Het nieuwe verbond: van wet naar genade en vrijheid

Wat het nieuwe verbond betekent

Wat betekent het nieuwe verbond? Ontdek het verschil tussen wet en genade, Gods beloften aan Israël, Christus als Middelaar en de vrijheid waarin de gelovige vandaag mag leven.

Van wet naar genade en vrijheid in Jezus Christus

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is niet zomaar een detail uit het verleden. Het raakt aan de kern van de verhouding tussen God en de mens en aan de vraag hoe een gelovige vandaag hoort te leven.

Waar de religieuze mens vaak vastzit in een stelsel van regels, verplichtingen en menselijke verwachtingen, vinden we in het nieuwe verbond de heerlijke beloften van God, gegrond op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Niet de prestaties van de mens staan centraal, maar Gods genade. Niet de uiterlijke dwang van de wet, maar een innerlijke verandering van het hart. Niet de voortdurende angst tekort te schieten, maar de zekerheid van wat Christus heeft volbracht.

Maar wat betekent het nieuwe verbond werkelijk? Wat is het verschil met het oude verbond, voor wie is het bestemd en wat betekent dit alles voor de gelovige vandaag?

Het nieuwe verbond

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond

Van voorwaardelijke gehoorzaamheid naar Gods beloften

Om de draagwijdte van het nieuwe verbond te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de aard van het oude verbond.

Het oude verbond, dat God bij de Sinaï met het volk Israël sloot, was een voorwaardelijk verbond. Het werd gekenmerkt door het woord “indien”:

“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn.” (Exodus 19:5, STV)

Het volk antwoordde daarop vol overtuiging:

“Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen!” (Exodus 19:8, STV)

Daarmee nam Israël de verplichtingen van het verbond op zich. De zegeningen van het verbond waren verbonden aan gehoorzaamheid en op ongehoorzaamheid rustte de vloek.

Het probleem lag niet bij de wet zelf. Paulus schrijft immers dat de wet heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7:12). Het probleem lag bij de mens, die vanwege de zwakheid van het vlees niet in staat was aan Gods rechtvaardige eisen te voldoen.

De wet kon de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet rechtvaardigen. Zij maakte de overtreding openbaar, maar kon geen nieuw leven schenken.

Daarom spreekt Paulus over de bediening van de dood, die met letters in stenen was ingeschreven (2 Korinthe 3:7).

 

Het oude verbond stelde eisen aan de mens. Het nieuwe verbond stelt Gods eigen beloften en handelen op de voorgrond.

Dat verschil komt bijzonder duidelijk naar voren in Hebreeën 8:

“Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere.” (Hebreeën 8:8-9, STV)

Let op het verschil.

Onder het oude verbond klonk het:

“Indien gij zult gehoorzamen.”

Onder het nieuwe verbond klinkt telkens Gods eigen belofte:

“Ik zal.”

God neemt Zelf het initiatief. Het nieuwe verbond is niet gebouwd op de beloften die de mens aan God doet, maar op de beloften die God Zelf geeft.

De grondslag daarvan is het bloed van de Here Jezus Christus, Die door Zijn dood de verzoening heeft aangebracht en door Zijn opstanding eeuwig leeft.

 

Voor wie is het nieuwe verbond bestemd?

Hier moeten we goed lezen wat de Schrift zegt.

God spreekt in Jeremia 31:31 en Hebreeën 8:8 uitdrukkelijk over het sluiten van een nieuw verbond met het huis van Israël en het huis van Juda.

Dat kunnen we niet zomaar veranderen in “de Gemeente”.

Het nieuwe verbond hoort tot de beloften die God aan Israël heeft gedaan. Dat God deze beloften zal vervullen, staat vast, want Zijn trouw aan Israël is niet afhankelijk van de trouw van de mens.

Betekent dit dan dat de Gemeente van Jezus Christus geen deel heeft aan de zegeningen die met het nieuwe verbond verbonden zijn?

Nee!

De Here Jezus sprak bij de instelling van het avondmaal:

“Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.” (Lukas 22:20, STV)

En Paulus schrijft aan de Korinthiërs over de bediening van het nieuwe testament, niet van de letter, maar van de Geest (2 Korinthe 3:6).

Gelovigen uit de volken delen dus nu al in de geestelijke zegeningen die gegrond zijn op het bloed van Christus: vergeving van zonden, rechtvaardiging, vrede met God en het nieuwe leven door de Geest.

Maar dat betekent niet dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.

De Gemeente is het Lichaam van Christus, terwijl Gods verbondsbeloften aan Israël hun eigen betekenis en toekomstige vervulling behouden.

Delen in de zegeningen van het nieuwe verbond is niet hetzelfde als de plaats innemen van degenen aan wie God dat verbond heeft beloofd.

Dat onderscheid zien voorkomt dat de beloften van God aan Israël worden vergeestelijkt of aan een ander volk worden toegeschreven.

 

Gods wet geschreven in het hart

Een tweede groot verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is de plaats waar Gods wet wordt geschreven.

Onder het oude verbond was de wet op stenen tafelen geschreven. Zij kwam van buitenaf tot de mens en stelde eisen aan zijn handelen.

Maar het nieuwe verbond spreekt over een verandering van binnenuit:

“Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Hebreeën 8:10, STV)

De tegenstelling is indrukwekkend.

Niet langer uitsluitend een gebod dat van buitenaf wordt opgelegd, maar Gods onderwijs dat een plaats krijgt in het verstand en het hart.

Paulus gebruikt in 2 Korinthe 3:3 de uitdrukking “vlezen tafelen des harten”.

Het gaat hier niet om de gedachte dat de mens door eigen inspanning alsnog de wet moet leren volbrengen. Het gaat om Gods werk in de mens.

Voor de gelovige in Christus betekent dit dat hij niet langer zijn rechtvaardiging of aanvaarding bij God hoeft te zoeken door het onderhouden van de wet.

Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Zijn denken wordt vernieuwd door het Woord van God en zijn wandel wordt bepaald door de Geest.

Daarom schrijft Paulus:

“Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” (Galaten 5:18, STV)

Dat is een wezenlijk verschil.

Een gelovige leeft niet vanuit de gedachte:

“Wat moet ik allemaal doen om door God aanvaard te worden?”

Hij mag leven vanuit de zekerheid: “In Christus ben ik door genade aanvaard, en vanuit dat nieuwe leven mag ik God dienen.”

De vrucht van dat leven komt niet voort uit uiterlijke dwang, maar uit het werk van Gods Geest.

 

Jezus Christus als Middelaar van het nieuwe verbond

Onder het oude verbond dienden priesters uit de stam Levi in een aards heiligdom.

Hun priesterdienst was tijdelijk en moest telkens opnieuw worden voortgezet. De offers werden voortdurend herhaald, omdat zij de zonden niet definitief konden wegnemen.

Die hele dienst wees vooruit naar een grotere werkelijkheid.

De Here Jezus Christus is de volmaakte Hogepriester, Die niet in een aards heiligdom dient, maar in de hemel Zelf.

“De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen.” (Hebreeën 8:1, STV)

En verder:

“En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.” (Hebreeën 8:6, STV)

Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Zijn priesterschap is niet tijdelijk, maar eeuwig.

Zijn offer hoeft niet herhaald te worden, want Hij heeft Zichzelf eenmaal geofferd.

Daarom rust de verhouding tussen God en de gelovige niet op de wisselende prestaties van de mens, maar op het volbrachte werk van Christus.

Hij leeft om voor de Zijnen te bidden.

De zekerheid van ons behoud ligt dus niet in onze eigen kracht, maar in Hem.

De belofte van het nieuwe verbond luidt:

“Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.” (Hebreeën 8:12, STV)

Wat een geweldige tegenstelling met een religieus systeem waarin de mens voortdurend bezig is zijn schuld af te betalen!

Christus heeft de schuld gedragen. De verzoening is volbracht. De gelovige mag daarom rusten in wat Hij heeft gedaan.

 

Leven onder de genade: vrijheid in Christus

Wat betekent dit alles voor het dagelijkse leven?

Het verschil tussen wet en genade is niet slechts een leerstellig onderwerp waarover men kan discussiëren. Het heeft directe gevolgen voor de manier waarop een gelovige denkt, leeft en met anderen omgaat.

 

Niet handelen uit dwang, maar vanuit het nieuwe leven

Onder een wettisch systeem staat de verplichting centraal.

“Je moet dit.”

“Je mag dat niet.”

“Als je werkelijk een goede gelovige bent, dan behoor je…”

Zo ontstaat een godsdienstig leven waarin de mens voortdurend bezig is aan verwachtingen te voldoen.

Maar Paulus beschrijft het leven van de gelovige heel anders:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20, STV)

Dát is de kern van het nieuwe leven.

Niet het oude leven verbeteren door steeds meer regels toe te voegen, maar leven vanuit de verbondenheid met Christus.

De gelovige dient God niet om daardoor Zijn liefde te verdienen, maar omdat hij die liefde in Christus heeft leren kennen.

Er ontstaat een innerlijk verlangen om te doen wat God behaagt.

Niet omdat iemand voortdurend over zijn schouder meekijkt, maar omdat Gods Woord zijn denken en verlangen vormt.

Daarbij mogen we niet vergeten dat de gelovige nog steeds te maken heeft met de strijd tussen vlees en Geest. Het nieuwe leven betekent niet dat alles automatisch volmaakt gaat.

Maar de drijfveer is veranderd.

Niet: “Ik moet gehoorzamen om aangenomen te worden.”

Maar: “Omdat ik in Christus ben aangenomen, wil ik leven tot eer van Hem.”

 

Vrijheid van menselijke regels en onderlinge veroordeling

Een van de grote gevaren van godsdienst is dat menselijke voorschriften geleidelijk dezelfde plaats krijgen als het Woord van God.

Men gaat elkaar beoordelen op uiterlijke kenmerken, gewoonten, tradities en regels die nergens als verplichting in de Schrift worden opgelegd.

Paulus waarschuwt daar nadrukkelijk tegen:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” (Galaten 5:1, STV)

De vrijheid in Christus betekent niet dat zonde onbelangrijk geworden is, maar dat de gelovige niet langer onder het juk van de wet of menselijke godsdienstige voorschriften leeft.

Ook het nieuwe verbond bevat een heerlijke belofte:

“En zij zullen niet leren, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.” (Hebreeën 8:11, STV)

Deze belofte heeft in de eerste plaats betrekking op Israël en de toekomstige vervulling van het nieuwe verbond.

Tegelijk kennen gelovigen vandaag al de werkelijkheid van een persoonlijke verhouding met God door Jezus Christus.

Daarvoor hebben zij geen menselijke priester of religieuze tussenpersoon nodig.

Christus is de Middelaar.

Dat sluit onderlinge vermaning, onderwijs en geestelijke zorg niet uit. De Schrift roept gelovigen immers op elkaar te onderwijzen en te dienen.

Maar niemand heeft het recht zichzelf op te werpen als de heerser over het geweten van een ander.

De Gemeente hoort geen plaats van geestelijke controle te zijn, maar een gemeenschap waarin Christus centraal staat en Zijn Woord het hoogste gezag heeft.

 

Vrijmoedig naderen tot de Vader

Onder het oude verbond was de toegang tot het heilige der heiligen beperkt.

Slechts de hogepriester mocht daar binnengaan, eenmaal per jaar, en niet zonder bloed.

Maar door het offer van de Here Jezus Christus is de weg tot God geopend.

De gelovige hoeft niet langer op afstand te blijven staan.

Hij mag vrijmoedig naderen tot de troon der genade.

Niet omdat hij zonder tekortkomingen is, maar omdat Christus de toegang heeft geopend.

Daarom mag hij zijn vertrouwen niet stellen op zijn eigen godsdienstige prestaties, maar op de trouw van de Here Jezus Christus.

Paulus verwoordt die zekerheid op indrukwekkende wijze:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (Romeinen 8:38-39, STV)

Wat een rust geeft dat!

Onze gemeenschap met God rust niet op de vraag of wij vandaag voldoende hebben gepresteerd.

Deze is gegrond op de Here Jezus Christus, Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

Wat betekent het nieuwe verbond voor gelovigen vandaag?

Het nieuwe verbond laat zien dat Gods weg tot verlossing niet ligt in de pogingen van de mens om zichzelf door wetsgehoorzaamheid rechtvaardig te maken.

De wet maakt de zonde openbaar, maar Christus heeft gedaan wat de mens zelf niet kon doen.

In Hem vinden wij vergeving, rechtvaardiging en vrede met God.

Voor de gelovige betekent dit een leven vanuit de genade.

Het betekent dat wij Gods Woord niet benaderen als een verzameling voorschriften waarmee wij ons behoud moeten verdienen, maar als de waarheid waardoor ons denken vernieuwd wordt.

Het betekent ook dat wij niet langer gebonden zijn aan menselijke godsdienstige systemen die ons voortdurend opnieuw onder een juk van verplichtingen willen brengen.

Onze vrijheid is echter geen vrijheid om naar het vlees te leven.

Paulus schrijft:

“Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde.” (Galaten 5:13, STV)

De vrijheid van de gelovige is dus geen wetteloosheid.

Het is de vrijheid om God te dienen zonder de slavernij van het wetticisme.

Een leven waarin niet de angst voor veroordeling, maar de liefde van Christus de drijfveer is.

 

Samengevat: niet onder de wet, maar levend uit genade

Het nieuwe verbond is gegrond op Gods beloften en op het bloed van de Here Jezus Christus.

Het werd door God beloofd aan Israël en Juda, en die beloften behouden hun eigen betekenis en vervulling.

Tegelijk mogen gelovigen uit de volken vandaag delen in de geestelijke zegeningen die door Christus werkelijkheid zijn geworden.

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond laat zien hoe groot de tegenstelling is tussen menselijke inspanning en goddelijke genade, tussen een uitwendige wet en een innerlijke vernieuwing, tussen de voortdurende herhaling van offers en het ene, volkomen offer van Christus.

Daarom mag het leven van een gelovige geen wettisch keurslijf zijn.

Wie in Christus is, hoeft niet voortdurend te proberen Gods aanvaarding te verdienen.

Hij mag leven vanuit wat hem in Christus geschonken is.

 

Wanneer het Woord van God rijkelijk in ons woont, verandert ons denken en wordt ons handelen steeds meer gevormd door de waarheid.

Niet door dwang van buitenaf, maar door het werk van Gods Geest.

Niet leven om genade te verdienen, maar leven omdat genade ons geschonken is.

Dát is de vrijheid waarin Christus ons heeft gesteld.

lees ook:

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis

De Koran en het Evangelie, claims en feiten

Claims versus feiten

YouTube player

 In deze video onderzoek ik een fundamentele vraag: wat zegt de Koran zelf over de Thora, het Evangelie en de kruisiging van Jezus Christus, en hoe verhouden die claims zich tot de historische feiten?

De Koran ontkent in Soera 4:157 dat Jezus werd gekruisigd. Tegelijkertijd zegt de Koran dat Allah de Thora en het Evangelie heeft gegeven, dat daarin ‘leiding en licht’ zijn en dat de Koran de eerdere openbaring bevestigt. In Soera 5:47 worden de mensen van het Evangelie zelfs opgeroepen te oordelen naar hetgeen Allah daarin heeft geopenbaard. En in Soera 10:94 wordt Mohammed, in het geval hij zou twijfelen, verwezen naar degenen die de Schrift vóór hem lazen.

Dat roept belangrijke vragen op. Als het Evangelie vóór Mohammed al vervalst was, waarom verwijst de Koran er dan naar als gezaghebbende openbaring? Naar welk Evangelie moesten de christenen in de zevende eeuw volgens Soera 5:47 oordelen? En als Jezus niet werd gekruisigd, hoe verklaren we dan dat Zijn kruisiging, dood en opstanding al vanaf de vroegste christelijke verkondiging centraal stonden, eeuwen vóór het ontstaan van de islam? In deze video leg ik de claims naast elkaar en laat de teksten zelf spreken.

Besproken Koranteksten: Soera 3:3 Soera 4:157 Soera 5:44-48 Soera 6:115 Soera 10:94 Soera 18:27

Besproken Bijbelteksten: Mattheüs 28:6 Johannes 19:30 1 Korinthe 1:23 1 Korinthe 15:3-4

Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde (1 Korinthe 1:23, STV)

DISCLAIMER:Deze video is allerminst bedoeld om moslims te bespotten of aan te vallen. Integendeel: omdat waarheid ertoe doet, moeten religieuze claims onderzocht mogen worden. Lees de Koran. Lees het Evangelie. Onderzoek de historische gegevens. En stel vervolgens jezelf de vraag: welke boodschap over Jezus vinden we daadwerkelijk in de bronnen die eeuwen vóór Mohammed bestonden?

De tabernakeldienst onder het oude verbond verwijst naar Christus

De tabernakel: schaduw van het Christus en het nieuwe verbond

De oudtestamentische tabernakel was geen willekeurige verzameling godsdienstige voorwerpen en rituelen. God gaf Zelf het ontwerp, stelde de priesterdienst in en bepaalde hoe Israël tot Hem mocht naderen.

Maar de tabernakel was nooit het einddoel.

De tabernakel wees vooruit naar Christus, Zijn offer, Zijn opstanding, Zijn priesterschap en de toegang tot God die door Zijn bloed geopend zou worden. De Brief aan de Hebreeën noemt de tabernakeldienst daarom:

“Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen.” Hebreeën 8:5 (STV)

De tabernakel was de schaduw.

Christus is de werkelijkheid.

De tabernakel was geen kerkmodel, maar een voorafschaduwing van Christus. Het altaar, wasvat, de toonbroden, kandelaar en ark wijzen allemaal naar Zijn volbrachte werk.

Daarom is het niet alleen onnodig, maar ook leerstellig gevaarlijk wanneer christenen elementen van die oudtestamentische schaduwdienst opnieuw invoeren. Een christelijk altaar, een afzonderlijke priesterklasse, heilige gebouwen en herhaalde offers doen geen recht aan de tabernakel. Zij doen tekort aan de Persoon en het volbrachte werk van Christus.

de tabernakeldienst verwijst naar Christus
De tabernakeldienst verwijst naar Christus

 

De tabernakel was een schaduw, geen kerkmodel

De tabernakeldienst werd aan Israël gegeven onder het verbond van Sinaï. Zij behoorde bij het Mozaïsche verbond, het Aäronitische priesterschap en de offers van de Wet.

De Gemeente is geen voortzetting van dit systeem.

De Gemeente heeft geen aardse tempel nodig, geen apart priesterambt dat tussen God en de gelovige staat en geen altaar waarop opnieuw een verzoenend offer moet worden gebracht.

Het nieuwe verbond werd bovendien uitdrukkelijk aangekondigd aan Israël en Juda:

“Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” Jeremia 31:31 (STV)

Dit nieuwe verbond is gefundeerd op het bloed van Christus. Gelovigen hebben nu deel aan de geestelijke zegeningen die uit Zijn offer en priesterschap voortkomen. Dat betekent echter niet dat de Gemeente Israël heeft vervangen of dat alle beloften aan Israël voortaan zonder onderscheid op de kerk kunnen worden toegepast.

De tabernakel wijst niet naar een kerkelijk instituut.

De tabernakel wijst naar Christus.

Typologie moet aan de Schrift gebonden blijven

Bij de uitleg van de tabernakel is voorzichtigheid nodig. Niet ieder haakje, touwtje of stuk metaal vormt automatisch de grondslag voor een verborgen leer.

Een type mag nooit als zelfstandige basis voor een leer gebruikt worden. Het mag alleen een waarheid illustreren die elders duidelijk in de Schrift wordt geleerd.

Anders ontstaat willekeur.

Dan kan iedere uitlegger zijn eigen betekenis aan de kleuren, maten, materialen en voorwerpen geven. Zo verandert Bijbelse typologie al snel in religieuze fantasie.

De hoofdlijn is echter glashelder:

“Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.” Hebreeën 9:24 (STV)

De aardse tabernakel was een afbeelding.

Christus ging het ware, hemelse heiligdom binnen.

 

De poort: Christus is de enige Weg

De tabernakel had één poort.

Er waren geen verschillende ingangen voor verschillende religieuze voorkeuren. God bepaalde Zelf de toegang.

Dat wijst op de Here Jezus Christus:

“Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden.” Johannes 10:9 (STV)

Dit is een aanstootgevende waarheid voor de moderne, religieus-pluralistische mens. Men wil graag geloven dat iedere oprechte overtuiging uiteindelijk bij God uitkomt.

De tabernakel leert het tegenovergestelde.

Er is één ingang.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” Johannes 14:6 (STV)

Christus is niet één mogelijkheid naast vele andere mogelijkheden. Hij is niet slechts de christelijke variant van een algemene religieuze weg.

Hij is de Weg.

Het brandofferaltaar: de toegang begint bij het offer

Direct na de poort stond het koperen brandofferaltaar.

De eerste ontmoeting was niet met het wasvat, de toonbroden of de kandelaar. De eerste ontmoeting was met het altaar.

Dat is veelzeggend.

De toegang tot God begint niet met zelfverbetering. Zij begint niet met goede werken, morele ontwikkeling, religieuze oefeningen of geestelijke ervaringen.

De toegang begint bij het offer.

Op het brandofferaltaar stierf een onschuldig dier in de plaats van de schuldige. Het bloed werd vergoten en het offer werd door vuur verteerd.

Zonde kan niet worden weggepraat.

Zonde kan niet worden gecompenseerd door goede bedoelingen.

Zonde vraagt om oordeel.

Het brandofferaltaar wijst naar Golgotha:

“Want ook Christus heeft eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” 1 Petrus 3:18 (STV)

Christus stierf niet alleen als voorbeeld van liefde of zelfopoffering. Hij stierf plaatsvervangend.

De Rechtvaardige stierf voor onrechtvaardigen.

Daarmee ontmaskert het altaar iedere religie die leert dat de mens zichzelf door werken, rituelen of geestelijke prestaties voor God aanvaardbaar kan maken.

Het altaar zegt dat de mens zichzelf niet kan redden.

Het Evangelie zegt dat Christus het heeft volbracht.

 

Het offer van Christus wordt niet herhaald

Onder het oude verbond moesten de offers steeds opnieuw worden gebracht. Zij konden de zonden niet definitief wegnemen.

Daarom staat geschreven:

“Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.” Hebreeën 10:4 (STV)

De oudtestamentische offers wezen vooruit naar het ene volmaakte offer van Christus:

“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.” Hebreeën 10:12 (STV)

Hij is gezeten.

Het werk is volbracht.

Iedere eredienst waarin Christus op enige wijze opnieuw wordt geofferd, opnieuw wordt aangeboden of afhankelijk wordt gemaakt van een priesterlijke handeling, tast de volkomenheid van Golgotha aan.

Christus heeft niet slechts een mogelijkheid tot verlossing geopend die door religieuze mensen moet worden afgemaakt.

Hij heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht:

“Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.” Hebreeën 9:12 (STV)

Het woord “eenmaal” laat geen ruimte voor een herhaald verzoenend offer.

Het koperen wasvat: reiniging na het altaar

Na het brandofferaltaar stond het koperen wasvat.

Ook deze volgorde is belangrijk.

Eerst het bloed.

Daarna het water.

Eerst verzoening.

Daarna reiniging.

Het wasvat was bestemd voor priesters die reeds tot de dienst waren afgezonderd. Zij moesten hun handen en voeten wassen voordat zij het heiligdom binnengingen.

Het wasvat beeldt daarom niet uit dat een gelovige telkens opnieuw behouden moet worden. Het spreekt van de dagelijkse reiniging van zijn wandel.

De Here Jezus zei tegen Petrus:

“Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein.” Johannes 13:10 (STV)

Er is een verschil tussen onze positie en onze dagelijkse toestand.

De gelovige is in Christus gereinigd, gerechtvaardigd en aanvaard. Toch wordt zijn wandel verontreinigd door zonde, wereldgelijkvormigheid en de werking van het vlees.

Daarom heeft hij voortdurend de reinigende werking van het Woord nodig:

“Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord.” Efeze 5:26 (STV)

Het altaar spreekt van wat Christus voor ons heeft gedaan.

Het wasvat spreekt van wat Christus door Zijn Woord in ons doet.

Wie het altaar en het wasvat verwart, maakt de behoudenis afhankelijk van onze dagelijkse reinheid.

Wie het wasvat weglaat, verandert genade in een vrijbrief voor een slordige en vleselijke levenswandel.

 

De toonbroden: Christus is het voedsel van de gelovige

In het heilige stond de tafel met de twaalf toonbroden.

De broden lagen voortdurend voor Gods aangezicht en vertegenwoordigden de twaalf stammen van Israël. Brood spreekt in de Schrift van leven en voedsel.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.” Johannes 6:35 (STV)

Christus is niet alleen Degene door Wie wij behouden worden. Hij is ook het geestelijke voedsel van de gelovige.

De toonbroden leren geen sacramentele verandering van brood in het letterlijke lichaam van Christus. Zij wijzen naar Christus als Degene uit Wie de nieuwe mens leeft.

Wij voeden ons met Hem door het Woord.

Wij leren Hem kennen in Zijn vernedering, gehoorzaamheid, lijden, sterven, opstanding, verhoging en tegenwoordige priesterschap.

Waar Christus niet langer het geestelijke voedsel van de Gemeente is, wordt de leegte opgevuld met amusement, menselijke verhalen, managementprincipes, psychologische technieken en geestelijke sensatie.

Maar de ziel wordt niet gevoed door sfeer.

De ziel wordt gevoed door Christus.

 

De gouden kandelaar: Christus is het Licht

Tegenover de tafel met de toonbroden stond de gouden kandelaar.

Het heilige had geen ramen. Het licht kwam niet van buitenaf en ook niet uit menselijke wijsheid.

Het licht werd door God gegeven.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.” Johannes 8:12 (STV)

De natuurlijke mens kan geestelijke waarheid niet ontdekken door in zichzelf te kijken. Het menselijke hart is geen betrouwbare bron van openbaring.

Evenmin wordt de waarheid bepaald door gevoel, cultuur, meerderheid of persoonlijke ervaring.

Christus is het Licht.

De Heilige Geest verheerlijkt Christus en opent het Woord. Hij brengt geen nieuwe openbaring die de Schrift corrigeert, aanvult of opzijschuift.

Wanneer het Woord wordt vervangen door profetische indrukken, ingevingen, visioenen en persoonlijke openbaringen, wordt het licht van Christus ingeruild voor de flakkerende lamp van menselijke verbeelding.

Het reukofferaltaar: Christus is de Voorspraak

Vlak voor het voorhangsel stond het gouden reukofferaltaar.

Het reukwerk steeg op tot God en verspreidde een aangename geur. Het wijst op aanbidding, gebed en de voorspraak van Christus.

“Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” Romeinen 8:34 (STV)

Onze gebeden worden niet aangenomen omdat zij mooi geformuleerd, luid uitgesproken of door een gezalfde leider ondersteund worden.

Wij worden gehoord omdat wij in Christus tot God naderen.

Hij is onze Voorspraak.

Daarom heeft de gelovige geen aardse priester, apostel of profeet nodig om zijn gebeden dichter bij God te brengen.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Er is één Middelaar.

Niet Christus plus een kerkelijk priesterschap.

Niet Christus plus een moderne apostel.

Niet Christus plus een vermeend gezalfde leider.

Christus alleen.

 

Het voorhangsel: de weg is geopend

Het voorhangsel scheidde het heilige van het heilige der heiligen.

Het maakte duidelijk dat de weg tot Gods onmiddellijke tegenwoordigheid onder het oude verbond nog niet vrij toegankelijk was:

“Waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was.” Hebreeën 9:8 (STV)

Alleen de hogepriester mocht eenmaal per jaar achter het voorhangsel komen, en niet zonder bloed.

Maar bij de dood van Christus scheurde het voorhangsel van boven naar beneden.

God Zelf opende de weg.

“Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees.” Hebreeën 10:19-20 (STV)

De gelovige staat niet langer op afstand.

Hij hoeft niet via een kerkelijk systeem, een priesterlijke hiërarchie of een geestelijke elite tot God te naderen.

Hij heeft door het bloed van Christus vrijmoedigheid om tot God te gaan.

Wie opnieuw een geestelijke tussenmuur bouwt, probeert als het ware het gescheurde voorhangsel weer dicht te naaien.

De ark en het verzoendeksel: genade op grond van bloed

In het heilige der heiligen stond de ark des verbonds.

In de ark lagen de wetstafelen, de gouden kruik met manna en de bloeiende staf van Aäron.

Deze voorwerpen wijzen naar Christus.

Hij heeft de Wet volmaakt vervuld.

Hij is het Brood des levens.

Hij is uit de dood opgestaan en bezit een onvergankelijk priesterschap.

Boven op de ark lag het verzoendeksel. Daar werd op de Grote Verzoendag het bloed gesprengd.

Zonder het bloed zou de wet alleen tegen de mens getuigen. Door het bloed kon God in genade handelen zonder Zijn rechtvaardigheid prijs te geven.

Paulus schrijft over Christus:

“Welken God voorgesteld heeft tot een Verzoening, door het geloof in Zijn bloed.” Romeinen 3:25 (STV)

Gods genade is niet goedkoop.

Vergeving betekent niet dat God de zonde door de vingers ziet. Genade is mogelijk omdat Christus het oordeel heeft gedragen.

Daarom mag de gelovige met vrijmoedigheid naderen:

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” Hebreeën 4:16 (STV)

 

De hogepriester: Christus vertegenwoordigt ons bij God

De tabernakel kan niet los worden gezien van het priesterschap.

De zondaar had niet alleen een offer nodig, maar ook een priester die op grond van dat offer tot God naderde.

Aäron was een voorafschaduwing van Christus, maar Christus is oneindig groter dan Aäron.

Aäron moest eerst voor zijn eigen zonden offeren. Christus was zondeloos.

Aäron ging eenmaal per jaar het heilige der heiligen binnen. Christus ging eenmaal en voorgoed het hemelse heiligdom binnen.

Aäron bracht het bloed van dieren. Christus ging binnen door Zijn eigen bloed.

Aärons priesterschap werd steeds door de dood onderbroken. Christus leeft altijd.

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” Hebreeën 7:25 (STV)

Christus redt niet half.

Hij redt volkomen.

 

Waarom terugkeren naar de schaduw?

De tabernakel laat niet zien hoeveel religieuze hulpmiddelen de mens nodig heeft om zichzelf tot God op te werken.

De tabernakel laat zien hoeveel er nodig was voordat de weg tot God geopend kon worden.

En alles wat nodig was, is in Christus vervuld.

Hij is de Poort.

Hij is het Offer.

Hij is het Brood.

Hij is het Licht.

Hij is de Hogepriester.

Hij is de Middelaar.

Hij is het ware Heiligdom.

Daarom is het een ernstige dwaling wanneer het christendom elementen van de oudtestamentische schaduwdienst opnieuw invoert als noodzakelijke middelen om tot God te komen.

Een nieuw altaar doet tekort aan het ene offer.

Een afzonderlijke priesterklasse doet tekort aan de ene Middelaar.

Een heilige ruimte doet tekort aan de vrije toegang tot het hemelse heiligdom.

Een herhaald offer doet tekort aan het volbrachte werk.

Een geestelijke elite doet tekort aan het priesterschap van alle gelovigen.

Wie Christus heeft, heeft de werkelijkheid.

Waarom zou hij terugkeren naar de schaduw?

 

De tabernakel wijst helemaal naar Christus

De boodschap van de tabernakel is niet dat wij haar dienst moeten kopiëren.

De boodschap is dat wij Christus moeten zien.

Het brandofferaltaar wijst naar Zijn offer.

Het koperen wasvat wijst naar Zijn reinigende werk.

De toonbroden wijzen naar Hem als geestelijk voedsel.

De kandelaar wijst naar Hem als het Licht.

Het reukofferaltaar wijst naar Zijn voorspraak.

Het voorhangsel wijst naar Zijn vlees en Zijn dood.

De ark en het verzoendeksel wijzen naar Zijn Persoon en Zijn verzoenend bloed.

Niet religie brengt ons tot God.

Niet een kerkelijk systeem brengt ons tot God.

Niet een sacrament brengt ons tot God.

Niet een gezalfde leider brengt ons tot God.

Christus brengt ons tot God.

En Hij heeft de weg niet gedeeltelijk geopend.

Hij heeft hem volkomen geopend.

 

Veelgestelde vragen over de tabernakel en Christus

Is de tabernakel een afbeelding van de Gemeente?

De tabernakel wijst in de eerste plaats naar Christus, Zijn offer, Zijn priesterschap en de hemelse werkelijkheid. Sommige onderdelen kunnen geestelijke lessen bevatten voor gelovigen, maar de tabernakel mag niet zonder meer als kerkmodel worden gebruikt.

Waarnaar wijst het brandofferaltaar?

Het brandofferaltaar wijst naar het plaatsvervangende en volkomen offer van Christus aan het kruis. Zijn offer werd eenmaal gebracht en hoeft niet herhaald te worden.

Wat betekent het koperen wasvat?

Het wasvat wijst naar de praktische reiniging van de gelovige door het Woord. Het gaat niet om telkens opnieuw behouden worden, maar om reiniging van de dagelijkse wandel.

Wat betekenen de toonbroden?

De toonbroden wijzen naar Christus als het Brood des levens en naar de geestelijke gemeenschap en voeding die de gelovige in Hem ontvangt.

Waarom scheurde het voorhangsel?

Het voorhangsel scheurde bij de dood van Christus omdat door Zijn bloed de weg tot God werd geopend. De gelovige heeft nu vrijmoedigheid om tot de troon der genade te naderen.

Heeft de gelovige nog een aardse priester nodig?

Nee. Christus is de enige Middelaar en Hogepriester. Iedere gelovige mag door Hem rechtstreeks tot God naderen.

zie ook:

Het offer van Christus, méér dan Zijn kruisdood – Bijbelse basis

extern:

De Tabernakel – deel 1

De Tabernakel – deel 2

 

Geverifieerd door MonsterInsights