Wat valt er af te dingen op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid?

De Bijbel boven het dogma

De Bijbel leert dat God één is en dat Christus waarachtig God en waarachtig Mens is. Maar betekent dat automatisch dat het kerkelijke dogma van de drie-eenheid de juiste Bijbelse formulering is?

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid geldt in veel kerken als onaantastbaar. Wie er vragen bij stelt, wordt al snel verdacht gemaakt. Alsof elke kritische vraag automatisch betekent dat men de Godheid van Christus ontkent.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De vraag is niet of Jezus Christus waarachtig God is. De Schrift getuigt daar helder van. De vraag is ook niet of de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in de Bijbel voorkomen. Dat doen zij. De vraag is veel scherper: mag een later kerkelijk dogma bepalen hoe wij de Bijbel moeten lezen?

Daar begint het onderscheid.

Niet de kerkelijke formule moet leidend zijn, maar de Schrift. Niet de traditie boven de Bijbel, maar de Bijbel boven de traditie.

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!” Deuteronomium 6:4 (STV)

Daar begint alle Bijbelse Godskennis: God is één. Geen veelgodendom. Geen verzameling goddelijke wezens. Geen hemelse drieheid van afzonderlijke goden. Eén God.

Paulus schrijft:

“Nochtans hebben wij maar één God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.” 1 Korinthe 8:6 (STV)

Dat is geen dorre formule. Dat is openbaring. De Schrift spreekt over God, over de Vader, over de Here Jezus Christus, over schepping, verlossing, Middelaarschap en heerlijkheid. Maar zij doet dat niet in de latere technische taal van kerkelijke dogmatiek.

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid getoetst aan de Bijbel
Niet het dogma, maar de Schrift moet leidend zijn.

Christus is geen schepsel

Laat dit eerst volstrekt helder zijn: kritiek op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid mag en kan nooit uitlopen op ontkenning van Christus’ Godheid.

Johannes begint zijn Evangelie niet voorzichtig, maar majesteitelijk:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Johannes 1:1 (STV)

En even later:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Paulus zegt het eveneens krachtig:

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;” Kolossenzen 2:9 (STV)

Dat is geen taal voor een geschapen engel. Geen taal voor een verheven profeet. Geen taal voor een religieus voorbeeldfiguur. In Christus woont al de volheid der Godheid lichamelijk.

Wie dus het dogma van de drie-eenheid kritisch bevraagt, moet niet doorschieten naar arianisme, Jehova’s-getuigen-leer of moderne vrijzinnigheid. De Here Jezus Christus is niet minder dan God. Hij is de openbaring van God Zelf.

Maar juist daarom moeten wij ook voorzichtig zijn met menselijke schema’s die méér willen vastleggen dan de Schrift zelf zegt.

Het probleem zit in de kerkelijke gietmal

Het dogma van de drie-eenheid probeert de Bijbelse gegevens samen te vatten: één God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Het is begrijpelijk dat men woorden zocht om dwaalleer af te weren.

Maar daar begint ook het probleem.

De Bijbel spreekt niet in de uitgewerkte formule: drie Personen in één Wezen, alle drie eeuwig gelijk, geen eerder of later, geen meer of minder. De Bijbel geeft geen filosofische ontleding van Gods innerlijke Wezen. De Bijbel openbaart God in Zijn handelen.

God schept. God spreekt. God zendt. De Zoon komt. De Zoon gehoorzaamt. De Zoon lijdt. De Zoon sterft. God wekt Hem op. God verhoogt Hem uitermate.en Hij ontvangt de Naam boven alle naam.. De Geest wordt gezonden. De Geest verheerlijkt Christus. De verhoogde Christus is Hoofd van de Gemeente.

Dat is Bijbelse taal. Levende taal. Openbaringstaal.

Het dogma maakt daar gemakkelijk een stilstaand schema van. Alles strak op één lijn. Alles keurig ingepast. Alles afgerond. Maar de Bijbel is vaak beweeglijker, rijker en concreter dan het kerkelijke systeem verdraagt.

Dan wordt het dogma geen hulp meer, maar een mal. En een mal drukt altijd iets plat.

De vernedering van Christus mag niet worden afgevlakt

Een van de grootste bezwaren tegen een te strak drie-eenheidsdogma is dat de werkelijke vernedering van Christus gemakkelijk wordt afgevlakt.

Paulus schrijft:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;” Filippenzen 2:6-7 (STV)

En daarna:

“En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.” Filippenzen 2:8 (STV)

Let op die woorden: vernederd, gehoorzaam geworden, tot de dood.

Dat is geen toneel. Geen schijnmensheid. Geen Goddelijk rollenspel waarin de vernedering eigenlijk niet echt is. De Zoon is werkelijk Mens geworden. Hij heeft werkelijk geleden. Hij heeft werkelijk gehoorzaamd. Hij is werkelijk gestorven.

Daarna schrijft Paulus:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;” Filippenzen 2:9 (STV)

Dat woord daarom moet blijven staan. De verhoging volgt op Zijn vernedering. De Naam wordt Hem gegeven. Dat is Bijbelse taal.

Wie dit direct gladstrijkt met “eeuwig gelijk, geen meer of minder”, loopt het risico de beweging van de tekst onschadelijk te maken. Dan wordt de vernedering van Christus leerstellig wel beleden, maar praktisch afgezwakt.

Handelingen 2:36 moet blijven spreken

Petrus zegt op de Pinksterdag:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” Handelingen 2:36 (STV)

Dat is een tekst waar men niet te snel overheen moet lezen.

Petrus zegt niet dat Jezus slechts een gewoon mens was. Hij zegt ook niet dat Jezus pas bij Zijn opstanding begon te bestaan. Maar hij zegt wel dat God deze gekruisigde Jezus tot een Heere en Christus gemaakt heeft.

Dat is verhogingstaal. Aanstellingstaal. Messiaanse taal. De door mensen verworpen Jezus is door God opgewekt en verhoogd. De gekruisigde is door God aangewezen als Heere en Christus.

Een dogma dat zulke teksten nauwelijks nog laat spreken, is te strak geworden. Dan beschermt het de Schrift niet meer. Dan dempt het de Schrift.

Vader en Zoon worden niet vlak naast elkaar gezet

De Bijbel spreekt niet alleen over eenheid, maar ook over verhouding.

Jezus zegt:

“Mijn Vader is meerder dan Ik.” Johannes 14:28 (STV)

Die tekst mag niet misbruikt worden om Christus’ Godheid te ontkennen. Maar hij mag ook niet worden weggepoetst alsof hij er eigenlijk niet staat.

De Here Jezus spreekt hier in Zijn vernederde positie. Als de Gezondene. Als de Knecht. Als de Mens Christus Jezus.

Paulus schrijft:

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Dat is leerstellig zeer belangrijk. Christus is de Middelaar. En als Middelaar staat Hij niet in een abstract schema, maar in een concrete verhouding: tussen God en mensen.

Daarom moeten wij voorzichtig zijn met taal die elke Bijbelse verhouding meteen neutraliseert. De Schrift spreekt over de Vader Die zendt, de Zoon Die gezonden wordt, de Zoon Die gehoorzaamt, de Vader Die Hem verhoogt, de Zoon Die aan de rechterhand Gods is.

Dat ontkent Zijn Godheid niet. Het bewaart juist de rijkdom van Zijn Middelaarschap.

De Geest verheerlijkt Christus

Ook de Heilige Geest is geen onpersoonlijke kracht. De Geest spreekt, leidt, leert, getuigt, overtuigt en woont in de gelovigen.

Maar opnieuw: de Bijbel spreekt anders dan de latere dogmatische formule. De Schrift geeft geen abstracte omschrijving van de Geest in technische ker taal. De Schrift laat zien wat de Geest doet.

De Geest wordt gegeven. De Geest wordt gezonden. De Geest woont in de gelovigen. De Geest verheerlijkt Christus.

Jezus zegt:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Johannes 16:14 (STV)

Daar ligt de Bijbelse nadruk. De Geest trekt geen aandacht los van Christus. De Geest verheerlijkt Christus. Hij maakt het werk, de woorden en de heerlijkheid van Christus bekend.

Dat is iets anders dan een dogmatisch evenwichtsschema waarin alles vooral netjes gelijkgetrokken moet worden.

De bewijsplaatsen zijn niet allemaal even sterk

In discussies over de drie-eenheid worden vaak dezelfde teksten aangehaald. Soms terecht. Soms te gemakkelijk.

Een bekend voorbeeld is 1 Johannes 5:7:

“Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.” 1 Johannes 5:7 (STV)

Deze tekst staat in de Statenvertaling, maar is tekstkritisch omstreden. Komt niet voor in de oudste manuscripten. Bovendien staat er ook niet letterlijk “Vader, Zoon en Heilige Geest”, maar “de Vader, het Woord en de Heilige Geest”. Dat is op zichzelf al een aanwijzing dat men voorzichtig moet zijn met een te snelle dogmatische bewijsvoering.

En daarmee valt de Godheid van Christus niet weg. Integendeel. Even verderop staat:

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.” 1 Johannes 5:20 (STV)

Dat is veel sterker dan een losse bewijsplaats. De Zoon van God wordt rechtstreeks verbonden met de Waarachtige en het eeuwige Leven.

De Bijbel heeft geen zwakke bewijsvoering nodig. Zij getuigt zelf krachtig genoeg van Christus.

Het gevaar van kerkelijke bewakingsdrang

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid is vaak een grenspaal geworden. Wie de formule exact nazegt, hoort erbij. Wie vragen stelt, wordt verdacht.

Maar de Bijbel vraagt niet eerst of iemand de juiste kerkelijke terminologie beheerst. De Bijbel vraagt of iemand gelooft in de Zoon van God.

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Johannes 3:36 (STV)

Dat is het punt. Niet: beheerst iemand de latere dogmatische taal? Maar: gelooft iemand in de Zoon? Eert iemand de Zoon? Buigt iemand voor Hem als de door God verhoogde Heere?

Jezus zegt:

“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft.” Johannes 5:23 (STV)

Dat is enorm sterk. De Zoon moet geëerd worden zoals de Vader geëerd wordt. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet.

Daar staat de Godheid en heerlijkheid van Christus stevig overeind. Maar let op: ook hier spreekt de Schrift in termen van Vader, Zoon, zending en eer. Niet in termen van een latere formule.

De Bijbel is veel rijker dan het dogma

Het probleem met de kerkelijke drie-eenheidsleer is niet dat zij Christus te hoog acht. Het probleem is dat zij de Bijbelse gegevens soms in een te strak schema perst.

De Schrift laat ons Christus zien als:

  • het Woord Dat God was;
  • de Zoon van God;
  • de Zoon des mensen;
  • de Knecht;
  • de Middelaar;
  • de Erfgenaam;
  • de Eerstgeborene uit de doden;
  • de Hogepriester;
  • de laatste Adam;
  • de verhoogde Heere;
  • het Hoofd van de Gemeente.

Al die lijnen zijn Bijbels. Al die lijnen moeten blijven staan. Geen enkele lijn mag worden weggepoetst omdat zij lastig is voor het systeem.

Wanneer het dogma zegt: “Dit past alleen als u het precies zo formuleert,” dan wordt de Bijbel onder een kerkelijke mal gelegd. Maar de Schrift moet niet door een mal. De mal moet door de Schrift worden getoetst.

Een Bijbels evenwicht

Wij hoeven dus niet te kiezen tussen kerkelijk dogmatisme en ontkenning van Christus’ Godheid. Er is een betere weg: Schriftgetrouw spreken.

Wij belijden één God.

Wij belijden dat Jezus Christus waarachtig God en waarachtig Mens is.

Wij belijden dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont.

Wij belijden dat Hij werkelijk vernederd is, werkelijk gehoorzaam geworden is, werkelijk gestorven is, werkelijk opgewekt is en werkelijk door God verhoogd is.

Wij belijden dat de Heilige Geest door God gegeven is, Christus verheerlijkt en in de gelovigen woont.

Maar wij weigeren om menselijke systeemtaal boven de Schrift te plaatsen.

Conclusie

Er is dus zeker wat af te dingen op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid. Niet omdat Christus minder zou zijn dan het dogma zegt, maar omdat de Schrift anders spreekt dan het dogma doet.

De Bijbel vraagt niet om een filosofisch afgerond godsmodel. De Bijbel openbaart de levende God in Christus.

Daarom moeten wij niet beginnen bij de kerkelijke formule, maar bij de Schrift.

Niet: hoe past deze tekst in het dogma?

Maar: wat zegt God hier?

Zodra het dogma de Schrift gaat corrigeren, dempen of begrenzen, is het geen bescherming meer. Dan wordt het een religieuze gietmal.

De gelovige heeft geen gietmal nodig. Hij heeft het Woord nodig.

En dat Woord getuigt helder genoeg:

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.” 1 Johannes 5:20 (STV)

Ik het eerder al geblogd over dit onderwerp:

Waarom de kerkelijke drie-eenheidsleer schuurt met de Schrift – Bijbelse basis

Wij leven in de laatste dagen

De laatste dagen, niet zoals velen denken

De vraag duikt telkens weer op wanneer de wereld onrustig wordt, en er weer reuring is: leven wij in de laatste dagen?
Voor velen betekent die vraag vooral: staat het einde van de wereld voor de deur?

Maar wie de Schrift zorgvuldig leest, ontdekt dat de Bijbel daar heel anders over spreekt.

De “laatste dagen” zijn volgens het Nieuwe Testament niet iets dat pas vlak voor het einde begint. Ze zijn al lang geleden begonnen.

De laatste dagen begonnen bij de opstanding van Christus

Op de Pinksterdag citeert Petrus de profeet Joël en zegt:

“En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees.”
(Handelingen 2:17, STV)

Voor Petrus was dat geen verre toekomst. Hij zegt juist: dit is wat nu gebeurt.

De uitstorting van de Geest op Pinksteren markeert dus het begin van die laatste dagen. De apostelen zagen hun eigen tijd al als die periode.

Ook Hebreeën bevestigt dat:

“God, voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon.”
(Hebreeën 1:1–2, STV)

De komst, dood en opstanding van Christus markeren het begin van de nieuwtestamentische tijd.

Sindsdien leven wij in wat de Schrift “de laatste dagen” noemt.

Kenmerken van de laatste dagen

De apostelen beschrijven de geestelijke toestand van die tijd opvallend scherp.

Paulus schrijft:

“En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf, geldgierig, laatdunkend, hoogmoedig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig.”
(2 Timotheüs 3:1–2, STV)

Het gaat hier niet alleen over moreel verval in de wereld, maar ook over religieuze schijn.

Even verder staat:

“Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben.”
(2 Timotheüs 3:5, STV)

Religie zonder waarheid. Vroomheid zonder kracht. Dat is volgens Paulus een kenmerk van deze tijd.

Afval en misleiding

Een ander duidelijk kenmerk van de laatste dagen is afval van het geloof.

Paulus schrijft:

“Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leringen der duivelen.”
(1 Timotheüs 4:1, STV)

Let op: het gevaar komt niet alleen van buiten.

Het ontstaat vaak binnen het christendom zelf.

Petrus waarschuwt bovendien voor spotters:

“Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen.”
(2 Petrus 3:3, STV)

Zij stellen de vraag die vandaag nog steeds klinkt:

Waar blijft Zijn wederkomst?

De antichrist: niet alleen een toekomstige figuur

Veel christenen denken bij de antichrist meteen aan één toekomstige wereldleider.

Maar Johannes zegt iets opvallends:

“Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden.”
(1 Johannes 2:18, STV)

Volgens Johannes waren er in zijn tijd al vele antichristen.

Wie zijn dat?

Hij legt het zelf uit:

“Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.”
(1 Johannes 2:22, STV)

Het woord antichrist betekent niet alleen tegen Christus, maar ook in plaats van Christus.

Iedereen die zich tussen Christus en de gelovige plaatst — geestelijk, religieus of organisatorisch — treedt feitelijk in Zijn plaats.

Het gevaar van religieuze systemen

Paulus waarschuwde de ouderlingen van Efeze:

“Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.”
(Handelingen 20:29–30, STV)

Let op waar het gevaar vandaan komt:

uit het midden van de gemeente zelf

Mensen die volgelingen achter zich willen trekken.

Dat is precies hoe religieuze machtsstructuren ontstaan.

Christendom is geen religie

Veel mensen spreken over het christendom als een religie.

Maar het Nieuwe Testament beschrijft iets totaal anders.

Paulus schrijft:

“Want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”
(Romeinen 6:14, STV)

Christelijk geloof draait niet om religieuze systemen, regels of kerkelijke macht.

Het draait om een levende relatie met Christus.

Hij alleen is het Hoofd van de gemeente.

“En Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen.”
(Efeze 1:22, STV)

Niet een kerk.
Niet een organisatie.
Niet een menselijke leider.

Christus alleen

De ware strijd van de laatste dagen

De grootste geestelijke strijd van deze tijd is daarom niet alleen moreel verval of wereldse zonde.

De grootste strijd is deze:

blijft Christus werkelijk centraal?

Of schuift er langzaam iets tussen:

  • religieuze systemen
  • geestelijke leiders
  • tradities
  • menselijke autoriteit

Alles wat tussen Christus en de gelovige komt, ondermijnt uiteindelijk het evangelie.

De enige veilige plaats

De Bijbel wijst steeds weer terug naar één fundament:

het Woord van God.

En naar één Persoon:

Jezus Christus.

Paulus schrijft:

“Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?”
(Romeinen 8:35, STV)

Het antwoord is duidelijk:

Niemand

Wie in Hem gelooft staat in vrijheid, Genade en zekerheid.

Niet door religie.

Maar door Christus alleen.

Já. wij leven in de laatste dagen.

Maar dat is al zo sinds de opstanding van Christus.

De echte vraag is daarom niet hoe lang het nog duurt, maar:

Blijven we vasthouden aan Christus en Zijn Woord,
of laten we ons verleiden door alles wat zich in Zijn plaats wil stellen?

Dáár ligt de ware strijd van de laatste dagen.

De Statenvertaling verdient waardering, géén absolutisme

Wanneer een vertaling heilig wordt verklaard.

1637 is géén Sinaï

Directe aanleiding voor dit artikel is de recente ophef in Reformatorische hoek. Verdeeldheid heet het, met zoveel woorden; straks 4 versies in omloop en wat dan??

In deze kringen wordt de Statenvertaling behandeld alsof deze zelf bijna een heilige status heeft. Alsof 1637 het eindpunt van Gods voorzienigheid in de geschiedenis van de Bijbeltekst zou zijn. Alsof wie een andere vertaling gebruikt zich op glad ijs begeeft. Dat klinkt vroom, maar het is historisch niet vol te houden. De Statenvertaling is een monument van geloof en taal, maar zij rust voor het Nieuwe Testament op de Textus Receptus van Desiderus Erasmus, een teksteditie uit de zestiende eeuw gebaseerd op een beperkt aantal relatief late manuscripten. Wie dat eerlijke historische feit niet wil onder ogen zien, verdedigt uiteindelijk niet de Schrift, maar een traditie.

De Statenvertaling is een monument in de geschiedenis van de kerk in Nederland. Generaties gelovigen hebben door deze vertaling de Schrift leren kennen. Haar taal heeft het geloofsleven gevormd, preken gedragen en het geestelijk vocabulaire van eeuwen bepaald. Daar mag met recht dankbaarheid voor zijn.

Laat dat eerst duidelijk zijn. De Statenvertaling behoort tot de grootste prestaties uit de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme. Zij werd gemaakt door bekwame geleerden, zorgvuldig vertaald uit de grondtalen en met grote eerbied voor het Woord van God.

Daarom is waardering voor deze vertaling volkomen terecht.

Maar waardering is iets anders dan verabsolutering. En juist daarom is het zorgelijk dat de Statenvertaling in sommige kringen niet meer alleen wordt gewaardeerd, maar verabsoluteerd. Wat begon als liefde voor een vertaling, is hier en daar veranderd in een vorm van exclusivisme die historisch en inhoudelijk niet houdbaar is.
En dat probleem beperkt zich allang niet meer tot bepaalde reformatorische kerkverbanden.

De Statenvertaling is geen vierde taal van de openbaring

De Bijbel is door God gegeven in:

  • Hebreeuws

  • Aramees

  • Grieks

Niet in Nederlands.

De Statenvertaling is dus geen geïnspireerde tekst, maar een vertaling van de geïnspireerde tekst. Een zeer zorgvuldige vertaling, maar nog steeds een vertaling.

Wie doet alsof de Statenvertaling zelf een bijzondere, bijna onaantastbare status heeft gekregen, schrijft ongemerkt iets toe aan een vertaling wat alleen aan de Schrift zelf toekomt.

Wanneer een vertaling bijna vereerd wordt, dreigt de geschiedenis van de Bijbeltekst uit beeld te verdwijnen. De Statenvertaling is een monument van geloof en taal, maar rust op de Textus Receptus-traditie van Desiderus Erasmus, niet op de oudste manuscripten die we vandaag kennen. Liefde voor de Statenvertaling is terecht; absolutisme is dat niet.

De exclusiviteitsclaim

In verschillende kringen hoort men tegenwoordig stellige uitspraken zoals:
alleen de Statenvertaling is betrouwbaar
andere vertalingen zijn verdacht of onbetrouwbaar
God heeft Zijn Woord in het bijzonder in de Statenvertaling bewaard.
Dat klinkt vroom en principieel. Maar historisch klopt het eenvoudig niet.
De Statenvertaling is een vertaling uit 1637. Zij is gebaseerd op de tekstuitgaven die destijds beschikbaar waren, en voor het Nieuwe Testament vooral op de Textus Receptus, de Griekse teksttraditie die in de zestiende eeuw door onder anderen Erasmus werd samengesteld.
Dat betekent dat de Statenvertaling niet gebaseerd is op de oudste manuscripten die wij tegenwoordig kennen. Die manuscripten waren in de tijd van de Statenvertalers eenvoudig nog niet ontdekt.
Dat is geen kritiek op de Statenvertalers. Het is simpelweg een historisch feit.

Erasmus was geen onfeilbare teksteditor

De Textus Receptus is ontstaan in een concrete historische situatie. Erasmus had slechts een beperkt aantal relatief late handschriften tot zijn beschikking. In sommige gevallen moest hij zelfs improviseren.
Zo ontbrak in zijn manuscript een deel van het boek Openbaring, waardoor hij het ontbrekende gedeelte vanuit het Latijn weer terug naar het Grieks vertaalde. Dat soort details laten zien dat de Textus Receptus een historisch gegroeide teksteditie is, geen wonderbaarlijk onaantastbare standaardtekst.
Wie dus doet alsof de Statenvertaling rechtstreeks rust op de perfecte en oudste tekst, vertelt een verhaal dat historisch niet klopt.

De Statenvertalers zelf waren nuchter

Het is opvallend dat sommige hedendaagse verdedigers van de Statenvertaling stelliger zijn dan de Statenvertalers zelf ooit waren. De vertalers wisten heel goed dat zij vertaalden. Zij wisten ook dat taal verandert en dat revisie soms nodig kan zijn.
Zij zagen hun werk niet als een onaantastbare eindstap in de geschiedenis van de Bijbelvertaling.
Dat latere generaties hun vertaling soms behandelen alsof zij zelf een soort canonieke status heeft gekregen, zou hen waarschijnlijk verbazen.

Fanatisme, ook buiten de reformatorische gezindte

Opvallend genoeg beperkt dit verschijnsel zich niet tot de traditionele reformatorische kerken.
Ook daarbuiten bestaan bewegingen die een bijna absolute status aan de Statenvertaling toekennen. Op websites zoals sv1637.org wordt de indruk gewekt dat de Statenvertaling de enige betrouwbare Bijbel zou zijn.
Dergelijke claims gaan nog een stap verder dan wat in veel kerkelijke kringen wordt gezegd. Daar wordt soms de suggestie gewekt dat andere vertalingen principieel onbetrouwbaar zijn, of zelfs dat moderne tekstkritiek een bedreiging vormt voor het Woord van God.
Het probleem met dit soort redeneringen is dat zij niet alleen historisch zwak zijn, maar ook geestelijk contraproductief.

Wanneer verdediging omslaat in schade

Wie de Statenvertaling verdedigt met overdreven claims, bereikt uiteindelijk het tegenovergestelde van wat men bedoelt.
Wanneer men beweert dat alleen één specifieke vertaling betrouwbaar is, terwijl aantoonbaar is dat deze vertaling gebaseerd is op een beperkte tekstbasis uit de zestiende eeuw, dan ondermijnt men juist de geloofwaardigheid van het eigen standpunt.
Dan ontstaat de indruk dat men niet werkelijk geïnteresseerd is in de geschiedenis van de tekst, maar vooral in het verdedigen van een traditie.
Dat is niet alleen contraproductief, het kan zelfs schadelijk zijn. Vooral voor jonge mensen die later ontdekken dat de werkelijkheid ingewikkelder ligt dan hun was verteld. Dan kan het vertrouwen in het geheel onder druk komen te staan.

De Bijbel zelf wijst op verstaanbaarheid

De Schrift zelf benadrukt steeds het belang van verstaanbaarheid.

“En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en zij gaven de zin, en deden verstaan in het lezen.”
(Nehemia 8:9 STV)

Dat is een belangrijke correctie. Het doel van de Schrift is niet dat zij bewonderd wordt als een historisch monument, maar dat zij begrepen wordt.
De Statenvertalers zelf hebben dat ook zo bedoeld.

Het echte gezag

Het gezag ligt uiteindelijk niet in een specifieke vertaling, maar in het Woord van God zelf. Dat Woord is gegeven in Hebreeuws, Aramees en Grieks. Vertalingen proberen dat Woord zo betrouwbaar mogelijk weer te geven.
Sommige vertalingen doen dat beter dan andere, maar geen enkele vertaling heeft een exclusief monopolie op Gods stem.

De Statenvertaling verdient respect, waardering en blijvend gebruik. Zij heeft eeuwenlang een centrale rol gespeeld in het geestelijk leven van Nederland.

Maar zodra een vertaling tot een onaantastbare norm wordt verheven, ontstaat een probleem. Dan verschuift het gezag van het Woord van God naar een historische vertaling.
En dat is precies het punt waar liefde voor de Statenvertaling kan omslaan in iets dat zij nooit bedoeld was te zijn: een mythe.

 

 

 

is de statenvertaling de enige juiste bijbel
waar komt de textus receptus vandaan
welke manuscripten gebruikte erasmus
waarom discussie over de statenvertaling
wat is het verschil tussen sv en hsv
zijn moderne bijbelvertalingen betrouwbaar
wat is de oudste bijbeltekst
hoe is de bijbeltekst overgeleverd

Geverifieerd door MonsterInsights