Van evangelische gemeente naar pinksterkerk

Weten de gemeenteleden waar ze bij horen?

De Schuilplaats Papendrecht en de VPE: van evangelische gemeente naar pinksterkerk? De gemeente groeit en is sinds 2026 aangesloten bij de VPE. Maar groei bewijst geen gezonde leer. Wat betekent de nieuwe pinksterpositionering en weten gemeenteleden waarmee hun gemeente zich leerstellig heeft verbonden?

Het “groene kerkje” in Papendrecht wordt grondig gerenoveerd. De fundering moet worden aangepakt en voor renovatie en inrichting is ruim een miljoen euro nodig. Tegelijk wordt nagedacht over de toekomst: meer ruimte, meer activiteiten en een plek waar jongeren ook doordeweeks terechtkunnen.

In een krantenartikel wordt De Schuilplaats echter niet alleen een evangelische gemeente genoemd, maar een “evangelische pinksterkerk”. Dat roept een veel belangrijkere vraag op dan de vraag of er straks in de kerk gegamed kan worden:

Wat is er leerstellig veranderd, wat leert de VPE en hoe kunnen gemeenteleden dit Bijbels toetsen?

het omkatten van een kerk
van Evangelische gemeente naar Pinksterkerk

Wat is er veranderd?

Op de website presenteert De Schuilplaats zich nog steeds als Evangelische Gemeente De Schuilplaats. De geloofssamenvatting spreekt algemeen over God de Vader, Jezus Christus als Verlosser en de Heilige Geest.

Toch is er formeel iets veranderd. Sinds 17 april 2026 staat de gemeente geregistreerd als lid van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE). De VPE ziet zichzelf nadrukkelijk als onderdeel van de wereldwijde Pinkster- en Volle Evangeliebeweging. De aansluiting is daarom niet louter administratief.

De tijdlijn is opmerkelijk. Gerard en Petra van Wijk namen in mei 2024 het ‘voorgangerschap’ over van Eduard en Lia Witkamp. Nog geen twee jaar later werd De Schuilplaats lid van de VPE en wordt de gemeente in de regionale pers aangeduid als een evangelische pinksterkerk.

Daarmee is niet bewezen dat ineens  de hele prediking plotseling is veranderd of dat iedere charismatische praktijk binnen De Schuilplaats voorkomt. Wel staat vast dat de formele kerkelijke positionering is gewijzigd. Daarom is het terecht te vragen of gemeenteleden duidelijk is uitgelegd wat deze aansluiting leerstellig betekent.

Is de VPE-geloofsverklaring besproken? Is artikel 11 over de doop in de Heilige Geest en tongentaal uitgelegd? Is duidelijk gemaakt dat de VPE zich rekent tot de Pinkster- en Volle Evangeliebeweging? En hebben gemeenteleden gelegenheid gekregen deze leer vanuit de Schrift te onderzoeken?

 

Wat leert de VPE?

De VPE heeft een eigen geloofsverklaring. Die vormt volgens de organisatie de geestelijke grondslag van haar geloofsgemeenschap. Op belangrijke punten gaat deze verklaring verder dan de algemene geloofssamenvatting op de website van De Schuilplaats.

Een belangrijk voorbeeld is de leer over de doop in de Heilige Geest. In artikel 11 wordt deze doop verbonden met het spreken in nieuwe tongen als herkenning daarvan. Dat is een kenmerkend pinksteraccent.

Maar Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…”
(1 Korinthe 12:13, STV)

Het woord allen is belangrijk. Paulus verdeelt gelovigen niet in christenen die slechts tot geloof gekomen zijn en christenen die later nog een afzonderlijke Geestesdoop ontvangen. Hij zegt dat allen door één Geest tot één lichaam gedoopt zijn. Dat sluit aan bij:

“Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.”
(Romeinen 8:9, STV)

De Heilige Geest is geen latere upgrade voor christenen die na hun bekering nog iets wezenlijks missen. Wie Christus toebehoort, heeft Zijn Geest.

Ook de gedachte dat iedere gelovige in tongen zou spreken, roept vragen op. Paulus schrijft:

“Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met vreemde talen? Zijn zij allen uitleggers?”
(1 Korinthe 12:29-30, STV)

Het antwoord is hier telkens: nee. Niet allen zijn apostelen, niet allen zijn leraars en niet allen spreken in talen. Hoe kan tongentaal dan het herkenningsteken zijn van een Geestesdoop die iedere gelovige zou behoren te ontvangen?

Ook elders in de VPE-geloofsverklaring komen pinksteraccenten naar voren, zoals tekenen en wonderen, genezing van zieken en het uitdrijven van boze geesten. De Bijbel spreekt daar inderdaad over. Maar wat in Handelingen beschreven wordt, is niet automatisch een normgevende belofte voor iedere gemeente in iedere generatie.

Daarom moet steeds onderscheid worden gemaakt tussen beschrijving en voorschrift. De vraag is niet alleen of iets binnen de pinkstertraditie past, maar of de Schrift het op dezelfde manier leert.

 

Hoe kunnen gemeenteleden dit Bijbels toetsen?

Gemeentegroei kan reden tot dankbaarheid zijn. Volgens voorganger Gerard van Wijk telt De Schuilplaats ongeveer 180 leden en kwamen er in twee jaar veertig nieuwe leden bij. Wanneer mensen werkelijk tot geloof in Christus komen, is dat reden tot vreugde. (Het artikel zwijgt overigens over een significant aantal afhakers in diezelfde periode)

Maar groei bewijst op zichzelf helemaal niets over de waarheid van een leer. Een volle zaal, enthousiast jeugdwerk, veel activiteiten of positieve getuigenissen zijn geen betrouwbare toetssteen. Iemand kan door een gemeente geholpen worden, hoop ontvangen of werkelijk tot geloof komen, terwijl er binnen diezelfde gemeente ook verkeerde leer wordt verkondigd.

De Schrift zegt niet: kijk of het werkt. Zij zegt:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.”
(1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Paulus waarschuwt bovendien dat mensen leraren zullen verzamelen die zeggen wat zij graag horen:

“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;”
(2 Timotheüs 4:3, STV)

Populariteit en gezonde leer zijn dus geen synoniemen. Ook de Here Jezus paste Zijn boodschap niet aan toen velen van Zijn discipelen Hem verlieten:

“Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.”
(Johannes 6:66, STV)

Hij vroeg de twaalf:

“Wilt gijlieden ook niet weggaan?”
(Johannes 6:67, STV)

Petrus antwoordde:

“Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.”
(Johannes 6:68, STV)

Dáár ligt de norm. Niet:

hoeveel mensen blijven?

Maar:

waar zijn de woorden van het eeuwige leven?

Een Bijbelgetrouwe gemeente vraagt daarom niet eerst: werkt het? Zij vraagt: waar staat het geschreven? Paulus zegt tegen Timotheüs:

“Heb acht op uzelven en op de leer, volhard in deze; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.”
(1 Timotheüs 4:16, STV)

Hoe groter een gemeente wordt, hoe groter haar verantwoordelijkheid om over de leer te waken.

De Gemeente behoort bovendien niet aan voorgangers, oudsten of een denominatie toe.

Christus is het Hoofd:

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente…”
(Kolossenzen 1:18, STV)

Daarom horen leiders gemeenteleden niet afhankelijk te maken van besluiten van bovenaf, maar hen toe te rusten om zelf vanuit Gods Woord te onderscheiden. Een verandering van kerkelijke en leerstellige positionering hoort open besproken te worden. Leg de VPE-geloofsverklaring op tafel, bespreek de moeilijke punten en laat gemeenteleden de Schrift onderzoeken.

En dat gamen? Jongeren mogen gerust een spelletje spelen. Een kerkgebouw mag een ontmoetingsplaats zijn. De belangrijkere vraag is wat zij leren wanneer de spelcomputer uitgaat en de Bijbel opengaat.

Wordt hun geleerd wat zij in Christus ontvangen hebben? Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…”
(2 Petrus 1:3, STV)

Alles. Of ontstaat een christendom waarin gelovigen steeds op zoek worden gestuurd naar iets wat zij nog zouden missen: meer kracht, meer zalving, een tweede ervaring, een Geestesdoop of tongentaal als bewijs daarvan?

Dan gaat het niet meer over activiteiten, maar over leer.

Het gebouw van De Schuilplaats verdient een stevig fundament. Maar het geestelijke fundament is belangrijker:

“Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.”
(1 Korinthe 3:11, STV)

Scheuren in een gebouw zijn zichtbaar en meetbaar. Scheuren in het leerstellige fundament zijn moeilijker te herkennen. Ze kunnen ontstaan terwijl de zaal voller wordt, jongeren enthousiast zijn en de gemeente groeit.

Dit is geen aanval op individuele gelovigen binnen De Schuilplaats. Evenmin betekent de aanduiding pinksterchristen automatisch dat iemand geen broeder of zuster in Christus kan zijn. Het gaat om de leer. En leer moet worden getoetst, ook wanneer zij afkomstig is van een geliefde voorganger, in een officiële geloofsbelijdenis staat of door een groeiende beweging wordt onderschreven.

Als De Schuilplaats bewust voor aansluiting bij de VPE heeft gekozen, wees daar dan open over. Niet alleen administratief, maar óók leerstellig. Bespreek wat de VPE gelooft, leg de geloofsverklaring naast de Schrift en laat vragen toe.

De beslissende vraag is uiteindelijk niet wat de VPE gelooft, wat de voorganger leert of zelfs niet wat de gemeente altijd heeft geloofd. De vraag is:

Wat zegt de Schrift?

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.”
(1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot achterdocht, maar tot Bijbelse volwassenheid: onderzoek en toetsing, beproef en houd het goede vast.

lees ook;

Succes is geen roeping: de Bijbel tegenover succesprediking – Bijbelse basis

VPE kritisch bekeken: profetie, leiderschap en pinkstertheologie getoetst aan de Bijbel – Bijbelse basis

Tongentaal en ‘persoonlijke klanktaal’: Bijbels of een moderne charismatische leer? – Bijbelse basis

De zwijgteksten van Paulus: mogen vrouwen spreken in de Gemeente?

Gods Woord gehoorzamen of passend maken bij onze tijd?

Er zijn Bijbelteksten waarbij ongeveer niemand zegt:

 “Dat gold alleen voor de eerste eeuw.”

Maar zodra een tekst botst met moderne opvattingen over man, vrouw, gezag en leiderschap, verschijnt opvallend snel het bekende:

“Ja, maar…”

Dat gebeurt misschien wel nergens zo duidelijk als bij de zogenoemde zwijgteksten van Paulus.

“Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.” (1 Korinthe 14:34-35, STV)

En:

“Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.” (1 Timotheüs 2:11-12, STV)

Dat klinkt voor ons niet echt eigentijds….

En misschien ligt daar wel de echte beproeving van onze opvattingen over Schriftgezag.

Geloven we dat de Bijbel Gods Woord is zolang hij zegt wat wij toch al acceptabel vonden? Of mag Gods Woord ook onze moderne overtuigingen corrigeren?

Maar er is tegelijkertijd een waarschuwing nodig voor de andere kant. Want ook een traditionele uitleg kan meer in een tekst leggen dan er werkelijk staat.

De vraag is dus niet:

wat wil links of rechts hiervan maken?

De vraag is:

Wat staat er echt?

 

vrouwen zwijgen in de gemeente?
De zwijgteksten van Paulus

Wat betekent “zwijgen” in 1 Korinthe 14?

Als Korinthe 14:34 geïsoleerd geciteerd wordt, lijkt de conclusie eenvoudig: vrouwen moeten tijdens de gemeentelijke samenkomst hun klep houden.

Maar zo eenvoudig ligt het niet.

Een paar hoofdstukken eerder schrijft Paulus namelijk:

“Maar een iedere vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd…” (1 Korinthe 11:5, STV)

Wat we verder ook van de hoofdbedekking en het profeteren vinden, één ding kunnen we moeilijk ontkennen: Paulus spreekt over vrouwen die bidden en profeteren.

Daarmee wordt een uitleg van absoluut “zwijgen” problematisch.

Als Paulus in hoofdstuk 11 rekening houdt met een vrouw die bidt of profeteert, kan hij in hoofdstuk 14 moeilijk bedoelen dat een vrouw onder geen enkele omstandigheid één woord hoorbaar zou mogen uitspreken.

We moeten dus naar de context.

 

Paulus laat meer mensen zwijgen

En hier wordt het interessant.

Het woord “zwijgen” wordt in 1 Korinthe 14 namelijk helemaal niet uitsluitend voor vrouwen gebruikt.

Over iemand die in een vreemde taal spreekt terwijl er geen uitlegger aanwezig is, schrijft Paulus:

“Maar zo er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God.” (1 Korinthe 14:28, STV)

Even later gaat het over profeten:

“Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.” (1 Korinthe 14:30, STV)

En daarna pas:

“Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen…” (1 Korinthe 14:34, STV)

Dat plaatst de zwijgtekst ineens in een veel duidelijker kader.

De spreker in een vreemde taal moet onder bepaalde omstandigheden zwijgen.

Een profeet moet onder bepaalde omstandigheden zwijgen.

En vrouwen wordt binnen diezelfde geordende samenkomst eveneens opgedragen te zwijgen.

“Zwijgen” betekent in dit hoofdstuk dus niet automatisch: de betreffende persoon mag tijdens een samenkomst nooit enig woord uitspreken.

Het gaat over orde.

 

God is geen God van verwarring

Dat is de hele context van 1 Korinthe 14.

Paulus behandelt een samenkomst waarin gesproken, geprofeteerd en in talen gesproken wordt. Maar geestelijke activiteit is geen vrijbrief voor chaos.

Hij schrijft:

“Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.” (1 Korinthe 14:33, STV)

En het hoofdstuk eindigt met:

“Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.” (1 Korinthe 14:40, STV)

Daar moeten we de zwijgteksten dus in plaatsen.

Het probleem wordt niet opgelost door eenvoudig te zeggen:

“Vrouwen mogen nooit spreken.”

Maar evenmin door te zeggen:

“Dat was toen en heeft ons niets meer te zeggen.”

Beide reacties zijn te kort door de bocht

1 Timotheüs 2 maakt het moeilijker om weg te redeneren

Wie vervolgens 1 Timotheüs 2 leest, ontdekt dat Paulus nog specifieker wordt.

“Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.” (1 Timotheüs 2:12, STV)

Nu gaat het niet maar over spreken.

Paulus noemt leren en over de man heersen.

Dat maakt het moeilijk om de zwijgteksten uitsluitend te verklaren vanuit wanorde tijdens de samenkomsten in Korinthe.

Maar dan gebeurt iets wat voor de hedendaagse discussie nog belangrijker is.

Paulus vertelt namelijk zelf waarom hij deze orde geeft.

 

Paulus beroept zich niet op de cultuur maar op de schepping

Direct na zijn woorden over leren en gezag schrijft Paulus:

“Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.” (1 Timotheüs 2:13, STV)

En vervolgens:

“En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.” (1 Timotheüs 2:14, STV)

Dat maakt het populaire argument dat Paulus uitsluitend rekening hield met de cultuur van zijn tijd behoorlijk lastig.

Paulus schrijft niet:

“Want zo hoort dat in onze cultuur.”

Hij schrijft niet:

“Want vrouwen hebben in Efeze onvoldoende onderwijs genoten.”

Hij schrijft niet:

“Want de maatschappelijke verhoudingen laten op dit moment niets anders toe.”

Hij gaat terug naar Adam en Eva.

Naar Genesis.

Naar de schepping.

Je kunt natuurlijk proberen aannemelijk te maken dat bijzondere omstandigheden in Efeze een rol speelden. Maar je kunt vervolgens niet doen alsof Paulus zelf zijn argument daarop baseert.

Dat doet hij niet.

En daar begint het bekende

“Ja, maar…”

gevaarlijk te worden.

 

Wie bepaalt eigenlijk wat cultureel bepaald is?

Want waar eindigt dat argument?

Wanneer een Bijbelse opdracht die ons niet bevalt cultureel bepaald wordt genoemd, moeten we een objectief criterium hebben waarmee we dat kunnen aantonen.

Anders wordt “cultureel bepaald” slechts een keurige kerkelijke uitdrukking voor:

“Wij vinden dit tegenwoordig niet meer acceptabel.”

En dan hebben we een levensgroot probleem.

Want dan bepaalt de cultuur dus welke gedeelten van de Bijbel nog gezag hebben.

Niet de Schrift beoordeelt onze cultuur.

Onze cultuur beoordeelt de Schrift.

Dat is precies de verkeerde volgorde.

 

Gelijkheid betekent niet dat iedere functie identiek is

Een ander veelgehoord argument is dat man en vrouw in Christus gelijk zijn.

Dat is waar.

Paulus schrijft:

“Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28, STV)

Maar wat bewijst deze tekst?

Dat alle gelovigen dezelfde positie in Christus hebben.

Niet dat alle onderlinge verschillen in verantwoordelijkheid, roeping en functie opgeheven zijn.

De Jood houdt na zijn bekering immers niet op een Jood te zijn en de Griek houdt niet op een Griek te zijn. Een man houdt evenmin op man te zijn en een vrouw houdt niet op vrouw te zijn.

Gelijke waarde is niet hetzelfde als identieke functie.

Dat onderscheid zijn we in onze tijd grotendeels verleerd.

We denken al snel dat verschil automatisch ongelijkheid betekent en dat gezag automatisch onderdrukking inhoudt.

Maar dat is geen Bijbels uitgangspunt.

 

Onderdanigheid betekent geen minderwaardigheid

Dat wordt nog duidelijker in 1 Korinthe 11:

“Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.” (1 Korinthe 11:3, STV)

Als onderdanigheid noodzakelijk minderwaardigheid betekent, krijgen we hier onmiddellijk een enorm leerstellig probleem.

Paulus noemt immers ook God het Hoofd van Christus.

Orde betekent dus niet dat degene die zich onderwerpt minder waard is.

En gezag betekent Bijbels evenmin dat degene aan wie verantwoordelijkheid gegeven wordt belangrijker is.

En daar heeft menselijke hoogmoed veel schade veroorzaakt.

De Bijbelse orde is geen vrijbrief voor mannen om over vrouwen te heersen alsof zij geestelijk tweederangs zijn.

Maar misbruik van een Bijbelse waarheid maakt die waarheid nog niet onwaar.

 

De zwijgteksten gaan niet over de waarde van vrouwen

Dat moeten we nadrukkelijk vaststellen.

Nergens leert Paulus dat een vrouw geestelijk minderwaardig zou zijn.

Integendeel, het Nieuwe Testament kent tal van vrouwen die actief betrokken zijn bij het werk van het Evangelie.

Het probleem ontstaat wanneer we vanuit hun belangrijke plaats vervolgens concluderen dat iedere functie daarom voor iedereen identiek moet zijn.

Die conclusie volgt niet automatisch.

De vraag bij 1 Timotheüs 2 is niet of vrouwen bekwaam, intelligent, geestelijk volwassen of waardevol kunnen zijn.

De vraag is wat Paulus leert over orde, leren en gezag binnen de Gemeente.

Dat zijn verschillende vragen.

Wie ze door elkaar haalt, krijgt onvermijdelijk verwarring.

 

En wat betekent dit voor vrouwelijke voorgangers?

Hier wordt het wel spannend.

Want 1 Timotheüs 2 staat niet ergens geïsoleerd.

Onmiddellijk daarna behandelt Paulus in 1 Timotheüs 3 het opzienerschap:

“Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.” (1 Timotheüs 3:1, STV)

En vervolgens:

“Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man…” (1 Timotheüs 3:2, STV)

Dat volgt direct op het gedeelte waarin Paulus grenzen stelt aan het leren en gezag uitoefenen over de man.

Die samenhang mogen we niet negeren.

Wanneer tegenwoordig wordt beweerd dat het geslacht van een voorganger of opziener principieel geen enkele rol meer kan spelen, moeten we daarom niet allereerst vragen of dat maatschappelijk wenselijk is.

We moeten vragen:

Hoe wordt die conclusie uit deze teksten afgeleid?

Dat is dus een andere vraag.

 

Maar dan moeten traditionele christenen óók consequent zijn

Nu komt de andere kant.

Want het is makkelijk om 1 Timotheüs 2:12 als een hamer te gebruiken en vervolgens 1 Korinthe 11:5 zorgvuldig te vergeten.

Dat mag evenmin.

Paulus spreekt daar daadwerkelijk over een vrouw die bidt of profeteert.

Wie dus beweert:

“Een vrouw mag tijdens een samenkomst onder geen enkele omstandigheid hoorbaar spreken”,

moet óók uitleggen waarom Paulus enkele hoofdstukken eerder spreekt over een vrouw die bidt en profeteert.

We mogen niet tegen moderne christenen zeggen dat zij moeilijke teksten moeten laten staan, terwijl we vervolgens zelf een tekst die niet in ons traditionele systeem past stilletjes overslaan.

Ook conservatisme kent zijn “Ja, maar…”

Dat is misschien minder populair om te zeggen, maar het is wel eerlijk.

 

Schriftgezag werkt naar twee kanten

Daarom moeten we deze discussie niet voeren als een wedstrijd tussen progressief en conservatief.

De Bijbel behoort aan geen van beide kampen.

De echte en belangrijke vraag is:

Mag de Schrift ons allemaal corrigeren?

De moderne lezer moet bereid zijn te erkennen dat Paulus zijn onderwijs over man en vrouw niet eenvoudig opzij laat zetten door onze huidige culturele opvattingen.

De traditionele lezer moet bereid zijn te erkennen dat “zwijgen” niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan een absoluut verbod voor iedere vrouw om tijdens iedere samenkomst iets te zeggen.

We moeten alle Schriftgegevens laten staan.

Ook wanneer dat ons eigen systeem minder overzichtelijk maakt.

 

Misschien leggen we wel de verkeerde persoon het zwijgen op

En daar zit een wrange ironie in de hele discussie over de zwijgteksten.

Aan de ene kant worden deze teksten soms gebruikt om vrouwen veel meer beperkingen op te leggen dan de tekst werkelijk zegt.

Aan de andere kant worden de teksten zo cultureel gerelativeerd dat Paulus uiteindelijk zelf niets meer mag zeggen.

De ene kant laat de vrouw zwijgen waar Paulus dat niet noodzakelijk doet.

De andere kant laat Paulus zwijgen waar hij juist heel duidelijk spreekt.

Beide zijn problematisch.

Want uiteindelijk heeft niet onze cultuur het laatste woord.

Ook onze kerkelijke traditie niet.

En onze persoonlijke voorkeur evenmin.

 

Het gevaarlijke “Ja, maar…” keert terug

Daarmee zijn we terug bij de kern.

“Ja, Paulus zegt dat wel, maar…”

“Ja, 1 Timotheüs 2 staat er wel, maar…”

“Ja, Paulus verwijst naar Adam en Eva, maar…”

We moeten ontzettend voorzichtig worden wanneer onze uitleg voornamelijk bestaat uit argumenten waarom een Bijbeltekst niet kan of mag betekenen wat er kennelijk staat.

Soms is uitleg noodzakelijk.

Context is noodzakelijk.

Taalstudie kan noodzakelijk zijn.

Schrift met Schrift vergelijken is noodzakelijk.

Maar uitleg behoort duidelijk te maken wat de Schrift zegt, niet hoe wij eraan kunnen ontsnappen.

Dat verschil is beslissend.

 

De Bijbel hoeft niet met onze tijd mee te gaan

De zwijgteksten zijn veel meer dan een discussie over de positie van vrouwen in de Gemeente.

Ze stellen uiteindelijk een diepere vraag:

Wie heeft het hoogste gezag?

Onze cultuur?

Onze denominatie?

Onze persoonlijke ervaring?

Onze ideeën over gelijkheid?

Onze kerkelijke traditie?

Of het Woord van God?

Paulus sluit zijn behandeling van de orde in de samenkomst opvallend scherp af:

“Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.” (1 Korinthe 14:37, STV)

Dat vers verdient in deze discussie misschien wel veel meer aandacht dan het gewoonlijk krijgt.

Paulus zegt niet: dit zijn mijn persoonlijke voorkeuren als eerste-eeuwse Jood.

Hij beroept zich op het gezag des Heeren.

Daarom moeten we zorgvuldig uitleggen.

We moeten de context onderzoeken.

We moeten Schrift met Schrift vergelijken.

We moeten verkeerde toepassingen corrigeren.

Maar één ding niet:

Gods Woord passend maken bij onze tijd omdat onze tijd moeite heeft met Gods Woord.

Misschien is dat uiteindelijk wel de grootste ironie van de hele discussie over de zwijgteksten:

In onze poging te bepalen wanneer de vrouw moet zwijgen, moeten we ervoor oppassen dat we niet uiteindelijk Gods Woord Zelf het zwijgen opleggen.

 

De Kanaänitische vrouw. Groot geloof wanneer alles tegen lijkt te zitten

YouTube player

 

Wat is werkelijk groot geloof? Is dat geloven dat God altijd zal doen wat wij vragen? Is geloof afhankelijk van wat wij voelen? Of blijkt geloof juist wanneer God zwijgt en onze omstandigheden niet veranderen? In deze preek staat de bijzondere ontmoeting van de Here Jezus Christus met de Kanaänitische vrouw uit Mattheüs 15:21-28 centraal. Haar dochter verkeert in grote nood. Zij roept tot de Here, maar aanvankelijk antwoordt Hij haar niet. De discipelen willen haar zelfs wegsturen. Toch keert deze vrouw zich niet teleurgesteld van Christus af. Integendeel: zij komt dichterbij, aanbidt Hem en bidt eenvoudig: “Heere, help mij!” (Mattheüs 15:25, STV)

Wanneer de Here Jezus vervolgens spreekt over het brood van de kinderen en de hondjes, antwoordt zij niet verontwaardigd, maar in diepe afhankelijkheid: “Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokskens die er vallen van de tafel hunner heren.” (Mattheüs 15:27, STV)

Daarop spreekt Christus die prachtige woorden: “O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt.” (Mattheüs 15:28, STV) Deze boodschap gaat over geloof in plaats van gevoel, volharding wanneer God lijkt te zwijgen, genade in plaats van rechten opeisen en vertrouwen op Christus wanneer gebeden niet worden beantwoord zoals wij hadden gehoopt.

Ook komt een belangrijke vraag aan de orde: geneest Jezus altijd? De Bijbel leert ons niet dat iedere ziekte verdwijnt wanneer wij maar genoeg geloof hebben. Sommige “doornen” worden weggenomen, andere blijven. Maar Gods genade blijft genoeg. Een bemoedigende en tegelijk confronterende boodschap over groot geloof, Gods soevereiniteit en de zekerheid die uiteindelijk niet in onze omstandigheden ligt, maar in de Here Jezus Christus Zelf. Wat dan nog? Jezus is er toch?

 

Geverifieerd door MonsterInsights