De rode draad van de Bijbel: De zeven verbonden ontrafeld

Geen losse verzameling

De Bijbel is geen verzameling van losstaande verhalen en feiten, maar een ontvouwing van Gods Heilsplan met de mensheid. Een van de belangrijkste sleutels om deze rode draad te begrijpen, is kennis van zeven verbonden die God in de loop van de geschiedenis met mensen heeft gesloten.

In de Bijbel wordt zichtbaar hoe deze zeven verbonden de essentie vormen van de verhouding tussen God en de mens. Wie deze verbonden leert onderscheiden, ziet hoe Gods beloften zich stap voor stap ontvouwen en hoe elk verbond uiteindelijk heenwijst naar Jezus Christus.

De zeven Bijbelse verbonden
De zeven Bijbelse verbonden

Wat is een Bijbels verbond?

In Bijbelse zin is een verbond een heilig oordeel, toezegging of afspraak waarmee God Zich bindt aan de mensheid of aan een specifiek volk. Er is een onderscheid te maken tussen twee soorten verbonden:

Voorwaardelijke verbonden

Deze werken volgens het principe ”Indien gij zult… dan zal Ik..”. De zegen en de vervulling zijn afhankelijk van de gehoorzaamheid en de trouw van de mens. Het Mozaïsche Verbond bij de Sinaï is het enige voorwaardelijke verbond in de Bijbel.

Onvoorwaardelijke verbonden

Deze rusten uitsluitend op de toezegging van God, uitgedrukt in Zijn soevereine ”Ik zal”. Zelfs wanneer de mens faalt, blijft de belofte van God onveranderlijk van kracht. De overige zes verbonden dragen dit onvoorwaardelijke karakter.

De zeven Bijbelse verbonden in vogelvlucht

Het Adamitische Verbond (Genesis 3:14-19)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten direct na de zondeval in de hof van Eden.

Toen de eerste mens in gehoorzaamheid faalde en in zonde viel, maakte God de ingrijpende gevolgen voor de mensheid en de schepping bekend. Hoewel de mens onder de gevolgen van de zonde kwam te staan, legde God tegelijk de allereerste evangeliebelofte (de moederbelofte of het protoevangelie) in dit verbond vast

De belangrijkste elementen van het Adamitische verbond zijn:

De vloek over de slang: De satan wordt geoordeeld en er wordt een voortdurende vijandschap gesteld tussen zijn zaad en het Zaad van de vrouw.

De gevolgen voor de mens: Smarten bij zwangerschap en geboorte voor de vrouw, en zware, moeizame arbeid op de door de zonde vervloekte aardbodem voor de man.

Lichamelijke dood: De mens werd onderworpen aan de lichamelijke dood: “Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren”.

De Messiaanse belofte: De belofte dat het Zaad van de vrouw uiteindelijk de kop van de slang zal verbrijzelen, hoewel dit gepaard zou gaan met het lijden (de hielverbrijzeling) van de Verlosser.

Het Noachitische Verbond (Genesis 8:20-9:27)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten na de wereldwijde zondvloed, toen Noach een offer bracht op de gereinigde aarde.

Nadat de mensheid in totale verdorvenheid was vervallen en door de zondvloed werd geoordeeld, sloot God een verbond met Noach, zijn nageslacht en alle levende wezens op aarde.

De kernpunten van het Noachitische verbond zijn:

Garantie tegen een nieuwe zondvloed: God beloofde dat het menselijk ras en de aarde nooit meer door de wateren van een zondvloed zouden worden uitgeroeid. De regenboog werd gegeven als een zichtbaar teken van deze trouw.

Bestendigheid van de natuurorde: De seizoenen, zaaitijd en oogst, koude en hitte, zomer en winter zullen niet meer ophouden zolang de aarde bestaat.

Nieuwe stamvaders: De drie zonen van Noach (Sem, Cham en Jafeth) werden de stamvaders van de gehele mensheid na de zondvloed.

Instelling van de menselijke overheid: God stelde de menselijke overheid in met het recht en de plicht om het kwaad te bestraffen en de menselijke samenleving te beschermen.

Het Abrahamitische Verbond (Genesis 12:1-3; 15:1-18; 17:1-8)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten bij de roeping van Abram uit Ur der Chaldeeën en bevestigd bij het verbondsoffer in Genesis 15.

Het Abrahamitische verbond is een absoluut sleutelverbond in de heilsgeschiedenis. God riep één man uit de heidense volkerenwereld om een bijzonder volk te vormen dat in een speciale verbondsrelatie tot Hem zou staan.

Dit verbond berust op zeven goddelijke toezeggingen (“Ik zal”):

Een natuurlijk nageslacht en volk: Het ontstaan van het volk Israël uit de lendenen van Abraham, Izak en Jakob.

Eigendomsrecht op het land: De onvoorwaardelijke toewijzing van het land Kanaän aan het Zaad van Abraham tot een eeuwige bezitting.

Geestelijk nageslacht en verlossing: Het verbond bevat de belofte van een hemels nageslacht dat deelt in de rechtvaardiging door het geloof.

Goddelijke bescherming: God beloofde degenen te zegenen die Abraham zegenen, en degene te vervloeken die hem vervloekt.

Universele zegen: De belofte dat in Abrahams Zaad ” dat is Christus” alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden.

Genesis 15 schetst op indrukwekkende wijze het onvoorwaardelijke karakter: terwijl Abraham in een diepe slaap was gevallen, ging God Zelf (als een rokende oven en een vurige fakkel) tussen de offerstukken door. God bindt de vervulling uitsluitend aan Zijn eigen trouw.

Het Mozaïsche Verbond (Exodus 19-30)

Karakter: Voorwaardelijk

Context: Gesloten bij de berg Sinaï, ongeveer 2500 jaar na de schepping en 430 jaar na het verbond met Abraham.

Het Mozaïsche verbond is het enige voorwaardelijke verbond in de Schrift. God gaf de Wet aan het volk Israël nadat Hij hen uit Egypte had verlost. Het verbond functioneerde op de strakke regel: “Indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen… dan zult gij Mijn eigendom zijn”.

Het Mozaïsche verbond omvatte een drievoudige structuur:

De Geboden (Exodus 20:1-17): De zedelijke wet, neergeschreven op stenen tafelen.De Rechten** (Exodus 21:1-24:11): De burgerlijke wetten voor de ordening van de Israëlitische maatschappij.

De Inzettingen (Exodus 24:12-31:18): De godsdienstige wetten voor de tabernakel, het priesterschap en de offerdiensten.

Het doel van het Mozaïsche verbond was niet om de mens te rechtvaardigen ”uit de werken der wet wordt immers geen vlees gerechtvaardigd (Romeinen 3:20) ” maar om de zonde te openbaren, de mens zijn onvermogen te tonen en te dienen als een tuchtmeester tot Christus.

Het Diaspora-verbond / Palestijns Verbond (Deuteronomium 30:1-9)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Door Mozes aan Israël bekendgemaakt in de vlakten van Moab, vlak voor de intocht in Kanaän.

Het Diaspora-verbond (afgeleid van het Griekse woord voor verstrooiing) vult het Mozaïsche verbond aan en heeft betrekking op de toekomst van Israël in relatie tot het beloofde land.

De belangrijkste elementen van dit verbond zijn:

Voorzegging van de verstrooiing: De profetische aankondiging dat Israël wegens ontrouw uit het land zou worden verdreven en wereldwijd verstrooid.

Toekomstige bekering: De belofte dat het volk in de verstrooiing de Heere weer zou zoeken met hun hele hart.

Nationale terugkeer: De garantie dat God Zijn volk uit alle naties zal her verzamelen en hen zal terugbrengen naar het land dat hun vaderen bezaten.

Inwendige besnijdenis van het hart: God zal het hart van het volk en hun nageslacht besnijden om Hem lief te hebben, waarna de vervloekingen zullen vallen op hun vijanden.

Het Davidische Verbond (2 Samuel 7:5-29)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Gesloten met koning David toen hij het voornemen uitsprak om een tempel voor God te bouwen.

Toen David een huis voor God wilde bouwen, maakte de Heere bekend dat Hij een huis voor David zou bouwen: een koninklijk huis, een ononderbroken dynastie en een eeuwig koninkrijk.

De kernvoorwaarden van het Davidische verbond omvatten:

Een eeuwig huis (dynastie): Davids nageslacht zal nooit worden uitgeroeid.

Een eeuwige troon (gezag): Het koninklijk gezag blijft rechtmatig bij het huis van David behoren.

Een eeuwig koninkrijk: Het geografische en nationale gezagsgebied van David blijft voor eeuwig vaststaan.

Tuchtiging bij zonde: Wanneer individuele koningen uit het nageslacht van David zouden zondigen, zou God hen tuchtigen met menselijke slagen, maar Zijn goedertierenheid zou nooit van het koningshuis wijken.

Dit verbond vindt zijn volkomen en uiteindelijke vervulling in de Here Jezus Christus, de Zoon van David, Die geboren werd uit het geslacht van David en aan Wie de engel Gabriel de troon van Zijn vader David toezegde (Lukas 1:31-33).

Het Nieuwe Verbond (Jeremia 31:31-34; Hebreeën 8:6-13)

Karakter: Onvoorwaardelijk

Context: Profetisch aangekondigd door Jeremia en bekrachtigd door het offer van Jezus Christus aan het kruis van Golgotha.

Het Nieuwe Verbond is het sluitstuk en de kroon op Gods verbondswerk. Het is gefundeerd op het volbrachte werk en het bloed van Christus (Matth. 26:28).

De kenmerken van het nieuwe Verbond zijn:

Beloofd aan Israël en Juda: Profetisch is het Nieuwe Verbond toegezegd aan het herenigde Huis van Israël (10 stammen) en Huis van Juda (2 stammen).

Vernieuwing van het binnenste: De wet wordt niet meer op stenen tafelen geschreven, maar door de Heilige Geest in het hart en het binnenste van de gelovige gegeven.

Volkomen vergeving: De zonden en ongerechtigheden worden nooit meer gedacht.

Intieme kennis van God: Allen zullen de Heere kennen, van de kleinste tot de grootste.

Hoewel het Nieuwe Verbond in profetisch opzicht zijn nationale vervulling gaat krijgen bij de bekering van Israël, hebben gelovigen in de huidige genadetijd (de Gemeente) nu al volkomen deel aan de geestelijke zegeningen van dit verbond.

Tabel van de Zeven Verbonden ( link hiervoor heb je Excel nodig)

Christus als het Middelpunt en de Vervulling van alle verbonden

Het meest indrukwekkende gegeven van de Bijbelse verbonden leer is dat de zeven verbonden niet op zichzelf staan, maar allemaal samenkomen in de Persoon en het werk van Jezus Christus.

Christus is de unieke Schakel en Vervuller van elk afzonderlijk verbond:

In het Adamitische Verbond: Hij is het beloofde “Zaad van de vrouw* dat de kop van de satan heeft verbrijzeld aan het kruis.

In het Noachitische Verbond: Als mens kwam Hij onder de levensvoorwaarden van het menselijk geslacht op aarde.

In het Abrahamitische Verbond: Hij is het unieke *”Zaad van Abraham”* (Galaten 3:16) aan Wie al de beloften zijn toegezegd en door Wie de heidenen gezegend worden.

In het Mozaïsche Verbond: Hij heeft de Wet volkomen vervuld en droeg de vloek van de Wet aan het kruis om ons van de vloek te verlossen (Galaten 3:13).

In het Diaspora-verbond: Hij is de Goede Herder Die Zijn verstrooide schapen zal terugbrengen en verzamelen in het land der belofte.

In het Davidische Verbond: Hij is de Erfgenaam, de koninklijke Zoon van David Die in de toekomst zal heersen op de troon van David in Jeruzalem.

In het Nieuwe Verbond: Hij is de Borg, Middelaar en de grote Hogepriester Die het Nieuwe Verbond heeft bekrachtigd met Zijn eigen dierbaar bloed.

Conclusie: Een onwankelbaar fundament van Gods trouw

Studie van de zeven verbonden laat zien dat God een God van orde, trouw en onveranderlijke beloften is. Waar de mens onder elke omstandigheid faalt vanaf de hof van Eden tot onder de Wet van Sinaï blijft God trouw aan Zijn verbondsbeloften.

Voor de gelovige in onze tijd bieden de verbonden een diepe rust. Omdat ons behoud en onze gemeenschap met God verankerd liggen in het Nieuwe Verbond en het volbrachte werk van Jezus Christus, rust ons geloof niet op onze eigen wankele prestaties, maar op het onwankelbare “Ik zal” van een getrouw God.

De zwijgteksten van Paulus: mogen vrouwen spreken in de Gemeente?

Gods Woord gehoorzamen of passend maken bij onze tijd?

Er zijn Bijbelteksten waarbij ongeveer niemand zegt:

 “Dat gold alleen voor de eerste eeuw.”

Maar zodra een tekst botst met moderne opvattingen over man, vrouw, gezag en leiderschap, verschijnt opvallend snel het bekende:

“Ja, maar…”

Dat gebeurt misschien wel nergens zo duidelijk als bij de zogenoemde zwijgteksten van Paulus.

“Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.” (1 Korinthe 14:34-35, STV)

En:

“Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.” (1 Timotheüs 2:11-12, STV)

Dat klinkt voor ons niet echt eigentijds….

En misschien ligt daar wel de echte beproeving van onze opvattingen over Schriftgezag.

Geloven we dat de Bijbel Gods Woord is zolang hij zegt wat wij toch al acceptabel vonden? Of mag Gods Woord ook onze moderne overtuigingen corrigeren?

Maar er is tegelijkertijd een waarschuwing nodig voor de andere kant. Want ook een traditionele uitleg kan meer in een tekst leggen dan er werkelijk staat.

De vraag is dus niet:

wat wil links of rechts hiervan maken?

De vraag is:

Wat staat er echt?

 

vrouwen zwijgen in de gemeente?
De zwijgteksten van Paulus

Wat betekent “zwijgen” in 1 Korinthe 14?

Als Korinthe 14:34 geïsoleerd geciteerd wordt, lijkt de conclusie eenvoudig: vrouwen moeten tijdens de gemeentelijke samenkomst hun klep houden.

Maar zo eenvoudig ligt het niet.

Een paar hoofdstukken eerder schrijft Paulus namelijk:

“Maar een iedere vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd…” (1 Korinthe 11:5, STV)

Wat we verder ook van de hoofdbedekking en het profeteren vinden, één ding kunnen we moeilijk ontkennen: Paulus spreekt over vrouwen die bidden en profeteren.

Daarmee wordt een uitleg van absoluut “zwijgen” problematisch.

Als Paulus in hoofdstuk 11 rekening houdt met een vrouw die bidt of profeteert, kan hij in hoofdstuk 14 moeilijk bedoelen dat een vrouw onder geen enkele omstandigheid één woord hoorbaar zou mogen uitspreken.

We moeten dus naar de context.

 

Paulus laat meer mensen zwijgen

En hier wordt het interessant.

Het woord “zwijgen” wordt in 1 Korinthe 14 namelijk helemaal niet uitsluitend voor vrouwen gebruikt.

Over iemand die in een vreemde taal spreekt terwijl er geen uitlegger aanwezig is, schrijft Paulus:

“Maar zo er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God.” (1 Korinthe 14:28, STV)

Even later gaat het over profeten:

“Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.” (1 Korinthe 14:30, STV)

En daarna pas:

“Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen…” (1 Korinthe 14:34, STV)

Dat plaatst de zwijgtekst ineens in een veel duidelijker kader.

De spreker in een vreemde taal moet onder bepaalde omstandigheden zwijgen.

Een profeet moet onder bepaalde omstandigheden zwijgen.

En vrouwen wordt binnen diezelfde geordende samenkomst eveneens opgedragen te zwijgen.

“Zwijgen” betekent in dit hoofdstuk dus niet automatisch: de betreffende persoon mag tijdens een samenkomst nooit enig woord uitspreken.

Het gaat over orde.

 

God is geen God van verwarring

Dat is de hele context van 1 Korinthe 14.

Paulus behandelt een samenkomst waarin gesproken, geprofeteerd en in talen gesproken wordt. Maar geestelijke activiteit is geen vrijbrief voor chaos.

Hij schrijft:

“Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.” (1 Korinthe 14:33, STV)

En het hoofdstuk eindigt met:

“Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.” (1 Korinthe 14:40, STV)

Daar moeten we de zwijgteksten dus in plaatsen.

Het probleem wordt niet opgelost door eenvoudig te zeggen:

“Vrouwen mogen nooit spreken.”

Maar evenmin door te zeggen:

“Dat was toen en heeft ons niets meer te zeggen.”

Beide reacties zijn te kort door de bocht

1 Timotheüs 2 maakt het moeilijker om weg te redeneren

Wie vervolgens 1 Timotheüs 2 leest, ontdekt dat Paulus nog specifieker wordt.

“Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.” (1 Timotheüs 2:12, STV)

Nu gaat het niet maar over spreken.

Paulus noemt leren en over de man heersen.

Dat maakt het moeilijk om de zwijgteksten uitsluitend te verklaren vanuit wanorde tijdens de samenkomsten in Korinthe.

Maar dan gebeurt iets wat voor de hedendaagse discussie nog belangrijker is.

Paulus vertelt namelijk zelf waarom hij deze orde geeft.

 

Paulus beroept zich niet op de cultuur maar op de schepping

Direct na zijn woorden over leren en gezag schrijft Paulus:

“Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.” (1 Timotheüs 2:13, STV)

En vervolgens:

“En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.” (1 Timotheüs 2:14, STV)

Dat maakt het populaire argument dat Paulus uitsluitend rekening hield met de cultuur van zijn tijd behoorlijk lastig.

Paulus schrijft niet:

“Want zo hoort dat in onze cultuur.”

Hij schrijft niet:

“Want vrouwen hebben in Efeze onvoldoende onderwijs genoten.”

Hij schrijft niet:

“Want de maatschappelijke verhoudingen laten op dit moment niets anders toe.”

Hij gaat terug naar Adam en Eva.

Naar Genesis.

Naar de schepping.

Je kunt natuurlijk proberen aannemelijk te maken dat bijzondere omstandigheden in Efeze een rol speelden. Maar je kunt vervolgens niet doen alsof Paulus zelf zijn argument daarop baseert.

Dat doet hij niet.

En daar begint het bekende

“Ja, maar…”

gevaarlijk te worden.

 

Wie bepaalt eigenlijk wat cultureel bepaald is?

Want waar eindigt dat argument?

Wanneer een Bijbelse opdracht die ons niet bevalt cultureel bepaald wordt genoemd, moeten we een objectief criterium hebben waarmee we dat kunnen aantonen.

Anders wordt “cultureel bepaald” slechts een keurige kerkelijke uitdrukking voor:

“Wij vinden dit tegenwoordig niet meer acceptabel.”

En dan hebben we een levensgroot probleem.

Want dan bepaalt de cultuur dus welke gedeelten van de Bijbel nog gezag hebben.

Niet de Schrift beoordeelt onze cultuur.

Onze cultuur beoordeelt de Schrift.

Dat is precies de verkeerde volgorde.

 

Gelijkheid betekent niet dat iedere functie identiek is

Een ander veelgehoord argument is dat man en vrouw in Christus gelijk zijn.

Dat is waar.

Paulus schrijft:

“Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28, STV)

Maar wat bewijst deze tekst?

Dat alle gelovigen dezelfde positie in Christus hebben.

Niet dat alle onderlinge verschillen in verantwoordelijkheid, roeping en functie opgeheven zijn.

De Jood houdt na zijn bekering immers niet op een Jood te zijn en de Griek houdt niet op een Griek te zijn. Een man houdt evenmin op man te zijn en een vrouw houdt niet op vrouw te zijn.

Gelijke waarde is niet hetzelfde als identieke functie.

Dat onderscheid zijn we in onze tijd grotendeels verleerd.

We denken al snel dat verschil automatisch ongelijkheid betekent en dat gezag automatisch onderdrukking inhoudt.

Maar dat is geen Bijbels uitgangspunt.

 

Onderdanigheid betekent geen minderwaardigheid

Dat wordt nog duidelijker in 1 Korinthe 11:

“Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.” (1 Korinthe 11:3, STV)

Als onderdanigheid noodzakelijk minderwaardigheid betekent, krijgen we hier onmiddellijk een enorm leerstellig probleem.

Paulus noemt immers ook God het Hoofd van Christus.

Orde betekent dus niet dat degene die zich onderwerpt minder waard is.

En gezag betekent Bijbels evenmin dat degene aan wie verantwoordelijkheid gegeven wordt belangrijker is.

En daar heeft menselijke hoogmoed veel schade veroorzaakt.

De Bijbelse orde is geen vrijbrief voor mannen om over vrouwen te heersen alsof zij geestelijk tweederangs zijn.

Maar misbruik van een Bijbelse waarheid maakt die waarheid nog niet onwaar.

 

De zwijgteksten gaan niet over de waarde van vrouwen

Dat moeten we nadrukkelijk vaststellen.

Nergens leert Paulus dat een vrouw geestelijk minderwaardig zou zijn.

Integendeel, het Nieuwe Testament kent tal van vrouwen die actief betrokken zijn bij het werk van het Evangelie.

Het probleem ontstaat wanneer we vanuit hun belangrijke plaats vervolgens concluderen dat iedere functie daarom voor iedereen identiek moet zijn.

Die conclusie volgt niet automatisch.

De vraag bij 1 Timotheüs 2 is niet of vrouwen bekwaam, intelligent, geestelijk volwassen of waardevol kunnen zijn.

De vraag is wat Paulus leert over orde, leren en gezag binnen de Gemeente.

Dat zijn verschillende vragen.

Wie ze door elkaar haalt, krijgt onvermijdelijk verwarring.

 

En wat betekent dit voor vrouwelijke voorgangers?

Hier wordt het wel spannend.

Want 1 Timotheüs 2 staat niet ergens geïsoleerd.

Onmiddellijk daarna behandelt Paulus in 1 Timotheüs 3 het opzienerschap:

“Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.” (1 Timotheüs 3:1, STV)

En vervolgens:

“Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man…” (1 Timotheüs 3:2, STV)

Dat volgt direct op het gedeelte waarin Paulus grenzen stelt aan het leren en gezag uitoefenen over de man.

Die samenhang mogen we niet negeren.

Wanneer tegenwoordig wordt beweerd dat het geslacht van een voorganger of opziener principieel geen enkele rol meer kan spelen, moeten we daarom niet allereerst vragen of dat maatschappelijk wenselijk is.

We moeten vragen:

Hoe wordt die conclusie uit deze teksten afgeleid?

Dat is dus een andere vraag.

 

Maar dan moeten traditionele christenen óók consequent zijn

Nu komt de andere kant.

Want het is makkelijk om 1 Timotheüs 2:12 als een hamer te gebruiken en vervolgens 1 Korinthe 11:5 zorgvuldig te vergeten.

Dat mag evenmin.

Paulus spreekt daar daadwerkelijk over een vrouw die bidt of profeteert.

Wie dus beweert:

“Een vrouw mag tijdens een samenkomst onder geen enkele omstandigheid hoorbaar spreken”,

moet óók uitleggen waarom Paulus enkele hoofdstukken eerder spreekt over een vrouw die bidt en profeteert.

We mogen niet tegen moderne christenen zeggen dat zij moeilijke teksten moeten laten staan, terwijl we vervolgens zelf een tekst die niet in ons traditionele systeem past stilletjes overslaan.

Ook conservatisme kent zijn “Ja, maar…”

Dat is misschien minder populair om te zeggen, maar het is wel eerlijk.

 

Schriftgezag werkt naar twee kanten

Daarom moeten we deze discussie niet voeren als een wedstrijd tussen progressief en conservatief.

De Bijbel behoort aan geen van beide kampen.

De echte en belangrijke vraag is:

Mag de Schrift ons allemaal corrigeren?

De moderne lezer moet bereid zijn te erkennen dat Paulus zijn onderwijs over man en vrouw niet eenvoudig opzij laat zetten door onze huidige culturele opvattingen.

De traditionele lezer moet bereid zijn te erkennen dat “zwijgen” niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan een absoluut verbod voor iedere vrouw om tijdens iedere samenkomst iets te zeggen.

We moeten alle Schriftgegevens laten staan.

Ook wanneer dat ons eigen systeem minder overzichtelijk maakt.

 

Misschien leggen we wel de verkeerde persoon het zwijgen op

En daar zit een wrange ironie in de hele discussie over de zwijgteksten.

Aan de ene kant worden deze teksten soms gebruikt om vrouwen veel meer beperkingen op te leggen dan de tekst werkelijk zegt.

Aan de andere kant worden de teksten zo cultureel gerelativeerd dat Paulus uiteindelijk zelf niets meer mag zeggen.

De ene kant laat de vrouw zwijgen waar Paulus dat niet noodzakelijk doet.

De andere kant laat Paulus zwijgen waar hij juist heel duidelijk spreekt.

Beide zijn problematisch.

Want uiteindelijk heeft niet onze cultuur het laatste woord.

Ook onze kerkelijke traditie niet.

En onze persoonlijke voorkeur evenmin.

 

Het gevaarlijke “Ja, maar…” keert terug

Daarmee zijn we terug bij de kern.

“Ja, Paulus zegt dat wel, maar…”

“Ja, 1 Timotheüs 2 staat er wel, maar…”

“Ja, Paulus verwijst naar Adam en Eva, maar…”

We moeten ontzettend voorzichtig worden wanneer onze uitleg voornamelijk bestaat uit argumenten waarom een Bijbeltekst niet kan of mag betekenen wat er kennelijk staat.

Soms is uitleg noodzakelijk.

Context is noodzakelijk.

Taalstudie kan noodzakelijk zijn.

Schrift met Schrift vergelijken is noodzakelijk.

Maar uitleg behoort duidelijk te maken wat de Schrift zegt, niet hoe wij eraan kunnen ontsnappen.

Dat verschil is beslissend.

 

De Bijbel hoeft niet met onze tijd mee te gaan

De zwijgteksten zijn veel meer dan een discussie over de positie van vrouwen in de Gemeente.

Ze stellen uiteindelijk een diepere vraag:

Wie heeft het hoogste gezag?

Onze cultuur?

Onze denominatie?

Onze persoonlijke ervaring?

Onze ideeën over gelijkheid?

Onze kerkelijke traditie?

Of het Woord van God?

Paulus sluit zijn behandeling van de orde in de samenkomst opvallend scherp af:

“Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.” (1 Korinthe 14:37, STV)

Dat vers verdient in deze discussie misschien wel veel meer aandacht dan het gewoonlijk krijgt.

Paulus zegt niet: dit zijn mijn persoonlijke voorkeuren als eerste-eeuwse Jood.

Hij beroept zich op het gezag des Heeren.

Daarom moeten we zorgvuldig uitleggen.

We moeten de context onderzoeken.

We moeten Schrift met Schrift vergelijken.

We moeten verkeerde toepassingen corrigeren.

Maar één ding niet:

Gods Woord passend maken bij onze tijd omdat onze tijd moeite heeft met Gods Woord.

Misschien is dat uiteindelijk wel de grootste ironie van de hele discussie over de zwijgteksten:

In onze poging te bepalen wanneer de vrouw moet zwijgen, moeten we ervoor oppassen dat we niet uiteindelijk Gods Woord Zelf het zwijgen opleggen.

 

Geverifieerd door MonsterInsights