Wanneer het volmaakte gekomen is

Profetie en tongentaal zijn niet het bewijs van geestelijke volwassenheid

1 Korinthe 13 leert niet dat profetie en tongentaal het hoogtepunt van geestelijk leven vormen. Paulus noemt deze gaven tijdelijk en gedeeltelijk. De liefde blijft, maar profetieën worden tenietgedaan en talen zullen ophouden.

In charismatische kringen worden tongentaal, profetische woorden en bovennatuurlijke kennis vaak gepresenteerd als kenmerken van een krachtige, volwassen en Geestvervulde gemeente. Wie niet in tongen spreekt, geen persoonlijke profetieën ontvangt en geen bovennatuurlijke indrukken doorgeeft, zou geestelijk iets missen.

Maar wie 1 Korinthe 13 zorgvuldig leest, ontdekt precies het tegenovergestelde.

Paulus presenteert profetie, talen en bijzondere kennis niet als het einddoel van geestelijke groei. Hij noemt ze tijdelijk, gedeeltelijk en voorbijgaand. Niet de spectaculaire gave blijft bestaan, maar de liefde.

“De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen tenietgedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:8, STV)

Dat is geen aanbeveling om de gemeente voortdurend afhankelijk te maken van nieuwe profetieën. Het is een aankondiging dat deze gaven hun tijdelijke functie zullen verliezen.

 

Het volmaakte in 1 Korinthe 13
Het volmaakte in 1 Korinthe 13

De liefde blijft, de gaven verdwijnen

De tegenstelling in dit gedeelte is glashelder. De liefde vergaat nimmermeer, maar profetieën worden tenietgedaan, talen houden op en kennis wordt tenietgedaan.

Paulus verdeelt de genoemde zaken daarmee in twee categorieën.

Aan de ene kant staat de liefde. Zij behoort tot het blijvende leven uit God. Aan de andere kant staan profetieën, talen en bijzondere kennis. Zij waren nuttig en door God gegeven, maar hadden een tijdelijke en dienende functie.

Toch heeft een groot deel van de charismatische beweging de nadruk precies omgekeerd. De aandacht verschuift van de liefde van Christus naar de vermeende geestelijke beleving van de mens. Het draait om wat iemand voelde, hoorde, zag, droomde of innerlijk meende te ontvangen.

Daarmee wordt het tijdelijke verheven boven het blijvende.

De vraag is niet langer of Christus wordt verheerlijkt, of de Schrift recht wordt uitgelegd en of gelovigen wandelen in liefde. De vraag wordt of er “iets gebeurt”, of iemand “een woord heeft” en of de samenkomst als bovennatuurlijk wordt ervaren.

Maar geestelijke sensatie is geen bewijs van geestelijke volwassenheid.

 

De Korinthiërs waren begaafd, maar onvolwassen

De gemeente in Korinthe ontbrak het niet aan geestelijke gaven. Toch beschreef Paulus deze gelovigen als vleselijk en als kinderen in Christus. Er waren partijschappen, hoogmoed, wanorde, zedelijke misstanden en onderlinge rechtszaken.

Dat gegeven alleen al ontmaskert de populaire gedachte dat het functioneren van spectaculaire gaven bewijst dat een gemeente geestelijk volwassen is.

Korinthe had gaven in overvloed, maar een schrijnend gebrek aan volwassenheid.

Daarom staat 1 Korinthe 13 niet toevallig tussen de hoofdstukken over geestelijke gaven. Paulus onderbreekt zijn onderwijs niet om een romantisch gedicht over liefde te schrijven. Hij legt de bijl aan de wortel van hun geestelijke hoogmoed.

Zonder liefde waren hun indrukwekkende uitingen niets.

Een mens kan in talen spreken, profeteren, verborgenheden weten en over grote kennis beschikken, maar zonder liefde blijft hij geestelijk leeg. De gave maakt hem niet groot. De liefde van Christus moet zichtbaar worden in zijn wandel.

Wij kennen en profeteren ten dele

Paulus vervolgt:

“Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele; doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten dele is, tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:9-10, STV)

Profetie en kennis worden hier nadrukkelijk als gedeeltelijk beschreven. Zij gaven geen zelfstandige, volledige en definitieve openbaring van Gods waarheid. Zij brachten delen over binnen een periode waarin de apostolische openbaring nog niet voltooid was.

Dat is van groot belang.

De vroege gemeente beschikte nog niet over het volledige Nieuwe Testament zoals wij dat kennen. De apostelen leefden nog. De apostolische leer werd mondeling verkondigd, door bijzondere tekenen bevestigd en vervolgens schriftelijk vastgelegd.

De bijzondere openbaringsgaven hadden binnen die situatie een duidelijke functie. Maar een tijdelijke functie moet niet kunstmatig tot een blijvende kerkelijke structuur worden gemaakt.

Wat gedeeltelijk is, wijst vooruit naar wat volledig is.

Wat een fundament legt, wordt niet in iedere generatie opnieuw gelegd.

En wat God eenmaal gezaghebbend heeft geopenbaard, hoeft niet voortdurend te worden aangevuld door mensen die zeggen: “God vertelde mij…”

Wat is “het volmaakte”?

Over de precieze betekenis van “het volmaakte” bestaan verschillende uitleggingen. Sommigen denken uitsluitend aan de voltooiing van de Schrift. Anderen betrekken het op de uiteindelijke verheerlijking van de gelovige bij Christus.

Het gebruikte woord draagt de betekenis van voltooid, volgroeid of tot zijn bestemming gekomen. Paulus werkt dat uit met het beeld van een kind dat volwassen wordt:

“Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik tenietgedaan hetgeen eens kinds was.” (1 Korinthe 13:11, STV)

Het contrast is dat tussen het kinderlijke en het volwassen geworden leven. Het gedeeltelijke behoort bij een onvoltooide toestand. Het volmaakte of volgroeide maakt het gedeeltelijke overbodig.

De uiteindelijke vervulling ligt zonder twijfel in de volkomen toestand bij Christus:

“Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.” (1 Korinthe 13:12, STV)

Toch betekent dit niet dat iedere bijzondere gave noodzakelijk tot dat uiterste moment moet blijven functioneren. Paulus zegt dat het gedeeltelijke zal verdwijnen wanneer het zijn functie heeft vervuld. Wanneer en hoe dat historisch gebeurt, moet uit het bredere onderwijs van het Nieuwe Testament worden afgeleid.

Eén ding staat echter vast: dit gedeelte biedt geen enkele grond om profetie en tongentaal tot blijvende kenmerken van een volwassen gemeente te verklaren.

Het leert juist dat zij tot het gedeeltelijke en tijdelijke behoren.

Bovendien houdt de apostel Paulus gelovigen in Christus het volgende voor:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (Kollossenzen 2:10, STV)

Let op dat er niet staat dat dat in de toekomst pas zo zal zijn!

De Schrift is geen aanzet tot voortdurende aanvulling

Hier ligt het fundamentele probleem van de hedendaagse profetische beweging. Men belijdt vaak formeel dat de Bijbel het Woord van God is, maar voegt in de praktijk voortdurend nieuwe boodschappen toe.

Men noemt die boodschappen misschien niet gelijkwaardig aan de Schrift. Men zegt dat zij “getoetst” moeten worden. Maar ondertussen worden zij wel ingeleid met uitspraken als:

“God zegt tegen jou…”

“De Heer liet mij zien…”

“Ik hoorde in mijn geest…”

“Dit is een profetisch woord voor deze tijd…”

Dat taalgebruik claimt Goddelijk gezag. Wie beweert dat God gesproken heeft, doet meer dan een menselijke gedachte of bemoediging delen. Hij legt zijn woorden feitelijk in de mond van God.

Daar helpt een vrome disclaimer achteraf niet tegen.

Wanneer zo’n profetie niet uitkomt, vaag blijft of aantoonbaar verkeerd blijkt te zijn, wordt zelden geconcludeerd dat de spreker ten onrechte namens God heeft gesproken. Men zegt dan dat de ontvanger het verkeerd begreep, dat de omstandigheden veranderden of dat de profetie “voorwaardelijk” was.

Zo wordt de profeet beschermd en de hoorder belast.

Dat is niet nederig. Dat is geestelijke manipulatie.

Moderne profetie is meestal oncontroleerbaar

Bijbelse profetie was geen verzameling voorzichtige indrukken die achteraf alle kanten op konden worden uitgelegd. Wanneer God sprak, sprak Hij waarheid.

De moderne profetische praktijk bestaat daarentegen vaak uit algemeenheden:

“Er komt een nieuw seizoen.”

“God gaat deuren openen.”

“Je hebt een roeping op je leven.”

“Er komt herstel.”

“God heeft meer voor je.”

Dergelijke uitspraken klinken geestelijk, maar zijn meestal zo vaag dat zij nauwelijks getoetst kunnen worden. Ze kunnen op bijna iedereen worden toegepast. Wanneer er iets positiefs gebeurt, wordt dat als vervulling gezien. Wanneer er niets gebeurt, wordt de boodschap vergeten.

Dit is geen Bijbelse profetie. Het is religieus verpakte suggestie.

Het gevaar wordt groter wanneer zulke woorden beslissingen over relaties, gezondheid, werk, geld of gemeentekeuze gaan beïnvloeden. Dan wordt een menselijke indruk voorzien van Goddelijk gewicht.

Mensen durven niet meer vrij en verantwoordelijk te handelen, omdat iemand heeft gezegd dat “God een plan heeft laten zien”.

De vermeende profetie bindt dan het geweten waar de Schrift dat niet doet.

Tongentaal is geen keurmerk van de Heilige Geest

Hetzelfde geldt voor tongentaal. In sommige kringen wordt spreken in tongen voorgesteld als noodzakelijk bewijs van de doop of vervulling met de Heilige Geest.

Maar Paulus zegt niet dat alle gelovigen in talen spreken. Hij stelt juist retorische vragen waaruit blijkt dat niet iedereen dezelfde gave ontving. Bovendien zegt hij in 1 Korinthe 13 uitdrukkelijk dat talen zullen ophouden.

Een gave die niet aan iedere gelovige werd gegeven en waarvan de Schrift zegt dat zij zal ophouden, kan onmogelijk het universele bewijs zijn dat iemand de Heilige Geest heeft ontvangen.

De gelovige wordt niet door tongentaal verzegeld, maar door de Heilige Geest Zelf. Hij behoort niet tot Christus omdat hij een bepaalde ervaring heeft gehad, maar omdat hij het Evangelie heeft geloofd.

Wie tongentaal als geestelijk keurmerk gebruikt, schept twee groepen christenen: gewone gelovigen en zogenaamd Geestvervulde gelovigen.

Dat onderscheid kent de Schrift niet.

Het veroorzaakt geestelijke onzekerheid, imitatie en groepsdruk. Mensen proberen klanken voort te brengen omdat hun geleerd is dat zij zich moeten “openstellen”. Vervolgens wordt de aangeleerde uiting als bovennatuurlijke gave bevestigd.

Dat is geen werking van de Geest, maar psychologische beïnvloeding.

Liefde betekent niet dat dwaling ongemoeid moet blijven

Een veelgebruikt verweer luidt dat kritiek op charismatische praktijken liefdeloos zou zijn. Maar liefde betekent niet dat verkeerde leringen vriendelijk mogen blijven voortwoekeren.

Bijbelse liefde verheugt zich niet in ongerechtigheid, maar in de waarheid.

Een leer die gelovigen afhankelijk maakt van profeten, indrukken, ervaringen en bijzondere bedieningen moet worden weersproken. Niet omdat wij mensen willen beschadigen, maar omdat mensen beschermd moeten worden tegen geestelijke afhankelijkheid.

Juist liefde vraagt om duidelijkheid.

Het is niet liefdevol om iemand te laten geloven dat God hem persoonlijk iets heeft beloofd wanneer God dat niet in Zijn Woord heeft beloofd. Het is niet liefdevol om iemand met een ziekte jarenlang te laten wachten op een aangekondigde genezing. Het is niet liefdevol om twijfel aan een menselijke profetie gelijk te stellen aan ongeloof tegenover God.

Waar menselijke woorden Goddelijk gezag krijgen, moet de Schrift scherp worden geopend.

Geestelijke volwassenheid zoekt geen nieuwe stemmen

De volwassen gelovige leeft niet van steeds nieuwe openbaringen, maar groeit in de kennis van het reeds geopenbaarde Woord.

Hij vraagt niet voortdurend: “Heeft God vandaag nog iets nieuws tegen mij gezegd?”

Hij vraagt: “Wat heeft God in Zijn Woord gezegd, en wandel ik daarnaar?”

Dat is minder spectaculair. Het levert misschien geen indrukwekkende verhalen op. Maar het is veilig, nuchter en Bijbels.

De Heilige Geest leidt de gelovige niet weg van de Schrift naar een wereld van oncontroleerbare indrukken. Hij opent het verstand voor het Woord, verheerlijkt Christus en brengt de waarheid in herinnering.

Wie telkens nieuwe boodschappen nodig heeft, toont daarmee niet noodzakelijk geestelijke rijkdom. Het kan juist wijzen op ontevredenheid met wat God reeds heeft gegeven.

De Bijbel wordt dan de achtergrond, terwijl persoonlijke ervaring de feitelijke leiding overneemt.

Het tijdelijke mag en kan nooit de plaats van Christus innemen

Paulus eindigt niet met profetie, talen of bijzondere kennis. Hij eindigt met geloof, hoop en liefde:

“En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.” (1 Korinthe 13:13, STV)

Niet de profeet blijft. Niet de tongenspreker blijft. Niet de geestelijke sensatie blijft.

De liefde blijft.

Daarmee ontmaskert 1 Korinthe 13 een geloofsbeleving die haar identiteit zoekt in tekenen, manifestaties en ervaringen. De gemeente wordt niet volwassen door steeds meer bovennatuurlijke verschijnselen. Zij groeit door de kennis van Christus, door het Woord en door een wandel die overeenkomt met haar hemelse roeping.

 

Profetieën zullen tenietgedaan worden.

Talen zullen ophouden.

Gedeeltelijke kennis zal verdwijnen.

Maar de liefde van Christus vergaat nimmermeer.

Wie daarom het tijdelijke tot hoofdzaak maakt, mist de hoofdzaak. En wie voortdurend om nieuwe woorden vraagt, loopt het gevaar het geschreven Woord naar de achtergrond te schuiven.

De volwassen gemeente jaagt niet naar religieuze sensatie. Zij blijft bij de waarheid die God heeft geopenbaard en verheerlijkt Hem Die het levende Woord is: de Here Jezus Christus.

zie ook: Is ‘het volmaakte’ gekomen? – Bijbelse basis

De tien geboden als leefregel?

Waarom de wet geen ladder naar God is

Er zijn maar weinig onderwerpen waarbij christenen zo snel in een kramp schieten als bij de tien geboden. Zodra je zegt dat de gelovige niet onder de wet is, klinkt al gauw de verdenking:

dus jij wilt er maar op los leven?

Alsof er maar twee opties zijn: óf onder Mozes, óf morele chaos.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De Bijbel zet de gelovige niet terug onder Sinaï, maar brengt hem tot Christus. Niet tot de berg van donder, vuur en afstand, maar tot de Middelaar van het nieuwe verbond. Niet tot stenen tafelen als leefregel voor het vlees, maar tot een levende Heere Die door Zijn Woord en Geest werkt in het hart.

Paulus schrijft niet aarzelend, maar glashelder:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)

Daar staat niet:

gij zijt onder een sanctieloze uitgeklede light-versie van de wet.

Ook niet:

gij zijt onder de wet als dankbaarheidsregel.

Er staat: niet onder de wet, maar onder de genade.

Dat ene zinnetje is genoeg om heel wat religieuze vanzelfsprekendheden te laten wankelen.

leven onder de wet of uit genade
leven onder de wet of uit genade

 

De wet begint niet met een algemeen menselijk moraalprogramma

De tien geboden worden vaak losgemaakt uit hun bedding. Dan worden ze behandeld alsof God op Sinaï een universele gedragscode gaf voor alle mensen in alle tijden, en alsof de christen daar vandaag rechtstreeks onder staat.

Maar Exodus 20 begint niet met:

mensen, hier is Mijn algemene leefregel voor de wereld.

God zegt eerst:

“Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” Exodus 20:2 (STV)

Dat is geen losse aanhef. Dat is de historische en verbondsmatige context. De wet werd gegeven aan Israël, verlost uit Egypte, geplaatst onder het oude verbond. Sinaï is geen neutrale morele collegezaal. Sinaï is de berg waar God een verbond opricht met een volk dat zegt:

“Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.” Exodus 19:8 (STV)

Dat klinkt godsdienstig. Het klinkt gehoorzaam. Het klinkt alsof Israël de juiste houding heeft. Maar daar zit nu juist de tragiek. De mens belooft te doen wat hij niet kan volbrengen.

De wet eist alles. Niet ongeveer. Niet grotendeels. Niet met goede bedoelingen. Alles.

“Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.” Jakobus 2:10 (STV)

Daar is de scherpte van de wet. Zij is geen ladder met tien treden waarop je langzaam richting God klimt. Zij is een spiegel die laat zien dat de mens schuldig staat.

 

Sinaï was geen knus discipelschapstraject

Wie de komst van de wet in Exodus leest, ziet geen lieflijk tafereel.

Donder. Bliksem. Bazuingeschal. Een rokende berg. Een volk dat terugwijkt. Angst. Afstand.

Dat is niet toevallig. De omstandigheden passen bij de bediening die daar begint. De wet is heilig, rechtvaardig en goed, maar voor de zondige mens brengt zij geen leven voort. Zij legt bloot. Zij veroordeelt. Zij sluit de mond.

Paulus zegt:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” Romeinen 3:20 (STV)

Let goed op: door de wet komt kennis van zonde, niet verlossing van zonde. De wet kan aanwijzen, aanklagen en veroordelen. Maar zij kan de zondaar niet levend maken.

Wie de wet preekt als weg tot heiliging, moet zich afvragen of hij niet een juk oplegt dat zelfs Israël niet heeft kunnen dragen. Petrus zei tijdens de vergadering in Jeruzalem:

“Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?” Handelingen 15:10 (STV)

Dat is geen nietszeggend zinnetje. Dat is apostolisch verzet tegen het weer opleggen van het juk.

 

Christus is niet gekomen om ons terug te sturen naar Mozes

Het evangelie is niet: Christus vergeeft u, en Mozes maakt het daarna af.

Toch lijkt dat in veel prediking wel de praktische uitkomst. Eerst wordt genade gepreekt voor de vergeving. Daarna wordt de wet weer naar voren gehaald als het systeem waaronder de gelovige moet leren leven. Zo krijg je een vreemd mengsel: Christus voor de ingang, Mozes voor de dagelijkse praktijk.

Maar Paulus zegt:

“Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.” Romeinen 10:4 (STV)

Christus is niet een tussenstation onderweg naar een betere wetsbetrachting. Hij is het einde der wet tot rechtvaardigheid. Hij heeft de wet niet half vervuld om haar daarna als geestelijke gietmal over de Gemeente heen te leggen. Hij heeft haar volbracht.

En aan het kruis is niet alleen onze schuld behandeld, maar ook het handschrift dat tegen ons was.

“Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende.” Kolossenzen 2:14 (STV)

Dat is geen kleine aanpassing binnen het systeem. Dat is een radicale overgang. Het oude verbond wordt niet opgepoetst tot christelijke levensregel. De gelovige wordt gebracht onder het nieuwe verbond, onder Christus, onder genade.

 

Niet onder de wet betekent niet zonder Christus

Hier ontstaat vaak verwarring. Zodra je zegt dat de gelovige niet onder de wet is, hoort men:

dus er is geen heiliging, geen gehoorzaamheid, geen wandel, geen vrucht.

Maar dat zegt de Schrift nergens.

Paulus, die zo scherp zegt dat wij niet onder de wet zijn, zegt even scherp:

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” Romeinen 6:15 (STV)

Genade is geen vrijbrief voor het vlees. Genade is daarentegen Gods kracht om ons uit de heerschappij van zonde en wet te trekken en ons te verbinden aan Christus.

De gelovige leeft niet wetteloos. Hij leeft niet stuurloos. Hij leeft niet als los verkrijgbaar religieus onderdeel zonder Hoofd.

Hij leeft uit Christus.

De leefregel van de gelovige is niet de stenen tafel, maar de opgestane Heer. Niet de letter als bediening des doods, maar de Geest. Niet Sinaï buiten ons, maar Christus in ons en Gods Woord dat ons denken vernieuwt.

“Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” 2 Korinthe 3:6 (STV)

Dát is het grote verschil. De wet zegt: doe en leef. De genade zegt: leef, omdat Christus Zich voor u gegeven heeft.

 

De wet was een tuchtmeester tot Christus

De wet had een Goddelijke functie. Zij was niet fout. Zij was niet zondig. Zij was niet minderwaardig in zichzelf. Het probleem zit niet in Gods wet, maar in de mens die onder de wet staat.

De wet heeft de zonde aangewezen. Zij heeft de mond gestopt. Zij heeft de mens schuldig gesteld. Zij heeft zichtbaar gemaakt dat de mens niet alleen verbetering nodig heeft, maar verlossing.

Paulus schrijft:

“Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.” Galaten 3:24-25 (STV)

Dat laatste zinnetje wordt vaak praktisch genegeerd. De wet was tuchtmeester tot Christus. Maar als het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester.

Niet meer.

Niet toch nog een beetje.

Niet als opvoedkundig hulpmiddel voor gevorderde gelovigen.

Niet meer onder de tuchtmeester.

 

Het gevaar van christelijke wetstaal

Veel christelijke verwarring ontstaat doordat men genadetaal en wetstaal door elkaar mengt. Men zegt: wij zijn uit genade behouden.

Vervolgens zegt men: nu moeten wij uit dankbaarheid de wet houden.

Dat klinkt vroom, maar het schuurt met de apostolische boodschap Want zodra de wet weer de normgevende sfeer wordt waarin de gelovige moet staan, wordt genade praktisch uitgehold. Dan is Christus genoeg om binnen te komen, maar niet genoeg om in te wandelen.

Paulus noemt dat geen evenwicht. Hij noemt het gevaarlijk.

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” Galaten 5:1 (STV)

Dat is een bevel, maar niet een bevel om terug te keren naar Mozes. Het is een bevel om te blijven staan in de vrijheid van Christus.

De grootste bedreiging voor genade is niet altijd openlijke losbandigheid. Soms komt de bedreiging keurig aangekleed, met Bijbelteksten in de hand, met ernstige taal, met veel nadruk op gehoorzaamheid, orde en dankbaarheid. Maar onder de oppervlakte wordt de gelovige langzaam teruggeleid naar Sinaï.

En dat is geen volwassen christendom. Dat is geestelijke achteruitgang.

 

De tien geboden worden pas helder in Christus

Betekent dit dat de tien geboden waardeloos zijn? Absoluut niet. De hele Schrift is van God ingegeven. De wet openbaart Gods heiligheid, Gods recht, Gods orde en vooral: de noodzaak van Christus.

Maar de vraag is hoe wij de wet lezen.

Lezen wij haar als contract waaronder wij staan? Dan komen wij onder vloek en oordeel.

Lezen wij haar als getuigenis dat heenwijst naar Christus? Dan zien wij haar glans.

De sabbat wijst naar rust. Niet naar religieuze zaterdagkramp of zondags wetticisme, maar naar rust in het volbrachte werk van God.

Het verbod op beelden wijst niet alleen tegen afgodsbeelden van hout en steen, maar ook tegen zelfgemaakte godsbeelden: een God naar onze smaak, onze traditie, onze kerkelijke vorm, onze vrome verbeelding.

Het verbod op het ijdel gebruiken van Gods Naam gaat dieper dan vloeken. Het raakt elke vorm van religie waarin Gods Naam wordt gebruikt zonder geloof, zonder kennis van Christus, zonder werkelijkheid.

Het gebod tegen begeren legt de wortel bloot. Zonde begint niet pas in de daad, maar in het hart.

Zo wordt de wet niet kleiner, maar dieper. Alleen: zij wordt niet onze reddingsladder. Zij wordt een getuige. Een spiegel. Een schaduw. Een richtingaanwijzer naar Christus.

 

De sabbat als voorbeeld van de diepere betekenis

Neem de sabbat. Veel christenen hebben daarvan een kerkelijke zondagsplicht gemaakt. Anderen proberen de zaterdag te herstellen. Weer anderen gebruiken de sabbat als identiteitsteken.

Maar Hebreeën trekt de lijn dieper. De ware rust ligt niet in een religieus dagensysteem, maar in het ingaan in Gods rust.

“Er blijft dan een rust over voor het volk Gods. Want die ingegaan is in Zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.” Hebreeën 4:9-10 (STV)

Daar gaat het om. Rusten van eigen werken. Niet werken om voor God aanvaard te worden. Niet zwoegen om jezelf geestelijk overeind te houden. Niet leven onder een religieuze zweep.

Christus heeft het werk volbracht.

Wie dat werkelijk gelooft, krijgt geen lui geloof, maar een bevrijd geloof. Geen passieve onverschilligheid, maar vrucht uit rust. Dat is een wereld van verschil.

 

De wet op stenen tafelen of het Woord in het hart

Onder het oude verbond werd de wet geschreven op stenen tafelen. Onder het nieuwe verbond schrijft God Zijn wet in het hart. Dat is geen cosmetische aanpassing, maar een wezenlijke verandering.

Jeremia profeteerde:

“Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” Jeremia 31:33 (STV)

Dit is geen oproep om terug te keren naar stenen tafelen. Dit is de belofte van een innerlijk werk van God. Hij werkt door Zijn Woord en Geest in het hart.

Dat betekent ook: echte gehoorzaamheid begint niet met druk van buitenaf, maar met leven van binnenuit. Niet met religieuze prestatie, maar met kennis van Christus.

Je kunt iemand wel bevelen God lief te hebben, maar liefde groeit niet uit dwang. Liefde groeit uit kennen. Wie Christus ziet als Degene Die Zich over verlorenen ontfermde, Die Zich gaf voor Zijn Gemeente, Die voor zondaren stierf, die krijgt Hem lief.

Daarom is de diepste vraag niet: houdt u de wet?

De diepste vraag is: kent u de Heer?

 

Christus kennen is iets anders dan religieuze vormen beheren

Het christendom kan gevaarlijk handig worden in het bewaren van vormen terwijl de werkelijkheid wegzakt. Men bewaart het avondmaal, de doop, de liturgie, de belijdenis, de vertaling, de kerkelijke orde, de traditie. Allemaal dingen die op hun plaats betekenis kunnen hebben.

Maar zodra de vorm de werkelijkheid vervangt, blijft er een gesneden beeld over.

Dan buigt men niet voor een gouden kalf, maar voor een systeem. Voor een liturgie. Voor een kerkelijke identiteit. Voor een theologische constructie. Voor een wettisch schema dat Christus naar de rand schuift.

En dat is misschien nog verraderlijker dan platte afgoderij. Want het klinkt Bijbels. Het ruikt naar ernst. Het lijkt veilig.

Maar ondertussen is Christus niet meer de levende Middelaar, maar een onderdeel van het systeem.

Dat is eigenwillige godsdienst. Een vroom bouwwerk waarin de mens toch weer zelf aan de knoppen zit.

 

De gelovige dient niet uit dwang, maar uit nieuw leven

De genade maakt een mens niet los van God, maar juist dienstbaar aan God. Alleen is die dienst niet de slavendienst van het oude verbond. Het is de dienst van het nieuwe verbond.

Dat is belangrijk.

Onder wet vraagt de mens: wat moet ik doen om te leven?

Onder genade hoort de gelovige: Christus heeft u levend gemaakt; wandel dan waardig uw roeping.

Onder wet staat de zweep achter je.

Onder genade staat Christus vóór je.

Onder wet komt gehoorzaamheid uit angst, druk of zelfhandhaving.

Onder genade komt vrucht uit geloof, liefde en gemeenschap met de Heere.

Dat betekent niet dat de gelovige nooit aangesproken, vermaand of gecorrigeerd wordt. De brieven staan vol vermaningen. Maar die vermaningen staan altijd op de bodem van genade. Eerst wordt gezegd wie de gelovige is in Christus. Daarna klinkt: wandel dan ook overeenkomstig die roeping.

Dat is géén wetticisme. Dat is nieuwtestamentische heiliging.

 

Waarom dit zo belangrijk is

Dit is geen droog dogma voor mensen die graag schema’s maken. Het raakt het hart van het evangelie.

Als wet en genade worden vermengd, krijg je verwarde gelovigen. Mensen die wel over Christus zingen, maar innerlijk leven alsof Mozes hun aanklager en coach tegelijk is. Mensen die nooit rust vinden, omdat er altijd nog een regel, plicht, ervaring of prestatie boven hun hoofd hangt.

Dan wordt het geloof als een loopband. Je beweegt wel, maar je komt nooit waar je wezen moet.

Daarom is Galaten zo fel.

Niet omdat Paulus tegen heilig leven is, maar omdat hij weet dat wettische vermenging het evangelie aantast. Niet aan de buitenkant misschien. Daar lijkt alles vroom. Maar in de kern wordt Christus onvoldoende.

En zodra Christus onvoldoende wordt, wordt de mens weer religieus belangrijk.

Dat is precies waar genade korte metten mee maakt.

 

De Bijbelse weg

De wet is door God gegeven.

De wet is heilig.

De wet openbaart zonde.

De wet veroordeelt de mens onder haar eis.

De wet kan niet rechtvaardigen.

De wet kan niet levend maken.

De wet was tuchtmeester tot Christus.

Christus heeft de wet vervuld.

De gelovige is niet onder de wet, maar onder de genade.

De gelovige leeft niet wetteloos, maar onder Christus.

De vrucht van het christelijke leven komt niet uit Sinaï, maar uit gemeenschap met de opgestane Heere.

Dat is de lijn die vastgehouden moet worden.

Niet omdat de wet slecht is, maar omdat Christus volkomen is.

 

Blijf weg bij Sinaï als woonplaats

Sinaï heeft zijn stem laten horen. En die stem was nodig. De mens moest leren dat hij niet kan staan op grond van eigen gehoorzaamheid. De mond moest gestopt worden. De zonde moest zonde worden. De schuld moest zichtbaar worden.

Maar de gelovige woont niet bij Sinaï.

Hij is gekomen tot Christus. Tot de Middelaar van het nieuwe verbond. Tot het bloed dat betere dingen spreekt. Tot genade. Tot rust. Tot leven.

Wie de tien geboden gebruikt om de gelovige weer onder het oude verbond te trekken, verwart de bediening van de dood met de bediening van de Geest. Wie de wet leest in het licht van Christus, ziet juist hoe diep en rijk zij van Hem getuigt.

 

De vraag is dus niet of Gods wet heilig is. Dat is zij.

De vraag is of Christus genoeg is.

En het Bijbelse antwoord is niet aarzelend, niet half, niet dubbelzinnig:

JA

Christus is genoeg.

Volkomen genoeg.

Daarom is de christen niet geroepen om terug te keren naar het diensthuis, maar om te staan in de vrijheid waarmee Christus hem heeft vrijgemaakt.

Zie ook:

De vloek van de wet – Bijbelse basis

De Wet, alleen de vloek weggenomen? – Bijbelse basis

Wet en Genade sluiten elkaar uit – Bijbelse basis

“Ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden, maar te vervullen” – Bijbelse basis

Wat bedoelt de Bijbel met “leven uit Genade”? – Bijbelse basis

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet? – Bijbelse basis

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de wet? (2) – Bijbelse basis

De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?” – Bijbelse basis

 

Statenvertaling 2027 werk van de duivel? Een ontmaskering van vrome bangmakerij

Statenvertaling 2027 ‘werk van de duivel’ of ontspoorde kerkelijke retoriek

Soms zegt iemand iets zó snoeihard, dat veel mensen onder de indruk raken nog vóór ze zelf hebben nagedacht. Dat is exact het effect van de uitspraak dat Statenvertaling 2027 werk van de duivel zou zijn. Het klinkt radicaal. Het klinkt vroom. Het klinkt alsof hier iemand onbevreesd, onverbloemd voor de waarheid opkomt. Maar in werkelijkheid is het, als je de kille retoriek ervan af pelt, een voorbeeld van ontspoord en overspannen zwart-witdenken dat meer verwarring dan duidelijkheid schept.

Ja, je kan(grote) bezwaren hebben tegen SV27.
Ja, je kan vrezen voor vervlakking.
Ja, je mag de klassieke Statenvertaling hoogachten.

Maar wie een herzieningsproject zonder degelijk bewijs wegzet als “werk van de duivel”, schuift van inhoudelijke toetsing naar geestelijke intimidatie. Dan verdedig je niet langer rustig en eerlijk de waarheid, maar gebruik je grote woorden om het gesprek bij voorbaat dood te slaan.

SV2027 werk van de duivel
SV2027 werk van de duivel?

Waar gaat de discussie over Statenvertaling 2027 over?

Het project Statenvertaling 2027 werd in september 2025 officieel gestart onder leiding van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. De inzet is een herziening van de Statenvertaling in hedendaags Nederlands, met behoud van zoveel mogelijk stijl en herkenbaarheid. In april 2026 werd het evangelie van Lukas als proefuitgave verspreid. Tegelijk maakten de Gereformeerde Gemeenten duidelijk dat zij kerkelijk verbonden blijven aan de GBS-uitgave van de Statenvertaling en niet aan SV27. Volgens berichtgeving is in die context vanaf de kansel gezegd dat SV27 niet van de Heere is en dus van de duivel moet zijn.

Dat is een enorme claim. En juist daarom moet zo’n claim ook enorm goed onderbouwd worden. Niet met sfeer. Niet met verontwaardiging. Niet met kerkelijk kampdenken. Maar met feiten, met Schrift en met zuivere argumentatie.

 

Liefde voor de Statenvertaling is goed, verabsolutering is heilloos

Laat dat eerst helder zijn: liefde voor de Statenvertaling is op zichzelf geen probleem. Integendeel. Voor veel gelovigen is de Statenvertaling verbonden met geloofsvorming, huisgodsdienst, prediking en eerbied voor het Woord van God.

Maar daar zit ook precies het gevaar. Wat geliefd is, wordt gemakkelijk verheven. En wat verheven wordt, wordt vroeg of laat onaantastbaar verklaard. Dan verschuift het gezag ongemerkt.

Dan wordt niet meer alleen gezegd:
de Schrift is heilig.

Dan wordt praktisch gezegd:
deze specifieke historische Nederlandse vorm van de Schrift is onaantastbaar.

En daar begint de ontsporing

De Statenvertaling is namelijk geen geïnspireerde Nederlandse oertekst. Zij is een vertaling. Een gewichtige, invloedrijke, eerbiedwaardigeen historisch ook belangrijke vertaling, maar nog steeds een vertaling. Dat betekent dat zij hoog geacht mag worden, maar zeker niet verabsoluteerd.

 

De Statenvertaling zelf was ook ooit een nieuwe vertaling

Wie vandaag spreekt alsof elke herziening een revolutionaire aanval op Gods Woord is, vergeet iets ongemakkelijks: de Statenvertaling was zelf ooit ook een nieuwe vertaling.

Zij viel niet kant-en-klaar uit de hemel. Zij werd gemaakt door mensen, die bestaande talen, handschriften en vertaalkeuzes moesten wegen. Zij was dus zelf een project van overdracht, formulering en verwoording.

De echte vraag is daarom niet:
mag een vertaling nooit worden herzien?

Die vraag is historisch al lang beantwoord.

De echte vraag is:
gebeurt zo’n herziening trouw, zorgvuldig en controleerbaar?

Dát is waar het over moet gaan. Niet: wie iets verandert is van God afgevallen. Niet: wie iets actualiseert opent de poort voor de duivel. Dat is geen serieuze beoordeling, maar geestelijke oververhitting.

Begrijpelijkheid is geen vijand van heiligheid

Een veelgehoord argument luidt dat kinderen en jongeren de Statenvertaling niet meer begrijpen omdat ouders te weinig voorlezen en te weinig oefenen. Daar zit ongetwijfeld een kern van waarheid in. Gewenning doet ertoe. Opvoeding doet ertoe. Herhaling doet ertoe.

Maar het is gewoon oneerlijk om te doen alsof het probleem daarmee opgelost is.

Wanneer woorden, naamvallen, zinswendingen en uitdrukkingen structureel buiten het actieve taalbegrip van jonge lezers vallen, ontstaat er een taalbarrière. Dan helpt vertrouwdheid maar heel beperkt. Je kunt een kind wel leren wennen aan een vorm, maar als de betekenis van veel woorden vervaagt, verliest de tekst zijn directe verstaanbaarheid.

Onbegrijpelijkheid is geen bewijs van diepgang.
Moeilijke taal is niet automatisch betrouwbare taal.
Mist is geen majesteit.

Wie principieel wantrouwig is tegenover begrijpelijk Nederlands, loopt het risico niet de Schrift te verdedigen, maar een taalvorm, of erger nog, een vastgeroeste traditie.

De grote ironie: ook in eigen kring sleutelt men aan de taal

Hier wordt de retoriek nog pijnlijker, want juist binnen de behoudende kring wordt óók erkend dat er taalproblemen zijn. De Gereformeerde Gemeenten hebben zich achter het GBS/BMU-traject geschaard om de Statenvertaling te bewaren voor komende generaties. Daarbij wordt expliciet gewerkt aan moeilijke woorden, verouderde uitdrukkingen en taalvormen die het begrip belemmeren.

Dus wat blijkt?

Het gaat helemaal niet meer over de vraag óf taalonderhoud nodig is.
Het gaat over wie het doet, hoe het gebeurt en welke keuzes worden gemaakt.

Dat is een fundamenteel ander verhaal.

Wie dan toch roept dat SV27 “werk van de duivel” is, doet alsof elke aanpassing op zichzelf al verdacht is, terwijl het eigen kamp intussen ook aan taalkundig onderhoud doet. Dan meet men met twee maten.

Dat is platte polemiek. Geen beginselvastheid.

 

Deze manier van spreken is geestelijk onverantwoord

De uitdrukking “als het niet van de Heere is, is het van de duivel” klinkt streng, maar in deze context is het onverantwoord. Niet elke afslag in een kerkelijk of vertaaltechnisch project is daarom meteen demonisch. Niet elke omstreden beslissing is een rechtstreeks werk van satan. Niet elk initiatief waar je bezwaren tegen hebt, hoort daarom thuis in de categorie duivelse misleiding.

De Schrift roept op tot beproeven, niet tot op hol geslagen etiketten.

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” (1 Johannes 4:1, STV)

Dat is een oproep tot onderzoek, toetsing en onderscheid. Niet tot theatrale kanseltaal die een heel dossier samenvat in één vernietigend stempel.

Paulus zegt ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat betekent dus: kijken, wegen, toetsen, onderscheiden.

Niet: plat en op voorhand zwart maken.

 

Wie alles demoniseert, verliest elk zuiver onderscheid

Dat is misschien wel het ernstigste punt. Zodra je alles wat je afwijst onder de noemer “van de duivel” plaatst, raak je het vermogen tot fijnzinnig onderscheid kwijt. Dan wordt elk conflict een totale oorlog. Dan wordt elke nuance een verraad. Dan wordt ieder inhoudelijk gesprek vervangen door frontvorming.

Maar echte trouw aan de waarheid blijkt juist in zorgvuldigheid.

Je kan zeggen:

ik vertrouw de koers van SV27 niet

ik vind het NBG geen vanzelfsprekende bewaker van ‘reformatorische betrouwbaarheid. (Wat je daaronder ook mag verstaan).

ik vrees voor vervlakking en verschuiving

ik acht de klassieke SV hoger

ik geef de voorkeur aan het GBS-spoor

Dat zijn stevige standpunten. Maar ze blijven bespreekbaar.

Zodra je echter zegt:
dit project is werk van de duivel,

sluit je het gesprek af vóór het begonnen is. Dan gebruik je je eigen ‘geestelijk gewicht’ om menselijke vragen taboe te maken.

 

De Textus Receptus is belangrijk, maar niet onaantastbaar

Achter deze discussie ligt ook de kwestie van de grondtekst. Voor veel verdedigers van de klassieke Statenvertaling speelt mee dat de vertaling sterk verbonden is met de Textus Receptus. Dat is een begrijpelijk punt. De TR heeft een grote historische betekenis binnen de kerkgeschiedenis van de Reformatie.

Maar ook hier geldt: overdrijving schaadt de zaak.

De Textus Receptus is geen magische, rechtstreeks uit de hemel gevallen eindtekst. Het is een gedrukte Griekse teksttraditie uit de zestiende eeuw, vooral verbonden met Erasmus en  vele latere redacties. Tegelijk bestaan er Griekse handschriften die ouder zijn dan de manuscripten waarop de TR grotendeels steunt, zoals Codex Vaticanus en Codex Sinaiticus uit de vierde eeuw.

Dat betekent niet automatisch dat ouder altijd beter is. Tekstkritiek is ingewikkelder dan een simpele rekensom. Maar het betekent wel dat men historisch niet eerlijk bezig is wanneer men suggereert dat de TR ‘zondermeer identiek is aan de enige ongerepte tekstvorm’ en dat alle andere tekstgetuigen bij voorbaat verdacht zijn.

Wie de feiten kent, moet hier met bescheidenheid spreken.

 

Gods Woord is geïnspireerd, Nederlandse vertalingen zijn dat niét

Hier ligt de kern die telkens weer op de helling gaat in zulke discussies. Gods Woord in zijn oorspronkelijke openbaring is geïnspireerd. Vertalingen zijn dienend. Ze zijn noodzakelijk, kostbaar en van groot belang. Maar ze delen niet automatisch in dezelfde onfeilbaarheid als de oorspronkelijk geïnspireerde Schrift.

Dat onderscheid moet vastgehouden worden.

Zodra een vertaling praktisch wordt behandeld alsof deze zelf boven toetsing verheven is, verschuift het accent van Schriftgezag naar vertaaltraditiegezag. Dan wordt niet langer alleen Gods Woord verdedigd, maar ook een specifieke vorm waaraan men gewend is geraakt.

En precies daar zit de geestelijke verleiding: niet dat men de Bijbel te hoog acht, maar dat men het eigen erfgoed ermee vereenzelvigt.

 

De echte vraag is niet: hou je van de Statenvertaling?

De echte vraag is ook niet:
ben je voor of tegen de oude spelling?

De echte vraag is:
kun je nog eerlijk onderscheid maken tussen Gods geïnspireerde Woord en een eerbiedwaardige, maar menselijke Nederlandse vertaling daarvan?

Zolang dat onderscheid helder blijft, is er ruimte voor sterke voorkeuren zonder afgoderij. Dan kun je met overtuiging zeggen dat je de Statenvertaling verkiest, zonder deze te verabsoluteren. Dan kun je stevige kritiek leveren op SV27 zonder direct met demonische etiketten te smijten.

Maar zodra dat onderscheid vervaagt, verandert trouw in traditionalisme en eerbied in verharding.

 

De toon verraadt ook iets van de inhoud

Soms zegt de toon meer dan het betoog. Wie direct terugvalt op termen als “werk van de duivel”, laat daarmee zien dat hij zich niet sterk genoeg voelt om het gesprek rustig en op inhoudelijke argumenten te voeren. Grote woorden en spierballentaal moeten dan het gebrek aan zuivere afweging compenseren.

Dat is pas gevaarlijk in de gemeente van Jezus Christus.

Want luisteraars leren zo niet om te toetsen, maar om te schrikken. Bang te zijn. Niet om zelf de Schrif te onderzoeken, maar om reflexmatig partij te kiezen. Niet om waarheid lief te hebben, maar om elk kritisch gesprek als bedreiging te ervaren.

Dat is geen gezonde geestelijke vorming.

“En deze waren edeler dan die te Thessalonica, als die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dát is de norm. Niet groepsdenken, maar onderzoek. Niet retorische bliksem, maar schriftuurlijke toetsing.

 

Wat kan hier nuchter en scherp tegen ingebracht worden?

Dit:

De uitspraak dat Statenvertaling 2027 werk van de duivel is, is niet alleen buitenproportioneel maar ook innerlijk inconsequent. Zij maakt van een inhoudelijke discussie een geestelijke scheidslijn zonder dat eerst is aangetoond dat hier daadwerkelijk wezenlijke Schriftwaarheid wordt prijsgegeven. Bovendien erkent ook de behoudende achterban zelf dat taalbarrières bestaan en dat onderhoud nodig is. Daarmee valt de suggestie dat elke actualisering per definitie onheilig zou zijn vanzelf uit elkaar.

Nog scherper:

Wie begrijpelijker Nederlands al verdacht maakt, verdedigt niet noodzakelijk de waarheid van God, maar vaak vooral de vertrouwde klank van zijn eigen traditie.

En nog scherper:

Niet SV27 wordt hier allereerst ontmaskerd, maar een manier van spreken die een menselijke vertaling zó heilig maakt dat kritiek of herziening ongeveer als godslastering behandeld wordt.

De gemeente van Jezus Christus heeft geen behoefte aan minder eerbied voor de Schrift. Maar zij heeft wél behoefte aan meer eerlijkheid in het spreken over vertalingen.

Beproeven in plaats van demoniseren

De Statenvertaling verdient respect.
Zij verdient zorgvuldige verdediging.
Zij verdient inhoudelijke bespreking.

Maar verdient géén verabsolutering.

En wie een omstreden herzieningsproject zonder sluitend bewijs “werk van de duivel” noemt, bewijst daarmee niet zijn trouw aan Gods Woord, maar zijn onvermogen om maat te houden.

De waarheid van God wordt niet gediend door opgeblazen kanseltaal.
De kerk wordt niet gebouwd door geestelijke verdachtmaking.
En de Statenvertaling wordt niet geëerd door haar praktisch boven toetsing te verheffen.

Wie Bijbels wil spreken, doet beter wat de Schrift zelf gebiedt:

 

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

zie ook:

https://archive.vn/Rbzxs

Lezing over Bijbelvertaling

De Statenvertaling verdient waardering, géén absolutisme – Bijbelse basis

Betekenisverschuiving in de Statenvertaling: een overzicht en duiding – Bijbelse basis

De “Statenvertaling-alleen” denkfout en de verwarring

statenvertaling – Bijbelse basis

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights