Uitverkiezing in de Bijbel: geen fatalisme maar Gods voornemen in Christus

Uitverkiezing in de Bijbel: geen heilige mist, maar vaak een misbruikte leer

Er zijn weinig leerstukken waar zoveel verwarring, spanning en geestelijke schade omheen hangt als de leer van de uitverkiezing. Wat in de Schrift een rijke troost is in Christus, is in de handen van mensen vaak veranderd in een koude mistbank. Het evangelie wordt dan niet helderder, maar donkerder. Christus verdwijnt naar de achtergrond, en in Zijn plaats komt een systeem. De zondaar wordt niet opgeroepen om te zien op de Zoon van God, maar gaat eindeloos in zichzelf graven: ben ik wel gekozen, hoor ik er misschien niet bij, is de belofte wel echt voor mij?

Zo verandert een woord in een geestelijke wurggreep

En laten we het maar eerlijk zeggen: veel populaire voorstellingen van uitverkiezing lijken minder op apostolische prediking en meer op religieus fatalisme. Dan heet het: de mens kan niets, de mens mag niets, de mens kan alleen maar afwachten of God misschien ooit iets in hem doet. Geloof wordt dan geen gehoorzaamheid aan Gods Woord meer, maar een soort ongrijpbare hemelse injectie die je al dan niet krijgt. De oproep van het evangelie klinkt nog wel, maar wordt feitelijk uitgehold.

Dat is niet de stem van de Schrift.

De Bijbel leert niet dat wij eerst in een verborgen besluit moeten kijken. De Bijbel wijst ons naar Christus. Dáár begint het. Dáár ligt het centrum. Dáár wordt uitverkiezing licht in plaats van mist.

Uitverkiezing begint bij Christus

Zodra het gesprek over uitverkiezing begint, schiet men vaak meteen naar de mens. Ben ik uitverkoren? Zijn bepaalde mensen gekozen en anderen niet? Maar de Schrift begint daar niet. De Schrift begint bij de Uitverkorene Zelf.

Over de Messias staat geschreven:

“Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.” Jesaja 42:1 (STV)

En Petrus zegt over Christus:

“Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.” 1 Petrus 2:4 (STV)

Dat is geen bijzinnetje. Dat is het fundament. Christus is de Uitverkorene van God. Wie dus over uitverkiezing wil spreken, moet niet beginnen bij een verborgen selectie van losse individuen, maar bij Gods geopenbaarde verkiezing van Zijn Zoon. God heeft Zijn gehele heilsplan vastgemaakt aan Hem. Alles wat God aan zegen, heerlijkheid, erfdeel, rechtvaardigheid, zoonschap en toekomst heeft vastgesteld, heeft Hij vastgesteld in Christus.

Dat betekent ook dat de leer van de uitverkiezing buiten Christus niet alleen onvolledig is, maar gevaarlijk wordt. Dan houd je geen evangelie meer over, maar een schema. Geen blijde boodschap, maar een gesloten systeem. Geen benaderbare Zaligmaker, maar een verborgen mechaniek.

 

Efeze 1 zegt niet wat men er vaak van maakt

Het hoofdstuk dat het vaakst wordt aangehaald, is Efeze 1. Maar juist dat hoofdstuk wordt vaak gelezen alsof Paulus zou zeggen dat God in de eeuwigheid willekeurig individuen heeft uitgezocht, nog voordat Christus überhaupt ter sprake komt.

Dat is niet wat er staat.

Paulus schrijft:

“Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde.” Efeze 1:4 (STV)

Die woorden “in Hem” zijn beslissend. Niet naast Hem. Niet buiten Hem. Niet los van Hem. In Hem.

Even verder zegt Paulus:

“Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.” Efeze 1:5 (STV)

En:

“In Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.” Efeze 1:11 (STV)

Paulus stapelt het op: in Hem, door Jezus Christus, in Welken. Zijn punt is niet dat Christus een uitvoerder zou zijn van een besluit dat elders al buiten Hem lag vastgelegd. Nee, Gods voornemen ligt juist in Christus verankerd. Hij is het Hoofd. Hij is de Geliefde. Hij is de Erfgenaam. Hij is de Eerstgeborene. En wie in Hem is, deelt in alles wat van Hem is.

Dat is de lijn van Efeze 1. En zodra men die lijn verlaat, misbruikt men de tekst.

 

De gelovige deelt in Christus, en dus in Zijn verkiezing

De Bijbel leert niet dat de gelovige eerst als individu is uitverkoren en daarna eventueel nog met Christus verbonden wordt. De Bijbel leert dat God Zijn voornemen met Christus heeft vastgesteld, en dat gelovigen door het geloof aan Hem worden toegevoegd en daardoor deel krijgen aan alles wat in Hem is.

Paulus zegt:

“Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.” Galaten 3:26 (STV)

En ook:

“Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.” Galaten 3:27 (STV)

En:

“En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.” Galaten 3:29 (STV)

Dat is de volgorde van de Schrift. Niet: eerst individueel erfgenaam, daarna misschien geloof. Maar: door geloof in Christus, en zo erfgenaam. Door geloof in Christus, en zo kind van God. Door geloof in Christus, en zo deel aan wat God in Hem heeft bereid.

Daarom is het ook zo schadelijk wanneer zoekende mensen niet naar Christus worden gewezen, maar naar een verborgen besluit. De Schrift roept de mens niet op om eerst te ontdekken of hij misschien op een geheime lijst staat. De Schrift roept de mens op om te geloven in Gods Zoon.

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Johannes 3:36 (STV)

Dát is helder. Dat is publiek. Dat is evangelie. Daar is geen mistbank van gemaakt, behalve door mensen.

 

Geen aanneming des persoons betekent géén willekeurige hemelse loterij

Een groot deel van de verwarring ontstaat doordat men Gods soevereiniteit verwart met willekeur. Maar Gods soevereiniteit is geen heilige grilligheid.

De Schrift zegt:

“Want er is geen aanneming des persoons bij God.” Romeinen 2:11 (STV)

En ook:

“En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning.” 1 Petrus 1:17 (STV)

God ziet niet zoals mensen zien. De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Heere ziet het hart aan. Dat betekent niet dat God niet verkiest. Natuurlijk verkiest God. Maar Zijn verkiezing is niet een blinde loting waarbij de mens op een mysterieuze manier passief overgeleverd is aan een onbekende uitslag.

De Schrift verbindt Gods handelen steeds met Zijn waarheid, Zijn Woord, Zijn voornemen in Christus en de roeping tot geloof.

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” Romeinen 4:5 (STV)

Dat vers is dodelijk voor elke gedachte dat het Evangelie eigenlijk geen echte oproep zou zijn. God rechtvaardigt de goddeloze die gelooft. Niet de goddeloze die eerst een verborgen decreet heeft uitgeplozen. Niet de goddeloze die wacht op een ondefinieerbare ervaring. Maar de goddeloze die gelooft.

 

Israël was uitverkoren, maar niet op de manier waarop men het begrip vaak misbruikt

Ook in het Oude Testament gebruikt de Schrift het woord uitverkiezing voor Israël. Maar daaruit maakt men vaak meteen een karikatuur: alsof uitverkiezing automatisch zou betekenen dat elk individu binnen dat volk zonder meer tot eeuwige zaligheid was bestemd. Dat is niet de Bijbelse lijn.

“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit al de volken, die op den aardbodem zijn.” Deuteronomium 7:6 (STV)

Israël was uitverkoren als volk, tot een plaats in Gods heilsplan, tot een roeping, tot een bediening, tot een positie op aarde. Daaruit volgt niet dat elk individu zalig was. Het begrip uitverkiezing heeft in de Schrift dus een doelgerichte, verbondsmatige en heilshistorische lading. Juist daarom is het zo verkeerd om het begrip meteen te versmallen tot een filosofische formule over individuele hemelbestemming.

Paulus laat in Romeinen 9 tot 11 ook zien dat Gods Woord niet is uitgevallen, en dat niet allen Israël zijn die uit Israël zijn.

“Niet, dat het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.” Romeinen 9:6 (STV)

Dat betekent: je moet Bijbelse termen Bijbels laten spreken. Niet ieder gebruik van verkiezing betekent hetzelfde. Maar overal blijft staan dat God Zijn plan uitvoert in overeenstemming met Zijn beloften, Zijn verbondstrouw en uiteindelijk in Christus.

 

Geloof en verantwoordelijkheid in de Bijbel

Zodra iemand kritiek uit op een fatalistische uitverkiezingsleer, komt meestal snel de tegenwerping: dan maakt u de mens bepalend. Maar dat is een valse tegenstelling. De Schrift leert voluit dat de zaligheid uit Genade is. Tegelijk roept zij de mens werkelijk tot geloof en bekering.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.” Efeze 2:8 (STV)

Maar dezelfde Schrift zegt ook:

“Bekeert u, en gelooft het Evangelie.” Markus 1:15 (STV)

En:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” Handelingen 16:31 (STV)

Die oproepen zijn geen toneelstuk. Dat zijn geen bevelen aan mensen die eigenlijk niets anders kunnen doen dan passief afwachten of zij misschien ooit in aanmerking komen. God spreekt werkelijk. God roept werkelijk. God beveelt alle mensen overal dat zij zich bekeren.

“God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.” Handelingen 17:30 (STV)

De verantwoordelijkheid van de mens is dus echt. Het ongeloof van de mens is ook echt zijn schuld. Jezus zegt niet: gij kunt onmogelijk komen omdat gij niet op een lijst staat.

Hij zegt:

“En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.” Johannes 5:40 (STV)

Dáár ligt de schuld. Niet in het Evangelie. Niet in Christus. Niet in de oprechtheid van Gods roepstem. Maar in de halsstarrigheid van het menselijke hart.

 

Romeinen 8 is troost in Christus, geen recept voor wanhoop

Romeinen 8 wordt vaak aangevoerd alsof het een onwrikbaar filosofisch stappenplan zou zijn dat mensen naar binnen moet laten kijken. Maar Paulus schrijft het juist om gelovigen in Christus te vertroosten.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” Romeinen 8:29 (STV)

Ook hier staat Christus centraal. Het doel is dat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. God werkt dus naar een Christusvormig einddoel. Het gaat om Gods voornemen met Zijn Zoon en met allen die aan Hem verbonden zijn.

Daarom klinkt vervolgens:

“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.” Romeinen 8:33 (STV)

Waarom kan niemand aanklagen? Omdat de gelovige in Christus is. Waarom kan niemand verdoemen? Omdat Christus gestorven is, opgewekt is en aan Gods rechterhand is.

“Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” Romeinen 8:34 (STV)

Kijk wat Paulus doet. Hij stuurt de gelovige niet naar een verborgen besluit achter Christus, maar naar Christus Zelf. Daar ligt de zekerheid. Niet in speculatie, maar in de Middelaar. Niet in een schema, maar in de levende Heere.

 

De pastorale ramp van verkeerd spreken over uitverkiezing

Hier wordt het werkelijk ernstig. Want een verkeerde uitverkiezingsleer is niet alleen een exegetische fout. Zij kan zielen kapotmaken.

Hoeveel mensen zijn niet grootgebracht met de gedachte dat zij vooral niet te snel mochten geloven? Dat de beloften misschien niet voor hen waren? Dat zij eerst moesten wachten op een bijzonder bewijs dat God persoonlijk met hen bezig was? Dat Christus niet eenvoudig mocht worden aangenomen op Zijn Woord? Dat men vooral geen “algemene” nodiging te ruim moest maken?

Dat is geestelijk gif.

Want zo wordt de blik van de zondaar afgewend van Christus. Zo wordt het evangelie verdacht gemaakt. Zo worden zoekende mensen niet eenvoudig gewezen op de Heere Jezus, maar vastgezet in een kring van zelfonderzoek, twijfel en vrome wanhoop.

Maar wat zegt de Heere Jezus?

“En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.” Johannes 6:40 (STV)

Dat is niet gesloten. Dat is niet mistig. Dat is niet dubbelzinnig. Dat is een geopende Christus voor verlorenen.

En nog krachtiger:

“Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Johannes 6:37 (STV)

Let daarop. De mens die komt, wordt niet teruggestuurd met de boodschap dat hij eerst moet uitzoeken of hij wel uitverkoren is. Christus zegt: “die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Daar hoort het geloof op te rusten.

 

Bijbels spreken over uitverkiezing bewaart zowel Gods eer als de oproep van het Evangelie

De kracht van de Schrift is dat zij geen tegenstelling maakt waar mensen die maken. God is soeverein. De mens is verantwoordelijk. Christus is de Uitverkorene. De gelovige deelt in Zijn verkiezing. Het evangelie moet aan alle creaturen gepredikt worden. Ieder die gelooft, heeft het eeuwige leven.

Dat is geen menselijke logica, maar Bijbelse volheid.

De fout ontstaat pas wanneer men één lijn zo doordrukt dat alle andere lijnen worden weggevaagd. Wie alleen nog over soevereiniteit spreekt en de oprechte nodiging van het evangelie praktisch uitschakelt, predikt niet meer zoals de Schrift spreekt. Maar wie uit angst voor misbruik Gods verkiezend handelen ontkent, doet evenmin recht aan het Woord.

De Schrift houdt beide vast. Maar zij doet dat altijd met Christus in het midden.

Paulus schrijft:

“Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.” 1 Korinthe 1:30 (STV)

En opnieuw:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” Efeze 1:3 (STV)

Daar ligt de rijkdom. Niet in een scholastiek systeem. Niet in het eindeloos ontwarren van menselijke redeneringen. Maar in Christus.

 

De vraag die er toe doet

U hoeft niet in Gods verborgen raad te kijken. Dat kunt u niet. U hoeft geen decreten open te breken. U hoeft geen geheim register in te zien. U wordt geroepen om te doen wat God in Zijn Woord van u vraagt: te luisteren naar Zijn Zoon, u te bekeren, en te geloven in het evangelie.

De vraag is dus niet: hoe kom ik achter een verborgen lijst?

De vraag is: wat doet u met Christus?

Want buiten Hem is er geen leven. Buiten Hem is er geen rechtvaardigheid. Buiten Hem is er geen vrede met God. Buiten Hem blijft alleen schuld en oordeel over. Maar in Hem ligt alles wat de zondaar nodig heeft.

“Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.” 1 Johannes 5:12 (STV)

Daarom is de zaak tegelijk eenvoudig en ernstig. Niet eenvoudig in de zin van oppervlakkig. Maar eenvoudig in de zin van helder. God heeft Zijn Zoon gegeven. God heeft Zijn evangelie laten verkondigen. God roept. God beveelt. God belooft. En de mens die zich daartegen verhardt, zal niet kunnen zeggen dat de deur dicht was. Hij heeft de deur zelf geweigerd binnen te gaan.

 

De enige veilige plaats: in Christus

De leer van de uitverkiezing is in de Bijbel geen koude kelder waar zoekende zielen in opgesloten moeten worden. Zij is een hemels venster waardoor Gods genade in Christus des te heerlijker schittert. Maar zodra mensen die leer losmaken van de Zoon van God, maken zij er iets duisters van. Dan wordt troost een bedreiging. Dan wordt zekerheid een raadsel. Dan wordt evangelie een gesloten systeem.

Dat moet radicaal worden afgewezen.

Christus is Gods Uitverkorene. En wie in Hem is, deelt in alles wat God in Hem heeft weggelegd. Dáár ligt de troost. Dáár ligt de zekerheid. Dáár ligt de rijkdom van Gods voornemen. Niet in een verborgen schema achter Christus, maar in Christus Zelf.

Daarom: houd op met turen in de nevel van menselijke systemen. Houd op met luisteren naar stemmingen die u van de Zaligmaker afleiden. Houd op met het verwarren van Bijbelse verkiezing met heidens noodlot.

Zie op de Zoon.

Buig voor Gods Woord.

Geloof het Evangelie.

Want de vraag die u eenmaal zal veroordelen of redden, is niet of u genoeg over uitverkiezing hebt kunnen redeneren. De vraag is wat u gedaan hebt met de Here Jezus Christus, de Uitverkorene van God.

zie ook:

De uitverkiezingsleer en de dubbele uitverkiezing in het licht van de Bijbel – Bijbelse basis

Bekering: Geloof als levensveranderende persoonlijke keuze – Bijbelse basis

Kritiek op het Calvinisme – Bijbelse basis

Ben ik wel uitverkoren? – Bijbelse basis

Extern:

De Gemeente als Tempel – Alleen Geloof

 

Zijn er vandaag nog profeten? Het Bijbelse antwoord

Zijn er vandaag nog profeten?

Zijn er vandaag nog profeten in Bijbelse zin? Dit blog laat vanuit Oude en Nieuwe Testament zien waarom moderne profetieclaims kritisch getoetst moeten worden aan de Schrift.

Over weinig onderwerpen wordt in sommige christelijke kringen zo snel en zo makkelijk gesproken als over profetie. Wie een indruk deelt, een persoonlijk woord uitspreekt of zegt: God liet mij zien, krijgt al gauw het etiket profetisch opgeplakt. Maar de vraag is niet hoe populair dat taalgebruik is. De vraag is veel scherper: zijn er vandaag nog profeten in de Bijbelse zin van het woord?

Dat is geen academische vraag. Het gaat hier om de vraag of iemand namens God spreekt. En zodra een mens dat claimt, is het niet meer vrijblijvend,maar ligt er een zware claim. Want als God spreekt, dan spreekt Hij waarheid. Dan spreekt Hij met gezag. Dan spreekt Hij niet aarzelend, half raak of voor meerdere uitleg vatbaar. Dan spreekt Hij als God.

Juist daarom is zoveel modern jargon zo gevaarlijk. Het klinkt geestelijk, maar maakt Gods spreken vaak kneedbaar, feilbaar, vloeibaar en subjectief. En dat is niet zomaar een randzaak. Dat raakt het hart van de vraag hoe de gemeente van Jezus Christus leeft: uit Gods Woord, óf uit menselijke ingevingen in geestelijke verpakking.

 

Wat is een profeet volgens de Bijbel?

Een profeet is in de Bijbel geen religieuze sfeermaker, geen spirituele trendwatcher en geen christelijke voorspeller met een redelijk hoog slagingspercentage. Een profeet is een door God geroepen en gezonden boodschapper, die Gods woorden spreekt.

De HEERE zegt:

“Ik zal Mijn woorden in zijn mond geven, en hij zal tot hen spreken alles, wat Ik hem gebieden zal” (Deuteronomium 18:18) (STV).

Daar hebben we de kern. Een profeet spreekt niet uit zichzelf. Hij spreekt niet uit zijn hart, niet uit zijn intuïtie en niet uit zijn religieuze gevoeligheid. Hij spreekt wat God hem opdraagt te spreken. Daarom draagt Bijbelse profetie goddelijk gezag.

Dat verklaart ook gelijk waarom de Schrift zo scherp spreekt over valse profeten. Jeremia 23 zegt:

“Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd” (Jeremia 23:21) (STV).

Dat is ontmaskerend. Iemand kan heel druk bezig zijn, vroom klinken, overtuigend overkomen en tóch niet door God gezonden zijn. De Bijbel kent dus wel degelijk religieuze sprekers die de taal van God gebruiken zónder een woord van God te hebben.

 

De profeet in het Oude Testament

In het Oude Testament staat de profeet vaak als spreekbuis van God tegenover Israël, Juda, koningen, priesters en soms ook tegenover de volken. Hij roept op tot bekering, ontmaskert zonde, kondigt oordeel aan, wijst op Gods trouw en spreekt over toekomende gebeurtenissen. Maar in alles blijft de kern dezelfde: hij spreekt namens God.

Juist daarom is de maatstaf ook zo hoog. De Schrift zegt:

“Doch de profeet, die stoutelijk in Mijn Naam zal spreken een woord, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven” (Deuteronomium 18:20) (STV).

En dan volgt de bekende toetssteen:

“Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet, dat is het woord niet, dat de HEERE gesproken heeft” (Deuteronomium 18:22) (STV).

Daarmee is de zaak in feite al beslist. Een ware profeet van God zit niet “meestal goed”. Hij spreekt waarheid, omdat God waarheid spreekt. In het Oude Testament bestaat geen veilige categorie van profeten die vaak missen, en toch nog als ware profeten gezien moeten worden.

Dat is een frontale aanrijding met veel moderne ‘profetiepraktijk’. Tegenwoordig kan iemand herhaaldelijk iets “profeteren” dat niet uitkomt, om daarna gewoon verder te gaan alsof er niets is gebeurd. Men haast zich dan te zeggen dat ‘mensen feilbaar zijn’, dat ‘niemand volmaakt’ is, dat ‘het woord verkeerd ontvangen’ of ‘verkeerd uitgelegd’ was. Maar de Schrift is op dit punt veel duidelijker dan de moderne praktijk:

.Een woord dat niet uitkomt, is niet door de HEERE gesproken.

 

Niet alleen voorzeggend, ook leerstellig toetsbaar

De Bijbelse toets gaat nog verder. Niet alleen de vraag of een profetie uitkomt is beslissend. Ook de vraag waartoe iemands spreken leidt, is doorslaggevend. Deuteronomium 13 maakt duidelijk dat zelfs een teken of wonder iemand nog niet tot ware profeet maakt, wanneer zijn boodschap mensen van de HEERE afleidt.

Met andere woorden: ware profetie is niet alleen feitelijk waar, maar ook leerstellig trouw. Een profeet bevestigt Gods eerder geopenbaarde waarheid. Hij staat daar niet boven, hij werkt daar niet tegenin en hij vervangt die niet door ‘nieuwe geestelijke vondsten’.

Jeremia zegt :

“Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen” (Jeremia 23:22) (STV).

Dát is het morele kenmerk van ware profetie. Deze  vleit niet. Sust niet. Laat mensen niet lekker gaarkoken in hun beleving. Maar brengt Gods woorden en roept terug naar God.

 

De profeet in het Nieuwe Testament

Ook in het Nieuwe Testament blijft de kern gelijk: de profeet spreekt uit God en niet uit zichzelf. Maar de plaats van profeten staat nu in het licht van Christus, Zijn volbrachte werk en de vorming van de gemeente.

Paulus schrijft dat de gemeente is:

“Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen” (Efeziërs 2:20) (STV).

Dat is een sleuteltekst. Apostelen en profeten horen bij het fundament van de gemeente. En een fundament leg je niet steeds opnieuw. Een fundament is eenmalig, dragend en onherhaalbaar.

In Efeziërs 3:5 zegt Paulus ook dat de verborgenheid van Christus

“nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest” (STV).

Dat wijst op een bijzondere, funderende fase van openbaring in het begin van de nieuwtestamentische gemeente.

In Handelingen zie je dat nieuwtestamentische profeten inderdaad concrete openbaring ontvingen. Van Agabus staat dat hij

“gaf te kennen door den Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld” (Handelingen 11:28) (STV).

later zegt hij:

“Dit zegt de Heilige Geest” (Handelingen 21:11) (STV).

Ook hier gaat het dus niet om losse indrukken, maar om spreken met een direct beroep op God.

 

Profetie in de gemeente moet getoetst worden

Tegelijk laat het Nieuwe Testament zien dat profetisch spreken in de gemeente ook onderscheiden en beoordeeld moet worden. Paulus schrijft:

“En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen” (1 Korinthe 14:29) (STV).

Dat betekent niet dat profetie onzeker of halfgezaghebbend zou zijn. Het betekent dat de gemeente niet geroepen is tot goedgelovigheid, maar tot geestelijk onderscheid. Profetie schuwt toetsing niet.

Paulus voegt nog toe:

“De geesten der profeten zijn den profeten onderworpen. Want God is niet een God van verwarring, maar van vrede” (1 Korinthe 14:32-33) (STV).

Daarmee wordt veel moderne chaos en grootspraak meteen ontmaskerd. Waar men zich beroept op de Geest om wanorde, hysterie, druk of onaantastbaarheid te rechtvaardigen, botst dat frontaal met 1 Korinthe 14. God is niet een God van verwarring. Ware profetie is niet manipulatief, niet oncontroleerbaar en niet chaotisch.

 

Zijn er vandaag nog profeten in Bijbelse zin?

Daarmee komen we bij de kernvraag van dit blog.

Als hiermee bedoeld wordt: mensen die vandaag rechtstreeks door God geïnspireerde, onfeilbare openbaring ontvangen en spreken met hetzelfde soort gezag als de profeten in de Schrift, dan is het Bijbelse antwoord naar mijn stellige overtuiging: nee.

De reden is eenvoudig en zwaarwegend. De gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Dat fundament is gelegd. Bovendien schrijft Judas dat wij moeten strijden

“voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is” (Judas:3) (STV).

Dat geloof wordt niet voorgesteld als een voortdurende stroom van nieuwe openbaringen, maar als een eenmaal overgeleverd geheel van waarheid dat bewaard moet worden.

Dat is beslissend. De gemeente moet niet voortdurend op zoek naar nieuwe indrukken of woorden van God, maar leren leven uit het Woord dat God reeds gegeven heeft.

Wie vandaag dus zegt: God sprak tot mij en dat bedoelt als nieuw, gezaghebbend, bindend spreken van God voor de gemeente, begeeft zich op glad ijs waar het Nieuwe Testament geen veilige ruimte laat.

 

Wat dan met moderne profetieclaims?

Hier wordt het schrijnend. Moderne profetieclaims willen vaak wel de uitstraling van goddelijk gezag, maar niet de toetsing van goddelijk gezag.

Men zegt: De Heere liet mij zien.
Maar als het niet uitkomt, heet het ineens: niemand is volmaakt.
Men zegt: dit is een woord van God.
Maar als het inhoudelijk scheef blijkt, heet het ineens: je moet het niet zo zwaar maken.
Men zegt: raak de gezalfde des Heeren niet aan.

Terwijl de Schrift zegt:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede” (1 Thessalonicenzen 5:21) (STV).

Dat is precies de dubbelzinnigheid die zo link is. Men gebruikt taal die past bij goddelijke openbaring, maar zodra toetsing volgt, trekt men zich terug in menselijke feilbaarheid. Zo wordt het heilige spreken van God misbruikt en tegelijk afgezwakt.

Deuteronomium 18 laat daar niets van heel. Een woord dat niet uitkomt, is niet door de HEERE gesproken. Niet bijna waar. Niet verkeerd toegepast. Niet menselijk gebrekkig doorgegeven. Niet door de HEERE gesproken.

 

Is er dan helemaal niets profetisch vandaag?

Jawel, maar hier moet het onderscheid messcherp blijven.

Er kunnen vandaag zeker predikers, leraren of gelovigen zijn die scherp, ontdekkend, actueel en schriftgetrouw spreken. Hun bediening kan diepe indruk maken, zonde ontmaskeren, troosten, waarschuwen en de vinger leggen bij de tijdgeest. In die afgeleide zin noemen sommigen dat “profetisch”.

Maar dat is ten anderen maal iets anders dan het Bijbelse profetenambt.

Daar gaat het niet om ‘nieuwe openbaring’, maar om sterke , duidelijke toepassing van reeds gegeven openbaring. Niet: God gaf mij een nieuw woord. Wel: Gods Woord spreekt helder en indringend over deze situatie.

Dat verschil is allesbepalend. Zodra dat verschil vervaagt, wordt de gemeente van Jezus Christus vatbaar gemaakt voor subjectivisme, willekeur en geestelijke misleiding.

 

Hoe herken je een valse profeet?

De Schrift laat ook hierover geen mist hangen. Een valse profeet is iemand die spreekt zonder werkelijk door God gezonden te zijn. Hij spreekt uit eigen hart. Zijn woorden blijken niet betrouwbaar. Hij wijkt af van Gods geopenbaarde waarheid. Hij schuift zichzelf naar voren. Hij duldt geen toetsing. Hij veroorzaakt verwarring in plaats van vrede.

Johannes waarschuwt daarom:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld” (1 Johannes 4:1) (STV).

Dát is nog steeds de roeping van de gemeente. Niet alles bewonderen. Niet alles klakkeloos aannemen. Niet achter elk religieus geluid aanlopen. Maar toetsen.

 

De gemeente heeft geen nieuwe profeten nodig

De kern van het probleem ligt uiteindelijk hier: veel christenen leven alsof de Schrift op zichzelf niet genoeg is. Alsof er steeds weer verse hemelse input nodig is om echt geestelijk te kunnen leven. Alsof de gemeente geen bestaansrecht heeft zonder nieuwe profeten, nieuwe woorden, nieuwe openbaringen en nieuwe indrukken.

Dat is niet de weg van het Nieuwe Testament

De gemeente van Christus heeft geen tekort aan openbaring. Er is tekort aan gehoorzaamheid aan de openbaring die al gegeven is. De oplossing is daarom niet: meer moderne profeten. De oplossing is: meer eerbied voor het geschreven Woord van God.

De vraag is niet of wij nieuwe stemmen kunnen vinden. De vraag is of wij willen buigen voor het spreken van God in de Schrift.

 

Dus: zijn er vandaag nog profeten?

Niet in de Bijbelse zin van het woord

Er zijn vandaag geen nieuwe Jesaja’s, Jeremia’s of Agabussen die met goddelijk gezag aanvullende openbaring aan de gemeente geven. Het fundament is gelegd. Het geloof is eenmaal overgeleverd. De Schrift is gegeven. De norm ligt vast.

Wat er wel kan zijn, zijn predikers en gelovigen die op indringende en Bijbelgetrouwe wijze spreken. Maar dat is geen vrijbrief om hen “profeet” te noemen in de zware, Bijbelse betekenis van dat woord, met de dikwijls impliciete gezagsclaims de er aan vast zitten.

De juiste weg is nog steeds de oudste weg: terug naar de Schrift. Als een Bereër. Niet leven van ‘nieuwe woorden’, maar van het Woord van God. Niet achter moderne profeten aanlopen, maar luisteren naar en buigen voor wat de Geest reeds heeft gesproken in de Schrift.

Waar de gemeente de genoegzaamheid van de Bijbel loslaat, wordt zij prooi van menselijke willekeur  Maar waar zij zich weer buigt onder Gods Woord is er vaste grond.

De moderne honger naar profeten klinkt vaak geestelijk, maar is in werkelijkheid vaak een symptoom van onvrede met de eenvoud en genoegzaamheid van de Schrift. Men wil meer. Directer. Spannender. Persoonlijker. Spectaculairder.

Maar juist daar gaat het mis.

Wie leert leven van nieuwe woorden, verliest al snel de vaste grond van het Woord. En wie het geschreven Woord van God minder genoegzaam gaat vinden, maakt zichzelf klaar voor misleiding.

Daarom is de meest nuchtere en Bijbelse conclusie ook de scherpste: de gemeente van Jezus  Christus heeft vandaag niet meer profeten nodig, maar meer trouw aan de Schrift.

zie ook:

Profeten zonder toetsing 

Hedendaagse profeten zonder verantwoording 

Apostelen vandaag? 

De charismatische implosie: wat ging er mis, en wat nu 

 

Filippenzen 3:2 uitgelegd | Ziet op de honden en de versnijding

Over honden en kwade arbeiders

Er zijn verzen die je niet kunt afzwakken zonder hun kracht weg te nemen. Filippenzen 3:2 is zo’n vers. Paulus schrijft niet voorzichtig, diplomatiek of omfloerst. Hij trekt fel aan de noodrem:

“Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding.” (Filippenzen 3:2, STV)

Dat is geen losse uitval, geen chagrijnige opmerking en geen ontspoorde emotie. Dit is apostolische waarschuwing. Paulus ziet een geestelijk gevaar dat zó ernstig is, dat zachte woorden niet volstaan. De gemeente moet wakker geschud worden. Niet tegen openlijk ongelovigen. Niet tegen grove goddelozen. Maar tegen religieuze misleiders.

Juist dat maakt dit vers zo actueel.

Waarom Paulus spreekt over honden en kwade arbeiders

In Filippenzen 3 richt Paulus zich niet op mensen buiten de godsdienst, maar op mensen binnen de religieuze sfeer. Mensen die werken, leren, ijveren, beïnvloeden en waarschijnlijk zelfs heel schriftuurlijk overkomen. Toch noemt Paulus hen “honden”, “kwade arbeiders” en “de versnijding”.

Waarom zo fel?

Omdat ze het Evangelie van de Genade aantasten. Ze willen niet eenvoudig rusten in Christus alleen, maar voegen iets van de mens toe. Iets van vlees. Iets van ritueel. Iets van wet. Iets van religieuze verdienste. In de context gaat het vooral om de besnijdenis en het judaïstische denken: de gedachte dat geloof in Christus niet genoeg is, maar dat dat aangevuld zou moeten worden met religieuze, wettische verplichtingen.

Daarom is dit geen klein verschil van inzicht. Dit raakt het hart van het Evangelie.

Paulus zegt in wezen: kijk uit voor mensen die Christus niet openlijk loochenen, maar Hem in de praktijk onvoldoende achten.

“Ziet op de honden”

Dat woord klinkt hard, en dat is het ook. In de Joodse beleving werd “honden” vaak gebruikt voor onreine buitenstaanders. Paulus draait het hier om. Juist de mensen die zich beroemen op hun religieuze zuiverheid, noemt hij honden.

Waarom?

Omdat zij, ondanks hun vrome verpakking, geestelijk onrein zijn in hun leer. Zij brengen de gemeente niet dichter bij Christus, maar terug naar het vlees. Zij brengen geen vrijheid, maar slavernij. Geen genade, maar druk. Geen rust, maar religieuze onrust.

Iemand kan zich beroemen op orthodoxie, traditie, inzetting, religieuze identiteit of uiterlijke heiligheid, en toch in Gods ogen een bron van verontreiniging zijn wanneer hij/zij het Evangelie verdraait.

Dat is een les die de gemeente nooit mag vergeten.

Niet alles wat godsdienstig klinkt, is ook geestelijk gezond.

“Ziet op de kwade arbeiders”

Dat is misschien nog onthullender. Paulus zegt niet dat zij lui zijn. Hij zegt ook niet dat zij niets doen. Integendeel: zij zijn arbeiders. Zij zijn actief. Zij bouwen, spreken, onderwijzen, organiseren, beïnvloeden.

Maar hun arbeid is kwaad.

Waarom kwaad? Omdat arbeid in Gods Koninkrijk niet beoordeeld wordt op ijver, maar op waarheid. Niet op activiteit, maar op trouw aan Christus. Niet op inzet, maar op inhoud.

Er zijn arbeiders die veel doen en toch verkeerd bouwen. Paulus zegt elders:

“Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.” (1 Korinthe 3:11, STV)

Zodra een mens naast Christus nog iets anders als grond van aanvaarding voor God binnenbrengt, wordt zijn arbeid kwaad. Dan kan hij nog zo vroom spreken, nog zo ernstig kijken, nog zo toegewijd lijken, maar zijn werk is niet opbouwend. Het is ondermijnend.

Dat is de tragedie van veel religieuze arbeid: ze lijkt geestelijk, maar tast de vrijheid van de gelovige aan.

“Ziet op de versnijding”

Hier wordt Paulus polemisch. In plaats van het normale woord voor besnijdenis te gebruiken, kiest hij een woord dat meer de betekenis heeft van verminking of verminking door snijden. Waarom? Omdat hij weigert hun ritueel als echte, geestelijke besnijdenis te erkennen.

De ware besnijdenis is volgens Paulus niet iets uiterlijks aan het vlees, maar iets dat met Christus en de Geest te maken heeft. Het volgende vers zegt:

“Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.” (Filippenzen 3:3, STV)

Dat is de sleutel. De tegenstelling is niet tussen besneden en onbesneden lichamen, maar tussen twee totaal verschillende geloofsgronden:

  • vertrouwen op het vlees
  • roemen in Christus Jezus

Dat eerste is religie. Dat tweede is Genade.

Dat eerste kijkt naar de mens. Dat tweede kijkt naar de Heere.

Het eerste zegt: ‘er moet nog iets bij’. Dat tweede zegt: ‘Hij is genoeg’.

Het grote conflict: Christus alleen of Christus plus

Daar draait het in Filippenzen 3 om. Niet alleen daar trouwens. Ook in Galaten. Ook in Handelingen 15. Ook in de brieven van Paulus in het algemeen. Telkens opnieuw komt dezelfde strijd terug: is Christus voldoende, of moet de mens iets toevoegen?

Zodra een mens zegt dat geloof in Christus niet genoeg is zonder ritueel, wetsonderhouding, ceremoniële inzettingen, geestelijke prestaties of uiterlijke kenmerken, komt hij terecht in het kamp waar Paulus hier tegen waarschuwt.

De vraag is nooit alleen: geloven zij in Jezus?

De diepere vraag is: geloven zij dat Jezus genoeg is?

De mens wil altijd iets van zichzelf meenemen

Dat is het hardnekkige probleem van het vlees. Het vlees wil niet genadig gered worden. Het vlees wil meetellen. Het wil iets meebrengen. Iets presteren. Iets voorstellen. Iets toevoegen. Iets zijn.

Daarom is pure genade zo vernederend voor de natuurlijke mens. Genade zegt immers: u hebt niets. U kunt niets. U brengt niets mee. U wordt om niet gerechtvaardigd, alleen op grond van Christus.

Dat is voor het religieuze vlees bijna onverdraaglijk.

Daarom zoeken mensen telkens weer een vorm van geestelijke zelfhandhaving. Dat kan wettisch zijn, sacramenteel, kerkelijk, mystiek, charismatisch, reformatorisch, evangelisch of traditioneel. De vorm verschilt, maar het principe blijft hetzelfde: de mens wil niet volledig buitenspel staan.

Paulus snijdt dat alles af.

“En in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.” (Filippenzen 3:3, STV)

Dat is het echte onderscheid. Niet: hoeveel religie heb je? Niet: welke vorm houd je erop na? Niet: hoe indrukwekkend is je vroomheid? Maar: waar roem je in?

Ook vandaag springlevend

Dit vers is niet alleen van belang voor discussies over de letterlijke besnijdenis in de eerste eeuw. Het principe is veel breder en nog altijd brandend actueel.

Overal waar mensen iets naast Christus stellen als noodzakelijke aanvulling op de volle aanvaarding bij God, keert de geest van Filippenzen 3:2 terug.

Denk aan systemen waarin uiterlijke rituelen en vormen een zaligmakende of bijna zaligmakende plaats krijgen. Denk aan prediking waarin de zekerheid van het geloof wordt ingeruild voor een eindeloze blik op innerlijke indrukken. Denk aan bewegingen waar heiliging ongemerkt verandert in een voorwaarde voor aanvaarding. Denk aan groepen waar bepaalde regels, gebruiken of geestelijke ervaringen de maatstaf worden van ware geestelijkheid.

Dan verandert het evangelie subtiel maar dodelijk.

Dan wordt Christus niet altijd openlijk verloochend, maar wel praktisch verduisterd.

En dát is precies waarom Paulus zo scherp spreekt.

Scherpe taal kan liefdevolle taal zijn

Sommigen schrikken van de toon van Paulus. Maar dat komt vaak doordat men liefde verwart met zachtheid. De liefde van een herder is niet altijd zacht in formulering. Soms is deze scherp,  juist omdat het gevaar groot is.

Een herder die wolven aaibaar noemt, heeft de schapen niet lief.

Paulus ziet wat er op het spel staat. Als de gemeente meegaat in wettische misleiding, verliest zij de vrijheid van het evangelie. Dan komt zij weer onder druk, onder slavernij, onder onzekerheid, onder menselijke controle. Dan wordt de blik van Christus afgetrokken en op de mens gericht.

Daarom is deze scherpte geen vleselijke uitbarsting, maar heilige ijver.

Ook vandaag is er behoefte aan zulke duidelijkheid. Niet aan ruzie om de ruzie. Niet aan harde woorden als karaktertrek. Maar wel aan het vermogen om werkelijk te onderscheiden en benoemen waar het Evangelie geweld wordt aangedaan.

De ware besnijdenis

Paulus laat het niet bij waarschuwing. Hij laat ook zien wat echt is.

“Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.” (Filippenzen 3:3, STV)

Hier staan drie kenmerken van de ware gelovige.

God dienen in de Geest

Niet uitwendig, ceremonieel of vleeslijk, maar in de kracht van de Heilige Geest. Niet als religieuze prestatie, maar als vrucht van nieuw leven. Niet als wettische last, maar als levende gemeenschap met God.

In Christus Jezus roemen

De gelovige roemt niet in afkomst, traditie, inzetting, ernst, bevinding, kerkelijke positie of morele prestatie. Hij roemt in Christus. Hij heeft niets om zich op voor te staan buiten Hem.

Niet in het vlees betrouwen

Dat is de doorslag. Geen vertrouwen op de mens. Niet op religieuze voorrechten. Niet op zichtbare kenmerken. Niet op werken. Niet op het oude verbond als weg tot rechtvaardigheid. Niet op iets van onszelf.

Dat is een radicale breuk met alle religieuze zelfhandhaving.

Paulus’ eigen voorbeeld

Het aangrijpende is dat Paulus vervolgens juist laat zien dat hij zelf alle reden had om op het vlees te vertrouwen, als dat ooit een geldige weg was geweest. Hij was besneden op de achtste dag, uit Israël, uit de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër. Maar wat zegt hij?

“Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht.” (Filippenzen 3:7, STV)

En verder:

“Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere.” (Filippenzen 3:8, STV)

Dát is de ware bekering: niet alleen van zonde in ruwe vorm, maar ook van vrome zelfhandhaving. Niet alleen van goddeloosheid, maar ook van godsdienstigheid als grond voor God.

Veel mensen menen dat zij vooral moeten breken met wereldgelijkvormigheid. Dat is waar, maar niet het hele verhaal. Men moet ook breken met elk vertrouwen op religieus vlees.

Waarom Filippenzen 3:2 vandaag nog actueel is

Filippenzen 3:2 hoort thuis in elke tijd waarin het evangelie van de genade bedreigd wordt. En dat is altijd.

Zodra de gemeente niet meer helder zegt dat de zondaar uitsluitend door Genade, uitsluitend op grond van Christus, uitsluitend door het geloof wordt aangenomen, ontstaat ruimte voor de “kwade arbeiders”.

Dan komen er systemen, stappenplannen, geestelijke hiërarchieën en religieuze meetlatten. Dan wordt de eenvoud in Christus vervangen door menselijke toevoegingen. Dan gaat men niet meer rusten in het volbrachte werk, maar zoeken naar aanvulling, bevestiging en verdienste.

Dat maakt onvrije christenen. Onzekere christenen. Vermoeide christenen. Op zichzelf teruggeworpen christenen.

Maar het Evangelie maakt juist vrij.

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Geen compromis met een vals evangelie

Paulus is op dit punt onverbiddelijk. Niet omdat bijzaken hoofdzaak moeten worden, maar omdat de hoofdzaak hier werkelijk op het spel staat. Een evangelie waarin de mens weer centraal komt te staan, is geen onschuldige variant. Het is geestelijke vergiftiging.

Daarom moeten gemeenten, voorgangers en gelovigen leren om niet alleen te vragen of iets vroom klinkt, maar of het echt Christus grootmaakt.

Wordt de mens kleiner of groter?

Wordt Christus genoeg genoemd of slechts als beginpunt gebruikt?

Brengt men mensen in vrijheid of in geestelijke slavernij?

Wordt het vlees gekruisigd of religieus opgepoetst?

Dat zijn de vragen van Filippenzen 3.

“Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding.” (Filippenzen 3:2, STV)

Dat is geen vergeten eerste-eeuwse strijdkreet. Het is een blijvende waarschuwing van de Heilige Geest aan de gemeente van Christus.

Pas op voor religie zonder Genade.

Pas op voor arbeid zonder waarheid.

Pas op voor ritueel zonder nieuw leven.

Pas op voor mensen die veel over God spreken, maar uiteindelijk het vlees weer ruimte geven.

De ware gelovige heeft maar één roem, maar dat is genoeg:

“Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.” (Filippenzen 3:3, STV)

Waar Christus alleen overblijft, daar begint de vrijheid. Waar de mens weer iets mag/moet meebrengen, daar begint de slavernij opnieuw.

En daarom blijft Paulus’ waarschuwing noodzakelijk, scherp en heilzaam.

Wie Filippenzen 3:2 serieus neemt, ziet hoe gevaarlijk religie zonder Genade is. Paulus waarschuwt scherp, omdat alles op het spel staat wanneer mensen niet meer rusten in Christus alleen, maar weer gaan vertrouwen op het vlees.

zie ook:

Laat u met God verzoenen – Bijbelse basis

God spreekt over Zijn Zoon – Bijbelse basis

Hoe het christendom wordt uitgehold door de cultus van beleving – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights