Waarom tobben zoveel christenen over de vraag of ze wel “goed genoeg” zijn voor God? En hoe kan de apostel Paulus de gelovigen in Korinthe aan de ene kant “geheiligden in Christus Jezus” noemen, terwijl hij hen een paar hoofdstukken verder de mantel uitveegt om hun vleselijke gedrag en onderlinge strijd?
Het antwoord op deze vragen ligt in een belangrijk Bijbels principe: het onderscheid tussen staat (positie) en toestand (praktische wandel). Wie dit onderscheid eenmaal leert zien, ontdekt de sleutel tot de nieuwtestamentische brieven en ervaart de bevrijdende rust van Gods Genade.
De staat van de gelovige
De staat van een gelovige is de volmaakte, onveranderlijke en hemelse positie die hij voor God inneemt vanaf het allereerste moment dat hij in Jezus Christus gelooft.
Volkomen: Deze positie wordt niet opgebouwd door menselijke inspanning, gebed, kerkelijke ijver, vroomheid of goede werken. Het is een volstrekt onverdiende gave van God op grond van het volbrachte werk van Christus aan het kruis.
Voor iedere gelovige: In Gods ogen bezit de meest zwakke, pasbekeerde of onwetende gelovige exact dezelfde rechten, zekerheden en hemelse zegeningen als de meest ervaren en gezegende christen.
Onveranderlijk : Onze positie voor God kan in de hemel niet volmaakter worden dan zij nu al is. In Christus is de gelovige gerechtvaardigd, levend gemaakt, mede opgewekt, in de hemel gezet, verzegeld met de Heilige Geest en gemaakt tot een onmisbaar lid van het Lichaam van Christus.
De toestand van de gelovige
De toestand heeft betrekking op het praktische, dagelijkse leven; het leven van de gelovige hier en nu op aarde.
Nog in ontwikkeling: Waar de staat vanaf dag één volmaakt is, is de praktijk van het dagelijks leven vaak nog gebrekkig. De wandel en het karakter van een gelovige kunnen in de praktijk helaas nog ver beneden het niveau van zijn hemelse positie liggen.
De strijd tussen oude en nieuwe natuur: In het dagelijks leven ervaart de gelovige de aanwezigheid van de oude natuur (het vlees) en de nieuwe mens (het leven van Christus in ons). Die twee staan van nature tegenover elkaar.
Mefiboseth bij David
Mefiboseth bij koning David
In de Bijbel wordt dit onderscheid prachtig geïllustreerd aan de hand van de geschiedenis van Mefiboseth uit 2 Samuël 9:
Mefiboseth was de kleinzoon van koning Saul. Hij was kreupel aan beide voeten door een val in zijn jeugd en woonde in Lo-Debar , een dorre plaats die “geen weide” betekent. Uit liefde voor zijn vriend Jonathan haalde koning David Mefiboseth op en schonk hem een vaste plaats aan de koninklijke tafel.
Zijn staat veranderde radicaal: Op het moment dat David hem aannam, werd Mefiboseths staat die van een koningszoon. Hij zat dagelijks aan de tafel van de koning en deelde in de rijkdom van het paleis.
Zijn toestand bleef hetzelfde: Hoewel zijn staat verheven was tot die van een koningskind, bleef zijn praktische toestand onveranderd: hij bleef kreupel aan beide voeten. Onder de koninklijke tafel waren zijn verlamde voeten echter bedekt door de genade van de koning.
Zo draagt ook de gelovige een zwak en vernederd lichaam met zich mee, terwijl hij door God geplaatst is op de hoogst denkbare koninklijke positie.
De volgorde
Een van de grootste bevrijdingen in het christelijk leven is het inzicht in Gods volgorde van handelen. Onder de Wet van Mozes eiste God eerst gehoorzaamheid voordat de mens zegen kon ontvangen (“Doe en leef”). Onder de Genade werkt God precies andersom (“Geloof en leef”):
God geeft eerst de hoogst denkbare staat om niet, op grond van geloof.
God vermaant de gelovige daarna om te wandelen in overeenstemming met de positie die hij al gekregen heeft.
Onze levenswandel is niet de voorwaarde om bij God te horen, maar het gevolg van het feit dat we bij Hem horen.
Ons karakter is niet de grond van onze positie, maar onze positie is de bron van ons nieuwe karakter.
Bijbels onderscheid tussen staat en toestand
In het Nieuwe Testament vinden we talloze teksten die elkaar op het eerste gezicht lijken tegen te spreken, maar die direct helder worden wanneer we letten op het verschil tussen staat en toestand:
Thema
staat
toestand (vermaning)
Het licht
“Gij zijt het licht der wereld” (Matthéüs 5:14)
“Laat zo uw licht schijnen” (Matthéüs 5:16)
Heiliging
“Eens voor altijd geheiligd” (Hebreeën 10:10)
“De God des vredes heilige u geheel en al” (1 Thessalonicenzen 5:23)
Volmaaktheid
“In eeuwigheid volmaakt” (Hebreeën 10:14)
“Niet dat ik het reeds verkregen heb, maar ik jaag daarnaar” (Filippenzen 3:12)
Sterven met Christus
“Der wet gedood door het lichaam van Christus” (Romeinen 7:4)
“Doodt dan uw leden die op de aarde zijn” (Kolossenzen 3:5)
Leven vanuit een reeds geschonken positie
Als u niet weet dat u in Christus nú al een volmaakte positie inneemt, zult u steeds proberen uw eigen heil te bewerken om zelf Gods goedkeuring te verdienen. Dat leidt óf tot wettische hoogmoed óf tot diepe ontmoediging.
Gods opvoeding in ons leven, door de inwoning van de Heilige Geest, de tuchtiging van de Vader en de onderwijzing van het Woord, heeft maar één doel: ons praktische leven (toestand) steeds meer gelijkvormig te maken aan de volmaakte positie (staat) die wij in Christus al bezitten.
U hoeft niet te werken náár een positie; u mag leven úit een positie die u al geschonken is.
Wet en Genade zouden elkaar aanvullen, maar leert de Bijbel dat werkelijk? Een scherpe Bijbelse toetsing vanuit Romeinen en Galaten over de Wet, Genade en wandelen door de Geest.
Er wordt wel gezegd dat Wet en Genade elkaar niet uitsluiten, maar elkaar juist aanvullen en verdiepen.
Op het eerste gezicht klinkt dat best wel evenwichtig. De Wet komt immers van God en de Genade komt ook van God. Waarom zouden we die twee dan tegenover elkaar zetten?
Zou de Wet ons niet Gods wil laten zien, terwijl de Genade ons vervolgens helpt om daarnaar te leven?
Daar komt een begrijpelijke zorg bij. Wanneer we sterk benadrukken dat de christen niet onder de Wet maar onder de Genade staat, ligt wetteloosheid dan niet op de loer? Hebben we de Wet dan niet nodig als tegenwicht om te voorkomen dat Genade verandert in een vrijbrief om maar te doen wat we willen?
Het klinkt allemaal vrij logisch.
Maar is het ook Bijbels?
Dat is uiteindelijk de vraag die telt.
Want de apostel Paulus maakt tussen Wet en Genade een onderscheid dat wij niet mogen wegpoetsen in een poging beide met elkaar in balans te brengen.
waarom Wet en Genade elkaar uitsliuiten
Wet én Genade: een voor sommigen aantrekkelijk klinkende middenweg
De redenering lijkt eenvoudig.
Aan de ene kant dreigt wetticisme: regels, geboden en verplichtingen waardoor het christelijke leven een juk wordt.
Aan de andere kant dreigt wetteloosheid: “alles is Genade”, dus kennelijk doet het er dan niet meer toe hoe een christen leeft.
En dus lijkt de oplossing voor de hand te liggen: Wet én Genade.
Maar daarmee ontstaat een heel erg vals dilemma.
De keuze is niet tussen leven onder de Wet óf wetteloos leven onder het mom van Genade.
Paulus geeft een ander antwoord:
“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (Galaten 5:16, STV)
Dáár ligt een basaal verschil.
De Bijbelse oplossing voor wetteloosheid is niet dat de gelovige opnieuw, opwelke wijze dan ook, onder de Wet wordt geplaatst.
Het antwoord is wandelen door de Geest.
De Wet is heilig en goed
Laten we eerst een mogelijk misverstand uit de weg ruimen.
Wie leert dat de gelovige niet onder de Wet staat, beweert daarmee niet dat de Wet verkeerd is.
Paulus schrijft:
“Zo dan, de wet is heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.” (Romeinen 7:12, STV)
Even later schrijft hij:
“Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” (Romeinen 7:14, STV)
Zie je waar het probleem zit?
Niet bij de Wet.
De Wet is heilig.
De mens is zondig.
En juist daarom kan de Wet de mens precies vertellen wat God van hem verlangt, terwijl zij hem niet het leven kan geven waarmee hij daaraan kan beantwoorden.
De spiegel is niet vuil omdat hij een vuil gezicht laat zien.
De Wet legt bloot wat er met de mens aan de hand is.
Wat is dan het doel van de Wet?
De Wet heeft wel degelijk een door God gegeven functie. Maar wanneer wij haar een functie geven die God haar niet gegeven heeft, zijn wij niet méér Bijbels bezig.
Paulus schrijft:
“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” (Romeinen 3:20, STV)
Door de Wet is de kennis der zonde.
En:
“Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.” (Romeinen 3:19, STV)
De Wet ontmaskert.
De Wet verklaart schuldig.
De Wet stopt de mond van de mens die meent zichzelf tegenover God te kunnen rechtvaardigen.
De Wet laat zien dat wij een Verlosser nodig hebben.
Dat is geen tekortkoming van de Wet. Dat is juist een deel van haar door God gegeven functie.
De Wet was een tuchtmeester tot Christus
In Galaten wordt dat nog duidelijker.
“Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.” (Galaten 3:24, STV)
Maar daar houdt Paulus niet op.
Hij schrijft meteen daarna:
“Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.” (Galaten 3:25, STV)
Lees die laatste woorden nog eens:
“niet meer onder den tuchtmeester.”
Dat is belangrijk.
Paulus schrijft niet dat de tuchtmeester na de komst van het geloof gewoon blijft, maar nu een andere functie krijgt als leefregel voor de gelovige.
Hij zegt dat wij er niet meer onder zijn.
Waarom zouden wij de christen vervolgens toch weer onder diezelfde tuchtmeester plaatsen?
Maar Wet en Genade komen toch allebei van God?
Zeker.
Maar daaruit volgt niet dat ze dezelfde functie hebben of dat ze samen het beginsel vormen waaronder de christen leeft.
Ook de offerdienst kwam van God.
De besnijdenis kwam van God.
De Levitische priesterdienst kwam van God.
De sabbatsbepalingen kwamen van God.
Dat iets door God gegeven is, betekent niet automatisch dat iedere gelovige in iedere bedeling eronder gesteld is.
Johannes schrijft:
“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.” (Johannes 1:17, STV)
Dat betekent vanzelfsprekend niet dat God vóór Christus niet genadig was. Dat was Hij wel degelijk.
Maar de Schrift onderscheidt hier heel scherp Wet en Genade.
En Paulus werkt dat onderscheid leerstellig verder uit.
Wet en Genade werken volgens verschillende beginselen
Hier komen we bij het hart van de zaak.
Paulus schrijft:
“Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” (Romeinen 4:4-5, STV)
Dat is een fundamenteel verschil.
Bij werken ontstaat schuld in de betekenis van verschuldigd loon.
Bij Genade bestaat geen aanspraak.
De goddeloze wordt gerechtvaardigd omdat hij gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt.
Paulus formuleert hetzelfde beginsel in Romeinen 11 nog scherper:
“En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.” (Romeinen 11:6, STV)
De directe context gaat over het overblijfsel van Israël naar de verkiezing der Genade. Dat moeten we niet verzwijgen.
Maar kijk naar het beginsel waarmee Paulus redeneert:
als het uit Genade is, is het niet uit werken.
Waarom?
Omdat anders Genade geen Genade meer is.
Dat klinkt bepaald niet alsof Genade werken nodig heeft om compleet te worden.
“Ja, maar we hebben de Wet toch nodig voor onze levenswandel?”
Hier komt waarschijnlijk het belangrijkste bezwaar.
“Wij worden natuurlijk niet door de Wet gerechtvaardigd. Wij worden uit Genade behouden. Maar nadat we behouden zijn, hebben we de Wet toch nodig als leefregel?”
Dat klinkt aannemelijk.
Maar dan moeten we Romeinen 7 lezen.
Paulus schrijft:
“Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.” (Romeinen 7:4, STV)
Let vooral op het doel.
Wij zijn der Wet gedood:
“opdat wij Gode vruchten dragen zouden.”
Niet om wetteloos te worden.
Niet om maar te doen waar we zin in hebben.
Niet om onvruchtbaar te leven.
Maar om vrucht voor God voort te brengen.
En vervolgens:
“Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.” (Romeinen 7:6, STV)
Hier gaat het duidelijk over dienen.
Paulus zegt dus niet:
Vrij van de Wet voor onze rechtvaardiging, maar weer terug onder de Wet voor onze heiliging.
Hij zegt:
“nieuwigheid des geestes”
tegenover:
“oudheid der letter.”
Maar hoe zit het dan met de Tien Geboden?
Een veelgehoorde oplossing is dat de christen weliswaar niet meer onder de ceremoniële Wet staat, maar nog steeds onder de morele Wet, in het bijzonder de Tien Geboden.
Maar Romeinen 7 maakt die constructie onmogelijk om vol te houden.
Want nadat Paulus gesproken heeft over vrijgemaakt zijn van de Wet, schrijft hij:
“Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.” (Romeinen 7:7, STV)
“Gij zult niet begeren.”
Dat is één van de Tien Geboden.
Paulus heeft het dus niet eenvoudig over het verdwijnen van enkele ceremoniële voorschriften terwijl de stenen tafelen als verbondsrechtelijke leefregel voor de christen blijven bestaan.
De Mozaïsche Wet vormt één geheel.
Dat betekent uiteraard niet dat begeerte nu ineens goed geworden is.
Het betekent dat onze verhouding tot de Wet veranderd is.
Dat is iets heel anders.
Nieuwe en oude dingen uit de schat
Soms wordt Mattheüs 13:52 gebruikt om de gedachte te ondersteunen dat Wet en Genade als twee schatten bij elkaar zouden horen:
“En Hij zeide tot hen: Daarom, een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.” (Mattheüs 13:52, STV)
Een prachtige tekst.
Maar wat staat er echt?
Er staat niet dat de “oude dingen” de Mozaïsche Wet voorstellen en de “nieuwe dingen” de Genade, waarna Jezus zou leren dat Wet en Genade gezamenlijk de leefregel van de christen vormen.
Dat moet eerst in de tekst worden gelegd voordat het eruit gehaald kan worden.
De context gaat over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen:
“Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.” (Mattheüs 13:11, STV)
Mattheüs 13 bevat een reeks gelijkenissen waarin de Here Jezus onderwijs geeft over het Koninkrijk der hemelen. Binnen die context spreekt Hij over de schriftgeleerde die uit zijn schat “nieuwe en oude dingen” voortbrengt.
Daaruit een leerstellige formule afleiden waarin oud = Wet, nieuw = Genade en beide vervolgens samen de leefregel van de Gemeente vormen, gaat veel verder dan de tekst zelf zegt.
We moeten niet eerst een beeldspraak een bepaalde betekenis geven en vervolgens de duidelijke leerstellige uitspraken van Paulus vanuit die beeldspraak verklaren.
Het behoort andersom te gebeuren.
Schrift met Schrift vergelijken.
Is Genade dan een vrijbrief om te zondigen?
Hier komt het onvermijdelijke “Ja, maar…” opnieuw.
“Als een christen niet onder de Wet staat, kan hij dan maar doen wat hij wil?”
Paulus kende dat bezwaar blijkbaar ook.
Want onmiddellijk nadat hij heeft gezegd dat wij niet onder de Wet maar onder de Genade zijn, schrijft hij:
“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” (Romeinen 6:15, STV)
Let vooral op wat Paulus niet doet.
Hij zegt niet:
“Nu jullie onder de Genade zijn, ontstaat inderdaad het gevaar van wetteloosheid. Daarom moeten jullie de Wet erbij nemen om de zaak in evenwicht te houden.”
Integendeel.
Hij handhaaft zijn eerdere uitspraak:
“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)
Daar staan ze tegenover elkaar:
niet onder de Wet, maar onder de Genade.
Kennelijk kent Paulus dus een heilig leven zonder de christen opnieuw onder de Mozaïsche Wet te plaatsen.
Genade heeft de Wet niet nodig om heiligheid te leren
Misschien onderschatten we Genade wel grandioos wanneer we denken dat de Wet erbij moet komen om haar in evenwicht te houden.
Alsof Genade uitstekend geschikt is om een zondaar te redden, maar daarna hulp van de Wet nodig heeft om hem fatsoenlijk te laten leven.
Paulus schrijft:
“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld.” (Titus 2:11-12, STV)
Wie onderwijst ons hier?
De Genade Gods.
Genade vergeeft niet alleen.
Genade onderwijst.
Genade leert ons goddeloosheid afwijzen.
Genade leert ons rechtvaardig en godzalig leven.
Genade brengt ons niet alleen tot Christus.
Genade leert ons ook leven uit Christus.
Daarom is de tegenstelling tussen Wet en wetteloosheid een vals dilemma.
De Wet kan geen leven geven
Dit is misschien wel het diepste probleem.
De Wet kan zeggen wat goed is.
De Wet kan zeggen wat verkeerd is.
De Wet kan zonde aanwijzen.
Maar de Wet kan geen leven voortbrengen.
Paulus schrijft:
“Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.” (Galaten 3:21, STV)
Daar ligt het hemelsbrede verschil.
Het christelijke leven bestaat niet uit het verbeteren van de oude mens totdat hij uiteindelijk voldoende aan Gods eisen voldoet.
Het is nieuw leven in Christus.
“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20, STV)
Dat is veel meer dan een nieuwe verzameling voorschriften.
Christus leeft in mij.
De oplossing is wandelen door de Geest
Daarom is Galaten 5 zo belangrijk in deze tegenstelling over Wet en Genade.
Paulus schrijft niet alleen wat we moeten nalaten. Hij laat zien waar het christelijke leven vandaan komt:
“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (Galaten 5:16, STV)
En vervolgens:
“Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Tegen de zodanigen is de wet niet.” (Galaten 5:22-23, STV)
Lees die woorden eens rustig.
Liefde.
Goedheid.
Geloof.
Zachtmoedigheid.
Matigheid.
Is dat wetteloosheid?
Natuurlijk niet.
Maar Paulus noemt dit opmerkelijk genoeg niet de vrucht der Wet.
Het is:
“de vrucht des Geestes.”
Dat is geen woordspelletje.
Dat raakt het hart van het christelijke leven.
Met de Geest begonnen en met de Wet verder?
Juist daarom klinkt Paulus in Galaten soms zo ongekend scherp.
“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” (Galaten 3:3, STV)
Daar mogen we best even bij stilstaan.
Want hoe gemakkelijk zeggen we in feite:
Voor mijn behoudenis heb ik Christus nodig, maar voor mijn dagelijkse christelijke leven moet ik terug naar Mozes.
Maar waarom zou hetgeen door de Geest begonnen is door een ander beginsel moeten worden voltooid?
Waarom zou Christus voldoende zijn voor onze rechtvaardiging, maar niet voor onze levenswandel?
Waarom zou Genade ons wel kunnen redden, maar niet kunnen onderwijzen?
Paulus stelt de vraag veel scherper:
Met de Geest begonnen, en nu op een andere manier verder?
Wet en Genade hoeven niet in balans te worden gebracht
Misschien moeten we daarom af van het woord balans.
Het klinkt zo aantrekkelijk.
Een beetje Wet voorkomt dat Genade losbandigheid wordt.
Een beetje Genade voorkomt dat de Wet wetticisme wordt.
Mooi in evenwicht.
Maar waar leert Paulus dat?
De Schrift zegt:
“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)
Dat is geen balans.
Dat is een verandering van positie.
Niet een beetje Wet en heel veel Genade.
Niet Wet voor onze levenswandel en Genade voor onze behoudenis.
Niet onder de Wet, maar onder de Genade.
Vrij van de Wet betekent niet vrij van Christus
Daar zit misschien de grootste misvatting.
Wanneer de Wet niet onze leefregel is, zou er niets meer overblijven.
Maar de gelovige wordt helemaal niet aan zichzelf overgelaten.
Hij behoort Christus toe.
Hij heeft Gods Woord.
Hij heeft de Heilige Geest.
Hij wordt opgeroepen te wandelen zoals Christus wandelde.
“Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.” (1 Johannes 2:6, STV)
De norm wordt daarmee niet lager.
Integendeel.
De vraag is niet meer:
Welk voorschrift mag ik niet overtreden?
De veel diepere vraag is:
Hoe wandel ik als iemand die Christus toebehoort?
Wet en Genade moeten we niet vermengen
De gedachte dat Wet en Genade elkaar zouden moeten “aanvullen en verdiepen” klinkt aantrekkelijk.
Maar wanneer daarmee wordt bedoeld dat beide gezamenlijk het beginsel vormen waaronder de gelovige leeft, ontstaat er een serieus probleem.
Paulus zegt namelijk niet dat de gelovige een betere balans tussen Wet en Genade moet vinden.
Hij schrijft:
“Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou.” (Galaten 2:19, STV)
Dat is radicaal.
Gestorven aan de Wet om voor God te leven.
Niet gestorven aan de Wet om wetteloos te leven.
Niet gestorven aan de Wet omdat de Wet slecht zou zijn.
Maar gestorven aan de Wet:
“opdat ik Gode leven zou.”
Dat is wezenlijk iets anders dan Wet en Genade met elkaar proberen te verzoenen.
Niet Mozes plus Christus
En misschien komt het nergens duidelijker naar voren dan hier:
“Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.” (Romeinen 7:4, STV)
Niet:
Mozes plus Christus.
Maar: aan de Wet gedood en eens Anderen geworden.
Van Wie?
Van de opgestane Christus.
En met welk doel?
Opdat wij Gode vruchten dragen zouden.
Dat is geen wetteloos christendom.
Dat is leven uit Christus.
De Wet zegt wat de mens behoort te doen, maar geeft hem niet het leven om het voort te brengen.
Genade geeft in Christus wat de mens zelf nooit kon verdienen.
En de Heilige Geest brengt in de gelovige vrucht voort die geen stenen tafel ooit kon produceren.
Daarom hoeven Wet en Genade niet met elkaar verzoend te worden.
We moeten ze recht snijden.
Wet en Genade: het verschil doet ertoe
Wie de Wet haar Bijbelse plaats geeft, kleineert de Wet niet.
Integendeel.
Laat de Wet doen waarvoor God haar gegeven heeft.
Laat haar zonde als zonde aanwijzen.
Laat haar de mond van de mens stoppen.
Laat haar duidelijk maken dat niemand zichzelf voor God kan rechtvaardigen.
Laat haar heenwijzen naar de noodzaak van Christus.
Maar verwacht van de Wet niet wat zij nooit kon geven:
leven.
En maak haar niet tot noodzakelijke aanvulling van de Genade.
Want dan vertroebelen we het onderscheid dat Paulus zo nadrukkelijk maakt.
“Ik doe de genade Gods niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” (Galaten 2:21, STV)
Niet Wet plus Genade.
Niet Mozes plus Christus.
Niet beginnen door de Geest en vervolgens proberen te voleindigen door het vlees.
De gelovige is aan de Wet gestorven om voor God te leven.
Hij is niet onder de Wet, maar onder de Genade.
En wanneer vervolgens de vraag komt hoe zo’n christen dan moet wandelen, verwijst Paulus hem niet terug naar Sinaï:
“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (Galaten 5:16, STV)
Daar ligt het antwoord.
Niet in omfloerst wetticisme.
Niet in wetteloosheid.
Maar nieuw leven in Christus, wandelend door de Geest, onder de Genade.
2 Korinthe 3:7 (STV) En indien de bediening des doods, in letteren bestaandeen in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien om de heerlijkheid zijns aangezichts, die tenietgedaan zou worden,
8 Hoe zal niet veelmeer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?
Kolossenzen 3 is een ongemakkelijk gedeelte voor iedereen die van het christelijke leven een religieus prestatiesysteem heeft gemaakt.
Maar een dergelijke uitleg van Kolossenzen 3 is minstens zo ongemakkelijk voor wie “genade” gebruikt als excuus om gewoon door te leven zoals hij altijd deed.
Paulus laat voor beide geen ruimte.
Hij begint niet met regels.
Niet met verboden.
Niet met geestelijke prestaties.
Niet met de vraag hoeveel je bidt, hoeveel je vast, hoe vaak je naar samenkomsten gaat of welke bijzondere ervaringen je hebt gehad.
Hij begint bij Christus.
“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.” (Kolossenzen 3:1, STV)
Dáár begint het christelijke leven.
Niet bij wat jij voor Christus doet, maar bij wat God met en voor jou gedaan heeft in Christus.
En wie die volgorde omdraait, krijgt vroeg of laat een vernaggeld Evangelie.
Kolossenzen 3: meer Christus, minder ik
Met Christus gestorven en opgewekt
Paulus schrijft:
“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” (Kolossenzen 3:3, STV)
Lees dat nog eens.
Er staat niet:
probeer aan uzelf te sterven.
Er staat niet:
kruisig uzelf iedere dag totdat u eindelijk geestelijk genoeg bent.
Er staat:
“gij zijt gestorven.”
Dat is geen opdracht, maar een voldongen feit.
De gelovige is een met Christus in Zijn dood en opstanding. Daarom schrijft Paulus ook:
“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:4, STV)
Christus geeft niet alleen leven.
Christus is ons leven.
Dat is wezenlijk iets anders.
Het christelijke leven is geen poging om de oude mens een beetje christelijker te maken. God is niet bezig Adam op te knappen.
De oude mens moet niet worden gepolijst.
Hij is veroordeeld.
En de gelovige heeft in Christus een geheel nieuwe positie ontvangen.
De oude mens wordt niet christelijk opgeknapt
Daar gaat het in veel prediking en praktijk mis.
Men probeert gedrag te veranderen zonder werkelijk te begrijpen wat God over de gelovige zegt.
Een beetje netter leven.
Een paar verkeerde gewoonten afleren.
Regelmatiger naar de kerk.
Meer discipline.
Meer bidden.
Meer Bijbellezen.
Op zichzelf genomen kunnen daar heel goede dingen tussen zitten. Maar als dát de basis van het christelijke leven wordt, zijn we alweer bezig met de mens.
De Bijbelse boodschap van Kolossenzen 3 begint ergens anders:
met Christus gestorven, met Christus opgewekt en Christus als ons leven.
Pas daarna volgt de vermaning:
“Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn…” (Kolossenzen 3:5, STV)
Dat woordje “dan” is belangrijk.
Waarom moet de gelovige de werkingen van het vlees doden?
Om daardoor met Christus verbonden te raken?
Nee.
Omdat hij met Christus verbonden is.
Daar ligt het hemelsbrede verschil tussen genade en religie.
Religie zegt:
doe dit zodat God u zal aannemen.
Genade zegt:
God heeft u in Christus aangenomen; wandel daarom overeenkomstig hetgeen u in Christus bent.
Genade is géén vrijbrief om te zondigen
Ja, maar als de gelovige niet onder de wet is, wordt het leven dan niet vrijblijvend?
Paulus geeft zelf het antwoord.
“Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.” (Kolossenzen 3:5, STV)
Dat is bepaald geen slap verhaal.
Leven uit genade betekent niet dat zonde onbelangrijk is geworden.
Genade noemt zonde juist bij de naam.
Hoererij blijft hoererij.
Onreinheid blijft onreinheid.
Kwade begeerlijkheid wordt niet geheiligd doordat iemand zichzelf christen noemt.
En gierigheid noemt Paulus zelfs afgodendienst.
Onze tijd heeft geleerd bijna alles psychologisch te verklaren, cultureel te relativeren of van een vriendelijker etiket te voorzien.
Paulus doet dat niet.
Hij zegt:
doodt het.
Niet koesteren.
Niet vergoelijken.
Niet een christelijk sausje geven.
Niet zeggen:
“Zo ben ik nu eenmaal.”
Doodt het.
Kolossenzen 3 gaat niet alleen over seksuele zonden
Sommige christenen lezen vers 5 graag luid en duidelijk, maar worden dan wat stiller bij vers 8.
“Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond.” (Kolossenzen 3:8, STV)
Daar komt Kolossenzen 3 ineens akelig dichtbij.
Je kunt vol overtuiging tegen seksuele immoraliteit prediken en ondertussen bekendstaan om je driftbuien.
Je kunt zuiver in de leer willen zijn en mensen met je woorden afbreken.
Je kunt andere christenen op hun dwalingen wijzen en tegelijkertijd zelf vol bitterheid, hoogmoed en kwaadheid zitten.
Paulus zegt niet: zolang uw leer maar klopt, is dat verder niet zo belangrijk.
Nee.
“Legt ook gij dit alles af.”
Apologetiek zonder zelfonderzoek kan verschrikkelijk lelijk worden.
Waarheidsliefde is iets anders dan gelijkhebberigheid.
Strijden voor de waarheid geeft niemand toestemming om te lasteren, vuil te spreken of in woede uit te barsten.
Dat mag best gezegd worden.
Ook op christelijke websites.
Ook op sociale media.
Ook in discussies over leer.
De oude mens en de nieuwe mens
Paulus vervolgt:
“Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken, en aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft.” (Kolossenzen 3:9-10, STV)
Opnieuw dezelfde volgorde.
Niet:
doe de oude mens uit zodat u misschien ooit een nieuwe mens wordt.
Maar:
gij hebt de oude mens uitgedaan en de nieuwe mens aangedaan.
Dit onderscheid tussen de oude en nieuwe mens is essentieel om Kolossenzen 3 goed te begrijpen.
God probeert de oude mens niet beter te maken.
De nieuwe mens wordt vernieuwd.
En let op waarin:
“tot kennis.”
Dat verdient onze aandacht.
Geestelijke groei is meer dan ervaring
In moderne christelijke kringen lijkt geestelijke groei bijna synoniem geworden met ervaring.
Meer voelen.
Meer meemaken.
Meer manifestaties.
Meer “doorbraak”.
Meer zogenaamde profetische woorden.
Meer bijzondere ervaringen met de Geest.
Paulus legt een heel ander accent:
kennis.
Niet kille kennis zonder hart.
Maar kennis van God en Zijn geopenbaarde waarheid, waardoor de gelovige leert wandelen overeenkomstig zijn nieuwe positie in Christus.
Daarom schrijft Paulus even verder:
“Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid…” (Kolossenzen 3:16, STV)
Niet:
laat de ervaring rijkelijk in u wonen.
Niet:
laat de woorden van moderne profeten rijkelijk in u wonen.
Niet:
laat de visie van de leider rijkelijk in u wonen.
Maar:
Het Woord van Christus
Daarmee staat of valt alle gezonde geestelijke groei.
Christus alles en in allen
Dan schrijft Paulus:
“Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.” (Kolossenzen 3:11, STV)
Dat is een genadeloze klap voor iedere vorm van geestelijke status of geldingsdrang.
Christus is alles.
Niet de gezalfde voorganger.
Niet de apostel.
Niet de profeet.
Niet degene die zegt een bijzondere zalving te bezitten.
Niet degene met de grootste bediening.
Niet degene met de meeste volgers.
Niet degene die beweert “dieper” te zijn gekomen dan gewone gelovigen.
Christus.
Alles.
En in allen.
Binnen het Lichaam van Christus bestaat geen geestelijke aristocratie.
Wie zichzelf boven andere gelovigen verheft vanwege titel, bediening, ervaring, kennis of zogenaamde zalving heeft blijkbaar nog veel te leren van Kolossenzen 3.
Want zodra Christus echt alles wordt, wordt menselijke profileringsdrang vanzelf kleiner.
De nieuwe mens moet ook zichtbaar worden
Het christelijke leven bestaat zeker niet alleen uit dingen die moeten verdwijnen.
Paulus schrijft:
“Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid.” (Kolossenzen 3:12, STV)
Let opnieuw op de volgorde.
Paulus zegt eerst wat deze gelovigen zijn:
uitverkorenen Gods,
heiligen,
beminden.
En daarna wat zij moeten doen.
Dat is kenmerkend voor het leven uit genade.
Niet: wees zachtmoedig zodat God u misschien zal liefhebben.
Maar: omdat u door God geliefd bent, wandel dan in zachtmoedigheid.
Niet: verdien uw positie.
Maar:
wandel overeenkomstig uw positie.
Dát is het verschil tussen slavernij en vrijheid.
Vergeven omdat Christus ons vergeven heeft
Paulus vervolgt:
“Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.” (Kolossenzen 3:13, STV)
Hier wordt het persoonlijk.
Vergeving klinkt prachtig totdat iemand jou iets heeft aangedaan.
Dan blijkt ineens hoe diep deze woorden gaan.
Maar opnieuw is het uitgangspunt niet onze natuurlijke goedheid.
Paulus wijst naar Christus:
“gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft.”
Daar ligt de maatstaf.
En daar ligt tegelijk de kracht.
Wie beseft hoeveel hemzelf vergeven is, kan moeilijk blijven leven alsof hij moreel ver boven de ander staat.
Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen
Dan volgt misschien wel een van de noodzakelijkste vermaningen voor onze tijd:
“Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.” (Kolossenzen 3:16, STV)
Wat moet rijkelijk in ons wonen?
Het Woord van Christus.
Daar begint gezonde aanbidding.
Daar begint gezonde vermaning.
Daar begint geestelijk onderscheidingsvermogen.
Daar begint geestelijke volwassenheid.
Niet bij het creëren van een bepaalde sfeer.
Niet bij herhalende muziek totdat mensen emotioneel ontvankelijk worden.
Niet bij de verwachting dat iemand straks “een woord voor jou” zal hebben.
God heeft gesproken.
De vraag is daarom niet in de eerste plaats of wij iets nieuws willen horen.
De vraag is of het Woord dat God reeds gegeven heeft rijkelijk in ons woont.
Misschien moeten we minder vragen om “meer van God” en ons ernstiger afvragen hoeveel van Gods geopenbaarde Woord eigenlijk in ons woont.
Dat kan schuren.
Maar Kolossenzen 3 schuurt ook.
Alles doen in de Naam van de Here Jezus
Paulus sluit af:
“En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem.” (Kolossenzen 3:17, STV)
Dat woord “alles” laat weinig ruimte over.
Niet alleen de zondag.
Niet alleen de Bijbelstudie.
Niet alleen de lofzang.
Alles.
Wat wij zeggen.
Wat wij schrijven.
Hoe wij reageren.
Hoe wij omgaan met geld.
Hoe wij onze huwelijkspartner behandelen.
Hoe wij over anderen spreken wanneer zij er niet bij zijn.
Hoe wij ons gedragen wanneer niemand kijkt.
De toets is eenvoudig en tegelijkertijd messcherp:
Kan ik dit ook echt doen in de Naam van de Here Jezus Christus?
Kun je die woede-uitbarsting in Zijn Naam doen?
Kun je die roddel in Zijn Naam vertellen?
Kun je die gore website in Zijn Naam openen?
Kun je die manipulatie in Zijn Naam toepassen?
Kun je die geestelijke machtspositie in Zijn Naam opeisen?
Kun je die ander kleineren in Zijn Naam?
Soms hebben we geen ingewikkelde cursus geestelijke groei nodig.
Soms moeten we gewoon Kolossenzen 3 lezen en ophouden onszelf voor de gek te houden.
Leven uit genade: niet harder proberen, maar leven vanuit Christus
De boodschap van Kolossenzen 3 is niet:
Probeer harder.
De boodschap is:
Zie wie u in Christus bent en wandel daarnaar.
U bent met Christus opgewekt.
U bent gestorven.
Uw leven is met Christus verborgen in God.
Christus is uw leven.
U hebt de oude mens uitgedaan.
U hebt de nieuwe mens aangedaan.
En daarom: dood wat bij het oude leven hoort, leg af wat Christus onteert, doe aan wat bij de nieuwe mens hoort en laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen.
Dat is geen wetticisme.
Maar het is ook geen goedkope genade waarbij het er niet meer toe doet hoe iemand leeft.
Dit is Bijbelse heiliging vanuit genade.
Volkomen aanvaard in Christus, en juist daarom geroepen om waardig te wandelen.
Niet om behouden te worden.
Maar omdat wij behouden zijn.
Niet om Christus tot ons leven te maken.
Maar omdat Paulus zegt:
“Christus… Die ons leven is…” (Kolossenzen 3:4, STV)
Daar begint het.
Daar eindigt het.
Christus is geen aanvulling op het christelijke leven. Christus ís het christelijke leven.