Een aparte doop in de Heilige Geest : leert de Bijbel dit?

Wat leert de Bijbel

Binnen evangelische en charismatische gemeenten klinkt deze oproep: “Ben je al gedoopt in de Heilige Geest?” Vaak wordt daarmee een tweede geestelijke ervaring bedoeld die na de bekering zou plaatsvinden. Dikwijls wordt daar tongentaal, profetie of een bijzondere krachtservaring aan gekoppeld.

Het klinkt geestelijk.

Het klinkt Bijbels.

Maar is het wat de Bijbel leert?

Wie de Bijbel zorgvuldig leest, ontdekt dat deze leer niet gebaseerd is op de onderwijsbrieven van de apostelen, maar op een verkeerde uitleg van het boek Handelingen. Daardoor worden unieke historische gebeurtenissen verheven tot een norm voor iedere gelovige.

Dat heeft grote gevolgen.

Geen aparte doop in de Heilige Geest

 

Paulus kent of leert geen tweede doop

Opvallend is dat Paulus gelovigen nergens oproept om de doop in de Heilige Geest na te streven.

Integendeel.

Hij schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

De sleutel is “wij allen zijn.”

Niet sommigen.

Niet de geestelijk rijpen.

Niet degenen die een bijzondere ervaring hebben gehad.

Iedere gelovige is door de Heilige Geest in het Lichaam van Christus geplaatst.

Dat is geen opdracht.

Dat is een voltooid feit.

Daarom schrijft Paulus ook:

“Eén Heere, één geloof, één doop.” (Efeze 4:5, STV)

De Bijbel spreekt nergens over twee aparte dopen.

 

De grootste denkfout: Handelingen als draaiboek lezen

Vrijwel iedere verdediging van een tweede doop verwijst naar Handelingen.

Maar Handelingen is geen draaiboek over het gemeenteleven.

Het beschrijft de unieke overgang van Israël naar de openbaring van het Lichaam van Christus.

Daar vinden bijzondere gebeurtenissen plaats:

  • de uitstorting over de Joden;
  • daarna over de Samaritanen;
  • vervolgens over de heidenen;
  • tenslotte over de discipelen van Johannes.

Deze momenten markeren nieuwe fasen in Gods heilsplan.

Het zijn historische gebeurtenissen.

Geen patroon dat iedere gelovige vandaag opnieuw moet meemaken.

Wie van Handelingen een blauwdruk maakt voor de Gemeente, doet precies hetzelfde als iemand die beweert dat iedere gelovige eerst drie dagen blind moet worden omdat Paulus dat overkwam.

Geschiedenis is nog geen leer.

 

De leer van een ’tweede doop’ schept twee soorten christenen

Hier wordt het gevaar zichtbaar.

Wanneer een tweede doop wordt geleerd, ontstaat automatisch een tweedeling.

Er zijn dan:

  • gewone christenen;
  • christenen die “de doop” hebben ontvangen.

Maar Paulus kent zo’n onderscheid helemaal niet.

Opmerkelijk genoeg schrijft hij 1 Korinthe 12 aan een gemeente die vol geestelijke problemen zat.

Er was verdeeldheid.

Er was zonde.

Er was misbruik van de geestelijke gaven.

Toch schrijft hij zonder uitzondering:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…” (1 Korinthe 12:13, STV)

Hun probleem was niet dat zij de Heilige Geest misten.

Hun probleem was dat zij niet geestelijk wandelden.

Ik kwam ooit in een gemeente waarin deze ‘doop’ voorwaarde was om een taak te mogen doen, maar dat werd al snel weer losgelaten omdat er te weinig mensen overbleven om iets te doen.

 

Wel vervuld, niet opnieuw gedoopt

De Schrift kent wél een opdracht over vervulling :

“En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest.” (Efeze 5:18, STV)

Hier ligt een wereld van verschil.

De doop met de Heilige Geest is Gods eenmalige werk.

De vervulling met de Heilige Geest gaat over het dagelijkse leven van de gelovige.

Daarom roept Paulus op om:

  • door de Geest te wandelen;
  • de Geest niet te bedroeven;
  • de Geest niet uit te blussen.

Maar nergens zegt hij:

“Zoek de doop in de Heilige Geest.”

 

Iedere gelovige ontvangt de Heilige Geest bij zijn bekering

Paulus laat geen ruimte voor een wachttijd.

Hij schrijft:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte.” (Efeze 1:13, STV)

De volgorde is eenvoudig.

Het Evangelie horen.

Geloven.

Verzegeld worden.

Niet maanden later.

Niet na handoplegging.

Niet na een conferentie.

Niet na tongentaal.

Maar direct nadat men gelooft.

 

De leer van een aparte doop heeft een schadelijk gevolg

Christenen gaan naar binnen kijken.

Heb ik wel genoeg geloof?

Waarom spreek ik geen tongen?

Waarom ervaar ik niets bijzonders?

Heb ik misschien iets gemist?

Zo verschuift het vertrouwen van Christus naar de eigen ervaring.

En precies daar ligt het gevaar.

Het Evangelie rust niet op gevoel.

Niet op beleving.

Niet op spectaculaire ervaringen.

Maar op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

De rijkdom van Gods Genade

Iedere wedergeboren gelovige:

  • is door de Heilige Geest in het Lichaam van Christus gedoopt;
  • is verzegeld met de Heilige Geest;
  • heeft de Heilige Geest inwonend;
  • mag dagelijks leren wandelen onder Zijn leiding.

Dat is geen “tweede zegen”.

Dat is de rijkdom van Gods Genade vanaf het eerste moment van geloof.

 

Samenvattend

De leer van een aparte doop in de Heilige Geest houdt geen stand wanneer zij wordt getoetst aan de brieven van Paulus.

Zij ontstaat doordat de overgangsgebeurtenissen uit Handelingen worden losgemaakt van hun historische context en vervolgens als norm voor de Gemeente worden gebruikt.

De Schrift wijst echter een andere weg.

Niet zoeken naar een tweede ervaring.

Niet jagen op spectaculaire manifestaties.

Niet twijfelen of er misschien nog iets ontbreekt.

Maar rusten in Christus, Die alles heeft volbracht, en weten dat iedere gelovige vanaf het moment van geloof volledig deel heeft aan de Heilige Geest.

Van daaruit mag hij groeien in heiliging, gehoorzaamheid en een leven dat steeds meer onder de leiding van de Geest staat.

 

“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.” (Romeinen 11:36, STV)

lees ook:

Waarom Handelingen geen blauwdruk is voor de gemeente vandaag – Bijbelse basis

Preek geanalyseerd: de Schuilplaats Papendrecht,14 juni 2026

De context

De preek gaat over de storm op het Meer van Galilea, uit Markus 4:35–41, met als titelachtige lijn: Dwars door de storm. De prediker bouwt de preek op rond drie woorden: onderwijs, overtocht en bediening. De gemeente wordt uitgenodigd zich even als discipel in het verhaal te verplaatsen. De kern is: Jezus stuurt Zijn discipelen naar de overkant, er komt storm, Jezus slaapt, de discipelen raken in paniek, Jezus bestraft wind en water, en daarna volgt aan de overkant de bevrijding van de bezetene in het gebied van de Gerasenen/Dekapolis.

De getuigenis vóór de preek zet al sterk de toon: nadruk op de Heilige Geest, vervulling, “doop met de Heilige Geest”, gezichten, doorbraak, geestelijke kracht en waarschuwing dat “dicht is dicht”. Daardoor komt de preek niet neutraal binnen, maar in een bredere sfeer van charismatische verwachting, geestelijke strijd en persoonlijke openbaringen.

Kernsamenvatting

De prediker zegt in hoofdlijn dit:

Jezus had een bestemming aan de overkant. Die overkant wordt neergezet als een duister gebied: het tienstedengebied, heidens, met afgoderij. De storm wordt daarom niet slechts gezien als natuurverschijnsel, maar als een geestelijke/demonische storm die Jezus en de discipelen wilde tegenhouden. De gedachte is: vóór een doorbraak, bevrijding of bediening komt vaak tegenstand.

Jezus slaapt volgens de prediker niet zomaar, maar op de plek van de roerganger. Dat wordt toegepast als beeld: Jezus is aan het roer, Hij weet waar Hij naartoe gaat, Hij kent de storm al, en Hij weet ook wat er na de storm komt. Daarom moet de gelovige in zijn eigen storm niet alleen naar de dreiging kijken, maar naar de bestemming aan de overkant.

Daarna wordt de storm verbonden met geestelijke autoriteit. Jezus zegt tegen wind en water: zwijg, wees stil.

De prediker past dat toe op geestelijke strijd: een gelovige mag in de autoriteit van Jezus tegen de boze zeggen: “klaar, kappen, opzouten, wegwezen.”

De storm wordt dus niet alleen pastoraal geduid, maar ook als model voor “spreken tegen demonische tegenstand”.

De afsluitende toepassing is: stormen betekenen dat je onderweg bent naar een doel; wees nieuwsgierig naar wat er “aan de overkant” komt. De prediker zegt zelfs dat een storm “leuk” kan zijn, niet omdat de pijn leuk is, maar omdat die wijst op Gods doel en overwinning.

 

Sterke kanten

Er zit een duidelijke pastorale bemoediging in de preek. De prediker wil mensen die door moeite gaan niet laten verdrinken in hun omstandigheden. Hij wijst op Jezus’ aanwezigheid in de boot, Zijn macht over wind en water, en Zijn kennis van de bestemming. Dat is op zichzelf Bijbels sterk: de discipelen zijn niet alleen, ook al lijkt Jezus te slapen.

Ook is goed dat de preek het verhaal niet losmaakt van het vervolg. Markus 4 loopt inderdaad door naar Markus 5, waar Jezus aan de overkant de bezetene bevrijdt. Dat verband is belangrijk. De storm staat niet los van Jezus’ missie. De prediker ziet terecht dat de overtocht ergens naartoe gaat: Jezus gaat niet zomaar varen; Hij gaat naar een mens in diepe nood.

Verder is het sterk dat de prediker de discipelen niet karikaturaal neerzet als dom of ongelovig. Hij benadrukt dat ze veel met Jezus hadden meegemaakt en toch in paniek raakten. Dat is herkenbaar: dichtbij Jezus zijn en toch niet werkelijk zien Wie Hij is, is een terugkerend thema in de evangeliën.

 

Bijbelvastheid

De basis van de preek is Bijbels: Markus 4:35–41 en de overgang naar Markus 5. Jezus’ macht over de schepping staat centraal. Ook de verwondering van de discipelen — “Wie is Deze toch?” — hoort bij de kern van het gedeelte. Het verhaal openbaart niet primair hoe sterk het geloof van de discipelen moet zijn, maar Wie Jezus is: Hij gebiedt wind en zee, en zij gehoorzamen Hem.

Daar zit tegelijk mijn belangrijkste bezwaar: de preek verschuift vrij snel van Christus-openbaring naar gelovigenautoriteit. In Markus 4 is het grote punt niet: “jij hebt autoriteit om je storm te bevelen.” Het grote punt is: Jezus is de Heer over de schepping. De discipelen leren niet een techniek voor geestelijke strijd, maar worden geconfronteerd met de majesteit van Christus.

De toepassing mag zijn: vertrouw Hem. Volg Hem. Wees niet ongelovig.

Maar de toepassing wordt kwetsbaar wanneer Jezus’ unieke handelen direct wordt vertaald naar: “jij mag ook zo tegen situaties of demonische machten spreken.”

 

Leerstellig probleem

Het zwaarste punt is de uitspraak dat de storm een demonische storm was. De prediker presenteert dat vrij stellig: “Het was geen gewone storm. Het was een demonische storm.”

Dat is exegetisch te sterk gesteld.

De tekst zelf zegt dat er een hevige storm kwam. De tekst zegt niet dat demonen die storm veroorzaakten. Het is waar dat Jezus de storm bestraft met woorden die ook bij demonische bevrijding voorkomen. Het is ook waar dat Markus 5 direct daarna over demonische bezetenheid gaat. Maar dat bewijst nog niet dat de storm zelf demonisch was.

Daarmee ontstaat een patroon dat je vaker in charismatische uitleg ziet: er wordt een mogelijke geestelijke lezing genomen en vervolgens als feit gebracht. Dan wordt de tekst niet alleen uitgelegd, maar ingevuld. En juist daar wordt het link.

Want als elke zware tegenwind op weg naar “bestemming” demonisch wordt genoemd, verschuift het geloofsleven naar voortdurende oorlogsduiding.

Niet elke storm is demonisch. Soms is een storm gewoon een storm. Soms is moeite gevolg van gebroken schepping, eigen zwakheid, ziekte, omstandigheden, zonde van anderen, of Gods opvoedende weg.

De Bijbel kent geestelijke strijd, maar verklaart niet elk lijden automatisch vanuit demonische tegenstand.

 

Pastorale risico’s

De uitspraak “als je een storm hebt, is dat fijn, want dat betekent dat je op weg bent naar een doel” is begrijpelijk bedoeld als bemoediging, maar kan pastoraal wringen.

Voor iemand in rouw, ziekte, psychische nood, burn-out, relationele ellende of NAH-achtige kwetsbaarheid kan dat heel zwaar vallen. Alsof elke crisis een soort bevestiging is dat er een grote bestemming aankomt. Dat klinkt hoopvol, maar het kan ook druk geven: “Ik moet blijkbaar iets groots aan de overkant gaan doen, anders heeft mijn storm geen zin.”

Bijbels gezien hoeft lijden niet altijd zo functioneel te worden gemaakt. Soms is de troost eenvoudiger en dieper: de Here is nabij. Christus bewaart. Gods genade is genoeg. Niet alles hoeft direct verklaard te worden als voorbereiding op bediening.

Ook het spreken tegen de boze in directe bevelstaal kan mensen in een kramp brengen. De prediker zegt: je moet niet overleggen met de boze, maar zeggen: “in de naam van Jezus, klaar, kappen.” Dat klinkt krachtig, maar kan een techniek worden. Dan gaat de aandacht van geloof in Christus naar het juist hanteren van geestelijke taal.

 

De rol van het getuigenis

De getuigenis vóór de preek versterkt precies dat spanningsveld. Daarin wordt gesproken over waterdoop, daarna een aparte doop met de Heilige Geest, doorbraak, gezichten, persoonlijke boodschappen, een gemeente die groeit “in de kracht van de Heilige Geest”, en de oproep om een relatie met de Heilige Geest te zoeken.

Daar zitten vrome elementen in: verlangen naar heiliging, ernst, gebed, afhankelijkheid. Maar leerstellig schuurt het. De Heilige Geest wordt sterk als afzonderlijk relationeel middelpunt neergezet. De Bijbelse bediening van de Geest is echter juist Christus verheerlijken, Christus doen kennen, Christus in herinnering brengen, het Woord toepassen, de gelovige in Christus doen wandelen.

Wanneer de getuigenis zegt dat iemand wel in Jezus gelooft, bidt, maar dat er toch “iets ontbreekt” omdat de Heilige Geest non-actief zou zijn, (?) ontstaat een tweederangs-gelovige schema: gewone gelovigen tegenover Geest-vervulde gelovigen. Dat is een bekende charismatische valkuil. Het Nieuwe Testament leert dat wie Christus toebehoort, de Geest heeft. Er is zeker vervulling, groei en heiliging nodig, maar niet als aparte geestelijke statuslaag boven het geloof in Christus.

 

Wat ik mis in de preek

Wat vooral mist, is een rustige terugkeer naar de tekst zelf.

De vraag van Jezus — waarom zijn jullie zo angstig? — gaat over geloof. Niet geloof in hun eigen autoriteit, maar geloof in Hem. De discipelen moeten leren Wie er bij hen in de boot is. De preek had sterker kunnen eindigen bij Christus Zelf: Zijn macht, Zijn rust, Zijn opdracht, Zijn trouw.

Ook had de prediker duidelijker kunnen onderscheiden tussen:

gewone natuur en demonische tegenstand,

Christus’ unieke autoriteit en de positie van gelovigen,

pastorale bemoediging en geestelijke strijdtaal,

bestemming van Christus in Markus 5 en persoonlijke “bestemming” van elke hoorder.

Nu worden die lijnen nogal snel aan elkaar geknoopt.

 

Eindoordeel

De preek heeft een warme, aansprekende en pastorale insteek. Ze wil mensen bemoedigen: Jezus is in de boot, Hij weet van de storm, Hij brengt je aan de overkant. Dat is waardevol.

Maar leerstellig is de preek kwetsbaar door drie verschuivingen:

De storm wordt stellig demonisch genoemd, zonder dat de tekst dat expliciet zegt.

Jezus’ unieke macht over wind en zee wordt toegepast als model voor persoonlijke geestelijke autoriteit.

Lijden en moeite worden sterk gekoppeld aan “bestemming”, waardoor pastorale troost kan veranderen in charismatische duiding van elke crisis.

Mijn kernzin zou zijn:

De preek wijst terecht op Jezus in de storm, maar schuift te snel van vertrouwen op Christus naar spreken in autoriteit tegen demonische tegenstand.

Scherper gezegd:

Markus 4 leert ons niet hoe wij stormen moeten commanderen, maar Wie Christus is: de Heer voor Wie zelfs wind en zee moeten zwijgen.

Voor een korte studie over dit gedeelte zie:

Jezus stilt de storm Markus 4:35–41 – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over “de zalving”?

Geen geestelijke toverolie

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

In de Bijbel is zalving geen vage geestelijke sfeer, geen “extra laag kracht” voor bijzondere christenen, en geen bewijs dat iemand onaantastbaar gezag heeft. Zalving heeft in de Schrift vooral te maken met afzondering door God, bekwaammaking door de Geest, en uiteindelijk met Christus Zelf, de Gezalfde.

Het woord Christus betekent letterlijk: Gezalfde. Dat is meteen de kern. De zalving wijst niet los van Christus, maar naar Hem.

 

Zalving in het Oude Testament

In het Oude Testament werden mensen en voorwerpen gezalfd wanneer zij voor een bijzondere dienst aan God werden afgezonderd. Denk aan priesters, koningen en soms profeten.

Aäron en zijn zonen werden gezalfd voor de priesterdienst. Saul en David werden gezalfd tot koning. De zalving was dus geen religieuze show, maar een zichtbaar teken: deze persoon wordt door God in een bepaalde bediening geplaatst.

Maar dat betekende niet automatisch dat iemand innerlijk recht stond voor God. Saul was gezalfd als koning, maar werd ongehoorzaam. De uiterlijke zalving beschermde hem niet tegen afval, hoogmoed en ongehoorzaamheid.

Dat is belangrijk. Een “gezalfde positie” is nooit een vrijbrief.

 

De Here Jezus Christus is dé Gezalfde

Alle zalvingen in het Oude Testament wijzen uiteindelijk vooruit naar de Here Jezus Christus. Hij is de ware Profeet, Priester en Koning.

In Lukas 4 past de Here Jezus Jesaja 61 op Zichzelf toe:

“De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart;” Lukas 4:18 (STV).

Ook Petrus zegt:

“Hoe God Jezus van Nazareth gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van den duivel overweldigd waren; want God was met Hem.” Handelingen 10:38 (STV).

De zalving van Christus is dus verbonden met Zijn Messiaanse zending. Hij is niet zomaar “een gezalfde”. Hij is de Gezalfde.

 

De gelovige is in Christus gezalfd

In het Nieuwe Testament wordt de zalving ook op gelovigen betrokken, maar opvallend genoeg niet als een aparte tweede ervaring waarnaar men voortdurend moet jagen. Paulus schrijft:

“Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.” 2 Korinthe 1:21-22 (STV).

Let op de samenhang:

bevestigd in Christus
gezalfd door God
verzegeld
het onderpand van de Geest ontvangen

Dat gaat niet over een select groepje onaanraakbare superchristenen. Dat gaat over wat God doet met wie in Christus is. De zalving hoort bij de positie van de gelovige in Christus en bij de gave van de Heilige Geest.

 

De zalving in 1 Johannes

De bekendste tekst is 1 Johannes 2:

“Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.” 1 Johannes 2:20 (STV).

En iets later:

“En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.” 1 Johannes 2:27 (STV).

Deze tekst wordt vaak misbruikt alsof een gelovige geen onderwijs, leraars of Bijbelstudie meer nodig zou hebben. Maar dat kan Johannes niet bedoelen, want hij is op datzelfde moment juist bezig hen te onderwijzen.

De context is waarschuwing tegen verleiders en antichristelijke leer.

Johannes zegt dus niet: “jullie hebben geen Bijbels onderwijs nodig.” Hij zegt: “jullie zijn door de Geest niet weerloos tegenover dwaalleer.” De zalving leert de gelovige Christus erkennen en in Hem blijven.

De zalving is hier dus geen mystieke tinteling, maar het werk van de Heilige Geest waardoor gelovigen de waarheid van Christus kennen en niet meegesleept hoeven te worden door misleiding.

 

Wat “de zalving” niet is

De zalving is niet een geestelijke atmosfeer die een spreker meebrengt.

De zalving is niet hetzelfde als charisma, podiumkracht, emotie, opgebouwde (muziek) spanning of kippenvel.

De zalving is niet een keurmerk waardoor een leider niet meer getoetst mag worden.

De zalving is niet iets wat je via handoplegging, conferenties, mantels, “impartation” of speciale zalvingsdiensten moet najagen.

De zalving is ook niet een soort geestelijke olie waarmee sommige mensen meer “geladen” zijn dan andere gelovigen.

Dat soort taal verschuift de aandacht gemakkelijk van Christus naar mensen. Dan krijg je uitspraken als: “Raak de gezalfde des Heeren niet aan.” Daarmee wordt kritiek op een leider soms afgeschermd. Maar in de Bijbel betekent dat niet dat een leider niet getoetst mag worden. David wilde Saul niet eigenmachtig doden, maar dat maakte Sauls ongehoorzaamheid niet heilig.

Een gezalfde positie maakt iemand niet onfeilbaar.

 

Wat de zalving wél is

Bijbels gesproken is de zalving voor de gelovige verbonden met de Heilige Geest, met Christus, met waarheid en met blijven in Hem.

Het betekent dat God de gelovige in Christus heeft geplaatst, hem verzegeld heeft met de Geest, en hem door die Geest doet delen in de kennis van Christus.

Daarom is de zalving niet los verkrijgbaar. Niet naast Christus. Niet boven de Schrift. Niet via een geestelijke elite.

De zalving brengt je niet in extase boven het Woord uit, maar houdt je juist bij Christus en bij de waarheid.

 

Wat het punt is

Veel moderne zalvingstaal draait in de praktijk om ervaring, kracht, bediening, sfeer en personen. Maar in de Bijbel draait de zalving om Christus, de Geest, waarheid, afzondering en volharding in Hem.

Wanneer iemand zegt: “Daar is veel zalving,” moet je dus niet eerst vragen: “Voelde het krachtig?” maar: werd Christus zuiver verkondigd? Werd de Schrift recht gesneden? Werd de gemeente opgebouwd in waarheid? Werd de aandacht op de Here Jezus gericht of op de mens op het podium?

Dat is de Bijbelse toets.

De Bijbel leert dat de Here Jezus Christus dé Gezalfde is. Gelovigen zijn in Hem gezalfd, verzegeld en begiftigd met de Heilige Geest. Die zalving is geen losse kracht, geen status van geestelijke beroemdheden, en geen excuus om toetsing te ontwijken. Zij houdt de gelovige bij Christus, bij de waarheid en bij het blijven in Hem.

Geverifieerd door MonsterInsights