Het verzwakte christendom is een groot probleem, niet de Islam

Hoe het Westen zijn geestelijke fundament verloor

of:

Hoe de islam het ontstane vacuüm vult en christenen hun eigen geloof nauwelijks nog durven verdedigen

Er wordt veel gesproken over de islamisering van Europa. Over moskeeën, migratie, islamitische invloed, religieuze gevoeligheden en de toenemende druk om kritiek op de islam vooral voorzichtig te formuleren.
Maar misschien stellen we wel de verkeerde vraag.

De vraag is niet alleen waarom de islam in het Westen steeds zichtbaarder wordt. De veel ongemakkelijkere vraag is:

Waarom heeft het christendom zo gemakkelijk terrein prijsgegeven?

Want een beschaving die niet meer weet waarin ze gelooft, hoeft niet door een andere beschaving overwonnen te worden. Zij heeft zichzelf al ontwapend.
En daar ligt het probleem.

Een christendom dat zijn eigen fundament heeft verlaten

Het Westen is niet van de ene op de andere dag ontkerstend. Het gebeurde geleidelijk. Generatie na generatie werden christelijke overtuigingen afgezwakt, Bijbelse normen gerelativeerd en geestelijke waarheden ingeruild voor maatschappelijk aanvaardbare opvattingen.
Het resultaat is een uiterst merkwaardige vorm van christendom.
Er wordt nog gesproken over God, liefde, genade en naastenliefde. Maar zodra het gaat over zonde, bekering, Gods heiligheid, het oordeel of de waarheid van het Evangelie, wordt het ongemakkelijk.
Dan klinkt al snel dat we vooral niemand mogen kwetsen.
Alsof de grootste zonde inmiddels is geworden dat iemand zich aan de waarheid zou kunnen ergeren.
Maar sinds wanneer wordt de waarheid bepaald door de vraag of mensen haar aangenaam vinden?

De apostel Paulus schreef:

“En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds…” (Romeinen 12:2, STV)

Dat is geen oproep om het christendom doorlopend aan de tijdgeest aan te passen.
Het is juist een waarschuwing om dat niet te doen.
Toch lijkt met name die aanpassing in grote delen van het westerse christendom de norm geworden.

Wanneer zonde niet meer zo genoemd wordt

Een van de meest ingrijpende veranderingen is de manier waarop tegenwoordig over goed en kwaad wordt gedacht.
De moderne samenleving hanteert steeds vaker een eenvoudige maatstaf: zolang niemand aantoonbaar schade ondervindt, is iets moreel aanvaardbaar.
Die gedachte klinkt sympathiek.
Maar is niet hetzelfde als de Bijbelse moraal.
De Schrift leert immers dat het kwaad niet pas begint wanneer iemand een ander lichamelijk beschadigt.
Het begint in het hart van de mens.
De Here Jezus Christus zegt:

“Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.” (Markus 7:21-22, STV)

Let op wat de Here Jezus hier doet.
Hij beperkt de zonde niet tot zichtbaar geweld of aantoonbare maatschappelijke schade. Hij spreekt over begeerten, gedachten, hoogmoed en de innerlijke gesteldheid van de mens.
Dat is essentieel.
Een samenleving kan lichamelijk geweld afkeuren en tegelijkertijd hebzucht verheerlijken, wellust aanmoedigen, hoogmoed belonen en afgunst commercieel exploiteren.
Sterker nog: een aanzienlijk deel van onze consumptiecultuur draait op precies die verlangens.
En wat doet het moderne christendom?
Veel te vaak zwijgt het.
Niet omdat de Schrift onduidelijk is, maar omdat duidelijke Bijbelse uitspraken ‘maatschappelijk ongewenst’ zijn geworden.
Wanneer de cultuur bepaalt wat zonde mag heten, heeft de kerk haar gezag al uit handen gegeven.

De islam vult een leegte op die het Westen zelf heeft geschapen

Hier wordt de verhouding tussen islam en christendom erg interessant.
De islam presenteert zich als een religie met duidelijke overtuigingen. Zij kent religieuze verplichtingen, voorschriften over het dagelijkse leven, opvattingen over mannen en vrouwen en een sterk besef van religieuze identiteit.
Dat betekent dus niet dat die overtuigingen dus waar zijn.
Een religie kan zeer consequent zijn en toch op fundamentele punten dwalen.
Maar duidelijkheid heeft aantrekkingskracht in een samenleving die steeds minder zeker weet wat ze zelf gelooft.
Wanneer het Westen nauwelijks nog durft te spreken over waarheid, moraal en de betekenis van het menselijk bestaan, kan een religie die dat wel doet vanzelf aantrekkelijk worden.
Dat verklaart ook waarom sommige westerlingen zich tot de islam wenden.
Niet noodzakelijk omdat zij de Koran kritisch hebben onderzocht, de historische betrouwbaarheid van de islam hebben vastgesteld of de verschillen tussen Mohammed en de Here Jezus Christus zorgvuldig hebben bestudeerd.
Maar omdat de islam hun iets lijkt te bieden wat de moderne westerse cultuur is kwijtgeraakt: overtuiging, structuur en richting.
En dat is een zeer ernstige aanklacht tegen het verwaterde christendom.
Want waarom zou iemand zich aangetrokken voelen tot een christelijk geloof dat zich nauwelijks nog onderscheidt van het secularisme?
Waarom zou iemand luisteren naar christenen die zelf niet overtuigd lijken van de waarheid van hun eigen boodschap?

Een zelfverzekerde dwaling tegenover een verlegen waarheid

Hier ligt een pijnlijke tegenstelling.
De islam ontkent dat Jezus Christus de Zoon van God is. De Koran verwerpt de kruisiging zoals de Bijbel die verkondigt en bestrijdt essentiele onderdelen van het christelijke geloof.
In Soera 4:157 wordt de kruisiging van Jezus ontkend zoals christenen die belijden. In Soera 5:72 wordt de belijdenis dat Allah de Messias is uitdrukkelijk veroordeeld.
Daarmee staat de islam op fundamentele punten tegenover het Evangelie.
De Schrift verkondigt daarentegen:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

De Here Jezus Christus is niet maar een profeet in een lange rij boodschappers.
Hij is het vleesgeworden Woord, werkelijk God én werkelijk Mens.
Het verschil tussen islam en christendom is daarom niet een kwestie van religieuze smaak of culturele voorkeur.
Het gaat om de identiteit van Jezus Christus, Zijn volbrachte verzoeningswerk en de weg tot behoud.
Maar wat gebeurt er wanneer christenen deze waarheid nauwelijks nog durven uitspreken?
Dan ontstaat de merkwaardige situatie waarin een religie die de Godheid van Christus ontkent met grote overtuiging haar boodschap uitdraagt, terwijl degenen die belijden dat Jezus Christus de Waarheid is, zich verontschuldigen zodra zij dat hardop zeggen.
De islam hoeft niet eens haar eigen gelijk te bewijzen wanneer christenen zich al schamen voor hun eigen gelijk.

 

Het deurmat-christendom: wanneer lafheid voor liefde doorgaat

Er bestaat een vorm van christendom waarin verdraagzaamheid praktisch het hoogste gebod is geworden.
Nooit confronteren. Nooit tegenspreken. Nooit een scherpe vraag stellen. Vooral geen aanstoot geven.
Alles moet vriendelijk blijven.
Maar is dat Bijbels?
De Here Jezus waste de voeten van Zijn discipelen. Hij vernederde Zichzelf en gaf daarmee een indrukwekkend voorbeeld van dienstbaarheid.
Maar dezelfde Here Jezus verdreef ook de handelaars uit de tempel.
Dezelfde Christus die zachtmoedig en nederig van hart is, sprak ook:

“Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden…” (Mattheüs 23:13, STV)

Hij sprak de waarheid, ook wanneer die Zijn toehoorders diep raakte.
Zijn liefde stond nooit tegenover de waarheid.
Het moderne deurmat-christendom heeft daarvan een karikatuur gemaakt.
Het verwart zachtmoedigheid met zwijgen, nederigheid met onzekerheid en liefde met het vermijden van iedere confrontatie.
Maar wie weigert dwaling te weerspreken omdat dat ongemakkelijk is, bewijst daarmee niet automatisch liefde aan degene die dwaalt.
Soms is zwijgen juist de gemakkelijkste weg.
En gemakzucht is geen christelijke deugd.
Paulus schreef:

“Predik het woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” (2 Timotheüs 4:2, STV)

Merk op dat wederleggen, bestraffen en vermanen hier niet tegenover lankmoedigheid staan.
Ze horen bij elkaar.
Waarheid zonder liefde kan hard en liefdeloos worden. Maar liefde zonder waarheid wordt uiteindelijk inhoudsloos.

De islam mag bekritiseerd worden. Het christendom ook

In het publieke debat wordt kritiek op de islam regelmatig verbonden met de vraag of die kritiek vijandigheid tegenover moslims bevordert.
Dat onderscheid verdient zorgvuldigheid.
Een moslim is een mens die met waardigheid behandeld moet worden. Zijn overtuigingen mogen echter net zo kritisch worden onderzocht als die van een christen, atheïst of aanhanger van welke andere levensbeschouwing dan ook.
Kritiek op de islam is niet hetzelfde als vijandigheid tegenover moslims.
Dat onderscheid moet overeind blijven.
Want als religieuze overtuigingen aan kritisch onderzoek worden onttrokken, wordt de zoektocht naar waarheid ernstig belemmerd.
De Koran doet uitspraken over Jezus, de Bijbel, de profeten en de geschiedenis.
Die uitspraken mogen onderzocht worden.
Wanneer de Koran stelt dat Jezus niet gekruisigd werd zoals het Nieuwe Testament verkondigt, mag gevraagd worden op welke historische grond die bewering rust.
Wanneer wordt beweerd dat de Bijbel vervalst is, mag gevraagd worden waar het bewijs daarvoor is.
Wanneer Mohammed als de laatste profeet wordt gepresenteerd, mag gevraagd worden waarom zijn getuigenis zwaarder zou moeten wegen dan dat van de apostelen die al eeuwen eerder over Jezus Christus schreven.
Dat zijn geen beledigingen.
Het zijn gewoon inhoudelijke vragen.
En wie overtuigd is van de waarheid van zijn religie, zou niet bang moeten zijn voor zulke vragen, en die kunnen beantwoorden.
Maar diezelfde bereidheid tot onderzoek moet ook gelden voor christenen. Ook onze overtuigingen moeten aan de Schrift worden getoetst.
Niet traditie, gevoel of maatschappelijke acceptatie is de maatstaf.
Het Woord van God is dat.

Het christendom hoeft geen politieke machtsreligie te worden

Bij de oproep tot christelijke weerbaarheid is wel een belangrijk onderscheid nodig.
Het Evangelie wordt niet verdedigd door mensen met geweld tot geloof te dwingen.
De Gemeente van Jezus Christus is geen wereldlijk koninkrijk dat met militaire macht gevestigd moet worden.
De Here Jezus verklaarde tegenover Pilatus:

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaars gestreden hebben…” (Johannes 18:36, STV)

Daar ligt een principiële grens.
Christelijke vrijmoedigheid is niet hetzelfde als politieke overheersing. En geestelijke strijd is niet hetzelfde als gewapende strijd tegen mensen met een andere religie.
Paulus schreef:

“Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten.” (2 Korinthe 10:4, STV)

De kracht van de Gemeente ligt niet in het zwaard van de overheid, maar in het Woord van God.
Dat maakt christenen niet weerloos.
Het betekent dat hun strijd een ander karakter heeft.
Wij hoeven de islam niet te bestrijden door moslims hun vrijheid te ontnemen. Wij mogen de leer van de islam toetsen, haar tegenstrijdigheden blootleggen en de waarheid van het Evangelie vrijmoedig verkondigen.
Dat is geen zwakte.
Dat is trouw aan de opdracht die de Here Jezus Christus Zijn discipelen heeft gegeven.

Een machtig Westen zonder geestelijke overtuiging

Het moderne Westen beschikt over een ongekende hoeveelheid materiële middelen.
Wetenschap, technologie, economische macht, militaire capaciteit en politieke instellingen hebben een niveau bereikt dat eerdere generaties nauwelijks konden voorstellen.
Maar al die middelen kunnen één ding niet vervangen: geestelijke overtuiging.
Een samenleving kan technisch hoogontwikkeld zijn en tegelijkertijd moreel richtingloos.
Deze kan voortdurend spreken over vrijheid en tegelijkertijd steeds minder verdragen dat iemand aanspraak maakt op objectieve waarheid.
En kan trots zijn op haar historische christelijke erfgoed en tegelijkertijd de inhoud van dat erfgoed nauwelijks nog kennen.
Daar ligt een van de grootste tegenstrijdigheden van onze tijd.
Het Westen heeft enorme vooruitgang geboekt in wat de mens kan, maar lijkt steeds minder zeker te weten waarvoor de mens leeft.
En in die leegte worden alternatieve levensbeschouwingen aantrekkelijk.
De islam is daarvan een zichtbaar voorbeeld, maar zeker niet de enige.
Het onderliggende probleem is dat een samenleving die haar eigen overtuigingen opgeeft, ontvankelijk wordt voor overtuigingen van anderen.

De grootste crisis bevindt zich binnen het christendom zelf

Daarom is het te gemakkelijk om alle problemen bij de islam neer te leggen.
Wie uitsluitend spreekt over islamisering, maar zwijgt over de ontkerstening van het Westen, behandelt symptomen terwijl de onderliggende crisis ongemoeid blijft.
Want wie heeft christenen gedwongen om het gezag van de Schrift te relativeren?
Wie heeft hen gedwongen om de Bijbelse leer over zonde en bekering naar de achtergrond te schuiven?
Wie heeft hen gedwongen om de exclusieve aanspraken van Jezus Christus af te zwakken?
En wie heeft hen gedwongen om het Evangelie te veranderen in een algemene boodschap van vriendelijkheid en maatschappelijke harmonie?
Dat zijn ontwikkelingen waarvoor het christendom zelf verantwoordelijkheid moet nemen.
De apostel Paulus waarschuwde:

“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen naar hun eigen begeerlijkheden.” (2 Timotheüs 4:3, STV)

Die waarschuwing verdient vandaag alle aandacht.
Niet omdat iedere moderne ontwikkeling verkeerd zou zijn, maar omdat de Gemeente nooit de vrijheid heeft gekregen om Gods Woord aan te passen aan menselijke voorkeuren.
Wanneer de Schrift niet langer doorslaggevend is, blijft uiteindelijk alleen een religie over die zegt wat mensen graag willen horen.
En zo’n religie heeft de wereld niets te vertellen.

De oplossing is geen nostalgie, maar terugkeer naar de Schrift

Het antwoord op de geestelijke crisis van het Westen is niet een terugkeer naar de middeleeuwen, een christelijke staatsmacht of een geïdealiseerd verleden.
De geschiedenis van het christendom kent zeker ook misbruik van macht, dwang en ernstige afwijkingen van de Schrift.
De oplossing ligt niet in het herstellen van alles wat ooit onder de noemer christendom is gebeurd.
De oplossing ligt in het opnieuw erkennen van het gezag van Gods Woord.
Niet de cultuur bepaalt wat waar is.
Niet de overheid bepaalt wat zonde is.
Niet de meerderheid bepaalt wie Jezus Christus is.
En ook niet de religieuze traditie heeft het laatste woord.
De Schrift getuigt van Hem.De Here Jezus zegt:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” (Johannes 14:6, STV)

Dat is geen boodschap die zich gemakkelijk laat inpassen in een samenleving waarin alle religieuze overtuigingen uiteindelijk als gelijkwaardig worden beschouwd.
Het is een exclusieve aanspraak.
Maar juist daarom moet hij helder worden verkondigd.
Niet om moslims te vernederen.
Niet om atheïsten te beledigen.
Niet om een culturele machtsstrijd te winnen.
Maar omdat het behoud van mensen op het spel staat.

Tot slot:

Misschien moeten wij christenen eerst onszelf eens onderzoeken

De groeiende zichtbaarheid van de islam in Europa roept belangrijke vragen op.
Over godsdienstvrijheid. Over integratie. Over de verhouding tussen religie en overheid. Over de historische en leerstellige aanspraken van de Koran.
Die vragen mogen gesteld worden en verdienen eerlijke antwoorden.
Maar er is een vraag die christenen niet mogen ontwijken.
Waarom zou een wereld die op zoek is naar waarheid, luisteren naar christenen die zelf nauwelijks nog durven zeggen dat zij de waarheid kennen?
Misschien is de grootste bedreiging voor het christendom helemaal niet dat de islam zo overtuigd is van haar boodschap.
Misschien is het wel dat zoveel christenen de overtuiging van hun eigen boodschap zijn kwijtgeraakt.
De islam hoeft niet eerst overwonnen te worden om het Evangelie te kunnen verkondigen.
Christenen moeten eenvoudigweg weer bereid zijn dat Evangelie zonder schaamte te belijden.
Paulus schreef:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.” (Romeinen 1:16, STV)

Dát is de houding die vandaag nodig is.

Geen haat tegenover moslims. Geen angst voor kritische vragen. Geen verwaterd christendom dat iedere confrontatie met de waarheid uit de weg gaat.
Maar een helder, Bijbelgetrouw en vrijmoedig getuigenis van de Here Jezus Christus.
Want de kracht van het christendom ligt niet in de zwakte van de islam, maar in de waarheid van het Evangelie.

En die waarheid hoeft zich voor niemand te verontschuldigen.

Kan God sterven? Islam, Jezus en de menswording

Een islamitisch bezwaar tegen Jezus dat in zichzelf vastloopt

“God kan niet sterven.”

Het klinkt indrukwekkend. Het wordt in gesprekken tussen moslims en christenen dan ook regelmatig gebruikt als argument tegen de Godheid van de Here Jezus Christus.

De redenering lijkt eenvoudig:

God kan niet sterven.
Jezus stierf.
Dus Jezus kan niet God zijn

Klaar Einde gesprek.

Maar is dat ook zo?

Nee. Het probleem zit meteen al in de eerste zin. Want voordat iemand kan zeggen dat God “niet kan” sterven, mens worden of Zich op een bepaalde manier openbaren, moet eerst duidelijk gemaakt worden wat daarmee precies bedoeld wordt.

En daar begint het islamitische argument behoorlijk te kraken.

Een islamitisch misverstand ontkracht
Kan God sterven?

“God kan dat niet”

Een veelgehoord islamitisch bezwaar tegen het christelijk geloof luidt ongeveer:

“Hoe kan God mens worden?”

Of:

“Hoe kan God sterven?”

Of:

“Hoe kan God één zijn en toch Vader, Zoon en Heilige Geest?”

Vaak wordt de vraag niet gesteld als oprechte vraag, maar als conclusie:

“Dat kan niet.”

Maar ho eens even.

Kán God het niet?

Of zou God het volgens jou niet doen?

Dat zijn twee totaal verschillende beweringen.

Wanneer iemand zegt:

“God kan geen menselijke natuur aannemen”,

dan doet hij een uitspraak over (de grenzen van) Gods macht.

En daar ontstaat binnen de islam een bijzonder probleem. Want de islam benadrukt voortdurend de absolute almacht en soevereiniteit van Allah.

Als God werkelijk almachtig is, op welke grond zegt een mens dan:

“Dat kan Hij niet”?

 

Legt de moslim een grens aan Gods almacht?

Binnen invloedrijke islamitische theologische tradities, in het bijzonder de Ash’aritische traditie, wordt zeer sterk benadrukt dat Allah absoluut vrij en soeverein is in Zijn wil.

God wordt niet geregeerd door iets dat boven Hem staat.

Prima.

Maar dan ontstaat onmiddellijk een probleem wanneer dezelfde moslim vervolgens tegen de christen zegt:

“God kan onmogelijk een menselijke natuur aannemen.”

Hoezo niet?

Wie bepaalt die grens?

Als God almachtig is, waarom zou het dan onmogelijk zijn dat Hij, zonder op te houden God te zijn, een werkelijke menselijke natuur aanneemt?

Je hoeft op dat moment zelfs nog niet te bewijzen dát de menswording heeft plaatsgevonden.

De eerste vraag is veel eenvoudiger:

Is God daartoe in staat?

Wanneer het antwoord “nee” luidt, is de volgende vraag onvermijdelijk:

Wie of wat beperkt Hem dan?

Dat is een nogal ongemakkelijke en schurende vraag.

 

“Kan God mens worden?” is niet de doorslaggevende vraag

Het christelijk geloof zegt niet dat God veranderde van God in een mens.

Dat zou inderdaad onbijbels zijn.

De Schrift leert dat het Woord vlees geworden is:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Johannes had vlak daarvoor geschreven:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

Het Woord was God.

En datzelfde Woord werd vlees.

Niet: God hield op God te zijn.

Niet: God veranderde in een mens.

Maar: de Zoon nam een volledig menselijke natuur aan.

Daarmee wordt de vraag ineens anders.

Niet:

“Kan God mens worden?”

Maar:

“Heeft God Zich op deze wijze geopenbaard?”

Dát is de vraag waarover we het dan hebben.

 

Maar God kán toch niet sterven?

Dan komt het tweede bezwaar:

“Als Jezus God is en Jezus stierf, dan stierf God. Maar God kan niet sterven. Dus Jezus is niet God.”

Ook hier wordt meer verondersteld dan bewezen.

Wat bedoelen we met “sterven”?

Bij de dood houdt iemand niet op te bestaan.

De Bijbel beschrijft de dood als scheiding.

Jakobus schrijft:

“Want gelijk het lichaam zonder geest dood is…” (Jakobus 2:26, STV)

Als een mens sterft, verdwijnt hij niet in het niets.

Het lichaam sterft. De geest wordt van het lichaam gescheiden.

Waarom zou de dood van Christus dan moeten betekenen dat de Zoon van God ophield te bestaan?

Dat is helemaal niet wat christenen geloven.

 

Jezus Christus is werkelijk God én werkelijk Mens

Hier komen we bij een waarheid die niet pas bedacht is toen moslims begonnen te argumenteren.

Eeuwen vóór Mohammed werd er al uitvoerig nagedacht over de vraag hoe de Goddelijke en menselijke natuur van Christus zich tot elkaar verhouden.

De Bijbel geeft daarvoor zelf de bouwstenen.

Van Christus wordt gezegd:

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.” (Kolossenzen 2:9, STV)

Let op die woorden.

Niet: een beetje Godheid.

Niet: een afgeleide goddelijke kracht.

“Al de volheid der Godheid.”

En tegelijk wordt Hij werkelijk mens genoemd.

Paulus schrijft:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw…” (Galaten 4:4, STV)

De Zoon nam dus werkelijk onze menselijke natuur aan.

Hij had een echt lichaam.

Hij kende honger.

Hij kende dorst.

Hij werd moe.

Hij kon lijden.

En Hij kon naar Zijn menselijke natuur sterven.

Maar op geen enkel moment hield Hij op Gods Zoon te zijn.

 

Wie stierf er aan het kruis?

Hier moeten we nauwkeurig zijn.

Niet een “menselijke Jezus” los van de Zoon van God stierf aan het kruis.

De Persoon Die aan het kruis hing, was dezelfde Persoon Die Johannes “het Woord” noemt.

Daarom kan Paulus zelfs schrijven:

“…indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.” (1 Korinthe 2:8, STV)

Wie werd dus gekruisigd?

“De Heere der heerlijkheid.”

Dat is buitengewoon kractig gezegd.

De Zoon onderging werkelijk de dood in de menselijke natuur die Hij had aangenomen.

Zijn Godheid hield niet op te bestaan.

De Goddelijke natuur werd niet vernietigd.

God verdween niet drie dagen uit het universum.

Dat is een belachelijke karikatuur van het christelijk geloof.

 

Christus werd ook niet door de dood overrompeld

Er is bovendien nog een groot verschil tussen onze dood en de dood van de Here Jezus Christus.

Wij sterven omdat wij sterfelijke mensen zijn.

Wij hebben de dood uiteindelijk niet onder controle.

Christus wel.

Hij zei:

“Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen.” (Johannes 10:17-18, STV)

Dat verandert alles.

Jezus was geen hulpeloos slachtoffer van gebeurtenissen die uit de hand liepen.

Hij gaf Zijn leven.

Vrijwillig.

Bewust.

Volgens het raadsbesluit van God.

Dat is geen zwakheid.

Dat is macht onder vrijwillige vernedering.

 

“Maar God zou zoiets nooit doen”

En daar verschuift het islamitische argument meestal.

Eerst klinkt het:

“God kan geen mens worden.”

Maar zodra gevraagd wordt waarom de Almachtige dat niet zou kunnen, verandert het vaak in:

“God zou Zich nooit zo vernederen.”

Aha.

Dat is een ander argument.

Nu gaat het niet meer over Gods macht, maar over Gods karakter.

En daar ligt het hart van het Evangelie.

De vraag is niet of wij het passend vinden dat God Zich vernederde.

De vraag is of God heeft geopenbaard dat Hij het deed.

Paulus schrijft over Christus:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden; En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.” (Filippenzen 2:6-8, STV)

Dat is het grote wonder van het Evangelie.

Niet dat God te zwak was om Zich tegen mensen te verdedigen.

Maar dat de Zoon vrijwillig neerdaalde.

 

De vraag die de islam moeilijk kan ontwijken

Wanneer een moslim zegt:

“God kan niet mens worden”,

Stel dan de ontwapenende vraag:

“Bedoel je dat God dat niet zou willen, of dat God daartoe niet in staat is?”

Dat onderscheid haalt veel verwarring uit het gesprek.

Wanneer hij zegt:

“God kan het niet”,

vraag:

“Hoe rijm je dat dan met Gods almacht?”

Wanneer hij zegt:

“God zou het niet doen”,

vraag:

“Hoe weet je dat?”

Want dan gaat de discussie niet langer over  veronderstelde onmogelijkheden, maar over openbaring.

 Wat heeft God echt gedaan?

Wie is Jezus Christus?

Wat zeggen de eerdere Schriften over Hem?

Waarom wordt Hij in het Nieuwe Testament genoemd:

het Woord dat God is;

Immanuël, “God met ons”;

de Heere der heerlijkheid;

de Schepper;

de Eerste en de Laatste;

Degene in Wie de volheid der Godheid lichamelijk woont?

Dat zijn vragen waar men niet omheen kan door plompverloren te zeggen:

“God kan dat niet.”

 

Het kruis is géén nederlaag van God

Voor de islam is het kruis een struikelblok.

En bepaald niet alleen voor de Islam…..

Voor het Evangelie staat uitgerekend dáár Gods kracht centraal.

Paulus schrijft:

“Want het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods.” (1 Korinthe 1:18, STV)

De wereld verwacht macht in verheffing.

God openbaarde Zijn kracht in vernedering.

De wereld verwacht overwinning door de tegenstander te vermijden.

Christus overwon door de dood binnen te gaan en eruit op te staan.

en vaHet antwoord vinden we niet in het winnen van een filosofisch spelletje.

Christus is gestorven.

Christus is begraven.

Christus is opgestaan.

En juist doordat Hij Mens was, kon Hij sterven.

Juist doordat HijGod is, kon de dood Hem niet houden.

Petrus verkondigde over Hem:

“Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.” (Handelingen 2:24, STV)

Let op wat hier onmogelijk wordt genoemd.

Niet dat God mens wordt.

Niet dat Christus sterft.

Maar dat de dood Hem zou kunnen vasthouden.

Dát is het Evangelie

 

Niet “God kan dat niet”, maar: Wie is Jezus?

Daarom is

“God kan niet sterven”

geen geldig argument tegen de Godheid van Christus.

Het berust op een verkeerde voorstelling van zowel de menswording als de dood van Christus.

De christen gelooft niet dat Gods bestaan drie dagen ophield.

Hij belijdt dat de Zoon werkelijk mens werd, werkelijk leed, werkelijk stierf en werkelijk opstond uit de dood.

Daarom komt uiteindelijk alles neer op één vraag:

Wie is Jezus Christus?

Niet: Wie willen wij dat Hij is?

Niet: Welke voorstelling past binnen de grenzen van onze religieuze verwachtingen?

Maar:

Wie zegt de Schrift dat Hij is?

Thomas kwam oog in oog met de opgestane Christus en antwoordde:

“Mijn Heere en mijn God!” (Johannes 20:28, STV)

Jezus wees hem daar niet terecht.

Hij ontkende het niet.

Hij accepteerde die belijdenis.

Daar ligt de echte uitdaging.

Niet voor Gods almacht.

Maar voor jouw en mijn hart.

Zie ook:

koran – Bijbelse basis

islam – Bijbelse basis

YouTube player

Jezus is de Messias, óók in de Koran, maar…..

Wat dat betekent?

Een moslim zal zonder aarzeling zeggen dat Jezus de Messias is. Dat is geen christelijke claim die de islam van buitenaf is opgedrongen. De Koran zelf noemt Jezus ook:

المسيح “al-Masih”: de Messias. Wat betekent: de Gezalfde.

Maar stel je de eenvoudige vraag:

Wat betekent het volgens de Koran dat Jezus de Messias is?

Dan wordt het ineens muisstil.

Want de Koran gebruikt een titel die eeuwen ouder is dan de islam, maar legt niet uit wat die titel inhoudt.

Waarom is Jezus de Messias? Waarvoor is Hij gezalfd? Tot welk ambt? Welke beloften vervult Hij? Waarom draagt Jezus deze titel en Mohammed niet?

Dat zijn geen randzaken. Wanneer men iemand “de Messias” noemt, gebruikt men een titel met een voorgeschiedenis. En juist die voorgeschiedenis brengt ons niet naar Mekka of Medina, maar naar Mozes, de Psalmen, de Profeten en uiteindelijk naar het Evangelie.

Jezus is de Messias ook in de Koran. Wat betekent dat?
Jezus is de Messias, ook in de Koran

De Koran noemt Jezus uitdrukkelijk de Messias

In Soera 3:45 wordt aan Maria aangekondigd:

“Allah geeft u een blijde tijding van een Woord van Hem, wiens naam de Messias is, Jezus, zoon van Maria.”

Ook Soera 4:171 spreekt over:

“de Messias, Jezus, zoon van Maria.”

Soera 5:72 en 5:75 gebruiken opnieuw dezelfde titel.

Er bestaat dus geen discussie over de vraag óf de Koran Jezus de Messias noemt. Dat doet hij herhaaldelijk.

De vraag is veel lastiger:

Wat bedoelt de Koran ermee?

 

“Messias” is geen achternaam van Jezus

Soms lijkt het binnen de Koran bijna alsof “Messias” slechts een eretitel bij de naam Jezus is geworden. Maar historisch en Bijbels kan dat niet zo zijn.

Het Arabische “al-Masih” staat in dezelfde traditie als het Hebreeuwse “Mashiach”: de gezalfde. Het Griekse equivalent is “Christos”, waarvan ons woord “Christus” afkomstig is.

Daarom lezen we in Johannes 1:42:

“Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.” (STV)

“Messias” en “Christus” verwijzen dus naar dezelfde Persoon: de Gezalfde.

Maar daarmee begint de vraag pas.

Gezalfd waarvoor?

Een titel zonder inhoud zegt immers heel weinig.

 

Waarvoor is Jezus volgens de Koran gezalfd?

Hier ligt het probleem.

De Koran noemt Jezus “de Messias”, maar geeft geen uitwerking van Zijn messiaanse ambt.

Waar lezen we in de Koran waarom Jezus de Messias is?

Waar wordt uitgelegd tot welk ambt Hij gezalfd werd?

Waar wordt Zijn Messias-schap verbonden met de beloften aan David?

Waar vinden we een uitgewerkte messiaanse verwachting?

Waar wordt verklaard waarom deze titel juist aan Jezus toebehoort?

En misschien nog opvallender:

Waarom is Mohammed niet de Messias?

Als “Messias” eenvoudig “een belangrijke boodschapper van Allah” zou betekenen, waarom krijgt Mohammed, volgens de islam de laatste en belangrijkste profeet, die titel dan niet?

Mozes wordt niet “de Messias” genoemd.

Abraham wordt niet “de Messias” genoemd.

Mohammed wordt niet “de Messias” genoemd.

Jezus wel.

Dat vraagt om een verklaring.

 

De Koran leent een titel uit een eerdere openbaringsgeschiedenis

En precies hier ontstaat de controverse.

De islam kan het begrip “Messias” niet zelf hebben voortgebracht. De titel bestond eeuwen vóór Mohammed en komt voort uit de geschiedenis en verwachting van Israël.

Wie echt wil weten wat “Messias” betekent, moet daarom terug naar de Schriften waarin deze verwachting ontwikkeld wordt.

En daar begint het voor de islam ongemakkelijk te worden.

Want de Messias van de Schrift is veel meer dan alleen ‘een profeet die een boodschap komt brengen.’

 

De beloofde Zoon van David

God beloofde David:

“Ik zal uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.” (2 Samuel 7:12, STV)

En:

“Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.” (2 Samuel 7:16, STV)

De Messiasverwachting is daardoor onlosmakelijk verbonden met het koningschap van David.

Jesaja bouwt daarop verder:

“Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.” (Jesaja 9:5, STV)

En vervolgens:

“Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk.” (Jesaja 9:6, STV)

Dit is geen inhoudsloze titel.

Dit is een Koning.

 

Psalm 2 maakt het nog scherper

Psalm 2 spreekt uitdrukkelijk over Gods Gezalfde:

“De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE en tegen Zijn Gezalfde.” (Psalm 2:2, STV)

Dan zegt God:

“Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.” (Psalm 2:6, STV)

En dan:

“Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” (Psalm 2:7, STV)

Let op hoe die begrippen bij elkaar komen:

Gezalfde. Koning. Zoon.

Dat is de Bijbelse achtergrond van de titel die de Koran vervolgens zonder uitgebreide verklaring aan Jezus geeft.

 

De Messias is óók de lijdende Knecht

Daar houdt het verhaal niet op.

Jesaja spreekt over de Knecht Die om de zonden van anderen lijdt:

“Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.” (Jesaja 53:5, STV)

En:

“de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)

Hier wordt zichtbaar waarom het Evangelie niet slechts vertelt dat Jezus een profeet was die goede dingen onderwees.

Hij kwam om Zijn leven te geven.

De Here Jezus Christus zegt Zelf:

“Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.” (Mattheüs 20:28, STV)

Dat raakt precies aan iets wat de Koran later ontkent: de kruisiging van Jezus.

 

De Koran behoudt de titel maar verwerpt de inhoud

En daarmee wordt de Messiascontroverse echt scherp.

De Koran noemt Jezus “de Messias”, maar verwerpt tegelijkertijd centrale elementen van de Bijbelse boodschap over Hem.

Soera 4:157 ontkent dat de Joden Jezus daadwerkelijk hebben gedood en gekruisigd.

Tegelijkertijd bestrijdt de Koran de christelijke belijdenis omtrent Zijn Goddelijke identiteit.

Maar daarmee ontstaat een fundamentele vraag:

Kun je de titel “Messias” uit de Bijbelse openbaringsgeschiedenis overnemen en vervolgens de inhoud waarmee die titel in diezelfde openbaringsgeschiedenis wordt gevuld grotendeels terzijde schuiven?

Dat is de kern van het probleem.

 

De Koran vertelt ons bovendien dat Jezus “Zijn Woord” is

Het wordt nog opmerkelijker wanneer we kijken naar de manier waarop de Koran Jezus omschrijft.

Soera 4:171 noemt Hem niet alleen de Messias, maar ook:

“Zijn Woord, dat Hij aan Maria gaf, en een geest van Hem.”

En Soera 3:45 spreekt eveneens over “een Woord van Hem”.

We moeten daar niet meer in lezen dan wat de Koran zelf zegt. De Koran leert hiermee niet automatisch de christelijke leer van Johannes 1.

Maar de vergelijking is desondanks opmerkelijk.

Want het Evangelie zegt:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.” (Johannes 1:14, STV)

De Koran wil de christelijke belijdenis over Jezus corrigeren, maar gebruikt tegelijkertijd buitengewone titels voor Hem.

Hij is de Messias.

Hij is een Woord van Allah.

Hij wordt geboren uit Maria zonder menselijke vader.

Hij verricht uitzonderlijke wonderen.

En toch wordt de lezer gewaarschuwd vooral niet de conclusies over Jezus te trekken die het Evangelie trekt.

Dat verdient op zijn minst onderzoek.

 

Waarom Jezus?

Dit is misschien wel de eenvoudigste apologetische vraag die je een moslim kunt stellen:

Waarom Jezus?

Waarom wordt Mohammed niet uit een maagd geboren?

Waarom heet Mohammed niet “de Messias”?

Waarom wordt Mohammed niet “Zijn Woord” genoemd zoals Jezus in Soera 4:171?

Waarom staat juist Jezus zo uitzonderlijk in de Koran?

Het antwoord kan niet eenvoudig zijn: “Omdat Jezus een profeet was.”

Er staan immers veel profeten in de Koran.

De vraag is waarom deze Profeet zulke uitzonderlijke aanduidingen krijgt.

Ga terug naar de eerdere Schriften

Een moslim zou kunnen antwoorden dat wij de Koran zelf moeten laten bepalen wat “Messias” betekent.

Prima.

Waar doet de Koran dat dan?

Waar vinden we een duidelijke definitie?

Waar wordt het messiaanse ambt uitgelegd?

Waar wordt verklaard waarom Jezus en niemand anders “de Messias” is?

Wanneer de Koran dat niet uitlegt, ligt de volgende stap voor de hand: kijk naar de eerdere Schriften waaruit het begrip afkomstig is.

En dan komen we terecht bij de Torah, de Profeten, de Psalmen en het Evangelie.

Niet bij een hypothetisch verdwenen boek waarvan niemand een manuscript kan tonen.

Maar bij geschriften waarvan de messiaanse verwachting al eeuwen vóór de islam aantoonbaar bestond.

 

Jezus Zelf stelt de beslissende vraag

De Here Jezus Christus stelde Zijn discipelen niet de vraag of zij Hem als één profeet uit een lange rij profeten beschouwden.

Hij vroeg:

“Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?” (Mattheüs 16:15, STV)

Petrus antwoordde:

“Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” (Mattheüs 16:16, STV)

Let opnieuw op: ‘de Christus.’

De Messias.

Maar Petrus stopt daar niet.

“De Zoon des levenden Gods.”

Daar ligt uiteindelijk het verschil.

De Koran behoudt voor Jezus de titel “Messias”, maar het Nieuwe Testament vertelt ons Wie deze Messias is.

 

Een vraag aan de islamitische lezer

Ik wil niet eindigen met spot, of “gotcha”maar met een eenvoudige uitnodiging.

Als jij als moslim gelooft dat Jezus inderdaad de Messias is, neem die belijdenis dan serieus.

Vraag niet wat christenen ervan gemaakt zouden hebben.

Vraag:

Wat betekent “Messias”?

Waarom draagt Jezus die titel?

Waar komt die titel vandaan?

Wat beloofden de eerdere Schriften over deze Messias?

En vooral:

Wie zegt Jezus Zelf dat Hij is?

Lees vervolgens de geschriften waarin de Messiasverwachting daadwerkelijk wordt uitgelegd.

Lees Psalm 2.

Lees Jesaja 9.

Lees Jesaja 53.

Lees Micha 5.

Lees het Evangelie naar Mattheüs.

Lees het Evangelie naar Johannes.

En stel dan opnieuw de vraag die al tweeduizend jaar niet aan kracht heeft verloren:

“Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?”

De Koran noemt Hem de Messias.

De echt beslissende vraag is:

Weet je wat je daarmee over Jezus belijdt?

De Koran kan Jezus wel ‘de Messias’ noemen, maar voor de betekenis van die belijdenis moet hij lenen bij de Schriften die hij vervolgens op beslissende punten tegenspreekt.

lees ook:

Jezus in de Koran: waarom is Hij zó uitzonderlijk? – Bijbelse basis

De Koran en het Evangelie, claims en feiten – Bijbelse basis

extern:

Bijbelstudie: De betekenis van de naam Jezus Christus

https://www.gcvreugdenhil.nl/koran-en-jezus/

Geverifieerd door MonsterInsights