Het nieuwe verbond: van wet naar genade en vrijheid

Wat het nieuwe verbond betekent

Wat betekent het nieuwe verbond? Ontdek het verschil tussen wet en genade, Gods beloften aan Israël, Christus als Middelaar en de vrijheid waarin de gelovige vandaag mag leven.

Van wet naar genade en vrijheid in Jezus Christus

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is niet zomaar een detail uit het verleden. Het raakt aan de kern van de verhouding tussen God en de mens en aan de vraag hoe een gelovige vandaag hoort te leven.

Waar de religieuze mens vaak vastzit in een stelsel van regels, verplichtingen en menselijke verwachtingen, vinden we in het nieuwe verbond de heerlijke beloften van God, gegrond op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Niet de prestaties van de mens staan centraal, maar Gods genade. Niet de uiterlijke dwang van de wet, maar een innerlijke verandering van het hart. Niet de voortdurende angst tekort te schieten, maar de zekerheid van wat Christus heeft volbracht.

Maar wat betekent het nieuwe verbond werkelijk? Wat is het verschil met het oude verbond, voor wie is het bestemd en wat betekent dit alles voor de gelovige vandaag?

Het nieuwe verbond

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond

Van voorwaardelijke gehoorzaamheid naar Gods beloften

Om de draagwijdte van het nieuwe verbond te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de aard van het oude verbond.

Het oude verbond, dat God bij de Sinaï met het volk Israël sloot, was een voorwaardelijk verbond. Het werd gekenmerkt door het woord “indien”:

“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn.” (Exodus 19:5, STV)

Het volk antwoordde daarop vol overtuiging:

“Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen!” (Exodus 19:8, STV)

Daarmee nam Israël de verplichtingen van het verbond op zich. De zegeningen van het verbond waren verbonden aan gehoorzaamheid en op ongehoorzaamheid rustte de vloek.

Het probleem lag niet bij de wet zelf. Paulus schrijft immers dat de wet heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7:12). Het probleem lag bij de mens, die vanwege de zwakheid van het vlees niet in staat was aan Gods rechtvaardige eisen te voldoen.

De wet kon de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet rechtvaardigen. Zij maakte de overtreding openbaar, maar kon geen nieuw leven schenken.

Daarom spreekt Paulus over de bediening van de dood, die met letters in stenen was ingeschreven (2 Korinthe 3:7).

 

Het oude verbond stelde eisen aan de mens. Het nieuwe verbond stelt Gods eigen beloften en handelen op de voorgrond.

Dat verschil komt bijzonder duidelijk naar voren in Hebreeën 8:

“Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere.” (Hebreeën 8:8-9, STV)

Let op het verschil.

Onder het oude verbond klonk het:

“Indien gij zult gehoorzamen.”

Onder het nieuwe verbond klinkt telkens Gods eigen belofte:

“Ik zal.”

God neemt Zelf het initiatief. Het nieuwe verbond is niet gebouwd op de beloften die de mens aan God doet, maar op de beloften die God Zelf geeft.

De grondslag daarvan is het bloed van de Here Jezus Christus, Die door Zijn dood de verzoening heeft aangebracht en door Zijn opstanding eeuwig leeft.

 

Voor wie is het nieuwe verbond bestemd?

Hier moeten we goed lezen wat de Schrift zegt.

God spreekt in Jeremia 31:31 en Hebreeën 8:8 uitdrukkelijk over het sluiten van een nieuw verbond met het huis van Israël en het huis van Juda.

Dat kunnen we niet zomaar veranderen in “de Gemeente”.

Het nieuwe verbond hoort tot de beloften die God aan Israël heeft gedaan. Dat God deze beloften zal vervullen, staat vast, want Zijn trouw aan Israël is niet afhankelijk van de trouw van de mens.

Betekent dit dan dat de Gemeente van Jezus Christus geen deel heeft aan de zegeningen die met het nieuwe verbond verbonden zijn?

Nee!

De Here Jezus sprak bij de instelling van het avondmaal:

“Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.” (Lukas 22:20, STV)

En Paulus schrijft aan de Korinthiërs over de bediening van het nieuwe testament, niet van de letter, maar van de Geest (2 Korinthe 3:6).

Gelovigen uit de volken delen dus nu al in de geestelijke zegeningen die gegrond zijn op het bloed van Christus: vergeving van zonden, rechtvaardiging, vrede met God en het nieuwe leven door de Geest.

Maar dat betekent niet dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.

De Gemeente is het Lichaam van Christus, terwijl Gods verbondsbeloften aan Israël hun eigen betekenis en toekomstige vervulling behouden.

Delen in de zegeningen van het nieuwe verbond is niet hetzelfde als de plaats innemen van degenen aan wie God dat verbond heeft beloofd.

Dat onderscheid zien voorkomt dat de beloften van God aan Israël worden vergeestelijkt of aan een ander volk worden toegeschreven.

 

Gods wet geschreven in het hart

Een tweede groot verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is de plaats waar Gods wet wordt geschreven.

Onder het oude verbond was de wet op stenen tafelen geschreven. Zij kwam van buitenaf tot de mens en stelde eisen aan zijn handelen.

Maar het nieuwe verbond spreekt over een verandering van binnenuit:

“Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Hebreeën 8:10, STV)

De tegenstelling is indrukwekkend.

Niet langer uitsluitend een gebod dat van buitenaf wordt opgelegd, maar Gods onderwijs dat een plaats krijgt in het verstand en het hart.

Paulus gebruikt in 2 Korinthe 3:3 de uitdrukking “vlezen tafelen des harten”.

Het gaat hier niet om de gedachte dat de mens door eigen inspanning alsnog de wet moet leren volbrengen. Het gaat om Gods werk in de mens.

Voor de gelovige in Christus betekent dit dat hij niet langer zijn rechtvaardiging of aanvaarding bij God hoeft te zoeken door het onderhouden van de wet.

Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Zijn denken wordt vernieuwd door het Woord van God en zijn wandel wordt bepaald door de Geest.

Daarom schrijft Paulus:

“Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” (Galaten 5:18, STV)

Dat is een wezenlijk verschil.

Een gelovige leeft niet vanuit de gedachte:

“Wat moet ik allemaal doen om door God aanvaard te worden?”

Hij mag leven vanuit de zekerheid: “In Christus ben ik door genade aanvaard, en vanuit dat nieuwe leven mag ik God dienen.”

De vrucht van dat leven komt niet voort uit uiterlijke dwang, maar uit het werk van Gods Geest.

 

Jezus Christus als Middelaar van het nieuwe verbond

Onder het oude verbond dienden priesters uit de stam Levi in een aards heiligdom.

Hun priesterdienst was tijdelijk en moest telkens opnieuw worden voortgezet. De offers werden voortdurend herhaald, omdat zij de zonden niet definitief konden wegnemen.

Die hele dienst wees vooruit naar een grotere werkelijkheid.

De Here Jezus Christus is de volmaakte Hogepriester, Die niet in een aards heiligdom dient, maar in de hemel Zelf.

“De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen.” (Hebreeën 8:1, STV)

En verder:

“En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.” (Hebreeën 8:6, STV)

Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Zijn priesterschap is niet tijdelijk, maar eeuwig.

Zijn offer hoeft niet herhaald te worden, want Hij heeft Zichzelf eenmaal geofferd.

Daarom rust de verhouding tussen God en de gelovige niet op de wisselende prestaties van de mens, maar op het volbrachte werk van Christus.

Hij leeft om voor de Zijnen te bidden.

De zekerheid van ons behoud ligt dus niet in onze eigen kracht, maar in Hem.

De belofte van het nieuwe verbond luidt:

“Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.” (Hebreeën 8:12, STV)

Wat een geweldige tegenstelling met een religieus systeem waarin de mens voortdurend bezig is zijn schuld af te betalen!

Christus heeft de schuld gedragen. De verzoening is volbracht. De gelovige mag daarom rusten in wat Hij heeft gedaan.

 

Leven onder de genade: vrijheid in Christus

Wat betekent dit alles voor het dagelijkse leven?

Het verschil tussen wet en genade is niet slechts een leerstellig onderwerp waarover men kan discussiëren. Het heeft directe gevolgen voor de manier waarop een gelovige denkt, leeft en met anderen omgaat.

 

Niet handelen uit dwang, maar vanuit het nieuwe leven

Onder een wettisch systeem staat de verplichting centraal.

“Je moet dit.”

“Je mag dat niet.”

“Als je werkelijk een goede gelovige bent, dan behoor je…”

Zo ontstaat een godsdienstig leven waarin de mens voortdurend bezig is aan verwachtingen te voldoen.

Maar Paulus beschrijft het leven van de gelovige heel anders:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20, STV)

Dát is de kern van het nieuwe leven.

Niet het oude leven verbeteren door steeds meer regels toe te voegen, maar leven vanuit de verbondenheid met Christus.

De gelovige dient God niet om daardoor Zijn liefde te verdienen, maar omdat hij die liefde in Christus heeft leren kennen.

Er ontstaat een innerlijk verlangen om te doen wat God behaagt.

Niet omdat iemand voortdurend over zijn schouder meekijkt, maar omdat Gods Woord zijn denken en verlangen vormt.

Daarbij mogen we niet vergeten dat de gelovige nog steeds te maken heeft met de strijd tussen vlees en Geest. Het nieuwe leven betekent niet dat alles automatisch volmaakt gaat.

Maar de drijfveer is veranderd.

Niet: “Ik moet gehoorzamen om aangenomen te worden.”

Maar: “Omdat ik in Christus ben aangenomen, wil ik leven tot eer van Hem.”

 

Vrijheid van menselijke regels en onderlinge veroordeling

Een van de grote gevaren van godsdienst is dat menselijke voorschriften geleidelijk dezelfde plaats krijgen als het Woord van God.

Men gaat elkaar beoordelen op uiterlijke kenmerken, gewoonten, tradities en regels die nergens als verplichting in de Schrift worden opgelegd.

Paulus waarschuwt daar nadrukkelijk tegen:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” (Galaten 5:1, STV)

De vrijheid in Christus betekent niet dat zonde onbelangrijk geworden is, maar dat de gelovige niet langer onder het juk van de wet of menselijke godsdienstige voorschriften leeft.

Ook het nieuwe verbond bevat een heerlijke belofte:

“En zij zullen niet leren, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.” (Hebreeën 8:11, STV)

Deze belofte heeft in de eerste plaats betrekking op Israël en de toekomstige vervulling van het nieuwe verbond.

Tegelijk kennen gelovigen vandaag al de werkelijkheid van een persoonlijke verhouding met God door Jezus Christus.

Daarvoor hebben zij geen menselijke priester of religieuze tussenpersoon nodig.

Christus is de Middelaar.

Dat sluit onderlinge vermaning, onderwijs en geestelijke zorg niet uit. De Schrift roept gelovigen immers op elkaar te onderwijzen en te dienen.

Maar niemand heeft het recht zichzelf op te werpen als de heerser over het geweten van een ander.

De Gemeente hoort geen plaats van geestelijke controle te zijn, maar een gemeenschap waarin Christus centraal staat en Zijn Woord het hoogste gezag heeft.

 

Vrijmoedig naderen tot de Vader

Onder het oude verbond was de toegang tot het heilige der heiligen beperkt.

Slechts de hogepriester mocht daar binnengaan, eenmaal per jaar, en niet zonder bloed.

Maar door het offer van de Here Jezus Christus is de weg tot God geopend.

De gelovige hoeft niet langer op afstand te blijven staan.

Hij mag vrijmoedig naderen tot de troon der genade.

Niet omdat hij zonder tekortkomingen is, maar omdat Christus de toegang heeft geopend.

Daarom mag hij zijn vertrouwen niet stellen op zijn eigen godsdienstige prestaties, maar op de trouw van de Here Jezus Christus.

Paulus verwoordt die zekerheid op indrukwekkende wijze:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (Romeinen 8:38-39, STV)

Wat een rust geeft dat!

Onze gemeenschap met God rust niet op de vraag of wij vandaag voldoende hebben gepresteerd.

Deze is gegrond op de Here Jezus Christus, Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

Wat betekent het nieuwe verbond voor gelovigen vandaag?

Het nieuwe verbond laat zien dat Gods weg tot verlossing niet ligt in de pogingen van de mens om zichzelf door wetsgehoorzaamheid rechtvaardig te maken.

De wet maakt de zonde openbaar, maar Christus heeft gedaan wat de mens zelf niet kon doen.

In Hem vinden wij vergeving, rechtvaardiging en vrede met God.

Voor de gelovige betekent dit een leven vanuit de genade.

Het betekent dat wij Gods Woord niet benaderen als een verzameling voorschriften waarmee wij ons behoud moeten verdienen, maar als de waarheid waardoor ons denken vernieuwd wordt.

Het betekent ook dat wij niet langer gebonden zijn aan menselijke godsdienstige systemen die ons voortdurend opnieuw onder een juk van verplichtingen willen brengen.

Onze vrijheid is echter geen vrijheid om naar het vlees te leven.

Paulus schrijft:

“Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde.” (Galaten 5:13, STV)

De vrijheid van de gelovige is dus geen wetteloosheid.

Het is de vrijheid om God te dienen zonder de slavernij van het wetticisme.

Een leven waarin niet de angst voor veroordeling, maar de liefde van Christus de drijfveer is.

 

Samengevat: niet onder de wet, maar levend uit genade

Het nieuwe verbond is gegrond op Gods beloften en op het bloed van de Here Jezus Christus.

Het werd door God beloofd aan Israël en Juda, en die beloften behouden hun eigen betekenis en vervulling.

Tegelijk mogen gelovigen uit de volken vandaag delen in de geestelijke zegeningen die door Christus werkelijkheid zijn geworden.

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond laat zien hoe groot de tegenstelling is tussen menselijke inspanning en goddelijke genade, tussen een uitwendige wet en een innerlijke vernieuwing, tussen de voortdurende herhaling van offers en het ene, volkomen offer van Christus.

Daarom mag het leven van een gelovige geen wettisch keurslijf zijn.

Wie in Christus is, hoeft niet voortdurend te proberen Gods aanvaarding te verdienen.

Hij mag leven vanuit wat hem in Christus geschonken is.

 

Wanneer het Woord van God rijkelijk in ons woont, verandert ons denken en wordt ons handelen steeds meer gevormd door de waarheid.

Niet door dwang van buitenaf, maar door het werk van Gods Geest.

Niet leven om genade te verdienen, maar leven omdat genade ons geschonken is.

Dát is de vrijheid waarin Christus ons heeft gesteld.

lees ook:

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis

“Sterven aan jezelf”staat dat eigenlijk in de Bijbel?

Een Bijbelse opdracht of een menselijke uitdrukking?

Waarom goed Bijbels taalgebruik ertoe doet

“Je moet sterven aan jezelf.”

Wie kent deze uitspraak niet? In preken, Bijbelstudies, gesprekken en boeken over het christelijke leven duikt hij voortdurend op. Soms wordt er zelfs een maatstaf voor geestelijke volwassenheid van gemaakt. Hoe meer iemand aan zichzelf gestorven is, hoe geestelijker hij zou zijn.

Maar waar staat dat in de Bijbel?

Dat is geen zeurvraag. Want omdat de Bijbel de gelovige nadrukkelijk aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid en levenswandel, betekent dat nog niet dat iedere populaire uitdrukking waarmee men die verantwoordelijkheid beschrijft, ook Bijbels verantwoord is.

De vraag is dus niet of een christen de zonde moet afleggen, zichzelf moet verloochenen of hoort te wandelen overeenkomstig zijn roeping.

Natuurlijk leert de Bijbel dat.

De vraag is of “sterven aan jezelf” een juiste Bijbelse beschrijving is van wat God van de gelovige vraagt.

En daar hebben we de kern van dit vraagstuk te pakken.

Bijbels taalgebruik
“Sterven aan jezelf”

Waar komt de uitdrukking vandaan?

De woorden “sterven aan jezelf” komen niet in de Bijbel voor.

Dat betekent niet  dat iedere gedachte die ermee wordt uitgedrukt verkeerd is. We gebruiken immers vaker woorden en formuleringen die niet letterlijk in de Bijbel staan.

Maar wanneer een uitdrukking voortdurend wordt gebruikt om het christelijke leven te omschrijven, mogen we wel vragen waar deze vandaan komt en welke betekenis deze heeft gekregen.

De gedachte heeft oude wortels in de christelijke geschiedenis, met name in de ascetische en mystieke traditie. Daar werd veel nadruk gelegd op zelfverloochening, versterving, onthouding en het overwinnen van de eigen wil.

Een bekende historische vindplaats is De navolging van Christus van Thomas à Kempis, een werk uit de vijftiende eeuw. Daar vinden we de gedachte dat iemand des te meer voor God begint te leven naarmate hij meer aan zichzelf sterft.

Dat bewijst nog niet dat Thomas à Kempis de uitdrukking heeft bedacht. Wel laat het zien hoe oud deze manier van spreken al is.

In de eeuwen daarna bleef de gedachte aanwezig in verschillende christelijke tradities. Ook binnen de gereformeerde traditie vinden we het onderwijs over de “afsterving van de oude mens”, bijvoorbeeld in zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.

Later kreeg vergelijkbaar taalgebruik een plaats in evangelische, bevindelijke en andere kringen waarin veel aandacht wordt besteed aan heiliging en geestelijke groei.

De precieze Nederlandse uitdrukking is dus niet met zekerheid tot één bedenker te herleiden. Wel is duidelijk dat deze een lange kerkelijke geschiedenis heeft.

Maar daarmee is nog niets gezegd over de Bijbelse juistheid.

Een uitdrukking wordt niet Bijbels doordat hij al eeuwenlang door christenen gebruikt is.

 

Wat zegt de Bijbel?

Wanneer men spreekt over “sterven aan jezelf”, worden doorgaans verschillende Bijbelgedeelten aangehaald.

Denk aan Lukas 9:23, waar de Here Jezus spreekt over zichzelf verloochenen, dagelijks het kruis opnemen en Hem volgen.

Of aan Johannes 12:24-25, waar Hij spreekt over de graankorrel die in de aarde valt en sterft, en over het liefhebben of haten van het eigen leven in deze wereld.

Ook Galaten 2:20, Romeinen 6:6 en Kolossenzen 3:5 worden regelmatig genoemd.

Maar hier moeten we goed lezen.

Want deze Schriftgedeelten spreken niet allemaal over hetzelfde. Zelfverloochening, met Christus gekruisigd zijn, de oude mens afleggen en het doden van zondige praktijken zijn begrippen die met elkaar samenhangen, maar daarom nog niet onderling uitwisselbaar zijn.

En wanneer we ze samenvoegen tot één algemene opdracht om “aan jezelf te sterven”, bestaat het gevaar dat we juist die onderscheidingen uitwissen die de Schrift zelf aanbrengt.

 

De oude mens is met Christus gekruisigd

Paulus schrijft in Romeinen 6:6:

“Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.” (STV)

Let vooral op de woorden: “met Hem gekruisigd is”.

Paulus zegt niet dat de gelovige zijn oude mens nog moet kruisigen. Hij beschrijft iets wat reeds heeft plaatsgevonden in onze verbondenheid met Christus.

Dat is niet zomaar een statement.

De gelovige wordt niet opgeroepen om alsnog tot stand te brengen wat God in Christus reeds tot stand heeft gebracht.

Ook Galaten 2:20 spreekt hierover:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (STV)

Paulus zegt niet: ik probeer dagelijks een beetje meer gekruisigd te worden.

Hij zegt:

“Ik ben met Christus gekruist.”

En vervolgens spreekt hij over het leven dat hij nu leeft, door het geloof.

Hier ligt het uitgangspunt van het christelijke leven. Niet bij een voortdurende poging om het eigen ik te laten sterven, maar bij de werkelijkheid van onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Christus.

 

Gij zijt gestorven!

Misschien is Kolossenzen 3:3 nog wel de duidelijkste uitspraak:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” (STV)

Hoeveel duidelijker wil je het hebben?

Gij zijt gestorven.

Niet: gij moet iedere dag proberen een stukje verder aan uzelf te sterven.

Maar: gij zijt gestorven.

En dat staat niet los van de opstanding van Christus. Het hoofdstuk begint immers met:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.” (Kolossenzen 3:1, STV)

Merk de volgorde op.

Eerst wordt vastgesteld wat de gelovige in Christus is. Vervolgens wordt hij aangesproken op de levenswandel die daarbij behoort.

De positie in Christus vormt het uitgangspunt voor de praktijk, niet andersom.

Dat onderscheid is van cruciaal belang.

 

Maar de gelovige heeft toch een verantwoordelijkheid?

Natuurlijk!

En daarover hoeft geen enkel misverstand te bestaan.

De Schrift leert uitdrukkelijk dat de gelovige de zonde niet moet laten heersen, zijn leden niet ten dienste van de ongerechtigheid moet stellen en de zondige praktijken van zijn vroegere levenswandel moet afleggen.

Efeze 4:22 zegt:

“Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande den vorigen wandel, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;” (STV)

Daarna spreekt Paulus over het vernieuwd worden in de geest van het gemoed en het aandoen van de nieuwe mens.

Hier vinden we dus een duidelijke oproep om niet langer overeenkomstig de vroegere levenswandel te leven.

Maar let op de gebruikte woorden.

Paulus spreekt over afleggen, vernieuwd worden en aandoen.

Hij zegt niet dat de gelovige aan zichzelf moet sterven.

En dat verschil is niet maar een kwestie van woordkeuze.

Ook Kolossenzen 3:5 spreekt over het doden van wat met het zondige aardse bestaan samenhangt. Romeinen 8:13 spreekt over het doden van de werkingen van het lichaam door de Geest.

Dat zijn concrete oproepen tot een heilige levenswandel.

Maar het doden van zondige praktijken is niet hetzelfde als het laten sterven van je eigen persoon.

En de opdracht om de oude levenswandel af te leggen is niet hetzelfde als de gedachte dat de oude mens nog gekruisigd moet worden.

De Bijbel leert beide waarheden: de gelovige is met Christus gestorven én hij wordt verantwoordelijk gehouden voor zijn dagelijkse wandel.

Het ene mag niet tegen het andere worden uitgespeeld. Maar je mag ze ook niet met elkaar verwarren.

 

En zelfverloochening?

De Here Jezus zegt in Lukas 9:23:

“En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.” (STV)

Dat is een ernstige oproep tot navolging.

Maar ook hier moeten we nauwkeurig lezen.

Zichzelf verloochenen is niet hetzelfde als aan zichzelf sterven.

Zelfverloochening betekent dat iemand niet zijn eigen belangen, verlangens of aanspraken boven de gehoorzaamheid aan Christus stelt. De oproep om het kruis op te nemen spreekt over de bereidheid om de consequenties van die navolging te dragen.

Bovendien moeten we rekening houden met de plaats van deze woorden binnen de bediening van de Here Jezus en met de verdere openbaring over de positie van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

Dat betekent niet dat de woorden van de Here Jezus ons niets te zeggen hebben. Wel dat we ze zorgvuldig moeten uitleggen in hun eigen verband.

Een oproep tot zelfverloochening kan niet zonder meer worden omgezet in een algemene leer dat de gelovige dagelijks zijn oude mens opnieuw moet laten sterven.

 

Wat is dat ‘zelf’ eigenlijk?

Hier raken we misschien wel aan het grootste probleem van de uitdrukking.

Wat bedoelt iemand precies wanneer hij zegt dat een christen aan zichzelf moet sterven?

Bedoelt hij de oude mens?

Of het vlees?

Of de eigen wil?

Of de menselijke persoonlijkheid?

Of natuurlijke verlangens?

Of de neiging om zichzelf op de eerste plaats te zetten?

Dat zijn verschillende dingen.

De Schrift spreekt over de oude mens, de nieuwe mens, het vlees, de zonde, het lichaam en het leven van de gelovige. Die begrippen hebben elk hun eigen betekenis en plaats.

Wanneer iemand eenvoudigweg zegt dat we “aan onszelf moeten sterven”, wordt dat onderscheid niet duidelijk.

Sterker nog, de formulering kan de indruk wekken dat onze persoonlijkheid, onze individualiteit of zelfs ons mens-zijn een obstakel vormt dat moet verdwijnen.

Maar het doel van Gods werk in de gelovige is niet de vernietiging van diens persoonlijkheid.

Het gaat om een nieuwe levenswandel, overeenkomstig de nieuwe mens die in Christus geschapen is.

Het probleem is niet dat wij als mens bestaan. Het probleem is de zonde.

En dat onderscheid doet ertoe.

 

Hoe weet je of je genoeg gestorven bent?

Er is nog een bezwaar.

Wanneer “sterven aan jezelf” als een voortdurende geestelijke opdracht wordt gepresenteerd, ontstaat onvermijdelijk de vraag wat iemand dan concreet moet doen.

Hoe sterf je aan jezelf?

Hoe weet je of je voldoende gestorven bent?

Wanneer is het proces voltooid?

En wie bepaalt eigenlijk of iemand voldoende aan zichzelf gestorven is?

Dat zijn alweer geen zeurvragen.

Want wanneer een gelovige voortdurend te horen krijgt dat hij nog meer aan zichzelf moet sterven, kan zijn aandacht makkelijk verschuiven van Christus naar zichzelf.

Dan wordt het christelijke leven een voortdurende beoordeling van de eigen geestelijke toestand.

Ben ik al nederig genoeg? Heb ik mijn eigen wil voldoende opgegeven? Is mijn ik al voldoende gestorven?

Maar waar richt Paulus onze aandacht op?

Op Christus!

Hij schrijft in Romeinen 6:11:

“Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)

Dat is een opmerkelijke opdracht.

Niet: probeer te sterven.

Maar:

houd het ervoor dat gij der zonde dood zijt en Gode levende zijt in Christus Jezus.

Het geloof rekent met wat God heeft gezegd.

Dat betekent beslist niet dat de zonde geen enkele rol meer speelt in het leven van de gelovige. Evenmin betekent het dat heiliging vanzelf gaat of dat gehoorzaamheid overbodig is.

Maar de gelovige wordt opgeroepen om vanuit de waarheid van Gods Woord te leven, niet vanuit een onduidelijk streven naar een steeds verdergaande vernietiging van het eigen ik.

 

Een goede bedoeling maakt een uitdrukking nog niet Bijbels

Nu zal iemand misschien zeggen:

“Ja, maar iedereen begrijpt toch wat ermee bedoeld wordt?”

Is dat zo?

De ene prediker bedoelt ermee dat we onze zondige begeerten niet moeten volgen. Een ander bedoelt dat we onze eigen plannen moeten opgeven. Weer een ander spreekt over het breken van onze eigen wil.

En soms krijgt de uitdrukking zelfs de betekenis dat iemand pas werkelijk geestelijk kan leven wanneer hij zichzelf voldoende heeft overgegeven.

Dat zijn nogal verschillende opvattingen.

Natuurlijk hoeft iemand die de woorden “sterven aan jezelf” gebruikt, daarmee geen verkeerde leer te bedoelen. Het is heel goed mogelijk dat hij eenvoudigweg wil oproepen tot nederigheid, gehoorzaamheid en zelfverloochening.

Maar een goede bedoeling rechtvaardigt niet automatisch een onduidelijke formulering.

Zeker niet wanneer de Schrift zelf zoveel nauwkeuriger spreekt.

Waarom zouden we zeggen dat iemand aan zichzelf moet sterven, terwijl Paulus zegt dat hij met Christus gestorven is?

Waarom zouden we spreken over het laten sterven van het eigen ik, als de Bijbel ons oproept om de zondige levenswandel af te leggen?

Waarom zouden we allerlei begrippen op één hoop vegen, terwijl Gods Woord ze juist van elkaar onderscheidt?

Bijbels onderwijs vraagt niet alleen om goede bedoelingen, maar ook om goed taalgebruik.

 

Het gevaar van een verschoven uitgangspunt

Hier ligt uiteindelijk het belangrijkste leerstellige bezwaar.

De uitdrukking “sterven aan jezelf” kan het uitgangspunt van het christelijke leven ongemerkt verschuiven.

Van wat Christus heeft volbracht naar wat de gelovige nog moet volbrengen.

Van onze positie in Christus naar onze eigen geestelijke prestaties.

Van het geloof in Gods beloften naar de voortdurende beoordeling van onszelf.

De Bijbel leert ons echter niet dat wij door voldoende aan onszelf te sterven uiteindelijk deel krijgen aan het leven van Christus.

Hij leert dat wij in Christus gestorven zijn en met Hem leven, en dat wij daarom geroepen worden overeenkomstig dat nieuwe leven te wandelen.

Dat is géén vrijbrief voor de zonde.

Het is juist de basis voor een leven dat God behaagt.

Daarom is de volgorde zo belangrijk.

Niet eerst onze inspanning en vervolgens het leven in Christus, maar eerst het leven in Christus en van daaruit onze dagelijkse wandel.

 

Terug naar de woorden en het taalgebruik van de Schrift

Het gaat er niet om dat we voortaan iedere uitdrukking die niet letterlijk in de Bijbel staat, zouden moeten afwijzen.

Maar als een bepaalde formulering onduidelijk is, verschillende Bijbelse begrippen door elkaar haalt en bovendien aanleiding kan geven tot een verkeerd begrip van het christelijke leven, waarom zouden we hem dan blijven gebruiken?

We hebben toch de woorden van de Bijbel zelf.

We kunnen spreken over het afleggen van de oude levenswandel.

Over het aandoen van de nieuwe mens.

Over het niet laten heersen van de zonde.

Over het doden van zondige praktijken door de Geest.

Over zelfverloochening en gehoorzaamheid.

En boven allles over onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Here Jezus Christus.

Dat zijn geen vrijblijvende woorden. Ze hebben ieder hun eigen betekenis.

Daarom is mijn bezwaar tegen “sterven aan jezelf” niet dat deze uitdrukking te veel nadruk zou leggen op de verantwoordelijkheid van de gelovige.

Mijn bezwaar is dat deze die verantwoordelijkheid niet nauwkeurig beschrijft en makkelijk verwarring veroorzaakt over wat Christus reeds heeft volbracht.

De gelovige hoeft niet alsnog te sterven om ‘in Christus’ te kunnen leven.

Hij is met Christus gestorven. Hij is met Hem opgewekt. En dáárom wordt hij opgeroepen om ‘in nieuwigheid des levens’ te wandelen.

Dat is niet minder serieus dan de oproep om “aan jezelf te sterven”.

Het is veel rijker.

Want het richt onze blik niet allereerst op onszelf, maar op Hem in Wie ons leven verborgen is.

Edit: dit gedeelte is ook ondubbelzinnig duidelijk:

Romeinen 6 (STV)

11 Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere. 12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. 13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.

De vraag is dan ook niet hoeveel van onszelf wij nog moeten laten sterven, maar of wij werkelijk leven vanuit hetgeen God ons in Christus reeds geschonken heeft.

En misschien moeten we ons bij al die vertrouwde christelijke uitdrukkingen wat vaker afvragen:

Zeggen we eigenlijk nog wat de Bijbel zegt? Of zijn we zo gewend geraakt aan ons eigen godsdienstige taalgebruik dat we het verschil niet eens meer opmerken?

lees ook:

Staat en toestand van de gelovige – Bijbelse basis

Demonen en bevrijdingsbediening: wat zegt de Bijbel?

Waarom zoveel aandacht voor de duivel, terwijl Christus de overwinning al heeft behaald?

Het valt me steeds weer op. In  evangelische en vooral pinkster- en charismatische kringen wordt regelmatig gesproken over demonen, demonische activiteiten, geestelijke gebondenheid en bevrijdingsbediening. Soms lijkt het alsof achter vrijwel ieder probleem een demonische macht schuilgaat die eerst moet worden aangepakt voordat een christen echt vrij kan leven.

Demonen en bevrijding wat zegt de Bijbel
Demonen en bevrijding wat zegt de Bijbel?

 

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Ziekte? Misschien een demon. Angst? Een demonische gebondenheid. Problemen in het gezin? Mogelijk een generatievloek. Tegenslag in het leven? Een aanval van de vijand.

En voor je het weet, draait een belangrijk deel van het geloofsleven om het herkennen, bestrijden, binden en uitdrijven van demonische machten.

Maar is dat eigenlijk wel Bijbels?

In andere kringen, waaronder de klassieke Maranatha- en vergaderingstraditie, hoor je doorgaans veel minder over dit soort zaken. Daar ligt de nadruk veel meer op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus, de positie van de gelovige in Hem en de verwachting van Zijn wederkomst.

Dat verschil is niet maar een kwestie van smaak of kerkelijke cultuur. Er ligt een belangrijk leerstellig onderscheid aan ten grondslag.

Wat zeggen de Evangeliën zoal over demonen? Waarom komen we in Handelingen nog demonuitdrijvingen tegen? En waarom vinden we in de brieven aan de Gemeente geen opdracht tot een afzonderlijke bevrijdingsbediening?

Laten we de Bijbel zelf laten spreken.

Demonen uitdrijven in de Evangeliën: waarom deed Jezus dat?

Iemand die de Bijbel serieus neemt, zal het bestaan van satan en demonische machten niet ontkennen. De Evangeliën spreken er duidelijk over.

De Here Jezus dreef demonen uit, bevrijdde mensen van onreine geesten en demonstreerde daarmee Zijn macht over het rijk van de duisternis.

De vraag die ik wil stellen is:

waarom deed Hij dat?

Was Zijn bedoeling dan om een voorbeeld te geven van een bevrijdingsbediening die iedere christelijke gemeente vervolgens zou moeten invullen?

Of hadden deze wonderen een bijzondere betekenis binnen Zijn bediening als de beloofde Messias van Israël?

In Mattheüs 10 zendt de Here Jezus Zijn twaalf discipelen uit. Zij krijgen onder meer de opdracht zieken te genezen en demonen uit te drijven.

Maar let op de woorden die daaraan voorafgaan.

Mattheüs 10:5-6:

“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen; Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (STV)

Dat is duidelijk.

De discipelen worden op dat moment niet naar alle volken gezonden, maar uitdrukkelijk naar Israël.

En wat moeten zij verkondigen?

Mattheüs 10:7:

“En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” (STV)

Dat is de context.

De Messias was gekomen. Het beloofde Koninkrijk werd aangekondigd. En de wonderen die Christus en Zijn discipelen verrichtten, getuigden van de macht en autoriteit van de Koning.

Dat blijkt ook uit Mattheüs 12:28:

“Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.” (STV)

Het uitdrijven van demonen stond dus rechtstreeks in verband met de openbaring van de Messias en de aankondiging van het Koninkrijk.

De wonderen waren niet bedoeld om de aandacht op demonen te vestigen, maar op Christus!

Dat is een onderscheid dat we goed moeten bewaren.

 

De macht van Christus, niet de macht van de duivel

De geschiedenis van de bezetene in Markus 5.

Deze man verkeerde in een verschrikkelijke toestand. Hij leefde tussen de graven, kon niet gebonden worden en werd door demonische machten beheerst.

Maar zodra de Here Jezus verschijnt, blijkt Wie werkelijk het gezag heeft.

De demonen kunnen niets beginnen zonder Zijn toestemming.

Wat leert dit verhaal ons?

Dat wij ons uitgebreid moeten verdiepen in demonische hiërarchieën, hun namen en hun werkwijzen?

Nee.

De geschiedenis toont de absolute macht van de Zoon van God.

En dat is exact waar sommige moderne bevrijdingsbedieningen de aandacht van afleiden. Er wordt soms eindeloos gesproken over de activiteiten van satan, alsof christenen voortdurend moeten ontdekken welke demon achter welk probleem zit.

Maar de Bijbel brengt geen Evangelie van demonische dreiging.

De Bijbel verkondigt Jezus Christus, Die macht heeft over alle overheden en machten.

 

Handelingen is niet alleen geschiedenis, maar ook een overgangsboek

Hier komen we bij een bijzonder belangrijk punt dat in veel charismatische Schriftuitleg onvoldoende of zelfs geen aandacht krijgt.

Het boek Handelingen is niet alleen een verslag van gebeurtenissen uit de begintijd van het christendom.

Het is ook een overgangsboek in de heilsgeschiedenis.

We zien de overgang van de bediening aan Israël naar de wereldwijde verkondiging van het Evangelie en de ontwikkeling van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

Aanvankelijk ligt de nadruk op Jeruzalem en Israël. Petrus neemt een vooraanstaande plaats in. Later bereikt het Evangelie Samaria en de heidenen. Vervolgens komt de bediening van Paulus steeds nadrukkelijker naar voren.

De Gemeente ontstaat op de Pinksterdag, maar het onderwijs over haar bijzondere hemelse positie en roeping wordt vooral in de apostolische brieven ontvouwd.

Dat onderscheid is zeer belangrijk.

Inderdaad, ook in Handelingen worden demonen uitgedreven.

In Handelingen 8 lezen we dat onreine geesten mensen verlaten tijdens de bediening van Filippus.

In Handelingen 16 drijft Paulus een waarzeggende geest uit een dienstmaagd.

En in Handelingen 19 lezen we over buitengewone wonderen door de handen van Paulus.

Dus nee, het uitdrijven van demonen hield niet meteen op na de hemelvaart van Christus.

Maar daarmee is niet aangetoond dat iedere christelijke gemeente een bevrijdingsbediening hoort te hebben.

Een gebeurtenis die de Schrift beschrijft, is daarmee niet meteen een opdracht die de Schrift voorschrijft.

Dat onderscheid wordt nogal eens vergeten.

 

Beschrijving is geen voorschrift

In Handelingen 19:11 lezen we:

“En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;” (STV)

Let op dat woord: ongewone.

Het gaat hier om bijzondere gebeurtenissen tijdens de apostolische bediening.

Zelfs zweetdoeken en gordeldoeken die met Paulus in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht, waarna ziekten en boze geesten weken.

Maar wie zou op grond daarvan durven beweren dat iedere gemeente vandaag een bediening met zweetdoeken moet organiseren?

Toch wordt met andere gebeurtenissen uit Handelingen wel zo geredeneerd.

Men leest dat iets gebeurde en concludeert dan dat het dus ook vandaag moet gebeuren.

Maar zo werkt het niet.

We moeten vragen aan wie iets werd gezegd, in welke omstandigheden het plaatsvond, welk doel het diende en of het later als blijvende opdracht aan de Gemeente wordt onderwezen.

Anders maken we van het boek Handelingen een handboek met voorbeelden waaruit iedereen naar believen een eigen bediening kan samenstellen.

En dan is de stap naar allerlei exotische praktijken niet groot meer.

 

Wat leren de brieven aan de Gemeente over demonen?

Nu komen we bij wat mij betreft het meest overtuigende gedeelte van dit onderwerp.

Wanneer Paulus schrijft aan de Gemeente, bespreekt hij uitvoerig het christelijke leven.

Hij heeft het over rechtvaardiging, heiliging, het vlees, de nieuwe mens, het wandelen door de Geest, de geestelijke strijd, het gebed en de volwassenheid van de gelovige.

Hij waarschuwt ook uitdrukkelijk voor de satan.

Maar waar vinden we in zijn brieven de opdracht om demonen uit wedergeboren gelovigen te drijven?

Waar onderwijst hij dat christenen ‘generatievloeken’ moeten verbreken?

Waar vinden we instructies om ‘territoriale geesten’ te binden?

Waar lezen we dat geestelijke volwassenheid afhankelijk is van een ‘bijzondere bevrijdingsbediening’?

Nergens.

En dat is opmerkelijk, temeer omdat Paulus zoveel aandacht besteedt aan de geestelijke wandel van de gelovige.

Uiteraard moeten we voorzichtig zijn met argumenten die uitsluitend gebaseerd zijn op wat ergens niet staat.

Maar hier gaat het om meer dan zwijgen.

De apostel geeft namelijk wél uitvoerig onderwijs over hoe de gelovige tegenover de duivel en zijn listen hoort te staan.

En dat onderwijs ziet er anders uit dan wat in bepaalde bevrijdingsbedieningen wordt gepraktiseerd.

 

 

Efeze 6: de geestelijke strijd is reëel, maar hoe voeren we die?

Efeze 6 wordt vaak terecht aangehaald wanneer het gaat over geestelijke strijd.

Paulus schrijft in Efeze 6:12:

“Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.” (STV)

Daar valt niets op af te dingen.

De geestelijke strijd is reëel.

Maar kijk eens aandachtig naar wat Paulus vervolgens schrijft.

Hij spreekt over de gehele wapenrusting Gods.

Waaruit bestaat die?

Uit waarheid, gerechtigheid, de bereidheid van het Evangelie des vredes, geloof, zaligheid, het Woord van God en gebed.

En waartoe dient deze wapenrusting?

Om staande te blijven tegenover de listen van de duivel.

Niet om voortdurend demonen op te sporen en te identificeren.

Niet om met demonische machten in gesprek dan wel in gevecht te gaan.

Niet om allerlei geestelijke gebieden te veroveren.

En evenmin om elke tegenslag in het leven als een demonische aanval te bestempelen.

Paulus leert ons niet hoe wij demonen moeten bevelen, maar hoe wij in de waarheid van God moeten standhouden.

Dat is een wezenlijk verschil.

En misschien mogen we ons ook wel afvragen waarom sommige predikers zoveel aandacht besteden aan manieren van geestelijke oorlogsvoering die Paulus helemaal niet onderwijst.

 

De gelovige is al verlost uit de macht van de duisternis

Hier ligt een sterke bemoediging.

Kolossenzen 1:13 zegt:

“Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde;” (STV)

Let eens op de werkwoordsvormen.

God heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis.

Hij heeft ons overgezet in het Koninkrijk van Zijn geliefde Zoon.

Dat is geen toekomstige mogelijkheid. Het is een volbracht feit.

En in Kolossenzen 2:10 lezen we:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (STV)

Wat een geweldige waarheid!

De gelovige is in Christus tot volheid gebracht.

Niet omdat hij inmiddels alle mogelijke demonen heeft laten uitdrijven.

Niet omdat iemand alle zogenaamde generatievloeken over zijn leven heeft verbroken.

Maar omdat hij in Christus is.

Dat betekent niet dat een gelovige nooit meer verzocht, misleid of aangevallen kan worden. De Schrift leert duidelijk het tegendeel.

Maar beïnvloeding en verzoeking zijn iets anders dan demonische bezetenheid.

De gedachte dat een wedergeboren gelovige door demonen bewoond wordt en daarom een bijzondere uitdrijving nodig heeft, kan niet uit Bijbels onderwijs worden afgeleid.

Wie dat toch leert, zal daarvoor een duidelijke Bijbelse basis moeten geven.

Een indrukwekkend getuigenis is daarvoor niet genoeg.

Een bijzondere ervaring ook niet.

 

De werken van het vlees; niet iedere zonde is een demon

Nog een belangrijk punt.

In sommige charismatische kringen wordt gemakkelijk gesproken over ‘een geest van angst’, ‘een geest van jaloezie’,’een geest van boosheid’, ‘een geest van verslaving’ of ‘een geest van onreinheid’.

Maar wat zegt Paulus?

In Galaten 5 spreekt hij over de werken van het vlees.

Daaronder vallen onder meer vijandschappen, twist, nijdigheid, toorn en dronkenschappen.

Hij noemt deze dingen niet demonische gebondenheden.

Hij noemt ze werken van het vlees.

En wat is zijn antwoord?

Galaten 5:16:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (STV)

 

Wandel door de Geest

De gelovige wordt opgeroepen te leven vanuit zijn nieuwe positie in Christus.

Dat vraagt geloof, kennis van Gods Woord en een wandel in afhankelijkheid van de Heilige Geest.

Wie iedere zondige neiging aan een demon toeschrijft, loopt het gevaar de verantwoordelijkheid van de gelovige zelf weg te nemen.

En wie iedere ziekte, angststoornis of psychische klacht demonisch verklaart, kan mensen bovendien ernstig beschadigen.

Laten we daar a.u.b voorzichtig mee zijn!

Een mens die lijdt, heeft geen behoefte aan ongefundeerde beschuldigingen over ‘verborgen demonische machten’.

Hij heeft behoefte aan waarheid, liefde, zorg en waar nodig deskundige hulp.

En bovenal mag hij gewezen worden op de Genade en trouw van God.

 

Generatievloeken en bevrijdingsgebeden: waar staat dat dan?

Een andere terugkerende gedachte is dat christenen gebonden kunnen blijven door zonden van hun voorouders.

Daarom zouden generatievloeken verbroken moeten worden door speciale gebeden of bevrijdingsrituelen.

Maar waar vinden we die opdracht in de brieven aan de Gemeente?

Paulus schrijft in Galaten 3:13:

“Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.” (STV)

Dit vers spreekt specifiek over de vloek van de Wet. We moeten het dus niet zomaar gebruiken om iedere mogelijke vorm van erfelijke belasting of de gevolgen van vroegere zonden weg te redeneren.

Maar het onderstreept wel dat onze verlossing rust op het volbrachte werk van Christus.

De apostelen leren nergens dat wedergeboren gelovigen eerst een inventarisatie van hun familiegeschiedenis moeten maken om verborgen geestelijke vloeken te ontdekken.

Toch wordt dat in sommige bedieningen voorgesteld als een noodzakelijke stap naar geestelijke vrijheid.

Waar zegt de Bijbel dat?

Een beroep op oudtestamentische teksten over de gevolgen van zonden in opeenvolgende generaties is nog geen bewijs dat de Gemeente een dergelijke bevrijdingspraktijk moet kennen.

Daarvoor is meer nodig dan een verzameling los aangehaalde Bijbelteksten.

Een leer wordt niet Bijbels doordat men er (veel) Bijbelteksten bij noemt, dat is dan pas het geval als die teksten, gelezen in hun verband, werkelijk leren wat men beweert.

 

De duivel krijgt soms meer aandacht dan Christus

Dit vind ik misschien wel het meest verontrustende gevolg van een overdreven nadruk op demonische activiteiten.

Een gelovige kan zo voortdurend bezig raken met wat satan mogelijk doet, dat hij nauwelijks nog toekomt aan de rijkdom van wat Christus heeft gedaan.

Er ontstaat een geloofsleven waarin men steeds opnieuw bevrijding zoekt.

Steeds opnieuw moeten gebondenheden worden verbroken.

Steeds opnieuw moeten geestelijke aanvallen worden afgeslagen.

Steeds opnieuw is er een nieuwe doorbraak nodig.

 

Maar wanneer is het dan genoeg?

Wanneer mag de gelovige eenvoudig rusten in het volbrachte werk van zijn Heiland?

Paulus schrijft in Kolossenzen 2:15:

“En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door Hetzelve over hen getriomfeerd.” (STV)

Wie heeft overwonnen?

Christus!

Niet de bevrijdingsprediker.

Niet degene die de indrukwekkendste gebeden uitspreekt.

Niet degene die het hardst tegen demonen schreeuwt.

Christus heeft overwonnen.

En de gelovige mag weten dat hij verbonden is met deze overwinnende Heiland.

Dat is geen reden voor geestelijke laksheid Het is juist de grond voor een leven in geloof, waakzaamheid en dankbaarheid.

 

Waarom begint Paulus niet met geestelijke oorlogsvoering?

Lees de brief aan de Efeziërs eens in zijn geheel.

Paulus begint niet met satan.

Hij begint met Gods zegeningen in Christus.

Hij schrijft over onze uitverkiezing in Hem, onze verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de misdaden en onze verzegeling met de Heilige Geest.

Vervolgens spreekt hij over onze levendmaking met Christus en onze hemelse positie in Hem.

Daarna volgt zijn onderwijs over de praktische wandel van de gelovige.

En pas tegen het einde van de brief komt de geestelijke wapenrusting ter sprake.

Dát is de volgorde van het apostolische onderwijs.

Eerst wat God in Christus voor ons heeft gedaan.

Dan wie wij in Christus zijn.

Vervolgens hoe wij behoren te wandelen. En binnen die wandel leren wij ook standhouden tegenover de listen van de duivel.

Wanneer een prediking deze volgorde omkeert en voortdurend begint bij de dreiging van satan, raakt de Bijbelse verhouding gemakkelijk zoek.

Dan wordt de gelovige niet opgebouwd in de kennis van Christus, maar mogelijk afhankelijk gemaakt van mensen die beweren bijzondere kennis te hebben van de demonische wereld.

En daar moeten we bijzonder kritisch op zijn.

 

 

Geestelijke volwassenheid, niet afhankelijkheid van bevrijdingsspecialisten

In Efeze 4 lezen we dat Christus gaven aan Zijn Gemeente heeft gegeven met het oog op de opbouw van het Lichaam.

Het doel daarvan is dat gelovigen opgroeien tot geestelijke volwassenheid.

Efeze 4:14:

“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;” (STV)

Dat is een ernstige waarschuwing.

De bedoeling van Bijbels onderwijs is met name niet dat gelovigen steeds afhankelijker worden van bijzondere bedieningen en geestelijke specialisten.

Het doel is dat zij groeien in de kennis van Christus en leren onderscheiden wat waarheid en dwaling is.

En dat geldt ook voor het onderwijs over demonen en bevrijding.

Wanneer een christen voortdurend te horen krijgt dat hij mogelijk nog gebonden is, dat er verborgen vloeken over zijn leven liggen of dat hij zonder een bijzondere bevrijdingsbediening niet werkelijk vrij kan worden, dan mag hij vragen:

Waar leert de Schrift dat?

En als die vraag niet vanuit het Bijbelse onderwijs beantwoord kan worden, waarom zou hij zich dan aan zulke beweringen onderwerpen?

De Gemeente heeft geen nieuwe openbaringen nodig over vermeende demonische structuren, maar heeft behoefte aan gezond onderwijs uit het Woord van God.

 

Een woord van bemoediging voor wie bang is geworden

Misschien heb je zelf wel onderwijs gehad waardoor je voortdurend bang bent geworden voor demonische machten.

Misschien is je verteld dat bepaalde problemen in je leven wijzen op geestelijke gebondenheid.

Of dat je nog niet echt vrij bent zolang iemand niet voor je heeft gebeden om bepaalde vloeken te verbreken.

Dan wil ik je graag wijzen op de woorden van Romeinen 8:38-39:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)

Wat een geweldige zekerheid!

Paulus ontkent het bestaan van geestelijke machten niet.

Maar hij verkondigt dat geen enkele geschapen macht de gelovige kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus.

Dáár ligt onze zekerheid.

Niet in de kracht van onze gebeden.

Niet in de kennis van een bevrijdingsprediker.

Niet in het aantal geestelijke aanvallen dat wij menen te hebben afgeslagen.

Maar in Christus. In Hem alleen.

En daarom hoeven we niet steeds angstig rond te kijken naar wat de duivel mogelijk doet.

We mogen onze aandacht richten op Hem Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

Laat er geen misverstand over bestaan.

Satan bestaat. Demonische machten bestaan. De geestelijke strijd is reëel.

Maar dat betekent niet dat iedere hedendaagse leer over demonische gebondenheid, generatievloeken of bevrijdingsbediening daarmee ook Bijbels is.

De Evangeliën tonen ons de macht van de Messias, Die het Koninkrijk aan Israël aankondigde.

Handelingen beschrijft de bijzondere overgangsperiode waarin het Evangelie vanuit Jeruzalem zijn weg vond naar de volken en waarin de apostolische bediening met tekenen en wonderen gepaard ging.

De brieven aan de Gemeente geven ons vervolgens het leerstellige onderwijs over onze positie, roeping en wandel in Christus.

En daarin vinden we geen opdracht om een afzonderlijke bevrijdingsbediening op te bouwen waarin wedergeboren gelovigen voortdurend van demonen moeten worden verlost.

We vinden er wel de opdracht om te wandelen door de Geest, het Woord der waarheid vast te houden, de duivel te weerstaan en de gehele wapenrusting Gods aan te doen.

Daarom moeten we niet alles geloven wat onder de noemer van geestelijke strijd wordt aangeboden.

Ook niet wanneer het indrukwekkend klinkt.

Ook niet wanneer er bijzondere getuigenissen bij worden verteld.

En ook niet wanneer iemand beweert dat hij door een speciale zalving of openbaring inzicht heeft gekregen in de demonische wereld.

 

De vraag blijft:

Wat zegt de Bijbel?

Want een christen wordt niet geestelijk volwassen door steeds meer over demonen te weten te komen.

Hij groeit door de kennis van de Here Jezus Christus.

En uiteindelijk gaat het daarom.

Niet om de duivel groot te maken, maar om Christus te verheerlijken.

Niet om mensen angst aan te jagen, maar om hen te bepalen bij de zekerheid van Gods beloften.

Niet om nieuwe afhankelijkheden te scheppen, maar om gelovigen op te bouwen in het geloof.

Kolossenzen 3:1-2 zegt:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” (STV)

Daar hoort onze aandacht te liggen.

Niet bij een voortdurende zoektocht naar demonische machten, maar bij onze opgestane en verheerlijkte Heiland.

Want niet de duivel heeft het laatste woord.

Christus heeft overwonnen.

En in Hem is de gelovige geborgen.

 

Toets daarom de leer aan het Woord van God. Niet de ervaring, niet de traditie en niet het gezag van een prediker bepalen wat waar is. De Bijbel is de maatstaf.

 

Geverifieerd door MonsterInsights