De vraag naar de bekering van Israël roept al snel sterke emoties en stellige uitspraken op. Sommigen menen dat alle Joden uiteindelijk vanzelf behouden worden; anderen concluderen dat Israël definitief heeft afgedaan. De Bijbel zelf kiest echter geen van beide uitersten. Zij spreekt nauwkeurig, consequent en vooral Schrift-met-Schrift.
Wie Romeinen 9–11 leest, ontdekt dat Paulus geen politiek of nationalistisch betoog houdt, maar een onderwijzing van Gods handelen in de geschiedenis.
Geen automatische behoudenis
De Bijbel leert nergens dat behoudenis collectief of vanzelfsprekend is. Ook niet voor Israël. Integendeel: steeds weer wordt gesproken over een overblijfsel.
“Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.”
(Romeinen 9:27)
Dit woord overblijfsel is geen randbegrip, maar een vaste Bijbelse lijn. God werkt niet via de massa, maar via geloof. Dat gold in de dagen van Noach, van Elia en van Jesaja — en dat geldt ook in het Nieuwe Testament.
Wie is Israël volgens de Schrift?
De kernvraag is niet of Israël belangrijk is, maar wat de Bijbel onder Israël verstaat. Paulus is daarin opvallend duidelijk:
“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”
(Romeinen 9:6)
Israël is in de Schrift geen puur etnisch begrip. Afkomst alleen is nooit beslissend geweest. Al bij Abraham wordt dat duidelijk: niet Ismaël, maar Izak. Niet Ezau, maar Jakob.
“Niet de kinderen des vleses zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.”
(Romeinen 9:8)
Israël is daarom geen vanzelfsprekend recht, maar een titel die verbonden is aan belofte en geloof.
Israël als titel en roeping
Jakob kreeg de naam Israël niet bij zijn geboorte, maar na zijn ontmoeting met God.
“Uw naam zal voortaan niet meer Jakob genoemd worden, maar Israël.”
(Genesis 32:28)
Die naam duidt roeping en erfgenaamschap aan. Wanneer het volk ongelovig wordt, kan die titel verloren gaan.
“Gij zijt Mijn volk niet.”
(Hosea 1:9)
Toch blijft God trouw aan Zijn beloften. Zelfs lo-ammi wordt uiteindelijk weer ammi.
“Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk.”
(Hosea 2:23)
Dat spanningsveld — oordeel én belofte — loopt door de hele Schrift heen.
De huidige tijd: Israël en de heidenen
Paulus leert dat Israël als volk in de tegenwoordige tijd grotendeels in ongeloof verkeert. Dat betekent echter niet dat God Zijn volk verworpen heeft.
“Heeft dan God Zijn volk verstoten? Dat zij verre!”
(Romeinen 11:1)
In deze periode verzamelt God Zich een volk uit de heidenen: de Gemeente. De zegeningen die aan Israël waren toevertrouwd, zijn in Christus terechtgekomen bij hen die geloven.
“Door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.”
(Romeinen 11:11)
Dat is geen toeval, maar onderdeel van Gods plan.
Het overblijfsel blijft bestaan
Ook nu blijft er een Joods overblijfsel dat gelooft.
“Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.”
(Romeinen 11:5)
Dat overblijfsel vertegenwoordigt Israël zoals God het rekent. Niet groot in aantal, maar wezenlijk in betekenis.
De toekomst van Israël
De Bijbel spreekt ook over een toekomstige bekering van Israël. Die zal plaatsvinden in een tijd van grote benauwdheid, wanneer een Joods overblijfsel de Naam van de HEERE zal aanroepen.
“Zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben.”
(Zacharia 12:10)
“Al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.”
(Joël 2:32)
Op deze wijze — door bekering en geloof — zal geheel Israël zalig worden.
“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”
(Romeinen 11:26)
Niet automatisch, niet collectief, maar op Gods wijze.
De kern samengevat
- Behoudenis is nooit vanzelfsprekend
- Israël is een Bijbelse titel, geen biologisch automatisme
- God werkt door een overblijfsel
- In de huidige tijd verzamelt God een volk uit de heidenen
- In de toekomst zal een Joods overblijfsel tot geloof komen
- Gods beloften falen niet, maar worden vervuld langs de weg van geloof
Paulus besluit dit gedeelte niet met een schema, maar met aanbidding:
“O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods!”
(Romeinen 11:33)


