Terug naar sabbat en feesten? Het antwoord van Paulus en Handelingen 15

Terug naar sabbat en feesten? Het Nieuwe Testament zegt iets anders

Waarom Sabbat en Bijbelse feestdagen weer populair worden

Moeten christenen de Sabbat houden en de Bijbelse feestdagen vieren? Het Nieuwe Testament geeft daar een verrassend duidelijk antwoord op.

In steeds meer christelijke kringen klinkt de oproep om terug te keren naar de Sabbat en de Bijbelse feestdagen. Men zegt dat deze door God zelf zijn ingesteld en dat Christenen daarom eigenlijk weer zouden moeten leven volgens deze kalender.

Dat klinkt best vroom. Wie kan er immers tegen “Bijbelse feesten” zijn?

Maar zodra we het Nieuwe Testament serieus nemen, ontstaat er een probleem. Want juist het Nieuwe Testament — en vooral de brieven van Paulus — verzetten zich scherp tegen het opnieuw opleggen van zulke voorschriften.

SCHADUW of CHRISTUS?

Het probleem bestond al in de eerste gemeente

De discussie die vandaag terugkeert, bestond al in de eerste eeuw.

Sommige gelovigen uit het Jodendom begonnen namelijk te leren dat heidenchristenen ook de wet van Mozes moesten gaan houden.

“En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.”
(Handelingen 15:1, STV)

Dat was geen klein verschil van mening. Het ging om een fundamentele vraag:

Moeten christenen uit de heidenen onder de wet van Mozes leven?

Als het antwoord ja was, betekende dat automatisch:

  • besnijdenis
  • sabbat
  • Joodse feestdagen
  • voedselwetten

Het hele systeem van de Torah. Geen ‘pick and choose’.

Het apostelconvent in Handelingen 15

Daarom komen de apostelen en oudsten samen in Jeruzalem. Wat daar besloten wordt is cruciaal voor het hele christendom.

Petrus neemt het woord en zegt:

“Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?”
(Handelingen 15:10, STV)

Let op dat woord: juk.

Volgens Petrus zou het opleggen van de wet aan heidenchristenen betekenen dat men hen onder een religieus systeem plaatst dat zelfs Israël nooit heeft kunnen dragen.

Daarom zegt hij vervolgens:

“Maar wij geloven door de genade van den Heere Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.”
(Handelingen 15:11, STV)

Niet door wetsonderhouding.
Maar door Genade.

Waarom de apostelen de wet niet oplegden aan heidenen

De conclusie van het apostelconvent is glashelder.

“Daarom oordeel ik, dat men degenen uit de heidenen, die zich tot God bekeren, niet beroere.”
(Handelingen 15:19, STV)

En in de brief aan de gemeenten staat:

“Het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen.”
(Handelingen 15:28, STV)

Opvallend is wat er niet wordt opgelegd.

Niet:

  • besnijdenis
  • sabbat
  • Joodse feestdagen
  • de wet van Mozes

Als deze dingen essentieel waren geweest voor christenen, dan was dit precies het moment geweest om ze verplicht te stellen.

Maar dát gebeurt niet.

Kolossenzen 2: sabbatten zijn een schaduw

Paulus sluit volledig aan bij deze beslissing.

Hij schrijft:

“Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten; Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.”
(Colossenzen 2:16–17, STV)

De termen die Paulus noemt zijn precies de onderdelen van de Joodse kalender:

  • voedselwetten
  • feestdagen
  • nieuwe maan
  • sabbatten

En Paulus noemt ze een schaduw.

Een schaduw heeft een functie: zij wijst vooruit naar iets dat komt. Maar zodra de werkelijkheid verschijnt, wordt de schaduw niet meer het centrum.

Die werkelijkheid is Christus.

Galaten 4: terug naar religieuze kalenderwetten

In Galaten gaat Paulus nog verder.

“Maar nu, God kennende, ja veelmeer van God gekend zijnde, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?
Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.”
(Galaten 4:9–10, STV)

Paulus beschrijft hier precies wat vandaag opnieuw populair wordt:

  • religieuze kalender
  • heilige dagen
  • vaste tijden en feesten

En zijn oordeel is scherp.

Het is geen geestelijke verdieping, maar een terugkeer naar “zwakke en arme beginselen”.

De sabbat als teken voor Israël

In het Oude Testament had de sabbat een duidelijke functie.

“Gij dan, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten.”
(Exodus 31:13, STV)

De sabbat was een verbondsteken tussen God en Israël.

Het Nieuwe Testament leert nergens dat dit teken is overgedragen aan de gemeente.

Daarom kan Paulus ook schrijven:

“De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.”
(Romeinen 14:5, STV)

Als de sabbat voor christenen een bindend gebod was geweest, had Paulus dit nooit zo kunnen zeggen.

De focus van het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament verplaatst de aandacht van religieuze kalenderdagen naar Christus Zelf.

De sabbat wees vooruit naar de rust die in Hem gevonden wordt.

“Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.”
(Matthéüs 11:28, STV)

De gelovige leeft daarom niet onder een kalender van heilige dagen, maar in de vrijheid van het evangelie.

De sabbat en de Bijbelse feesten hebben een belangrijke plaats in de heilsgeschiedenis. Zij waren:

  • profetische schaduwen
  • onderwijs voor Israël
  • vooruitwijzingen naar Christus

Maar het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat zij niet de norm zijn voor de gemeente van Christus.

Het apostelconvent weigert de wet van Mozes aan heidengelovigen op te leggen. Paulus noemt sabbatten en feestdagen schaduwen en waarschuwt tegen een terugkeer naar religieuze kalenderwetten.

De gemeente leeft niet onder de schaduw.

Zij leeft in de werkelijkheid.

En die werkelijkheid is Christus Zelf.

lees ook:

https://www.israelendebijbel.nl/nl/kennisbank-artikel/2020/11/03/Moeten-wij-ons-aan-de-Wet-van-Mozes-houden

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén

De verborgenheid van de Gemeente

De Gemeente is geen Israël

Het verschil tussen de tijd van het Koninkrijk en de tijd van de Gemeente

 

 

 

 

sabbat nieuw testament uitleg
wet van mozes christenen bijbel
moeten christenen de torah houden
hebrew roots bijbels antwoord
sabbat volgens paulus
bijbelse feesten verplicht christenen
torah observance christenen kritiek
kolossenzen 2:16 sabbat uitleg
galaten 4 dagen maanden tijden jaren uitleg
handelingen 15 wet van mozes uitleg

De Statenvertaling verdient waardering, géén absolutisme

Wanneer een vertaling heilig wordt verklaard.

1637 is géén Sinaï

Directe aanleiding voor dit artikel is de recente ophef in Reformatorische hoek. Verdeeldheid heet het, met zoveel woorden; straks 4 versies in omloop en wat dan??

In deze kringen wordt de Statenvertaling behandeld alsof deze zelf bijna een heilige status heeft. Alsof 1637 het eindpunt van Gods voorzienigheid in de geschiedenis van de Bijbeltekst zou zijn. Alsof wie een andere vertaling gebruikt zich op glad ijs begeeft. Dat klinkt vroom, maar het is historisch niet vol te houden. De Statenvertaling is een monument van geloof en taal, maar zij rust voor het Nieuwe Testament op de Textus Receptus van Desiderus Erasmus, een teksteditie uit de zestiende eeuw gebaseerd op een beperkt aantal relatief late manuscripten. Wie dat eerlijke historische feit niet wil onder ogen zien, verdedigt uiteindelijk niet de Schrift, maar een traditie.

De Statenvertaling is een monument in de geschiedenis van de kerk in Nederland. Generaties gelovigen hebben door deze vertaling de Schrift leren kennen. Haar taal heeft het geloofsleven gevormd, preken gedragen en het geestelijk vocabulaire van eeuwen bepaald. Daar mag met recht dankbaarheid voor zijn.

Laat dat eerst duidelijk zijn. De Statenvertaling behoort tot de grootste prestaties uit de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme. Zij werd gemaakt door bekwame geleerden, zorgvuldig vertaald uit de grondtalen en met grote eerbied voor het Woord van God.

Daarom is waardering voor deze vertaling volkomen terecht.

Maar waardering is iets anders dan verabsolutering. En juist daarom is het zorgelijk dat de Statenvertaling in sommige kringen niet meer alleen wordt gewaardeerd, maar verabsoluteerd. Wat begon als liefde voor een vertaling, is hier en daar veranderd in een vorm van exclusivisme die historisch en inhoudelijk niet houdbaar is.
En dat probleem beperkt zich allang niet meer tot bepaalde reformatorische kerkverbanden.

De Statenvertaling is geen vierde taal van de openbaring

De Bijbel is door God gegeven in:

  • Hebreeuws

  • Aramees

  • Grieks

Niet in Nederlands.

De Statenvertaling is dus geen geïnspireerde tekst, maar een vertaling van de geïnspireerde tekst. Een zeer zorgvuldige vertaling, maar nog steeds een vertaling.

Wie doet alsof de Statenvertaling zelf een bijzondere, bijna onaantastbare status heeft gekregen, schrijft ongemerkt iets toe aan een vertaling wat alleen aan de Schrift zelf toekomt.

Wanneer een vertaling bijna vereerd wordt, dreigt de geschiedenis van de Bijbeltekst uit beeld te verdwijnen. De Statenvertaling is een monument van geloof en taal, maar rust op de Textus Receptus-traditie van Desiderus Erasmus, niet op de oudste manuscripten die we vandaag kennen. Liefde voor de Statenvertaling is terecht; absolutisme is dat niet.

De exclusiviteitsclaim

In verschillende kringen hoort men tegenwoordig stellige uitspraken zoals:
alleen de Statenvertaling is betrouwbaar
andere vertalingen zijn verdacht of onbetrouwbaar
God heeft Zijn Woord in het bijzonder in de Statenvertaling bewaard.
Dat klinkt vroom en principieel. Maar historisch klopt het eenvoudig niet.
De Statenvertaling is een vertaling uit 1637. Zij is gebaseerd op de tekstuitgaven die destijds beschikbaar waren, en voor het Nieuwe Testament vooral op de Textus Receptus, de Griekse teksttraditie die in de zestiende eeuw door onder anderen Erasmus werd samengesteld.
Dat betekent dat de Statenvertaling niet gebaseerd is op de oudste manuscripten die wij tegenwoordig kennen. Die manuscripten waren in de tijd van de Statenvertalers eenvoudig nog niet ontdekt.
Dat is geen kritiek op de Statenvertalers. Het is simpelweg een historisch feit.

Erasmus was geen onfeilbare teksteditor

De Textus Receptus is ontstaan in een concrete historische situatie. Erasmus had slechts een beperkt aantal relatief late handschriften tot zijn beschikking. In sommige gevallen moest hij zelfs improviseren.
Zo ontbrak in zijn manuscript een deel van het boek Openbaring, waardoor hij het ontbrekende gedeelte vanuit het Latijn weer terug naar het Grieks vertaalde. Dat soort details laten zien dat de Textus Receptus een historisch gegroeide teksteditie is, geen wonderbaarlijk onaantastbare standaardtekst.
Wie dus doet alsof de Statenvertaling rechtstreeks rust op de perfecte en oudste tekst, vertelt een verhaal dat historisch niet klopt.

De Statenvertalers zelf waren nuchter

Het is opvallend dat sommige hedendaagse verdedigers van de Statenvertaling stelliger zijn dan de Statenvertalers zelf ooit waren. De vertalers wisten heel goed dat zij vertaalden. Zij wisten ook dat taal verandert en dat revisie soms nodig kan zijn.
Zij zagen hun werk niet als een onaantastbare eindstap in de geschiedenis van de Bijbelvertaling.
Dat latere generaties hun vertaling soms behandelen alsof zij zelf een soort canonieke status heeft gekregen, zou hen waarschijnlijk verbazen.

Fanatisme, ook buiten de reformatorische gezindte

Opvallend genoeg beperkt dit verschijnsel zich niet tot de traditionele reformatorische kerken.
Ook daarbuiten bestaan bewegingen die een bijna absolute status aan de Statenvertaling toekennen. Op websites zoals sv1637.org wordt de indruk gewekt dat de Statenvertaling de enige betrouwbare Bijbel zou zijn.
Dergelijke claims gaan nog een stap verder dan wat in veel kerkelijke kringen wordt gezegd. Daar wordt soms de suggestie gewekt dat andere vertalingen principieel onbetrouwbaar zijn, of zelfs dat moderne tekstkritiek een bedreiging vormt voor het Woord van God.
Het probleem met dit soort redeneringen is dat zij niet alleen historisch zwak zijn, maar ook geestelijk contraproductief.

Wanneer verdediging omslaat in schade

Wie de Statenvertaling verdedigt met overdreven claims, bereikt uiteindelijk het tegenovergestelde van wat men bedoelt.
Wanneer men beweert dat alleen één specifieke vertaling betrouwbaar is, terwijl aantoonbaar is dat deze vertaling gebaseerd is op een beperkte tekstbasis uit de zestiende eeuw, dan ondermijnt men juist de geloofwaardigheid van het eigen standpunt.
Dan ontstaat de indruk dat men niet werkelijk geïnteresseerd is in de geschiedenis van de tekst, maar vooral in het verdedigen van een traditie.
Dat is niet alleen contraproductief, het kan zelfs schadelijk zijn. Vooral voor jonge mensen die later ontdekken dat de werkelijkheid ingewikkelder ligt dan hun was verteld. Dan kan het vertrouwen in het geheel onder druk komen te staan.

De Bijbel zelf wijst op verstaanbaarheid

De Schrift zelf benadrukt steeds het belang van verstaanbaarheid.

“En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en zij gaven de zin, en deden verstaan in het lezen.”
(Nehemia 8:9 STV)

Dat is een belangrijke correctie. Het doel van de Schrift is niet dat zij bewonderd wordt als een historisch monument, maar dat zij begrepen wordt.
De Statenvertalers zelf hebben dat ook zo bedoeld.

Het echte gezag

Het gezag ligt uiteindelijk niet in een specifieke vertaling, maar in het Woord van God zelf. Dat Woord is gegeven in Hebreeuws, Aramees en Grieks. Vertalingen proberen dat Woord zo betrouwbaar mogelijk weer te geven.
Sommige vertalingen doen dat beter dan andere, maar geen enkele vertaling heeft een exclusief monopolie op Gods stem.

De Statenvertaling verdient respect, waardering en blijvend gebruik. Zij heeft eeuwenlang een centrale rol gespeeld in het geestelijk leven van Nederland.

Maar zodra een vertaling tot een onaantastbare norm wordt verheven, ontstaat een probleem. Dan verschuift het gezag van het Woord van God naar een historische vertaling.
En dat is precies het punt waar liefde voor de Statenvertaling kan omslaan in iets dat zij nooit bedoeld was te zijn: een mythe.

 

 

 

is de statenvertaling de enige juiste bijbel
waar komt de textus receptus vandaan
welke manuscripten gebruikte erasmus
waarom discussie over de statenvertaling
wat is het verschil tussen sv en hsv
zijn moderne bijbelvertalingen betrouwbaar
wat is de oudste bijbeltekst
hoe is de bijbeltekst overgeleverd

Waarom we spreken van de Here Jezus Christus, en niet simpelweg van “Jezus”

Waarom we spreken van de Here Jezus Christus, en niet simpelweg van “Jezus”

In gesprekken hoor je het: “Jezus dit” en “Jezus dat.”
Soms oprecht bedoeld. Soms bijna terloops. Soms zelfs achteloos.

Het komt zelfs ook voor dat Hij benaderd wordt als een  soort butler die geacht wordt in actie te komen op commando.

Maar waarom spreken gelovigen traditioneel van de Here Jezus Christus?
Is dat ouderwets taalgebruik? Vrome gewoonte? Of zit er iets diepers achter?

De Schrift zelf geeft het antwoord.

De naam Jezus — Zijn vernedering

De naam Jezus is de naam van Zijn menswording.

“En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Mattheüs 1:21 STV)

Dat is de naam die Hij ontving bij Zijn geboorte.
De naam van de Mens geworden Zoon.
De naam verbonden aan Bethlehem, Nazareth, Galilea en Golgotha.

In de Evangeliën lezen we hoe mensen “Jezus volgden”. Zij liepen letterlijk achter Hem aan. Zij zagen Hem, hoorden Hem, raakten Hem aan.

Maar de Schrift blijft daar niet bij staan.

Christus — Zijn goddelijke aanstelling

“Christus” betekent: de Gezalfde.
Het is de Griekse vertaling van “Messias”.

“Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” (Mattheüs 16:16 STV)

Christus is dus géén achternaam. Het is een titel.
Het spreekt van Zijn ambt. Zijn goddelijke roeping. Zijn zalving door de Vader.

Als Christus is Hij:

– Profeet
– Priester
– Koning

Wanneer wij Hem “Christus” noemen, belijden wij dat Hij de door God gezonden Verlosser is.

Dat is méér dan alleen de historische Jezus.

Here — Zijn verhoging

Na kruis en opstanding is Hij niet slechts Jezus van Nazareth.

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” (Handelingen 2:36 STV)

Hier klinkt iets beslissends.

God heeft Hem tot Heere gemaakt.

Heere betekent: Soevereine, Meester, Eigenaar.
Het Griekse Kurios werd gebruikt voor absolute heerschappij.

Daarom schrijft Paulus:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.” (Filippenzen 2:9 STV)

En verder:

“Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.” (Filippenzen 2:10 STV)

Wij spreken dus niet meer slechts over de vernederde Jezus.
Wij spreken over de verhoogde Heere.

Waarom dat verschil, zeker vandaag, relevant is

In onze tijd is “Jezus” soms gereduceerd tot een vriendelijke spirituele figuur.
Een inspirerend voorbeeld.
Een zachte rabbi.
Een moreel kompas.

Maar de Bijbel presenteert Hem als veel meer.

Wanneer de apostelen hun brieven openen, schrijven zij niet achteloos.

“Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.” (Romeinen 1:7 STV)

Dat is geen stijlvorm. Dat is belijdenis.

Elke keer dat zij die volle naam gebruiken, erkennen zij:

– Zijn menswording
– Zijn Messiaanse zending
– Zijn koninklijke heerschappij

Het gaat niet om vrome formaliteit

Dit is geen taalpolitie.
Het is geen wettische regel.

Het gaat om erkenning.

Wie Hij is, bepaalt hoe wij Hem noemen.

Wanneer wij spreken van de Here Jezus Christus, doen wij precies wat de Schrift doet: wij belijden Hem in de volheid van Zijn Persoon en werk.

Niet kleiner dan Hij is.
Niet oppervlakkiger dan de apostelen deden.
Niet vertrouwelijker dan gepast is.

Eerbied begint in taal

Taal vormt denken.
Denken vormt geloofsbeleving.

Wie achteloos spreekt, denkt vaak ook achteloos.
Wie belijdend spreekt, houdt zijn hart bij de waarheid.

Hij is Jezus — de Mens geworden Zoon.
Hij is Christus — de Gezalfde van God.
Hij is de Here — verhoogd boven alle naam.

En daarom spreken wij niet simpelweg over “Jezus”.

Daarom: Here Jezus Christus.

lees ook:

Jezus volgen of Christus volgen; geen woordspel, maar een fundament

De Naam die men liever niet noemt

Jezus volgen of Christus volgen; geen woordspel, maar een fundament

Jezus volgen of Christus volgen; geen woordspel, maar een fundament

“Ik wil Jezus volgen.”
“Wij volgen Christus.”

Deze woorden klinken vertrouwd. Ze worden gezongen, gebeden en gepreekt. Maar wat bedoelen we er werkelijk mee? Is het slechts een andere formulering voor hetzelfde? Of zit er een Bijbels onderscheid in dat je niet mag negeren?

Het gaat dus niet om semantiek. om gegoochel met woorden of muggenzifterij achter de komma.

Het gaat om het hart van het Evangelie.

Jezus, de vernederde Knecht

De naam Jezus is de naam van Zijn menswording.

“En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Mattheüs 1:21 STV)

Dat is de naam van Bethlehem. Van Nazareth. Van Galilea. Van Gethsémané.

En van Golgotha.

Wanneer mensen in de Evangeliën Jezus volgden, was dat letterlijk. Zij liepen achter Hem aan. Zij hoorden Zijn onderwijs. Zij zagen Zijn tekenen.

“En Hij zeide tot hen: Volgt Mij, en Ik zal u vissers van mensen maken.” (Mattheüs 4:19 STV)

Maar ook toen al was volgen geen vrijblijvende sympathie.

“Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij.” (Mattheüs 16:24 STV)

Dat is geen religieuze betrokkenheid. Dat is zelfverloochening. Kruisdragen. Sterven aan het eigen ‘ik’

Wie Jezus volgt, verliest zijn oude centrum.

Christus – de Gezalfde, de verhoogde Heer

‘Christus’ is geen achternaam. Het betekent: de Gezalfde. De Messias.  De verheerlijkte. Degene die beloofd was.

“Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” (Mattheüs 16:16 STV)

Hier wordt duidelijk wie Jezus werkelijk is: niet slechts een leraar of rabbi, maar de door God gezalfde Verlosser.

Na kruis, opstanding en hemelvaart verschuift het accent in het Nieuwe Testament. De brieven spreken vooral over Christus, de verheerlijkte Heer.

“Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in den hemel,
Ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;
En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen” (Efeze 1:21-23 STV)

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is” (Filippenzen 2:9 STV)

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” (Kolossenzen 3:1 STV)

Wij volgen Hem niet meer over de stoffige wegen van Galilea. Wij kennen Hem als Degene Die gezeten is aan de rechterhand van God.

Dat is een fundamentele verschuiving.

Wij kennen Hem niet meer naar het vlees

Paulus formuleert dit scherp:

“Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16 STV)

“Naar het vlees” betekent: vanuit het aardse, menselijke perspectief. Als Zoon van David. Als Messias onder de wet.

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.” (Galaten 4:4 STV)

Dat was Zijn aardse bediening.

Maar nu is Hij verhoogd. En Paulus voegt er direct aan toe:

“Daarom, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17 STV)

De gelovige behoort niet meer tot de oude orde. Hij behoort tot de, en is reeds nu al, de jure, een nieuwe schepping.

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.”(Kolossenzen 3:3 STV)

‘Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.”(1 Johannes 3:2 STV)

Wie blijft steken bij de “aardse Jezus” als moreel voorbeeld, mist de heerlijkheid van de verhoogde Christus.

Het gevaar van moralistische navolging

In onze tijd wordt “Jezus volgen” vaak ingevuld als:

– liefdevol leven
– recht doen
– goed zijn voor anderen

Dat klinkt nobel. Maar als het Evangelie gereduceerd wordt tot navolging van een moreel voorbeeld, dan is het kruis uit beeld verdwenen.

De Schrift zegt niet dat wij gered worden door Jezus na te bootsen, maar door te geloven dat Hij de Christus is.

“Opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.” (Johannes 20:31 STV)

Het fundament is geloof.

“Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20 STV)

Navolging begint bij éénwording met Christus in Zijn dood en opstanding. Niet bij gedragsverandering, maar bij een nieuwe positie.

Paulus als voorbeeld van hemelse gerichtheid

Daarom durft Paulus te zeggen:

“Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op hen die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.” (Filippenzen 3:17 STV)

En hij verduidelijkt:

“Weest mijn navolgers, gelijk ook ik van Christus.” (1 Korinthe 11:1 STV)

Hij vraagt geen persoonsverheerlijking. Hij wijst op een levenswandel die gevormd is door de verheerlijkte Christus.

In diezelfde context zegt hij:

“Broeders, ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb. Maar één ding doe ik: vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat vóór is, jaag ik naar het wit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.” (Filippenzen 3:13–14 STV)

Zijn blik is niet gericht op de zienlijke aardse dingen, maar de dingen die boven zijn.

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” (Filippenzen 3:20 STV)

Dát is het kader van Bijbelse navolging.

Jezus volgen en Christus volgen zijn geen twee verschillende wegen. Maar de nadruk is beslissend.

Zonder het belijden dat Jezus de Christus is, blijft men steken bij bewondering.

Zonder leven vanuit de verhoogde Christus, blijft men hangen in een aards perspectief.

Bijbelse navolging is:

geloven dat Jezus de Christus is
vertrouwen op Zijn volbrachte werk
leven vanuit de positie in Hem
zoeken wat boven is
wandelen overeenkomstig het evangelie

De vraag is daarom niet alleen:

Volg jij Jezus?

Maar vooral:

Geloof jij dat Jezus de Christus is  de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Heer?

Dáár begint het leven.
Dáár begint de navolging.

 

Hogepriesterschap van Christus vandaag

Wat het Hogepriesterschap van Christus vandaag voor ons betekent

Niet naar de orde van Aäron, maar naar de orde van Melchizedek

Veel gelovigen spreken over het kruis. Over vergeving. Over opstanding.

Maar de vraag wat Christus nú doet, wordt zelden gesteld. Veel verder dan dat Hij op dit moment in de hemel zit aan de rechterhand van God, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden, gaat het verhaal meestal verder niet.

De Schrift echter, leert niet alleen dat Hij gestorven is en opgestaan, maar leert dat Hij vandáág een bediening vervult — als Hogepriester.

En wat voor een Hogepriester!

Niet naar de orde van Aäron.

Maar naar de orde van Melchizedek.

En dat verschil is cruciaal. De uitleg geeft de brief aan de Hebreeën.

Het Levitische priesterschap: tijdelijk en onvolkomen

Onder de wet stelde God het priesterschap in via Aäron, uit de stam Levi.

Kenmerken:

  • Erfelijk bepaald
  • Verbonden aan de wet van Mozes
  • Gebonden aan een aardse tabernakel
  • Gebaseerd op herhaalde offers
  • Uitgeoefend door sterfelijke mensen

De hogepriester ging éénmaal per jaar het heilige der heiligen binnen (Leviticus 16). Maar hij was zelf zondaar. Hij moest eerst voor zichzelf offeren.

“En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven.”
(Hebreeën 7:23, STV)

Het systeem was nooit afgerond.
Elke generatie bracht een nieuwe hogepriester.

En, heel belangrijk:

“Indien dan de volkomenheid door het Levitische priesterschap ware…”
(Hebreeën 7:11, STV)

Het antwoord is duidelijk: dat was niet zo.

Het bracht géén volkomenheid.

Het was een schaduw.

Christus kon geen priester zijn in de orde van Aäron

Christus kwam niet uit Levi.

“Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; van welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.”
(Hebreeën 7:14, STV)

Volgens de Wet kon Hij dus geen Levitisch priester zijn.

Zijn priesterschap berust niet op afstamming.
Niet op ceremonieel recht.
Niet op de wet van Mozes.

Daarom zegt de Schrift iets revolutionairs:

“Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.”
(Hebreeën 7:17, SV)

Wie was die Melchizedek?

Melchizedek verschijnt in Genesis 14, lang vóór de wet.

De Genesis beschrijft hem als:

  • Koning van Salem
  • Priester van de allerhoogste God
  • Zonder vermelde genealogie

Hij staat los van het Levitische systeem.

Hebreeën zegt:

“Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening… blijft hij een priester in eeuwigheid.”
(Hebreeën 7:3, STV)

Dat betekent niet dat hij letterlijk geen ouders had, maar dat zijn priesterschap niet op afstamming rust.

Dat is precies het punt.

Waarom Melchizedek hoger is dan Aäron

Hebreeën 7 toont twee beslissende argumenten.

Abraham gaf tienden aan Melchizedek

“Ziet dan hoe groot deze geweest is, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft.”
(Hebreeën 7:4, STV)

Abraham is groter dan Levi (want Levi was nog niet uit Abraham geboren).

Tóch gaf Abraham tienden aan Melchizedek.

Dus Melchizedek staat boven Abraham.
En daarmee boven Levi.
En daarmee boven Aäron.

Melchizedek zegende Abraham

“En zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.”
(Hebreeën 7:7, STV)

De meerdere zegent de mindere. (Dit is een glashelder Bijbels principe.Vergelijk ook Genesis 25:23)

Het Melchizedek-priesterschap is dus hoger.

Een verandering van priesterschap betekent verandering van wet

Dit is ook een cruciaal principe, wat vaak verkeerd, of beter nog: niet verstaan wordt.

Hier ligt de kern:

“Want als het priesterschap veranderd wordt, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet.”
(Hebreeën 7:12, STV)

Dit betekent:

Het Levitische systeem kan niet blijven naast dat van Christus.

Er is geen combinatie.
Geen parallel systeem.
Geen aanvulling.

Er is sprake van VERvulling,en daarmee beëindiging van het oude als geldend priestersysteem.

De basis van Christus’ priesterschap

Het Levitische priesterschap was:
  • Naar de wet des vleselijken gebods
  • Tijdelijk
  • Sterfelijk
  • Herhaaldelijk offerend
Christus’ priesterschap is:

“Naar de kracht des onvergankelijken levens.”
(Hebreeën 7:16, SV)

Zijn Opstanding is de grond.

Hij sterft niet meer.
Hij wordt niet opgevolgd.
Hij hoeft niet opnieuw te offeren.

Zijn offer: éénmaal en volkomen

“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.”
(Hebreeën 10:12, STV)

De Levitische priesters stonden dagelijks.

Christus zit.

Zitten betekent: het werk is voltooid.

Er is geen herhaling.
Geen voortdurende offerhandeling.
Geen aanvulling nodig.

Zijn huidige bediening: voorbede

“Waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.”
(Hebreeën 7:25, STV)

Ook Romeinen 8:34 bevestigt:

“Christus is het Die gestorven is; ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.”

Dat is Zijn huidige Hogepriesterlijke bediening.

Hij pleit.
Hij vertegenwoordigt.
Hij leeft.

Onze zekerheid rust niet op onze standvastigheid, maar op Zijn blijvende voorbede.

Vrijmoedige toegang

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade…”
(Hebreeën 4:16, STV)

Onder Aäron: afstand.
Onder Christus: toegang.

Onder de Wet: één man, één keer per jaar.
Onder Genade: iedere gelovige, voortdurend.

Dát is het praktische gevolg van een hoger priesterschap.

De scherpe conclusie

Het Levitische priesterschap was een schaduw.
Dat van Christus is werkelijkheid.

Aäron was tijdelijk.
“Melchizedek” (Christus) is eeuwig.

Het oude systeem was verbonden aan sterfelijkheid.
Het nieuwe rust op onvergankelijk leven.

Wie terugkeert naar aardse bemiddelaars of herhaalde offers, otkent daarmee eigenlijk de verheven positie van Christus.

Hij is niet slechts een betere Aäron.
Hij is Hogepriester naar een hogere orde.

Zijn priesterschap is:

  • Eeuwig
  • Onveranderlijk
  • Volkomen
  • Hemels
En daarom kan Hij ook volkomen zalig maken.

Wij leven niet onder een tijdelijk systeem.
Wij leven onder een levende, hemelse Hogepriester naar de orde van Melchizedek.

Dat is hoger.
Dat is definitief.
Daar kunnen we in rusten.

lees ook:

Wat doet Christus sinds Zijn opstanding?

“Koning Jezus”

Hebreeën 10:25, welke samenkomst?

 

De dag des HEEREN is niet de Zondag

De dag des HEEREN is niet de Zondag, maar wat dan wel?

Er is een hardnekkig misverstand dat al eeuwen meegaat: dat de “dag des HEEREN” in de Bijbel de zondag zou zijn. Maar wie de Schrift zelf laat spreken, ontdekt iets totaal anders. De uitdrukking verwijst niet naar een wekelijkse rustdag, maar naar een ingrijpende, wereldschokkende periode van Gods oordeel.

Dit is geen kwestie van traditie.
Dit is een kwestie van zuivere Bijbeluitleg.

Wat zegt het Oude Testament?

De profeten spreken met ontzag over “de dag des HEEREN”. Het is een dag van:

  • Donkerheid
  • Oordeel
  • Toorn
  • Wereldwijde ontwrichting

Joël 2:1

“Blaast de bazuin te Sion, en roept luid op Mijn heiligen berg; laat alle inwoners des lands beroerd zijn; want de dag des HEEREN komt, want hij is nabij.”

Jesaja 13:9

“Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en zijn zondaars daaruit te verdelgen.”

Vraag:
Lijkt dit op een wekelijkse rustdag?

Nergens wordt hier gesproken over kerkgang samenkomst, aanbidding of een rustdag. Het gaat over oordeel. Over gericht. Over een beslissende ingreep van God in de geschiedenis.

Wat zegt het Nieuwe Testament?

Ook het Nieuwe Testament bevestigt dit profetische karakter.

1 Thessalonicenzen 5:2

“Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.”

2 Petrus 3:10

“Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan.”

Hier gaat het om:

  • Plotselinge komst
  • Kosmische ontbinding
  • Wereldwijd oordeel

Dat is geen Zondag. Dat is eschatologie.

Maar hoe zit het dan met Openbaring 1:10?

Sommigen grijpen dan naar één tekst:

“Ik was in den Geest op den dag des Heeren…”

Hier staat in het Grieks een andere uitdrukking dan in de profetieën over “de dag des HEEREN”.

Bovendien:

  • De zondag wordt in de evangeliën gewoon “de eerste dag der week” genoemd.
  • Nergens leert de Schrift dat de zondag “de dag des HEEREN” heet.
  • Die identificatie komt uit latere kerkelijke traditie.

We moeten Schrift met Schrift vergelijken; niet Schrift met traditie.

Wat ís de dag des HEEREN dan wél?

De dag des HEEREN is:

  • De periode waarin God zichtbaar ingrijpt in de wereld
  • De tijd van grote benauwdheid
  • Het oordeel over de goddeloze wereld
  • De overgang naar het Messiaanse Koninkrijk

Het is de dag waarop de HEERE Zijn recht laat gelden.

Niet wekelijks.
Maar toekomstig.
Niet liturgisch.
Maar profetisch.

Waarom is dit belangrijk?

Als we de dag des HEEREN verwarren met de Zondag:

  • Vervagen we het onderscheid tussen Israël en de Gemeente
  • Maken we profetische teksten symbolisch
  • Verliezen we het zicht op Gods toekomstige handelen

De dag des HEEREN gaat over Gods oordeel over de wereld en Zijn herstel van Israël — niet over een kerkelijke samenkomstdag.

Conclusie

De Zondag is de eerste dag van de week. en tevens geen vervanging van de Sabbat, dat is de zevende dag van de week.
De dag des HEEREN is de dag van Gods ingrijpen.

Wie de Bijbel serieus neemt, kan die twee niet gelijkstellen.

Zorg dat die dag niet als een verrassing komt!

lees ook:

Reformatorische “Zondagsverdwazing” in het nieuws

Op de site van Israel en de Bijbel: Openbaring en de dag des Heeren

En het Reformatorisch smaldeel fietst met een flinke theologische boog om de hete brij heen:

Digibron, Waarom is zondag bijzonder?

https://www.rd.nl/tag/1810-zondagsrust

Wat bedoelt de Bijbel met “leven uit Genade”?

Leven uit Genade

Geen religie. Geen prestatie. Stoppen met proberen. Rust in volbracht werk.

Wat bedoelt de Bijbel met “leven uit Genade”?

Veel christenen geloven in Genade,maar leven er niet uit.
Ze zijn gered door Genade, maar proberen daarna verder te leven op basis van inzet, discipline en inspanning.

Toch zegt de Schrift iets radicaals:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9 (Statenvertaling)

Genade is geen aanvulling op jouw tekort.
Genade is Gods initiatief van begin tot eind.

Onder de Wet of onder de Genade?

Paulus maakt een messcherp onderscheid:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”
— Romeinen 6:14 (Statenvertaling)

Dit is geen nuanceverschil.
Dit is een cruciaal onderscheid.

Onder de Wet:

  • geldt eis en voorwaarde
  • staat gehoorzaamheid centraal
  • volgt veroordeling bij falen

Onder de Genade:

  • staat Christus’ volbrachte werk centraal
  • wordt gerechtigheid toegerekend
  • is er geen verdoemenis voor wie in Christus is

De wet zegt: doe dit en gij zult leven.
Genade zegt: het is volbracht.

Maar leidt Genade niet tot losbandigheid?

Dat bezwaar bestond in Paulus’ dagen al.

“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre.”
— Romeinen 6:1–2 (Statenvertaling)

Genade is geen vrijbrief tot zonde.
Genade verandert de positie én het hart.

De Wet probeert gedrag te beheersen van buitenaf.
Genade vernieuwt van binnenuit.

Waarom worstelen zoveel gelovigen dan toch?

Omdat ze geestelijk leven alsof ze nog onder Sinaï staan, terwijl ze feitelijk onder Golgotha geplaatst zijn.

Ze meten hun aanvaarding bij God aan:

  • hun stille tijd
  • hun gehoorzaamheid
  • hun geestelijke prestaties
  • hun gevoel

Maar Paulus zegt:

“Maar indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer.”
— Romeinen 11:6 (Statenvertaling)

Zodra werken grond worden, verdwijnt genade.

Wat betekent leven uit Genade concreet?

Rust

Je behoud rust op Christus’ werk, niet op jouw wisselende trouw of emotie.

Zekerheid

Je positie bij God verandert niet met je prestaties.

Dankbaarheid

Gehoorzaamheid wordt vrucht, geen voorwaarde.

Vrijheid

Geen religieuze slavernij, maar wandelen in de Geest.

Waar het om gaat:

Leven uit Genade betekent:

Christus centraal

niet de mens

vertrouwen

geen prestatie

zekerheid

geen angst

Het is niet: “Ik hoop dat ik het red.”
Het is: “Hij heeft het volbracht.”

 

En dát verandert alles.

lees ook:

De wet van Christus – Bijbelse basis

De vloek van de wet – Bijbelse basis

“Ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden, maar te vervullen” – Bijbelse basis

Vrij van de Wet , o vreugdevol leven – Bijbelse basis

De Bergrede is geen wet voor de christen – Bijbelse basis

De Wet, alleen de vloek weggenomen? – Bijbelse basis

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet? – Bijbelse basis

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de wet? (2) – Bijbelse basis

De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?” – Bijbelse basis

 

Is ‘het volmaakte’ gekomen?

Is ‘het volmaakte’ gekomen?

En waarom de tekengaven verdwijnen in Paulus’ latere brieven

De vraag “Is het volmaakte gekomen?” is geen academische zijlijn, maar raakt het hart van de discussie over profetie, tongentaal en moderne openbaringsclaims. Wie deze vraag serieus neemt, ontdekt iets opmerkelijks: niet alleen leerstellig,ook binnen het Nieuwe Testament zelf verdwijnen de tekengaven geleidelijk uit beeld.

De sleuteltekst is 

“Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.” 1 Korintiërs 13:10 (SV)

De context: tijdelijk tegenover blijvend

Paulus schrijft aan een gemeente die geestelijke gaven verabsoluteerde. Daarom zet hij in 1 Korinthe 13 een scherp contrast neer:

  • profetieën → zullen te niet gedaan worden
  • tongen → zullen ophouden
  • kennis (openbarend) → zal te niet gedaan worden

Daartegenover staat de liefde:

“De liefde vergaat nimmermeer.”

De tegenstelling is duidelijk: gaven zijn tijdelijk, liefde is blijvend.

“Ten dele” en “volmaakt”

Paulus spreekt over twee fasen:

  1. Het ten dele
  • onvolledige openbaring
  • fragmentarische kennis
  • profetieën en tongentaal als hulpmiddelen
  1. Het volmaakte
  • volledigheid
  • rijpheid
  • geen aanvullende openbaring meer nodig

Dat blijkt uit zijn illustratie:

“Toen ik een kind was… maar toen ik een man geworden was, heb ik het kinderlijke te niet gedaan.” (vers 11)

Dit gaat niet over hemel en aarde, maar over onvolwassenheid versus volwassenheid.

Waarom “het volmaakte” niet de wederkomst is

De populaire uitleg dat “het volmaakte” de wederkomst van Christus zou zijn, houdt bij nadere lezing geen stand.

De beeldspraak van volwassenwording

Een kind wordt tijdens zijn leven volwassen — niet bij de wederkomst. Paulus beschrijft een proces binnen deze bedeling.

Van aangezicht tot aangezicht”

Deze uitdrukking betekent in de Bijbel ook: heldere, directe openbaring. Mozes sprak “van aangezicht tot aangezicht” met God (Numeri 12:8), zonder dat hij in de hemel was.

“Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond,….” Hebreeen 2:9

De aard van de gaven

De genoemde gaven voegen openbaring toe. Zodra Gods openbaring compleet is, verliezen ze hun functie.

Wat is “het volmaakte” dan wél?

“Het volmaakte” duidt op de voltooide openbaring van Gods Woord.

  • In de begintijd van de gemeente was de openbaring onvolledig
  • God sprak via apostelen en profeten
  • Hun onderwijs werd vastgelegd in geschriften
  • Toen dit proces voltooid was, was Gods openbaring compleet

Daarom schrijft Paulus dat de gemeente is:

“gebouwd op het fundament van apostelen en profeten”
Efeze 2:20

Een fundament leg je één keer. Niet steeds opnieuw.

Het doorslaggevende bewijs: Paulus’ latere brieven

Dit alles blijft geen platgeslagen theorie. Het wordt zichtbaar in de ontwikkeling van Paulus’ eigen brieven.

Vroege brieven (Handelingen-periode)

In vroege brieven, zoals Eerste brief aan de Korintiërs, spelen tekengaven nog een rol:

  • tongentaal
  • profetie
  • tekenen ter bevestiging van apostolisch gezag

Dat past bij een periode van:

  • opbouw
  • onvoltooide openbaring
  • bevestiging van nieuwe waarheid

Latere brieven: een opvallende stilte

In Paulus’ latere brieven gebeurt iets veelzeggend:

geen tongentaal, geen profetieën
geen aansporing om tekenen te zoeken

In plaats daarvan ligt de nadruk op:

  • gezonde leer
  • trouw aan de ontvangen Schrift
  • volharding en lijden
  • orde en structuur in de gemeente

Voorbeelden:

  • Brief aan de Kolossenzen – Christus is volkomen, niets toevoegen
  • Brief aan de Efeziërs – leerstellige afronding
  • Tweede brief aan Timotheüs – “Al de Schrift is van God ingegeven”

De focus verschuift van openbaring ontvangen naar openbaring bewaren.

Een confronterend detail: Paulus geneest niet meer

In Handelingen geneest Paulus zieken. Maar later schrijft hij:

“Trofimus heb ik ziek achtergelaten te Milete.”
2 Timotheüs 4:20

Als genezing een blijvende norm was, is dit onverklaarbaar.
Maar als de tekengaven tijdelijk waren, is het volkomen logisch.

Dit is geen tekort aan geloof, maar een nieuwe fase in Gods heilsplan

Waarmee natuurlijk niet gezegd is dat Paulus niet gebeden heeft voor de genezing van Trofimus

Wat komt ervoor in de plaats?

Niet leegte, maar verdieping:

  • 📖 het gezag van de Schrift
  • 🧠 onderscheidingsvermogen
  • 🧱 vaste fundamenten
  • 🧭 geestelijke volwassenheid

“Blijf in hetgeen gij geleerd hebt.” (2 Tim. 3:14)

Niet: zoek nieuwe openbaring
Maar: bewaar wat je ontvangen hebt

Samengevat

Ja, het volmaakte is gekomen.
Niet omdat Christus al is teruggekeerd, maar omdat Gods openbaring voltooid is.

En ja — dat is precies de reden dat de tekengaven:

  • verdwijnen uit Paulus’ latere brieven
  • geen rol meer spelen in het normale gemeenteleven
  • hun doel hebben vervuld

Wat tijdelijk was, is voorbijgegaan.
Wat blijvend is, blijft: het Woord, het geloof, de hoop en de liefde ,

en de liefde is de meeste.

Jesaja 28:11, andere tongen en de Naam van Jezus

Jesaja 28:11, andere tongen en de Naam van Jezus

Profetie, taal en leerstellige consequenties

Een vraag die zelden expliciet wordt gesteld, maar des te meer gewicht draagt, is deze:

Waarom is het Nieuwe Testament niet in het Hebreeuws geschreven, maar in het koine Grieks?

Het gebruikelijke antwoord luidt: “omdat Grieks de wereldtaal was.” Dat is historisch correct — maar leerstellig onvoldoende. Wie Schrift met Schrift vergelijkt, stuit onvermijdelijk op Jesaja 28:11, een tekst die door de apostel Paulus zelf wordt aangehaald en toegepast. Die tekst blijkt niet slechts een losse waarschuwing, maar een profetisch principe dat diep ingrijpt in de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament.

De profetie van Jesaja 28:11

“Want door belachelijke lippen en door een andere tong zal Hij tot dit volk spreken.” (STV)

De context van Jesaja 28 is scherp en confronterend. Israël, met name de leiders,  weigert te luisteren naar Gods duidelijke, herhaalde onderwijzing. Zij bespotten het Woord als kinderachtig en simplistisch.

Gods antwoord is indringend: als jullie Mijn verstaanbare taal verwerpen, dan zal Ik tot jullie spreken in een taal die jullie níét verstaan.

Historisch wijst dit op buitenlandse overheersers, maar leerstellig wordt hier een principe vastgelegd:

Het spreken van God in een andere taal is een teken van oordeel over ongeloof

Paulus bevestigt de profetische lijn

Paulus haalt deze tekst expliciet aan in 1 Korinthe 14:21 en noemt haar zelfs “de wet”. Zijn conclusie is helder: vreemde talen zijn een teken voor ongelovigen, in de eerste plaats voor Israël.

Hiermee maakt Paulus duidelijk dat taal in de heilsgeschiedenis geen neutraal gegeven is. Het hoe van Gods spreken draagt betekenis, niet alleen het wat.

Van Hebreeuws naar andere tongen

In het Oude Testament spreekt God primair:

  • via Hebreeuwse profeten
  • tot één verbondsvolk
  • binnen een nationale bedding

In het Nieuwe Testament verandert dit zichtbaar:

  • Pinksteren gaat gepaard met meerdere talen
  • de prediking richt zich op de volken
  • de Schrift wordt vastgelegd in koine Grieks

Dit is geen toeval, maar een uitwerking van Jesaja 28. God spreekt nog steeds, maar niet langer uitsluitend Hebreeuws.

De Septuaginta als schakel

Eeuwen vóór Christus bestond al de Griekse vertaling van het Oude Testament: de Septuaginta. Feitelijk betekent dit:

  • Gods Woord functioneerde al buiten het Hebreeuws
  • de apostelen citeren het Oude Testament meestal in Griekse vorm
  • Grieks was al een drager van openbaring

God had Zijn Woord dus al losgemaakt van één exclusieve taal, nog vóór het Nieuwe Testament werd geschreven.

Oordeel én Genade in één beweging

Wat in Jesaja 28 oordeel is voor een ongehoorzaam Israël, wordt in het Nieuwe Testament tegelijk genade voor de volken. Dezelfde ‘andere tongen’ die oordeel aankondigen, openen nu het heil wereldwijd.

Paulus verwoordt dit scherp in Romeinen 11: door Israëls val is het heil naar de heidenen gekomen. Het Grieks van het Nieuwe Testament belichaamt deze verschuiving.

De Naam van Jezus en de kwestie ‘Yeshua’

In dit licht is ook de hedendaagse neiging om consequent over “Yeshua” te spreken leerstellig en historisch problematisch.

Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks en gebruikt consequent de naam Ἰησοῦς (Iēsous). Dat is geen hellenisering uit onwetendheid, maar een bewuste en geïnspireerde keuze. De apostelen — Joden — hadden geen enkele moeite om de Messias met zijn Griekse naamvorm aan te duiden.

De redenering dat alleen “Yeshua” authentiek zou zijn, miskent:

  • dat God Zelf ervoor koos Zijn Zoon in een Griekstalig corpus te laten verkondigen
  • dat de naam Iēsous rechtstreeks is afgeleid van de Hebreeuwse naam, maar aangepast aan de ontvangende taal
  • dat taalverandering geen geestelijk verlies impliceert

Sterker nog: het vasthouden aan een exclusief Hebreeuwse naam/taal staat haaks op het principe van Jesaja 28. God spreekt juist in andere tongen — ook als het om de Naam gaat.

De Nederlandse naam Jezus (via Latijn Iesus) is daarom geen verbastering, maar een legitieme voortzetting van dezelfde beweging: verstaanbaarheid voor de hoorders.

Geen ‘heilige taal’, maar een heilig Woord

De Schrift leert nergens dat één taal heiliger zou zijn dan een andere. Integendeel:

  • gehoorzaamheid gaat boven taalvorm
  • verstaanbaarheid is een goddelijk principe
  • God past Zijn spreken aan aan Zijn doel

Het Nieuwe Testament in het Grieks — inclusief de Naam Iēsous — is geen concessie aan de cultuur, maar een leerstellig signaal: God spreekt nu tot de wereld.

Conclusie

Jesaja 28:11 vormt een profetische sleutel tot:

  • Pinksteren
  • de heidenzending
  • het Grieks van het Nieuwe Testament
  • én de naamgeving van Jezus

Dat het Nieuwe Testament niet in het Hebreeuws is geschreven, en dat de Messias daarin Iēsous heet, is allesbehalve toeval. Het is oordeel over ongeloof, genade voor de volken en een bevestiging dat God niet gebonden is aan één taal — ook niet aan één naamvorm.

Zoals Jesaja voorzegde: God zou spreken door andere tongen.

Welke taal Jezus sprak

Welke taal Jezus sprak

Sprak Jezus Grieks? Een vraag die meer beantwoordt dan je denkt

“Sprak Jezus eigenlijk wel Grieks?”
Het is zo’n vraag die vaak opduikt in reacties onder Bijbelvideo’s of artikelen. Meestal wordt deze gesteld met een zekere achterdocht: als Jezus Aramees sprak en de evangeliën Grieks zijn, hoeveel van Zijn woorden zijn dan nog betrouwbaar?

Achter die vraag zit meer dan taalkunde. Ze raakt aan vertrouwen in de tekst van het Nieuwe Testament zelf.

De profeet Jesaja sprak honderden jaren voordien al;

“Daarom zal Hij door belachelijke lippen en door een andere tong tot dit volk spreken,” (Jesaja 28:11 STV)

De verleiding van een ‘Aramese ontsnapping’

Het idee is bekend: Jezus sprak Aramees, de evangelisten schreven Grieks, en dus zouden veel fijne betekenisnuances – werkwoordstijden, woordkeuze, zelfs theologische accenten – eigenlijk niet van Jezus zelf zijn. Soms wordt dit gebruikt om lastige uitspraken te relativeren.
“Zo zal Hij het wel niet letterlijk bedoeld hebben.”

Maar hier wringt iets. We bezitten geen Aramese brontekst van de evangeliën. Wat we wél hebben, is de Griekse tekst zoals die is overgeleverd en ontvangen door de kerk. De vraag is dus niet: wat zou Jezus misschien in het Aramees gezegd hebben?
De echte vraag is: kunnen we vertrouwen op het Grieks dat we hebben?

Stanley Porter en een verrassend antwoord

Juist op dat punt is het onderzoek van Stanley E. Porter verhelderend. In zijn invloedrijke artikel Did Jesus Ever Teach in Greek? (pdf 1993) komt hij tot een duidelijke conclusie:

Ja – Jezus sprak zeer waarschijnlijk bij verschillende gelegenheden Grieks.

Niet als academische uitzondering, maar als realistische optie binnen zijn dagelijkse bediening.

Galilea was geen taaleiland

Vaak wordt Galilea voorgesteld als een afgelegen, Arameessprekende uithoek. In werkelijkheid was Beneden-Galilea sterk beïnvloed door de Grieks-hellenistische cultuur:

  • het lag tussen handelsroutes;
  • het was omringd door Griekstalige steden;
  • Grieks functioneerde als handelstaal en omgangstaal.

Vissers, tollenaars en handelaars konden zich eenvoudigweg niet permitteren om géén Grieks te spreken. Dat geldt dus ook voor meerdere discipelen van Jezus.

De Bijbel zelf hint al richting Grieks

Ook het Nieuwe Testament zelf geeft subtiele maar belangrijke aanwijzingen:

  • In Handelingen 6 wordt onderscheid gemaakt tussen Hellenisten en Hebreeën – een duidelijk taalkundig onderscheid.
  • De zeven mannen die worden aangesteld om de Griekssprekende gemeente te dienen, hebben allemaal Griekse namen.
  • Galilea wordt genoemd als “Galilea der heidenen” – geen toeval, maar context.

Dit wijst op een samenleving waarin meertaligheid normaal was.

Archeologie spreekt mee

Buitenbijbelse gegevens versterken dit beeld aanzienlijk:

  • Papyrusvondsten uit Palestina (contracten, huwelijksakten, schuldbekentenissen) zijn vaak in het Grieks.
  • Joodse religieuze literatuur werd niet zelden in het Grieks geschreven of bewaard.
  • Ongeveer zeventig procent van alle bekende Joodse inscripties uit het Middellandse Zeegebied is Grieks.

Dat is geen randverschijnsel meer.

Jezus’ eigen gesprekken

Twee evangeliepassages zijn bijzonder veelzeggend.

Jezus en Pilatus

Het verhoor van Jezus door Pilatus verloopt snel, zonder tolk. Pilatus sprak vrijwel zeker geen Aramees. Grieks is hier veruit de meest waarschijnlijke voertaal.

De Syro-Fenicische vrouw

In Marcus 7 wordt deze vrouw expliciet Grieks genoemd. De woordkeuze in het gesprek – inclusief een betekenisvol verkleinwoord – werkt alleen goed als Jezus hier daadwerkelijk Grieks sprak.

Wat betekent dit?

Niet dat Jezus altijd Grieks sprak. Aramees was zonder twijfel zijn moedertaal. Maar het idee dat Hij uitsluitend Aramees sprak, houdt geen stand.

En dat heeft gevolgen:

  • De Griekse tekst van het Nieuwe Testament hoeft niet constant verdedigd te worden tegen een hypothetisch Aramees origineel.
  • Taalkundige nuances in het Grieks mogen serieus genomen worden.
  • Jezus’ woorden komen dichterbij, niet verderaf.

Géén heilige taal

Misschien is dit wel de diepste les. God heeft geen “heilige voorkeurstaal”.
De Bijbel zelf ademt meertaligheid. En Jezus, midden in een cultureel kruispunt, sprak de talen van de mensen die Hij ontmoette.

Niet om theologisch veilig te blijven
maar eenvoudig om verstaan en begrepen te worden.

De Galilese bruiloft: een moderne mythe doorgeprikt

11 minuten lezen

De beker van het avondmaal

“Toen Jezus de avondmaalsbeker met wijn aan Zijn discipelen aanbood, hebben zij direct gedacht aan de beker die een bruidegom aan zijn toekomstige bruid aanbood. Dronk ze die beker, dan stemde ze in met het huwelijksaanzoek.”

Deze claim hoorde ik afgelopen zondag tijdens een preek over Mattheus 26:26-30. De gedachte is gebaseerd op de symboliek van de zogenoemde ‘Galilese bruiloft’. Volgens deze theorie zou het sluiten van huwelijken in Galilea op allerlei bijzondere manieren verweven zijn in de tekst van het Nieuwe Testament. De gelijkenissen van de Here Jezus, maar ook zijn directe uitspraken en veel profetieën worden dan gelezen met deze ‘Galilese bruiloft’ in het achterhoofd. Een aantal parallellen die men trekt zijn:

 

  • De bruidegom biedt de bruid in spe een beker wijn aan in het bijzijn van zijn vader of getuigen: Zo biedt Jezus de avondmaalsbeker aan de discipelen aan;
  • De bruidegom en bruid zien elkaar niet meer na het drinken van de beker, totdat ze getrouwd zijn: “Ik zeg u dat Ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader” (Mattheüs 26:29);
  • De bruidegom maakt een plaats gereed voor zijn bruid in of bij het huis van zijn vader: “In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken” (Johannes 14:2);
  • De bruidegom weet niet wanneer hij de bruid mag ophalen, dit bepaalt de vader. Alleen hij weet wanneer het feest begint: “Niemand weet de dag of het uur maar alleen de Vader” (Mattheüs 24:36);
  • De bruidegom komt onverwacht, meestal ‘s nachts, om zijn bruid op te halen: Gelijkenis van de vijf wijzen en de vijf dwaze maagden (Mattheüs 25:1-13);
  • De bruid moet altijd klaarstaan, met haar lamp brandend (dezelfde gelijkenis)
  • De bruidegom grist de bruid weg: hierin ziet men de opname van de gemeente;
  • Het bruiloftsfeest duurt zeven dagen: De bruiloft van het Lam duurt zeven jaar en valt gelijk met de ‘zevenjarige’ verdrukking die op aarde zal zijn.

Klopt dit wel?

Maar klopt dit beeld eigenlijk wel? Bestond er wel zoiets als een unieke, mysterieuze ‘Galilese bruiloft’ die fundamenteel anders was dan huwelijksfeesten elders in Israël? En waar is deze gedachte op gebaseerd?

In dit blog neem ik je mee op een zoektocht naar de oorsprong van dit idee. Ik laat zien dat het verhaal van de ‘Galilese of Joodse bruiloft’ niet is gebaseerd op Joodse bronnen uit de tijd van Jezus. Het verhaal is uitgegroeid tot een geliefd symbool in sommige christelijke kringen, maar het blijkt een moderne mythe te zijn. Het is voortgekomen uit de fantasie van enkele schrijvers die (misschien goedbedoeld?) onze liefde voor de Heer willen aanwakkeren. Lees verder op Jolande’s blog>>>

 

#galilesebruiloft #opnamevandegemeente #kritiek #mythe

Geverifieerd door MonsterInsights