De tabernakeldienst onder het oude verbond verwijst naar Christus

14 minuten lezen

De tabernakel: schaduw van het Christus en het nieuwe verbond

De oudtestamentische tabernakel was geen willekeurige verzameling godsdienstige voorwerpen en rituelen. God gaf Zelf het ontwerp, stelde de priesterdienst in en bepaalde hoe Israël tot Hem mocht naderen.

Maar de tabernakel was nooit het einddoel.

De tabernakel wees vooruit naar Christus, Zijn offer, Zijn opstanding, Zijn priesterschap en de toegang tot God die door Zijn bloed geopend zou worden. De Brief aan de Hebreeën noemt de tabernakeldienst daarom:

“Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen.” Hebreeën 8:5 (STV)

De tabernakel was de schaduw.

Christus is de werkelijkheid.

De tabernakel was geen kerkmodel, maar een voorafschaduwing van Christus. Het altaar, wasvat, de toonbroden, kandelaar en ark wijzen allemaal naar Zijn volbrachte werk.

Daarom is het niet alleen onnodig, maar ook leerstellig gevaarlijk wanneer christenen elementen van die oudtestamentische schaduwdienst opnieuw invoeren. Een christelijk altaar, een afzonderlijke priesterklasse, heilige gebouwen en herhaalde offers doen geen recht aan de tabernakel. Zij doen tekort aan de Persoon en het volbrachte werk van Christus.

de tabernakeldienst verwijst naar Christus
De tabernakeldienst verwijst naar Christus

 

De tabernakel was een schaduw, geen kerkmodel

De tabernakeldienst werd aan Israël gegeven onder het verbond van Sinaï. Zij behoorde bij het Mozaïsche verbond, het Aäronitische priesterschap en de offers van de Wet.

De Gemeente is geen voortzetting van dit systeem.

De Gemeente heeft geen aardse tempel nodig, geen apart priesterambt dat tussen God en de gelovige staat en geen altaar waarop opnieuw een verzoenend offer moet worden gebracht.

Het nieuwe verbond werd bovendien uitdrukkelijk aangekondigd aan Israël en Juda:

“Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” Jeremia 31:31 (STV)

Dit nieuwe verbond is gefundeerd op het bloed van Christus. Gelovigen hebben nu deel aan de geestelijke zegeningen die uit Zijn offer en priesterschap voortkomen. Dat betekent echter niet dat de Gemeente Israël heeft vervangen of dat alle beloften aan Israël voortaan zonder onderscheid op de kerk kunnen worden toegepast.

De tabernakel wijst niet naar een kerkelijk instituut.

De tabernakel wijst naar Christus.

Typologie moet aan de Schrift gebonden blijven

Bij de uitleg van de tabernakel is voorzichtigheid nodig. Niet ieder haakje, touwtje of stuk metaal vormt automatisch de grondslag voor een verborgen leer.

Een type mag nooit als zelfstandige basis voor een leer gebruikt worden. Het mag alleen een waarheid illustreren die elders duidelijk in de Schrift wordt geleerd.

Anders ontstaat willekeur.

Dan kan iedere uitlegger zijn eigen betekenis aan de kleuren, maten, materialen en voorwerpen geven. Zo verandert Bijbelse typologie al snel in religieuze fantasie.

De hoofdlijn is echter glashelder:

“Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.” Hebreeën 9:24 (STV)

De aardse tabernakel was een afbeelding.

Christus ging het ware, hemelse heiligdom binnen.

 

De poort: Christus is de enige Weg

De tabernakel had één poort.

Er waren geen verschillende ingangen voor verschillende religieuze voorkeuren. God bepaalde Zelf de toegang.

Dat wijst op de Here Jezus Christus:

“Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden.” Johannes 10:9 (STV)

Dit is een aanstootgevende waarheid voor de moderne, religieus-pluralistische mens. Men wil graag geloven dat iedere oprechte overtuiging uiteindelijk bij God uitkomt.

De tabernakel leert het tegenovergestelde.

Er is één ingang.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” Johannes 14:6 (STV)

Christus is niet één mogelijkheid naast vele andere mogelijkheden. Hij is niet slechts de christelijke variant van een algemene religieuze weg.

Hij is de Weg.

Het brandofferaltaar: de toegang begint bij het offer

Direct na de poort stond het koperen brandofferaltaar.

De eerste ontmoeting was niet met het wasvat, de toonbroden of de kandelaar. De eerste ontmoeting was met het altaar.

Dat is veelzeggend.

De toegang tot God begint niet met zelfverbetering. Zij begint niet met goede werken, morele ontwikkeling, religieuze oefeningen of geestelijke ervaringen.

De toegang begint bij het offer.

Op het brandofferaltaar stierf een onschuldig dier in de plaats van de schuldige. Het bloed werd vergoten en het offer werd door vuur verteerd.

Zonde kan niet worden weggepraat.

Zonde kan niet worden gecompenseerd door goede bedoelingen.

Zonde vraagt om oordeel.

Het brandofferaltaar wijst naar Golgotha:

“Want ook Christus heeft eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” 1 Petrus 3:18 (STV)

Christus stierf niet alleen als voorbeeld van liefde of zelfopoffering. Hij stierf plaatsvervangend.

De Rechtvaardige stierf voor onrechtvaardigen.

Daarmee ontmaskert het altaar iedere religie die leert dat de mens zichzelf door werken, rituelen of geestelijke prestaties voor God aanvaardbaar kan maken.

Het altaar zegt dat de mens zichzelf niet kan redden.

Het Evangelie zegt dat Christus het heeft volbracht.

 

Het offer van Christus wordt niet herhaald

Onder het oude verbond moesten de offers steeds opnieuw worden gebracht. Zij konden de zonden niet definitief wegnemen.

Daarom staat geschreven:

“Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.” Hebreeën 10:4 (STV)

De oudtestamentische offers wezen vooruit naar het ene volmaakte offer van Christus:

“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.” Hebreeën 10:12 (STV)

Hij is gezeten.

Het werk is volbracht.

Iedere eredienst waarin Christus op enige wijze opnieuw wordt geofferd, opnieuw wordt aangeboden of afhankelijk wordt gemaakt van een priesterlijke handeling, tast de volkomenheid van Golgotha aan.

Christus heeft niet slechts een mogelijkheid tot verlossing geopend die door religieuze mensen moet worden afgemaakt.

Hij heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht:

“Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.” Hebreeën 9:12 (STV)

Het woord “eenmaal” laat geen ruimte voor een herhaald verzoenend offer.

Het koperen wasvat: reiniging na het altaar

Na het brandofferaltaar stond het koperen wasvat.

Ook deze volgorde is belangrijk.

Eerst het bloed.

Daarna het water.

Eerst verzoening.

Daarna reiniging.

Het wasvat was bestemd voor priesters die reeds tot de dienst waren afgezonderd. Zij moesten hun handen en voeten wassen voordat zij het heiligdom binnengingen.

Het wasvat beeldt daarom niet uit dat een gelovige telkens opnieuw behouden moet worden. Het spreekt van de dagelijkse reiniging van zijn wandel.

De Here Jezus zei tegen Petrus:

“Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein.” Johannes 13:10 (STV)

Er is een verschil tussen onze positie en onze dagelijkse toestand.

De gelovige is in Christus gereinigd, gerechtvaardigd en aanvaard. Toch wordt zijn wandel verontreinigd door zonde, wereldgelijkvormigheid en de werking van het vlees.

Daarom heeft hij voortdurend de reinigende werking van het Woord nodig:

“Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord.” Efeze 5:26 (STV)

Het altaar spreekt van wat Christus voor ons heeft gedaan.

Het wasvat spreekt van wat Christus door Zijn Woord in ons doet.

Wie het altaar en het wasvat verwart, maakt de behoudenis afhankelijk van onze dagelijkse reinheid.

Wie het wasvat weglaat, verandert genade in een vrijbrief voor een slordige en vleselijke levenswandel.

 

De toonbroden: Christus is het voedsel van de gelovige

In het heilige stond de tafel met de twaalf toonbroden.

De broden lagen voortdurend voor Gods aangezicht en vertegenwoordigden de twaalf stammen van Israël. Brood spreekt in de Schrift van leven en voedsel.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.” Johannes 6:35 (STV)

Christus is niet alleen Degene door Wie wij behouden worden. Hij is ook het geestelijke voedsel van de gelovige.

De toonbroden leren geen sacramentele verandering van brood in het letterlijke lichaam van Christus. Zij wijzen naar Christus als Degene uit Wie de nieuwe mens leeft.

Wij voeden ons met Hem door het Woord.

Wij leren Hem kennen in Zijn vernedering, gehoorzaamheid, lijden, sterven, opstanding, verhoging en tegenwoordige priesterschap.

Waar Christus niet langer het geestelijke voedsel van de Gemeente is, wordt de leegte opgevuld met amusement, menselijke verhalen, managementprincipes, psychologische technieken en geestelijke sensatie.

Maar de ziel wordt niet gevoed door sfeer.

De ziel wordt gevoed door Christus.

 

De gouden kandelaar: Christus is het Licht

Tegenover de tafel met de toonbroden stond de gouden kandelaar.

Het heilige had geen ramen. Het licht kwam niet van buitenaf en ook niet uit menselijke wijsheid.

Het licht werd door God gegeven.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.” Johannes 8:12 (STV)

De natuurlijke mens kan geestelijke waarheid niet ontdekken door in zichzelf te kijken. Het menselijke hart is geen betrouwbare bron van openbaring.

Evenmin wordt de waarheid bepaald door gevoel, cultuur, meerderheid of persoonlijke ervaring.

Christus is het Licht.

De Heilige Geest verheerlijkt Christus en opent het Woord. Hij brengt geen nieuwe openbaring die de Schrift corrigeert, aanvult of opzijschuift.

Wanneer het Woord wordt vervangen door profetische indrukken, ingevingen, visioenen en persoonlijke openbaringen, wordt het licht van Christus ingeruild voor de flakkerende lamp van menselijke verbeelding.

Het reukofferaltaar: Christus is de Voorspraak

Vlak voor het voorhangsel stond het gouden reukofferaltaar.

Het reukwerk steeg op tot God en verspreidde een aangename geur. Het wijst op aanbidding, gebed en de voorspraak van Christus.

“Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” Romeinen 8:34 (STV)

Onze gebeden worden niet aangenomen omdat zij mooi geformuleerd, luid uitgesproken of door een gezalfde leider ondersteund worden.

Wij worden gehoord omdat wij in Christus tot God naderen.

Hij is onze Voorspraak.

Daarom heeft de gelovige geen aardse priester, apostel of profeet nodig om zijn gebeden dichter bij God te brengen.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Er is één Middelaar.

Niet Christus plus een kerkelijk priesterschap.

Niet Christus plus een moderne apostel.

Niet Christus plus een vermeend gezalfde leider.

Christus alleen.

 

Het voorhangsel: de weg is geopend

Het voorhangsel scheidde het heilige van het heilige der heiligen.

Het maakte duidelijk dat de weg tot Gods onmiddellijke tegenwoordigheid onder het oude verbond nog niet vrij toegankelijk was:

“Waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was.” Hebreeën 9:8 (STV)

Alleen de hogepriester mocht eenmaal per jaar achter het voorhangsel komen, en niet zonder bloed.

Maar bij de dood van Christus scheurde het voorhangsel van boven naar beneden.

God Zelf opende de weg.

“Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees.” Hebreeën 10:19-20 (STV)

De gelovige staat niet langer op afstand.

Hij hoeft niet via een kerkelijk systeem, een priesterlijke hiërarchie of een geestelijke elite tot God te naderen.

Hij heeft door het bloed van Christus vrijmoedigheid om tot God te gaan.

Wie opnieuw een geestelijke tussenmuur bouwt, probeert als het ware het gescheurde voorhangsel weer dicht te naaien.

De ark en het verzoendeksel: genade op grond van bloed

In het heilige der heiligen stond de ark des verbonds.

In de ark lagen de wetstafelen, de gouden kruik met manna en de bloeiende staf van Aäron.

Deze voorwerpen wijzen naar Christus.

Hij heeft de Wet volmaakt vervuld.

Hij is het Brood des levens.

Hij is uit de dood opgestaan en bezit een onvergankelijk priesterschap.

Boven op de ark lag het verzoendeksel. Daar werd op de Grote Verzoendag het bloed gesprengd.

Zonder het bloed zou de wet alleen tegen de mens getuigen. Door het bloed kon God in genade handelen zonder Zijn rechtvaardigheid prijs te geven.

Paulus schrijft over Christus:

“Welken God voorgesteld heeft tot een Verzoening, door het geloof in Zijn bloed.” Romeinen 3:25 (STV)

Gods genade is niet goedkoop.

Vergeving betekent niet dat God de zonde door de vingers ziet. Genade is mogelijk omdat Christus het oordeel heeft gedragen.

Daarom mag de gelovige met vrijmoedigheid naderen:

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” Hebreeën 4:16 (STV)

 

De hogepriester: Christus vertegenwoordigt ons bij God

De tabernakel kan niet los worden gezien van het priesterschap.

De zondaar had niet alleen een offer nodig, maar ook een priester die op grond van dat offer tot God naderde.

Aäron was een voorafschaduwing van Christus, maar Christus is oneindig groter dan Aäron.

Aäron moest eerst voor zijn eigen zonden offeren. Christus was zondeloos.

Aäron ging eenmaal per jaar het heilige der heiligen binnen. Christus ging eenmaal en voorgoed het hemelse heiligdom binnen.

Aäron bracht het bloed van dieren. Christus ging binnen door Zijn eigen bloed.

Aärons priesterschap werd steeds door de dood onderbroken. Christus leeft altijd.

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” Hebreeën 7:25 (STV)

Christus redt niet half.

Hij redt volkomen.

 

Waarom terugkeren naar de schaduw?

De tabernakel laat niet zien hoeveel religieuze hulpmiddelen de mens nodig heeft om zichzelf tot God op te werken.

De tabernakel laat zien hoeveel er nodig was voordat de weg tot God geopend kon worden.

En alles wat nodig was, is in Christus vervuld.

Hij is de Poort.

Hij is het Offer.

Hij is het Brood.

Hij is het Licht.

Hij is de Hogepriester.

Hij is de Middelaar.

Hij is het ware Heiligdom.

Daarom is het een ernstige dwaling wanneer het christendom elementen van de oudtestamentische schaduwdienst opnieuw invoert als noodzakelijke middelen om tot God te komen.

Een nieuw altaar doet tekort aan het ene offer.

Een afzonderlijke priesterklasse doet tekort aan de ene Middelaar.

Een heilige ruimte doet tekort aan de vrije toegang tot het hemelse heiligdom.

Een herhaald offer doet tekort aan het volbrachte werk.

Een geestelijke elite doet tekort aan het priesterschap van alle gelovigen.

Wie Christus heeft, heeft de werkelijkheid.

Waarom zou hij terugkeren naar de schaduw?

 

De tabernakel wijst helemaal naar Christus

De boodschap van de tabernakel is niet dat wij haar dienst moeten kopiëren.

De boodschap is dat wij Christus moeten zien.

Het brandofferaltaar wijst naar Zijn offer.

Het koperen wasvat wijst naar Zijn reinigende werk.

De toonbroden wijzen naar Hem als geestelijk voedsel.

De kandelaar wijst naar Hem als het Licht.

Het reukofferaltaar wijst naar Zijn voorspraak.

Het voorhangsel wijst naar Zijn vlees en Zijn dood.

De ark en het verzoendeksel wijzen naar Zijn Persoon en Zijn verzoenend bloed.

Niet religie brengt ons tot God.

Niet een kerkelijk systeem brengt ons tot God.

Niet een sacrament brengt ons tot God.

Niet een gezalfde leider brengt ons tot God.

Christus brengt ons tot God.

En Hij heeft de weg niet gedeeltelijk geopend.

Hij heeft hem volkomen geopend.

 

Veelgestelde vragen over de tabernakel en Christus

Is de tabernakel een afbeelding van de Gemeente?

De tabernakel wijst in de eerste plaats naar Christus, Zijn offer, Zijn priesterschap en de hemelse werkelijkheid. Sommige onderdelen kunnen geestelijke lessen bevatten voor gelovigen, maar de tabernakel mag niet zonder meer als kerkmodel worden gebruikt.

Waarnaar wijst het brandofferaltaar?

Het brandofferaltaar wijst naar het plaatsvervangende en volkomen offer van Christus aan het kruis. Zijn offer werd eenmaal gebracht en hoeft niet herhaald te worden.

Wat betekent het koperen wasvat?

Het wasvat wijst naar de praktische reiniging van de gelovige door het Woord. Het gaat niet om telkens opnieuw behouden worden, maar om reiniging van de dagelijkse wandel.

Wat betekenen de toonbroden?

De toonbroden wijzen naar Christus als het Brood des levens en naar de geestelijke gemeenschap en voeding die de gelovige in Hem ontvangt.

Waarom scheurde het voorhangsel?

Het voorhangsel scheurde bij de dood van Christus omdat door Zijn bloed de weg tot God werd geopend. De gelovige heeft nu vrijmoedigheid om tot de troon der genade te naderen.

Heeft de gelovige nog een aardse priester nodig?

Nee. Christus is de enige Middelaar en Hogepriester. Iedere gelovige mag door Hem rechtstreeks tot God naderen.

zie ook:

Het offer van Christus, méér dan Zijn kruisdood – Bijbelse basis

extern:

De Tabernakel – deel 1

De Tabernakel – deel 2

 

Geef een reactie

Geverifieerd door MonsterInsights