De tabernakeldienst onder het oude verbond verwijst naar Christus

De tabernakel: schaduw van het Christus en het nieuwe verbond

De oudtestamentische tabernakel was geen willekeurige verzameling godsdienstige voorwerpen en rituelen. God gaf Zelf het ontwerp, stelde de priesterdienst in en bepaalde hoe Israël tot Hem mocht naderen.

Maar de tabernakel was nooit het einddoel.

De tabernakel wees vooruit naar Christus, Zijn offer, Zijn opstanding, Zijn priesterschap en de toegang tot God die door Zijn bloed geopend zou worden. De Brief aan de Hebreeën noemt de tabernakeldienst daarom:

“Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen.” Hebreeën 8:5 (STV)

De tabernakel was de schaduw.

Christus is de werkelijkheid.

De tabernakel was geen kerkmodel, maar een voorafschaduwing van Christus. Het altaar, wasvat, de toonbroden, kandelaar en ark wijzen allemaal naar Zijn volbrachte werk.

Daarom is het niet alleen onnodig, maar ook leerstellig gevaarlijk wanneer christenen elementen van die oudtestamentische schaduwdienst opnieuw invoeren. Een christelijk altaar, een afzonderlijke priesterklasse, heilige gebouwen en herhaalde offers doen geen recht aan de tabernakel. Zij doen tekort aan de Persoon en het volbrachte werk van Christus.

de tabernakeldienst verwijst naar Christus
De tabernakeldienst verwijst naar Christus

 

De tabernakel was een schaduw, geen kerkmodel

De tabernakeldienst werd aan Israël gegeven onder het verbond van Sinaï. Zij behoorde bij het Mozaïsche verbond, het Aäronitische priesterschap en de offers van de Wet.

De Gemeente is geen voortzetting van dit systeem.

De Gemeente heeft geen aardse tempel nodig, geen apart priesterambt dat tussen God en de gelovige staat en geen altaar waarop opnieuw een verzoenend offer moet worden gebracht.

Het nieuwe verbond werd bovendien uitdrukkelijk aangekondigd aan Israël en Juda:

“Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” Jeremia 31:31 (STV)

Dit nieuwe verbond is gefundeerd op het bloed van Christus. Gelovigen hebben nu deel aan de geestelijke zegeningen die uit Zijn offer en priesterschap voortkomen. Dat betekent echter niet dat de Gemeente Israël heeft vervangen of dat alle beloften aan Israël voortaan zonder onderscheid op de kerk kunnen worden toegepast.

De tabernakel wijst niet naar een kerkelijk instituut.

De tabernakel wijst naar Christus.

Typologie moet aan de Schrift gebonden blijven

Bij de uitleg van de tabernakel is voorzichtigheid nodig. Niet ieder haakje, touwtje of stuk metaal vormt automatisch de grondslag voor een verborgen leer.

Een type mag nooit als zelfstandige basis voor een leer gebruikt worden. Het mag alleen een waarheid illustreren die elders duidelijk in de Schrift wordt geleerd.

Anders ontstaat willekeur.

Dan kan iedere uitlegger zijn eigen betekenis aan de kleuren, maten, materialen en voorwerpen geven. Zo verandert Bijbelse typologie al snel in religieuze fantasie.

De hoofdlijn is echter glashelder:

“Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.” Hebreeën 9:24 (STV)

De aardse tabernakel was een afbeelding.

Christus ging het ware, hemelse heiligdom binnen.

 

De poort: Christus is de enige Weg

De tabernakel had één poort.

Er waren geen verschillende ingangen voor verschillende religieuze voorkeuren. God bepaalde Zelf de toegang.

Dat wijst op de Here Jezus Christus:

“Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden.” Johannes 10:9 (STV)

Dit is een aanstootgevende waarheid voor de moderne, religieus-pluralistische mens. Men wil graag geloven dat iedere oprechte overtuiging uiteindelijk bij God uitkomt.

De tabernakel leert het tegenovergestelde.

Er is één ingang.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” Johannes 14:6 (STV)

Christus is niet één mogelijkheid naast vele andere mogelijkheden. Hij is niet slechts de christelijke variant van een algemene religieuze weg.

Hij is de Weg.

Het brandofferaltaar: de toegang begint bij het offer

Direct na de poort stond het koperen brandofferaltaar.

De eerste ontmoeting was niet met het wasvat, de toonbroden of de kandelaar. De eerste ontmoeting was met het altaar.

Dat is veelzeggend.

De toegang tot God begint niet met zelfverbetering. Zij begint niet met goede werken, morele ontwikkeling, religieuze oefeningen of geestelijke ervaringen.

De toegang begint bij het offer.

Op het brandofferaltaar stierf een onschuldig dier in de plaats van de schuldige. Het bloed werd vergoten en het offer werd door vuur verteerd.

Zonde kan niet worden weggepraat.

Zonde kan niet worden gecompenseerd door goede bedoelingen.

Zonde vraagt om oordeel.

Het brandofferaltaar wijst naar Golgotha:

“Want ook Christus heeft eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” 1 Petrus 3:18 (STV)

Christus stierf niet alleen als voorbeeld van liefde of zelfopoffering. Hij stierf plaatsvervangend.

De Rechtvaardige stierf voor onrechtvaardigen.

Daarmee ontmaskert het altaar iedere religie die leert dat de mens zichzelf door werken, rituelen of geestelijke prestaties voor God aanvaardbaar kan maken.

Het altaar zegt dat de mens zichzelf niet kan redden.

Het Evangelie zegt dat Christus het heeft volbracht.

 

Het offer van Christus wordt niet herhaald

Onder het oude verbond moesten de offers steeds opnieuw worden gebracht. Zij konden de zonden niet definitief wegnemen.

Daarom staat geschreven:

“Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.” Hebreeën 10:4 (STV)

De oudtestamentische offers wezen vooruit naar het ene volmaakte offer van Christus:

“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.” Hebreeën 10:12 (STV)

Hij is gezeten.

Het werk is volbracht.

Iedere eredienst waarin Christus op enige wijze opnieuw wordt geofferd, opnieuw wordt aangeboden of afhankelijk wordt gemaakt van een priesterlijke handeling, tast de volkomenheid van Golgotha aan.

Christus heeft niet slechts een mogelijkheid tot verlossing geopend die door religieuze mensen moet worden afgemaakt.

Hij heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht:

“Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.” Hebreeën 9:12 (STV)

Het woord “eenmaal” laat geen ruimte voor een herhaald verzoenend offer.

Het koperen wasvat: reiniging na het altaar

Na het brandofferaltaar stond het koperen wasvat.

Ook deze volgorde is belangrijk.

Eerst het bloed.

Daarna het water.

Eerst verzoening.

Daarna reiniging.

Het wasvat was bestemd voor priesters die reeds tot de dienst waren afgezonderd. Zij moesten hun handen en voeten wassen voordat zij het heiligdom binnengingen.

Het wasvat beeldt daarom niet uit dat een gelovige telkens opnieuw behouden moet worden. Het spreekt van de dagelijkse reiniging van zijn wandel.

De Here Jezus zei tegen Petrus:

“Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein.” Johannes 13:10 (STV)

Er is een verschil tussen onze positie en onze dagelijkse toestand.

De gelovige is in Christus gereinigd, gerechtvaardigd en aanvaard. Toch wordt zijn wandel verontreinigd door zonde, wereldgelijkvormigheid en de werking van het vlees.

Daarom heeft hij voortdurend de reinigende werking van het Woord nodig:

“Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord.” Efeze 5:26 (STV)

Het altaar spreekt van wat Christus voor ons heeft gedaan.

Het wasvat spreekt van wat Christus door Zijn Woord in ons doet.

Wie het altaar en het wasvat verwart, maakt de behoudenis afhankelijk van onze dagelijkse reinheid.

Wie het wasvat weglaat, verandert genade in een vrijbrief voor een slordige en vleselijke levenswandel.

 

De toonbroden: Christus is het voedsel van de gelovige

In het heilige stond de tafel met de twaalf toonbroden.

De broden lagen voortdurend voor Gods aangezicht en vertegenwoordigden de twaalf stammen van Israël. Brood spreekt in de Schrift van leven en voedsel.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.” Johannes 6:35 (STV)

Christus is niet alleen Degene door Wie wij behouden worden. Hij is ook het geestelijke voedsel van de gelovige.

De toonbroden leren geen sacramentele verandering van brood in het letterlijke lichaam van Christus. Zij wijzen naar Christus als Degene uit Wie de nieuwe mens leeft.

Wij voeden ons met Hem door het Woord.

Wij leren Hem kennen in Zijn vernedering, gehoorzaamheid, lijden, sterven, opstanding, verhoging en tegenwoordige priesterschap.

Waar Christus niet langer het geestelijke voedsel van de Gemeente is, wordt de leegte opgevuld met amusement, menselijke verhalen, managementprincipes, psychologische technieken en geestelijke sensatie.

Maar de ziel wordt niet gevoed door sfeer.

De ziel wordt gevoed door Christus.

 

De gouden kandelaar: Christus is het Licht

Tegenover de tafel met de toonbroden stond de gouden kandelaar.

Het heilige had geen ramen. Het licht kwam niet van buitenaf en ook niet uit menselijke wijsheid.

Het licht werd door God gegeven.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.” Johannes 8:12 (STV)

De natuurlijke mens kan geestelijke waarheid niet ontdekken door in zichzelf te kijken. Het menselijke hart is geen betrouwbare bron van openbaring.

Evenmin wordt de waarheid bepaald door gevoel, cultuur, meerderheid of persoonlijke ervaring.

Christus is het Licht.

De Heilige Geest verheerlijkt Christus en opent het Woord. Hij brengt geen nieuwe openbaring die de Schrift corrigeert, aanvult of opzijschuift.

Wanneer het Woord wordt vervangen door profetische indrukken, ingevingen, visioenen en persoonlijke openbaringen, wordt het licht van Christus ingeruild voor de flakkerende lamp van menselijke verbeelding.

Het reukofferaltaar: Christus is de Voorspraak

Vlak voor het voorhangsel stond het gouden reukofferaltaar.

Het reukwerk steeg op tot God en verspreidde een aangename geur. Het wijst op aanbidding, gebed en de voorspraak van Christus.

“Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” Romeinen 8:34 (STV)

Onze gebeden worden niet aangenomen omdat zij mooi geformuleerd, luid uitgesproken of door een gezalfde leider ondersteund worden.

Wij worden gehoord omdat wij in Christus tot God naderen.

Hij is onze Voorspraak.

Daarom heeft de gelovige geen aardse priester, apostel of profeet nodig om zijn gebeden dichter bij God te brengen.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Er is één Middelaar.

Niet Christus plus een kerkelijk priesterschap.

Niet Christus plus een moderne apostel.

Niet Christus plus een vermeend gezalfde leider.

Christus alleen.

 

Het voorhangsel: de weg is geopend

Het voorhangsel scheidde het heilige van het heilige der heiligen.

Het maakte duidelijk dat de weg tot Gods onmiddellijke tegenwoordigheid onder het oude verbond nog niet vrij toegankelijk was:

“Waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was.” Hebreeën 9:8 (STV)

Alleen de hogepriester mocht eenmaal per jaar achter het voorhangsel komen, en niet zonder bloed.

Maar bij de dood van Christus scheurde het voorhangsel van boven naar beneden.

God Zelf opende de weg.

“Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees.” Hebreeën 10:19-20 (STV)

De gelovige staat niet langer op afstand.

Hij hoeft niet via een kerkelijk systeem, een priesterlijke hiërarchie of een geestelijke elite tot God te naderen.

Hij heeft door het bloed van Christus vrijmoedigheid om tot God te gaan.

Wie opnieuw een geestelijke tussenmuur bouwt, probeert als het ware het gescheurde voorhangsel weer dicht te naaien.

De ark en het verzoendeksel: genade op grond van bloed

In het heilige der heiligen stond de ark des verbonds.

In de ark lagen de wetstafelen, de gouden kruik met manna en de bloeiende staf van Aäron.

Deze voorwerpen wijzen naar Christus.

Hij heeft de Wet volmaakt vervuld.

Hij is het Brood des levens.

Hij is uit de dood opgestaan en bezit een onvergankelijk priesterschap.

Boven op de ark lag het verzoendeksel. Daar werd op de Grote Verzoendag het bloed gesprengd.

Zonder het bloed zou de wet alleen tegen de mens getuigen. Door het bloed kon God in genade handelen zonder Zijn rechtvaardigheid prijs te geven.

Paulus schrijft over Christus:

“Welken God voorgesteld heeft tot een Verzoening, door het geloof in Zijn bloed.” Romeinen 3:25 (STV)

Gods genade is niet goedkoop.

Vergeving betekent niet dat God de zonde door de vingers ziet. Genade is mogelijk omdat Christus het oordeel heeft gedragen.

Daarom mag de gelovige met vrijmoedigheid naderen:

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” Hebreeën 4:16 (STV)

 

De hogepriester: Christus vertegenwoordigt ons bij God

De tabernakel kan niet los worden gezien van het priesterschap.

De zondaar had niet alleen een offer nodig, maar ook een priester die op grond van dat offer tot God naderde.

Aäron was een voorafschaduwing van Christus, maar Christus is oneindig groter dan Aäron.

Aäron moest eerst voor zijn eigen zonden offeren. Christus was zondeloos.

Aäron ging eenmaal per jaar het heilige der heiligen binnen. Christus ging eenmaal en voorgoed het hemelse heiligdom binnen.

Aäron bracht het bloed van dieren. Christus ging binnen door Zijn eigen bloed.

Aärons priesterschap werd steeds door de dood onderbroken. Christus leeft altijd.

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” Hebreeën 7:25 (STV)

Christus redt niet half.

Hij redt volkomen.

 

Waarom terugkeren naar de schaduw?

De tabernakel laat niet zien hoeveel religieuze hulpmiddelen de mens nodig heeft om zichzelf tot God op te werken.

De tabernakel laat zien hoeveel er nodig was voordat de weg tot God geopend kon worden.

En alles wat nodig was, is in Christus vervuld.

Hij is de Poort.

Hij is het Offer.

Hij is het Brood.

Hij is het Licht.

Hij is de Hogepriester.

Hij is de Middelaar.

Hij is het ware Heiligdom.

Daarom is het een ernstige dwaling wanneer het christendom elementen van de oudtestamentische schaduwdienst opnieuw invoert als noodzakelijke middelen om tot God te komen.

Een nieuw altaar doet tekort aan het ene offer.

Een afzonderlijke priesterklasse doet tekort aan de ene Middelaar.

Een heilige ruimte doet tekort aan de vrije toegang tot het hemelse heiligdom.

Een herhaald offer doet tekort aan het volbrachte werk.

Een geestelijke elite doet tekort aan het priesterschap van alle gelovigen.

Wie Christus heeft, heeft de werkelijkheid.

Waarom zou hij terugkeren naar de schaduw?

 

De tabernakel wijst helemaal naar Christus

De boodschap van de tabernakel is niet dat wij haar dienst moeten kopiëren.

De boodschap is dat wij Christus moeten zien.

Het brandofferaltaar wijst naar Zijn offer.

Het koperen wasvat wijst naar Zijn reinigende werk.

De toonbroden wijzen naar Hem als geestelijk voedsel.

De kandelaar wijst naar Hem als het Licht.

Het reukofferaltaar wijst naar Zijn voorspraak.

Het voorhangsel wijst naar Zijn vlees en Zijn dood.

De ark en het verzoendeksel wijzen naar Zijn Persoon en Zijn verzoenend bloed.

Niet religie brengt ons tot God.

Niet een kerkelijk systeem brengt ons tot God.

Niet een sacrament brengt ons tot God.

Niet een gezalfde leider brengt ons tot God.

Christus brengt ons tot God.

En Hij heeft de weg niet gedeeltelijk geopend.

Hij heeft hem volkomen geopend.

 

Veelgestelde vragen over de tabernakel en Christus

Is de tabernakel een afbeelding van de Gemeente?

De tabernakel wijst in de eerste plaats naar Christus, Zijn offer, Zijn priesterschap en de hemelse werkelijkheid. Sommige onderdelen kunnen geestelijke lessen bevatten voor gelovigen, maar de tabernakel mag niet zonder meer als kerkmodel worden gebruikt.

Waarnaar wijst het brandofferaltaar?

Het brandofferaltaar wijst naar het plaatsvervangende en volkomen offer van Christus aan het kruis. Zijn offer werd eenmaal gebracht en hoeft niet herhaald te worden.

Wat betekent het koperen wasvat?

Het wasvat wijst naar de praktische reiniging van de gelovige door het Woord. Het gaat niet om telkens opnieuw behouden worden, maar om reiniging van de dagelijkse wandel.

Wat betekenen de toonbroden?

De toonbroden wijzen naar Christus als het Brood des levens en naar de geestelijke gemeenschap en voeding die de gelovige in Hem ontvangt.

Waarom scheurde het voorhangsel?

Het voorhangsel scheurde bij de dood van Christus omdat door Zijn bloed de weg tot God werd geopend. De gelovige heeft nu vrijmoedigheid om tot de troon der genade te naderen.

Heeft de gelovige nog een aardse priester nodig?

Nee. Christus is de enige Middelaar en Hogepriester. Iedere gelovige mag door Hem rechtstreeks tot God naderen.

zie ook:

Het offer van Christus, méér dan Zijn kruisdood – Bijbelse basis

extern:

De Tabernakel – deel 1

De Tabernakel – deel 2

 

Wat doet Christus vandaag

De levende Hogepriester Die Zijn gemeente reinigt

 

Wat doet Christus vandaag?

Die vraag is belangrijker dan veel christenen beseffen. Want het Evangelie eindigt niet bij het kruis. Christus is gestorven, ja. Maar wat meer is, Hij is ook opgewekt. Hij is verheerlijkt. Hij zit aan de rechterhand van God. Hij leeft. En omdat Hij leeft, werkt Hij vandaag aan Zijn gemeente.

Veel christenen weten goed te zeggen wat Christus heeft gedaan. Hij stierf voor onze zonden. Hij gaf Zijn bloed. Hij droeg het oordeel. Dat is het fundament.

Zonder dat fundament is er geen Evangelie.

Maar het kruis is niet het eindpunt.

Christus hangt niet meer aan het kruis. Hij ligt niet meer in het graf. Hij is de levende Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Hij bidt voor de Zijnen, reinigt Zijn gemeente door het Woord, heiligt haar en maakt gelovigen bekwaam om de levende God te dienen.

Dat is niet zomaar een bonus aanvulling op het Evangelie. Dat is de ademruimte van Genade.

het tegenwoordige werk van Christus
wat doet Christus vandaag?

Het kruis is het fundament, niet het eindpunt

Het kruis van Christus laat zien dat de oude mens voor God geen toekomst heeft. Het kruis is niet Gods poging om de oude mens wat op te knappen. Het kruis is Gods oordeel over de oude mens.

Paulus schrijft:

“Want de liefde van Christus dringt ons; als die dit oordelen, dat, indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn.” — 2 Korinthe 5:14 (STV)

Dat is helder. Als Eén voor allen gestorven is, dan zijn allen gestorven.

Daarmee wordt het christelijk leven geen verbeterproject van het vlees. Het is niet: probeer van je oude mens een vrome, religieuze en acceptabele versie te maken. Het is niet: poets jezelf op totdat God tevreden met je kan zijn.

Nee. De oude mens wordt niet geheiligd. De oude mens wordt afgelegd.

“Dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding.” — Efeze 4:22 (STV)

Daar gaat het vaak mis. Veel prediking draait om de mens. Wat wij moeten doen. Hoe wij ons leven moeten verbeteren. Hoe wij geestelijk sterker moeten worden. Hoe wij onze oude natuur onder controle moeten krijgen.

Maar de Bijbel zegt niet dat de oude mens verbeterd moet worden. De Bijbel zegt dat hij afgelegd moet worden.

Het evangelie is niet: God helpt u om uw oude leven wat netter te maken.
Het evangelie is: God heeft u in Christus nieuw leven gegeven.

 

Christus leeft om voor ons te bidden

Wat doet Christus vandaag?

De Hebreeënbrief geeft een helder antwoord:

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” — Hebreeën 7:25 (STV)

Let op dat ene woord: leeft.

Christus leeft om voor de Zijnen te bidden. Hij is niet passief. Hij is niet afwezig. Hij is niet slechts een Persoon uit het verleden over Wie wij herinneringen ophalen. Hij is de levende Heere in de hemel.

Hij is Hogepriester.
Hij vertegenwoordigt Zijn volk bij God.
Hij bidt voor hen.
Hij reinigt hen.
Hij bewaart hen.
Hij maakt hen bekwaam om God te dienen.

Zijn priesterschap rust niet op sterfelijkheid, maar op onvergankelijk leven:

“Die dit niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens.” — Hebreeën 7:16 (STV)

Dát geeft rust. Onze zaligheid hangt niet aan onze wisselende gevoelens, onze geestelijke prestaties of onze mate van zelfbeheersing.

Zij rust op Christus. En Hij leeft.

Christus als Hogepriester van het Nieuwe Verbond

Het tegenwoordige werk van Christus wordt vooral zichtbaar in Zijn priesterschap. Hij is de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Niet naar de ordening van Aäron, maar naar de ordening van Melchizedek. Niet op grond van een tijdelijk en sterfelijk priesterschap, maar naar de kracht van onvergankelijk leven.

Dat betekent dat Christus’ werk niet ophield bij Zijn sterven. Zijn dood was noodzakelijk. Zijn bloed is de grond. Maar Zijn opstanding, verhoging en voortdurende priesterlijke dienst horen wezenlijk bij het evangelie.

Romeinen 8 zegt het zo:

“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” — Romeinen 8:33-34 (STV)

“Ja, wat meer is.”

Daar zit veel in. Christus is gestorven. Maar wat meer is: Hij is ook opgewekt. Hij is aan Gods rechterhand. Hij bidt voor ons.

Wie alleen spreekt over het kruis, maar nauwelijks over de opgestane en verhoogde Christus, mist een wezenlijk deel van het christelijk leven. De gelovige leeft niet uit herinnering alleen. Hij leeft uit gemeenschap met de levende Christus.

 

Christus reinigt Zijn gemeente door het Woord

Een van de rijkste beschrijvingen van Christus’ huidige werk staat in Efeze 5:

“Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord.” — Efeze 5:25-26 (STV)

Hier staat niet dat de gemeente zichzelf reinigt om Christus waardig te worden. Hier staat dat Christus de gemeente reinigt.

Dat is een wereld van verschil.

Religie zegt: maak uzelf schoon, dan mag u komen.
Genade zegt: kom tot Christus, Hij reinigt.

Religie zegt: zorg dat u gereed bent.
Genade zegt: Christus maakt gereed.

Religie zegt: werk aan uzelf.
Genade zegt: stel u onder het Woord waardoor Christus Zijn werk doet.

Christus reinigt Zijn gemeente “door het Woord”. Niet door geestelijke druk. Niet door menselijke manipulatie. Niet door voortdurende beschuldiging. Niet door een religieuze zweep over het geweten.

Hij reinigt door Zijn Woord.

Daarom is het zo belangrijk waar wij naar luisteren, wat wij horen, welke prediking wij toelaten en waar onze aandacht naartoe gaat. Het Woord van God richt het hart op Christus. Mensgerichte prediking werpt de mens terug op zichzelf. En wie steeds naar zichzelf kijkt, vindt geen rust.

 

De voetwassing als beeld van Christus’ tegenwoordige werk

Johannes 13 geeft een indringend beeld. De discipelen zijn met de Heere aan tafel. Dan staat Hij op, legt Zijn klederen af, omgordt Zich met een linnen doek en begint hun voeten te wassen.

Petrus wil dat eerst niet. Maar de Heere zegt:

“Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij.” — Johannes 13:8 (STV)

Daarna wil Petrus helemaal gewassen worden. Dan antwoordt de Heere:

“Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein.” — Johannes 13:10 (STV)

Dat is een belangrijk onderscheid.

Wie van Christus is, is geheel rein. De gelovige staat in Christus voor God. Maar zolang hij door deze wereld wandelt, krijgt hij vuile voeten. Hij leeft nog in een wereld van zonde, leugen, verwarring, verzoeking en dood.

Daarom wast Christus de voeten.

Niet omdat het fundament telkens opnieuw gelegd moet worden. Niet omdat de gelovige steeds opnieuw van nul af aan moet beginnen. Maar omdat Christus Zijn Woord toepast op onze wandel, ons denken, ons hart en ons geweten.

Hij reinigt Zijn gemeente door het Woord.

 

Het geweten gereinigd om God te dienen

Christus is niet bezig om de buitenkant van de oude mens religieus op te poetsen. Hij reinigt dieper. Hij reinigt het geweten.

Hebreeën 9 zegt:

“Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levenden God te dienen?” — Hebreeën 9:14 (STV)

Dat is bevrijdend.

Veel gelovigen hoeven niet steeds opnieuw te horen dat zij tekortschieten. Dat weten zij al. Zij kennen hun zwakheid. Zij kennen hun falen. Zij weten hoe snel zij afdwalen, struikelen of innerlijk verward raken.

Maar de Bijbel werpt hen niet eindeloos terug op hun tekort. De Bijbel richt hen op Christus.

Het bloed van Christus reinigt het geweten van dode werken. Waarom? Niet zodat wij geestelijk in een hoekje blijven zitten met ons hoofd omlaag. Maar “om den levenden God te dienen”.

Een gereinigd geweten maakt vrijmoedig. Niet oppervlakkig. Niet wetteloos. Niet onverschillig. Maar vrijmoedig in Christus.

 

Niet zelfverbetering, maar leven uit Genade

Het christelijk leven is geen cursus zelfverbetering met een Bijbeltekst erboven.

Natuurlijk verandert Gods genade een mens. Natuurlijk leert de gelovige anders wandelen. Natuurlijk zijn goede werken belangrijk. Maar de volgorde is alles.

Titus 2 zegt:

“Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.” — Titus 2:14 (STV)

Christus reinigt Zichzelf een eigen volk. En dat volk wordt ijverig in goede werken.

Goede werken zijn dus niet de wortel van onze aanvaarding. Ze zijn de vrucht van Christus’ werk.

Onder wet werk je om aanvaard te worden.
Onder genade dien je omdat je aanvaard bent in Christus.

Onder wet kijk je steeds naar jezelf.
Onder genade zie je op Christus.

Onder wet blijft het geweten onrustig.
Onder genade wordt het geweten gereinigd om God te dienen.

Dat is geen goedkoop gemak. Leven uit genade is juist vernederend voor het vlees. Want genade zegt dat de mens zichzelf niet kan redden, niet kan reinigen en niet kan opwerken tot God.

De mens komt met lege handen. Niet als een geslaagde heilige. Niet als een opgepoetst geestelijk project. Niet als iemand die eindelijk alles onder controle heeft.

Hij komt tot Christus.

En Christus reinigt.

 

God verzamelt nu een volk voor Zijn Naam

Wat doet God in deze tegenwoordige tijd?

Het Nieuwe Testament geeft daar een duidelijke lijn in. God verzamelt een volk voor Zijn Naam.

In Handelingen 15 lezen we:

“Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.” — Handelingen 15:14 (STV)

Daarna wordt gesproken over het herstel van de vervallen hut van David. Die volgorde is belangrijk. Eerst verzamelt God een volk uit de heidenen. Daarna komt het herstel van Israël en het Davidische koningshuis.

Dat betekent dat Gods huidige werk niet in de eerste plaats bestaat uit wereldverbetering, politieke macht, cultureel herstel of het oprichten van een zichtbaar koninkrijk op aarde. Zijn huidige werk is gericht op de gemeente.

De gemeente is een hemels volk. Zij is verbonden met Christus in de hemel. Zij deelt in Zijn positie, Zijn leven, Zijn toekomst en Zijn erfenis.

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” — Efeze 2:6 (STV)

De gelovige leeft nog op aarde, maar zijn positie is in Christus.

Daarom is het zo schadelijk wanneer christenen hun roeping verwarren met wereldverbetering. Natuurlijk doen wij goed waar wij kunnen. Natuurlijk zorgen wij voor onze naaste. Natuurlijk dragen wij verantwoordelijkheid in het gewone leven.

Maar de gemeente is geen religieuze actiegroep voor het oplappen van deze tegenwoordige eeuw. Zij is een volk dat door Christus uit deze eeuw getrokken wordt.

 

Uit de tegenwoordige boze wereld getrokken

Galaten 1 zegt:

“Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader.” — Galaten 1:4 (STV)

Dat staat haaks op christelijk activisme.

Wij willen vaak juist iets bereiken ín deze wereld. Erkenning. Invloed. Positie. Herstel van christelijke normen. Een steviger christelijk geluid. Een cultuur die weer naar ons luistert.

Maar Christus heeft Zich gegeven om ons te trekken uit deze tegenwoordige boze wereld.

Dat betekent niet dat wij onverschillig worden. Het betekent dat wij nuchter worden. Deze wereld wordt niet uiteindelijk hersteld door menselijke inzet. God maakt een nieuwe schepping. En vandaag verzamelt Hij een volk dat bij Christus hoort.

 

Waarom mensgerichte prediking schromelijk tekortschiet

Veel prediking klinkt praktisch, maar is in wezen mensgericht. Ze draait om onze problemen, onze gevoelens, onze keuzes, onze relaties, onze groei, onze houding, onze prestaties en onze geestelijke temperatuur.

Natuurlijk raakt het Woord van God ons leven. Maar wanneer Christus uit het centrum verdwijnt, blijft er vooral religieuze psychologie over. Dan wordt de Bijbel een kapstok voor menselijke thema’s. Dan is de mens het onderwerp en Christus hooguit de helper.

Bijbelse prediking begint anders.

opent het Woord.
toont Christus.
verkondigt Zijn werk.
plaatst de gelovige in Hem.
bevrijdt het geweten door Genade.
roept op tot dienst vanuit rust, niet vanuit kramp.

Waar de mens centraal staat, groeit onrust.
Waar Christus centraal staat, komt geloofsadem.

 

Leven vanuit Christus’ tegenwoordige werk

De vraag is dus niet allereerst: hoe krijg ik mijn leven onder controle?

De betere vraag is: leef ik uit Christus’ tegenwoordige werk?

Stel ik mij onder Zijn Woord?
Laat ik Hem mijn geweten reinigen?
Rust ik in Zijn priesterschap?
Geloof ik dat Hij voor mij bidt?
Zie ik mijzelf in Christus, of blijf ik gevangen in mijzelf?

De gelovige hoeft niet te leven onder de voortdurende dreiging van beschuldiging. Romeinen 8 zegt immers dat God rechtvaardigt en Christus bidt.

Daarom mag de gelovige vrijmoedig leven. Niet omdat hij in zichzelf sterk is. Niet omdat zijn oude mens verbeterd is. Niet omdat hij nooit struikelt. Maar omdat Christus leeft.

 

De troost van de levende Christus

Wat doet Christus vandaag?

Hij leeft.
Hij bidt.
Hij reinigt.
Hij heiligt.
Hij verzamelt een volk voor Zijn Naam.
Hij maakt gelovigen bekwaam om dienaren te zijn van het Nieuwe Verbond.

Dat is de troost.

De gelovige leeft nog met lek en gebrek. Dat hoeft niet vroom weggepoetst te worden. Wij schieten tekort. Wij falen. Wij dragen de zwakheid van de oude mens nog mee.

Maar God ziet de gelovige in Christus. En Christus is niet klaar met Zijn werk.

Hij reinigt door het Woord.
Hij bewaart door Zijn kracht.
Hij bidt aan Gods rechterhand.
Hij maakt bekwaam om de levende God te dienen.

Daarom hoeft de gelovige niet gevangen te blijven in religieuze kramp. Hij hoeft niet eindeloos naar zichzelf te staren. Hij hoeft niet te leven onder de zweep van beschuldiging.

Hij mag zien op Christus.

Niet alleen op Christus aan het kruis, maar ook op Christus in de hemel. De levende Hogepriester. De Verheerlijkte. Degene Die Zijn gemeente liefheeft, haar reinigt door het Woord en haar eenmaal zonder vlek of rimpel voor Zich zal stellen.

Wat doet Christus vandaag?
Hij werkt aan Zijn gemeente.

Christus hangt niet meer aan het kruis en ligt niet meer in het graf. Hij leeft, bidt, reinigt en werkt vandaag aan Zijn gemeente.

En dat is precies waarom het christelijk leven geen leven onder angst is, maar een leven uit Genade.

Zie ook:

Wat doet Christus sinds Zijn opstanding? – Bijbelse basis

Het offer van Christus, méér dan Zijn kruisdood

Zijn hele leven was een offer

In veel prediking wordt het offer van Christus vrijwel gelijkgesteld aan één moment: het kruis. Golgotha is het centrum. Daar werd de schuld gedragen. Daar vloeide het bloed. Daar riep Hij:

“Toen Jezus dan de edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf den geest.” (Johannes 19:30 STV)

En toch… als we de Schrift nauwkeurig lezen, ontdekken we dat het offer van Christus méér omvat dan alleen Zijn kruisdood. Het kruis is het hart van het werk – maar niet het hele werk.

Wie het offer reduceert tot alleen het sterven, doet onbedoeld tekort aan de rijkdom van wat God heeft geopenbaard.

Het offer begon niet op Golgotha

Het offer van Christus begon niet toen de spijkers door Zijn handen gingen. Het begon bij Zijn komst in de wereld.

“Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid;
Brandoffers en offer voor de zonde hebben U niet behaagd;Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God.
Als Hij tevoren gezegd had: Slachtoffer en offerande en brandoffers en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden),
Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.
In welken wil wij geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied”. (Hebreeën 10:5-10 STV)

Hij ontving een lichaam met een doel: om het te geven. Zijn hele leven stond in het teken van gehoorzaamheid. Niet incidenteel. Niet gedeeltelijk. Volkomen.

“En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.” (Filippenzen 2:8 STV)

Zijn hele leven was een offer. Het kruis was geen noodlottige afloop. Het was het goddelijke plan.

Het bloed werd niet alleen gestort, het werd ook binnengebracht

Hier wordt het vaak stil in prediking. Want Hebreeën leert ons iets dat verder gaat dan alleen het sterven.

“Maar Christus, gekomen zijnde een Hogepriester der toekomende goederen, door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, ook niet door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.” (Hebreeën 9:11-12 STV)

In het Oude Testament was het niet genoeg dat het offerdier werd geslacht. De hogepriester moest het bloed binnenbrengen in het heilige der heiligen.

Dat deed Christus.

Hij stierf.
Maar Hij ging ook in.
Hij bracht Zijn eigen bloed in het ware, hemelse heiligdom.

Zonder die hogepriesterlijke bediening is het beeld onvolledig.

De opstanding hoort ook bij het offer

Het evangelie eindigt niet bij een dode Heiland. De opstanding is geen bijzaak. Deze is essentieel.

“Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.” (Romeinen 4:25 STV)

Zijn opstanding bevestigt:

  • dat het offer door God is aanvaard
  • dat de schuld werkelijk is weggedragen
  • dat de dood niet het laatste woord heeft

Een gestorven Messias kan geen levende Middelaar zijn. Maar Christus leeft.

Zijn werk gaat door

Het offer is niet maar een eenmalige gebeurtenis in het verleden. Het heeft een voortdurende werking.

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” (Hebreeën 7:25 STV)

Hij leeft.
Hij bidt.
Hij past toe wat Hij verwierf.

Zijn kruisdood is het fundament.
Zijn huidige bediening is de toepassing.

Waarom dit zo belangrijk is

Wanneer het evangelie wordt teruggebracht tot een emotioneel moment bij het kruis, verliest men het zicht op de verheven, hemelse bediening van Christus.

Christus is niet slechts het Lam dat geslacht werd.
Hij is ook de Hogepriester Die leeft.

“Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.” (Hebreeën 10:14 STV)

Dat is geen halve verlossing.
Dat is geen tijdelijke oplossing.
Dat is een volkomen, blijvend, hemels werk.

Het offer van Christus is groter dan Golgotha alléén.

Het is het volbrachte én levende werk van de opgewekte, verheerlijkte Here Jezus Christus .

Die niet alleen stierf, maar leeft tot in eeuwigheid.

lees ook:

Wat het Hogepriesterschap van Christus vandaag voor ons betekent

Het kruis is het fundament, het Evangelie is meer

“Koning Jezus”

Wat doet Christus sinds Zijn opstanding?

Geverifieerd door MonsterInsights