De preek gaat over de storm op het Meer van Galilea, uit Markus 4:35–41, met als titelachtige lijn: “Dwars door de storm.” De prediker bouwt de preek op rond drie woorden: onderwijs, overtocht en bediening. De gemeente wordt uitgenodigd zich even als discipel in het verhaal te verplaatsen. De kern is: Jezus stuurt Zijn discipelen naar de overkant, er komt storm, Jezus slaapt, de discipelen raken in paniek, Jezus bestraft wind en water, en daarna volgt aan de overkant de bevrijding van de bezetene in het gebied van de Gerasenen/Dekapolis.
De getuigenis vóór de preek zet al sterk de toon: nadruk op de Heilige Geest, vervulling, “doop met de Heilige Geest”, gezichten, doorbraak, geestelijke kracht en waarschuwing dat “dicht is dicht”. Daardoor komt de preek niet neutraal binnen, maar in een bredere sfeer van charismatische verwachting, geestelijke strijd en persoonlijke openbaringen.
Kernsamenvatting
De prediker zegt in hoofdlijn dit:
Jezus had een bestemming aan de overkant. Die overkant wordt neergezet als een duister gebied: het tienstedengebied, heidens, met afgoderij. De storm wordt daarom niet slechts gezien als natuurverschijnsel, maar als een geestelijke/demonische storm die Jezus en de discipelen wilde tegenhouden. De gedachte is: vóór een doorbraak, bevrijding of bediening komt vaak tegenstand.
Jezus slaapt volgens de prediker niet zomaar, maar op de plek van de roerganger. Dat wordt toegepast als beeld: Jezus is aan het roer, Hij weet waar Hij naartoe gaat, Hij kent de storm al, en Hij weet ook wat er na de storm komt. Daarom moet de gelovige in zijn eigen storm niet alleen naar de dreiging kijken, maar naar de bestemming aan de overkant.
Daarna wordt de storm verbonden met geestelijke autoriteit. Jezus zegt tegen wind en water: zwijg, wees stil.
De prediker past dat toe op geestelijke strijd: een gelovige mag in de autoriteit van Jezus tegen de boze zeggen: “klaar, kappen, opzouten, wegwezen.”
De storm wordt dus niet alleen pastoraal geduid, maar ook als model voor “spreken tegen demonische tegenstand”.
De afsluitende toepassing is: stormen betekenen dat je onderweg bent naar een doel; wees nieuwsgierig naar wat er “aan de overkant” komt. De prediker zegt zelfs dat een storm “leuk” kan zijn, niet omdat de pijn leuk is, maar omdat die wijst op Gods doel en overwinning.
Sterke kanten
Er zit een duidelijke pastorale bemoediging in de preek. De prediker wil mensen die door moeite gaan niet laten verdrinken in hun omstandigheden. Hij wijst op Jezus’ aanwezigheid in de boot, Zijn macht over wind en water, en Zijn kennis van de bestemming. Dat is op zichzelf Bijbels sterk: de discipelen zijn niet alleen, ook al lijkt Jezus te slapen.
Ook is goed dat de preek het verhaal niet losmaakt van het vervolg. Markus 4 loopt inderdaad door naar Markus 5, waar Jezus aan de overkant de bezetene bevrijdt. Dat verband is belangrijk. De storm staat niet los van Jezus’ missie. De prediker ziet terecht dat de overtocht ergens naartoe gaat: Jezus gaat niet zomaar varen; Hij gaat naar een mens in diepe nood.
Verder is het sterk dat de prediker de discipelen niet karikaturaal neerzet als dom of ongelovig. Hij benadrukt dat ze veel met Jezus hadden meegemaakt en toch in paniek raakten. Dat is herkenbaar: dichtbij Jezus zijn en toch niet werkelijk zien Wie Hij is, is een terugkerend thema in de evangeliën.
Bijbelvastheid
De basis van de preek is Bijbels: Markus 4:35–41 en de overgang naar Markus 5. Jezus’ macht over de schepping staat centraal. Ook de verwondering van de discipelen — “Wie is Deze toch?” — hoort bij de kern van het gedeelte. Het verhaal openbaart niet primair hoe sterk het geloof van de discipelen moet zijn, maar Wie Jezus is: Hij gebiedt wind en zee, en zij gehoorzamen Hem.
Daar zit tegelijk mijn belangrijkste bezwaar: de preek verschuift vrij snel van Christus-openbaring naar gelovigenautoriteit. In Markus 4 is het grote punt niet: “jij hebt autoriteit om je storm te bevelen.” Het grote punt is: Jezus is de Heer over de schepping. De discipelen leren niet een techniek voor geestelijke strijd, maar worden geconfronteerd met de majesteit van Christus.
De toepassing mag zijn: vertrouw Hem. Volg Hem. Wees niet ongelovig.
Maar de toepassing wordt kwetsbaar wanneer Jezus’ unieke handelen direct wordt vertaald naar: “jij mag ook zo tegen situaties of demonische machten spreken.”
Leerstellig probleem
Het zwaarste punt is de uitspraak dat de storm een demonische storm was. De prediker presenteert dat vrij stellig: “Het was geen gewone storm. Het was een demonische storm.”
Dat is exegetisch te sterk gesteld.
De tekst zelf zegt dat er een hevige storm kwam. De tekst zegt niet dat demonen die storm veroorzaakten. Het is waar dat Jezus de storm bestraft met woorden die ook bij demonische bevrijding voorkomen. Het is ook waar dat Markus 5 direct daarna over demonische bezetenheid gaat. Maar dat bewijst nog niet dat de storm zelf demonisch was.
Daarmee ontstaat een patroon dat je vaker in charismatische uitleg ziet: er wordt een mogelijke geestelijke lezing genomen en vervolgens als feit gebracht. Dan wordt de tekst niet alleen uitgelegd, maar ingevuld. En juist daar wordt het link.
Want als elke zware tegenwind op weg naar “bestemming” demonisch wordt genoemd, verschuift het geloofsleven naar voortdurende oorlogsduiding.
Niet elke storm is demonisch. Soms is een storm gewoon een storm. Soms is moeite gevolg van gebroken schepping, eigen zwakheid, ziekte, omstandigheden, zonde van anderen, of Gods opvoedende weg.
De Bijbel kent geestelijke strijd, maar verklaart niet elk lijden automatisch vanuit demonische tegenstand.
Pastorale risico’s
De uitspraak “als je een storm hebt, is dat fijn, want dat betekent dat je op weg bent naar een doel” is begrijpelijk bedoeld als bemoediging, maar kan pastoraal wringen.
Voor iemand in rouw, ziekte, psychische nood, burn-out, relationele ellende of NAH-achtige kwetsbaarheid kan dat heel zwaar vallen. Alsof elke crisis een soort bevestiging is dat er een grote bestemming aankomt. Dat klinkt hoopvol, maar het kan ook druk geven: “Ik moet blijkbaar iets groots aan de overkant gaan doen, anders heeft mijn storm geen zin.”
Bijbels gezien hoeft lijden niet altijd zo functioneel te worden gemaakt. Soms is de troost eenvoudiger en dieper: de Here is nabij. Christus bewaart. Gods genade is genoeg. Niet alles hoeft direct verklaard te worden als voorbereiding op bediening.
Ook het spreken tegen de boze in directe bevelstaal kan mensen in een kramp brengen. De prediker zegt: je moet niet overleggen met de boze, maar zeggen: “in de naam van Jezus, klaar, kappen.” Dat klinkt krachtig, maar kan een techniek worden. Dan gaat de aandacht van geloof in Christus naar het juist hanteren van geestelijke taal.
De rol van het getuigenis
De getuigenis vóór de preek versterkt precies dat spanningsveld. Daarin wordt gesproken over waterdoop, daarna een aparte doop met de Heilige Geest, doorbraak, gezichten, persoonlijke boodschappen, een gemeente die groeit “in de kracht van de Heilige Geest”, en de oproep om een relatie met de Heilige Geest te zoeken.
Daar zitten vrome elementen in: verlangen naar heiliging, ernst, gebed, afhankelijkheid. Maar leerstellig schuurt het. De Heilige Geest wordt sterk als afzonderlijk relationeel middelpunt neergezet. De Bijbelse bediening van de Geest is echter juist Christus verheerlijken, Christus doen kennen, Christus in herinnering brengen, het Woord toepassen, de gelovige in Christus doen wandelen.
Wanneer de getuigenis zegt dat iemand wel in Jezus gelooft, bidt, maar dat er toch “iets ontbreekt” omdat de Heilige Geest non-actief zou zijn, (?) ontstaat een tweederangs-gelovige schema: gewone gelovigen tegenover Geest-vervulde gelovigen. Dat is een bekende charismatische valkuil. Het Nieuwe Testament leert dat wie Christus toebehoort, de Geest heeft. Er is zeker vervulling, groei en heiliging nodig, maar niet als aparte geestelijke statuslaag boven het geloof in Christus.
Wat ik mis in de preek
Wat vooral mist, is een rustige terugkeer naar de tekst zelf.
De vraag van Jezus — waarom zijn jullie zo angstig? — gaat over geloof. Niet geloof in hun eigen autoriteit, maar geloof in Hem. De discipelen moeten leren Wie er bij hen in de boot is. De preek had sterker kunnen eindigen bij Christus Zelf: Zijn macht, Zijn rust, Zijn opdracht, Zijn trouw.
Ook had de prediker duidelijker kunnen onderscheiden tussen:
gewone natuur en demonische tegenstand,
Christus’ unieke autoriteit en de positie van gelovigen,
pastorale bemoediging en geestelijke strijdtaal,
bestemming van Christus in Markus 5 en persoonlijke “bestemming” van elke hoorder.
Nu worden die lijnen nogal snel aan elkaar geknoopt.
Eindoordeel
De preek heeft een warme, aansprekende en pastorale insteek. Ze wil mensen bemoedigen: Jezus is in de boot, Hij weet van de storm, Hij brengt je aan de overkant. Dat is waardevol.
Maar leerstellig is de preek kwetsbaar door drie verschuivingen:
De storm wordt stellig demonisch genoemd, zonder dat de tekst dat expliciet zegt.
Jezus’ unieke macht over wind en zee wordt toegepast als model voor persoonlijke geestelijke autoriteit.
Lijden en moeite worden sterk gekoppeld aan “bestemming”, waardoor pastorale troost kan veranderen in charismatische duiding van elke crisis.
Mijn kernzin zou zijn:
De preek wijst terecht op Jezus in de storm, maar schuift te snel van vertrouwen op Christus naar spreken in autoriteit tegen demonische tegenstand.
Scherper gezegd:
Markus 4 leert ons niet hoe wij stormen moeten commanderen, maar Wie Christus is: de Heer voor Wie zelfs wind en zee moeten zwijgen.
Betekent dit dat kritiek hebben op christelijk leiderschap niet gepast is?
“Raak de gezalfde des Heeren niet aan.” Het klinkt ernstig. Bijbels ook. En juist daarom wordt deze uitdrukking nogal eens gebruikt als geestelijke stopknop. Zodra iemand vragen stelt bij een spreker, voorganger, of leider, komt dan de waarschuwing: pas op, raak Gods gezalfde niet aan.
Ik heb deze frase in het verleden horen citeren als bescherming tegen kritische medegelovigen die zich niet wensten te onderwerpen aan uitwassen van leiderschap in de gemeente.
Gaat het daar wel over? Mag dit zo wel gebruikt worden? In zijn Bijbelse context: de uitdrukking komt uit een concrete geschiedenis over David en Saul, niet uit een vrijbrief voor geestelijk leiderschap vandaag.
“Raak de gezalfde des Heeren niet aan” betekent niet dat kritiek op een leider ongepast of verboden is. Het betekent in de Bijbelse context dat David Saul niet eigenmachtig wilde doden of met geweld van de troon stoten, omdat Saul als koning door God gezalfd was.
De tekst gaat dus over geweld, wraak en eigenmachtige machtsgreep niet over het toetsen van leer, gedrag of leiderschap.
Raak Gods gezalfde niet aan
De context
David had meerdere keren de kans om Saul te doden. Saul vervolgde David onrechtvaardig, maar David weigerde om zelf het oordeel over Saul uit te voeren.
“Dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, den gezalfde des HEEREN, dat ik mijn hand aan hem leggen zou; want hij is de gezalfde des HEEREN.” 1 Samuël 24:7 (STV)
Daar gaat het dus om: David legde zijn hand niet aan Saul. Hij pleegde geen aanslag. Hij greep de macht niet. Hij liet het oordeel aan God over.
Ook in de studie wordt dit verbonden met het koningschap: David gebruikt de uitdrukking “de gezalfde des Heeren” voor de koning, waarmee aan het koningschap een hoge betekenis wordt gegeven.
David sprak Saul wél aan
David zweeg niet alsof Saul boven kritiek stond. Hij confronteerde Saul juist met zijn onrecht.
“Zie, mijn vader, ja, zie den slip uws mantels in mijn hand; want daar ik den slip uws mantels afgesneden heb, en u niet gedood heb, zo merk en zie, dat er geen kwaad noch overtreding in mijn hand is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nochtans jaagt gij mijn ziel, om die weg te nemen.” 1 Samuël 24:12 (STV)
Dat is géén rebellie. Dat is ook géén laster. Dat is waarheidsgetrouwe confrontatie zonder wraakzucht. Wraakzucht is een fout motief, en we worden als gelovigen opgeroepen onszelf niet te wreken. (Romeinen 12:9)
De tekst wordt bij gelegenheid misbruikt
Wanneer iemand vandaag zegt: “Raak Gods gezalfde niet aan,” bedoelt hij vaak eigenlijk: “Je mag mij niet toetsen, niet aanspreken en niet bekritiseren.”
Dat is geestelijk machtsmisbruik.
In het Nieuwe Testament worden leiders, leraars en apostelen juist wél getoetst. Paulus prijst de Bereërs omdat zij zijn onderwijs naast de Schrift legden:
“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” Handelingen 17:11 (STV)
Zelfs Petrus werd door Paulus openlijk tegengesproken en gecorrigeerd toen hij verkeerd handelde:
“Maar als Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was.” Galaten 2:11 (STV)
Dus zelfs een apostel stond niet boven correctie.
Ook oudsten staan niet boven toetsing
Er moet wel zorgvuldig worden omgegaan met beschuldigingen tegen oudsten. Niet op basis van roddel, stemmingmakerij of losse aantijgingen.
“Tegen een ouderling neem geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen.” 1 Timotheüs 5:19 (STV)
Maar als er werkelijk zonde is, moet die juist niet worden toegedekt:
“Die zondigen, bestraf in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.” 1 Timotheüs 5:20 (STV)
Dat is duidelijk. De Schrift beschermt leiders tegen lichtvaardige beschuldigingen, maar niet tegen terechte bestraffing.
Het Bijbelse onderscheid
Kritiek is verkeerd wanneer zij voortkomt uit hoogmoed, bitterheid, partijzucht, roddel of rebellie.
Maar kritiek is geboden wanneer het gaat om valse leer, misleiding, machtsmisbruik, morele zonde of verdraaiing van het Evangelie.
De norm is niet: is iemand gezalfd?
De norm is: is wat hij leert en doet in overeenstemming met het hele Woord van God?
“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” 1 Thessalonicenzen 5:21 (STV)
Kort samengevat
“Raak de gezalfde des Heeren niet aan” betekent: neem geen wraak, pleeg geen geestelijke of fysieke machtsgreep, handel niet uit vleselijke motieven of opstandigheid.
Het betekent niet: zwijg bij dwaling.
Het betekent niet: leiders zijn onaantastbaar.
Het betekent niet: kritiek is ongeestelijk.
Het betekent zeker niet: een prediker mag zich achter zijn “zalving” verschuilen.
Een werkelijk Bijbels leider hoeft niet beschermd te worden tegen toetsing aan de Schrift.
Alleen een menselijk machtsmodel heeft zulke slogans nodig.
Er wordt zo links en rechts bij gelegenheid nogal wat over de Gemeente van Christus, ook genoemd “de kerk”, beweerd.
Wat zegt de Bijbel over
De kerk moet wakker worden. De kerk is ziek. De kerk is lauw. De kerk mist kracht. De kerk moet terug naar apostolische orde. De kerk moet genezen. De kerk moet opstaan. De kerk moet het Koninkrijk zichtbaar maken.
Het klinkt bezorgd. Vaak zelfs geestelijk bewogen.
Maar de eerste vraag waar we hier tegenaan lopen:
Over welke kerk hebben we het eigenlijk?
Want als met “de kerk” het lichaam van Christus bedoeld wordt, dan moeten we voorzichtig worden. Het lichaam van Christus slaapt niet. Het lichaam van Christus is niet ziek. Het lichaam van Christus is geen mislukt project dat door moderne apostelen, profeten, conferenties, opwekkingssprekers of activatiebedieningen gereanimeerd moet worden.
Christus heeft geen ziek lichaam. Christus heeft geen slapend lichaam. Christus bouwt Zijn gemeente.
“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn Gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” Mattheüs 16:18 (STV)
Dat is het uitgangspunt. Niet de toestand van de zichtbare christenheid. Niet de temperatuur van religieuze bewegingen. Niet het activisme van mensen. Maar het woord van Christus Zelf:
Ik zal Mijn Gemeente bouwen.
De kerk is niet ziek en slaapt niet
De gemeente is het lichaam van Christus
De gemeente van Jezus Christus is niet in de eerste plaats een gebouw, organisatie, kerkgenootschap, denominatie of religieus systeem. De gemeente is het lichaam van Christus: allen die door geloof in Hem met Hem verbonden zijn en door de Heilige Geest tot één lichaam zijn gedoopt.
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” 1 Korinthe 12:13 (STV)
Dat lichaam heeft Christus als Hoofd.
“En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” Efeze 1:22-23 (STV)
Dat is bepaald geen voetnoot.. Wie over de gemeente spreekt, spreekt over iets dat onlosmakelijk met Christus Zelf verbonden is. De gemeente is niet zomaar een religieuze verzameling mensen. Zij is Zijn lichaam. Zijn eigendom. Zijn werk. Zijn volheid.
Daarom is het leerstellig scheef om achteloos te zeggen dat “de kerk ziek is” wanneer men daarmee het lichaam van Christus bedoelt.
Want Christus voedt en onderhoudt Zijn gemeente.
“Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de Heere de Gemeente.” Efeze 5:29 (STV)
Een lichaam dat door Christus gevoed en onderhouden wordt, kun je niet zomaar collectief ziek, slapend, mislukt of krachteloos verklaren.
De zichtbare christenheid is iets anders
Waar gaat het dan wél over wanneer mensen zeggen dat “de kerk slaapt” of “de kerk ziek is”?
Meestal gaat het in werkelijkheid over de zichtbare christenheid. Over kerksystemen, denominaties, organisaties, plaatselijke gemeenten, leiderschapsculturen, religieuze gewoonten, tradities, conferentiecircuits en bewegingen die zich christelijk noemen.
Die kunnen inderdaad ongezond zijn.
Een plaatselijke gemeente kan vleselijk functioneren. Een bediening kan ontsporen. Een kerksysteem kan Christus verduisteren. Een beweging kan worden beheerst door macht, geld, emotie, manipulatie of valse leer. Een gemeente kan lauw worden. Een groep gelovigen kan onwaakzaam leven. Leiders kunnen heersen in plaats van dienen. Prediking kan verschuiven van Christus naar ervaring, activatie, wet, succes, genezing, doorbraak of Koninkrijksretoriek.
Maar dat is dus uidrukkelijk niet hetzelfde als het lichaam van Christus.
Dat onderscheid is beslissend.
De Bijbel spreekt concreet over plaatselijke gemeenten die correctie nodig hebben. Korinthe is daar een helder voorbeeld van. Paulus noemt de gelovigen daar werkelijk “geheiligden in Christus Jezus”:
“Den Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepen heiligen…” 1 Korinthe 1:2 (STV)
Maar later zegt hij tegen diezelfde gelovigen:
“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.” 1 Korinthe 3:1 (STV)
Daar ligt het Bijbelse evenwicht. In hun positie waren zij geheiligd in Christus. In hun toestand wandelden zij vleselijk. De Schrift ontkent hun positie niet vanwege hun slechte toestand, maar corrigeert hun toestand juist vanuit hun positie.
Dat is heel iets anders dan roepen: “De kerk is ziek.”
Positie en toestand
Veel verwarring ontstaat doordat men positie en toestand door elkaar haalt.
De positie van de gelovige is wat hij in Christus is. Die positie rust op het volbrachte werk van Christus. Zij is niet afhankelijk van stemming, kracht, groei, ervaring of kerkelijke prestaties.
“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Kolossenzen 3:3 (STV)
De toestand van de gelovige is zijn praktische wandel. Die kan ver beneden zijn positie blijven. Een gelovige kan onvolwassen zijn, vleselijk wandelen, verkeerde leer dulden, wereldgelijkvormig worden of geestelijk traag zijn.
Maar dat verandert niet wat het lichaam van Christus in Christus is.
Daarom moeten we de dingen zorvuldig benoemen.
Niet: het lichaam van Christus is ziek.
Wel: veel plaatselijke gemeenten functioneren ongezond.
Niet: de gemeente van Christus slaapt.
Wel: veel gelovigen zijn niet waakzaam.
Niet: Christus’ lichaam is krachteloos.
Wel: veel zichtbare kerksystemen hebben de kracht van gezonde leer ingeruild voor vorm, gevoel, macht of religieus spektakel.
Niet: de kerk moet door ons genezen worden.
Wel: gelovigen en gemeenten moeten terug naar Christus, het Hoofd, en naar de gezonde leer van de Schrift.
“De kerk slaapt”
Wanneer iemand zegt: “de kerk slaapt”, bedoelt men meestal dat gelovigen geestelijk traag, ongehoorzaam, wereldgelijkvormig of ongevoelig zijn geworden. Op zichzelf kan een oproep tot waakzaamheid Bijbels zijn.
“Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.” 1 Thessalonicenzen 5:6 (STV)
Let op: Paulus zegt dit niet als slogan om het lichaam van Christus als geheel af te serveren. Hij vermaant gelovigen tot waakzaamheid in hun wandel. Dat is concreet. Dat is pastoraal. Dat is Bijbels.
Heel anders wordt het wanneer “de kerk slaapt” betekent: de hele gemeente van Christus ligt geestelijk plat en moet door onze beweging, onze profeten, onze apostelen, onze conferentie of onze nieuwe zalving wakker worden gemaakt.
Dan schuift alles op..
Dan is Christus niet meer het genoegzame Hoofd. Dan wordt de gemeente een soort slapend religieus lichaam waarvoor menselijke activatoren nodig zijn. Dan ontstaat de sfeer van: gewone Bijbelse trouw is niet genoeg; er moet vuur bij, doorbraak, impartatie, apostolische uitlijning, profetische correctie, Kingdom-activatie.
Dat klinkt indrukwekkend. Maar het kan zomaar een religieuze rookmachine worden.
“De kerk is ziek”
Hetzelfde geldt voor de uitspraak: “de kerk is ziek.”
Als daarmee bedoeld wordt dat veel zichtbare kerksystemen ongezond zijn, dan valt daar Bijbels veel voor te zeggen. De brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring laten zien dat plaatselijke gemeenten ernstig kunnen afwijken.
Tegen Sardis zegt de Here:
“Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.” Openbaring 3:1 (STV)
Tegen Laodicea zegt Hij:
“Omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.” Openbaring 3:16 (STV)
Dat zijn geen geruststellende woorden. De Here Zelf stelt diagnoses. Maar opnieuw: Hij spreekt concrete gemeenten aan op hun concrete toestand. Hij verklaart niet het lichaam van Christus als hemelse werkelijkheid ziek.
Als iemand dus zegt: “de kerk is ziek”, moet je doorvragen. Bedoel je de ware gemeente als lichaam van Christus? Dan is je uitspraak leerstellig verkeerd. Bedoel je zichtbare systemen, plaatselijke gemeenten of bewegingen die afwijken van Christus en de gezonde leer? Dan moet je concreet worden en Bijbels aantonen waar het misgaat.
Een vage totaaldiagnose is te gemakkelijk. En vaak manipulatief.
De verborgen boodschap achter zulke slogans
Uitspraken als “de kerk slaapt” en “de kerk is ziek” hebben vaak een verborgen implicatie.
De kerk slaapt — maar wij zijn wakker.
De kerk is ziek — maar wij hebben het medicijn.
De kerk mist kracht — dus kom bij ons voor vuur.
De kerk is doods — maar wij brengen leven.
De kerk is ongezond — maar onze beweging is Gods herstelprogramma.
De kerk is uit positie — dus je moet onder onze apostolische orde komen.
Daar ligt het gevaar. Men creëert eerst een algemeen probleem en presenteert daarna zichzelf als de oplossing.
En dat werkt. Want wie gelovigen lang genoeg vertelt dat zij tekortkomen, dat hun gemeente ziek is, dat hun geloof krachteloos is, dat zij “meer” nodig hebben, die maakt hen vatbaar voor geestelijke verkooptaal. Niet altijd financieel, soms vooral geestelijk. Maar het mechanisme is hetzelfde: eerst tekort aanpraten, daarna aanvulling aanbieden.
Paulus schrijft echter:
“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht.” Kolossenzen 2:10 (STV)
Dat is vernietigend voor elke bediening die de gelovige eerst leeg, ziek, slapend of incompleet moet verklaren om daarna haar eigen systeem aan te bieden.
De volheid is in Christus. Niet in een beweging. Niet in een conferentie. Niet in een apostolisch netwerk. Niet in een nieuwe golf. Niet in een bijzonder gezalfde spreker.
De gemeente van Christus is niet de voortzetting van Israël
Een ander kanjer van een misverstand is dat de gemeente wordt gezien als een soort geestelijk Israël dat Israëls aardse roeping heeft overgenomen. Dan gaat de kerk zich gedragen alsof zij geroepen is om op aarde een Koninkrijksprogramma uit te voeren, de wereld te hervormen, invloedssferen te veroveren of de heerschappij van Christus zichtbaar te maken vóórdat Hij Zelf verschijnt.
Maar de gemeente heeft een hemelse roeping.
“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” Filippenzen 3:20 (STV)
Israël heeft verbonden, vaderen, beloften en een beloofde aardse profetische toekomst.
“Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen.” Romeinen 9:4 (STV)
De gemeente is het lichaam van Christus, uit Jood en heiden gevormd, met een hemelse positie en toekomst. Zij is niet geroepen om als vervangend Israël de aarde te beheren. Zij is geroepen om Christus te belijden, het Evangelie te verkondigen, te wandelen waardig haar roeping en haar Here uit de hemel te verwachten. In de studiebasis die in dit project wordt gebruikt, wordt dit onderscheid tussen Israël, heidenen en de gemeente nadrukkelijk uitgewerkt: de gemeente wordt daar beschreven als een apart volk met Christus als Hoofd, een hemelse roeping en een eigen positie binnen Gods heilsplan.
Wanneer dit onderscheid verdwijnt, schuift de gemeente gemakkelijk richting Kingdom Now, Dominion-denken en religieus activisme. Dan wordt de toekomstverwachting niet meer: de Here komt. Dan wordt het: wij moeten bouwen, herstellen, veroveren, doorbreken en zichtbaar maken.
Maar Handelingen 15 geeft een andere volgorde.
“Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam.” Handelingen 15:14 (STV)
Daarna volgt het herstel van de vervallen hut van David:
“Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen den tabernakel Davids, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.” Handelingen 15:16 (STV)
Eerst verxamelt God een volk uit de heidenen voor Zijn Naam. Daarna komt het herstel van Israël en de openbaring van het Koninkrijk. De gemeente bouwt niet de troon van David. Zij verwacht de Here.
De gemeente van Christus is geen
fysiek gebouw of systeem
Nog een hardnekkig misverstand: “de kerk” als gebouw.
Natuurlijk kan een gebouw nuttig zijn. Gelovigen kunnen ergens samenkomen. Maar het gebouw is niet de gemeente. Het gebouw is niet het huis van God in de nieuwtestamentische zin. De gelovigen zelf vormen Gods woonplaats in de Geest.
“Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods; Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.” Efeze 2:19-20 (STV)
En:
“Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere; Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.” Efeze 2:21-22 (STV)
Wanneer men zegt dat “de kerk slaapt”, denkt men vaak aan instituten, gebouwen, diensten, vormen en organisaties. Maar de Bijbelse gemeente is geen stenen structuur.
Zij is een geestelijk huis.
De gemeente van Christus is geen priesterhiërarchie
De gemeente heeft geen aparte priesterklasse nodig die tussen God en de gelovigen staat. Christus is de Hogepriester. Gelovigen vormen samen een heilig priesterdom.
“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.” 1 Petrus 2:5 (STV)
Daarmee verdwijnt het harde onderscheid tussen “geestelijkheid” en “leken” als twee geestelijke standen. Er zijn weliswaar gaven, bedieningen, oudsten, opzieners, herders en leraars. Maar er is géén hogere geestelijke kaste die dichter bij God staat dan de gewone gelovige.
Leiderschap in de gemeente is dienend, niet heersend.
“Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.” 1 Petrus 5:3 (STV)
Waar leiderschap zichzelf onaantastbaar maakt, waar titels belangrijker worden dan toetsing aan de Schrift, waar “zalving” kritiek moet uitschakelen, daar is men niet bezig met het lichaam van Christus, maar met religieuze machtsbouw.
De gemeente van Christus is onder genade, niet onder de wet
Ook hier ontstaan ongezonde, ziekmakende constructies. De gemeente wordt soms teruggeplaatst onder de wet, alsof de Heilige Geest vooral gegeven is om de gelovige alsnog Sinaï te laten vervullen.
Maar Paulus zegt:
“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)
Dat betekent niet wetteloosheid. Het betekent dat de gelovige niet onder de Mozaïsche wet als verbondsregeling staat. Zijn leven is verbonden met Christus. Zijn wandel is door de Geest.
“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)
De gemeente leeft niet uit religieuze druk, maar uit Christus. Niet uit de oude bediening der letter, maar uit nieuwheid des geestes. Niet onder Sinaï, maar onder genade.
Wanneer men dat vergeet, wordt de gemeente al snel een religieuze loopband.
Altijd tekort. Altijd meer moeten. Altijd harder lopen. Altijd terug naar geboden, systemen, programma’s, vormen en prestaties.
Maar de Schrift brengt de gelovige niet terug onder het juk. Zij brengt hem tot Christus.
De samenkomst is belangrijk, maar niet de definitie van de gemeente
De samenkomst is belangrijk.. Maar ook hier is nuance nodig. Zij is niet de hele definitie van de gemeente.
“En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.” Hebreeën 10:24-25 (STV)
Deze tekst gaat niet over kerkbezoek als losse religieuze meetlat, maar over volharding, onderlinge aansporing en vasthouden aan Christus in het licht van de naderende dag.
De gemeente is niet pas gemeente wanneer zij in een gebouw zit. Zij is gemeente omdat zij in Christus is.
De diagnose
Dus waar gaat het over wanneer men spreekt over een slapende of zieke kerk?
Het gaat, als men Bijbels wil spreken, over de zichtbare toestand van gelovigen, plaatselijke gemeenten en christelijke systemen. Niet over de wezenlijke positie van het lichaam van Christus.
Het gaat over wandel, niet over identiteit.
Over praktijk, niet over positie.
Over plaatselijke verantwoordelijkheid, niet over het falen van Christus’ werk.
Over afwijking van gezonde leer, niet over een ziek Hoofd-lichaam organisme.
Over menselijke systemen, niet over de hemelse werkelijkheid van de gemeente in Christus.
Daarom is precieze taal nodig.
Zeg niet:
“Het lichaam van Christus is ziek.”
Zeg:
“Veel zichtbare kerksystemen zijn ongezond.”
Zeg niet:
“De gemeente van Christus slaapt.”
Zeg:
“Veel gelovigen zijn niet wakker.”
Zeg niet:
“De kerk moet door ons iniatief genezen worden.”
Zeg:
“Gelovigen moeten terug naar de Bron, naar Christus, naar de Schrift, naar gezonde leer, naar nuchterheid en naar een wandel die past bij hun roeping.”
Dát is Bijbels,. En veilig.
Waarom belangrijk
Wie het lichaam van Christus ziek noemt, zonder onderscheid, verzwakt het zicht op Christus als Hoofd. Dan wordt de gemeente niet meer gezien vanuit Zijn volbrachte werk, maar vanuit haar zichtbare gebreken. Dan gaat de blik van boven naar beneden.
Van positie naar prestatie. Van Christus naar toestand. Van volheid in Hem naar tekort bij ons.
En daar ontstaat ruimte voor manipulatie.
Want als de kerk ziek is, wie heeft dan het medicijn?
Als de kerk slaapt, wie mag haar dan wakker schudden?
Als de kerk krachteloos is, wie brengt dan kracht?
Als de kerk haar bestemming mist, wie activeert haar dan?
Zo ontstaat een religieuze markt van herstelclaims. En telkens komt de oplossing niet eenvoudig neer op Christus, Zijn Woord, Zijn volbrachte werk, Zijn Geest en Zijn gezonde leer, maar op iets extra’s.
Een extra ervaring.
Een extra zalving.
Een extra apostolische laag.
Een extra profetische correctie.
Een extra Koninkrijksmandaat.
Een extra conferentie.
Een extra leider.
Een extra systeem.
Maar de Bijbelse boodschap is niet dat de gemeente tekortkomt buiten zulke systemen. De Bijbelse boodschap is dat de gelovige volmaakt is in Christus.
“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht.” Kolossenzen 2:10 (STV)
Christus bouwt Zijn gemeente
De zichtbare christenheid kan verwarrend zijn. Plaatselijke gemeenten kunnen falen. Gelovigen kunnen vleselijk wandelen. Leiders kunnen ontsporen. Systemen kunnen ziek worden. Prediking kan afglijden. Bewegingen kunnen zichzelf belangrijker maken dan Christus.
Dat moet benoemd worden. Soms scherp. Soms met ernst.
Maar we mogen nooit spreken alsof Christus’ lichaam zelf een ziek, slapend of mislukt project of organisme is.
Christus bouwt Zijn gemeente.
Christus voedt Zijn gemeente.
Christus bewaart Zijn gemeente.
Christus is het Hoofd van Zijn gemeente.
En de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
Daarom is de juiste oproep niet: “De kerk is ziek, kom naar onze beweging.”
De juiste oproep is: ga tot Christus.
Niet tot religieuze druk.
Niet tot activatiecultuur.
Niet tot menselijke heersers.
Niet tot Kingdom Now-dromen.
Niet tot wet en prestatie.
Niet tot kerkelijke zelfverheffing.
Maar tot Christus, het Hoofd.
“Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.” 2 Petrus 3:18 (STV)