Preek geanalyseerd: de Schuilplaats Papendrecht, 12 juli 2026

De context

Spreker: Johan Celier, voorganger van de Evangelische Gemeente De Hoekse Waard
Datum / setting: Zondagse eredienst, 12 juli 2026
Platform / gemeente: Gastpreek; de ontvangende gemeente wordt niet duidelijk genoemd
Thema: Jezus volgen en gelijkvormig worden aan Zijn beeld
Doelgroep: Gelovigen in een evangelische gemeente

De spreker sluit aan bij het gemeentethema “Jezus volgen”. Hij wil laten zien dat Jezus volgen niet in de eerste plaats bestaat uit spectaculaire gaven, tekenen en wonderen, maar uit het leren van Christus’ zachtmoedigheid en nederigheid. Tegelijk verbindt hij dit met de leiding van de Heilige Geest, persoonlijke openbaring, innerlijke indrukken en het zichtbaar maken van Gods Koninkrijk op aarde.

De kern

Wat wordt er concreet geleerd?

De gelovige is volgens de spreker geroepen om steeds meer op de Here Jezus te gaan lijken. Romeinen 8:28-29 wordt daarbij terecht niet uitgelegd als een algemene belofte dat alle omstandigheden vanzelf prettig zullen eindigen. De bedoeling is dat God omstandigheden gebruikt om gelovigen gelijkvormig te maken aan het beeld van Zijn Zoon.

Vanuit Mattheüs 11:25-30 legt hij uit dat Jezus mensen uitnodigt Zijn juk op zich te nemen. Dat juk wordt voorgesteld als het leven van een leerling die naar zijn rabbi kijkt, hem navolgt en steeds meer op hem gaat lijken. Het centrale kenmerk daarvan is zachtmoedigheid en nederigheid.

Daarnaast leert de spreker dat de gelovige de Here Jezus persoonlijk moet ontmoeten en leren kennen. Daarvoor is volgens hem niet alleen het lezen van de Bijbel nodig, maar ook een persoonlijk spreken met God, het ontvangen van innerlijke openbaring en het leren luisteren naar de Heilige Geest.

 

Hoofdstellingen

Gelijkvormigheid aan Christus is het doel van het geloofsleven.

Zachtmoedigheid en nederigheid zijn geen zwakheid, maar geestelijke kracht.

Tekenen en wonderen zijn niet het belangrijkste bewijs van gelijkvormigheid aan Christus.

De Heilige Geest wil gelovigen persoonlijk leiden en woorden voor anderen geven.

De gelovige moet Gods Koninkrijk zichtbaar maken op aarde.

 

Belangrijkste Bijbelteksten

Mattheüs 11:25-30
Romeinen 8:28-29
Johannes 17:3
Galaten 5:1
Efeze 3:16-17
Genesis 1:26
Filippenzen 2:3

 

Centrale nadruk

De nadruk ligt op relationele navolging: Jezus niet alleen bestuderen, maar Hem ontmoeten, naar Zijn stem luisteren, door de Geest geleid worden en Zijn karakter zichtbaar maken.

Belangrijkste toepassingen

De gelovige moet zich niet richten op geestelijk succes of spectaculaire gaven.

Hij moet leren buigen voor God en niets uit zichzelf verwachten.

Hij moet zichtbaar anders durven leven dan de wereld.

Hij moet aandacht hebben voor de individuele mens die God op zijn weg brengt.

Wie door vernedering, afwijzing of een negatief zelfbeeld is beschadigd, wordt opgeroepen gebed te vragen.

Bijbelvastheid

Positieve Schriftuitleg

De behandeling van Romeinen 8:28-29 behoort tot de sterkste delen van de preek. De spreker bestrijdt terecht de populaire uitleg dat “alle dingen medewerken ten goede” betekent dat ziekte, geldproblemen of moeilijke omstandigheden uiteindelijk altijd in aardse voorspoed veranderen. Het “goede” wordt in vers 29 verbonden met het gelijkvormig worden aan het beeld van Gods Zoon.

Ook zijn waarschuwing tegen geestelijke hoogmoed rond gaven, genezingen en wonderen is terecht. Een bediening waarin de mens zichzelf belangrijk gaat vinden omdat er bijzondere dingen door hem gebeuren, staat haaks op de zachtmoedigheid van Christus.

Positief is verder dat de spreker zijn hoorders uitnodigt om zijn woorden aan de Schrift te toetsen:

“Als het Woord het tegenspreekt, dan mag je tegen mij zeggen: hier staat iets anders.”

Dat is een gezonde uitspraak. Een prediker staat niet boven het Woord en mag gecorrigeerd worden.

De tegenstelling tussen nederigheid en vernederd worden wordt pastoraal zorgvuldig uitgewerkt. Nederigheid is vrijwillig buigen voor God; vernedering is iets wat een ander iemand aandoet. Die onderscheiding kan beschadigde mensen werkelijk helpen.

 

Mattheüs 11 wordt te smal uitgelegd

De spreker stelt dat “vermoeid en belast” in Mattheüs 11 hoofdzakelijk betrekking heeft op de rabbijnse regels en religieuze lasten die Schriftgeleerden mensen oplegden. Die achtergrond kan meespelen, maar wordt te absoluut gemaakt.

In de directe context spreekt de Here Jezus over het ongeloof van steden, de openbaring van de Vader door de Zoon en het komen tot Hem. De rust die Hij geeft, is daarom breder dan bevrijding van menselijke religieuze voorschriften. Het betreft rust voor de ziel bij Christus Zelf: rust van eigen werken, schuld, zonde en menselijke pogingen om zichzelf rechtvaardig te maken.

De spreker zegt dat de bekende pastorale toepassing van Mattheüs 11:28 wel waar is, maar “hier niet bedoeld wordt”. Dat is te stellig. De tekst mag niet tot algemene gevoelsmatige troost worden gereduceerd, maar de rust van Christus is ook niet beperkt tot rabbijnse regelgeving.

 

De verwijzing naar Lukas klopt niet helemaal

De spreker zegt dat het parallelle gedeelte in Lukas in een twistgesprek met Farizeeën en Schriftgeleerden staat. De eigenlijke parallel van Mattheüs 11:25-27 staat in Lukas 10:21-22, direct na de terugkeer van de zeventig discipelen. Daar is geen twistgesprek met Farizeeën gaande.

Dit is geen onbetekenend detail, omdat hij deze vermeende context gebruikt om zijn uitleg van Mattheüs 11 te ondersteunen.

 

Woord en Geest worden uit elkaar getrokken

Het meest zorgelijke moment is de stellige uitspraak:

“Het is niet mogelijk Hem te leren kennen door alleen het Woord te lezen.”

In de meest gunstige uitleg bedoelt de spreker dat een ongelovige de Bijbel verstandelijk kan lezen zonder zich aan Christus over te geven. Dat is waar. Schriftkennis zonder geloof geeft geen geestelijk leven.

Maar zijn formulering schept een verkeerde tegenstelling. Wij leren de Here Jezus juist kennen door het geschreven Woord, dat de Heilige Geest gebruikt en voor ons opent:

  • “Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods” — Romeinen 10:17.
  • De Schriften kunnen wijs maken tot zaligheid — 2 Timotheüs 3:15.
  • Wij zijn wedergeboren door het levende en eeuwig blijvende Woord — 1 Petrus 1:23.
  • Johannes schreef zijn Evangelie opdat wij zouden geloven dat Jezus de Christus is — Johannes 20:31.

De Heilige Geest vormt geen tweede weg naast het Woord. Hij verlicht het verstand, overtuigt door het Woord en verheerlijkt Christus door wat apostolisch is geopenbaard. Een tegenstelling tussen “alleen Bijbellezen” en “werkelijk ontmoeten” kan ertoe leiden dat innerlijke ervaringen uiteindelijk meer gezag krijgen dan de Schrift.

Een betere formulering zou zijn:

Het Woord moet niet slechts verstandelijk gelezen worden, maar in geloof worden ontvangen; de Heilige Geest opent door dat Woord onze ogen voor Christus.

 

Subjectieve openbaring krijgt te veel gewicht

De spreker vertelt dat tijdens een eerdere preek zijn aandacht voortdurend naar een vrouw werd getrokken. Hij liep naar haar toe en zei dat God tegen haar wilde zeggen: “God houdt van je.” Achteraf bleek zij God om precies zo’n teken te hebben gevraagd.

Het verhaal kan oprecht en ontroerend zijn. Het bewijst echter niet dat de innerlijke indruk rechtstreeks van God kwam. De bevestiging door de reactie van de vrouw maakt een indruk nog niet tot openbaring.

De spreker geeft aanvankelijk een goede grens: iets van God mag nooit tegen de Schrift ingaan. Maar “niet tegen de Schrift ingaan” is een te lage toets. Talloze algemene of vage indrukken spreken de Bijbel niet rechtstreeks tegen. De vraag is ook of iemand werkelijk namens God mag verklaren: “God wil dit nu persoonlijk tegen u zeggen.”

Hier ontstaat een patroon dat kenmerkend is voor charismatische spiritualiteit:

innerlijke aandacht → ervaren opdracht → spreken namens God → emotionele bevestiging → conclusie dat de Geest gesproken heeft.

Dit kan gemeenteleden leren hun gedachten en ingevingen als Gods stem te interpreteren. Daarmee verschuift het gezag ongemerkt van het objectieve Woord naar de ervaring van de spreker.

 

Efeze 3 wordt onnauwkeurig toegepast

De spreker zegt dat de Heilige Geest komt “zodat Jezus door het geloof woning kan maken in jouw hart”. Efeze 3:16-17 is echter gericht aan mensen die al gelovig zijn en reeds met de Heilige Geest verzegeld waren. Paulus bidt niet om hun eerste wedergeboorte of inwoning, maar om geestelijke versterking, zodat Christus rijkelijk en praktisch in hun harten woont.

De tekst gaat over verdieping en geestelijke wasdom, niet over een bekeringsschema waarin eerst de Geest komt en daarna Jezus in het hart gaat wonen.

 

Leerstellig probleem

Zonde blijft op de achtergrond

Er wordt gesproken over trots, slavernij, afwijzing en een negatief zelfbeeld, maar zonde als opstand tegen God wordt nauwelijks uitgewerkt. De mens verschijnt vooral als iemand die moet leren luisteren, volgen en veranderen.

Daardoor blijft onduidelijk waarom de mens niet alleen onderwijs of herstel nodig heeft, maar verzoening met God.

 

Het kruis wordt genoemd, maar nauwelijks verkondigd

In het slotgebed wordt beleden dat de Here Jezus mens werd, stierf, opstond, aan Gods rechterhand zit en zal terugkomen. Dat is waardevol en wezenlijk.

Toch wordt niet uitgelegd waarom Hij stierf, wat Zijn bloed heeft bewerkt, hoe de zondaar gerechtvaardigd wordt of wat genade betekent. Het kruis functioneert voornamelijk als de plaats waar iemand zijn leven aflegt en het leven van Jezus ontvangt. De plaatsvervangende betekenis van Zijn dood blijft vrijwel buiten beeld.

 

Bekering en geloof worden ervaringsgericht beschreven

De hoorder moet “op de knieën gaan bij het kruis”, zijn leven afleggen en zeggen: “Heer, ik ontvang Uw leven in mijn leven.” Dat kan een oprechte geloofsreactie omschrijven, maar het Evangelie wordt hierdoor sterk in ervaringstaal gegoten.

Bijbels gezien is geloof het vertrouwen op wat God in Christus heeft volbracht. Niet de intensiteit van het moment, het gebed of de overgave redt, maar Christus Zelf en Zijn volbrachte werk.

 

Verkiezing wordt te snel behandeld

De spreker verwerpt de dubbele predestinatie en stelt vervolgens dat iedereen in Jezus uitverkoren is en dat iemand door voor Jezus te kiezen “zijn hand op die uitverkiezing legt”.

Het juiste element is dat verkiezing nooit los van Christus mag worden gedacht. Maar een moeilijk onderwerp wordt hier in enkele zinnen afgedaan. Romeinen 8:29-30 wordt niet werkelijk uitgelegd, terwijl die passage juist spreekt over Gods voorkennis, voorbestemming, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking.

De kritiek op een calvinistische formulering vervangt hier de zorgvuldige behandeling van de Bijbeltekst.

 

Het onderscheid tussen Christus en Zijn volgelingen vervaagt

De spreker verbindt gelijkvormigheid aan Christus aanvankelijk met genezingen, demonenuitdrijving, tekenen en wonderen. Later relativeert hij dit gelukkig en legt hij de nadruk op karakter.

Toch ontbreekt een belangrijk onderscheid: de Here Jezus is niet alleen ons voorbeeld. Hij is de unieke Zoon, Messias, Verlosser en Heer. Veel van Zijn werken hadden een messiaanse betekenis en bewezen Wie Hij was. Ook de apostolische tekenen hadden een bijzondere bevestigende functie.

“Doen wat Jezus deed” kan daarom nooit zonder onderscheid als algemene opdracht aan iedere gelovige worden gebruikt.

 

Positionering

De boodschap staat duidelijk binnen een charismatisch-evangelische Koninkrijksgerichte spiritualiteit.

Kenmerkende accenten zijn:

  • hedendaagse tekenen, wonderen en genezingen;
  • persoonlijke leiding door innerlijke indrukken;
  • spreken van een persoonlijk “woord van God” voor iemand;
  • het leven van de hemel op aarde zichtbaar maken;
  • Gods Koninkrijk zichtbaar maken;
  • nadruk op zonen en dochters die het beeld van God herstellen;
  • een sterke tegenstelling tussen religieuze regels en geestelijk leven.

De preek bevat geen duidelijke oproep tot dominion, moderne apostelen of een vijfvoudige hiërarchie. Daarom is het niet gerechtvaardigd deze preek zonder meer als NAR te bestempelen.

Wel is de gebruikte taal NAR- en Kingdom Now-compatibel. Vooral de uitspraken over “het Koninkrijk zichtbaar maken”, “leven vanuit de hemel op aarde” en bijzondere persoonlijke openbaring bewegen zich in dezelfde begrippenwereld.

Tegelijk zegt de spreker uitdrukkelijk dat een deel pas werkelijkheid wordt wanneer de Here Jezus terugkomt. Daarmee is dit geen volledige gerealiseerde Koninkrijkstheologie. Het is eerder een charismatische reeds nu, maar nog niet volledig”-benadering waarin het “reeds nu” zeer zwaar wordt aangezet.

Een fundamentele correctie is nodig bij het spreken over het bouwen of zichtbaar maken van het Koninkrijk. De Schrift leert niet dat de gemeente het Koninkrijk bouwt. Christus bouwt Zijn Gemeente. Het Koninkrijk wordt door God gegeven, opgericht en bij de wederkomst van Christus geopenbaard. Gelovigen mogen ervan getuigen en leven onder de heerschappij van Christus, maar zij brengen het Koninkrijk niet tot stand.

 

Houding en taalgebruik

De toon is warm, toegankelijk, humoristisch en overwegend herderlijk. De spreker stelt zichzelf niet als onaantastbaar voor. Hij nodigt de gemeente zelfs uit hem vanuit de Bijbel te corrigeren.

Ook spreekt hij eerlijk over eigen tekortkomingen. Zijn verhaal dat een collega vroeger niet wist dat hij christen was, gebruikt hij niet om zichzelf te verheffen, maar als zelfcorrectie.

Er is ruimte voor pastorale gevoeligheid, vooral wanneer hij mensen aanspreekt die vernederd of afgewezen zijn.

Tegelijk gebruikt hij geregeld zeer stellige taal zonder voldoende Schriftuurlijke onderbouwing:

“Ik zeg dat echt met volle zekerheid.”

Juist daarna volgt de problematische uitspraak dat men Christus niet door het Woord alleen kan leren kennen.

De emotionele ervaring wordt niet openlijk als manipulatiemiddel gebruikt, maar het getuigenis over het persoonlijke “profetische woord” en de daaropvolgende oproep voor gebed kunnen wel verwachtingen oproepen dat God tijdens het gebedsmoment bijzondere ervaringen of directe genezing zal geven.

Kritisch denken wordt dus enerzijds aangemoedigd — toets mij aan het Woord — maar anderzijds verzwakt door de grote plaats die persoonlijke indrukken en innerlijke openbaring krijgen.

 

Wat is goed, wat vraagt correctie en eventuele valkuilen

Wat kan worden bevestigd?

De preek bevat een waardevolle oproep om niet naar geestelijk spektakel te zoeken, maar naar gelijkvormigheid aan Christus.

De uitleg van Romeinen 8:28-29 is in de kern sterk.

De nadruk op zachtmoedigheid, nederigheid, afhankelijkheid van God en aandacht voor de individuele mens is Bijbels en pastoraal bruikbaar.

De spreker belijdt de menswording, dood, opstanding, verhoging en wederkomst van de Here Jezus Christus.

Ook zijn waarschuwing tegen geestelijke hoogmoed en het bouwen van een persoonlijk koninkrijk is terecht.

 

Wat vraagt correctie?

Woord en Geest mogen niet tegenover elkaar worden geplaatst. De Heilige Geest maakt Christus bekend door het apostolische Woord.

Persoonlijke indrukken mogen niet zonder meer als openbaring of spreken van God worden gepresenteerd.

Mattheüs 11 wordt te beperkt tot religieuze regelgeving en de verwijzing naar Lukas is exegetisch onjuist.

Het Koninkrijk wordt niet door gelovigen gebouwd of vanuit de hemel naar de aarde gebracht. Christus Zelf zal het openbaren.

Gelijkvormigheid aan Christus betekent niet dat iedere gelovige dezelfde tekenen en wonderen moet doen als de Here Jezus.

De leer over verkiezing wordt te eenvoudig en te polemisch behandeld.

 

Wat kan verwarring veroorzaken?

De ernstigste verwarring ontstaat door de combinatie van deze twee boodschappen:

“Toets alles aan het Woord.”

en:

“Je kunt Hem niet door het Woord alleen leren kennen; de Geest moet persoonlijk tot jou spreken.”

Wanneer deze spanning niet wordt opgelost, zal in de praktijk de innerlijke stem vaak zwaarder gaan wegen dan de geschreven Schrift. De Bijbel wordt dan gebruikt om ervaringen achteraf te bevestigen, in plaats van dat de Schrift vooraf bepaalt wat wij mogen geloven en verkondigen.

Ook de Koninkrijkstaal kan gemeenteleden het idee geven dat hun opdracht bestaat uit het zichtbaar manifesteren van hemelse kracht, terwijl de nieuwtestamentische nadruk ligt op getuigen, dienen, lijden, volharden en uitzien naar de verschijning van Christus.

 

Wat betekent dit voor de gemeente?

De gemeente kan door deze preek terecht worden aangespoord tot nederigheid en bewogenheid. Maar zonder correctie kan zij tegelijk ontvankelijk worden voor subjectieve leiding, persoonlijke profetieën en een vorm van Koninkrijksdenken waarin ervaring en manifestatie belangrijker worden dan zorgvuldig Schriftverstaan.

Daarmee ontstaat gemakkelijk een tweedeling tussen mensen die zeggen bijzondere woorden en indrukken te ontvangen en gelovigen die eenvoudig op het geopenbaarde Woord vertrouwen.

 

Ernst van de afwijking

Dit is geen fundamentele ontkenning van Christus of van het Evangelie. De belangrijkste heilsfeiten worden beleden.

Maar het gaat ook niet slechts om een onschuldig accentverschil.

De preek bevat enkele duidelijke exegetische onnauwkeurigheden en een bredere leerstellige scheefgroei op het terrein van openbaring, Woord en Geest, tekenen en wonderen en het Koninkrijk van God.

De boodschap kan daarom niet volledig worden afgewezen, maar ook niet ongecorrigeerd worden overgenomen.

 

De sterkste oproep van de preek is dat een volgeling van Christus niet herkenbaar moet zijn aan geestelijk vertoon, maar aan het karakter van zijn Heer. Dat verdient instemming.

Maar juist daarom moet ook de Here Jezus worden gezocht waar Hij Zich betrouwbaar bekendmaakt: in het geschreven Woord.

De Geest verheerlijkt Christus niet door ons losser van de Schrift te maken, maar door onze ogen te openen voor wat God daarin reeds heeft geopenbaard.

Geestelijk onderscheid is geen luxe, maar noodzaak. Niet alles wat geestelijk klinkt, is ook Bijbels verantwoord.

 

Zie ook:

Gods Koninkrijk zichtbaar maken? – Bijbelse basis

VPE kritisch bekeken: profetie, leiderschap en pinkstertheologie getoetst aan de Bijbel – Bijbelse basis

Koninkrijkstheologie en vervangingsleer ontmaskerd

Waarom de Gemeente Israël niet vervangt en het Koninkrijk niet op aarde hoeft te vestigen

Koninkrijkstheologie en vervangingsleer worden vaak als twee verschillende leerstellingen behandeld. Toch komen zij voort uit hetzelfde fundamentele probleem: het Bijbelse onderscheid tussen Israël, de Gemeente en het toekomstige Koninkrijk van Christus wordt uitgewist.

De vervangingsleer geeft de Gemeente de plaats van Israël. De beloften die God aan Israël gaf, worden op de kerk toegepast, terwijl Israël als volk geen eigen profetische toekomst meer zou hebben.

De moderne koninkrijkstheologie gaat vervolgens een stap verder. De Gemeente krijgt niet alleen de plaats van Israël, maar ook de opdracht om vóór de wederkomst het Koninkrijk van God zichtbaar op aarde te vestigen. Zij moet invloedssferen innemen, samenlevingen transformeren en de volkeren onder de heerschappij van Christus brengen.

Daarmee worden twee ernstige verwisselingen gemaakt.

De Gemeente wordt Israël.

En de Gemeente gaat doen wat alleen Christus bij Zijn wederkomst zal doen.

Het klinkt daadkrachtig en geestelijk. Toch is het niet de roeping die de Schrift aan de Gemeente geeft.

Konikrijkstheologie en vervangingsleer
Konikrijksleer en vervangingstheologie

 

Wat is koninkrijkstheologie?

Het woord koninkrijkstheologie wordt niet altijd op dezelfde manier gebruikt. Niet iedereen die spreekt over het Koninkrijk van God bedoelt daarmee dat de kerk de wereld politiek of maatschappelijk moet overnemen.

De Schrift leert dat Christus is opgewekt, verheerlijkt en met eer en heerlijkheid gekroond. Hij bezit alle gezag. Gelovigen erkennen Hem nu reeds als hun Heer en leven onder Zijn heerschappij.

Dat betekent echter niet dat Zijn Koninkrijk reeds in zijn beloofde openbare vorm op aarde zichtbaar is geworden.

In dit artikel gaat het daarom vooral over de moderne koninkrijkstheologie die bekendstaat als Kingdom Now, dominionisme of heerschappijtheologie. Binnen deze visie zou de Gemeente de opdracht hebben om het Koninkrijk vóór de wederkomst zichtbaar te vestigen.

Het gaat dan niet meer alleen om de verkondiging van het Evangelie. De kerk moet cultuur, politiek, onderwijs, media, economie en andere maatschappelijke terreinen beïnvloeden of zelfs onder christelijke heerschappij brengen.

De Gemeente wordt zo niet langer voorgesteld als een hemels volk dat zijn Heer verwacht, maar als een geestelijk leger dat de aarde voor Hem moet veroveren.

 

Wat is de vervangingsleer?

De vervangingsleer houdt in dat de Gemeente de plaats van Israël in Gods heilsplan heeft ingenomen. De kerk wordt dan beschouwd als het nieuwe, ware of geestelijke Israël.

De beloften die God aan Abraham, Izak, Jakob en David gaf, worden vervolgens op de Gemeente toegepast. Het land wordt vergeestelijkt, Jeruzalem wordt een symbool, de troon van David wordt gelijkgesteld aan de huidige hemelse positie van Christus en het toekomstige herstel van Israël verdwijnt uit beeld.

Er bestaan verschillende vormen van vervangingsleer.

In de hardste vorm wordt gezegd dat God Israël vanwege zijn ongeloof definitief heeft verworpen.

In een mildere vorm spreekt men liever niet over vervanging, maar over vervulling. De kerk zou dan Israël niet hebben vervangen, maar alle beloften aan Israël zouden in de Gemeente een hogere, geestelijke vervulling hebben gekregen.

Het resultaat is echter grotendeels hetzelfde: Israël heeft als volk geen eigen toekomst meer in Gods profetische plan.

Daarmee worden de concrete beloften aan Israël losgemaakt van de mensen aan wie God ze heeft gegeven.

 

Heeft God Israël verstoten?

Paulus stelt in Romeinen 11 precies de vraag die de vervangingsleer raakt:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.” — Romeinen 11:1 (STV)

Het antwoord kan nauwelijks duidelijker zijn.

God heeft Zijn volk niet verstoten.

Paulus zegt niet dat Israël voortaan een andere betekenis heeft gekregen. Hij zegt niet dat de Gemeente nu het ware Israël is. Hij spreekt over zijn eigen natuurlijke afkomst uit Abraham en Benjamin en noemt Israël nog steeds Gods volk.

Dat betekent niet dat iedere Israëliet automatisch behouden is. Een natuurlijke afstamming uit Abraham redt niemand. Ook een Israëliet moet geloven in de Here Jezus Christus.

Maar het ongeloof van velen binnen Israël betekent niet dat Gods nationale beloften zijn vervallen.

Paulus vervolgt:

“Dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden.” — Romeinen 11:25-26 (STV)

De verharding is voor een deel.

De verharding duurt totdat.

Dat is niet de taal van definitieve vervanging. Het wijst op een tijdelijke toestand die door God zal worden beëindigd.

Israël is tijdelijk terzijde gesteld, maar niet voor altijd afgeschreven. Gods werk met Israël is onderbroken, niet opgeheven.

 

Gods beloften aan Israël zijn niet vervallen

God gaf aan Abraham, Izak, Jakob en David concrete beloften. Hij sprak over een nageslacht, een land, een troon, een koningshuis en een toekomstig Koninkrijk.

Deze beloften kunnen niet zonder meer worden overgedragen aan een andere groep.

Wanneer God een land aan het natuurlijke nageslacht van Abraham belooft, maar uiteindelijk alleen een hemelse zegen voor de kerk bedoelt, veranderen de woorden van betekenis.

Wanneer God een eeuwige troon aan David belooft, maar uiteindelijk alleen een geestelijke invloed van de kerk bedoelt, is de oorspronkelijke inhoud van de belofte verdwenen.

Wanneer God zegt dat Hij Israël niet zal verstoten, maar het volk vervolgens toch definitief door de Gemeente vervangt, verliest deze verzekering haar betekenis.

Het gaat daarom niet alleen om de vraag welke plaats Israël in de toekomst heeft.

Het gaat om de betrouwbaarheid van God.

God vervult Zijn beloften niet omdat Israël altijd trouw is geweest. Hij vervult ze omdat Hij Zelf trouw is.

 

De volgorde in Handelingen

Handelingen 15 laat duidelijk zien dat het bijeenbrengen van de Gemeente niet hetzelfde is als het herstel van Israël.

Jakobus zegt:

“Simeon heeft verhaald, hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.” — Handelingen 15:14 (STV)

God doet in deze tijd een bijzonder werk onder de heidenen. Hij verzamelt uit hen een volk voor Zijn Naam.

Dat betekent niet dat alle heidenen worden bekeerd of dat de wereld geleidelijk het Koninkrijk wordt. God neemt uit de heidenen een volk.

Daarna zegt Jakobus:

“Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen den tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.” — Handelingen 15:16 (STV)

De volgorde is belangrijk.

God vergadert eerst een volk uit de heidenen.

Daarna zal Hij wederkeren.

Daarna zal Hij de vervallen tabernakel van David herstellen.

De Gemeente is dus niet de herstelde tabernakel van David. Het bijeenbrengen van de Gemeente gaat aan dat herstel vooraf.

De vervangingsleer maakt van “na dezen” feitelijk “in plaats hiervan”. Maar dat is niet wat de Schrift zegt.

 

De apostelen verwachtten herstel voor Israël

Kort voor de hemelvaart vroegen de apostelen aan de opgestane Here:

“Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?” — Handelingen 1:6 (STV)

Wanneer de verwachting van een werkelijk herstel van Israël fundamenteel onjuist was geweest, was dit het geschikte moment geweest om haar te corrigeren.

De Here antwoordde echter niet dat Israël geen Koninkrijk meer zou ontvangen. Hij zei:

“Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.” — Handelingen 1:7 (STV)

Hij corrigeerde niet hun verwachting van herstel. Hij corrigeerde hun vraag naar het tijdstip.

Daarna gaf Hij hun de opdracht voor de tussenliggende periode:

“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” — Handelingen 1:8 (STV)

De opdracht aan de discipelen was niet om het Koninkrijk op te richten.

Hun opdracht was om getuigen van Christus te zijn.

Dat onderscheid is beslissend voor het beoordelen van koninkrijkstheologie.

 

De Gemeente bouwt het Koninkrijk niet

De Gemeente heeft een hoge en heerlijke roeping. Zij is het Lichaam van Christus, een woonstede van God in de Geest en gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel.

Maar nergens krijgt zij de opdracht om het Koninkrijk op aarde te vestigen.

De Here Jezus zei:

“Ik zal Mijn gemeente bouwen.” — Mattheüs 16:18 (STV)

Christus bouwt Zijn Gemeente.

De Gemeente bouwt niet Zijn Koninkrijk.

De taak van de Gemeente is het Evangelie der genade te verkondigen, het Woord der verzoening bekend te maken en gelovigen op te bouwen in de waarheid.

Paulus schrijft:

“Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)

Een gezant vertegenwoordigt zijn regering in een vreemd land. Hij neemt dat land niet over en richt daar niet op eigen gezag het bestuur van zijn koning op.

Dat past bij de positie van de Gemeente.

Haar burgerschap is in de hemel. Zij bevindt zich nog in de wereld, maar behoort bij Christus.

De Gemeente neemt geen naties in. Zij roept mensen uit de naties tot Christus.

Zij bouwt geen aardse troon. Zij verkondigt de komende Koning.

Zij dwingt geen samenleving onder christelijke heerschappij. Zij roept zondaren op zich met God te laten verzoenen.

 

Christus heeft Zijn aardse Koningschap nog niet openbaar aanvaard

De Here Jezus Christus is werkelijk verhoogd. Hij is gezeten aan de rechterhand van God en met eer en heerlijkheid gekroond.

Toch zegt de Schrift:

“Doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn.” — Hebreeën 2:8 (STV)

Christus bezit alle rechten op het Koninkrijk, maar Zijn heerschappij over de aarde is nog niet zichtbaar geopenbaard.

Hebreeën zegt bovendien:

“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods; Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.” — Hebreeën 10:12-13 (STV)

Christus is gezeten aan de rechterhand van God en verwacht het moment waarop Zijn vijanden zichtbaar aan Zijn voeten worden gesteld.

Ook Openbaring maakt onderscheid tussen de troon van de Vader en de toekomstige openbare troon van Christus:

“Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.” — Openbaring 3:21 (STV)

Christus zit nu met Zijn Vader in Diens troon. Hij spreekt over Zijn eigen troon als de plaats van Zijn toekomstige openbare regering.

Het Koninkrijk is daarom niet afwezig in absolute zin. Christus is Koning en gelovigen erkennen Zijn gezag. Maar het Koninkrijk is in deze tijd nog verborgen en niet zichtbaar als wereldomvattende heerschappij geopenbaard.

 

Niet de kerk, maar Christus openbaart het Koninkrijk

In Lukas 19 vertelt de Here Jezus over:

“Een zeker welgeboren man, die reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.” — Lukas 19:12 (STV)

De volgorde is helder.

De edelman vertrekt.

Hij ontvangt het Koninkrijk.

Hij keert terug.

Daarna oefent hij zijn koninklijke gezag openlijk uit.

De dienstknechten krijgen tijdens zijn afwezigheid niet de opdracht om zijn Koninkrijk alvast op aarde te vestigen. Zij moeten trouw handelen met wat hun is toevertrouwd totdat hij terugkomt.

Zo wordt ook het Koninkrijk van Christus niet openbaar omdat de Gemeente voldoende maatschappelijke invloed heeft verworven.

Het wordt openbaar wanneer de Koning Zelf wederkomt.

Niet de kerk brengt het Koninkrijk.

De Koning brengt het Koninkrijk.

 

Kingdom Now en maatschappelijke heerschappij

Binnen Kingdom Now wordt de Grote Opdracht vaak uitgelegd als een opdracht om gehele naties tot discipelen te maken. Dat betekent dan meer dan het Evangelie aan mensen verkondigen.

Samenlevingen, regeringen en culturele instellingen zouden onder christelijke invloed moeten worden gebracht. De kerk moet strategische posities innemen en op verschillende terreinen van de maatschappij gaan regeren.

Daarmee verandert de opdracht van de Gemeente ingrijpend.

Getuigen wordt heersen.

Evangelisatie wordt transformatie.

Dienen wordt leidinggeven aan de samenleving.

De verkondiging van Christus wordt een programma voor culturele en politieke invloed.

Maar de Here Jezus zei voor Pilatus:

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.” — Johannes 18:36 (STV)

Christus ontkent niet dat Hij Koning is. Hij verklaart dat Zijn Koninkrijk zijn oorsprong, gezag en kracht niet aan deze wereldorde ontleent.

Daarom wordt het niet gevestigd met de middelen waarmee menselijke koninkrijken worden opgebouwd: macht, politieke druk, culturele overheersing of maatschappelijke controle.

 

De wereld wordt niet geleidelijk het Koninkrijk

Een belangrijk uitgangspunt binnen veel vormen van koninkrijkstheologie is dat de wereld door de invloed van de Gemeente steeds meer onder de heerschappij van Christus zal komen.

De profetische lijn van het Nieuwe Testament is echter anders.

De Here Jezus leerde dat tarwe en onkruid samen zouden opgroeien tot de oogst:

“Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst.” — Mattheüs 13:30 (STV)

Paulus waarschuwde voor de toestand in de laatste dagen:

“En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.” — 2 Timotheüs 3:1 (STV)

De Here Jezus stelde bovendien de indringende vraag:

“Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?” — Lukas 18:8 (STV)

De Gemeente wordt niet voorgesteld als een steeds machtiger wereldheerser die de aarde succesvol voor Christus inneemt.

Zij blijft een getuigend, dienend en vaak verworpen volk te midden van een wereld die haar Here niet kent.

De wereld wordt niet door de Gemeente geleidelijk in het Koninkrijk veranderd. Christus zal de wereld oordelen en onder Zijn heerschappij brengen wanneer Hij verschijnt.

 

De verborgen en toekomstige openbaring van het Koninkrijk

Het Koninkrijk van Christus bestaat en Christus bezit het recht om te regeren. Maar Zijn Koninkrijk is in deze tijd niet openbaar zoals het bij Zijn wederkomst zal zijn.

Nu is Christus verborgen voor de wereld.

Nu wordt Zijn heerschappij erkend door hen die in Hem geloven.

Nu vergadert Hij Zijn Gemeente.

Bij Zijn wederkomst zal Hij Zich zichtbaar openbaren, Zijn vijanden oordelen en Zijn Koninkrijk op aarde openbaar maken.

Daarom is het onjuist om de tegenwoordige geestelijke heerschappij van Christus over Zijn Gemeente gelijk te stellen aan de toekomstige zichtbare regering over Israël en de volkeren.

Wie deze fasen vermengt, loopt onvermijdelijk vooruit op Gods tijd.

De vervangingsleer schept ruimte voor Kingdom Now

Hier raken koninkrijkstheologie en vervangingsleer elkaar.

Wanneer Israël geen eigen toekomstige plaats meer heeft, komen de beloften over het Koninkrijk, de troon, het priesterschap en de heerschappij beschikbaar voor de Gemeente.

De kerk wordt het nieuwe Israël.

De beloften aan Israël worden kerkelijke beloften.

De nationale roeping van Israël wordt een maatschappelijke opdracht voor de kerk.

De toekomstige regering van de Messias wordt een tegenwoordige heerschappij van christelijke leiders.

De troon van David wordt vergeestelijkt.

Jeruzalem wordt een symbool.

De volkeren worden invloedssferen die door de kerk moeten worden ingenomen.

Zo vormt de vervangingsleer de leerstellige bodem waarop moderne koninkrijkstheologie kan groeien.

De vervangingsleer neemt Israël zijn plaats af.

Kingdom Now geeft die plaats aan de Gemeente.

 

Waarom moderne apostelen nodig worden binnen Kingdom Now

Wanneer de kerk het Koninkrijk wereldwijd moet vestigen, ontstaat de vraag wie dit omvangrijke werk moet leiden.

Binnen veel Kingdom Now- en NAR-kringen luidt het antwoord: moderne apostelen en profeten.

Zij zouden strategische openbaringen ontvangen, geestelijke gebieden onderscheiden, leiders aanstellen en de Gemeente in positie brengen om steden en naties te beïnvloeden.

Dat is geen toevallige toevoeging aan het systeem. Het volgt logisch uit de koninkrijkstheologie.

Een wereldwijd koninkrijk vraagt om wereldwijde bestuurders.

Nieuwe strategieën vragen om nieuwe openbaringen.

Geestelijke gebiedsverovering vraagt om leiders met buitengewoon gezag.

Maar de Gemeente heeft reeds een Hoofd: de Here Jezus Christus.

Zij heeft ook reeds een fundament:

“Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.” — Efeze 2:20 (STV)

Een fundament wordt eenmaal gelegd. Het wordt niet in iedere generatie opnieuw aangebracht.

De Gemeente wordt niet geleid door een nieuwe bestuurlijke elite van apostelen. Zij wordt opgebouwd vanuit het reeds gelegde fundament door het Woord van God.

 

Het Evangelie verandert van verzoening in verovering

Wanneer de koninkrijkstheologie de opdracht van de Gemeente gaat bepalen, verandert ook de nadruk van de boodschap.

Het Evangelie gaat dan steeds minder over zonde, oordeel, rechtvaardiging, verzoening en eeuwig leven. De aandacht verschuift naar bestemming, invloed, leiderschap, gebiedsinneming en maatschappelijke transformatie.

Zonde wordt vooral een hindernis voor persoonlijke bestemming.

Verlossing wordt herstel van menselijke heerschappij.

Gebed wordt strategische geestelijke oorlogsvoering over gebieden.

Aanbidding wordt een methode om een geestelijke atmosfeer te veranderen.

De Gemeente wordt een leger dat de aarde moet innemen.

Maar Paulus noemt de gelovigen gezanten die smeken:

“Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)

Het Evangelie is geen programma voor christelijke overheersing.

Het is de boodschap dat vijanden van God door het volbrachte werk van Christus met Hem verzoend kunnen worden.

 

De Bijbelse taak van de Gemeente

De Gemeente hoeft niet klein over haar roeping te denken. Haar hemelse positie in Christus is veel hoger dan iedere aardse machtspositie.

Zij is geroepen om Christus bekend te maken.

Zij verkondigt het Evangelie der genade.

Zij bewaart en verdedigt het Woord der waarheid.

Zij bouwt gelovigen op in Christus.

Zij wandelt als licht te midden van een donkere wereld.

Zij verwacht haar Here uit de hemel.

De Gemeente is niet geroepen om de samenleving te domineren, maar om Christus te vertegenwoordigen.

Zij is niet geroepen om de Koning tijdens Zijn afwezigheid te vervangen.

Zij is geroepen om Hem trouw te dienen totdat Hij komt.

 

Israël, de Gemeente en het toekomstige Koninkrijk

De Bijbelse volgorde is helder.

Christus werd verworpen, gekruisigd, opgewekt en verhoogd.

Hij vergadert nu Zijn Gemeente uit Joden en heidenen.

De Gemeente verkondigt het Evangelie en verwacht haar Here.

Wanneer dit werk voltooid is, zal God Zijn handelen met Israël openlijk voortzetten.

Christus zal wederkomen, Zijn vijanden oordelen en Zijn heerschappij over de aarde zichtbaar openbaren.

Israël zal worden hersteld en de volkeren zullen onder Zijn regering worden gebracht.

Het Koninkrijk wordt niet door de Gemeente aan Christus aangeboden alsof zij het voor Hem heeft gebouwd.

Het wordt door Christus Zelf in macht en heerlijkheid geopenbaard.

 

Koninkrijkstheologie en vervangingsleer gaan verder dan de Schrift

De vervangingsleer zegt dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.

Kingdom Now zegt dat de Gemeente nu reeds de plaats van de regerende Koning moet innemen.

Beide visies gaan verder dan wat de Schrift leert.

De Gemeente heeft Israël niet vervangen.

De beloften aan Israël zijn niet vervallen.

De troon van David blijft een werkelijke troon.

Het toekomstige herstel van Israël blijft staan.

De zichtbare onderwerping van de aarde aan Christus blijft het werk van de Koning.

De Gemeente heeft niet de opdracht om vóór de wederkomst het Koninkrijk op aarde te vestigen. Haar roeping is hemels: het Evangelie verkondigen, het Lichaam van Christus opbouwen en de Here Jezus Christus uit de hemel verwachten.

Niet de kerk brengt het Koninkrijk.

Niet moderne apostelen brengen het Koninkrijk.

Niet politieke invloed brengt het Koninkrijk.

Niet maatschappelijke transformatie brengt het Koninkrijk.

De Koning Zelf zal Zijn Koninkrijk in macht en heerlijkheid openbaren.

“En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en Zijn Naam één.” — Zacharia 14:9 (STV)

Zie ook:

Israël en de Gemeente: het Bijbelse onderscheid – Bijbelse basis

Israël vandaag Gods volk? – Bijbelse basis

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus? – Bijbelse basis

Was Mohammed echt een profeet?

Een Bijbelse toets van de eerste openbaring van de islam

In dit apologetische blog wordt onderzocht of Mohammeds eerste openbaring de toets van de Bijbel doorstaat. De ervaring in de grot van Hira wordt vergeleken met de roeping van Mozes in Exodus 3 en 4. Daarbij komt vooral de vraag naar voren of Waraka’s bevestiging werkelijk overeenkomt met de eerdere Schriften. De conclusie is dat Mohammeds boodschap niet aansluit bij het Bijbelse getuigenis, maar botst frontaal met het Evangelie van Jezus Christus.

De vraag of Mohammed echt een profeet van God was(video van Jos), is allesbehalve bijzaak. Zij raakt het fundament van de islam. Als Mohammed door God gezonden is, dan moet zijn boodschap ernstig genomen worden. Maar als hij géén profeet van God was, dan valt de aanspraak van de islam als goddelijke openbaring weg.

Daarom is de vraag niet: vinden wij Mohammed indrukwekkend?
De vraag is: doorstaat zijn roeping de toets van Gods eerdere openbaring?

Waarop baseert de islam eigenlijk dat Mohammed een profeet was en dat zijn openbaringen van God kwamen? Daarbij wordt Mohammeds eerste ervaring in de grot van Hira vergeleken met de roeping van Mozes in Exodus 3 en 4.

Poster met Bijbelse toets van Mohammeds eerste openbaring tegenover de roeping van Mozes bij de brandende braamstruik.
Was Mohammed echt een profeet?

 

De islam begint met een onzekere ervaring

Volgens de islamitische overlevering trok Mohammed zich terug in de grot van Hira. Daar verscheen een engel die hem opdroeg te lezen. Mohammed antwoordde dat hij niet kon lezen. Vervolgens werd hij door die engel hard vastgegrepen en aangedrukt. Dit herhaalde zich meerdere keren.

Wat daarna opvalt, is niet rust, zekerheid of aanbidding, maar angst.

Mohammed keert terug naar Khadija en zegt: “Bedek mij, bedek mij.” Hij is bang dat er iets met hem gebeurt. Hij weet op dat moment kennelijk niet zeker wat hij heeft meegemaakt. Khadija weet dat evenmin. Zij stelt hem gerust op basis van zijn karakter: hij is goed voor zijn familie, helpt armen, is gastvrij en ondersteunt mensen in nood.

Maar een goed karakter bewijst nog geen profeetschap.

Dat iemand moreel respectabel is, betekent nog niet dat zijn geestelijke ervaring van God komt. Ook religieuze ernst, afzondering, vasten, visioenen of intense belevingen zijn op zichzelf geen bewijs van goddelijke openbaring. De Bijbel leert juist dat geestelijke ervaringen getoetst moeten worden.

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn.”
1 Johannes 4:1 (STV)

Daar ligt meteen het kernpunt: Mohammeds eerste openbaring vraagt om toetsing.

 

Waraka wordt de eerste uitlegger van Mohammeds ervaring

Na deze gebeurtenis brengt Khadija Mohammed bij Waraka ibn Nawfal. Waraka wordt beschreven als iemand met kennis van de eerdere Schriften. Hij was vertrouwd met de Torah en het Evangelie. Hij zegt tegen Mohammed dat dit dezelfde engel zou zijn die tot Mozes kwam.

Dat is een zeer belangrijk moment.

Want Mohammeds ervaring wordt op dat punt niet bevestigd door de Koran — die bestond immers nog niet als afgeronde openbaring. De ervaring wordt ook niet bevestigd door duidelijke tekenen voor het volk. De eerste duiding komt van Waraka, en Waraka beroept zich in feite op de eerdere Schriften.

Dat betekent dat de claim eerlijk getoetst mag worden aan diezelfde Schriften.

Als Waraka zegt: “dit is zoals bij Mozes”, dan rijst de vraag: is dat zo?

 

De Bijbel is ook hier geen bijzaak

Veel moslims stellen dat de Bijbel vervalst is. Maar dat argument wordt problematisch wanneer Mohammeds eerste bevestiging juist afhankelijk wordt gemaakt van iemand die zich op de eerdere Schriften beroept.

Als de Torah en het Evangelie in principe onbetrouwbaar zijn, waarom zou Waraka’s bevestiging dan betrouwbaar zijn?

En als Waraka’s bevestiging betrouwbaar is omdat hij de eerdere Schriften kende, dan mogen die Schriften ook spreken. Dan mogen wij Exodus openslaan en vragen: lijkt Mohammeds roeping ook maar enigszins op die van Mozes?

Dat is geen oneerlijke vraag. Dat is juist consequent toetsen.

De vraag of Mohammed werkelijk een profeet was, moet niet worden beantwoord op basis van religieuze traditie, maar op grond van Gods eerdere openbaring.

 

Mozes wist Wie tot hem sprak

Wanneer Mozes in Exodus 3 bij de brandende braamstruik komt, is de situatie radicaal anders. Daar is geen verwarrende worsteling met een onbekende geestelijke macht. Daar is geen paniek waarin Mozes naar huis vlucht en door een familielid gerustgesteld moet worden.

God maakt Zichzelf bekend.

De HEERE zegt:

“Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob.”
Exodus 3:6 (STV)

Mozes weet met Wie hij te maken heeft. Hij vreest, ja, maar dat is heilige eerbied. Hij bedekt zijn gezicht omdat hij beseft dat hij voor God staat. Dat is iets heel anders dan geestelijke ontreddering zonder zekerheid over de bron van de ervaring.

Bij Mozes is er duidelijke openbaring. God spreekt. God noemt Zichzelf. God geeft een opdracht. God verbindt die opdracht aan Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob. De roeping van Mozes staat in de lijn van Gods eerdere beloften.

Bij Mohammed ontbreekt juist dat soort Bijbelse helderheid.

 

Mozes kreeg een concrete opdracht

God roept Mozes niet tot een vaag religieus bewustzijn. Hij geeft hem een concrete opdracht:

Mozes moet naar Farao gaan.
Mozes moet Israël uit Egypte leiden.
Mozes wordt gezonden binnen Gods verbondsgeschiedenis.
Mozes krijgt woorden van God mee.
Mozes krijgt tekenen ter bevestiging.

Wanneer Mozes vreest dat het volk hem niet zal geloven, geeft God hem tekenen. Zijn staf wordt een slang. Zijn hand wordt melaats en wordt weer hersteld. Het water uit de Nijl zal bloed worden. Die tekenen zijn niet bedoeld als religieus spektakel, maar als bevestiging dat de HEERE werkelijk gesproken heeft.

Mozes hoeft niet te zeggen: “Ik had een intense ervaring, geloof mij maar.”

God Zelf bevestigt Zijn knecht.

 

Bij Mohammed ontbreekt de Bijbelse bevestiging

Daar wringt het.

Bij Mohammeds eerste ervaring zien we volgens de overlevering angst, verwarring en onzekerheid. Hij moet door Khadija gerustgesteld worden. Vervolgens moet Waraka de ervaring verklaren. Maar er is geen directe Bijbelse bevestiging zoals bij Mozes.

Geen brandende braamstruik waarin God Zichzelf openbaart als de God van Abraham, Izak en Jakob.
Geen duidelijke verbondslijn.
Geen tekenen voor het volk.
Geen bevestiging zoals bij Mozes tegenover Aäron en de oudsten van Israël.
Geen openbaring die overeenstemt met het Evangelie van Christus.

En dat laatste is doorslaggevend.

Want de Bijbel geeft een ernstige waarschuwing:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.”
Galaten 1:8 (STV)

Let op: Paulus zegt zelfs dat een engel uit de hemel niet automatisch geloofd mag worden. De vraag is niet alleen: was er een engel? De vraag is: welke boodschap bracht hij?

Als de boodschap afwijkt van het Evangelie van Jezus Christus, dan moet zij verworpen worden.

 

De cruciale vraag: welke Jezus wordt verkondigd?

De islam erkent Jezus als profeet, maar verwerpt Hem als de gekruisigde en opgestane Zoon van God. Zij ontkent dat Jezus werkelijk de Middelaar is zoals het Nieuwe Testament Hem verkondigt. Zij ontkent het hart van het Evangelie: Christus gestorven voor onze zonden, begraven en opgewekt naar de Schriften.

Maar de apostolische boodschap is helder:

“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
1 Korinthe 15:3-4 (STV)

Daar staat of valt alles mee.

Een religie die Jezus eert als profeet maar Hem niet erkent zoals de Schrift Hem openbaart, geeft niet te veel eer aan Jezus, maar te weinig. Zij houdt een andere Jezus over: een Jezus zonder kruis als verzoening, zonder opstanding als overwinning, zonder volkomen middelaarschap.

Dat is geen klein verschilletje. Dat is een ander evangelie.

 

Mozes wees vooruit naar Christus, niet naar Mohammed

In Deuteronomium 18 wordt gesproken over een profeet als Mozes. Islamitische apologeten verbinden dit vaak met Mohammed. Maar het Nieuwe Testament past deze verwachting toe op Christus.

Petrus zegt in Handelingen 3 dat Mozes gesproken heeft over de Profeet Die God zou verwekken, en hij verbindt dat met Jezus Christus. De lijn van Mozes loopt dus niet naar Mohammed, maar naar de Heere Jezus.

Mozes was middelaar van het oude verbond.
Christus is Middelaar van het nieuwe verbond.
Mozes leidde Israël uit Egypte.
Christus verlost zondaren uit zonde, dood en oordeel.
Mozes bracht de wet.
Christus bracht genade en waarheid.

“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.”
Johannes 1:17 (STV)

Wie Mozes echt en nauwkeurig volgt, komt niet uit bij de islam, maar bij de Here Jezus Christus.

 

Het probleem is niet eens Mohammeds karakter, maar zijn claim

Dit blog is geen aanval op moslims als mensen. Moslims zijn onze medemensen. Zij moeten net als iedereen met respect en liefde benaderd worden. Maar liefde betekent niet dat wij geestelijke claims dan maar ongetoetst laten uit angst te kwetsen of zo.

Het probleem is niet dat Mohammed religieus was.
Het probleem is niet dat hij ernstig zocht.
Het probleem is niet dat hij invloedrijk werd.

Het probleem is zijn claim: dat hij openbaring van God ontving die het Bijbelse getuigenis corrigeert, aanvult en uiteindelijk grof tegenspreekt.

Die claim kan een christen nooit aanvaarden.

Want God heeft gesproken in Zijn Zoon.

“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon.”
Hebreeën 1:1-2 (STV)

Dat is beslissend. Na Christus komt er geen profeet die het Evangelie mag herschrijven. Er komt geen latere openbaring die de kruisdood van Christus relativeert of ontkent. Er komt geen engel die een ander evangelie mag brengen.

 

Het overzicht

Wanneer Mohammeds eerste openbaring wordt vergeleken met Mozes’ roeping, vallen de verschillen op.

Mozes wordt geroepen door de God van Abraham, Izak en Jakob.
Mohammed wordt geconfronteerd met een ervaring die hij zelf niet begrijpt.

Mozes ontvangt een duidelijke opdracht.
Mohammed keert angstig terug en moet gerustgesteld worden.

Mozes krijgt tekenen van God ter bevestiging.
Mohammeds ervaring wordt achteraf geduid door Waraka.

Mozes staat in de lijn van Gods verbond met Israël.
Mohammed brengt een boodschap die het apostolische Evangelie tegenspreekt.

Daarom kan een christen niet zeggen: “Mohammed was ook een profeet.” Niet omdat christenen moslims haten, maar omdat zij Christus liefhebben en de Schrift serieus nemen.

De Bijbelse toets is helder:

Een ware profeet spreekt niet tegen Gods eerdere openbaring in.
Een ware engel brengt geen ander evangelie.
Een ware boodschap van God verhoogt Christus zoals de Schrift Hem openbaart
.

En precies daar faalt de islamitische claim.

De vraag is daarom niet: was Mohammed oprecht?
De vraag is: was hij door de God van de Bijbel gezonden?

Op grond van de Schrift moet het antwoord zijn: nee.

Want de laatste en beslissende openbaring van God is niet gekomen in de grot van Hira, maar in Jezus Christus, de Zoon van God, gekruisigd en opgestaan.

Wie God wil leren kennen, moet niet naar Mohammed gaan, maar naar de Here Jezus Christus.

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights