Terug naar sabbat en feesten? Het antwoord van Paulus en Handelingen 15

Terug naar sabbat en feesten? Het Nieuwe Testament zegt iets anders

Waarom Sabbat en Bijbelse feestdagen weer populair worden

Moeten christenen de Sabbat houden en de Bijbelse feestdagen vieren? Het Nieuwe Testament geeft daar een verrassend duidelijk antwoord op.

In steeds meer christelijke kringen klinkt de oproep om terug te keren naar de Sabbat en de Bijbelse feestdagen. Men zegt dat deze door God zelf zijn ingesteld en dat Christenen daarom eigenlijk weer zouden moeten leven volgens deze kalender.

Dat klinkt best vroom. Wie kan er immers tegen “Bijbelse feesten” zijn?

Maar zodra we het Nieuwe Testament serieus nemen, ontstaat er een probleem. Want juist het Nieuwe Testament — en vooral de brieven van Paulus — verzetten zich scherp tegen het opnieuw opleggen van zulke voorschriften.

SCHADUW of CHRISTUS?

Het probleem bestond al in de eerste gemeente

De discussie die vandaag terugkeert, bestond al in de eerste eeuw.

Sommige gelovigen uit het Jodendom begonnen namelijk te leren dat heidenchristenen ook de wet van Mozes moesten gaan houden.

“En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.”
(Handelingen 15:1, STV)

Dat was geen klein verschil van mening. Het ging om een fundamentele vraag:

Moeten christenen uit de heidenen onder de wet van Mozes leven?

Als het antwoord ja was, betekende dat automatisch:

  • besnijdenis
  • sabbat
  • Joodse feestdagen
  • voedselwetten

Het hele systeem van de Torah. Geen ‘pick and choose’.

Het apostelconvent in Handelingen 15

Daarom komen de apostelen en oudsten samen in Jeruzalem. Wat daar besloten wordt is cruciaal voor het hele christendom.

Petrus neemt het woord en zegt:

“Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?”
(Handelingen 15:10, STV)

Let op dat woord: juk.

Volgens Petrus zou het opleggen van de wet aan heidenchristenen betekenen dat men hen onder een religieus systeem plaatst dat zelfs Israël nooit heeft kunnen dragen.

Daarom zegt hij vervolgens:

“Maar wij geloven door de genade van den Heere Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.”
(Handelingen 15:11, STV)

Niet door wetsonderhouding.
Maar door Genade.

Waarom de apostelen de wet niet oplegden aan heidenen

De conclusie van het apostelconvent is glashelder.

“Daarom oordeel ik, dat men degenen uit de heidenen, die zich tot God bekeren, niet beroere.”
(Handelingen 15:19, STV)

En in de brief aan de gemeenten staat:

“Het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen.”
(Handelingen 15:28, STV)

Opvallend is wat er niet wordt opgelegd.

Niet:

  • besnijdenis
  • sabbat
  • Joodse feestdagen
  • de wet van Mozes

Als deze dingen essentieel waren geweest voor christenen, dan was dit precies het moment geweest om ze verplicht te stellen.

Maar dát gebeurt niet.

Kolossenzen 2: sabbatten zijn een schaduw

Paulus sluit volledig aan bij deze beslissing.

Hij schrijft:

“Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten; Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.”
(Colossenzen 2:16–17, STV)

De termen die Paulus noemt zijn precies de onderdelen van de Joodse kalender:

  • voedselwetten
  • feestdagen
  • nieuwe maan
  • sabbatten

En Paulus noemt ze een schaduw.

Een schaduw heeft een functie: zij wijst vooruit naar iets dat komt. Maar zodra de werkelijkheid verschijnt, wordt de schaduw niet meer het centrum.

Die werkelijkheid is Christus.

Galaten 4: terug naar religieuze kalenderwetten

In Galaten gaat Paulus nog verder.

“Maar nu, God kennende, ja veelmeer van God gekend zijnde, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?
Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.”
(Galaten 4:9–10, STV)

Paulus beschrijft hier precies wat vandaag opnieuw populair wordt:

  • religieuze kalender
  • heilige dagen
  • vaste tijden en feesten

En zijn oordeel is scherp.

Het is geen geestelijke verdieping, maar een terugkeer naar “zwakke en arme beginselen”.

De sabbat als teken voor Israël

In het Oude Testament had de sabbat een duidelijke functie.

“Gij dan, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten.”
(Exodus 31:13, STV)

De sabbat was een verbondsteken tussen God en Israël.

Het Nieuwe Testament leert nergens dat dit teken is overgedragen aan de gemeente.

Daarom kan Paulus ook schrijven:

“De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.”
(Romeinen 14:5, STV)

Als de sabbat voor christenen een bindend gebod was geweest, had Paulus dit nooit zo kunnen zeggen.

De focus van het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament verplaatst de aandacht van religieuze kalenderdagen naar Christus Zelf.

De sabbat wees vooruit naar de rust die in Hem gevonden wordt.

“Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.”
(Matthéüs 11:28, STV)

De gelovige leeft daarom niet onder een kalender van heilige dagen, maar in de vrijheid van het evangelie.

De sabbat en de Bijbelse feesten hebben een belangrijke plaats in de heilsgeschiedenis. Zij waren:

  • profetische schaduwen
  • onderwijs voor Israël
  • vooruitwijzingen naar Christus

Maar het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat zij niet de norm zijn voor de gemeente van Christus.

Het apostelconvent weigert de wet van Mozes aan heidengelovigen op te leggen. Paulus noemt sabbatten en feestdagen schaduwen en waarschuwt tegen een terugkeer naar religieuze kalenderwetten.

De gemeente leeft niet onder de schaduw.

Zij leeft in de werkelijkheid.

En die werkelijkheid is Christus Zelf.

lees ook:

https://www.israelendebijbel.nl/nl/kennisbank-artikel/2020/11/03/Moeten-wij-ons-aan-de-Wet-van-Mozes-houden

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén

De verborgenheid van de Gemeente

De Gemeente is geen Israël

Het verschil tussen de tijd van het Koninkrijk en de tijd van de Gemeente

 

 

 

 

sabbat nieuw testament uitleg
wet van mozes christenen bijbel
moeten christenen de torah houden
hebrew roots bijbels antwoord
sabbat volgens paulus
bijbelse feesten verplicht christenen
torah observance christenen kritiek
kolossenzen 2:16 sabbat uitleg
galaten 4 dagen maanden tijden jaren uitleg
handelingen 15 wet van mozes uitleg

De Statenvertaling verdient waardering, géén absolutisme

Wanneer een vertaling heilig wordt verklaard.

1637 is géén Sinaï

Directe aanleiding voor dit artikel is de recente ophef in Reformatorische hoek. Verdeeldheid heet het, met zoveel woorden; straks 4 versies in omloop en wat dan??

In deze kringen wordt de Statenvertaling behandeld alsof deze zelf bijna een heilige status heeft. Alsof 1637 het eindpunt van Gods voorzienigheid in de geschiedenis van de Bijbeltekst zou zijn. Alsof wie een andere vertaling gebruikt zich op glad ijs begeeft. Dat klinkt vroom, maar het is historisch niet vol te houden. De Statenvertaling is een monument van geloof en taal, maar zij rust voor het Nieuwe Testament op de Textus Receptus van Desiderus Erasmus, een teksteditie uit de zestiende eeuw gebaseerd op een beperkt aantal relatief late manuscripten. Wie dat eerlijke historische feit niet wil onder ogen zien, verdedigt uiteindelijk niet de Schrift, maar een traditie.

De Statenvertaling is een monument in de geschiedenis van de kerk in Nederland. Generaties gelovigen hebben door deze vertaling de Schrift leren kennen. Haar taal heeft het geloofsleven gevormd, preken gedragen en het geestelijk vocabulaire van eeuwen bepaald. Daar mag met recht dankbaarheid voor zijn.

Laat dat eerst duidelijk zijn. De Statenvertaling behoort tot de grootste prestaties uit de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme. Zij werd gemaakt door bekwame geleerden, zorgvuldig vertaald uit de grondtalen en met grote eerbied voor het Woord van God.

Daarom is waardering voor deze vertaling volkomen terecht.

Maar waardering is iets anders dan verabsolutering. En juist daarom is het zorgelijk dat de Statenvertaling in sommige kringen niet meer alleen wordt gewaardeerd, maar verabsoluteerd. Wat begon als liefde voor een vertaling, is hier en daar veranderd in een vorm van exclusivisme die historisch en inhoudelijk niet houdbaar is.
En dat probleem beperkt zich allang niet meer tot bepaalde reformatorische kerkverbanden.

De Statenvertaling is geen vierde taal van de openbaring

De Bijbel is door God gegeven in:

  • Hebreeuws

  • Aramees

  • Grieks

Niet in Nederlands.

De Statenvertaling is dus geen geïnspireerde tekst, maar een vertaling van de geïnspireerde tekst. Een zeer zorgvuldige vertaling, maar nog steeds een vertaling.

Wie doet alsof de Statenvertaling zelf een bijzondere, bijna onaantastbare status heeft gekregen, schrijft ongemerkt iets toe aan een vertaling wat alleen aan de Schrift zelf toekomt.

Wanneer een vertaling bijna vereerd wordt, dreigt de geschiedenis van de Bijbeltekst uit beeld te verdwijnen. De Statenvertaling is een monument van geloof en taal, maar rust op de Textus Receptus-traditie van Desiderus Erasmus, niet op de oudste manuscripten die we vandaag kennen. Liefde voor de Statenvertaling is terecht; absolutisme is dat niet.

De exclusiviteitsclaim

In verschillende kringen hoort men tegenwoordig stellige uitspraken zoals:
alleen de Statenvertaling is betrouwbaar
andere vertalingen zijn verdacht of onbetrouwbaar
God heeft Zijn Woord in het bijzonder in de Statenvertaling bewaard.
Dat klinkt vroom en principieel. Maar historisch klopt het eenvoudig niet.
De Statenvertaling is een vertaling uit 1637. Zij is gebaseerd op de tekstuitgaven die destijds beschikbaar waren, en voor het Nieuwe Testament vooral op de Textus Receptus, de Griekse teksttraditie die in de zestiende eeuw door onder anderen Erasmus werd samengesteld.
Dat betekent dat de Statenvertaling niet gebaseerd is op de oudste manuscripten die wij tegenwoordig kennen. Die manuscripten waren in de tijd van de Statenvertalers eenvoudig nog niet ontdekt.
Dat is geen kritiek op de Statenvertalers. Het is simpelweg een historisch feit.

Erasmus was geen onfeilbare teksteditor

De Textus Receptus is ontstaan in een concrete historische situatie. Erasmus had slechts een beperkt aantal relatief late handschriften tot zijn beschikking. In sommige gevallen moest hij zelfs improviseren.
Zo ontbrak in zijn manuscript een deel van het boek Openbaring, waardoor hij het ontbrekende gedeelte vanuit het Latijn weer terug naar het Grieks vertaalde. Dat soort details laten zien dat de Textus Receptus een historisch gegroeide teksteditie is, geen wonderbaarlijk onaantastbare standaardtekst.
Wie dus doet alsof de Statenvertaling rechtstreeks rust op de perfecte en oudste tekst, vertelt een verhaal dat historisch niet klopt.

De Statenvertalers zelf waren nuchter

Het is opvallend dat sommige hedendaagse verdedigers van de Statenvertaling stelliger zijn dan de Statenvertalers zelf ooit waren. De vertalers wisten heel goed dat zij vertaalden. Zij wisten ook dat taal verandert en dat revisie soms nodig kan zijn.
Zij zagen hun werk niet als een onaantastbare eindstap in de geschiedenis van de Bijbelvertaling.
Dat latere generaties hun vertaling soms behandelen alsof zij zelf een soort canonieke status heeft gekregen, zou hen waarschijnlijk verbazen.

Fanatisme, ook buiten de reformatorische gezindte

Opvallend genoeg beperkt dit verschijnsel zich niet tot de traditionele reformatorische kerken.
Ook daarbuiten bestaan bewegingen die een bijna absolute status aan de Statenvertaling toekennen. Op websites zoals sv1637.org wordt de indruk gewekt dat de Statenvertaling de enige betrouwbare Bijbel zou zijn.
Dergelijke claims gaan nog een stap verder dan wat in veel kerkelijke kringen wordt gezegd. Daar wordt soms de suggestie gewekt dat andere vertalingen principieel onbetrouwbaar zijn, of zelfs dat moderne tekstkritiek een bedreiging vormt voor het Woord van God.
Het probleem met dit soort redeneringen is dat zij niet alleen historisch zwak zijn, maar ook geestelijk contraproductief.

Wanneer verdediging omslaat in schade

Wie de Statenvertaling verdedigt met overdreven claims, bereikt uiteindelijk het tegenovergestelde van wat men bedoelt.
Wanneer men beweert dat alleen één specifieke vertaling betrouwbaar is, terwijl aantoonbaar is dat deze vertaling gebaseerd is op een beperkte tekstbasis uit de zestiende eeuw, dan ondermijnt men juist de geloofwaardigheid van het eigen standpunt.
Dan ontstaat de indruk dat men niet werkelijk geïnteresseerd is in de geschiedenis van de tekst, maar vooral in het verdedigen van een traditie.
Dat is niet alleen contraproductief, het kan zelfs schadelijk zijn. Vooral voor jonge mensen die later ontdekken dat de werkelijkheid ingewikkelder ligt dan hun was verteld. Dan kan het vertrouwen in het geheel onder druk komen te staan.

De Bijbel zelf wijst op verstaanbaarheid

De Schrift zelf benadrukt steeds het belang van verstaanbaarheid.

“En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en zij gaven de zin, en deden verstaan in het lezen.”
(Nehemia 8:9 STV)

Dat is een belangrijke correctie. Het doel van de Schrift is niet dat zij bewonderd wordt als een historisch monument, maar dat zij begrepen wordt.
De Statenvertalers zelf hebben dat ook zo bedoeld.

Het echte gezag

Het gezag ligt uiteindelijk niet in een specifieke vertaling, maar in het Woord van God zelf. Dat Woord is gegeven in Hebreeuws, Aramees en Grieks. Vertalingen proberen dat Woord zo betrouwbaar mogelijk weer te geven.
Sommige vertalingen doen dat beter dan andere, maar geen enkele vertaling heeft een exclusief monopolie op Gods stem.

De Statenvertaling verdient respect, waardering en blijvend gebruik. Zij heeft eeuwenlang een centrale rol gespeeld in het geestelijk leven van Nederland.

Maar zodra een vertaling tot een onaantastbare norm wordt verheven, ontstaat een probleem. Dan verschuift het gezag van het Woord van God naar een historische vertaling.
En dat is precies het punt waar liefde voor de Statenvertaling kan omslaan in iets dat zij nooit bedoeld was te zijn: een mythe.

 

 

 

is de statenvertaling de enige juiste bijbel
waar komt de textus receptus vandaan
welke manuscripten gebruikte erasmus
waarom discussie over de statenvertaling
wat is het verschil tussen sv en hsv
zijn moderne bijbelvertalingen betrouwbaar
wat is de oudste bijbeltekst
hoe is de bijbeltekst overgeleverd

Waarom we spreken van de Here Jezus Christus, en niet simpelweg van “Jezus”

Waarom we spreken van de Here Jezus Christus, en niet simpelweg van “Jezus”

In gesprekken hoor je het: “Jezus dit” en “Jezus dat.”
Soms oprecht bedoeld. Soms bijna terloops. Soms zelfs achteloos.

Het komt zelfs ook voor dat Hij benaderd wordt als een  soort butler die geacht wordt in actie te komen op commando.

Maar waarom spreken gelovigen traditioneel van de Here Jezus Christus?
Is dat ouderwets taalgebruik? Vrome gewoonte? Of zit er iets diepers achter?

De Schrift zelf geeft het antwoord.

De naam Jezus — Zijn vernedering

De naam Jezus is de naam van Zijn menswording.

“En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Mattheüs 1:21 STV)

Dat is de naam die Hij ontving bij Zijn geboorte.
De naam van de Mens geworden Zoon.
De naam verbonden aan Bethlehem, Nazareth, Galilea en Golgotha.

In de Evangeliën lezen we hoe mensen “Jezus volgden”. Zij liepen letterlijk achter Hem aan. Zij zagen Hem, hoorden Hem, raakten Hem aan.

Maar de Schrift blijft daar niet bij staan.

Christus — Zijn goddelijke aanstelling

“Christus” betekent: de Gezalfde.
Het is de Griekse vertaling van “Messias”.

“Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” (Mattheüs 16:16 STV)

Christus is dus géén achternaam. Het is een titel.
Het spreekt van Zijn ambt. Zijn goddelijke roeping. Zijn zalving door de Vader.

Als Christus is Hij:

– Profeet
– Priester
– Koning

Wanneer wij Hem “Christus” noemen, belijden wij dat Hij de door God gezonden Verlosser is.

Dat is méér dan alleen de historische Jezus.

Here — Zijn verhoging

Na kruis en opstanding is Hij niet slechts Jezus van Nazareth.

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” (Handelingen 2:36 STV)

Hier klinkt iets beslissends.

God heeft Hem tot Heere gemaakt.

Heere betekent: Soevereine, Meester, Eigenaar.
Het Griekse Kurios werd gebruikt voor absolute heerschappij.

Daarom schrijft Paulus:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.” (Filippenzen 2:9 STV)

En verder:

“Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.” (Filippenzen 2:10 STV)

Wij spreken dus niet meer slechts over de vernederde Jezus.
Wij spreken over de verhoogde Heere.

Waarom dat verschil, zeker vandaag, relevant is

In onze tijd is “Jezus” soms gereduceerd tot een vriendelijke spirituele figuur.
Een inspirerend voorbeeld.
Een zachte rabbi.
Een moreel kompas.

Maar de Bijbel presenteert Hem als veel meer.

Wanneer de apostelen hun brieven openen, schrijven zij niet achteloos.

“Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.” (Romeinen 1:7 STV)

Dat is geen stijlvorm. Dat is belijdenis.

Elke keer dat zij die volle naam gebruiken, erkennen zij:

– Zijn menswording
– Zijn Messiaanse zending
– Zijn koninklijke heerschappij

Het gaat niet om vrome formaliteit

Dit is geen taalpolitie.
Het is geen wettische regel.

Het gaat om erkenning.

Wie Hij is, bepaalt hoe wij Hem noemen.

Wanneer wij spreken van de Here Jezus Christus, doen wij precies wat de Schrift doet: wij belijden Hem in de volheid van Zijn Persoon en werk.

Niet kleiner dan Hij is.
Niet oppervlakkiger dan de apostelen deden.
Niet vertrouwelijker dan gepast is.

Eerbied begint in taal

Taal vormt denken.
Denken vormt geloofsbeleving.

Wie achteloos spreekt, denkt vaak ook achteloos.
Wie belijdend spreekt, houdt zijn hart bij de waarheid.

Hij is Jezus — de Mens geworden Zoon.
Hij is Christus — de Gezalfde van God.
Hij is de Here — verhoogd boven alle naam.

En daarom spreken wij niet simpelweg over “Jezus”.

Daarom: Here Jezus Christus.

lees ook:

Jezus volgen of Christus volgen; geen woordspel, maar een fundament

De Naam die men liever niet noemt

Geverifieerd door MonsterInsights