De vergeten sleutel tot Bijbels begrip, de blinde vlek van veel Bijbeluitleg
Waarom het Evangelie der Genade Gods niet hetzelfde is als het Evangelie van het Koninkrijk
Er is waarschijnlijk geen onderwerp dat zoveel invloed heeft op de uitleg van de Bijbel als dit.
Niet de vraag óf de Here Jezus en Paulus hetzelfde Evangelie verkondigen. Er is immers maar één Zaligmaker en één weg tot behoud.
De echte vraag is:
Tot wie sprak de Here Jezus tijdens Zijn aardse bediening?
En:
Welke nieuwe openbaring ontving Paulus van de verheerlijkte Christus?
Wie die twee vragen niet onderscheidt, loopt vast in de Schrift. Wet en genade worden vermengd. Israël en de Gemeente worden samengevoegd. Het Koninkrijk wordt verward met het Lichaam van Christus. En uiteindelijk ontstaan complete leerstelsels die de Schrift zelf nooit leert.
Dat is geen voetnoot.
Dat is de sleutel tot het begrijpen van het Nieuwe Testament.
Verschil tussen de bediening van de Here Jezus en die van de apostel Paulus
De bediening van de Here Jezus stond in het teken van Israël
Tijdens Zijn aardse omwandeling leefde de Here Jezus volledig onder het gezag en de bediening van de Wet.
Paulus schrijft hierover:
“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.” (Galaten 4:4 STV)
De Here Jezus hield de Wet.
Hij bezocht de synagogen.
Hij vierde de Joodse feesten.
Hij stuurde genezen melaatsen naar de priesters.
Hij sprak voortdurend over de vervulling van Gods beloften aan Israël.
Zelf zegt Hij:
“Maar Hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Mattheüs 15:24 STV)
En tegen de twaalf:
“Gaat niet op den weg der heidenen… Maar gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” (Mattheüs 10:5-6 STV)
Zijn boodschap luidde:
“Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” (Mattheüs 10:7 STV)
Dat was het Evangelie van het Koninkrijk.
Niet omdat de Gemeente onbelangrijk zou zijn
Maar omdat de Gemeente toen eenvoudig nog niet bestond
Het kruis veranderde alles
Na de dood, opstanding en hemelvaart van Christus breekt een nieuwe fase in Gods heilsplan aan.
Zelfs in Handelingen zien we de apostelen nog steeds Israël oproepen zich te bekeren.
Maar met de roeping van Saulus van Tarsen gebeurt iets ongekends.
Niet slechts een nieuwe zendeling verschijnt.
Er wordt een geheel nieuwe bediening geopenbaard.
Paulus ontving de bedeling der Genade Gods
Paulus noemt zijn opdracht niet het Evangelie van het Koninkrijk.
Hij gebruikt een andere uitdrukking:
“Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap moge volbrengen, en den dienst, dien ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.” (Handelingen 20:24 STV)
Let op de woorden.
Deze bediening ontving Paulus van de verheerlijkte Christus.
Niet tijdens de aardse omwandeling van de Here Jezus.
Niet van Petrus.
Niet van de twaalf.
Maar rechtstreeks door openbaring.
“Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.” (Galaten 1:12 STV)
De verborgenheid
Nog indrukwekkender is wat Paulus vervolgens schrijft.
“Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid.” (Efeze 3:2-3 STV)
En:
“Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekendgemaakt…” (Efeze 3:5 STV)
En opnieuw:
“…de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.” (Kolossenzen 1:26 STV)
Dat zijn buitengewone uitspraken.
Paulus zegt niet dat hij slechts herhaalt wat de twaalf al wisten.
Hij zegt dat God iets openbaart wat eeuwenlang verborgen is geweest.
Wat was die verborgenheid?
Niet een tweede weg tot behoud.
Er is maar één Zaligmaker.
Maar de volledige betekenis van het volbrachte werk van Christus.
Paulus openbaart onder meer:
de Gemeente als het Lichaam van Christus;
de eenheid van Jood en heiden in één nieuw mens;
de hemelse positie van de gelovige;
de gelovige in Christus;
de rechtvaardiging uit genade alleen;
de bedeling der genade Gods.
Deze waarheden worden in de evangeliën niet uitgewerkt.
Ze worden door Paulus geopenbaard.
De blinde vlek van veel christenen
Hier ontstaat de grote verwarring.
Veel christenen lezen de Evangeliën alsof elk woord rechtstreeks gericht is aan, en bedoeld is voor de Gemeente.
Daardoor ontstaan uitspraken als:
de Bergrede is de leefregel voor de Gemeente;
het Koninkrijk is de Gemeente;
de Gemeente moet het Koninkrijk op aarde vestigen;
wij moeten dezelfde tekenen doen als de twaalf;
de gemeente is het nieuwe Israël.
Maar de Schrift zegt dat uitdrukkelijk niet.
Deze conclusies ontstaan doordat verschillende bedelingen worden samengevoegd.
De gevolgen zijn enorm
Wanneer men de bediening van de Here Jezus en die van Paulus vermengt, ontstaan onder andere:
vervangingstheologie;
Kingdom Now;
wetticisme;
verlies van heilszekerheid;
sacramentalisme;
charismatische verwachtingen die eigenlijk bij Israëls Koninkrijk horen;
verwarring over discipelschap en positie in Christus.
Vrijwel iedere grote dwaling binnen de christenheid heeft ergens haar wortel in het niet onderscheiden van Israël en de Gemeente en van Koninkrijk en genade.
‘Recht snijden’ is geen hobby van dispensationalisten
Paulus schrijft:
“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15 STV)
Dat betekent niet dat wij de Bijbel in losse stukjes knippen.
Het betekent dat wij erkennen dat God in verschillende fasen van Zijn heilsplan verschillende openbaringen heeft gegeven.
De Here Jezus is altijd Dezelfde Persoon.
Maar Zijn bediening vóór Golgotha is niet identiek aan Zijn bediening vanuit de hemel door middel van Paulus.
Juist dát onderscheid maakt de Schrift harmonieus.
Minder verwarring, meer Christus
Sommigen reageren alsof dit onderscheid de woorden van de Here Jezus minder belangrijk maakt.
Het tegendeel is waar.
Juist door Zijn woorden te lezen in de context waarin Hij ze sprak, gaan ze veel meer spreken.
De Here Jezus kwam als Israëls Messias.
Paulus openbaart vervolgens de rijkdom van Christus voor het Lichaam van Christus.
Beiden spreken over dezelfde Heer.
Maar niet vanuit dezelfde bediening.
De grootste blinde vlek van veel Bijbeluitleg is niet ongeloof.
Het is het ontbreken van onderscheid.
Wie de aardse bediening van de Here Jezus zonder onderscheid vermengt met de bediening die de verheerlijkte Christus aan Paulus toevertrouwde, leest twee verschillende fasen van Gods heilsplan door elkaar.
Paulus mocht de verborgenheid bekendmaken.
Hij ontving de bedeling der genade Gods.
Hij verkondigde het Evangelie der genade Gods.
Daarom is het geen overbodige luxe om het Woord der waarheid recht te snijden. Het is een Bijbels gebod. Pas wanneer wij dat doen, vallen de puzzelstukken van de Schrift op hun plaats en schittert Gods genade in al haar rijkdom.
Spreker: Johan Celier, voorganger van de Evangelische Gemeente De Hoekse Waard Datum / setting: Zondagse eredienst, 12 juli 2026 Platform / gemeente: Gastpreek; de ontvangende gemeente wordt niet duidelijk genoemd Thema: Jezus volgen en gelijkvormig worden aan Zijn beeld Doelgroep: Gelovigen in een evangelische gemeente
De spreker sluit aan bij het gemeentethema “Jezus volgen”. Hij wil laten zien dat Jezus volgen niet in de eerste plaats bestaat uit spectaculaire gaven, tekenen en wonderen, maar uit het leren van Christus’ zachtmoedigheid en nederigheid. Tegelijk verbindt hij dit met de leiding van de Heilige Geest, persoonlijke openbaring, innerlijke indrukken en het zichtbaar maken van Gods Koninkrijk op aarde.
De kern
Wat wordt er concreet geleerd?
De gelovige is volgens de spreker geroepen om steeds meer op de Here Jezus te gaan lijken. Romeinen 8:28-29 wordt daarbij terecht niet uitgelegd als een algemene belofte dat alle omstandigheden vanzelf prettig zullen eindigen. De bedoeling is dat God omstandigheden gebruikt om gelovigen gelijkvormig te maken aan het beeld van Zijn Zoon.
Vanuit Mattheüs 11:25-30 legt hij uit dat Jezus mensen uitnodigt Zijn juk op zich te nemen. Dat juk wordt voorgesteld als het leven van een leerling die naar zijn rabbi kijkt, hem navolgt en steeds meer op hem gaat lijken. Het centrale kenmerk daarvan is zachtmoedigheid en nederigheid.
Daarnaast leert de spreker dat de gelovige de Here Jezus persoonlijk moet ontmoeten en leren kennen. Daarvoor is volgens hem niet alleen het lezen van de Bijbel nodig, maar ook een persoonlijk spreken met God, het ontvangen van innerlijke openbaring en het leren luisteren naar de Heilige Geest.
Hoofdstellingen
Gelijkvormigheid aan Christus is het doel van het geloofsleven.
Zachtmoedigheid en nederigheid zijn geen zwakheid, maar geestelijke kracht.
Tekenen en wonderen zijn niet het belangrijkste bewijs van gelijkvormigheid aan Christus.
De Heilige Geest wil gelovigen persoonlijk leiden en woorden voor anderen geven.
De gelovige moet Gods Koninkrijk zichtbaar maken op aarde.
De nadruk ligt op relationele navolging: Jezus niet alleen bestuderen, maar Hem ontmoeten, naar Zijn stem luisteren, door de Geest geleid worden en Zijn karakter zichtbaar maken.
Belangrijkste toepassingen
De gelovige moet zich niet richten op geestelijk succes of spectaculaire gaven.
Hij moet leren buigen voor God en niets uit zichzelf verwachten.
Hij moet zichtbaar anders durven leven dan de wereld.
Hij moet aandacht hebben voor de individuele mens die God op zijn weg brengt.
Wie door vernedering, afwijzing of een negatief zelfbeeld is beschadigd, wordt opgeroepen gebed te vragen.
Bijbelvastheid
Positieve Schriftuitleg
De behandeling van Romeinen 8:28-29 behoort tot de sterkste delen van de preek. De spreker bestrijdt terecht de populaire uitleg dat “alle dingen medewerken ten goede” betekent dat ziekte, geldproblemen of moeilijke omstandigheden uiteindelijk altijd in aardse voorspoed veranderen. Het “goede” wordt in vers 29 verbonden met het gelijkvormig worden aan het beeld van Gods Zoon.
Ook zijn waarschuwing tegen geestelijke hoogmoed rond gaven, genezingen en wonderen is terecht. Een bediening waarin de mens zichzelf belangrijk gaat vinden omdat er bijzondere dingen door hem gebeuren, staat haaks op de zachtmoedigheid van Christus.
Positief is verder dat de spreker zijn hoorders uitnodigt om zijn woorden aan de Schrift te toetsen:
“Als het Woord het tegenspreekt, dan mag je tegen mij zeggen: hier staat iets anders.”
Dat is een gezonde uitspraak. Een prediker staat niet boven het Woord en mag gecorrigeerd worden.
De tegenstelling tussen nederigheid en vernederd worden wordt pastoraal zorgvuldig uitgewerkt. Nederigheid is vrijwillig buigen voor God; vernedering is iets wat een ander iemand aandoet. Die onderscheiding kan beschadigde mensen werkelijk helpen.
Mattheüs 11 wordt te smal uitgelegd
De spreker stelt dat “vermoeid en belast” in Mattheüs 11 hoofdzakelijk betrekking heeft op de rabbijnse regels en religieuze lasten die Schriftgeleerden mensen oplegden. Die achtergrond kan meespelen, maar wordt te absoluut gemaakt.
In de directe context spreekt de Here Jezus over het ongeloof van steden, de openbaring van de Vader door de Zoon en het komen tot Hem. De rust die Hij geeft, is daarom breder dan bevrijding van menselijke religieuze voorschriften. Het betreft rust voor de ziel bij Christus Zelf: rust van eigen werken, schuld, zonde en menselijke pogingen om zichzelf rechtvaardig te maken.
De spreker zegt dat de bekende pastorale toepassing van Mattheüs 11:28 wel waar is, maar “hier niet bedoeld wordt”. Dat is te stellig. De tekst mag niet tot algemene gevoelsmatige troost worden gereduceerd, maar de rust van Christus is ook niet beperkt tot rabbijnse regelgeving.
De verwijzing naar Lukas klopt niet helemaal
De spreker zegt dat het parallelle gedeelte in Lukas in een twistgesprek met Farizeeën en Schriftgeleerden staat. De eigenlijke parallel van Mattheüs 11:25-27 staat in Lukas 10:21-22, direct na de terugkeer van de zeventig discipelen. Daar is geen twistgesprek met Farizeeën gaande.
Dit is geen onbetekenend detail, omdat hij deze vermeende context gebruikt om zijn uitleg van Mattheüs 11 te ondersteunen.
Woord en Geest worden uit elkaar getrokken
Het meest zorgelijke moment is de stellige uitspraak:
“Het is niet mogelijk Hem te leren kennen door alleen het Woord te lezen.”
In de meest gunstige uitleg bedoelt de spreker dat een ongelovige de Bijbel verstandelijk kan lezen zonder zich aan Christus over te geven. Dat is waar. Schriftkennis zonder geloof geeft geen geestelijk leven.
Maar zijn formulering schept een verkeerde tegenstelling. Wij leren de Here Jezus juist kennen door het geschreven Woord, dat de Heilige Geest gebruikt en voor ons opent:
“Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods” — Romeinen 10:17.
De Schriften kunnen wijs maken tot zaligheid — 2 Timotheüs 3:15.
Wij zijn wedergeboren door het levende en eeuwig blijvende Woord — 1 Petrus 1:23.
Johannes schreef zijn Evangelie opdat wij zouden geloven dat Jezus de Christus is — Johannes 20:31.
De Heilige Geest vormt geen tweede weg naast het Woord. Hij verlicht het verstand, overtuigt door het Woord en verheerlijkt Christus door wat apostolisch is geopenbaard. Een tegenstelling tussen “alleen Bijbellezen” en “werkelijk ontmoeten” kan ertoe leiden dat innerlijke ervaringen uiteindelijk meer gezag krijgen dan de Schrift.
Een betere formulering zou zijn:
Het Woord moet niet slechts verstandelijk gelezen worden, maar in geloof worden ontvangen; de Heilige Geest opent door dat Woord onze ogen voor Christus.
Subjectieve openbaring krijgt te veel gewicht
De spreker vertelt dat tijdens een eerdere preek zijn aandacht voortdurend naar een vrouw werd getrokken. Hij liep naar haar toe en zei dat God tegen haar wilde zeggen: “God houdt van je.” Achteraf bleek zij God om precies zo’n teken te hebben gevraagd.
Het verhaal kan oprecht en ontroerend zijn. Het bewijst echter niet dat de innerlijke indruk rechtstreeks van God kwam. De bevestiging door de reactie van de vrouw maakt een indruk nog niet tot openbaring.
De spreker geeft aanvankelijk een goede grens: iets van God mag nooit tegen de Schrift ingaan. Maar “niet tegen de Schrift ingaan” is een te lage toets. Talloze algemene of vage indrukken spreken de Bijbel niet rechtstreeks tegen. De vraag is ook of iemand werkelijk namens God mag verklaren: “God wil dit nu persoonlijk tegen u zeggen.”
Hier ontstaat een patroon dat kenmerkend is voor charismatische spiritualiteit:
innerlijke aandacht → ervaren opdracht → spreken namens God → emotionele bevestiging → conclusie dat de Geest gesproken heeft.
Dit kan gemeenteleden leren hun gedachten en ingevingen als Gods stem te interpreteren. Daarmee verschuift het gezag ongemerkt van het objectieve Woord naar de ervaring van de spreker.
Efeze 3 wordt onnauwkeurig toegepast
De spreker zegt dat de Heilige Geest komt “zodat Jezus door het geloof woning kan maken in jouw hart”. Efeze 3:16-17 is echter gericht aan mensen die al gelovig zijn en reeds met de Heilige Geest verzegeld waren. Paulus bidt niet om hun eerste wedergeboorte of inwoning, maar om geestelijke versterking, zodat Christus rijkelijk en praktisch in hun harten woont.
De tekst gaat over verdieping en geestelijke wasdom, niet over een bekeringsschema waarin eerst de Geest komt en daarna Jezus in het hart gaat wonen.
Leerstellig probleem
Zonde blijft op de achtergrond
Er wordt gesproken over trots, slavernij, afwijzing en een negatief zelfbeeld, maar zonde als opstand tegen God wordt nauwelijks uitgewerkt. De mens verschijnt vooral als iemand die moet leren luisteren, volgen en veranderen.
Daardoor blijft onduidelijk waarom de mens niet alleen onderwijs of herstel nodig heeft, maar verzoening met God.
Het kruis wordt genoemd, maar nauwelijks verkondigd
In het slotgebed wordt beleden dat de Here Jezus mens werd, stierf, opstond, aan Gods rechterhand zit en zal terugkomen. Dat is waardevol en wezenlijk.
Toch wordt niet uitgelegd waarom Hij stierf, wat Zijn bloed heeft bewerkt, hoe de zondaar gerechtvaardigd wordt of wat genade betekent. Het kruis functioneert voornamelijk als de plaats waar iemand zijn leven aflegt en het leven van Jezus ontvangt. De plaatsvervangende betekenis van Zijn dood blijft vrijwel buiten beeld.
Bekering en geloof worden ervaringsgericht beschreven
De hoorder moet “op de knieën gaan bij het kruis”, zijn leven afleggen en zeggen: “Heer, ik ontvang Uw leven in mijn leven.” Dat kan een oprechte geloofsreactie omschrijven, maar het Evangelie wordt hierdoor sterk in ervaringstaal gegoten.
Bijbels gezien is geloof het vertrouwen op wat God in Christus heeft volbracht. Niet de intensiteit van het moment, het gebed of de overgave redt, maar Christus Zelf en Zijn volbrachte werk.
Verkiezing wordt te snel behandeld
De spreker verwerpt de dubbele predestinatie en stelt vervolgens dat iedereen in Jezus uitverkoren is en dat iemand door voor Jezus te kiezen “zijn hand op die uitverkiezing legt”.
Het juiste element is dat verkiezing nooit los van Christus mag worden gedacht. Maar een moeilijk onderwerp wordt hier in enkele zinnen afgedaan. Romeinen 8:29-30 wordt niet werkelijk uitgelegd, terwijl die passage juist spreekt over Gods voorkennis, voorbestemming, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking.
De kritiek op een calvinistische formulering vervangt hier de zorgvuldige behandeling van de Bijbeltekst.
Het onderscheid tussen Christus en Zijn volgelingen vervaagt
De spreker verbindt gelijkvormigheid aan Christus aanvankelijk met genezingen, demonenuitdrijving, tekenen en wonderen. Later relativeert hij dit gelukkig en legt hij de nadruk op karakter.
Toch ontbreekt een belangrijk onderscheid: de Here Jezus is niet alleen ons voorbeeld. Hij is de unieke Zoon, Messias, Verlosser en Heer. Veel van Zijn werken hadden een messiaanse betekenis en bewezen Wie Hij was. Ook de apostolische tekenen hadden een bijzondere bevestigende functie.
“Doen wat Jezus deed” kan daarom nooit zonder onderscheid als algemene opdracht aan iedere gelovige worden gebruikt.
Positionering
De boodschap staat duidelijk binnen een charismatisch-evangelische Koninkrijksgerichte spiritualiteit.
Kenmerkende accenten zijn:
hedendaagse tekenen, wonderen en genezingen;
persoonlijke leiding door innerlijke indrukken;
spreken van een persoonlijk “woord van God” voor iemand;
het leven van de hemel op aarde zichtbaar maken;
Gods Koninkrijk zichtbaar maken;
nadruk op zonen en dochters die het beeld van God herstellen;
een sterke tegenstelling tussen religieuze regels en geestelijk leven.
De preek bevat geen duidelijke oproep tot dominion, moderne apostelen of een vijfvoudige hiërarchie. Daarom is het niet gerechtvaardigd deze preek zonder meer als NAR te bestempelen.
Wel is de gebruikte taal NAR- en Kingdom Now-compatibel. Vooral de uitspraken over “het Koninkrijk zichtbaar maken”, “leven vanuit de hemel op aarde” en bijzondere persoonlijke openbaring bewegen zich in dezelfde begrippenwereld.
Tegelijk zegt de spreker uitdrukkelijk dat een deel pas werkelijkheid wordt wanneer de Here Jezus terugkomt. Daarmee is dit geen volledige gerealiseerde Koninkrijkstheologie. Het is eerder een charismatische “reeds nu, maar nog niet volledig”-benadering waarin het “reeds nu” zeer zwaar wordt aangezet.
Een fundamentele correctie is nodig bij het spreken over het bouwen of zichtbaar maken van het Koninkrijk. De Schrift leert niet dat de gemeente het Koninkrijk bouwt. Christus bouwt Zijn Gemeente. Het Koninkrijk wordt door God gegeven, opgericht en bij de wederkomst van Christus geopenbaard. Gelovigen mogen ervan getuigen en leven onder de heerschappij van Christus, maar zij brengen het Koninkrijk niet tot stand.
Houding en taalgebruik
De toon is warm, toegankelijk, humoristisch en overwegend herderlijk. De spreker stelt zichzelf niet als onaantastbaar voor. Hij nodigt de gemeente zelfs uit hem vanuit de Bijbel te corrigeren.
Ook spreekt hij eerlijk over eigen tekortkomingen. Zijn verhaal dat een collega vroeger niet wist dat hij christen was, gebruikt hij niet om zichzelf te verheffen, maar als zelfcorrectie.
Er is ruimte voor pastorale gevoeligheid, vooral wanneer hij mensen aanspreekt die vernederd of afgewezen zijn.
Tegelijk gebruikt hij geregeld zeer stellige taal zonder voldoende Schriftuurlijke onderbouwing:
“Ik zeg dat echt met volle zekerheid.”
Juist daarna volgt de problematische uitspraak dat men Christus niet door het Woord alleen kan leren kennen.
De emotionele ervaring wordt niet openlijk als manipulatiemiddel gebruikt, maar het getuigenis over het persoonlijke “profetische woord” en de daaropvolgende oproep voor gebed kunnen wel verwachtingen oproepen dat God tijdens het gebedsmoment bijzondere ervaringen of directe genezing zal geven.
Kritisch denken wordt dus enerzijds aangemoedigd — toets mij aan het Woord — maar anderzijds verzwakt door de grote plaats die persoonlijke indrukken en innerlijke openbaring krijgen.
Wat is goed, wat vraagt correctie en eventuele valkuilen
Wat kan worden bevestigd?
De preek bevat een waardevolle oproep om niet naar geestelijk spektakel te zoeken, maar naar gelijkvormigheid aan Christus.
De uitleg van Romeinen 8:28-29 is in de kern sterk.
De nadruk op zachtmoedigheid, nederigheid, afhankelijkheid van God en aandacht voor de individuele mens is Bijbels en pastoraal bruikbaar.
De spreker belijdt de menswording, dood, opstanding, verhoging en wederkomst van de Here Jezus Christus.
Ook zijn waarschuwing tegen geestelijke hoogmoed en het bouwen van een persoonlijk koninkrijk is terecht.
Wat vraagt correctie?
Woord en Geest mogen niet tegenover elkaar worden geplaatst. De Heilige Geest maakt Christus bekend door het apostolische Woord.
Persoonlijke indrukken mogen niet zonder meer als openbaring of spreken van God worden gepresenteerd.
Mattheüs 11 wordt te beperkt tot religieuze regelgeving en de verwijzing naar Lukas is exegetisch onjuist.
Het Koninkrijk wordt niet door gelovigen gebouwd of vanuit de hemel naar de aarde gebracht. Christus Zelf zal het openbaren.
Gelijkvormigheid aan Christus betekent niet dat iedere gelovige dezelfde tekenen en wonderen moet doen als de Here Jezus.
De leer over verkiezing wordt te eenvoudig en te polemisch behandeld.
Wat kan verwarring veroorzaken?
De ernstigste verwarring ontstaat door de combinatie van deze twee boodschappen:
“Toets alles aan het Woord.”
en:
“Je kunt Hem niet door het Woord alleen leren kennen; de Geest moet persoonlijk tot jou spreken.”
Wanneer deze spanning niet wordt opgelost, zal in de praktijk de innerlijke stem vaak zwaarder gaan wegen dan de geschreven Schrift. De Bijbel wordt dan gebruikt om ervaringen achteraf te bevestigen, in plaats van dat de Schrift vooraf bepaalt wat wij mogen geloven en verkondigen.
Ook de Koninkrijkstaal kan gemeenteleden het idee geven dat hun opdracht bestaat uit het zichtbaar manifesteren van hemelse kracht, terwijl de nieuwtestamentische nadruk ligt op getuigen, dienen, lijden, volharden en uitzien naar de verschijning van Christus.
Wat betekent dit voor de gemeente?
De gemeente kan door deze preek terecht worden aangespoord tot nederigheid en bewogenheid. Maar zonder correctie kan zij tegelijk ontvankelijk worden voor subjectieve leiding, persoonlijke profetieën en een vorm van Koninkrijksdenken waarin ervaring en manifestatie belangrijker worden dan zorgvuldig Schriftverstaan.
Daarmee ontstaat gemakkelijk een tweedeling tussen mensen die zeggen bijzondere woorden en indrukken te ontvangen en gelovigen die eenvoudig op het geopenbaarde Woord vertrouwen.
Ernst van de afwijking
Dit is geen fundamentele ontkenning van Christus of van het Evangelie. De belangrijkste heilsfeiten worden beleden.
Maar het gaat ook niet slechts om een onschuldig accentverschil.
De preek bevat enkele duidelijke exegetische onnauwkeurigheden en een bredere leerstellige scheefgroei op het terrein van openbaring, Woord en Geest, tekenen en wonderen en het Koninkrijk van God.
De boodschap kan daarom niet volledig worden afgewezen, maar ook niet ongecorrigeerd worden overgenomen.
De sterkste oproep van de preek is dat een volgeling van Christus niet herkenbaar moet zijn aan geestelijk vertoon, maar aan het karakter van zijn Heer. Dat verdient instemming.
Maar juist daarom moet ook de Here Jezus worden gezocht waar Hij Zich betrouwbaar bekendmaakt: in het geschreven Woord.
De Geest verheerlijkt Christus niet door ons losser van de Schrift te maken, maar door onze ogen te openen voor wat God daarin reeds heeft geopenbaard.
Geestelijk onderscheid is geen luxe, maar noodzaak. Niet alles wat geestelijk klinkt, is ook Bijbels verantwoord.
Waarom de Gemeente Israël niet vervangt en het Koninkrijk niet op aarde hoeft te vestigen
Koninkrijkstheologie en vervangingsleer worden vaak als twee verschillende leerstellingen behandeld. Toch komen zij voort uit hetzelfde fundamentele probleem: het Bijbelse onderscheid tussen Israël, de Gemeente en het toekomstige Koninkrijk van Christus wordt uitgewist.
De vervangingsleer geeft de Gemeente de plaats van Israël. De beloften die God aan Israël gaf, worden op de kerk toegepast, terwijl Israël als volk geen eigen profetische toekomst meer zou hebben.
De moderne koninkrijkstheologie gaat vervolgens een stap verder. De Gemeente krijgt niet alleen de plaats van Israël, maar ook de opdracht om vóór de wederkomst het Koninkrijk van God zichtbaar op aarde te vestigen. Zij moet invloedssferen innemen, samenlevingen transformeren en de volkeren onder de heerschappij van Christus brengen.
Daarmee worden twee ernstige verwisselingen gemaakt.
De Gemeente wordt Israël.
En de Gemeente gaat doen wat alleen Christus bij Zijn wederkomst zal doen.
Het klinkt daadkrachtig en geestelijk. Toch is het niet de roeping die de Schrift aan de Gemeente geeft.
Konikrijksleer en vervangingstheologie
Wat is koninkrijkstheologie?
Het woord koninkrijkstheologie wordt niet altijd op dezelfde manier gebruikt. Niet iedereen die spreekt over het Koninkrijk van God bedoelt daarmee dat de kerk de wereld politiek of maatschappelijk moet overnemen.
De Schrift leert dat Christus is opgewekt, verheerlijkt en met eer en heerlijkheid gekroond. Hij bezit alle gezag. Gelovigen erkennen Hem nu reeds als hun Heer en leven onder Zijn heerschappij.
Dat betekent echter niet dat Zijn Koninkrijk reeds in zijn beloofde openbare vorm op aarde zichtbaar is geworden.
In dit artikel gaat het daarom vooral over de moderne koninkrijkstheologie die bekendstaat als Kingdom Now, dominionisme of heerschappijtheologie. Binnen deze visie zou de Gemeente de opdracht hebben om het Koninkrijk vóór de wederkomst zichtbaar te vestigen.
Het gaat dan niet meer alleen om de verkondiging van het Evangelie. De kerk moet cultuur, politiek, onderwijs, media, economie en andere maatschappelijke terreinen beïnvloeden of zelfs onder christelijke heerschappij brengen.
De Gemeente wordt zo niet langer voorgesteld als een hemels volk dat zijn Heer verwacht, maar als een geestelijk leger dat de aarde voor Hem moet veroveren.
Wat is de vervangingsleer?
De vervangingsleer houdt in dat de Gemeente de plaats van Israël in Gods heilsplan heeft ingenomen. De kerk wordt dan beschouwd als het nieuwe, ware of geestelijke Israël.
De beloften die God aan Abraham, Izak, Jakob en David gaf, worden vervolgens op de Gemeente toegepast. Het land wordt vergeestelijkt, Jeruzalem wordt een symbool, de troon van David wordt gelijkgesteld aan de huidige hemelse positie van Christus en het toekomstige herstel van Israël verdwijnt uit beeld.
Er bestaan verschillende vormen van vervangingsleer.
In de hardste vorm wordt gezegd dat God Israël vanwege zijn ongeloof definitief heeft verworpen.
In een mildere vorm spreekt men liever niet over vervanging, maar over vervulling. De kerk zou dan Israël niet hebben vervangen, maar alle beloften aan Israël zouden in de Gemeente een hogere, geestelijke vervulling hebben gekregen.
Het resultaat is echter grotendeels hetzelfde: Israël heeft als volk geen eigen toekomst meer in Gods profetische plan.
Daarmee worden de concrete beloften aan Israël losgemaakt van de mensen aan wie God ze heeft gegeven.
Heeft God Israël verstoten?
Paulus stelt in Romeinen 11 precies de vraag die de vervangingsleer raakt:
“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.” — Romeinen 11:1 (STV)
Het antwoord kan nauwelijks duidelijker zijn.
God heeft Zijn volk niet verstoten.
Paulus zegt niet dat Israël voortaan een andere betekenis heeft gekregen. Hij zegt niet dat de Gemeente nu het ware Israël is. Hij spreekt over zijn eigen natuurlijke afkomst uit Abraham en Benjamin en noemt Israël nog steeds Gods volk.
Dat betekent niet dat iedere Israëliet automatisch behouden is. Een natuurlijke afstamming uit Abraham redt niemand. Ook een Israëliet moet geloven in de Here Jezus Christus.
Maar het ongeloof van velen binnen Israël betekent niet dat Gods nationale beloften zijn vervallen.
Paulus vervolgt:
“Dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden.” — Romeinen 11:25-26 (STV)
De verharding is voor een deel.
De verharding duurt totdat.
Dat is niet de taal van definitieve vervanging. Het wijst op een tijdelijke toestand die door God zal worden beëindigd.
Israël is tijdelijk terzijde gesteld, maar niet voor altijd afgeschreven. Gods werk met Israël is onderbroken, niet opgeheven.
Gods beloften aan Israël zijn niet vervallen
God gaf aan Abraham, Izak, Jakob en David concrete beloften. Hij sprak over een nageslacht, een land, een troon, een koningshuis en een toekomstig Koninkrijk.
Deze beloften kunnen niet zonder meer worden overgedragen aan een andere groep.
Wanneer God een land aan het natuurlijke nageslacht van Abraham belooft, maar uiteindelijk alleen een hemelse zegen voor de kerk bedoelt, veranderen de woorden van betekenis.
Wanneer God een eeuwige troon aan David belooft, maar uiteindelijk alleen een geestelijke invloed van de kerk bedoelt, is de oorspronkelijke inhoud van de belofte verdwenen.
Wanneer God zegt dat Hij Israël niet zal verstoten, maar het volk vervolgens toch definitief door de Gemeente vervangt, verliest deze verzekering haar betekenis.
Het gaat daarom niet alleen om de vraag welke plaats Israël in de toekomst heeft.
Het gaat om de betrouwbaarheid van God.
God vervult Zijn beloften niet omdat Israël altijd trouw is geweest. Hij vervult ze omdat Hij Zelf trouw is.
De volgorde in Handelingen
Handelingen 15 laat duidelijk zien dat het bijeenbrengen van de Gemeente niet hetzelfde is als het herstel van Israël.
Jakobus zegt:
“Simeon heeft verhaald, hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.” — Handelingen 15:14 (STV)
God doet in deze tijd een bijzonder werk onder de heidenen. Hij verzamelt uit hen een volk voor Zijn Naam.
Dat betekent niet dat alle heidenen worden bekeerd of dat de wereld geleidelijk het Koninkrijk wordt. God neemt uit de heidenen een volk.
Daarna zegt Jakobus:
“Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen den tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.” — Handelingen 15:16 (STV)
De volgorde is belangrijk.
God vergadert eerst een volk uit de heidenen.
Daarna zal Hij wederkeren.
Daarna zal Hij de vervallen tabernakel van David herstellen.
De Gemeente is dus niet de herstelde tabernakel van David. Het bijeenbrengen van de Gemeente gaat aan dat herstel vooraf.
De vervangingsleer maakt van “na dezen” feitelijk “in plaats hiervan”. Maar dat is niet wat de Schrift zegt.
De apostelen verwachtten herstel voor Israël
Kort voor de hemelvaart vroegen de apostelen aan de opgestane Here:
“Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?” — Handelingen 1:6 (STV)
Wanneer de verwachting van een werkelijk herstel van Israël fundamenteel onjuist was geweest, was dit het geschikte moment geweest om haar te corrigeren.
De Here antwoordde echter niet dat Israël geen Koninkrijk meer zou ontvangen. Hij zei:
“Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.” — Handelingen 1:7 (STV)
Hij corrigeerde niet hun verwachting van herstel. Hij corrigeerde hun vraag naar het tijdstip.
Daarna gaf Hij hun de opdracht voor de tussenliggende periode:
“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” — Handelingen 1:8 (STV)
De opdracht aan de discipelen was niet om het Koninkrijk op te richten.
Hun opdracht was om getuigen van Christus te zijn.
Dat onderscheid is beslissend voor het beoordelen van koninkrijkstheologie.
De Gemeente bouwt het Koninkrijk niet
De Gemeente heeft een hoge en heerlijke roeping. Zij is het Lichaam van Christus, een woonstede van God in de Geest en gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel.
Maar nergens krijgt zij de opdracht om het Koninkrijk op aarde te vestigen.
De Here Jezus zei:
“Ik zal Mijn gemeente bouwen.” — Mattheüs 16:18 (STV)
Christus bouwt Zijn Gemeente.
De Gemeente bouwt niet Zijn Koninkrijk.
De taak van de Gemeente is het Evangelie der genade te verkondigen, het Woord der verzoening bekend te maken en gelovigen op te bouwen in de waarheid.
Paulus schrijft:
“Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)
Een gezant vertegenwoordigt zijn regering in een vreemd land. Hij neemt dat land niet over en richt daar niet op eigen gezag het bestuur van zijn koning op.
Dat past bij de positie van de Gemeente.
Haar burgerschap is in de hemel. Zij bevindt zich nog in de wereld, maar behoort bij Christus.
De Gemeente neemt geen naties in. Zij roept mensen uit de naties tot Christus.
Zij bouwt geen aardse troon. Zij verkondigt de komende Koning.
Zij dwingt geen samenleving onder christelijke heerschappij. Zij roept zondaren op zich met God te laten verzoenen.
Christus heeft Zijn aardse Koningschap nog niet openbaar aanvaard
De Here Jezus Christus is werkelijk verhoogd. Hij is gezeten aan de rechterhand van God en met eer en heerlijkheid gekroond.
Toch zegt de Schrift:
“Doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn.” — Hebreeën 2:8 (STV)
Christus bezit alle rechten op het Koninkrijk, maar Zijn heerschappij over de aarde is nog niet zichtbaar geopenbaard.
Hebreeën zegt bovendien:
“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods; Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.” — Hebreeën 10:12-13 (STV)
Christus is gezeten aan de rechterhand van God en verwacht het moment waarop Zijn vijanden zichtbaar aan Zijn voeten worden gesteld.
Ook Openbaring maakt onderscheid tussen de troon van de Vader en de toekomstige openbare troon van Christus:
“Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.” — Openbaring 3:21 (STV)
Christus zit nu met Zijn Vader in Diens troon. Hij spreekt over Zijn eigen troon als de plaats van Zijn toekomstige openbare regering.
Het Koninkrijk is daarom niet afwezig in absolute zin. Christus is Koning en gelovigen erkennen Zijn gezag. Maar het Koninkrijk is in deze tijd nog verborgen en niet zichtbaar als wereldomvattende heerschappij geopenbaard.
Niet de kerk, maar Christus openbaart het Koninkrijk
In Lukas 19 vertelt de Here Jezus over:
“Een zeker welgeboren man, die reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.” — Lukas 19:12 (STV)
De volgorde is helder.
De edelman vertrekt.
Hij ontvangt het Koninkrijk.
Hij keert terug.
Daarna oefent hij zijn koninklijke gezag openlijk uit.
De dienstknechten krijgen tijdens zijn afwezigheid niet de opdracht om zijn Koninkrijk alvast op aarde te vestigen. Zij moeten trouw handelen met wat hun is toevertrouwd totdat hij terugkomt.
Zo wordt ook het Koninkrijk van Christus niet openbaar omdat de Gemeente voldoende maatschappelijke invloed heeft verworven.
Het wordt openbaar wanneer de Koning Zelf wederkomt.
Niet de kerk brengt het Koninkrijk.
De Koning brengt het Koninkrijk.
Kingdom Now en maatschappelijke heerschappij
Binnen Kingdom Now wordt de Grote Opdracht vaak uitgelegd als een opdracht om gehele naties tot discipelen te maken. Dat betekent dan meer dan het Evangelie aan mensen verkondigen.
Samenlevingen, regeringen en culturele instellingen zouden onder christelijke invloed moeten worden gebracht. De kerk moet strategische posities innemen en op verschillende terreinen van de maatschappij gaan regeren.
Daarmee verandert de opdracht van de Gemeente ingrijpend.
Getuigen wordt heersen.
Evangelisatie wordt transformatie.
Dienen wordt leidinggeven aan de samenleving.
De verkondiging van Christus wordt een programma voor culturele en politieke invloed.
Maar de Here Jezus zei voor Pilatus:
“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.” — Johannes 18:36 (STV)
Christus ontkent niet dat Hij Koning is. Hij verklaart dat Zijn Koninkrijk zijn oorsprong, gezag en kracht niet aan deze wereldorde ontleent.
Daarom wordt het niet gevestigd met de middelen waarmee menselijke koninkrijken worden opgebouwd: macht, politieke druk, culturele overheersing of maatschappelijke controle.
De wereld wordt niet geleidelijk het Koninkrijk
Een belangrijk uitgangspunt binnen veel vormen van koninkrijkstheologie is dat de wereld door de invloed van de Gemeente steeds meer onder de heerschappij van Christus zal komen.
De profetische lijn van het Nieuwe Testament is echter anders.
De Here Jezus leerde dat tarwe en onkruid samen zouden opgroeien tot de oogst:
“Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst.” — Mattheüs 13:30 (STV)
Paulus waarschuwde voor de toestand in de laatste dagen:
“En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.” — 2 Timotheüs 3:1 (STV)
De Here Jezus stelde bovendien de indringende vraag:
“Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?” — Lukas 18:8 (STV)
De Gemeente wordt niet voorgesteld als een steeds machtiger wereldheerser die de aarde succesvol voor Christus inneemt.
Zij blijft een getuigend, dienend en vaak verworpen volk te midden van een wereld die haar Here niet kent.
De wereld wordt niet door de Gemeente geleidelijk in het Koninkrijk veranderd. Christus zal de wereld oordelen en onder Zijn heerschappij brengen wanneer Hij verschijnt.
De verborgen en toekomstige openbaring van het Koninkrijk
Het Koninkrijk van Christus bestaat en Christus bezit het recht om te regeren. Maar Zijn Koninkrijk is in deze tijd niet openbaar zoals het bij Zijn wederkomst zal zijn.
Nu is Christus verborgen voor de wereld.
Nu wordt Zijn heerschappij erkend door hen die in Hem geloven.
Nu vergadert Hij Zijn Gemeente.
Bij Zijn wederkomst zal Hij Zich zichtbaar openbaren, Zijn vijanden oordelen en Zijn Koninkrijk op aarde openbaar maken.
Daarom is het onjuist om de tegenwoordige geestelijke heerschappij van Christus over Zijn Gemeente gelijk te stellen aan de toekomstige zichtbare regering over Israël en de volkeren.
Wie deze fasen vermengt, loopt onvermijdelijk vooruit op Gods tijd.
De vervangingsleer schept ruimte voor Kingdom Now
Hier raken koninkrijkstheologie en vervangingsleer elkaar.
Wanneer Israël geen eigen toekomstige plaats meer heeft, komen de beloften over het Koninkrijk, de troon, het priesterschap en de heerschappij beschikbaar voor de Gemeente.
De kerk wordt het nieuwe Israël.
De beloften aan Israël worden kerkelijke beloften.
De nationale roeping van Israël wordt een maatschappelijke opdracht voor de kerk.
De toekomstige regering van de Messias wordt een tegenwoordige heerschappij van christelijke leiders.
De troon van David wordt vergeestelijkt.
Jeruzalem wordt een symbool.
De volkeren worden invloedssferen die door de kerk moeten worden ingenomen.
Zo vormt de vervangingsleer de leerstellige bodem waarop moderne koninkrijkstheologie kan groeien.
De vervangingsleer neemt Israël zijn plaats af.
Kingdom Now geeft die plaats aan de Gemeente.
Waarom moderne apostelen nodig worden binnen Kingdom Now
Wanneer de kerk het Koninkrijk wereldwijd moet vestigen, ontstaat de vraag wie dit omvangrijke werk moet leiden.
Binnen veel Kingdom Now- en NAR-kringen luidt het antwoord: moderne apostelen en profeten.
Zij zouden strategische openbaringen ontvangen, geestelijke gebieden onderscheiden, leiders aanstellen en de Gemeente in positie brengen om steden en naties te beïnvloeden.
Dat is geen toevallige toevoeging aan het systeem. Het volgt logisch uit de koninkrijkstheologie.
Een wereldwijd koninkrijk vraagt om wereldwijde bestuurders.
Nieuwe strategieën vragen om nieuwe openbaringen.
Geestelijke gebiedsverovering vraagt om leiders met buitengewoon gezag.
Maar de Gemeente heeft reeds een Hoofd: de Here Jezus Christus.
Zij heeft ook reeds een fundament:
“Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.” — Efeze 2:20 (STV)
Een fundament wordt eenmaal gelegd. Het wordt niet in iedere generatie opnieuw aangebracht.
De Gemeente wordt niet geleid door een nieuwe bestuurlijke elite van apostelen. Zij wordt opgebouwd vanuit het reeds gelegde fundament door het Woord van God.
Het Evangelie verandert van verzoening in verovering
Wanneer de koninkrijkstheologie de opdracht van de Gemeente gaat bepalen, verandert ook de nadruk van de boodschap.
Het Evangelie gaat dan steeds minder over zonde, oordeel, rechtvaardiging, verzoening en eeuwig leven. De aandacht verschuift naar bestemming, invloed, leiderschap, gebiedsinneming en maatschappelijke transformatie.
Zonde wordt vooral een hindernis voor persoonlijke bestemming.
Verlossing wordt herstel van menselijke heerschappij.
Gebed wordt strategische geestelijke oorlogsvoering over gebieden.
Aanbidding wordt een methode om een geestelijke atmosfeer te veranderen.
De Gemeente wordt een leger dat de aarde moet innemen.
Maar Paulus noemt de gelovigen gezanten die smeken:
“Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)
Het Evangelie is geen programma voor christelijke overheersing.
Het is de boodschap dat vijanden van God door het volbrachte werk van Christus met Hem verzoend kunnen worden.
De Bijbelse taak van de Gemeente
De Gemeente hoeft niet klein over haar roeping te denken. Haar hemelse positie in Christus is veel hoger dan iedere aardse machtspositie.
Zij is geroepen om Christus bekend te maken.
Zij verkondigt het Evangelie der genade.
Zij bewaart en verdedigt het Woord der waarheid.
Zij bouwt gelovigen op in Christus.
Zij wandelt als licht te midden van een donkere wereld.
Zij verwacht haar Here uit de hemel.
De Gemeente is niet geroepen om de samenleving te domineren, maar om Christus te vertegenwoordigen.
Zij is niet geroepen om de Koning tijdens Zijn afwezigheid te vervangen.
Zij is geroepen om Hem trouw te dienen totdat Hij komt.
Israël, de Gemeente en het toekomstige Koninkrijk
De Bijbelse volgorde is helder.
Christus werd verworpen, gekruisigd, opgewekt en verhoogd.
Hij vergadert nu Zijn Gemeente uit Joden en heidenen.
De Gemeente verkondigt het Evangelie en verwacht haar Here.
Wanneer dit werk voltooid is, zal God Zijn handelen met Israël openlijk voortzetten.
Christus zal wederkomen, Zijn vijanden oordelen en Zijn heerschappij over de aarde zichtbaar openbaren.
Israël zal worden hersteld en de volkeren zullen onder Zijn regering worden gebracht.
Het Koninkrijk wordt niet door de Gemeente aan Christus aangeboden alsof zij het voor Hem heeft gebouwd.
Het wordt door Christus Zelf in macht en heerlijkheid geopenbaard.
Koninkrijkstheologie en vervangingsleer gaan verder dan de Schrift
De vervangingsleer zegt dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.
Kingdom Now zegt dat de Gemeente nu reeds de plaats van de regerende Koning moet innemen.
Beide visies gaan verder dan wat de Schrift leert.
De Gemeente heeft Israël niet vervangen.
De beloften aan Israël zijn niet vervallen.
De troon van David blijft een werkelijke troon.
Het toekomstige herstel van Israël blijft staan.
De zichtbare onderwerping van de aarde aan Christus blijft het werk van de Koning.
De Gemeente heeft niet de opdracht om vóór de wederkomst het Koninkrijk op aarde te vestigen. Haar roeping is hemels: het Evangelie verkondigen, het Lichaam van Christus opbouwen en de Here Jezus Christus uit de hemel verwachten.
Niet de kerk brengt het Koninkrijk.
Niet moderne apostelen brengen het Koninkrijk.
Niet politieke invloed brengt het Koninkrijk.
Niet maatschappelijke transformatie brengt het Koninkrijk.
De Koning Zelf zal Zijn Koninkrijk in macht en heerlijkheid openbaren.
“En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en Zijn Naam één.” — Zacharia 14:9 (STV)