Wij leven in de laatste dagen

De laatste dagen, niet zoals velen denken

De vraag duikt telkens weer op wanneer de wereld onrustig wordt, en er weer reuring is: leven wij in de laatste dagen?
Voor velen betekent die vraag vooral: staat het einde van de wereld voor de deur?

Maar wie de Schrift zorgvuldig leest, ontdekt dat de Bijbel daar heel anders over spreekt.

De “laatste dagen” zijn volgens het Nieuwe Testament niet iets dat pas vlak voor het einde begint. Ze zijn al lang geleden begonnen.

De laatste dagen begonnen bij de opstanding van Christus

Op de Pinksterdag citeert Petrus de profeet Joël en zegt:

“En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees.”
(Handelingen 2:17, STV)

Voor Petrus was dat geen verre toekomst. Hij zegt juist: dit is wat nu gebeurt.

De uitstorting van de Geest op Pinksteren markeert dus het begin van die laatste dagen. De apostelen zagen hun eigen tijd al als die periode.

Ook Hebreeën bevestigt dat:

“God, voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon.”
(Hebreeën 1:1–2, STV)

De komst, dood en opstanding van Christus markeren het begin van de nieuwtestamentische tijd.

Sindsdien leven wij in wat de Schrift “de laatste dagen” noemt.

Kenmerken van de laatste dagen

De apostelen beschrijven de geestelijke toestand van die tijd opvallend scherp.

Paulus schrijft:

“En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf, geldgierig, laatdunkend, hoogmoedig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig.”
(2 Timotheüs 3:1–2, STV)

Het gaat hier niet alleen over moreel verval in de wereld, maar ook over religieuze schijn.

Even verder staat:

“Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben.”
(2 Timotheüs 3:5, STV)

Religie zonder waarheid. Vroomheid zonder kracht. Dat is volgens Paulus een kenmerk van deze tijd.

Afval en misleiding

Een ander duidelijk kenmerk van de laatste dagen is afval van het geloof.

Paulus schrijft:

“Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leringen der duivelen.”
(1 Timotheüs 4:1, STV)

Let op: het gevaar komt niet alleen van buiten.

Het ontstaat vaak binnen het christendom zelf.

Petrus waarschuwt bovendien voor spotters:

“Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen.”
(2 Petrus 3:3, STV)

Zij stellen de vraag die vandaag nog steeds klinkt:

Waar blijft Zijn wederkomst?

De antichrist: niet alleen een toekomstige figuur

Veel christenen denken bij de antichrist meteen aan één toekomstige wereldleider.

Maar Johannes zegt iets opvallends:

“Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden.”
(1 Johannes 2:18, STV)

Volgens Johannes waren er in zijn tijd al vele antichristen.

Wie zijn dat?

Hij legt het zelf uit:

“Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.”
(1 Johannes 2:22, STV)

Het woord antichrist betekent niet alleen tegen Christus, maar ook in plaats van Christus.

Iedereen die zich tussen Christus en de gelovige plaatst — geestelijk, religieus of organisatorisch — treedt feitelijk in Zijn plaats.

Het gevaar van religieuze systemen

Paulus waarschuwde de ouderlingen van Efeze:

“Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.”
(Handelingen 20:29–30, STV)

Let op waar het gevaar vandaan komt:

uit het midden van de gemeente zelf

Mensen die volgelingen achter zich willen trekken.

Dat is precies hoe religieuze machtsstructuren ontstaan.

Christendom is geen religie

Veel mensen spreken over het christendom als een religie.

Maar het Nieuwe Testament beschrijft iets totaal anders.

Paulus schrijft:

“Want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”
(Romeinen 6:14, STV)

Christelijk geloof draait niet om religieuze systemen, regels of kerkelijke macht.

Het draait om een levende relatie met Christus.

Hij alleen is het Hoofd van de gemeente.

“En Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen.”
(Efeze 1:22, STV)

Niet een kerk.
Niet een organisatie.
Niet een menselijke leider.

Christus alleen

De ware strijd van de laatste dagen

De grootste geestelijke strijd van deze tijd is daarom niet alleen moreel verval of wereldse zonde.

De grootste strijd is deze:

blijft Christus werkelijk centraal?

Of schuift er langzaam iets tussen:

  • religieuze systemen
  • geestelijke leiders
  • tradities
  • menselijke autoriteit

Alles wat tussen Christus en de gelovige komt, ondermijnt uiteindelijk het evangelie.

De enige veilige plaats

De Bijbel wijst steeds weer terug naar één fundament:

het Woord van God.

En naar één Persoon:

Jezus Christus.

Paulus schrijft:

“Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?”
(Romeinen 8:35, STV)

Het antwoord is duidelijk:

Niemand

Wie in Hem gelooft staat in vrijheid, Genade en zekerheid.

Niet door religie.

Maar door Christus alleen.

Já. wij leven in de laatste dagen.

Maar dat is al zo sinds de opstanding van Christus.

De echte vraag is daarom niet hoe lang het nog duurt, maar:

Blijven we vasthouden aan Christus en Zijn Woord,
of laten we ons verleiden door alles wat zich in Zijn plaats wil stellen?

Dáár ligt de ware strijd van de laatste dagen.

De Statenvertaling verdient waardering, géén absolutisme

Wanneer een vertaling heilig wordt verklaard.

1637 is géén Sinaï

Directe aanleiding voor dit artikel is de recente ophef in Reformatorische hoek. Verdeeldheid heet het, met zoveel woorden; straks 4 versies in omloop en wat dan??

In deze kringen wordt de Statenvertaling behandeld alsof deze zelf bijna een heilige status heeft. Alsof 1637 het eindpunt van Gods voorzienigheid in de geschiedenis van de Bijbeltekst zou zijn. Alsof wie een andere vertaling gebruikt zich op glad ijs begeeft. Dat klinkt vroom, maar het is historisch niet vol te houden. De Statenvertaling is een monument van geloof en taal, maar zij rust voor het Nieuwe Testament op de Textus Receptus van Desiderus Erasmus, een teksteditie uit de zestiende eeuw gebaseerd op een beperkt aantal relatief late manuscripten. Wie dat eerlijke historische feit niet wil onder ogen zien, verdedigt uiteindelijk niet de Schrift, maar een traditie.

De Statenvertaling is een monument in de geschiedenis van de kerk in Nederland. Generaties gelovigen hebben door deze vertaling de Schrift leren kennen. Haar taal heeft het geloofsleven gevormd, preken gedragen en het geestelijk vocabulaire van eeuwen bepaald. Daar mag met recht dankbaarheid voor zijn.

Laat dat eerst duidelijk zijn. De Statenvertaling behoort tot de grootste prestaties uit de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme. Zij werd gemaakt door bekwame geleerden, zorgvuldig vertaald uit de grondtalen en met grote eerbied voor het Woord van God.

Daarom is waardering voor deze vertaling volkomen terecht.

Maar waardering is iets anders dan verabsolutering. En juist daarom is het zorgelijk dat de Statenvertaling in sommige kringen niet meer alleen wordt gewaardeerd, maar verabsoluteerd. Wat begon als liefde voor een vertaling, is hier en daar veranderd in een vorm van exclusivisme die historisch en inhoudelijk niet houdbaar is.
En dat probleem beperkt zich allang niet meer tot bepaalde reformatorische kerkverbanden.

De Statenvertaling is geen vierde taal van de openbaring

De Bijbel is door God gegeven in:

  • Hebreeuws

  • Aramees

  • Grieks

Niet in Nederlands.

De Statenvertaling is dus geen geïnspireerde tekst, maar een vertaling van de geïnspireerde tekst. Een zeer zorgvuldige vertaling, maar nog steeds een vertaling.

Wie doet alsof de Statenvertaling zelf een bijzondere, bijna onaantastbare status heeft gekregen, schrijft ongemerkt iets toe aan een vertaling wat alleen aan de Schrift zelf toekomt.

Wanneer een vertaling bijna vereerd wordt, dreigt de geschiedenis van de Bijbeltekst uit beeld te verdwijnen. De Statenvertaling is een monument van geloof en taal, maar rust op de Textus Receptus-traditie van Desiderus Erasmus, niet op de oudste manuscripten die we vandaag kennen. Liefde voor de Statenvertaling is terecht; absolutisme is dat niet.

De exclusiviteitsclaim

In verschillende kringen hoort men tegenwoordig stellige uitspraken zoals:
alleen de Statenvertaling is betrouwbaar
andere vertalingen zijn verdacht of onbetrouwbaar
God heeft Zijn Woord in het bijzonder in de Statenvertaling bewaard.
Dat klinkt vroom en principieel. Maar historisch klopt het eenvoudig niet.
De Statenvertaling is een vertaling uit 1637. Zij is gebaseerd op de tekstuitgaven die destijds beschikbaar waren, en voor het Nieuwe Testament vooral op de Textus Receptus, de Griekse teksttraditie die in de zestiende eeuw door onder anderen Erasmus werd samengesteld.
Dat betekent dat de Statenvertaling niet gebaseerd is op de oudste manuscripten die wij tegenwoordig kennen. Die manuscripten waren in de tijd van de Statenvertalers eenvoudig nog niet ontdekt.
Dat is geen kritiek op de Statenvertalers. Het is simpelweg een historisch feit.

Erasmus was geen onfeilbare teksteditor

De Textus Receptus is ontstaan in een concrete historische situatie. Erasmus had slechts een beperkt aantal relatief late handschriften tot zijn beschikking. In sommige gevallen moest hij zelfs improviseren.
Zo ontbrak in zijn manuscript een deel van het boek Openbaring, waardoor hij het ontbrekende gedeelte vanuit het Latijn weer terug naar het Grieks vertaalde. Dat soort details laten zien dat de Textus Receptus een historisch gegroeide teksteditie is, geen wonderbaarlijk onaantastbare standaardtekst.
Wie dus doet alsof de Statenvertaling rechtstreeks rust op de perfecte en oudste tekst, vertelt een verhaal dat historisch niet klopt.

De Statenvertalers zelf waren nuchter

Het is opvallend dat sommige hedendaagse verdedigers van de Statenvertaling stelliger zijn dan de Statenvertalers zelf ooit waren. De vertalers wisten heel goed dat zij vertaalden. Zij wisten ook dat taal verandert en dat revisie soms nodig kan zijn.
Zij zagen hun werk niet als een onaantastbare eindstap in de geschiedenis van de Bijbelvertaling.
Dat latere generaties hun vertaling soms behandelen alsof zij zelf een soort canonieke status heeft gekregen, zou hen waarschijnlijk verbazen.

Fanatisme, ook buiten de reformatorische gezindte

Opvallend genoeg beperkt dit verschijnsel zich niet tot de traditionele reformatorische kerken.
Ook daarbuiten bestaan bewegingen die een bijna absolute status aan de Statenvertaling toekennen. Op websites zoals sv1637.org wordt de indruk gewekt dat de Statenvertaling de enige betrouwbare Bijbel zou zijn.
Dergelijke claims gaan nog een stap verder dan wat in veel kerkelijke kringen wordt gezegd. Daar wordt soms de suggestie gewekt dat andere vertalingen principieel onbetrouwbaar zijn, of zelfs dat moderne tekstkritiek een bedreiging vormt voor het Woord van God.
Het probleem met dit soort redeneringen is dat zij niet alleen historisch zwak zijn, maar ook geestelijk contraproductief.

Wanneer verdediging omslaat in schade

Wie de Statenvertaling verdedigt met overdreven claims, bereikt uiteindelijk het tegenovergestelde van wat men bedoelt.
Wanneer men beweert dat alleen één specifieke vertaling betrouwbaar is, terwijl aantoonbaar is dat deze vertaling gebaseerd is op een beperkte tekstbasis uit de zestiende eeuw, dan ondermijnt men juist de geloofwaardigheid van het eigen standpunt.
Dan ontstaat de indruk dat men niet werkelijk geïnteresseerd is in de geschiedenis van de tekst, maar vooral in het verdedigen van een traditie.
Dat is niet alleen contraproductief, het kan zelfs schadelijk zijn. Vooral voor jonge mensen die later ontdekken dat de werkelijkheid ingewikkelder ligt dan hun was verteld. Dan kan het vertrouwen in het geheel onder druk komen te staan.

De Bijbel zelf wijst op verstaanbaarheid

De Schrift zelf benadrukt steeds het belang van verstaanbaarheid.

“En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en zij gaven de zin, en deden verstaan in het lezen.”
(Nehemia 8:9 STV)

Dat is een belangrijke correctie. Het doel van de Schrift is niet dat zij bewonderd wordt als een historisch monument, maar dat zij begrepen wordt.
De Statenvertalers zelf hebben dat ook zo bedoeld.

Het echte gezag

Het gezag ligt uiteindelijk niet in een specifieke vertaling, maar in het Woord van God zelf. Dat Woord is gegeven in Hebreeuws, Aramees en Grieks. Vertalingen proberen dat Woord zo betrouwbaar mogelijk weer te geven.
Sommige vertalingen doen dat beter dan andere, maar geen enkele vertaling heeft een exclusief monopolie op Gods stem.

De Statenvertaling verdient respect, waardering en blijvend gebruik. Zij heeft eeuwenlang een centrale rol gespeeld in het geestelijk leven van Nederland.

Maar zodra een vertaling tot een onaantastbare norm wordt verheven, ontstaat een probleem. Dan verschuift het gezag van het Woord van God naar een historische vertaling.
En dat is precies het punt waar liefde voor de Statenvertaling kan omslaan in iets dat zij nooit bedoeld was te zijn: een mythe.

 

 

 

is de statenvertaling de enige juiste bijbel
waar komt de textus receptus vandaan
welke manuscripten gebruikte erasmus
waarom discussie over de statenvertaling
wat is het verschil tussen sv en hsv
zijn moderne bijbelvertalingen betrouwbaar
wat is de oudste bijbeltekst
hoe is de bijbeltekst overgeleverd

De Bijbelse doop en het beroep op ‘het verbond’

De doop een teken van ‘het verbond’?

Directe aanleiding voor dit artikel is een gesprek tussen een professor en een dominee in het reformatorisch dagblad. Ik heb zelden zulk vaag (hoe goedbedoeld wellicht ook) en buitenbijbels geleuter gelezen over de doop. Als je het kerkelijke kader weglaat, en geen idee hebt van de kerkelijk ‘verbondstheologie’, kom je nooit tot zulke wonderlijke conclusies.

Mijn moeder werd ooit verzocht te vertrekken uit de kerk, omdat ze het verlangen had op grond van de Bijbel en haar geloof gedoopt te worden.

“Dat doen wij hier niet zo”, sprak dominee. Of ze maar wilde vertrekken.

Wanneer de kinderdoop ter sprake komt, wordt vrijwel altijd één argument naar voren gebracht: ‘het verbond’

Men zegt dan dat de kinderen van gelovigen net zoals in het Oude Testament bij ‘het verbond’ horen. Zoals  Jakob (Israël) zijn kinderen besneed, zo zou de kerk haar kinderen moeten dopen. De doop zou dan het nieuwe verbondsteken zijn, in plaats van de besnijdenis.

Op het eerste gezicht klinkt dat aannemelijk. Maar wanneer we de Schrift erop onderzoeken , blijkt dat deze redenering meerdere fundamentele problemen heeft.

De vraag is uiteindelijk niet: wat leert de traditie van de kerk?

De vraag is: wat leert de Schrift?

De Bijbelse volgorde: eerst geloof, daarna doop

In het Nieuwe Testament zien we steeds dezelfde volgorde.

De Heere Jezus zegt:

“Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.” (Mattheüs 28:19 STV)

Eerst worden mensen onderwezen. Zij horen het evangelie. Zij komen tot geloof. Daarna volgt de doop.

Ook Markus bevestigt dat patroon:

“Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.” (Markus 16:16 STV)

Het ongeloof wordt veroordeeld, niet het ontbreken van de doop. Dat laat zien dat de doop niet de oorzaak van redding is, maar het gevolg van geloof.

In het boek Handelingen zien we precies dezelfde praktijk. Op de Pinksterdag roept Petrus het volk op:

“Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.” (Handelingen 2:38 STV)

De volgorde blijft:

bekering → doop.

Bij de Ethiopische kamerling lezen we hetzelfde:

“En terwijl zij over den weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Zie, daar is water; wat verhindert mij gedoopt te worden?” (Handelingen 8:36 STV)

Filippus antwoordt:

“Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd.” (Handelingen 8:37 STV)

De voorwaarde voor de doop is dus persoonlijk geloof. Dat alleen al maakt duidelijk dat de Bijbelse doop géén kinderdoop kan zijn.

Besnijdenis en doop zijn niet hetzelfde

Het beroep op ‘het verbond’ gaat meestal via een vergelijking met de besnijdenis. Maar de Schrift stelt nergens dat de doop de plaats van de besnijdenis heeft ingenomen.

De besnijdenis was het teken van het verbond dat God met Abraham sloot:

“Dit is Mijn verbond, dat gij houden zult tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.” (Genesis 17:10 STV)

Dit teken hoorde bij:

het fysieke nageslacht van Abraham
het nationale volk Israël
een verbond dat via geboorte werd doorgegeven.

De doop heeft echter een heel andere betekenis. Paulus verbindt de doop met de dood en opstanding van Christus:

“Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.” (Romeinen 6:4 STV)

De doop is dus geen etnisch verbondsteken, maar een getuigenis van geloof in Christus.

Het Nieuwe Verbond werkt anders

Nog belangrijker is dat het Nieuwe Verbond zelf in wezen anders functioneert dan het Oude.

Jeremia profeteert over dit nieuwe verbond:

“En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent den HEERE; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE.” (Jeremia 31:34 STV)

In het Oude Verbond zat men door geboorte in het verbond.

In het Nieuwe Verbond kennen alle leden van het verbond de Heere persoonlijk.

Dat maakt het idee van een automatisch verbondslidmaatschap door geboorte onmogelijk.

Johannes de Doper doorbreekt het verbondsdenken

Johannes de Doper ging zelfs rechtstreeks in tegen het idee dat afstamming iemand in Gods volk plaatst.

Hij zei:

“En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.” (Mattheüs 3:9 STV)

Afkomst redt niemand.

Bekering wel.

Dáárom riep Johannes op tot bekering en doop.

De gemeente ontstaat niet door geboorte

Het Nieuwe Testament leert dat iemand alleen door geloof deel krijgt aan het volk van God.

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” (Johannes 1:12 STV)

Niet geboorte, maar geloof maakt iemand tot een kind van God.

Daarom ontstaat de gemeente niet door natuurlijke afstamming, maar door wedergeboorte.

Wanneer we alle teksten naast elkaar leggen, ontstaat een helder beeld.

Mensen horen het evangelie.
Zij komen tot geloof.
Zij laten zich dopen.

De doop is geen toegang tot het verbond, maar een getuigenis van geloof.

De Bijbelse volgorde blijft daarom:

geloof → doop.

Niet:

geboorte → verbond → doop.

En juist wanneer we de Schrift laten spreken zonder kerkelijke traditie eroverheen te leggen, blijft de doop wat hij in het Nieuwe Testament is:

de bewuste belijdenis van iemand die gelooft in de gekruisigde en opgestane Christus.

De ‘zondagsrust’ en de dag des Heeren

De ‘zondagsrust’ en de dag des Heeren

Bijbels of menselijke traditie?

Het is weer verkiezingstijd, want de gemeenteraadsverkiezingen komen eraan in Nederland. Wat mij dan opvalt is dat de (lokale in dit geval) politieke partijen zich weer dolgraag  willen profileren, en dus ook de zogenaamd Christelijke, en dan met name met items als “de zondagsrust”.

Binnen veel kerken wordt de zondag zonder aarzeling “de dag des Heeren” genoemd en behandeld als een christelijke rustdag. Maar zodra we de Schrift opendoen, blijkt dat deze vanzelfsprekendheid helemaal niet zo vanzelfsprekend is.

De vraag is niet wat eeuwen kerkgeschiedenis hebben gedaan.
De vraag is: wat leert de Bijbel?

De sabbat hoort bij het verbond van de Sinaï

Het vierde gebod luidt:

“Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN, uws Gods; dan zult gij geen werk doen…” Exodus 20:8 – (STV)

Dit gebod werd niet aan de Gemeente gegeven. Het werd gegeven aan Israël, bij de Sinaï. En de Schrift zegt expliciet waarom:

“Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten tot een eeuwig verbond.”  Exodus 31:16 -(STV)

De sabbat was een verbondsteken tussen de HEERE en Israël.

Niet tussen de HEERE en de Gemeente.
Niet tussen de HEERE en de heidenvolken.

Dát staat er. Zwart op wit.

Wie de sabbat zonder onderscheid op de Gemeente toepast, schuift het Sinaïtische, of het Oude verbond onder het Nieuwe.

De zondag is géén verplaatste of vervangen sabbat

De eerste Christenen kwamen samen op de eerste dag van de week:

“En op den eersten dag der week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken…”  Handelingen 20;7 – (STV)

Maar waar staat het gebod?
Waar staat het werkverbod?
Waar staat de straf bij overtreding?

Nergens!

Paulus zegt zelfs nadrukkelijk:

“Zo oordele dan niemand u in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten; Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.” Kollossenzen 2:10 – (STV)

En:

“De één acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.” Romeinen 14:5 – (STV)

Dat is geen taal van een opgelegd zondagsgebod.
Dat is de taal van vrijheid onder de Genade.

De dag des HEEREN is géén zondag

In de boeken van de profeten betekent “de dag des HEEREN” een toekomstige periode van oordeel en openbaring.

“Huilt, want de dag des HEEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van den Almachtige.” Jesaja13:6 –  (STV)

“Want de dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk; wie zal hem verdragen?” Joel 2:11 – (STV)

Ook in het Nieuwe Testament blijft die betekenis staan:

“Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.” 1 Thessalonicenzen 5:2 – (STV)

Dit gaat over Gods ingrijpen in de wereldgeschiedenis.
Niet over een wekelijkse samenkomst in een kerkgebouw.

Wanneer men de zondag “de dag des Heeren” noemt, gebruikt men een Bijbelse term in een niet-Bijbelse betekenis.

Openbaring wordt vaak verkeerd gelezen

Johannes schrijft:

“Ik was in den Geest op den dag des Heeren…” Openbaring 1;10 – (STV)

De context van Openbaring is vol oordelen, bazuinen en koninklijke heerschappij. Het boek beschrijft juist die toekomstige dag van openbaring.

Het is exegetisch minstens zo logisch, en veel waarschijnlijker , dat Johannes in de Geest werd verplaatst naar die toekomstige dag, dan dat hij simpelweg bedoelde dat het zondag was.

De tekst zegt het niet expliciet.
Maar traditie vult het graag in.

Hoe de zondag een rustdag werd

Historisch groeide de eerste dag van de week uit tot een samenkomstdag vanwege de opstanding. Dat is begrijpelijk.

Maar de verplichte ruststatus kwam later. Kerk en staat hebben die ingevuld. Wat begon als vrijwillige samenkomst werd een wettische norm.

Zo ontstond de gedachte van een “christelijke sabbat”.

Alleen… de Schrift kent die term niet.

De ware rust ligt niet in een dag

Het Nieuwe Testament wijst ons op een diepere werkelijkheid:

“Want die ingegaan is in Zijn rust, die heeft ook zelf van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.” (STV)

De gelovige rust niet één dag per week.
Hij rust in het volbrachte werk van Christus.

Wie terugkeert naar een wettische dagstructuur, schuift ongemerkt weer richting Sinaï.

Wij leven niet onder Sinaï.
Wij leven onder Golgotha.

Wat nu?

Samenkomen op zondag is goed.
Een dag apart zetten voor rust en bezinning is dat ook, zeker in onze gejeesde maatschappij

Maar het opleggen van een zondagsrust als goddelijk gebod is niet Bijbels gefundeerd.

 

De sabbat was gegeven aan Israël.
De dag des HEEREN wijst naar de toekomst.
De zondag als verplichte rustdag is louter traditie.

En wie Schrift en traditie door elkaar haalt, ondergraaft het onderscheid tussen Wet en Genade.

Dat onderscheid is geen detail.
Dat is cruciaal.

lees ook:

De dag des HEEREN is niet de Zondag, maar wat dan wel?

Reformatorische “Zondagsverdwazing” in het nieuws

Op de site van Israel en de Bijbel: Openbaring en de dag des Heeren

En het Reformatorisch smaldeel fietst met een flinke theologische boog om de hete brij heen:

Digibron, Waarom is zondag bijzonder?

Zondagsrust vanuit ‘christelijk’ oogpunt

Geverifieerd door MonsterInsights