Niet afkomst maar geloof: ook Israël heeft Jezus Christus nodig

Waarom ook Israël de Messias nodig heeft

God heeft Israël niet verworpen. Zijn beloften aan Abraham, Izak en Jakob staan vast. Maar betekent dat ook dat iedere nakomeling van Abraham daarom deelt in Gods heil? De Schrift geeft daarop een ondubbelzinnig antwoord. Niet natuurlijke afstamming, maar geloof is bepalend voor de zaligheid. Voor Jood én voor heiden.

Israël is uitverkoren. Maar waarvoor?

Wanneer het over Israël gaat, worden twee Bijbelse waarheden nogal eens tegenover elkaar gezet. Aan de ene kant heeft God Israël uitverkoren en aan dit volk bijzondere beloften gedaan. Aan de andere kan leert de Schrift dat bij God geen aanneming des persoons is.

Hoe kunnen beide waarheden naast elkaar bestaan?

Het antwoord is eenvoudig, zolang we onderscheid maken tussen Gods verkiezing van een volk en het persoonlijke behoud van een mens.

Israël werd uitverkoren om een bijzondere plaats in Gods heilsplan in te nemen. Aan dit volk werden de woorden Gods toevertrouwd. Uit dit volk zou de Messias voortkomen. Israël was geroepen om Gods Naam bekend te maken onder de volkeren.

Paulus schrijft:

“Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis? Veel in alle manier. Want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.”

Romeinen 3:1-2 (Statenvertaling)

Dat is een geweldig voorrecht. Maar een voorrecht betekent nog géén persoonlijke zaligheid.

De verkiezing van Israël als volk betekent niet dat iedere Israëliet door zijn geboorte gerechtvaardigd is. Wie dat onderscheid uit het oog verliest, verwart Gods verbondsbeloften met de vraag hoe een zondaar behouden wordt.

Abraham werd gerechtvaardigd door geloof

Laten we beginnen bij Abraham zelf.

Waarom werd Abraham door God rechtvaardig gerekend? Was dat vanwege zijn afkomst? Nationaliteit? Besnijdenis? Gehoorzaamheid aan de wet?

Geen van deze dingen.

“En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”

Genesis 15:6

Abraham werd gerechtvaardigd door geloof. Niet door zijn afkomst, niet door de wet en zelfs niet door de besnijdenis, die hij pas later ontving.

Paulus maakt dit in Romeinen 4 uitvoerig duidelijk. De rechtvaardiging van Abraham vond plaats voordat hij besneden was. Daarmee laat de Schrift zien dat de besnijdenis niet de grond van zijn rechtvaardigheid was, maar een teken daarvan.

En dat is van groot belang.

Want wanneer zelfs Abraham, de stamvader van Israël, uitsluitend door geloof gerechtvaardigd werd, op welke grond zouden zijn nakomelingen dan langs een andere weg behouden kunnen worden?

De Schrift kent geen twee wegen tot God.

 

Niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël

Paulus schrijft in Romeinen 9:

“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”

Romeinen 9:6

Dat is een opmerkelijke uitspraak.

Paulus ontkent daarmee niet dat Israël als volk bestaat. Hij ontkent evenmin dat God Zijn beloften aan Israël zal vervullen. Maar hij maakt duidelijk dat natuurlijke afstamming op zichzelf geen aanspraak op persoonlijke zaligheid geeft.

Even verder schrijft hij:

“Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.”

Romeinen 9:8

Hier ligt het onderscheid.

Men kan naar het vlees van Abraham afstammen zonder te delen in het geloof van Abraham. Men kan deel uitmaken van het uitverkoren volk zonder persoonlijk een gelovige te zijn.

Dat was in de dagen van de profeten zo. Dat was in de dagen van Christus zo. En dat is vandaag niet anders.

Gods verkiezing van Israël als volk heeft de noodzaak van persoonlijke bekering nooit opgeheven.

Bij God is geen aanneming des persoons

De Bijbel laat er geen misverstand over bestaan dat God de mens niet beoordeelt naar zijn afkomst.

Petrus zegt:

“Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is.”

Handelingen 10:34

En Paulus schrijft:

“Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.”

Romeinen 3:22

Let op die laatste woorden:

“want er is geen onderscheid.”

Niet omdat Israël geen bijzondere plaats in Gods plan zou hebben. Die plaats heeft het weldegelijk. Maar als het gaat om de rechtvaardiging van een zondaar, bestaat er geen uitzondering.

De Jood wordt niet gerechtvaardigd omdat hij Jood is. De heiden wordt niet buitengesloten omdat hij geen Jood is.

Beiden staan als zondaren tegenover dezelfde heilige God. Beiden hebben dezelfde Verlosser nodig. En beiden worden uitsluitend door geloof gerechtvaardigd.

Wie voor Israël een andere weg tot God openhoudt dan voor de heidenen, komt daarmee tegenover de duidelijke woorden van de apostel Paulus te staan.

 

Jezus Christus is ook voor Israël de enige weg

Hier raakt het onderwerp aan een gevoelige kwestie.

Soms wordt gesteld dat christenen het Joodse volk niet met het Evangelie hoeven te benaderen. Israël heeft immers al een bijzondere verhouding tot God. Het volk heeft de wet, de profeten, de verbonden en de beloften.

Dat is waar. Maar daarmee is de vraag naar de zaligheid nog niet beantwoord.

Juist tegen Joden die de Schriften kenden en de God van Abraham vereerden, werd verkondigd:

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”

Handelingen 4:12

Petrus sprak deze woorden niet tot heidenen die nog nooit van de God van Israël hadden gehoord. Hij sprak tot de leiders van het Joodse volk.

Dat maakt zijn uitspraak zo krachtig.

Als de natuurlijke afstamming van Abraham voldoende zou zijn voor de zaligheid, waarom moest Petrus dan juist aan Israël de Naam van Jezus Christus verkondigen?

Waarom riep hij zijn volksgenoten op tot bekering?

Waarom schreef Paulus dat hij grote droefheid en voortdurende smart in zijn hart had over zijn broeders naar het vlees (Romeinen 9:1-3)?

En waarom bad hij voor hun zaligheid?

“Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid.”

Romeinen 10:1

Paulus bad om de zaligheid van Israël, omdat natuurlijke afstamming geen zaligheid garandeert.

Wie denkt dat Israël Christus niet nodig heeft, moet zich daarom ernstig rekenschap geven van deze woorden.

 

De zaligheid is uit de Joden, maar niet uitsluitend voor de Joden

De Here Jezus zei tegen de Samaritaanse vrouw:

“Want de zaligheid is uit de Joden.”

Johannes 4:22

Dat is een waarheid die geen christen mag vergeten.

De Messias is uit Israël voortgekomen. De Schriften zijn aan Israël toevertrouwd. Gods beloften zijn aan de vaderen gedaan.

Maar “uit de Joden” betekent niet “uitsluitend voor de Joden”.

Het Evangelie is Gods kracht tot zaligheid voor ieder die gelooft.

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”

Romeinen 1:16

Opnieuw is geloof het beslissende onderscheid.

Niet eerst de Jood omdat zijn afkomst hem redt, maar omdat God Zijn heil in de geschiedenis eerst aan Israël bekendmaakte.

En ook de Griek, omdat dezelfde genade zich uitstrekt tot de volkeren.

 

Heeft God Israël dan verworpen?

Nee.

Hier moeten we oppassen om van het ene uiterste in het andere terecht te komen.

Dat Israël niet automatisch behouden is vanwege zijn afkomst, betekent niet dat God Zijn beloften aan Israël heeft ingetrokken.

Paulus vraagt:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre.”

Romeinen 11:1

En even verder:

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”

Romeinen 11:29

God blijft trouw aan Zijn Woord, ook wanneer mensen ontrouw zijn.

Maar Gods trouw aan Zijn beloften betekent niet dat Hij ongeloof als geloof aanrekent.

Dat onderscheid is van doorslaggevend belang.

God heeft Israël niet voorgoed terzijdegeschoven. Zijn plan met het volk is niet afgelopen. De beloften aan Abraham, Izak en Jakob blijven staan.

Maar hun uiteindelijke vervulling betekent niet dat de noodzaak van bekering vervalt.

Integendeel: De toekomstige bekering van Israël maakt deel uit van Gods geopenbaarde plan.

 

Eerst bekering, dan terugverzameling

In Deuteronomium 30 spreekt Mozes over de toekomstige verstrooiing en terugverzameling van Israël.

Maar de volgorde waarin die gebeurtenissen worden genoemd, verdient bijzondere aandacht.

Eerst lezen we:

“En gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.”

Deuteronomium 30:2

Daarna volgt:

“En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.”

Deuteronomium 30:3

De volgorde is opmerkelijk.

Eerst de bekering. Daarna de door God beloofde terugverzameling.

Dat maakt het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen de huidige politieke staat Israël en de uiteindelijke vervulling van Gods beloften aan het volk.

Het bestaan van een Joodse staat is op zichzelf geen bewijs dat Israël als volk zich tot zijn Messias heeft bekeerd.

De hedendaagse terugkeer naar, en aanwezigheid in het land kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het volledige geestelijke en nationale herstel waarover de profeten spreken.

Want dat herstel omvat méér dan een geografische terugkeer.

Het omvat een verandering van hart, een terugkeer tot de HEERE en uiteindelijk de erkenning van Jezus Christus als de beloofde Messias.

Wie alleen naar het land kijkt en de bekering buiten beschouwing laat, mist het belangrijkste.

 

“En alzo zal geheel Israël zalig worden”

Romeinen 11:26 is een bekende tekst:

“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”

Wat betekent dit?

Betekent het dat iedere Israëliet die ooit heeft geleefd, ongeacht geloof of ongeloof, alsnog behouden wordt?

Nee. Dat zou rechtstreeks botsen met alles wat Paulus eerder over de rechtvaardiging door geloof heeft geschreven.

Het gaat om Gods toekomstige verlossing van Israël als volk. De Schrift verbindt die verlossing met het afwenden van de goddeloosheden van Jakob.

Paulus vervolgt namelijk:

“De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.”

Romeinen 11:26

En Jesaja 59:20 spreekt over degenen die zich bekeren van de overtreding in Jakob.

De toekomstige behoudenis van Israël staat dus niet los van de verlossing van de zonde.

God zal Zijn volk niet behouden door zijn ongeloof gewoon voorbij te zien. Hij zal het behouden door de Verlosser.

De beloofde toekomst van Israël is daarom geen alternatief voor het Evangelie. Zij bevestigt juist de noodzaak ervan.

 

Het woord is nabij: in uw mond en in uw hart

Er is nog een opmerkelijke verbinding tussen Deuteronomium 30 en Romeinen 10.

Mozes zegt:

“Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.”

Deuteronomium 30:14

Paulus haalt deze woorden aan en verklaart ze vanuit Christus.

“Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.”

Romeinen 10:8

En dan volgt:

“Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.”

Romeinen 10:9

Hier wordt goed zichtbaar waar het uiteindelijk om gaat.

De toekomstige bekering van Israël is niet eenvoudig een terugkeer naar uiterlijke wetsbetrachting. Het gaat om geloof in Hem Die door God uit de doden is opgewekt.

De Messias Die door velen onder Zijn eigen volk werd verworpen, is dezelfde Messias door Wie Israël behouden zal worden.

Niet door een andere weg.

Niet door natuurlijke afstamming.

Niet door nationale identiteit.

Maar door geloof.

 

De olijfboom: ongeloof breekt af, geloof doet staan

Romeinen 11 bevat nog een ernstige waarschuwing.

Paulus vergelijkt Israël met een olijfboom en spreekt over natuurlijke takken die werden afgebroken en wilde takken die werden ingeënt.

Waarom werden die natuurlijke takken afgebroken?

Paulus geeft zelf het antwoord:

“Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof.”

Romeinen 11:20

Dat is de kern van de zaak.

Niet hun Joodse afkomst was verkeerd. Niet Gods beloften waren verdwenen. Maar ongeloof was de oorzaak van hun afbreking.

En waardoor staan degenen die nu delen in de zegeningen?

Door geloof.

Daarom waarschuwt Paulus de gelovigen uit de heidenen ook om zich niet te verheffen boven de natuurlijke takken.

Er is geen enkele reden voor hoogmoed tegenover Israël.

Wie door geloof deel heeft gekregen aan Gods genade, kan zich daarop niet beroemen alsof hij die genade zelf heeft verdiend.

Ook hier staat niet afkomst tegenover afkomst, maar ongeloof tegenover geloof.

 

Israël tot jaloersheid verwekken: hoe dan?

Paulus leert dat de zaligheid naar de heidenen is gekomen om Israël tot jaloersheid te verwekken.

Maar hoe moet dat gebeuren?

Soms wordt gedacht dat christenen Israël vooral door hun levenswandel tot jaloersheid moeten brengen. Natuurlijk behoort een gelovige een leven te leiden dat overeenkomt met zijn belijdenis.

Maar Paulus legt de nadruk ergens anders.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”

Romeinen 10:17

Hoe kan iemand geloven in Hem van Wie hij niet heeft gehoord?

Daarom vraagt Paulus:

“En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?”

Romeinen 10:14

Het antwoord is duidelijk.

Israël heeft niet genoeg aan bewondering, sympathie of politieke steun. Het heeft, net als alle andere volkeren, het Evangelie nodig.

De grootste liefde die christenen het Joodse volk kunnen bewijzen, is daarom niet het bevestigen van een weg tot God buiten Christus om, maar het bekendmaken van de Messias Die uit hun eigen volk is voortgekomen.

Dat hoeft niet hooghartig of respectloos te gebeuren.

Integendeel. Wie beseft dat hijzelf uitsluitend door genade behouden is, heeft geen reden om zich boven een ander te verheffen.

Maar liefde mag nooit betekenen dat we de waarheid verzwijgen.

 

Eén Heer, één Evangelie, één weg tot zaligheid

De Bijbel eindigt niet bij een tegenstelling tussen Jood en heiden.

Hij wijst op één Heer, Die rijk is over allen die Hem aanroepen.

“Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen.”

Romeinen 10:12

En meteen daarna:

“Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.”

Romeinen 10:13

Een iegelijk.

Dáár ligt de ruimte van Gods genade.

De Jood wordt niet buitengesloten omdat Israël als volk de Messias heeft verworpen. De heiden wordt niet buitengesloten omdat hij geen nakomeling van Abraham naar het vlees is.

Maar evenmin wordt iemand behouden omdat hij tot een bepaald volk behoort.

Voor God is niet de natuurlijke afkomst beslissend, maar het geloof in Zijn Zoon.

Dat was waar voor Abraham.

Dat was waar in de dagen van de apostelen.

Dat is vandaag net zo waar.

En dat zal óók waar zijn wanneer Israël in de toekomst zijn Messias zal erkennen.

 

Gods trouw maakt geloof niet overbodig

De vraag of God nog een toekomst heeft voor Israël, mag niet worden verward met de vraag hoe een Israëliet behouden wordt.

Op de eerste vraag antwoordt Paulus dat God Zijn volk niet heeft verstoten.

Op de tweede vraag antwoordt hij dat de rechtvaardigheid Gods komt over allen die geloven.

Beide waarheden horen bij elkaar.

Wie Gods beloften aan Israël wegredeneert, doet tekort aan Zijn trouw. Maar wie denkt dat de natuurlijke afstamming van Abraham iemand buiten het geloof in Christus om zalig maakt, doet tekort aan het Evangelie.

De toekomstige hoop voor Israël ligt niet in zijn afkomst als zodanig, niet in zijn nationale bestaan en niet in het bezit van het land.

Die hoop ligt in de Verlosser Die uit Sion zal komen en de goddeloosheden van Jakob zal afwenden.

Daarom blijft de boodschap aan Israël dezelfde als aan de volkeren:

Bekeert u en gelooft het Evangelie.

Want God heeft géén twee wegen tot zaligheid gegeven.

Er is één Heere.

Er is één Verlosser.

En er is één Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid voor ieder die gelooft.

Eerst de Jood, en óók de Griek.

zie ook:

israel – Bijbelse basis

Trots op de zonde, wat zegt de Bijbel?

Waarom de Bijbel waarschuwt tegen het vieren van wat God veroordeelt

 

Er is iets veranderd in onze samenleving. Mensen zondigen niet alleen meer; zij zijn trots op de zonde. Wat vroeger met schaamte werd verborgen, wordt nu met applaus gevierd. Niet zelden gaat het zelfs verder: wie weigert mee te vieren, wordt weggezet als bekrompen, liefdeloos, haatzaaiend of gevaarlijk.

Dat is geen toevallige maatschappelijke ontwikkeling. De Bijbel beschreef deze geestelijke toestand al duizenden jaren geleden.

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.

De diepste vorm van verdorvenheid

De Bijbel leert dat ieder mens een zondaar is. Maar hij maakt ook onderscheid tussen iemand die struikelt en iemand die zijn zonde verheerlijkt.

David viel diep. Petrus verloochende zijn Heere. Maar beiden kwamen tot berouw.

Er is echter een veel ernstiger toestand: de mens die zijn zonde verdedigt, normaliseert en uiteindelijk verheerlijkt.

“Want de goddeloze roemt zich over de begeerte zijner ziel; en de gierigaard zegent zichzelven; hij lastert den HEERE.” (Psalm 10:3, STV)

De goddeloze schaamt zich niet voor zijn begeerten. Hij roemt erin.

Dat is dus wat we vandaag zien. Niet alleen individuele zonden worden verdedigd, maar complete levensstijlen worden verheven tot deugd. De grootste eer lijkt tegenwoordig niet meer te liggen in heiligheid, maar in “zelfexpressie”.

Hoomoed komt voor de val; trots op de zonde
Trots op de zonde, wat zegt de Bijbel?

Geen schaamte meer: een kenmerk van geestelijk verval

Jeremia beschrijft een volk dat het morele kompas volledig kwijt is.

“Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden…” (Jeremia 6:15, STV)

Dat is misschien wel het meest angstaanjagende oordeel van God: wanneer het geweten niet meer functioneert.

De mens bloost niet meer.

Hij rechtvaardigt zichzelf.

Hij noemt kwaad goed.

 

Zij verkondigen hun zonde

Jesaja gaat nog verder.

“Het aangezicht huns aangezichts getuigt tegen hen, en zij verkondigen hun zonde als Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunner ziel! want zij doen zichzelven kwaad.” (Jesaja 3:9, STV)

De inwoners van Sodom probeerden hun levenswijze niet verborgen te houden.

Zij maakten er een openbare zaak van.

Jesaja zegt: “zij verkondigen hun zonde.”

Dat is treffend actueel. In onze cultuur worden zonden niet slechts getolereerd, maar actief gepromoot. Media, onderwijs, politiek en entertainment verklaren steeds vaker dat wat God zonde noemt juist gevierd moet worden.

 

Romeinen 1 beschrijft onze tijd verbazingwekkend nauwkeurig

De apostel Paulus eindigt zijn beschrijving van een God-verwerpende samenleving met een huiveringwekkende conclusie.

“Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn,) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.” (Romeinen 1:32, STV)

Let op de opbouw.

De mens doet de zonde.

Hij keurt de zonde goed.

Hij prijst anderen die hetzelfde doen.

Dat is de laatste fase van moreel verval.

Niet de zonde is dan nog het grootste probleem.

Het applaus voor de zonde is het grootste probleem.

Kerken zwijgen of doen zelfs volop mee

Hier wordt het pijnlijk.

Steeds meer kerken lijken niet langer de roeping te voelen om zonde zonde te noemen. In plaats van profetisch tegen de geest van de tijd in te spreken, passen zij hun boodschap aan de cultuur aan.

Uit angst mensen kwijt te raken worden scherpe Bijbelse begrippen vervangen door zachte therapeutische taal.

Bekering wordt persoonlijke groei.

Heiliging wordt authenticiteit.

Zonde wordt gebrokenheid.

Gods oordeel wordt ongemakkelijk stilzwijgen.

Sommige kerken gaan zelfs nog verder. Niet alleen wordt de zonde verzwegen, zij wordt gezegend en gevierd

Dat noemt men dan liefde, inclusiviteit of vooruitgang.

Maar liefde zonder waarheid is geen Bijbelse liefde.

Een kerk die bevestigt wat God veroordeelt, is niet barmhartiger dan God. Zij is Hem ongehoorzaam.

De Here Jezus kwam niet om de zonde acceptabel te maken.

Hij kwam om zondaren zalig te maken.

Een kerk die weigert over zonde te spreken, heeft uiteindelijk ook niets meer te zeggen over genade.

Want genade is alleen genade wanneer de ernst van de zonde wordt erkend.

De wortel is menselijke hoogmoed

Waarom is trots op de zonde zo ernstig?

Omdat het de mens boven God plaatst.

God zegt:

“Dit is kwaad.”

De mens antwoordt:

“Nee, dit is goed.”

Dat is dezelfde hoogmoed die al in de hof van Eden zichtbaar werd.

Niet Gods oordeel, maar mijn oordeel.

Niet Gods waarheid, maar mijn waarheid.

Niet Gods wil, maar mijn identiteit.

De eerste zonde begon niet met moord of overspel.

De eerste zonde begon met hoogmoed.

 

Het Evangelie begint met zelfveroordeling

Opvallend genoeg zien we bij alle mannen Gods precies het tegenovergestelde.

Job zegt:

“Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw, in stof en as.” (Job 42:5-6, STV)

Jesaja roept:

“Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben…” (Jesaja 6:5, STV)

Paulus noemt zichzelf:

“…Christus Jezus is in de wereld gekomen, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.” (1 Timotheüs 1:15, STV)

Niemand die echt Gods heiligheid ziet, wordt trots op zichzelf.

 

Hoe dichter men bij God leeft, hoe kleiner men over zichzelf denkt.

Dat is ook precies de les uit Job 42. Wanneer Job echt Gods heerlijkheid ziet, blijft er niets over van zijn zelfvertrouwen. Niet zijn omstandigheden, maar de ontmoeting met Gods heiligheid verbreekt zijn trots en brengt hem tot zelfveroordeling.

 

Alleen door het kruis sterft alle menselijke trots

Daarom eindigt Paulus niet met zelfvertrouwen, maar met een belijdenis.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus…” (Galaten 6:14, STV)

Dat is het grote onderscheid.

De wereld roemt in de zonde.

Religieuze mensen roemen in hun eigen gerechtigheid.

Humanisten roemen in de mens.

Maar de gelovige roemt uitsluitend in Christus.

En precies daar botst het evangelie frontaal met de geest van deze tijd.

Niet omdat christenen beter zijn.

Maar omdat zij weten dat zij zonder Gods genade net zo verloren zouden zijn als ieder ander.

 

Resumerend

De grootste crisis van onze tijd is niet dat mensen zondigen.

,Dat heeft de mens altijd, sinds Genesis 3, gedaan.

De grootste crisis is dat de mens trots is geworden op zijn zonde en verwacht en zels eist dat de wereld daarvoor applaudisseert.

De Bijbel noemt dat geen vooruitgang.

Hij noemt het verblinding.

De vraag is daarom niet of wij zondaren zijn.

Dat zijn we allemaal.

De vraag is: schamen we ons nog over onze zonde, of zijn wij er trots op geworden?

Want wie trots is op zijn zonde, heeft de deur naar bekering gesloten.

Maar wie zich buigt aan de voet van het kruis, ontdekt dat Gods genade groter is dan de grootste zondaar.

“Want een iegelijk, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.” (Lukas 18:14, STV)

zie ook:

Het Evangelie zonder omwegen – Bijbelse basis

Het warme hart van het Evangelie – Bijbelse basis

Bekering, geen hogere wiskunde – Bijbelse basis

Bekering – geen religieuze emotie, maar een noodzakelijke omkeer – Bijbelse basis

Israël redt niet; Christus redt

Waarom christenzionisme het Evangelie kan verduisteren

In veel kerken zien we tegenwoordig een opvallend verschijnsel. Er ontstaat een sterke belangstelling voor Israël. Dat uit zich in Israël-avonden, speciale rubrieken in kerkapps, sprekers uit messiaanse kringen en veel aandacht voor Joodse achtergronden van de Bijbel.

Op zichzelf is dat begrijpelijk. De Bijbel is immers diep verbonden met Israël. Paulus zegt:

“Hunner zijn de vaderen, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Die is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.”
(Romeinen 9:5, STV)

Maar juist omdat Christus uit Israël is voortgekomen, is er een grens die nooit overschreden mag worden: Israël mag nooit belangrijker worden dan de Messias Zelf.

En precies daar gaat het vandaag soms mis.

Wanneer de Naam van Jezus verdwijnt

Een opvallend patroon dat steeds vaker zichtbaar wordt is dit: men spreekt veel over Israël, maar de Naam van Jezus wordt nauwelijks genoemd.

Men hoort dan vooral woorden als:

  • de Messias
  • de Eeuwige
  • de God van Israël
  • het Joodse volk
  • de Thora

Dat klinkt vroom. Maar er ontbreekt iets wezenlijks: de expliciete belijdenis van Jezus Christus.

Het Nieuwe Testament kent echter geen boodschap waarin Christus slechts impliciet aanwezig is. Voor de apostelen stond één naam centraal.

“En de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”
(Handelingen 4:12, STV)

Wanneer die Naam structureel ontbreekt, ontbreekt het hart van het evangelie.

De apostelen spraken juist openlijk

De eerste christenen waren zelf Joden. Toch spraken zij zonder terughoudendheid over Jezus als de Messias.

Petrus zei tegen het volk Israël:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.”
(Handelingen 2:36, STV)

En opnieuw:

“Dat u allen en het ganse volk Israëls bekend zij, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, Dien gij gekruisigd hebt, Welken God van de doden opgewekt heeft, door Hem zeg ik, staat deze hier voor u gezond.”
(Handelingen 4:10, STV)

Let op hoe concreet de apostelen spreken: Jezus Christus, de Nazarener. Geen vage religieuze taal, maar een duidelijke belijdenis.

Paulus romantiseert Israël niet

In moderne kerkelijke kringen ontstaat soms een bijna romantische visie op Israël. Maar Paulus spreekt heel anders. Hij heeft diepe liefde voor zijn volk, maar ook diepe pijn.

“Ik heb een grote droefheid en een gedurige smart in mijn hart.”
(Romeinen 9:2, STV)

Waarom? Omdat het grootste deel van Israël de Messias niet erkent.

Daarom zegt Paulus iets wat veel christenen vandaag nauwelijks meer durven uitspreken:

“Want zij zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”
(Romeinen 9:6, STV)

Etnische afkomst is dus niet voldoende. Het beslissende punt blijft het geloof in Christus.

Religieuze ijver zonder Christus

Paulus beschrijft de geestelijke situatie van Israël scherp maar eerlijk.

“Want ik geef hun getuigenis dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.”
(Romeinen 10:2, STV)

Met andere woorden: religieuze toewijding is niet genoeg. Het gaat om de erkenning van Christus.

Daarom zegt Paulus vervolgens:

“Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft.”
(Romeinen 10:4, STV)

De wet, de geschiedenis van Israël en de beloften van God vinden hun doel in Christus.

De olijfboom laat geen twee wegen zien

Romeinen 11 wordt vaak verkeerd uitgelegd alsof er twee aparte wegen zouden zijn: één voor Israël en één voor de heidenen. Maar Paulus zegt juist het tegenovergestelde.

Hij spreekt over één olijfboom.

“En indien sommige der takken afgebroken zijn, en gij, die een wilde olijfboom waart, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mededeelachtig geworden zijt.”
(Romeinen 11:17, STV)

Heidenen worden ingeënt in dezelfde boom. Het fundament blijft hetzelfde: geloof in Christus.

Ook het toekomstige herstel van Israël gaat via Christus

Paulus verwacht een toekomstige bekering van Israël. Maar ook dat gebeurt niet buiten Christus om.

“En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.”
(Romeinen 11:26, STV)

Het herstel van Israël komt door de Verlosser.

Niet door etniciteit.
Niet door traditie.
Maar door Christus.

De eenvoudige toets

Er is een eenvoudige vraag die veel duidelijk maakt.

Hoe vaak wordt de Naam van Jezus daadwerkelijk uitgesproken?

In het Nieuwe Testament gebeurt dat voortdurend. Paulus zegt zelfs:

“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.”
(1 Korinthe 2:2, STV)

Wanneer een boodschap over Israël spreekt maar Christus nauwelijks noemt, is er iets verschoven.

Dan ontstaat een beweging van:

Christus → Israël

in plaats van:

Israël → Christus.

De verleiding van de “lieve vrede”

In beplaalde kringen wordt bij gelegenheid gezegd:

“laten we dit soort dingen maar laten rusten voor de lieve vrede.”

Maar de Bijbel roept juist op tot een andere houding.

“Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus.”
(Efeze 4:15, STV)

Waarheid en liefde horen bij elkaar. Niet polemiek om de polemiek, maar ook geen zwijgen wanneer het hart van het evangelie naar de achtergrond schuift.

Uiteindelijk draait alles om één Naam

Het Nieuwe Testament is hier opvallend helder. Niet Israël, niet religie, niet traditie vormt het middelpunt van Gods plan, maar één Persoon.

“Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.”
(1 Korinthe 3:11, STV)

Wanneer dat fundament zichtbaar blijft, krijgt Israël zijn juiste plaats.

Maar wanneer Christus naar de achtergrond verdwijnt, blijft er uiteindelijk alleen religie over.

En precies daarom blijft de boodschap van de apostelen zo eenvoudig en zo radicaal:

“En de zaligheid is in geen ander.”
(Handelingen 4:12, STV)

De grote verdrukking en de illusie van veiligheid in Israël

Er bestaat vandaag onder veel christenen een bijna reflexmatige overtuiging:
de terugkeer van Joden naar Israël nú zou automatisch Gods plan en zegen zijn.

Organisaties zamelen geld in, campagnes worden gevoerd en Joden worden actief aangemoedigd om aliyah te maken — terug te keren naar het land Israël.

Maar wie de Bijbel werkelijk leest, ontdekt een ongemakkelijke waarheid.

De Schrift schetst namelijk een toekomst waarin juist Israël het centrum van de grootste crisis in de wereldgeschiedenis wordt.

Niét een veilige haven.
Maar het epicentrum van de eindtijd.

De grote verdrukking: ongekend in de wereldgeschiedenis

Jezus spreekt zelf over een periode die Hij de grote verdrukking noemt.

“Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.”
(Mattheüs 24:21, STV)

Dit is geen gewone oorlog.
Geen regionale crisis.

Het is een periode die zo intens is dat Jezus zegt dat er nooit iets vergelijkbaars is geweest in de hele geschiedenis van de mensheid.

En opvallend: deze gebeurtenissen concentreren zich rond Jeruzalem en Judea.

De benauwdheid van Jakob

Het Oude Testament beschrijft dezelfde periode met een andere naam:

“Ach! want die dag is groot, zodat er geen is als hij; en het is een tijd der benauwdheid voor Jakob; doch hij zal daaruit verlost worden.”
(Jeremia 30:7, STV)

De Bijbel noemt deze tijd dus expliciet:

de benauwdheid van Jakob.

Jakob staat hier voor het volk Israël.

Dat betekent dat deze crisis niet in de eerste plaats over Europa, Amerika of Azië gaat — maar over Israël zelf.

Jeruzalem wordt het brandpunt van de wereld

De profeten spreken daar opvallend duidelijk over.

“Zie, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling voor alle volken rondom…”
(Zacharia 12:2, STV)

En nog explicieter:

“Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen…”
(Zacharia 14:2, STV)

Jeruzalem wordt volgens de profetieën het brandpunt van internationale conflicten.

Het toneel waar de eindstrijd van de wereldgeschiedenis zich afspeelt.

De Heer geeft een vluchtbevel

Hier wordt het nog confronterender.

Wanneer Jezus over deze periode spreekt, zegt Hij tegen de Joden die in Judea wonen:

“Alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen.”
(Mattheüs 24:16, STV)

Let op wat hier staat.

Niet:

blijf in Jeruzalem
kom naar Israël
verzamel je in het land

Nee

Vlucht.

Dát is het bevel.

De ongemakkelijke vraag

Als de Bijbel leert dat Israël in de eindtijd het centrum van enorme vervolging en oorlog wordt…

waarom moedigen sommige christelijke organisaties vandaag Joden actief aan om daarheen te verhuizen?

Waarom wordt aliyah gepresenteerd als een soort geestelijke plicht?

Waarom wordt Israël soms bijna voorgesteld als de veiligste plek voor het Joodse volk?

De Bijbel zegt precies het tegenovergestelde.

Israël zonder Messias

De diepere tragiek is dit:

De huidige staat Israël bestaat grotendeels zonder erkenning van haar Messias.

Jezus zei over Jeruzalem:

“Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn…”
(Mattheüs 23:37, STV)

En vervolgens sprak Hij een aangrijpende profetie uit:

“Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!”
(Mattheüs 23:39, STV)

De nationale erkenning van de Messias komt pas ná een diepe crisis.

Eerst crisis, daarna bekering

De profeet Zacharia beschrijft dat moment:

“En zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen…”
(Zacharia 12:10, STV)

Pas wanneer Israël geconfronteerd wordt met de Messias die zij verworpen hebben, komt er nationale bekering.

Maar daaraan gaat een periode vooraf die de Bijbel beschrijft als de zwaarste verdrukking uit de wereldgeschiedenis.

De echt veilige plaats

De ironie is dat veel christenen hun hoop stellen op een land.

Maar de Bijbel wijst naar een Persoon.

Niet een geografische plek redt.

Niet een staat redt.

Niet een vlag redt.

Alleen Christus.

“Want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”
(Handelingen 4:12, STV)

Voor Jood en heiden geldt exact hetzelfde.

De veilige plaats is niet Israël.

De veilige plaats is in Christus.

Christenen die werkelijk van het Joodse volk houden, zouden daarom niet eerst moeten spreken over aliyah.

Maar over het Evangelie.

Want zonder Messias is zelfs het beloofde land uiteindelijk geen toevlucht.

Alleen Jezus Christus redt.

Voor Israël.
En voor de wereld.

lees ook:

De Naam die men liever niet noemt

De grote verdrukking, voor wie bestemd

Openbaring 12 is geen sprookje, het is heilsgeschiedenis

Verbondstheologie getoetst aan de Schrift, en waarom het Dispensationalisme inhoudelijk sterker staat

“Waarom elke Jood zou moeten overwegen terug te keren naar Israël”??

Israël vandaag Gods volk?

Die Ene Naam

Israël onze “oudste broer”…..dat is de vraag

Christenen hebben geen collectieve schuld tegenover het Joodse volk


extern:

Pas op voor de ‘wachters’!


https://www.gotquestions.org/Nederlands/grote-verdrukking.html/

Geverifieerd door MonsterInsights