Hebreeën 12: niet terug naar Sinaï, maar zien op Jezus

Hebreeën 12: geen vriendelijk stukje geestelijke coaching

Hebreeën 12 is geen vriendelijk stukje geestelijke coaching voor mensen die wat meer motivatie nodig hebben. Het is een ernstige en indringende waarschuwing aan gelovigen die dreigen te verflauwen, terug te vallen en hun hemelse roeping in te ruilen voor zichtbare religie.

De Hebreeën stonden onder druk. Zij hadden tegenstand en lijden ervaren. Daardoor werden zij verleid om terug te keren naar het oude, tastbare godsdienstige bestel. Terug naar de zekerheid van regels, rituelen, priesters, offers en zichtbare heiligdommen. Terug naar datgene wat vertrouwd, aards en menselijk controleerbaar was.

Maar Hebreeën 12 roept niet op om een comfortabeler geloof te zoeken. Het hoofdstuk wijst de gelovige weg van zichzelf, van menselijke godsdienst en van zichtbare zekerheden:

“Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is; ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:1-2, STV)

Dat is de kern van Hebreeën 12. Niet zien op onszelf. Niet zien op religieuze leiders. Niet zien op omstandigheden. Niet zien op onze geestelijke prestaties.

Zie(n) op Jezus.

 

De wolk der getuigen wijst ons op Gods trouw

Hebreeën 12 is het directe vervolg op Hebreeën 11. Daar worden Abel, Henoch, Noach, Abraham, Mozes en vele anderen genoemd. Zij vormen de grote wolk der getuigen.

Dat betekent niet in de eerste plaats dat zij vanuit de hemel als toeschouwers naar onze levens kijken. Zij zijn getuigen doordat hun levens getuigen van Gods trouw.

Zij hebben geloofd zonder alles tijdens hun aardse leven te ontvangen. Zij hebben vertrouwd zonder de volledige vervulling van Gods beloften te zien. Hun levens verklaren dat God betrouwbaar is, ook wanneer de omstandigheden het tegendeel lijken te zeggen.

Daarom volgt de oproep:

“Laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt.” (Hebreeën 12:1, STV)

Niet iedere last is op zichzelf zondig. Sommige dingen zijn misschien geoorloofd, maar belemmeren ons wel. Zij nemen onze aandacht gevangen, voeden onze bezorgdheid of binden ons aan aardse zekerheid.

Daarnaast is er de zonde die ons gemakkelijk omringt. Zij fluistert dat volhouden geen zin heeft. Dat Gods beloften te lang op zich laten wachten. Dat wij beter kunnen leven bij wat wij zien, voelen en onmiddellijk kunnen grijpen.

Het geloof zegt echter niet dat de omstandigheden onwerkelijk zijn. Het geloof ziet door de omstandigheden heen op Hem Die getrouw is.

 

Het christenleven leven draait niet om onze prestaties

De loopbaan van het geloof is geen geestelijke wedstrijd waarin wij zouden moeten bewijzen dat wij sterker, heiliger of meer toegewijd zouden zijn dan anderen.

De Schrift zegt:

“Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:2, STV)

Hij is de Leidsman omdat Hij de weg geopend heeft. Hij is de Voleinder omdat Hij het geloof tot zijn bestemming brengt.

Veel hedendaagse prediking legt de last juist opnieuw op de gelovige. Jij moet doorbreken. Jij moet je bestemming grijpen. Jij moet het Koninkrijk zichtbaar maken. Jij moet een hoger geestelijk niveau bereiken. Jij moet meer geloof produceren. Jij moet jezelf onder het juiste leiderschap plaatsen.

Hebreeën 12 zegt niet: zie hoe ver u inmiddels gekomen bent.

Het zegt: zie op Jezus.

De vraag is niet hoeveel geestelijke kracht wij kunnen opbrengen. De vraag is of ons oog gericht blijft op Hem Die het kruis heeft verdragen, de schande heeft veracht en nu gezeten is aan de rechterhand van God.

Wanneer Christus slechts als beginpunt van het geloof wordt voorgesteld en daarna plaats moet maken voor onze prestaties, is het Evangelie al snel ingeruild voor religieuze zelfwerkzaamheid.

Christus is niet alleen Degene door Wie wij begonnen zijn. Hij is ook de Voleinder.

 

Christus verdroeg het kruis en verachtte de schande

De Heere Jezus zag door het lijden heen op de vreugde die Hem was voorgesteld:

“Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods.” (Hebreeën 12:2, STV)

Het kruis was geen overwinning omdat het lijden slechts schijn zou zijn geweest. Christus heeft werkelijk geleden. Hij heeft het kruis verdragen. Hij heeft de schande niet ontkend, maar veracht.

De schande kreeg niet het laatste woord. Het lijden was werkelijk, maar de heerlijkheid die volgde was groter.

Daarom staat er:

“Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.” (Hebreeën 12:3, STV)

Wie alleen op zichzelf ziet, zal uiteindelijk verflauwen. Wie voortdurend zijn eigen geloof meet, zijn eigen geestelijke toestand beoordeelt en zijn eigen tekortkomingen onderzoekt zonder op Christus te zien, zal bezwijken in zijn ziel.

Zelfonderzoek heeft zijn plaats, maar het is geen redder. Onze zekerheid ligt niet in de vaststelling dat wij voldoende geloof, voldoende vrucht of voldoende geestelijke groei kunnen aantonen.

Onze zekerheid ligt in Christus.

De oplossing voor geestelijke moedeloosheid is daarom niet eindeloos in onszelf graven. De oplossing is Christus aanmerken. Overdenken wat Hij heeft verdragen. Zien waar Hij nu is: niet meer aan het kruis, maar aan de rechterhand van God.

 

Kastijding is géén betaling voor onze zonden

Hebreeën 12 spreekt vervolgens over kastijding. Dat woord is vaak hard en onbarmhartig gebruikt.

Sommige predikers wekken de indruk dat iedere ziekte, tegenslag of moeilijkheid een rechtstreekse straf van God is voor een bepaalde verborgen zonde. Daarmee worden gewonde gelovigen nog verder verwond.

Hebreeën 12 leert niet dat wij bij ieder lijden onmiddellijk moeten zoeken naar een concrete overtreding waarvoor God ons zou straffen. De zonden van de gelovige zijn geoordeeld in het offer van Christus.

God rekent niet alsnog met de gelovige af alsof het bloed van Christus onvoldoende was.

Kastijding betekent in Hebreeën 12 vooral vaderlijke opvoeding, vorming en correctie:

“Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt.” (Hebreeën 12:6, STV)

God kastijdt ons niet om ons tot zonen te maken. Hij behandelt ons zo omdat Hij ons als zonen heeft aangenomen.

Dat onderscheid is van levensbelang.

De gelovige ontvangt zijn positie niet als beloning voor een goede wandel. Zijn wandel wordt gevormd omdat hij in Christus een positie ontvangen heeft.

Gods opvoeding is dus geen teken dat Hij ons heeft verstoten. Zij bewijst juist dat Hij ons niet aan onszelf overlaat. Hij behandelt ons niet als vreemdelingen, maar als kinderen.

 

De positie van de gelovige staat vast in Christus

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de positie van de gelovige en zijn praktische toestand.

De positie van de gelovige is volmaakt omdat zij rust op het volbrachte werk van Christus. De praktische wandel is nog onvolmaakt en heeft vorming, correctie en groei nodig.

God geeft niet eerst een onzekere proefpositie om af te wachten of wij goed genoeg zullen presteren. Hij neemt de gelovige aan in Christus en vormt hem vervolgens in overeenstemming met die ontvangen positie.

De kastijding van God heeft daarom niet tot doel onze positie in Christus onzeker te maken. Zij heeft tot doel onze levenswandel in overeenstemming te brengen met wie wij in Christus geworden zijn.

Onze positie is niet het resultaat van een volmaakt karakter. Ons karakter behoort de vrucht te worden van de volmaakte positie die wij in Christus ontvangen hebben.

Dat maakt de opvoeding niet aangenaam:

“En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn.” (Hebreeën 12:11, STV)

De Schrift doet niet alsof lijden prettig is. Zij noemt droefheid gewoon droefheid.

Bijbels geloof is geen toneelstuk van voortdurende overwinning waarin verdriet, zwakheid, verwarring en teleurstelling niet mogen bestaan. Maar de droefheid hoeft niet het laatste woord te hebben:

“Doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn.” (Hebreeën 12:11, STV)

Niet ieder mens die lijdt, wordt automatisch geestelijk rijper. De vrucht ontstaat bij degenen die door de omstandigheden geoefend worden. Zij leren hun vertrouwen niet meer te stellen op zichzelf, hun gezondheid, hun positie of hun eigen plannen, maar op God.

 

Wat kreupel is, moet genezen worden

Na het onderwijs over kastijding volgt een herderlijke vermaning:

“Daarom, richt wederop de trage handen en de slappe knieën.” (Hebreeën 12:12, STV)

Dat is niet alleen een oproep om onszelf te herpakken. Het is ook een opdracht om naar elkaar om te zien.

De Gemeente behoort geen plaats te zijn waar vermoeide mensen nog een extra last op de schouders krijgen. Zij is geen bedrijf waarin alleen sterke, zichtbare, succesvolle en productieve mensen meetellen.

Waar Christus centraal staat, worden trage handen opgericht en slappe knieën versterkt.

Daarom staat er:

“En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.” (Hebreeën 12:13, STV)

Wat kreupel is, moet niet worden vertrapt. Het moet genezen worden.

Dit is een scherpe aanklacht tegen religieuze systemen waarin zwakheid wordt gezien als geestelijk falen. Tegen leiders die mensen onder druk zetten om meer te presteren, meer te geven, meer te dienen en meer geloof te tonen, terwijl hun innerlijk langzaam breekt.

Ook het misbruik van woorden als toewijding, gehoorzaamheid, gezag en onderwerping kan zwakke mensen verder beschadigen.

Christus is niet gekomen om het gekrookte riet te breken. Wie namens Hem optreedt, behoort dat evenmin te doen.

Herderlijke zorg bestaat niet uit het ontkennen van zwakheid. Zij bestaat uit het wijzen van de zwakke op Christus en het dragen van elkanders lasten.

 

Heiligmaking is geen zelfverbeteringsproject

Hebreeën 12 roept op om vrede en heiligmaking na te jagen:

“Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.” (Hebreeën 12:14, STV)

Deze tekst leert niet dat wij door voldoende heiligmaking alsnog onze behoudenis moeten verdienen. Heiligmaking is geen ladder waarlangs wij onszelf naar God opwerken.

Heiligmaking is afzondering tot God. Zij vloeit voort uit de genade die wij ontvangen hebben.

De gelovige wordt niet heilig door zijn eigen inspanning tot grond van zijn aanvaarding te maken. Hij is in Christus tot God gebracht en wordt vervolgens opgeroepen overeenkomstig die positie te wandelen.

Genade is daarom niet hetzelfde als vrijblijvendheid. Wie door God is vrijgemaakt, wordt niet vrijgemaakt om opnieuw voor zichzelf te leven.

Genade verlost ons niet alleen van de schuld van de zonde. Zij onderwijst ons ook om de goddeloosheid te verzaken.

 

Bitterheid verontreinigt meer dan één mens

Het hoofdstuk waarschuwt indringend voor de wortel van bitterheid:

“Toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden.” (Hebreeën 12:15, STV)

Bitterheid begint vaak verborgen. Zij groeit onder de oppervlakte. Zij kan gevoed worden door werkelijk onrecht, teleurstelling, vernedering, geestelijk misbruik en onverwerkte boosheid.

Die pijn mag niet worden ontkend. De Schrift roept ons nergens op om kwaad goed te noemen of misbruik te bedekken met een valse oproep tot vergeving.

Onrecht moet benoemd worden. Zonde moet in het licht komen. Geestelijke leiders zijn niet boven correctie verheven.

Maar de gelovige mag zijn hart niet aan bitterheid uitleveren.

Bitterheid blijft zelden beperkt tot degene die gekwetst werd. Zij spruit op, veroorzaakt beroering en verontreinigt velen. Zij verandert pijn in een bron waaruit steeds opnieuw wantrouwen, boosheid en verdeeldheid voortkomen.

De genade van God leert ons niet om onrecht te ontkennen. Zij leert ons om het uiteindelijke oordeel aan God over te laten en te voorkomen dat het kwaad dat ons is aangedaan, ook ons eigen hart gaat regeren.

 

Ezau koos het onmiddellijke boven de erfenis

Ezau wordt in Hebreeën 12 als waarschuwing genoemd:

“Gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” (Hebreeën 12:16, STV)

Ezau ruilde het blijvende in voor het onmiddellijke. Het eerstgeboorterecht had betrekking op erfenis, positie en toekomst. Maar op dat moment zag hij alleen zijn honger.

Dat is de verleiding die telkens terugkeert.

Wij kunnen geestelijke rijkdom inruilen voor onmiddellijke bevrediging. Waarheid voor acceptatie. De hemelse roeping voor aardse invloed. Christus voor religieuze ervaring. Bijbelse eenvoud voor indrukwekkende geestelijke systemen.

Ook kerken kunnen zich gedragen als Ezau.

Zij verkopen waarheid voor maatschappelijke relevantie. Zij ruilen genade in voor controle. Zij verruilen de hemelse roeping voor politieke of culturele macht.

Zij spreken over het Koninkrijk, maar bedoelen menselijke invloed.

Zij spreken over ‘apostolisch gezag’, maar bouwen een hiërarchie.

Zij spreken over eenheid, maar verdragen geen toetsing.

Zij spreken over zalving, maar dulden geen tegenspraak.

Zij spreken over geestelijke vaders, maar maken volwassen gelovigen afhankelijk van menselijke leiders.

Hebreeën 12 waarschuwt: geef de erfenis niet prijs voor één maaltijd.

 

Niet gekomen tot Sinaï

Het hoogtepunt van Hebreeën 12 ligt in de tegenstelling tussen Sinaï en Sion:

“Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder.” (Hebreeën 12:18, STV)

Sinaï spreekt van wet, afstand, vrees en oordeel. De berg kon worden aangeraakt, maar mocht niet worden aangeraakt. Het volk stond op afstand. Zelfs Mozes was bevreesd en bevende.

De wet brengt de mens niet vrijmoedig bij God. Zij openbaart juist hoe onmogelijk het is voor de zondaar om op grond van eigen gerechtigheid voor God te bestaan.

Toch keren veel christenen in de praktijk terug naar Sinaï. Niet door letterlijk naar die berg te reizen, maar door opnieuw een godsdienstig systeem van voorwaarden te bouwen.

God zal u zegenen wanneer u genoeg doet.

God zal u aannemen wanneer uw toewijding groot genoeg is.

God zal u genezen wanneer uw geloof sterk genoeg is.

God zal u gebruiken wanneer u zich aan de juiste leider onderwerpt.

God zal u bevrijden wanneer u de juiste geestelijke techniek toepast.

Dat is geen Evangelie van genade. Dat is Sinaï, gecamoufleerd met christelijke terminologie.

Wetticisme bestaat niet alleen uit het opleggen van oudtestamentische voorschriften. Het ontstaat overal waar de zekerheid, aanvaarding en zegen van de gelovige opnieuw afhankelijk worden gemaakt van menselijke prestaties.

 

Gij zijt gekomen tot Sion

Tegenover Sinaï staat Sion:

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem.” (Hebreeën 12:22, STV)

Niet: gij zult misschien ooit komen wanneer u voldoende volhardt.

Er staat: gij zijt gekomen.

Dit beschrijft de positie van de gelovige in Christus. Hij behoort niet langer bij het aardse systeem van afstand en veroordeling, maar bij het hemelse Jeruzalem.

Hij is gekomen:

“Tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn.” (Hebreeën 12:23, STV)

De Gemeente heeft een hemelse positie, een hemelse roeping en een hemelse erfenis. Zij is geen organisatie die geroepen is om de wereld over te nemen. Zij is het lichaam van Christus, verbonden met haar hemelse Hoofd.

Dit ontneemt de gelovige niet zijn verantwoordelijkheid op aarde. Het bepaalt juist hoe hij hier behoort te leven: als vreemdeling, getuige en dienaar.

Niet als machthebber die door menselijke strategie het Koninkrijk moet oprichten.

De Gemeente is niet geroepen om Sinaï te herstellen, de wereld te beheersen of een religieus machtsblok te bouwen. Zij is geroepen om Christus te verkondigen, de waarheid vast te houden en te wandelen in overeenstemming met haar hemelse roeping.

 

Het bloed van Christus spreekt betere dingen

De gelovige is gekomen:

“Tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.” (Hebreeën 12:24, STV)

Het bloed van Abel riep om recht en vergelding. Het bloed van Christus spreekt van verzoening, reiniging en rechtvaardiging.

Abels bloed getuigde tegen de schuldige. Het bloed van Christus getuigt vóór degene die gelooft.

Daarom is iedere leer die de zekerheid van de gelovige opnieuw afhankelijk maakt van menselijke prestaties een aantasting van de betekenis van het bloed van Christus.

Iedere geestelijke leider die mensen door angst, dreiging en manipulatie aan zich bindt, voert hen in de praktijk terug naar Sinaï.

Iedere prediking die meer spreekt over onze offers dan over Zijn Offer, is uit evenwicht.

Iedere leer die beweert dat wij nog een aanvullende zalving, bemiddeling, impartatie of geestelijke bedekking nodig hebben om werkelijk aanvaard en bruikbaar te zijn, doet tekort aan de volheid die de gelovige in Christus ontvangen heeft.

Het bloed van Christus spreekt betere dingen.

De vraag is : luisteren wij ook?

 

Verwerp Hem Die spreekt niet

Genade is geen vrijblijvendheid. Juist omdat God vanuit de hemel spreekt door Zijn Zoon, is de verantwoordelijkheid groot:

“Ziet toe dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt.” (Hebreeën 12:25, STV)

De Hebreeën dreigden Christus niet noodzakelijk openlijk te vervloeken. Zij dreigden terug te keren naar een godsdienst waarin Hij in de praktijk niet langer voldoende was.

Dat gevaar bestaat nog steeds.

Christus wordt zelden openlijk uit de kerk verwijderd. Veel vaker wordt Hij bedolven onder programma’s, methoden, visies, leiderschapsmodellen, ervaringen en menselijk bedachte terminologie.

Zijn Naam wordt nog genoemd, maar Zijn volbrachte werk is niet langer genoeg.

Er moet een nieuwe zalving bij.

Een nieuwe doorbraak.

Een apostolische orde.

Een profetisch woord.

Een geestelijke vader.

Een strategie om het Koninkrijk zichtbaar te maken.

Hebreeën 12 snijdt door deze religieuze rook heen.

Wij hebben geen nieuwe middelaar nodig.

Wij zijn gekomen tot Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond.

 

Wij bouwen het Koninkrijk niet, wij ontvangen het

Hebreeën 12 eindigt met het onbeweeglijke Koninkrijk:

“Daarom, alzo wij een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebreeën 12:28, STV)

Let op het woord ontvangen.

Wij bouwen het Koninkrijk niet. Wij vestigen het niet door menselijke invloed. Wij maken het niet zichtbaar door politieke macht, culturele dominantie of apostolische strategieën.

Wij ontvangen het.

Het Koninkrijk is onbeweeglijk omdat het niet rust op kerkelijke organisaties, maatschappelijke bewegingen of geestelijke beroemdheden. Het rust op Christus.

Hij is opgewekt. Hij is verhoogd. Hij is gezeten aan de rechterhand van God. Zijn Koninkrijk zal op Gods tijd volledig openbaar worden.

Wie beweert dat de Gemeente het Koninkrijk op aarde moet realiseren, legt een opdracht op die Hebreeën 12 niet geeft.

Het hoofdstuk zegt niet: bouw het Koninkrijk.

Het zegt: ontvang het Koninkrijk, houd de genade vast en dien God.

Niet triomfantelijk alsof wij de wereld al moeten beheersen.

Niet zelfverzekerd alsof het succes van Gods plan van onze strategie afhankelijk is.

Maar:

“Met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebreeën 12:28, STV)

 

Onze God is een verterend vuur

De slotwoorden van Hebreeën 12 zijn zeer serieus:

“Want onze God is een verterend vuur.” (Hebreeën 12:29, STV)

De God van Sion is niet minder heilig dan de God van Sinaï.

Genade betekent niet dat God de zonde onbelangrijk vindt. Genade betekent dat het oordeel over de zonde volledig gedragen is door Christus.

Daarom is oppervlakkigheid misplaatst. Daarom kunnen wij niet met de waarheid spelen. Daarom mogen wij de genade niet veranderen in een vrijbrief voor zonde, hoogmoed of religieuze zelfverheffing.

Dezelfde God Die ons in Christus nabijgebracht heeft, is een verterend vuur.

Dat moet de gelovige niet terugdrijven in slaafse angst. Het behoort hem te brengen tot eerbied, ootmoed en dankbaarheid.

Wie werkelijk begrijpt wat genade gekost heeft, gaat niet lichtvaardig met de zonde om.

 

Blijf zien op Jezus

Misschien zijn uw handen moe geworden. Misschien zijn uw knieën slap. Misschien hebt u geleden onder harde religie, manipulatief leiderschap of prediking die u voortdurend het gevoel gaf dat u tekortschiet.

Hebreeën 12 zegt niet dat u uzelf moet redden.

Het zegt: zie op Jezus.

Misschien voelt de weg zwaar. Misschien begrijpt u Gods handelen niet. Misschien lijkt de vreugde ver weg.

Zie op Jezus.

Hij heeft het kruis verdragen. Hij heeft de schande veracht. Hij is gezeten aan de rechterhand van God.

Keer niet terug naar Sinaï. Zoek geen zekerheid in religieuze systemen, menselijke leiders, geestelijke ervaringen of uw eigen prestaties.

U bent gekomen tot Sion. Tot het hemelse Jeruzalem. Tot de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Tot het bloed dat betere dingen spreekt.

Leg daarom de lasten af. Houd de genade vast. Richt de slappe knieën op. Maak rechte paden. Bewaar uw hart voor bitterheid.

En loop de loopbaan die u is voorgesteld:

“Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:2, STV)

Romeinen 4 over Genade als vaste grond

Vast in Genade

Romeinen 4 is een hoofdstuk voor vermoeide mensen. Voor mensen die ervaren dat hun geloof niet altijd groot is. Voor mensen die zichzelf tegenvallen. Voor mensen die soms kijken naar hun lichaam, hun omstandigheden, hun verleden, hun zwakheid, hun zonde, hun onvermogen, en dan denken: hoe kan Gods belofte voor mij nog vaststaan?

Paulus wijst ons niet op onze kracht. Niet op onze prestaties. Niet op onze geestelijke staat van dienst. Hij brengt ons bij Abraham. En via Abraham brengt hij ons naar God Zelf.

Want de boodschap van dit gedeelte is niet: Abraham was zo sterk.

De boodschap is: God is zo betrouwbaar.

Belofte ligt vast omdat-het Genade is.
Belofte ligt vast omdat het Genade is.

Uit geloof

Paulus schrijft:

“Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade” Romeinen 4:16 (STV)

Dat is een zin om langzaam te lezen. De belofte is uit geloof, opdat zij naar genade is. En omdat zij naar genade is, is zij vast.

Niet omdat Abraham zo indrukwekkend was.
Niet omdat zijn omstandigheden zo hoopgevend waren.
Niet omdat zijn lichaam nog vol levenskracht was.
Niet omdat Sara menselijk gesproken nog kinderen kon krijgen.

Integendeel. Alles sprak hen tegen.

Abraham was oud. Sara was onvruchtbaar. De belofte leek onmogelijk. En toch staat er:

“Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen.” Romeinen 4:18 (STV)

Dat is geloof. Niet optimisme. Niet jezelf moed inspreken met losse kreten. Niet doen alsof de feiten niet bestaan. Geloof is: God meer vertrouwen dan wat zichtbaar is.

Abraham keek niet weg van de feiten

Abraham zag de dood in zijn eigen lichaam. Hij zag de onmogelijkheid bij Sara. Hij had alle reden om te zeggen: dit kan niet meer. En menselijk gesproken klopte dat ook.

Maar geloof rekent niet alleen met wat de mens nog kan. Geloof rekent met Wie God is.

Paulus zegt van God:

“God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren” Romeinen 4:17 (STV)

Dát is de God van het Evangelie. Niet een God Die alleen werkt wanneer er nog genoeg menselijke mogelijkheden over zijn. Niet een God Die wacht tot wij sterk genoeg zijn, in de overwinningsmodus gaan om Zijn belofte waar te maken. Maar de God Die leven brengt waar dood is. Die roept wat er nog niet is. Die Zijn eigen Woord vervult, ook wanneer de omstandigheden gesloten lijken als een graf.

Daarom is dit zo bemoedigend.

Want als de belofte door de wet zou zijn, dan viel alles terug op de mens. Dan moest de mens het waarmaken. Dan moest de mens voldoen. Dan moest de mens zichzelf omhoog werken tot het niveau van Gods eis. Maar Paulus snijdt die weg af:

“Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.” Romeinen 4:14 (STV)

Als het via de wet loopt, wordt geloof leeg. Dan wordt de belofte krachteloos. Dan blijft er geen rust over, maar alleen spanning.

Heb ik genoeg gedaan?

Ben ik ver genoeg gekomen?

Is mijn geloof wel sterk genoeg?

Is mijn wandel wel zuiver genoeg?

Heb ik niet te veel gefaald?

Maar God heeft de belofte niet op die grond gefundeerd.

Hij heeft haar gefundeerd op Genade.

En Genade is geen dun laagje over menselijke verdienste. Genade is niet God Die het laatste beetje aanvult nadat wij ons best hebben gedaan. Genade is Gods vrije gunst voor mensen die niets kunnen aanbrengen om zichzelf rechtvaardig te maken.

Daarom ligt de belofte vast.

Niet ik maar Christus, rust vinden buiten jezelf

Niet omdat jij zo vast bent.
Maar omdat Christus vast is.
Niet omdat jouw hand altijd stevig vasthoudt.
Maar omdat Gods hand niet loslaat.
Niet omdat jouw geloof nooit beeft.
Maar omdat het voorwerp van je geloof niet wankelt.

Abraham werd niet gerechtvaardigd omdat hij een groot geloof als prestatie leverde. Hij werd gerechtvaardigd omdat hij God geloofde. Omdat hij rustte in Gods belofte.

“En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer; En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen.” Romeinen 4:20-21 (STV)

Dat is de kern: God is machtig te doen wat Hij beloofd heeft.

En Paulus laat ons niet bij Abraham staan alsof dit alleen een oude geschiedenis is. Hij zegt nadrukkelijk dat dit ook voor ons geschreven is:

“Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is; Maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, namelijk dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft” Romeinen 4:23-24 (STV)

Daar wordt het verhaal ineens heel persoonlijk.

Dit gaat niet alleen over Abraham. Dit gaat over iedereen die gelooft in God, Die Jezus onze Heere uit de doden opgewekt heeft. Het geloof ziet dus niet maar vaag omhoog. Het grijpt zich vast aan de God van de opstanding. Aan de God Die niet alleen leven beloofde uit Abrahams verstorven lichaam, maar Die Zijn eigen Zoon uit de doden heeft opgewekt.

En dan eindigt dit gedeelte bij het hart van het Evangelie:

“Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.” Romeinen 4:25 (STV)

Dáár ligt de rust.

Christus is overgeleverd om onze zonden. Niet om vage fouten. Niet om kleine tekortkomingen.

Om onze zonden.

Schuld.

Overtreding.

Verlorenheid.

En Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

Zijn opstanding is Gods stempel op het volbrachte werk. God zegt: het offer is aangenomen. De schuld is gedragen. De dood is overwonnen. De rechtvaardiging staat vast.

Daarom mag een gelovige ademen en leven.

Niet omdat hij nooit struikelt.
Niet omdat hij zichzelf altijd begrijpt.
Niet omdat zijn gevoel altijd meewerkt.
Niet omdat de omstandigheden hoopvol lijken.

Maar omdat Jezus Christus overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

Dat maakt Romeinen 4 zo sterk bemoedigend. Het haalt de grond onder onszelf vandaan, maar geeft een veel betere grond onder onze voeten: Christus Zelf.

De wet werkt toorn. De wet wijst aan, legt bloot, veroordeelt. Maar de belofte is uit geloof, opdat zij naar Genade zij. En omdat zij naar genade is, is zij vast.

Dus wanneer je zwak bent: zie niet eerst naar je zwakheid, maar naar Hem Die de doden levend maakt.

Wanneer je omstandigheden tegenspreken: zie niet alleen naar wat zichtbaar is, maar naar Gods belofte.

Wanneer je geweten je aanklaagt: vlucht niet naar betere prestaties, maar naar Christus, Die overgeleverd is om onze zonden.

Wanneer je bang bent dat je tekortschiet: hoor opnieuw dat de belofte vast is, niet omdat jij deze overeind houdt, maar omdat Gods Genade dat doet

God rechtvaardigt niet de mens die zichzelf denkt te kunnen handhaven . Hij rechtvaardigt de goddeloze die gelooft. Hij maakt levend waar dood is. Hij vervult wat Hij belooft. Hij wekt op wat begraven lijkt.

Romeinen 4 laat zien dat Gods belofte niet rust op menselijke prestatie, wetsonderhouding of geestelijke kracht. Abraham werd gerechtvaardigd door geloof, terwijl alles menselijk gesproken onmogelijk leek. Juist daarom is dit gedeelte zo bemoedigend: God maakt de doden levend en vervult wat Hij belooft. Voor de gelovige ligt de zekerheid uiteindelijk niet in zichzelf, maar in Christus,

“Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.” Romeinen 4:25 (STV)

 

Daarom mag het geloof, soms bevend, maar hardop, zeggen:

Heer, ik zie mijn onvermogen.
Ik zie mijn zonde.
Ik zie mijn zwakheid.
Maar ik zie ook Christus.
Overgeleverd om mijn zonden.
Opgewekt om mijn rechtvaardigmaking.

Dat is genoeg.

Zie ook:

Wat bedoelt de Bijbel met “leven uit Genade”? – Bijbelse basis

Wet en Genade sluiten elkaar uit – Bijbelse basis

Genade? – Bijbelse basis

De tien geboden als leefregel?

Waarom de wet geen ladder naar God is

Er zijn maar weinig onderwerpen waarbij christenen zo snel in een kramp schieten als bij de tien geboden. Zodra je zegt dat de gelovige niet onder de wet is, klinkt al gauw de verdenking:

dus jij wilt er maar op los leven?

Alsof er maar twee opties zijn: óf onder Mozes, óf morele chaos.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De Bijbel zet de gelovige niet terug onder Sinaï, maar brengt hem tot Christus. Niet tot de berg van donder, vuur en afstand, maar tot de Middelaar van het nieuwe verbond. Niet tot stenen tafelen als leefregel voor het vlees, maar tot een levende Heere Die door Zijn Woord en Geest werkt in het hart.

Paulus schrijft niet aarzelend, maar glashelder:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)

Daar staat niet:

gij zijt onder een sanctieloze uitgeklede light-versie van de wet.

Ook niet:

gij zijt onder de wet als dankbaarheidsregel.

Er staat: niet onder de wet, maar onder de genade.

Dat ene zinnetje is genoeg om heel wat religieuze vanzelfsprekendheden te laten wankelen.

leven onder de wet of uit genade
leven onder de wet of uit genade

 

De wet begint niet met een algemeen menselijk moraalprogramma

De tien geboden worden vaak losgemaakt uit hun bedding. Dan worden ze behandeld alsof God op Sinaï een universele gedragscode gaf voor alle mensen in alle tijden, en alsof de christen daar vandaag rechtstreeks onder staat.

Maar Exodus 20 begint niet met:

mensen, hier is Mijn algemene leefregel voor de wereld.

God zegt eerst:

“Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” Exodus 20:2 (STV)

Dat is geen losse aanhef. Dat is de historische en verbondsmatige context. De wet werd gegeven aan Israël, verlost uit Egypte, geplaatst onder het oude verbond. Sinaï is geen neutrale morele collegezaal. Sinaï is de berg waar God een verbond opricht met een volk dat zegt:

“Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.” Exodus 19:8 (STV)

Dat klinkt godsdienstig. Het klinkt gehoorzaam. Het klinkt alsof Israël de juiste houding heeft. Maar daar zit nu juist de tragiek. De mens belooft te doen wat hij niet kan volbrengen.

De wet eist alles. Niet ongeveer. Niet grotendeels. Niet met goede bedoelingen. Alles.

“Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.” Jakobus 2:10 (STV)

Daar is de scherpte van de wet. Zij is geen ladder met tien treden waarop je langzaam richting God klimt. Zij is een spiegel die laat zien dat de mens schuldig staat.

 

Sinaï was geen knus discipelschapstraject

Wie de komst van de wet in Exodus leest, ziet geen lieflijk tafereel.

Donder. Bliksem. Bazuingeschal. Een rokende berg. Een volk dat terugwijkt. Angst. Afstand.

Dat is niet toevallig. De omstandigheden passen bij de bediening die daar begint. De wet is heilig, rechtvaardig en goed, maar voor de zondige mens brengt zij geen leven voort. Zij legt bloot. Zij veroordeelt. Zij sluit de mond.

Paulus zegt:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” Romeinen 3:20 (STV)

Let goed op: door de wet komt kennis van zonde, niet verlossing van zonde. De wet kan aanwijzen, aanklagen en veroordelen. Maar zij kan de zondaar niet levend maken.

Wie de wet preekt als weg tot heiliging, moet zich afvragen of hij niet een juk oplegt dat zelfs Israël niet heeft kunnen dragen. Petrus zei tijdens de vergadering in Jeruzalem:

“Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?” Handelingen 15:10 (STV)

Dat is geen nietszeggend zinnetje. Dat is apostolisch verzet tegen het weer opleggen van het juk.

 

Christus is niet gekomen om ons terug te sturen naar Mozes

Het evangelie is niet: Christus vergeeft u, en Mozes maakt het daarna af.

Toch lijkt dat in veel prediking wel de praktische uitkomst. Eerst wordt genade gepreekt voor de vergeving. Daarna wordt de wet weer naar voren gehaald als het systeem waaronder de gelovige moet leren leven. Zo krijg je een vreemd mengsel: Christus voor de ingang, Mozes voor de dagelijkse praktijk.

Maar Paulus zegt:

“Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.” Romeinen 10:4 (STV)

Christus is niet een tussenstation onderweg naar een betere wetsbetrachting. Hij is het einde der wet tot rechtvaardigheid. Hij heeft de wet niet half vervuld om haar daarna als geestelijke gietmal over de Gemeente heen te leggen. Hij heeft haar volbracht.

En aan het kruis is niet alleen onze schuld behandeld, maar ook het handschrift dat tegen ons was.

“Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende.” Kolossenzen 2:14 (STV)

Dat is geen kleine aanpassing binnen het systeem. Dat is een radicale overgang. Het oude verbond wordt niet opgepoetst tot christelijke levensregel. De gelovige wordt gebracht onder het nieuwe verbond, onder Christus, onder genade.

 

Niet onder de wet betekent niet zonder Christus

Hier ontstaat vaak verwarring. Zodra je zegt dat de gelovige niet onder de wet is, hoort men:

dus er is geen heiliging, geen gehoorzaamheid, geen wandel, geen vrucht.

Maar dat zegt de Schrift nergens.

Paulus, die zo scherp zegt dat wij niet onder de wet zijn, zegt even scherp:

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” Romeinen 6:15 (STV)

Genade is geen vrijbrief voor het vlees. Genade is daarentegen Gods kracht om ons uit de heerschappij van zonde en wet te trekken en ons te verbinden aan Christus.

De gelovige leeft niet wetteloos. Hij leeft niet stuurloos. Hij leeft niet als los verkrijgbaar religieus onderdeel zonder Hoofd.

Hij leeft uit Christus.

De leefregel van de gelovige is niet de stenen tafel, maar de opgestane Heer. Niet de letter als bediening des doods, maar de Geest. Niet Sinaï buiten ons, maar Christus in ons en Gods Woord dat ons denken vernieuwt.

“Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” 2 Korinthe 3:6 (STV)

Dát is het grote verschil. De wet zegt: doe en leef. De genade zegt: leef, omdat Christus Zich voor u gegeven heeft.

 

De wet was een tuchtmeester tot Christus

De wet had een Goddelijke functie. Zij was niet fout. Zij was niet zondig. Zij was niet minderwaardig in zichzelf. Het probleem zit niet in Gods wet, maar in de mens die onder de wet staat.

De wet heeft de zonde aangewezen. Zij heeft de mond gestopt. Zij heeft de mens schuldig gesteld. Zij heeft zichtbaar gemaakt dat de mens niet alleen verbetering nodig heeft, maar verlossing.

Paulus schrijft:

“Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.” Galaten 3:24-25 (STV)

Dat laatste zinnetje wordt vaak praktisch genegeerd. De wet was tuchtmeester tot Christus. Maar als het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester.

Niet meer.

Niet toch nog een beetje.

Niet als opvoedkundig hulpmiddel voor gevorderde gelovigen.

Niet meer onder de tuchtmeester.

 

Het gevaar van christelijke wetstaal

Veel christelijke verwarring ontstaat doordat men genadetaal en wetstaal door elkaar mengt. Men zegt: wij zijn uit genade behouden.

Vervolgens zegt men: nu moeten wij uit dankbaarheid de wet houden.

Dat klinkt vroom, maar het schuurt met de apostolische boodschap Want zodra de wet weer de normgevende sfeer wordt waarin de gelovige moet staan, wordt genade praktisch uitgehold. Dan is Christus genoeg om binnen te komen, maar niet genoeg om in te wandelen.

Paulus noemt dat geen evenwicht. Hij noemt het gevaarlijk.

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” Galaten 5:1 (STV)

Dat is een bevel, maar niet een bevel om terug te keren naar Mozes. Het is een bevel om te blijven staan in de vrijheid van Christus.

De grootste bedreiging voor genade is niet altijd openlijke losbandigheid. Soms komt de bedreiging keurig aangekleed, met Bijbelteksten in de hand, met ernstige taal, met veel nadruk op gehoorzaamheid, orde en dankbaarheid. Maar onder de oppervlakte wordt de gelovige langzaam teruggeleid naar Sinaï.

En dat is geen volwassen christendom. Dat is geestelijke achteruitgang.

 

De tien geboden worden pas helder in Christus

Betekent dit dat de tien geboden waardeloos zijn? Absoluut niet. De hele Schrift is van God ingegeven. De wet openbaart Gods heiligheid, Gods recht, Gods orde en vooral: de noodzaak van Christus.

Maar de vraag is hoe wij de wet lezen.

Lezen wij haar als contract waaronder wij staan? Dan komen wij onder vloek en oordeel.

Lezen wij haar als getuigenis dat heenwijst naar Christus? Dan zien wij haar glans.

De sabbat wijst naar rust. Niet naar religieuze zaterdagkramp of zondags wetticisme, maar naar rust in het volbrachte werk van God.

Het verbod op beelden wijst niet alleen tegen afgodsbeelden van hout en steen, maar ook tegen zelfgemaakte godsbeelden: een God naar onze smaak, onze traditie, onze kerkelijke vorm, onze vrome verbeelding.

Het verbod op het ijdel gebruiken van Gods Naam gaat dieper dan vloeken. Het raakt elke vorm van religie waarin Gods Naam wordt gebruikt zonder geloof, zonder kennis van Christus, zonder werkelijkheid.

Het gebod tegen begeren legt de wortel bloot. Zonde begint niet pas in de daad, maar in het hart.

Zo wordt de wet niet kleiner, maar dieper. Alleen: zij wordt niet onze reddingsladder. Zij wordt een getuige. Een spiegel. Een schaduw. Een richtingaanwijzer naar Christus.

 

De sabbat als voorbeeld van de diepere betekenis

Neem de sabbat. Veel christenen hebben daarvan een kerkelijke zondagsplicht gemaakt. Anderen proberen de zaterdag te herstellen. Weer anderen gebruiken de sabbat als identiteitsteken.

Maar Hebreeën trekt de lijn dieper. De ware rust ligt niet in een religieus dagensysteem, maar in het ingaan in Gods rust.

“Er blijft dan een rust over voor het volk Gods. Want die ingegaan is in Zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.” Hebreeën 4:9-10 (STV)

Daar gaat het om. Rusten van eigen werken. Niet werken om voor God aanvaard te worden. Niet zwoegen om jezelf geestelijk overeind te houden. Niet leven onder een religieuze zweep.

Christus heeft het werk volbracht.

Wie dat werkelijk gelooft, krijgt geen lui geloof, maar een bevrijd geloof. Geen passieve onverschilligheid, maar vrucht uit rust. Dat is een wereld van verschil.

 

De wet op stenen tafelen of het Woord in het hart

Onder het oude verbond werd de wet geschreven op stenen tafelen. Onder het nieuwe verbond schrijft God Zijn wet in het hart. Dat is geen cosmetische aanpassing, maar een wezenlijke verandering.

Jeremia profeteerde:

“Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” Jeremia 31:33 (STV)

Dit is geen oproep om terug te keren naar stenen tafelen. Dit is de belofte van een innerlijk werk van God. Hij werkt door Zijn Woord en Geest in het hart.

Dat betekent ook: echte gehoorzaamheid begint niet met druk van buitenaf, maar met leven van binnenuit. Niet met religieuze prestatie, maar met kennis van Christus.

Je kunt iemand wel bevelen God lief te hebben, maar liefde groeit niet uit dwang. Liefde groeit uit kennen. Wie Christus ziet als Degene Die Zich over verlorenen ontfermde, Die Zich gaf voor Zijn Gemeente, Die voor zondaren stierf, die krijgt Hem lief.

Daarom is de diepste vraag niet: houdt u de wet?

De diepste vraag is: kent u de Heer?

 

Christus kennen is iets anders dan religieuze vormen beheren

Het christendom kan gevaarlijk handig worden in het bewaren van vormen terwijl de werkelijkheid wegzakt. Men bewaart het avondmaal, de doop, de liturgie, de belijdenis, de vertaling, de kerkelijke orde, de traditie. Allemaal dingen die op hun plaats betekenis kunnen hebben.

Maar zodra de vorm de werkelijkheid vervangt, blijft er een gesneden beeld over.

Dan buigt men niet voor een gouden kalf, maar voor een systeem. Voor een liturgie. Voor een kerkelijke identiteit. Voor een theologische constructie. Voor een wettisch schema dat Christus naar de rand schuift.

En dat is misschien nog verraderlijker dan platte afgoderij. Want het klinkt Bijbels. Het ruikt naar ernst. Het lijkt veilig.

Maar ondertussen is Christus niet meer de levende Middelaar, maar een onderdeel van het systeem.

Dat is eigenwillige godsdienst. Een vroom bouwwerk waarin de mens toch weer zelf aan de knoppen zit.

 

De gelovige dient niet uit dwang, maar uit nieuw leven

De genade maakt een mens niet los van God, maar juist dienstbaar aan God. Alleen is die dienst niet de slavendienst van het oude verbond. Het is de dienst van het nieuwe verbond.

Dat is belangrijk.

Onder wet vraagt de mens: wat moet ik doen om te leven?

Onder genade hoort de gelovige: Christus heeft u levend gemaakt; wandel dan waardig uw roeping.

Onder wet staat de zweep achter je.

Onder genade staat Christus vóór je.

Onder wet komt gehoorzaamheid uit angst, druk of zelfhandhaving.

Onder genade komt vrucht uit geloof, liefde en gemeenschap met de Heere.

Dat betekent niet dat de gelovige nooit aangesproken, vermaand of gecorrigeerd wordt. De brieven staan vol vermaningen. Maar die vermaningen staan altijd op de bodem van genade. Eerst wordt gezegd wie de gelovige is in Christus. Daarna klinkt: wandel dan ook overeenkomstig die roeping.

Dat is géén wetticisme. Dat is nieuwtestamentische heiliging.

 

Waarom dit zo belangrijk is

Dit is geen droog dogma voor mensen die graag schema’s maken. Het raakt het hart van het evangelie.

Als wet en genade worden vermengd, krijg je verwarde gelovigen. Mensen die wel over Christus zingen, maar innerlijk leven alsof Mozes hun aanklager en coach tegelijk is. Mensen die nooit rust vinden, omdat er altijd nog een regel, plicht, ervaring of prestatie boven hun hoofd hangt.

Dan wordt het geloof als een loopband. Je beweegt wel, maar je komt nooit waar je wezen moet.

Daarom is Galaten zo fel.

Niet omdat Paulus tegen heilig leven is, maar omdat hij weet dat wettische vermenging het evangelie aantast. Niet aan de buitenkant misschien. Daar lijkt alles vroom. Maar in de kern wordt Christus onvoldoende.

En zodra Christus onvoldoende wordt, wordt de mens weer religieus belangrijk.

Dat is precies waar genade korte metten mee maakt.

 

De Bijbelse weg

De wet is door God gegeven.

De wet is heilig.

De wet openbaart zonde.

De wet veroordeelt de mens onder haar eis.

De wet kan niet rechtvaardigen.

De wet kan niet levend maken.

De wet was tuchtmeester tot Christus.

Christus heeft de wet vervuld.

De gelovige is niet onder de wet, maar onder de genade.

De gelovige leeft niet wetteloos, maar onder Christus.

De vrucht van het christelijke leven komt niet uit Sinaï, maar uit gemeenschap met de opgestane Heere.

Dat is de lijn die vastgehouden moet worden.

Niet omdat de wet slecht is, maar omdat Christus volkomen is.

 

Blijf weg bij Sinaï als woonplaats

Sinaï heeft zijn stem laten horen. En die stem was nodig. De mens moest leren dat hij niet kan staan op grond van eigen gehoorzaamheid. De mond moest gestopt worden. De zonde moest zonde worden. De schuld moest zichtbaar worden.

Maar de gelovige woont niet bij Sinaï.

Hij is gekomen tot Christus. Tot de Middelaar van het nieuwe verbond. Tot het bloed dat betere dingen spreekt. Tot genade. Tot rust. Tot leven.

Wie de tien geboden gebruikt om de gelovige weer onder het oude verbond te trekken, verwart de bediening van de dood met de bediening van de Geest. Wie de wet leest in het licht van Christus, ziet juist hoe diep en rijk zij van Hem getuigt.

 

De vraag is dus niet of Gods wet heilig is. Dat is zij.

De vraag is of Christus genoeg is.

En het Bijbelse antwoord is niet aarzelend, niet half, niet dubbelzinnig:

JA

Christus is genoeg.

Volkomen genoeg.

Daarom is de christen niet geroepen om terug te keren naar het diensthuis, maar om te staan in de vrijheid waarmee Christus hem heeft vrijgemaakt.

Zie ook:

De vloek van de wet – Bijbelse basis

De Wet, alleen de vloek weggenomen? – Bijbelse basis

Wet en Genade sluiten elkaar uit – Bijbelse basis

“Ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden, maar te vervullen” – Bijbelse basis

Wat bedoelt de Bijbel met “leven uit Genade”? – Bijbelse basis

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet? – Bijbelse basis

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de wet? (2) – Bijbelse basis

De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?” – Bijbelse basis

 

Geverifieerd door MonsterInsights