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk…”
Jesaja 19:1 (STV)

Daniël ziet:

“er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen Zoon…”
Daniël 7:13 (STV)

Deze Mensenzoon ontvangt eeuwige heerschappij.

Tijdens Zijn verhoor zegt Jezus:

“Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.”
Mattheüs 26:64 (STV)

Kajafas reageert:

“Hij heeft God gelasterd…”
Mattheüs 26:65 (STV)

Waarom zo’n reactie wanneer Jezus alleen maar zou hebben verklaard dat Hij een menselijke Messias is?

Omdat Kajafas de verwijzing begreep.

De Here Jezus identificeert Zich met de hemelse Mensenzoon uit Daniël 7, Die eeuwige heerschappij ontvangt en met de wolken des hemels komt.

 

Hebreeën 1: wordt Jezus rechtstreeks God genoemd?

Er wordt soms zonder omwegen beweerd:

“Jezus wordt nergens God genoemd.”

Maar dan ligt Hebreeën 1 behoorlijk dwars.

Over de Zoon staat:

“Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid…”
Hebreeën 1:8 (STV)

Wie wordt aangesproken?

De Zoon.

Hoe wordt Hij aangesproken?

“O God.”

En vervolgens:

“Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen.”
Hebreeën 1:10 (STV)

Deze woorden zijn afkomstig uit Psalm 102, waar JHWH wordt aangesproken.

Hebreeën past ze op de Zoon toe.

Binnen één hoofdstuk wordt Christus:

God genoemd.

Heere genoemd.

Als Schepper beschreven.

Boven de engelen geplaatst.

En vervolgens lezen we:

“En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.”
Hebreeën 1:6 (STV)

Daarom wordt de vraag:

“Waar staat eigenlijk dat Jezus God is?”

een beetje bleachelijk zolang Hebreeën 1 gewoon in onze Bijbel staat.

 

Maar Jezus bad toch tot God?

Zeker.

Jezus gehoorzaamde de Vader.

Hij had honger.

Hij werd moe.

Hij leed.

Hij werd verzocht.

Hij stierf.

Dat bewijst iets buitengewoon belangrijks:

Hij was werkelijk mens.

Maar waarom zou Zijn mensheid Zijn godheid uitsluiten?

Johannes schrijft:

“En het Woord is vlees geworden…”
Johannes 1:14 (STV)

Maar dezelfde Johannes had enkele verzen eerder geschreven:

“En het Woord was God.”
Johannes 1:1 (STV)

Hier gaat het in veel redeneringen mis.

Alle teksten over Christus’ mensheid worden letterlijk genomen.

Terecht.

Maar wanneer Hij God genoemd wordt, als Schepper wordt beschreven, eeuwige heerlijkheid bezit, JHWH-teksten op Hem worden toegepast of Hij goddelijke eer ontvangt, moet de tekst ineens worden voorzien van verklaringen waarom er niet zou staan wat er staat.

Dan moeten we ons afvragen:

Zijn we echt bezig onze leer aan de Schrift te onderwerpen, of zijn we bezig de Schrift aan onze leer te onderwerpen?

De Bijbelse oplossing laat beide gegevens gewoon staan:

Het Woord was God.

En:

Het Woord is vlees geworden.

 

Het opvallende manco van het unitarisme

Hier komt voor mij het fundamentele probleem van het unitarisme scherp naar voren.

Het unitarisme kan doorgaans vrij uitvoerig uitleggen waarom de Here Jezus Christus bidt tot de Vader, Zich aan Hem onderwerpt, gehoorzaam is, lijdt en als mens beperkingen kent.

Dat gedeelte van de Schrift krijgt volop aandacht.

Maar wanneer dezelfde Schrift spreekt over Christus als Degene Die God gelijk is, goddelijke heerlijkheid bezit, alle dingen schept, zonden vergeeft, leven geeft, de wereld oordeelt, dezelfde eer als de Vader ontvangt en oudtestamentische JHWH-teksten op Zich toegepast krijgt, wordt de uitleg opvallend minder vanzelfsprekend.

Dan moet vrijwel iedere tekst worden voorzien van een alternatieve betekenis.

Dan betekent “God” ineens iets anders.

“De Eerste en de Laatste” zou anders bedoeld zijn.

Scheppen zou slechts gedelegeerd scheppen betekenen.

Goddelijke eer zou slechts vertegenwoordigde eer zijn.

Het buigen van iedere knie zou niets zeggen over goddelijke identiteit.

Het aanroepen van de Naam van de Here zou zonder probleem op een niet-goddelijke Messias kunnen worden toegepast.

En wanneer de Vader tot de Zoon zegt:

“Uw troon, o God…”
Hebreeën 1:8 (STV)

moet ook dat dan iets anders betekenen dan wat de woorden zeggen.

Dat is geen kleine kanttekening aan de rand van de discussie.

Het is een structureel probleem.

Een leer over Christus moet niet alleen kunnen verklaren waarom Hij werkelijk mens is.

Zij moet ook kunnen verklaren waarom de Bijbel Hem behandelt op een wijze die geen enkel gewoon mens, profeet of engel toekomt.

De vraag is daarom niet alleen:

Hoe kan Jezus God zijn als Hij Zich aan de Vader onderwerpt?

De minstens zo indringende vraag is:

Hoe kan Jezus slechts mens zijn als de Schrift Hem keer op keer plaatst binnen de sfeer van wat uitsluitend aan God toekomt?

Zolang het unitarisme op die tweede vraag geen werkelijk samenhangend antwoord geeft, blijft juist daar zijn grootste Bijbelse zwakte zichtbaar.

 

De Drie-eenheid staat toch nergens in de Bijbel?

Het woord Drie-eenheid staat inderdaad niet letterlijk in de Bijbel.

Maar dat argument bewijst weinig.

De vraag is niet of onze samenvattende leerstellige term letterlijk in één vers voorkomt.

De vraag is of de Bijbelse gegevens waarop die term gebaseerd is aanwezig zijn.

En die zijn er:

  • Er is één God.
  • De Vader is God.
  • De Zoon is onderscheiden van de Vader.
  • De Zoon wordt God genoemd.
  • De Zoon bezit eigenschappen van JHWH.
  • De Zoon verricht werken van JHWH.
  • Oudtestamentische teksten over JHWH worden op de Zoon toegepast.
  • De Zoon ontvangt goddelijke eer.
  • De Heilige Geest wordt onderscheiden van Vader en Zoon en handelt persoonlijk en goddelijk.

De leer van de Drie-eenheid probeert de Schrift niet ingewikkelder te maken.

Zij probeert juist geen van deze Bijbelse gegevens weg te gooien.

 

Het cumulatieve Bijbelse bewijs dat Jezus God is

Dit is uiteindelijk het beslissende punt.

Wanneer één tekst Jezus God zou noemen, kon men eindeloos over dat ene vers discussiëren.

Wanneer één JHWH-tekst op Jezus werd toegepast, kon men misschien nog van uitzonderlijk taalgebruik spreken.

Maar we hebben geen enkele losse tekst.

We hebben een patroon dat door de Schrift heen loopt:

JHWH is de Eerste en de Laatste.
Jezus is de Eerste en de Laatste.

JHWH is Heiland.
Jezus is Heiland.

JHWH is Schepper.
Door Jezus zijn alle dingen geschapen.

JHWH is de Herder.
Jezus is de goede Herder.

JHWH is de Rots.
Christus is de Rots.

JHWH vergeeft zonden.
Jezus vergeeft zonden.

JHWH geeft leven.
Jezus geeft eeuwig leven.

JHWH oordeelt de wereld.
Jezus Christus oordeelt de wereld.

JHWH onderzoekt hart en nieren.
Jezus onderzoekt hart en nieren.

Voor JHWH buigt iedere knie.
Voor Jezus buigt iedere knie.

Wie JHWH aanroept wordt behouden.
De Here Jezus wordt aangeroepen tot behoud.

De weg wordt voor JHWH bereid.
Johannes bereidt de weg voor Jezus.

JHWH komt op de wolken.
Jezus komt op de wolken.

JHWH bezit goddelijke heerlijkheid.
Jezus bezat heerlijkheid bij de Vader voordat de wereld bestond.

Hoeveel overeenkomsten zijn nodig?

Tien?

Twintig?

Wanneer wordt het punt bereikt waarop we niet langer ieder afzonderlijk vers proberen te neutraliseren, maar eindelijk erkennen dat er een cumulatief getuigenis ligt?

 

Jezus is JHWH: laat Johannes het laatste woord hebben

Johannes formuleert het bijna ongeëvenaard zorgvuldig:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”
Johannes 1:1 (STV)

“Het Woord was bij God.”

Daar is onderscheid.

“Het Woord was God.”

Daar is de Godheid.

Vervolgens:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…”
Johannes 1:14 (STV)

Daar is menswording.

De Here Jezus Christus is niet de Vader.

Hij is werkelijk de Zoon.

Hij is werkelijk mens geworden.

Maar dezelfde Schrift laat ons evenmin toe Hem te reduceren tot uitsluitend een menselijke Messias of een verheven schepsel.

Daarvoor worden eenvoudigweg te moerenondeksher van de titels, eigenschappen, werken en prerogatieven van JHWH die op Hem worden toegepast.

Misschien is daarom niet de juiste vraag:

“Kun je één tekst noemen waaruit blijkt dat Jezus God is?”

De veel indringender vraag luidt:

Hoe vaak moet JHWH in het Oude Testament iets exclusief over Zichzelf zeggen, waarna het Nieuwe Testament precies datzelfde op de Here Jezus Christus toepast, voordat wij ophouden de teksten passend te maken bij onze leer en onze leer passend maken bij de teksten?

Het probleem is niet dat er niet genoeg Bijbelteksten zijn die op de godheid van Christus wijzen.

Het probleem is juist het tegenovergestelde.

Het bewijs blijft zich opstapelen.

En wie alle gegevens serieus wil nemen, kan niet blijven volstaan met tegenspreken:

“Maar Jezus bad toch?”

“Maar Jezus gehoorzaamde toch?”

“Maar Jezus stierf toch?”

Ja.

Dat dééd Hij.

Omdat het Woord werkelijk vlees geworden is.

Maar datzelfde Woord:

was God.

Daarom is de Bijbelse belijdenis niet dat een mens later God geworden is.

De Bijbelse belijdenis is dat Degene Die God was, mens geworden is.

En daarom wijzen uiteindelijk al deze lijnen in dezelfde richting:

Jezus Christus is Heer

Niet als een tweede god naast JHWH.

Niet als slechts een verheven profeet.

Niet als slechts een menselijke Messias.

Maar als de Zoon, door Wie alle dingen zijn, Die de heerlijkheid bij de Vader had eer de wereld was, voor Wie iedere knie zal buigen en Die door de Schrift geplaatst wordt binnen de identiteit van de ene God.

Daar ligt uiteindelijk het punt waarop iedere christologie getoetst moet worden: niet aan de teksten die gemakkelijk in het eigen systeem passen, maar juist aan de teksten die dat systeem onder spanning zetten.

En juist daar blijkt hoe vreselijk ontoereikend het unitarisme is.

Want een leer die uitstekend kan uitleggen waarom Jezus mens is, maar voortdurend moeite heeft met de teksten waarin Hij God gelijk wordt voorgesteld, heeft niet zomaar een klein exegetisch probleem.

Zij heeft een christologisch probleem.

Een ernstig probleem.

Want de vraag is uiteindelijk niet:

Wat maken wij van Jezus?

De vraag is:

Wie zegt de Schrift dat Hij is?

En het antwoord klinkt door van Genesis tot Openbaring:

Jezus Christus is Heer.

Lees ook:

De Godheid van Jezus in het Oude Testament – Bijbelse basis

Jezus is JHWH – Bijbelse basis

1 Petrus 5:6-11 lijden, zorgen, de duivel en Gods genade

Als de leeuw brult, maar God zorgt; 1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Er bestaat christelijke prediking waarin lijden bijna als een storing in het geloofsleven wordt beschouwd. Als je werkelijk gelooft, zou je moeten overwinnen. Als je dicht bij God leeft, zou je voortdurend doorbraken moeten meemaken. Zegen wordt zichtbaar in succes, gezondheid en voorspoed. Tegenslag vraagt dan al snel om een verklaring: heb je wel voldoende geloof? Staat er misschien ergens een deur open voor de vijand?

Lees daar eens rustig 1 Petrus 5:6-11 naast.

1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Petrus schrijft niet aan mensen die God verlaten hebben. Hij schrijft aan gelovigen. En toch spreekt hij zonder omwegen over vernedering, bekommernis, geestelijke strijd en lijden.

Maar daar eindigt hij niet.

Boven dit alles plaatst Petrus de machtige werkelijkheid van Gods zorg, Gods genade en de eeuwige heerlijkheid waartoe de gelovige in Christus geroepen is.

Dat maakt dit gedeelte tegelijk ontmaskerend en buitengewoon sterk vertroostend.

Verneder u onder de krachtige hand van God

Petrus schrijft:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (1 Petrus 5:6, STV)

Bijbelse nederigheid betekent niet dat een christen zichzelf voortdurend waardeloos moet vinden. Het betekent dat hij zijn plaats tegenover God kent.

Hij is God.

Wij zijn het niet.

Dat klinkt eenvoudig, maar juist in moeilijke omstandigheden wordt dit op de proef gesteld. Wij willen begrijpen waarom iets gebeurt. Wij willen oplossingen. Wij willen controle. En als het even kan willen wij ook weten wanneer het voorbijgaat.

Petrus geeft geen methode waarmee de gelovige Gods hand kan dwingen.

Hij zegt:

“…opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (STV)

Let vooral op die laatste woorden: te Zijner tijd.

Niet op mijn tijd.

Niet wanneer ik voldoende geloof heb geproduceerd.

Niet wanneer ik de juiste geestelijke formule heb gevonden.

God bepaalt de tijd.

Dat vraagt geloof.

 

God vraagt niet dat u uw zorgen ontkent

Onmiddellijk daarna volgen misschien wel de bekendste woorden uit dit gedeelte:

“Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Dit vers wordt vaak los geciteerd, maar het woordje dan uit vers 6 helpt ons de samenhang te zien. Het werpen van onze zorgen op God behoort bij het ons vernederen onder Zijn krachtige hand.

Dat is belangrijk.

Bijbels geloof betekent namelijk niet dat wij doen alsof onze zorgen niet bestaan.

Petrus zegt niet: ontken uw bekommernis.

Hij zegt:

werp haar op Hem.

Je mag dus bezorgd zijn over je toekomst. Je mag verdriet kennen. Je mag niet begrijpen waarom een bepaalde weg door je leven loopt. Je mag met vragen bij God komen.

Maar je hoeft die last niet zelf te dragen alsof alles uiteindelijk van jou afhankelijk is.

Waarom niet?

Niet omdat alles onmiddellijk goed zal komen volgens onze definitie van “goed”.

Maar omdat:

“…Hij zorgt voor u.” (STV)

Vier eenvoudige woorden.

En misschien behoren ze wel tot de meest herderlijke woorden van het Nieuwe Testament.

Hij zorgt voor u

 

Gods zorg betekent niet de afwezigheid van lijden

Hier wordt het apologetisch belangrijk.

Want vers 7 wordt soms gebruikt alsof Gods zorg betekent dat Hij de gelovige tegen alle ernstige moeilijkheden beschermt.

Maar dat kan Petrus onmogelijk bedoelen.

Een paar regels verder schrijft dezelfde apostel:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

En vervolgens:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben…” (1 Petrus 5:10, STV)

God zorgt voor u.

En:

u zult een weinig tijd lijden.

Die twee werkelijkheden staan in dezelfde alinea.

Daarmee valt een complete voorspoedsleer eigenlijk al om.

Gods zorg wordt in de Schrift niet bewezen door de afwezigheid van lijden

Integendeel: Gods zorg wordt juist zichtbaar doordat Hij de gelovige in en door het lijden heen vasthoudt en hem uiteindelijk tot Zijn bestemming brengt.

 

De duivel is reëel, maar Petrus zet hem op zijn plaats

Dan verschijnt ineens de tegenstander:

“Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden.” (1 Petrus 5:8, STV)

Dat is ernstige taal.

De Bijbel bagatelliseert de duivel niet.

Maar merk tegelijk op hoe nuchter Petrus over geestelijke strijd spreekt.

Geen ingewikkelde technieken.

Geen geestelijke oorlogsvoering waarbij christenen demonen moeten identificeren die boven steden of gebieden zouden regeren.

Geen speciale gebedsformules.

Geen stappenplan.

Geen “profetische handelingen”.

Geen bevel om de duivel te binden.

Petrus zegt:

“Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof…” (1 Petrus 5:9, STV)

Daar staat het.

Vaststaan in het geloof

De duivel wordt niet bestreden door spectaculaire geestelijke ervaringen, maar doordat de gelovige weigert zijn vertrouwen op God los te laten.

Dat is minder sensationeel.

Maar het is tenminste gewoon Bijbels.

 

Waarom juist tijdens het lijden waakzaam zijn?

De plaats van vers 8 is veelzeggend.

Petrus spreekt eerst over nederigheid en bekommernis. Daarna waarschuwt hij voor de tegenstander. Vervolgens spreekt hij opnieuw over lijden.

Dat suggereert een belangrijke geestelijke werkelijkheid.

Juist wanneer wij lijden, zijn wij kwetsbaar.

Niet alleen lichamelijk of emotioneel, maar ook geestelijk.

Dan kunnen gedachten opkomen als:

Waar is God nu?

Waarom laat Hij dit toe?

Zorgt Hij werkelijk voor mij?

Waarom wordt mijn gebed niet verhoord zoals ik had gehoopt?

Juist daar kan de briesende leeuw proberen binnen te komen.

Niet noodzakelijk met iets spectaculairs.

Soms is één leugen voldoende:

God heeft je verlaten

En daartegenover staat het eenvoudige Woord der waarheid:

“…want Hij zorgt voor u.” (STV)

Daarom moet de gelovige vaststaan in het geloof.

Niet vaststaan in zijn gevoel.

Niet in zijn omstandigheden.

Niet in zichtbare resultaten.

Maar in wat God gesproken heeft.

 

Lijden is geen bewijs van onvoldoende geloof

Dat verdient nadruk, juist in onze tijd.

Petrus schrijft:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

Lijden behoort blijkbaar niet tot een uitzonderingscategorie voor christenen die iets verkeerd hebben gedaan.

De broederschap in de wereld kent het.

Dat staat haaks op de gedachte dat ziekte, vervolging, verlies of tegenslag noodzakelijk betekenen dat iemand onvoldoende geloof heeft.

Soms wordt een gelovige door zulke prediking zelfs tweemaal getroffen.

Eerst is er het lijden zelf.

Daarna komt de beschuldiging dat het lijden blijkbaar iets zegt over zijn geloof.

Petrus doet precies het tegenovergestelde.

Hij maakt van het lijden geen aanklacht tegen de gelovige, maar plaatst het binnen het grotere perspectief van Gods eeuwige bedoeling.

 

Een weinig tijd tegenover eeuwige heerlijkheid

Dan komt het geweldige vers 10:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (1 Petrus 5:10, STV)

Hier verlegt Petrus onze blik op de tijd.

Wij kijken naar vandaag.

God laat ons kijken naar de eeuwigheid.

Petrus noemt het lijden:

een weinig tijds.

En onze bestemming:

eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

Dat betekent niet dat Petrus menselijk lijden bagatelliseert. Een nacht kan verschrikkelijk lang duren wanneer je pijn hebt. Een periode van verlies kan jaren doorwerken.

Maar tegenover de eeuwigheid krijgt zelfs een mensenleven een andere verhouding.

Paulus schrijft iets vergelijkbaars:

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.” (Romeinen 8:18, STV)

Daar ligt christelijke hoop.

Niet: het wordt morgen gemakkelijker.

Maar:

dit is niet het einde van het verhaal.

 

God is bezig,ook wanneer wij dat niet zien of voelen

Petrus gebruikt vervolgens vier prachtige woorden:

“…Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (STV)

Dat is opmerkelijk.

De gelovige kan tijdens beproeving het gevoel hebben dat alles wordt afgebroken.

Petrus zegt dat God ondertussen bezig is te funderen.

Wij voelen zwakheid.

God versterkt.

Wij ervaren onzekerheid.

God bevestigt.

Wij zien onvolkomenheid.

God volmaakt.

Dat is een heel andere boodschap dan: als je geloof sterk genoeg is, zal God de beproeving verwijderen.

Misschien doet Hij dat.

Maar misschien ook wel niet.

Zijn belofte is groter dan onmiddellijke verlichting.

Zijn uiteindelijke doel is de gelovige brengen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

 

Christelijke kracht begint waar zelfvertrouwen ophoudt

Daarmee raakt dit gedeelte ook aan een bredere Bijbelse lijn.

Wij denken bij geestelijke groei gemakkelijk aan steeds sterker worden. Maar Bijbels gezien betekent groeien vaak dat wij steeds minder vertrouwen stellen in onze eigen kracht en steeds meer leren leven uit Gods kracht.

Paulus schrijft:

“Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt.” (2 Korinthe 1:9, STV)

Dat is geen nederlaag.

Dat is geestelijke volwassenheid.

Het “ik red mij wel” moet plaatsmaken voor vertrouwen op Hem Die zelfs de doden opwekt.

Daarom begint Petrus ook met:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods…” (STV)

En hij eindigt met:

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

Zie je de richting?

Van onze zwakheid naar Zijn kracht.

Van onze bekommernis naar Zijn zorg.

Van tijdelijk lijden naar eeuwige heerlijkheid.

Van de briesende leeuw naar de God aller genade.

 

Geef de briesende leeuw niet de hoofdrol

Misschien moeten we daar ook in onze prediking veel nuchterder in worden.

Ja, de duivel bestaat.

Ja, hij is onze tegenpartij.

Ja, Petrus waarschuwt ernstig voor hem.

Maar lees hoeveel aandacht hij uiteindelijk krijgt.

De leeuw brult.

Maar God bepaalt

De tegenstander zoekt wie hij kan verslinden.

Maar God zorgt voor u.

Het lijden is werkelijk.

Maar het duurt een weinig tijds.

Gods heerlijkheid daarentegen is eeuwig.

Daarom hoeft een christen niet voortdurend angstig bezig te zijn met wat de duivel mogelijk doet.

Petrus richt onze blik uiteindelijk niet op de tegenstander, maar op:

“De God nu aller genade…” (STV)

Dát is waar de ogen van de gelovige behoren te rusten.

 

Hij zorgt voor u

Misschien lees je dit wel terwijl er helemaal niets spectaculairs in je leven gebeurt.

Geen doorbraak.

Geen onmiddellijke oplossing.

Misschien bid je al lange tijd voor iets en lijkt de hemel gesloten.

Dan zegt Petrus niet dat je harder moet geloven en je best doen totdat God eindelijk in beweging komt.

Hij zegt:

                                                                                       “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Leg het bij Hem.

Ook voor de honderdste keer.

En wanneer de tegenstander fluistert dat Gods stilte betekent dat God afwezig is, blijf dan staan.

Vast in het geloof

Want degene die jou geroepen heeft, is niet zomaar God.

Petrus noemt Hem:

De God aller genade.

En Hij heeft je niet geroepen tot een eindeloos bestaan van strijd en lijden.

Hij heeft je geroepen:

“…tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus…” (STV)

De leeuw mag een tijdlang brullen.

Het lijden mag een tijdlang pijn doen.

De zorgen kunnen zwaar wegen.

Maar geen daarvan krijgt het laatste woord.

Dat woord behoort aan de God aller genade.

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

De Koran en het Evangelie, claims en feiten

Claims versus feiten

YouTube player

 In deze video onderzoek ik een fundamentele vraag: wat zegt de Koran zelf over de Thora, het Evangelie en de kruisiging van Jezus Christus, en hoe verhouden die claims zich tot de historische feiten?

De Koran ontkent in Soera 4:157 dat Jezus werd gekruisigd. Tegelijkertijd zegt de Koran dat Allah de Thora en het Evangelie heeft gegeven, dat daarin ‘leiding en licht’ zijn en dat de Koran de eerdere openbaring bevestigt. In Soera 5:47 worden de mensen van het Evangelie zelfs opgeroepen te oordelen naar hetgeen Allah daarin heeft geopenbaard. En in Soera 10:94 wordt Mohammed, in het geval hij zou twijfelen, verwezen naar degenen die de Schrift vóór hem lazen.

Dat roept belangrijke vragen op. Als het Evangelie vóór Mohammed al vervalst was, waarom verwijst de Koran er dan naar als gezaghebbende openbaring? Naar welk Evangelie moesten de christenen in de zevende eeuw volgens Soera 5:47 oordelen? En als Jezus niet werd gekruisigd, hoe verklaren we dan dat Zijn kruisiging, dood en opstanding al vanaf de vroegste christelijke verkondiging centraal stonden, eeuwen vóór het ontstaan van de islam? In deze video leg ik de claims naast elkaar en laat de teksten zelf spreken.

Besproken Koranteksten: Soera 3:3 Soera 4:157 Soera 5:44-48 Soera 6:115 Soera 10:94 Soera 18:27

Besproken Bijbelteksten: Mattheüs 28:6 Johannes 19:30 1 Korinthe 1:23 1 Korinthe 15:3-4

Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde (1 Korinthe 1:23, STV)

DISCLAIMER:Deze video is allerminst bedoeld om moslims te bespotten of aan te vallen. Integendeel: omdat waarheid ertoe doet, moeten religieuze claims onderzocht mogen worden. Lees de Koran. Lees het Evangelie. Onderzoek de historische gegevens. En stel vervolgens jezelf de vraag: welke boodschap over Jezus vinden we daadwerkelijk in de bronnen die eeuwen vóór Mohammed bestonden?

Geverifieerd door MonsterInsights