Kolossenzen 3 : leven uit Christus, niet onder de Wet 

Kolossenzen 3 nader bekeken

Wie Kolossenzen 3 zorgvuldig leest, ontdekt iets dat in hedendaagse prediking merkwaardig genoeg nauwelijks tot niet wordt onderwezen: Paulus motiveert de levenswandel van de gelovige niet vanuit de Wet, maar vanuit zijn positie in Christus.

Paulus zegt niet:

houd de geboden zodat God u zal aannemen.

Hij zegt ook niet:

Christus heeft u gered, en nu moet u alsnog terug naar Sinaï om daar te leren hoe u als christen moet leven.

Zijn vertrekpunt is:

De gelovige is met Christus gestorven, is met Christus opgewekt, heeft de oude mens uitgedaan, heeft de nieuwe mens aangedaan en heeft leven ontvangen dat met Christus verborgen is in God.

Daaruit vloeit de christelijke levenswandel voort.

Dat maakt Kolossenzen 3 tot een van de duidelijkste gedeelten over leven uit genade, de oude en nieuwe mens en de vraag wat de leefregel van de gelovige eigenlijk is.

Kolossenzen 3 leven uit Genade
Kolossenzen 3 nader bekeken

 

Eerst wat God gedaan heeft, daarna onze wandel

Paulus begint Kolossenzen 3 niet met een wetboek.

Hij begint met Christus.

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” — Kolossenzen 3:1 (STV)

Dat woord dan is belangrijk.

Paulus bouwt namelijk verder op wat hij eerder heeft uitgelegd. De gelovige is door het geloof verbonden met Christus. Zijn positie wordt bepaald door Christus’ dood en opstanding.

Daarom volgt:

“Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” — Kolossenzen 3:2 (STV)

De volgorde is dus niet:

doe het goede en misschien zult u daardoor geestelijk leven ontvangen.

De volgorde is:

u hebt in Christus leven ontvangen; leef daarom overeenkomstig dat leven.

Dat is het cruciale verschil tussen een wettische benadering en leven uit genade.

Genade begint bij wat God heeft gedaan.

Daarna volgt de verantwoordelijkheid van de gelovige.

 

“Gij zijt gestorven”

Paulus doet vervolgens een opmerkelijke uitspraak:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” — Kolossenzen 3:3 (STV)

Let erop wat er niet staat.

Paulus zegt niet:

Streef ernaar te sterven.

Hij zegt:

“gij zijt gestorven.”

Dat is een vaststaand feit als het gaat om de positie van de gelovige.

Wie in Christus is, wordt door God niet langer beschouwd vanuit zijn natuurlijke afkomst in Adam. In Christus is er een nieuwe positie gekomen.

En die nieuwe positie is zelfs verborgen.

Het zichtbare leven hier op aarde vertelt niet het hele verhaal.

Daarom vervolgt Paulus:

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Hier staat iets veel groters dan dat Christus ons helpt om beter te leven.

Christus is ons Leven

Het christelijke leven is daarom niet in de eerste plaats Christus proberen na te doen, maar leven vanuit het leven dat God ons in Christus heeft geschonken.

 

De oude mens wordt niet opgelapt

Dat is zó essentieel.

Het Evangelie is geen renovatieproject van Adam.

God probeert de oude mens niet stap voor stap op te knappen totdat hij uiteindelijk acceptabel wordt.

Paulus zegt:

“Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken.” — Kolossenzen 3:9 (STV)

Opnieuw staat er niet:

probeer de oude mens uit te doen.

Er staat:

“gij uitgedaan hebt.”

De oude mens is geen project waaraan de gelovige zijn hele leven moet blijven sleutelen.

Daartegenover staat:

“En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen Die hem geschapen heeft.” — Kolossenzen 3:10 (STV)

Dat is wedergeboorte in zijn volle betekenis.

Niet: een beter exemplaar van de oude mens.

Maar: nieuw leven.

Niet: Adam christelijk maken.

Maar: leven vanuit Christus.

 

Waarom zegt Paulus dan: “Doodt dan”?

Nu ontstaat een interessante vraag.

Als Paulus in vers 3 zegt:

“gij zijt gestorven” (Kolossenzen 3:3, STV)

waarom zegt hij dan twee verzen later:

“Doodt dan uw leden die op de aarde zijn…” — Kolossenzen 3:5 (STV)

Is dat dan geen tegenstelling?

Integendeel.

Het is juist een prachtig voorbeeld van het onderscheid tussen positie en wandel.

Voor God is de gelovige met Christus gestorven.

Nu behoort die waarheid praktisch zichtbaar te worden.

Wat in Christus reeds waar is, moet in het dagelijkse leven worden uitgewerkt.

Daarom noemt Paulus vervolgens onder andere hoererij, onreinheid, kwade begeerlijkheid en gierigheid.

Genade zegt dus nooit:

Zonde doet er niet meer toe.

Genade zegt juist:

u hoort niet meer bij dat oude leven; wandel daarom niet alsof er niets veranderd is.

 

Genade is geen vrijbrief voor zonde

Dit wordt vaak verkeerd begrepen.

Zodra wordt gezegd dat de gelovige niet onder de Wet staat, komt soms het verwijt:

Dus dan mag alles?

Kolossenzen 3 maakt duidelijk hoe oppervlakkig en vleselijk dat bezwaar is.

Paulus behandelt hier zeer concreet de levenswandel.

Hij spreekt over seksuele zonde, begeerte, hebzucht, boosheid, lastering, vuil spreken, liegen, onderlinge omgang, vergeving, liefde, vrede en dankbaarheid.

Hij is bepaald niet vrijblijvend.

Maar opmerkelijk genoeg motiveert Paulus dit alles niet door de gelovige opnieuw onder Mozes te plaatsen.

Hij zegt niet:

Ga terug naar de stenen tafelen.

Hij zegt:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt…” — Kolossenzen 3:1 (STV)

Daar begint het.

Niet Sinaï, maar Christus.

Niet de oude positie onder de Wet, maar de nieuwe positie in de opgewekte Heer.

De christelijke leefregel is veel hoger dan wetticisme

Dat betekent niet dat goed en kwaad zijn verdwenen.

Integendeel.

Paulus is heel concreet. Hij zegt niet:

“Kijk maar, doe nu maar wat je goeddunkt”

maar:

“Maar nu, legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.” — Kolossenzen 3:8 (STV)

Daarna volgt de positieve kant:

“Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid.” — Kolossenzen 3:12 (STV)

Let opnieuw op de motivatie.

Paulus noemt hen eerst:

uitverkorenen Gods, heiligen en beminden.

Dáárom volgt:

doet dan aan.

Hun gedrag moet overeenkomen met hun positie.

Ze worden niet geliefd omdat ze goed leven.

Ze behoren goed te leven omdat ze geliefd zijn.

Dat is Genade.

 

Eerst vergeven worden, daarna zelf vergeven

Kolossenzen 3:13 is hiervan een prachtig voorbeeld:

“Verdragende elkander en vergevende de een den ander, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.” — Kolossenzen 3:13 (STV)

De volgorde is glashelder.

Niet:

vergeef, zodat Christus u zal vergeven.

Maar:

Christus heeft u vergeven; handel daarom zelf vanuit die vergeving.

De gehoorzaamheid van de gelovige is dus antwoord op ontvangen genade.

Niet betaling voor toekomstige genade.

Niet een poging om behouden te blijven.

Niet een methode om Gods gunst te verdienen.

De Genade komt eerst.

Daarna volgt de wandel.

 

Dat maakt het verschil met Mattheüs 6 des te opvallender

Vergelijk dit eens met de woorden:

“Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.” — Mattheüs 6:14 (STV)

Daar staat een voorwaardelijke formulering.

In Kolossenzen schrijft Paulus daarentegen:

“gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft” — Kolossenzen 3:13 (STV)

Het gaat hier niet om een tegenspraak in de Schrift, maar om de noodzaak om Schriftgedeelten zorgvuldig in hun verband te lezen.

Wie zonder onderscheid alles rechtstreeks op dezelfde wijze op de Gemeente toepast, loopt onvermijdelijk vast.

Paulus maakt aan de Gemeente bekend vanuit welke positie zij leeft:

vergeving is ontvangen.

Vanuit die ontvangen vergeving wordt vervolgens de gelovige opgeroepen zelf te vergeven.

 

Waar blijven de Tien Geboden?

Hier wordt het bijzonder interessant.

Kolossenzen 3 behandelt ongeveer alles wat wij tegenwoordig onder “christelijke ethiek” zouden rangschikken.

Gedrag.

Seksualiteit.

Begeerte.

Gierigheid.

Boosheid.

Taalgebruik.

Waarheid.

Relaties.

Vergeving.

Liefde.

Vrede.

Dankbaarheid.

Als Paulus de Tien Geboden als formele leefregel aan de Gemeente had willen voorschrijven, dan had hij hier een uitgelezen gelegenheid.

Maar hij doet het niet.

Hij voert de gelovige niet terug naar Sinaï.

Hij wijst omhoog:

“Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” — Kolossenzen 3:2 (STV)

Waarom?

Omdat de gelovige een hemelse positie in Christus heeft.

Zijn gedrag wordt niet beheerst door de vraag:

Welke regel moet ik afvinken?

maar door:

Wat past bij iemand van wie Christus het leven is?

Dat is geen lagere norm.

Dat is juist een veel hogere.

 

Christus is alles en in allen

Paulus komt vervolgens bij een van de krachtigste uitspraken van dit gedeelte:

“Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen.” — Kolossenzen 3:11 (STV)

Alle natuurlijke onderscheidingen die mensen zo belangrijk vinden, verdwijnen als grondslag van onze positie voor God.

Afkomst redt niet.

Inspanning redt niet.

Religieuze achtergrond redt niet.

Besnijdenis redt niet.

Sociale positie redt niet.

Cultuur redt niet.

Christus is alles.

Dat is niet alleen een mooie geloofsuitspraak.

Het is de leerstellige kern van het hele hoofdstuk.

Christus is onze positie.

Christus is ons leven.

Christus is het voorbeeld en de bron van onze wandel.

Christus bepaalt onze onderlinge verhouding.

Christus is het middelpunt.

 

Het Woord van Christus moet rijkelijk wonen

Dan zegt Paulus:

“Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.” — Kolossenzen 3:16 (STV)

Ook dit is vandaag bijzonder actueel.

Paulus verwijst de gelovige niet naar het najagen van ‘nieuwe openbaringen’, ‘bijzondere stemmen’ of een exclusief persoonlijk lijntje met God.

Hij zegt:

het Woord van Christus moet rijkelijk in u wonen.

Daaruit ontstaat wijsheid.

Daaruit komt onderwijs.

Daaruit komt vermaning.

Daaruit ontstaat aanbidding.

Daarom is Bijbelkennis geen droge intellectuele hobby.

Het Woord vormt het denken van de nieuwe mens.

Wie geestelijk wil wandelen, maar het Woord verwaarloost, probeert vrucht te produceren terwijl hij de door God gegeven bron van kennis en voeding negeert.

 

Alles in de Naam van de Here Jezus

Paulus sluit dit gedeelte af met een bijzonder brede leefregel:

“En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem.” — Kolossenzen 3:17 (STV)

Al wat gij doet.

Dat gaat veel verder dan een lijst verboden en regels.

Het omvat woorden én werken.

Privé én openbaar.

Relaties én arbeid.

Gedachten die tot woorden worden én beslissingen die tot daden worden.

De vraag wordt dan niet slechts:

Mag dit volgens een gebod?

maar:

kan ik dit doen in de Naam van de Here Jezus Christus?

Dat is een hogere toets.

 

De grote fout van wettische prediking

Het merkwaardige van veel christelijke prediking is dat men genade gebruikt om iemand binnen te krijgen en vervolgens de Wet gebruikt om hem binnen te houden.

Eerst klinkt:

U wordt uit genade behouden.

Maar daarna volgt:

Nu moet u bewijzen dat u het waard bent.

Daarmee wordt de gelovige praktisch weer teruggebracht naar het systeem waarvan Christus hem juist heeft vrijgemaakt.

Kolossenzen 3 volgt een totaal andere lijn.

Paulus zegt niet:

word wat God verlangt en misschien zal Hij u aannemen.

Hij zegt:

zie wie u in Christus geworden bent en wandel overeenkomstig die positie.

Dat is geen semantisch verschil.

Het bepaalt de hele verhouding tussen God en de gelovige.

 

Geen Wet, maar ook geen wetteloosheid

We moeten dus twee valkuilen vermijden.

Enerzijds de gedachte dat de gelovige toch weer onder de Wet moet worden gebracht om hem heilig te laten leven.

Anderzijds de gedachte dat genade betekent dat onze wandel niet belangrijk is.

Kolossenzen 3 vernietigt beide misvattingen.

De gelovige staat niet onder de Wet.

Maar hij hoort ook niet naar het vlees te leven.

Waarom niet?

Niet omdat Sinaï hem veroordeelt.

Maar omdat Christus zijn leven is.

Daarom zegt Paulus:

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Daar ligt onze zekerheid en onze verantwoordelijkheid.

 

Leven uit Christus

De boodschap van Kolossenzen 3 kan uiteindelijk in enkele woorden worden samengevat:

eerst positie, dan praktijk.

eerst genade, dan wandel.

eerst ontvangen, dan beantwoorden.

eerst Christus, dan de vrucht.

De oude mens wordt niet verbeterd.

De nieuwe mens wordt aangedaan.

De gelovige probeert zichzelf niet door goede werken geschikt te maken voor Christus.

Christus is zijn leven.

En daarom klinkt de oproep:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn…” — Kolossenzen 3:1 (STV)

Dat is de christelijke wandel.

Niet leven om een positie te verdienen.

Maar leven vanuit een positie die God in Christus reeds geschonken heeft.

Niet terug naar Sinaï.

Maar zien op de opgewekte Christus, gezeten aan de rechterhand Gods.

En daaruit leven.

 

 

O, welk een wond’re Verlosser

Genade kocht mij vrij

Vanmorgen hadden wij, mijn vrouw en ik, sinds heel lange tijd weer eens een zeer ontnuchterend gesprek aan de voordeur met zogenaamde ‘getuigen van Jehova’, colporteurs van het Wachttorengenootschap. Ze hebben geen enkele geloofszekerheid, want het hangt alles van hun volharding af. Verder ontkennen zij dat Jezus Heer is. Wat een verdietig verhaal telkens  weer. Enigszins ontdaan deden we de voordeur weer dicht. Nadien hadden wij, los van elkaar, onderstaand lied in gedachten. Het is allemaal Genade wat de klok slaat.

 

O, welk een wond’re Verlosser vond ik in mijn Heiland en Heer.

Lofprijs vervult nu mijn harte, mijn zonden gedenkt Hij niet meer.

Genade kocht mij vrij! Genade kocht mij vrij! Mijn ziele juicht: Halleluja! Genade kocht mij vrij!

Stromen van licht en genade vervullen mijn ziel, meer en meer.

‘k Weet: al mijn schuld is vergeven door ’t bloed van mijn Heiland en Heer.

Genade kocht mij vrij! Genade kocht mij vrij! Mijn ziele juicht: Halleluja! Genade kocht mij vrij!

Niets kan van Jezus mij scheiden, Hij woont door zijn Geest in mijn hart.

In Hem ben ‘k veilig geborgen, in uren van zorg en van smart.

Refrein: Genade kocht mij vrij! Genade kocht mij vrij! Mijn ziele juicht: Halleluja! Genade kocht mij vrij!

‘k Werd niet gered door mijn werken, zelfs niet door berouwvol geween,

noch door mijn worst’ling en strijden, doch slechts door genade alleen.

Refrein: Genade kocht mij vrij! Genade kocht mij vrij! Mijn ziele juicht: Halleluja!

Genade kocht mij vrij!

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Waarom de Wet niemand kan zaligmaken

Wie Wet en Genade probeert te vermengen, denkt meestal dat hij het Evangelie verrijkt. Paulus zegt precies het tegenovergestelde: wie menselijke werken toevoegt aan Gods Genade, tast daarmee de kern van het Evangelie aan.

Veel christenen zeggen dat zij uit genade leven. Toch wordt die genade in de praktijk vaak omringd door voorwaarden. Je moet genoeg gehoorzamen, genoeg geloven, genoeg geven, genoeg vasten, genoeg toewijding tonen of een bepaald geestelijk niveau bereiken. Christus heeft weliswaar veel gedaan, maar kennelijk moet de mens het laatste deel zelf aanvullen.

Dat klinkt godsdienstig. Het is alleen niet het Evangelie der Genade Gods.

De Schrift leert niet dat Wet en Genade elkaar aanvullen. Als grond van rechtvaardiging en aanvaarding bij God sluiten zij elkaar uit.

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Waarom de wet niemand kan zaligmaken

Wie wet en genade probeert te vermengen, denkt meestal dat hij het evangelie verrijkt. Paulus zegt precies het tegenovergestelde: wie menselijke werken toevoegt aan Gods genade, tast daarmee de kern van het evangelie aan.

Veel christenen zeggen dat zij uit genade leven. Toch wordt die genade in de praktijk vaak omringd door allerlei voorwaarden. Je moet genoeg gehoorzamen, genoeg geloven, genoeg geven, genoeg vasten, genoeg toewijding tonen of een bepaald geestelijk niveau bereiken. Christus heeft weliswaar veel gedaan, maar kennelijk moet de mens dan toch het laatste deel zelf aanvullen.

Dat klinkt godsdienstig. Het is echter niet het Evangelie der Genade Gods.

De Schrift leert niet dat wet en genade elkaar aanvullen. Sterker gezegd: Als beginsel van rechtvaardiging en aanvaarding bij God sluiten zij elkaar uit.

 

De Wet is heilig, rechtvaardig en goed

Een scherp onderscheid tussen wet en genade betekent niet dat de wet slecht zou zijn. Paulus spreekt juist met groot respect over Gods wet:

“Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” (Romeinen 7:12, STV)

De wet is goed omdat zij van God afkomstig is. Zij openbaart Zijn heiligheid, rechtvaardigheid en volmaakte maatstaf. Het probleem zit daarom niet in de wet, maar in de zondige mens.

De wet vraagt niets verkeerds. Zij vraagt juist wat rechtvaardig, rein en goed is. Maar de gevallen mens is niet in staat om aan die heilige eis te voldoen.

Daarom schrijft Paulus:

“Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” (Romeinen 7:14, STV)

De wet is geestelijk. De mens is vleselijk. Daar ligt het probleem.

De Wet openbaart de zonde

De wet is geen redder, maar een aanklager. toont de mens wat zonde is en stelt hem schuldig voor God.

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” (Romeinen 3:20, STV)

Door de wet leert de mens niet hoe goed hij is, maar hoe schuldig hij staat. Ontmaskert zijn woorden, daden, gedachten en begeerten.

De wet werkt als een spiegel. Een spiegel kan vuil zichtbaar maken, maar kan het vuil niet verwijderen. Zo kan de wet de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet reinigen.

De wet stelt de diagnose, maar biedt geen genezing.

Openbaart de schuld, maar schenkt geen vergeving.

Wijst de overtreding aan, maar geeft geen nieuw leven.

De Wet kan niemand zaligmaken

De wet is goed, maar zij kan geen zondaar zaligmaken. Dat is geen tekortkoming van de wet. De wet is eenvoudigweg nooit gegeven als middel waardoor de mens zichzelf kon redden.

Paulus schrijft:

“Want indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.” (Galaten 3:21, STV)

Als een wet werkelijk leven had kunnen geven, zou Christus niet hebben hoeven sterven. Dan had God slechts een betere uitleg, strengere naleving of een aangepaste wet hoeven geven.

Maar God gaf geen verbeterde wet.

God gaf Zijn Zoon.

Het kruis van de Here Jezus Christus bewijst dat de mens niet door wetsonderhouding kon worden gerechtvaardigd. Als rechtvaardigheid door de wet mogelijk was geweest, zou het sterven van Christus overbodig zijn geweest.

Paulus zegt dat zonder omwegen:

“Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” (Galaten 2:21, STV)

Dat is vernietigend voor elke leer waarin menselijke prestaties alsnog een plaats krijgen als grond voor Gods aanvaarding.

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Romeinen 11:6 bevat een van de duidelijkste uitspraken over wet en genade:

“En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.” (STV)

Paulus laat geen ruimte voor een tussenweg.

Óf de rechtvaardiging is uit genade.

Óf zij is uit werken.

Óf Christus heeft alles volbracht.

Óf de mens moet zelf nog iets toevoegen.

Beide tegelijk is onmogelijk.

Genade is niet Gods hulp bij onze eigen poging om zalig te worden. Genade betekent dat God schenkt wat de mens niet kon verdienen, bereiken of tot stand brengen.

Zodra menselijke prestatie een voorwaarde wordt voor rechtvaardiging, houdt genade op genade te zijn.

 

De Wet eist, de Genade schenkt

Het verschil tussen wet en genade kan eenvoudig worden samengevat.

De wet eist.

De genade schenkt.

De wet zegt wat de mens moet doen.

De genade maakt bekend wat Christus heeft gedaan.

De wet zegt: gehoorzaam en leef.

De genade zegt: Christus heeft volbracht; geloof en leef.

De wet stelt de mens verantwoordelijk.

De genade openbaart Gods voorziening.

De wet brengt kennis van zonde.

De genade brengt vergeving, rechtvaardiging en leven.

Johannes beschrijft dit onderscheid als volgt:

“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.” (Johannes 1:17, STV)

Mozes bracht de wet. De Here Jezus Christus bracht niet slechts een mildere vorm van die wet, maar genade en waarheid.

 

Waarom Paulus zo scherp schrijft aan de Galaten

De Galatenbrief is een van de scherpste brieven van Paulus. Dat komt doordat het Evangelie der genade Gods op het spel stond.

De Galaten hadden Christus niet volledig verworpen. Zij hadden het evangelie niet vervangen door openlijk heidendom. Zij voegden slechts iets toe aan het geloof in Christus.

Juist daarin zat het gevaar.

Er kwamen mensen die leerden dat geloof in Christus niet genoeg was. Besnijdenis en wetsonderhouding moesten eraan worden toegevoegd. Dat leek misschien een kleine aanvulling, maar Paulus noemt het een ander evangelie.

“Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van Dengene, Die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie; daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren.” (Galaten 1:6-7, STV)

Het evangelie wordt niet alleen verdraaid wanneer Christus openlijk wordt ontkend. Het wordt ook verdraaid wanneer Zijn volbrachte werk onvoldoende wordt geacht.

Daarom zegt Paulus:

“Christus is u ijdel geworden, zovelen als gij door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.” (Galaten 5:4, STV)

Wie rechtvaardiging zoekt in de wet, verlaat het beginsel van de genade. Hij maakt Christus niet letterlijk tot niets, maar behandelt Zijn werk wel alsof het niet voldoende is.

Begonnen met de Geest, eindigen met het vlees

Paulus stelt de Galaten een indringende vraag:

“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” (Galaten 3:3, STV)

Zij waren door geloof begonnen, maar wilden vervolgens door menselijke inspanning geestelijk worden voltooid.

Dat gevaar bestaat nog steeds.

Veel prediking leert dat een mens door genade wordt behouden, maar vervolgens onder een systeem van geestelijke prestaties komt te staan. Zijn zekerheid, vrede en positie lijken afhankelijk te worden van zijn gedrag, inzet, ervaringen en resultaten.

Dan ontstaat een evangelie waarin Christus de deur opent, maar de gelovige zichzelf verder naar binnen moet werken.

Paulus wijst dat radicaal af.

Wat uit genade is begonnen, wordt ook door genade voortgezet.

 

Een oude dwaling in een modern jasje

Wetticisme verschijnt niet altijd in ouderwetse kleding. Het kan zich ook modern, enthousiast en geestelijk presenteren.

Men zegt bijvoorbeeld:

Je ontvangt pas een doorbraak als je genoeg gelooft.

God kan pas handelen als jij de juiste woorden spreekt.

Je ontvangt meer zalving wanneer je meer offert.

Je moet eerst geestelijk hogerop komen.

Je moet eerst vergeven.

Je moet een bepaalde ervaring hebben om echt vervuld te zijn.

Je moet genoeg vasten, bidden, geven of jezelf uitstrekken.

Zulke uitspraken kunnen vroom klinken, maar ze verplaatsen het zwaartepunt van Christus naar de mens.

Niet langer staat centraal wat Christus heeft volbracht, maar wat de gelovige nog moet presteren.

De mens gaat dan opnieuw leven onder voorwaarden. Gods gunst lijkt zo afhankelijk te worden van zijn geestelijke inzet.

Dat is wet in een nieuw jasje.

Het gebruikt dan niet de woorden van Mozes, maar het werkt wel volgens hetzelfde beginsel: doe iets, bereik iets, bewijs iets, en dan zal God u zegenen.

 

Genade is géén beloning voor geestelijke prestaties

Genade is per definitie onverdiend.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:8-9, STV)

De mens wordt niet zalig omdat hij genoeg geloofskracht heeft ontwikkeld. Zelfs de zaligheid wordt voorgesteld als Gods gave.

Er blijft daarom geen ruimte over voor menselijke roem.

Niet in onze gehoorzaamheid.

Niet in onze toewijding.

Niet in onze inzet.

Niet in onze geestelijke ervaringen.

Niet in onze kennis.

Niet in onze bediening.

Niet in onze vermeende zalving.

Alle roem behoort aan God en aan de Here Jezus Christus.

 

Niet onder de Wet, maar onder de Genade

Paulus schrijft aan gelovigen:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Dit vers wordt soms afgezwakt alsof Paulus slechts bedoelt dat gelovigen niet meer door ceremoniële regels worden beheerst. Maar zijn uitspraak is veel fundamenteler.

De gelovige staat niet meer onder het beginsel van de wet als grond van zijn verhouding tot God. Hij staat onder genade.

Zijn positie wordt niet bepaald door zijn prestaties, maar door zijn positie in Christus.

Zijn aanvaarding rust niet op zijn trouw, maar op Christus’ volbrachte werk.

Zijn vrede met God rust niet op zijn wisselende geestelijke toestand, maar op rechtvaardiging uit geloof.

“Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.” (Romeinen 5:1, STV)

 

Genade maakt niet wetteloos

Zodra wordt geleerd dat de gelovige niet onder de wet maar onder de genade staat, klinkt vaak het verwijt dat dit tot losbandigheid zou leiden.

Paulus kende dat bezwaar ook:

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” (Romeinen 6:15, STV)

Genade geeft geen vrijbrief om te zondigen. Genade leert de gelovige juist om godzalig te leven.

“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.” (Titus 2:11-12, STV)

Let op wat hier staat.

Niet de Wet onderwijst de gelovige in zijn nieuwe positie, maar de Genade.

Genade is niet slap, goedkoop of vrijblijvend. Zij redt de zondaar en vernieuwt en vormt vervolgens zijn leven.

Maar zniet door hem opnieuw onder veroordeling te plaatsen. Zij richt zijn oog op Christus en werkt vanuit dankbaarheid, nieuw leven en de werking van Gods Geest.

 

De Wet kan gedrag begrenzen, maar geen leven geven

De wet kan zeggen: gij zult niet begeren.

Maar zij kan de begeerte niet uit het hart verwijderen.

De wet kan moord veroordelen.

Maar zij kan geen liefde voortbrengen.

De wet kan leugen verbieden.

Maar zij kan geen nieuw hart scheppen dat waarheid liefheeft.

De wet kan afgoderij aanwijzen.

Maar zij kan de mens niet in een levende verhouding met God brengen.

Daarom is genade geen zachtere wet. Zij is Gods oplossing voor een probleem dat de wet wel kon openbaren, maar niet kon oplossen.

Wat de wet niet kon doen, heeft God gedaan door Zijn Zoon te zenden.

“Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.” (Romeinen 8:3, STV)

De wet was niet krachteloos in zichzelf. Zij was krachteloos door het vlees. De zondige mens kon haar niet volbrengen.

 

Waarom de vermenging van Wet en Genade zo gevaarlijk is

De vermenging van wet en genade is geen onschuldige leerstellige vergissing want:

  • tast de genoegzaamheid van Christus aan.
  • berooft gelovigen van zekerheid.
  • kweekt hoogmoed bij wie denkt goed te presteren.
  • veroorzaakt wanhoop bij wie voortdurend tekortschiet.
  • maakt geestelijke leiders tot controleurs van Gods gunst.
  • brengt gelovigen opnieuw onder angst en veroordeling.
  • maakt het kruis tot het begin van de redding, terwijl de mens geacht wordt het werk af te maken.

 

Maar Christus riep aan het kruis niet: Ik heb een goede basis gelegd, nu is het aan u.

Hij heeft het werk volbracht.

 

Alleen Christus kan zaligmaken

De wet kan niemand zaligmaken.

Mozes kan niemand zaligmaken.

Religieuze regels kunnen niemand zaligmaken.

Geestelijke ervaringen kunnen niemand zaligmaken.

Kerkelijke tradities kunnen niemand zaligmaken.

Menselijke toewijding kan niemand zaligmaken.

Alleen de Here Jezus Christus kan zaligmaken.

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4:12, STV)

Dat is de heerlijkheid van het Evangelie der genade Gods.

De zondaar wordt niet opgeroepen zichzelf te verbeteren totdat hij aanvaardbaar is. Hij wordt geroepen te geloven in Hem Die goddelozen rechtvaardigt.

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” (Romeinen 4:5, STV)

 

De beslissende vraag

De beslissende vraag is daarom niet hoeveel de mens heeft gedaan.

De vraag is of Christus’ werk voldoende is.

Is Zijn offer volledig?

Is Zijn bloed genoegzaam?

Is Zijn opstanding de grond van onze rechtvaardiging?

Is Zijn genade werkelijk Genade?

Wanneer het antwoord ja is, kan er niets aan worden toegevoegd.

Wie iets toevoegt aan het volbrachte werk van Christus, maakt dat werk niet sterker. Hij verklaart het daarmee juist onvoldoende.

Samengevat

De wet is heilig, rechtvaardig en goed. Zij openbaart Gods maatstaf en stelt de zondaar schuldig.

Maar de wet kan geen leven geven.

De wet kan niet rechtvaardigen.

De wet kan niet reinigen.

De wet kan niemand zaligmaken.

Daarom gaf God Zijn Zoon.

Wet en Genade sluiten elkaar uit als grond voor rechtvaardiging. De mens wordt niet gedeeltelijk door Christus en gedeeltelijk door eigen werken gered. Hij wordt volledig uit Genade gerechtvaardigd, door het geloof, op grond van het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Het grootste gevaar voor het Evangelie is daarom niet alleen openlijk ongeloof. Het is ook de vrome poging om aan Christus iets toe te voegen.

Paulus laat geen middenweg toe.

Óf de rechtvaardiging is uit werken.

Óf zij is uit genade.

Óf de mens roemt in zichzelf.

Óf hij roemt uitsluitend in het kruis.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” (Galaten 6:14, STV)

De wet is goed.

Maar alleen de genade van God in de Here Jezus Christus kan een verloren zondaar zaligmaken.

“Want het einde (einddoel) der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft” (Romeinen 10:4, STV)

 

Dus niet:

Dit alles samengevat in een video

YouTube player

zie ook:

wet en genade – Bijbelse basis

(extern)

wet en genade » Bijbels Panorama

De tien geboden – Wet, genade en toepassing

Geverifieerd door MonsterInsights