God hééft gesproken!

Waarom de Bijbel Zijn definitieve Woord is

Heeft God vandaag nog nieuwe profeten, apostelen en openbaringen nodig om Zijn Gemeente te leiden? Of heeft Hij in de Here Jezus Christus en door de Bijbel bekendgemaakt wat wij voor ons geloof nodig hebben?

Die vraag raakt het hart van het christendom.

Er waait een verontrustende wind door een deel van de hedendaagse christenheid. Steeds vaker klinkt de boodschap dat de Bijbel alleen niet voldoende zou zijn. Christenen worden aangespoord om ‘Gods stem persoonlijk te leren verstaan’, nieuwe openbaringen’ te ontvangen en te luisteren naar mensen die beweren rechtstreeks namens God te spreken.

“God heeft mij verteld…” “De Heilige Geest openbaarde mij…” “Ik heb een profetisch woord voor de Gemeente…”

Het klinkt indrukwekkend en bijzonder geestelijk. Maar achter dergelijke uitspraken schuilt een fundamentele vraag: is het geschreven Woord van God nog voldoende, of hebben wij daarnaast nieuwe goddelijke boodschappen/boodschappers nodig?

De Bijbel geeft ons alle reden om vast te houden aan zijn gezag en genoegzaamheid. Niet omdat God tegenwoordig minder machtig zou zijn, maar omdat Hij in Zijn Zoon heeft gesproken en door Zijn apostelen het fundament van de Gemeente heeft gelegd.

 

God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg
God heeft gesproken, de Bijbel is genoeg

God heeft gesproken door Zijn Zoon

De brief aan de Hebreeën begint met een duidelijke verklaring:

“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon (…)” (Hebreeën 1:1-2, STV)

Deze woorden laten een niet mis te verstane duidelijke ontwikkeling in Gods openbaring zien.

Onder het oude verbond sprak God op verschillende tijden en verschillende manieren. Hij sprak door Mozes, de profeten, dromen, visioenen en bijzondere verschijningen.

Maar met de komst van de Here Jezus Christus brak iets beslissends aan.

God zond niet nóg een profeet. Hij sprak door Zijn eigen Zoon.

De Here Jezus Christus is het vleesgeworden Woord. Johannes schrijft:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En daarna:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (…)” (Johannes 1:14, STV)

Hier staan we op het hoogtepunt van Gods zelfopenbaring. Christus is niet zomaar iemand die namens God spreekt. Hij is Zelf God, geopenbaard in het vlees.

Wie daarom suggereert dat de christelijke Gemeente steeds opnieuw ‘nieuwe openbaringen’ nodig heeft om de volle waarheid te leren kennen, miskent makkelijk het definitieve karakter van Gods spreken in Zijn Zoon.

Het christendom rust niet op een voortdurende stroom ‘nieuwe openbaringen’, maar op de Persoon en het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

De Bijbel is géén onvolledig handboek

Paulus schrijft aan Timotheüs:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;” (2 Timotheüs 3:16, STV)

Hier wordt iets gezegd wat in veel moderne geestelijke bewegingen op de achtergrond dreigt te raken.

De Schrift is van God ingegeven.

Dat betekent dat wij niet te maken hebben met menselijke opvattingen over God, maar met Zijn gezaghebbende Woord.

En Paulus gaat verder:

“Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Timotheüs 3:17, STV)

Laat die woorden eens goed tot u doordringen: tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

Niet gedeeltelijkis toegerust.een Niet voorlopig toegerust, totdat er een nieuwe ‘profeet’ verschijnt.. Niet afhankelijk van een ‘apostel’ die toegang beweert te hebben tot hogere verborgen kennis.

De Schrift is voldoende om de gelovige toe te rusten tot alles wat God van hem vraagt.

Dat betekent niet dat de Bijbel antwoord geeft op elke praktische vraag die een mens kan stellen. Evenmin betekent het dat onderwijs, gebed of de gemeenschap met andere gelovigen overbodig zijn.

Het betekent dat geen nieuwe leerstellige openbaring nodig is om Gods heilswaarheid aan te vullen.

Wie beweert dat de Gemeente zonder nieuwe profetieën geestelijk tekortkomt, moet zich daarom afvragen hoe die bewering zich ooit kan verhouden tot de genoegzaamheid van het geïnspireerde Woord.

 

Het geloof is eenmaal overgeleverd

Judas schrijft:

“…dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.” (Judas vers 3, STV)

Het woord “eenmaal” is hier bepalend.

Het geloof waarvan Judas spreekt, is niet een religieus systeem dat voortdurend moet worden uitgebreid met nieuwe leerstellingen.

Het is het geloof dat aan de heiligen is overgeleverd.

Dat betekent dat de Gemeente geroepen is om de ontvangen waarheid te bewaren, te verkondigen en te verdedigen.

Niet om nieuwe geloofswaarheden te ontdekken die eerdere generaties onbekend waren.

Niet om het apostolische onderwijs aan te vullen met boodschappen van moderne ‘profeten’.

En zeker niet om zich afhankelijk te maken van mensen die beweren toegang te hebben tot bijzondere kennis die voor gewone gelovigen verborgen blijft.

Dat is dus het gevaar van veel hedendaagse ‘openbaringsbewegingen’.

De gelovige wordt niet langer uitsluitend verwezen naar de Schrift, maar ook naar de zogenaamde geestelijke inzichten van bijzondere leiders.

Daardoor ontstaat een gevaarlijke verschuiving: het gezag verplaatst zich ongemerkt van Gods geschreven Woord naar de persoon die zegt namens God te spreken.

 

Het fundament van de Gemeente wordt niet telkens opnieuw gelegd

Paulus schrijft over de Gemeente:

“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;” (Efeze 2:20, STV)

Een fundament wordt gelegd voordat het gebouw wordt opgetrokken.

De apostelen en profeten vervulden in de begintijd van de Gemeente een bijzondere, funderende taak. Christus is de Hoeksteen, en op het apostolische getuigenis wordt de Gemeente gebouwd.

”Dit is van groot belang voor de beoordeling van de hedendaagse beweging die opnieuw ‘apostelen’ en ‘profeten’ met bijzonder gezag wil aanstellen.

Sommige leiders beroepen zich daarbij op Efeze 4:11, waar gesproken wordt over apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.

Maar je mag Efeze 4 niet losmaken van Efeze 2.

Het feit dat Christus apostelen en profeten heeft gegeven, betekent niet automatisch dat er in iedere generatie opnieuw mensen zouden moeten verschijnen met hetzelfde funderende openbaringsgezag als de oorspronkelijke apostelen.

Het Nieuwe Testament laat zien dat de apostelen een unieke plaats innamen. Zij waren getuigen van de opgestane Christus en door Hem aangesteld om Zijn getuigenis bekend te maken.

Paulus spreekt in 1 Korinthe 15:8 over zijn bijzondere ontmoeting met de opgestane Heer..

De Gemeente van vandaag heeft geen nieuw fundament nodig.

De Gemeente moet trouw blijven aan het fundament dat reeds gelegd is.te

Een moderne ‘apostel’ die ‘nieuwe goddelijke leerstellingen’ verkondigt, voegt geen verdieping toe aan het apostolische geloof, maar maakt aanspraak op een gezag waarvoor de Schrift geen grond geeft.

 

“God heeft mij gezegd”, een uitspraak met vergaande gevolgen

Er is nauwelijks een uitspraak die binnen een christelijke gemeenschap zoveel gezag kan opeisen als:

“God heeft mij gezegd.”

Want wie durft God tegen te spreken?

En daarin schuilt het gevaar.

Een voorganger die zegt:

“Ik denk dat dit verstandig is”

kan worden bevraagd.

Een leraar die zegt:

“Volgens mij betekent deze Bijbeltekst dit”

moet zijn uitleg vanuit de Schrift aantonen.

Maar iemand die zegt:

“God heeft rechtstreeks tot mij gesproken”,

presenteert zijn boodschap als afkomstig van de hoogste Autoriteit.

En wanneer die boodschap vervolgens niet ter discussie mag worden gesteld, ligt geestelijk misbruik op de loer.

De geschiedenis van religieuze bewegingen laat zien hoe makkelijk mensen onder druk kunnen worden gezet door leiders die hun persoonlijke overtuigingen presenteren als goddelijke opdrachten.

Daarom is de houding van de gelovigen in Berea ook zo leerzaam.

Zij onderzochten dagelijks de Schriften om na te gaan of de boodschap die zij hoorden daarmee overeenstemde (Handelingen 17:11).

Denk daar eens serieus over na.

Ook het onderwijs van Paulus werd aan de Schrift getoetst.

En tegenwoordig zouden wij de woorden van een zelfbenoemde ‘profeet’ dan  kritiekloos moeten aanvaarden?

Dat is de wereld op zijn kop.

De Bijbel leert ons niet om onze geestelijke onderscheiding uit te schakelen zodra iemand beweert namens God te spreken.

Integendeel:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn (…)” (1 Johannes 4:1, STV)

Een boodschap wordt niet betrouwbaar doordat iemand deze met grote overtuiging brengt.

En een profetische uitspraak wordt niet ‘afkomstig van God’ doordat deze emotioneel indruk maakt.

De inhoud moet worden getoetst aan de waarheid die God heeft geopenbaard.

 

De Heilige Geest brengt geen concurrerende openbaring

Een veelgehoord verwijt aan christenen die vasthouden aan de genoegzaamheid van de Schrift is dat zij ‘de Heilige Geest voor de voeten zouden lopen’.

Soms wordt zelfs gesuggereerd dat wie geen nieuwe profetieën verwacht, niet openstaat voor Gods spreken.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De Heilige Geest is geen concurrent van de Schrift. Hij is De Goddelijke Auteur.

De Here Jezus zei tegen Zijn discipelen:

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.” (Johannes 14:26, STV)

Deze belofte had prmair betrekking op de apostelen, die door de Heilige Geest werden toegerust om betrouwbaar van Christus te getuigen.

Wanneer de Heilige Geest vandaag in gelovigen werkt, brengt Hij hen niet weg van de Schrift, maar opent Hij hun verstand en hart voor de waarheid daarvan.

Dat noemen wij de verlichting door de Heilige Geest.

Er is een belangrijk verschil tussen openbaring en verlichting.

Bij openbaring maakt God waarheid bekend die de mens voordien niet kende. Bij verlichting opent de Heilige Geest het verstand om de reeds geopenbaarde waarheid te begrijpen en toe te passen.

Dit onderscheid wordt tegenwoordig maar al te vaak genegeerd.

Het gevolg is dat persoonlijke gedachten, ingevingen en gevoelens op hetzelfde niveau worden gezet als het geïnspireerde Woord van God.

Maar mijn gevoel is niet onfeilbaar.

Mijn gedachten zijn niet onfeilbaar.

Zelfs mijn sterkste geestelijke overtuigingen zijn niet onfeilbaar.

Alleen Gods Woord heeft dat gezag.

De gevaarlijke honger naar ‘nieuwe openbaringen’

Waarom is er tegenwoordig zoveel belangstelling voor persoonlijke profetieën, dromen, visioenen, hemelse rechtbanken en zogenaamde profetische activaties?

Een belangrijke verklaring is dat veel christenen het gewone leven uit het Woord blijkbaar niet meer bijzonder genoeg vinden.

Het lezen en onderzoeken van de Bijbel lijkt voor sommigen te simpel.

Er moet iets gebeuren. Iets bovennatuurlijks. Iets dat niemand anders heeft meegemaakt.

Een persoonlijke boodschap. Een bijzondere ervaring. Een nieuwe zalving. Een verborgen geheimenis.

Maar nergens leert de Schrift dat geestelijke volwassenheid afhangt van de hoeveelheid bijzondere ervaringen die iemand verzamelt.

Integendeel.

Paulus spoort Timotheüs aan:

“Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is (…)” (2 Timotheüs 3:14, STV)

Let op dat woord: “blijf”.

De apostel spoort Timotheüs niet aan om steeds nieuwe openbaringen te zoeken, maar om trouw te blijven aan de waarheid die hem is toevertrouwd.

Dat is een boodschap die haaks staat op een religieuze cultuur waarin het nieuwe, spectaculaire en buitengewone dikwijls meer aandacht krijgt dan het eenvoudige onderwijs van de Schrift.

Het is veelzeggend wanneer een gemeente enthousiast raakt over iemand die zegt een visioen van de hemel te hebben ontvangen, terwijl een gedegen Bijbelstudie nauwelijks belangstelling trekt.

Dan is er iets aan de hand.

Niet omdat ervaringen op zichzelf de maatstaf zijn voor dwaling, maar omdat het geschreven Woord van God zijn centrale plaats dreigt te verliezen.

 

Maar spreekt God dan helemaal niet meer?

Deze vraag wordt vaak gesteld alsof er slechts twee mogelijkheden bestaan.

Óf God geeft vandaag nog rechtstreeks nieuwe openbaringen, óf Hij zwijgt volledig.

Dat is een valse tegenstelling.

God spreekt vandaag door Zijn Woord.

Wanneer de Bijbel wordt gelezen, spreekt niet slechts een schrijver uit lang vervlogen tijden.

Wij horen de woorden die God door Zijn Geest heeft laten vastleggen.

Het Woord is levend en krachtig (Hebreeën 4:12).

De Heilige Geest gebruikt dat Woord om zondaren te overtuigen, gelovigen te onderwijzen, dwalingen te ontmaskeren en mensen te vertroosten.

Daarvoor is geen nieuwe profetie nodig.

Ook mogen wij bidden om wijsheid, zoals Jakobus 1:5 ons leert. God bestuurt de levens van Zijn kinderen door Zijn voorzienigheid en wil ons leiden in onze omstandigheden.

Maar Zijn voorzienige leiding of de innerlijke overtuiging die wij ervaren, mogen wij niet zonder meer gelijkstellen aan een onfeilbare goddelijke openbaring.

Dat onderscheid beschermt ons tegen geestelijke hoogmoed en misleiding.

 

Is de Bijbelse openbaring afgesloten?

God heeft gesproken in Zijn Zoon. Het geloof is eenmaal overgeleverd. De apostelen en profeten hebben het fundament van de Gemeente gelegd. De geïnspireerde Schrift is voldoende om de mens Gods volledig toe te rusten.

Daaruit volgt de leerstellige overtuiging dat de bijzondere, funderende openbaring van de apostolische tijd niet voortdurend hoeft te worden voortgezet.

Deze overtuiging wordt vaak aangeduid als het afgesloten karakter van de bijzondere openbaring.

Dat betekent niet dat de Heilige Geest niet langer werkzaam is.

Het  betekent dat Zijn werk vandaag niet afhankelijk is van nieuwe gezaghebbende boodschappen die aan het apostolische getuigenis worden toegevoegd.

De Gemeente bezit in de Bijbel een betrouwbaar en voldoende getuigenis van Gods geopenbaarde waarheid.

 

Zelfs een engel uit de hemel mag het Evangelie niet veranderen

Misschien is de scherpste waarschuwing wel te vinden in Galaten 1:8:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)

Paulus is hier buitengewoon scherp.

Zelfs wanneer een engel uit de hemel zou verschijnen, mag zijn boodschap niet worden aanvaard wanneer zij afwijkt van het Evangelie.

Laat dat eens op je inwerken.

Een indrukwekkende bovennatuurlijke verschijning is dus geen bewijs dat de boodschap betrouwbaar is.

Niet de ervaring bepaalt de waarheid.

Niet de verschijning bepaalt de waarheid.

Niet de status van de boodschapper bepaalt de waarheid.

Het reeds verkondigde Evangelie is de maatstaf.

Dat maakt veel moderne aanspraken op bijzondere openbaring buitengewoon kwetsbaar.

Want wanneer zelfs een engel niet het recht heeft om het Evangelie te veranderen, welk recht zou een hedendaagse profeet dan hebben om nieuwe leerstellige waarheden aan de Gemeente op te leggen?

Geen.

 

Terug naar het Woord, terug naar Christus

De grote behoefte van de Gemeente is niet een nieuwe generatie ‘profeten’ die ons vertelt wat God zogenaamd nu pas wil openbaren.

Zij heeft geen nieuwe ‘apostelen’ nodig die een tweede fundament leggen.

Zij heeft geen geestelijke elite nodig die toegang claimt tot verborgen kennis uit de hemel.

Wat de Gemeente nodig heeft, is een terugkeer naar het gezag, de betrouwbaarheid en de genoegzaamheid van de Bijbel.

Naar de verkondiging van de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus.

Naar het Evangelie van Gods genade.

Naar gezond Bijbels onderwijs waarin de Schrift wordt uitgelegd in plaats van verdrongen door persoonlijke ervaringen.

Dit vraagt om geestelijke onderscheiding, maar ook om nederigheid.

Want niemand van ons staat boven het Woord.

Geen voorganger. Geen Bijbelleraar. Geen evangelist. Geen apostel of profeet die vandaag aanspraak maakt op bijzonder gezag.

Ook ik niet.

Iedere leerstelling moet aan de Schrift worden getoetst.

En waar de Schrift duidelijk spreekt, hoort de mens gewoon te luisteren.

 

God hééft gesproken. Luisteren wij nog?

Het probleem van onze tijd is niet dat God te weinig heeft gezegd.

Het probleem is dat we vaak te weinig aandacht schenken aan wat Hij heeft gezegd.

We zoeken het bijzondere, terwijl het geïnspireerde Woord voor ons ligt.

We luisteren naar mensen die beweren namens God te spreken, terwijl we nauwelijks onderzoeken wat God Zelf in de Schrift heeft laten vastleggen.

We verlangen naar nieuwe openbaringen, terwijl de rijkdom van de al gegeven openbaring voor velen grotendeels onbekend blijft.

Dat is geen geestelijke vooruitgang.

Dat is een gevaarlijke verschuiving van Gods objectieve waarheid naar menselijke subjectiviteit.

De Here Jezus Christus is Gods beslissende openbaring. De Heilige Schrift is Zijn geïnspireerde, gezaghebbende en voldoende Woord voor de Gemeente.

Wie méér gezaghebbende openbaring zoekt dan God ons heeft toevertrouwd, loopt het gevaar minder waarde te hechten aan wat Hij reeds heeft gegeven.

De hoogste vorm van geestelijkheid is niet dat iemand voortdurend nieuwe woorden van God beweert te ontvangen.

Het is dat hij gelooft, bewaart en gehoorzaamt wat God heeft gesproken.

We hebben geen nieuw woord van God nodig.

We moeten terug naar het Woord van God.

 

 

Bijbels toetsen is geen ongeloof

Sterker nog, het is een Bijbelse opdracht

Bijbels toetsen, of moet je alles geloven wat ‘van God’ komt?

Er is iets merkwaardigs aan de hand in bepaalde christelijke kringen. Bijbels toetsen wordt daar soms bijna als een teken van ongeloof beschouwd.

Zodra iemand zegt:

“God heeft mij laten zien…”

“De Heilige Geest zei tegen mij…”

“Ik ontving een profetisch woord…”

“Hier rust een bijzondere zalving op…”

lijkt daarmee elk kritisch onderzoek beëindigd te moeten zijn.

Wie vervolgens de eenvoudige vraag stelt:

“Waar staat dat eigenlijk in de Bijbel?”

kan zomaar worden weggezet als kritisch, verstandelijk, ongelovig of zelfs ongeestelijk.

Maar volgens de Bijbel is juist het tegenovergestelde waar.

Geestelijke claims toetsen is geen ongeloof, maar gehoorzaamheid aan Gods Woord

De Schrift draagt christenen op om leringen, profetieën en geestelijke verschijnselen te beproeven. Juist wanneer iemand beweert dat iets rechtstreeks van God afkomstig is, behoort de gelovige niet minder, maar méér onderscheidingsvermogen te gebruiken.

onderzoek alle digen , behoudt het goede
Toetsen is een must

Bijbels toetsen is een opdracht van God

Paulus schrijft:

“Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:20-21, STV)

Dat is heel mooi in evenwicht.

Paulus zegt niet dat alles onmiddellijk verworpen moet worden. Maar hij zegt evenmin dat alles onmiddellijk moet worden aangenomen.

Beproeft alle dingen.

Daarna pas volgt:

behoudt het goede.

In die volgorde.

Het laatste is onmogelijk zonder het eerste.

Wie alles automatisch aanneemt omdat er het etiket “van God” op geplakt wordt, handelt dus niet bijzonder geestelijk. Hij slaat eenvoudig een Bijbelse opdracht over.

De Schrift leert geen goedgelovigheid, maar leert onderscheiding.

 

Beproeft de geesten: niet iedere geest is uit God

Johannes maakt dat nog explicieter:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.” (1 Johannes 4:1, STV)

Let vooral op de eerste woorden:

“Gelooft niet…”

Dat klinkt in een tijd waarin “je moet ervoor openstaan” soms bijna als de hoogste geestelijke deugd wordt beschouwd tamelijk nuchter.

Johannes gebiedt niet dat wij iedere geestelijke manifestatie eerst moeten omarmen. Hij zegt dat wij moeten beproeven of zij uit God zijn.

Waarom?

Omdat niet alles wat zich als geestelijk aandient uit God afkomstig is.

Daarmee vallen verschillende populaire argumenten onmiddellijk af.

“Maar ik voelde Gods aanwezigheid.”

“Er hing zo’n enorme kracht.”

“Er gebeurde van alles in de zaal.”

“Mensen vielen op de grond.”

“Iedereen voelde dat God bezig was.”

“Er gebeurden bovennatuurlijke manifestaties”

Dat kan allemaal erg indrukwekkend zijn. Maar geen van die dingen beantwoordt de belangrijkste vraag:

Is het echt uit God?

Een ervaring kan echt zijn zonder dat onze verklaring van die ervaring waar is.

 

Waarom profetie Bijbels getoetst moet worden

Paulus schrijft over de samenkomst:

“En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen.” (1 Korinthe 14:29, STV)

Dat vers alleen al haalt een merkwaardige moderne gedachte onderuit.

Soms wordt namelijk gesuggereerd dat het gevaarlijk zou zijn om een vermeende profetie kritisch te beoordelen. Stel je immers voor dat je iets bekritiseert wat werkelijk van de Heilige Geest afkomstig is.

Maar Paulus redeneert precies andersom.

Omdat iets als profetie wordt uitgesproken, moet het beoordeeld worden.

De uitspraak

“God zegt…”

beëindigt de toetsing dus niet.

Daar begint het.

Dat is logisch. Wie beweert namens God te spreken, legt een buitengewoon zware claim neer. Hij verbindt de Naam en het gezag van God aan zijn eigen woorden.

Zo’n claim vraagt niet om minder onderzoek.

Integendeel, Zo’n claim roept om méér onderzoek.

 

De Bereërs toetsten óók de prediking van Paulus

Een van de mooiste voorbeelden van Bijbels toetsen vinden we in Handelingen:

“En dezen waren edeler dan die te Thessalonica, als die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Wie stond daar te prediken?

Paulus.

Geen willekeurige internetprediker. Geen zelfbenoemde omhooggevallen moderne apostel. Geen rondreizende conferentiespreker met een indrukwekkende titel.

De apostel Paulus.

En de Bereërs onderzochten of hetgeen hij verkondigde overeenkwam met de Schriften.

Lukas verwijt hun dat niet.

Hij noemt hen juist edeler.

Daaruit volgt een buitengewoon gezond principe:

Een betrouwbare Bijbelleraar hoeft niet bang te zijn voor een geopende Bijbel.

Een leraar die de waarheid verkondigt, kan rustig zeggen:

Onderzoek het. Lees de context. Controleer mijn woorden. Kijk of het werkelijk zo geschreven staat.

Waarheid heeft geen beschermingsconstructie tegen onderzoek nodig.

 

Wonderen zijn zeker geen bewijs dat iets ‘van God’ komt

Hier gaat het eveneens regelmatig gierend mis.

Er gebeurt iets buitengewoons. Iemand lijkt genezen. Een voorspelling lijkt uit te komen. Er vindt een indrukwekkende manifestatie plaats.

En vervolgens klinkt:

“Zie je wel? God is hier aan het werk.”

Maar die conclusie is Bijbels gezien veel te snel.

De Here Jezus waarschuwde:

“Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.” (Mattheüs 24:24, STV)

Paulus spreekt zelfs over:

“…alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen.” (2 Thessalonicenzen 2:9, STV)

Een wonderlijk verschijnsel bewijst dus niet automatisch dat God de bron ervan is.

Dat is belangrijk.

Want wanneer het wonder zelf het bewijs wordt dat de boodschap waar is, hebben we de Bijbelse volgorde omgedraaid.

De Schrift zegt niet:

Er gebeuren wonderen, dus geloof de boodschap.

De Schrift waarschuwt ons dat indrukwekkende verschijnselen onderdeel van misleiding kunnen zijn.

Daarom blijft toetsing noodzakelijk.

 

Ook een engel staat niet boven het Evangelie

Paulus drijft het principe in Galaten tot het uiterste:

“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)

Stel je dat eens voor.

Een bovennatuurlijke verschijning.

Een engel.

Een indrukwekkende boodschap.

Wat moet de gelovige doen?

Niet denken:

Dit is zo bovennatuurlijk dat het wel van God móét zijn.

Zelfs een engel krijgt geen toestemming om de reeds geopenbaarde waarheid terzijde te schuiven.

Daarmee hebben we een fundamenteel uitgangspunt te pakken:

De ervaring beoordeelt niet het Woord. Het Woord beoordeelt de ervaring

Niet de profetie verklaart wat wij moeten geloven.

Niet de droom.

Niet het visioen.

Niet het gevoel.

Niet de manifestatie.

Niet degene die beweert rechtstreeks van God gehoord te hebben.

Gods geopenbaarde Woord is en blijft dé maatstaf

 

‘Raak Gods gezalfde niet aan’ is ook al geen verbod op toetsing

En dan verschijnt soms een van de bijdehandste verdedigingsmechanismen tegen kritische vragen:

“Raak Gods gezalfde niet aan.”

Dat klinkt best wel indrukwekkend.

Maar het wordt problematisch wanneer zo’n uitspraak gebruikt wordt alsof bepaalde leiders daardoor een geestelijke uitzonderingspositie hebben gekregen.

Alsof er een onzichtbaar bordje om hun nek hangt:

NIET CONTROLEREN WANT GODDELIJK BESCHERMD

Geen voorganger, prediker, bijbelleraar, apostel of profeet krijgt echter vrijstelling van:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Ook “gij zult niet oordelen” kan niet als universeel verbod op inhoudelijke beoordeling worden gebruikt. Anders zou Paulus zichzelf tegenspreken wanneer hij ons voorhoudt dat profetische uitspraken door anderen beoordeeld moeten worden.

De Bijbel veroordeelt hypocriet en zelfverheffend veroordelen.

Maar verbiedt geen geestelijke onderscheiding.

De Bijbel gebiedt die.

 

Hoe geestelijker de claim, hoe noodzakelijker de toets

Hier mag het best schuren.

Wanneer iemand zegt:

“Volgens mij betekent deze tekst…”

dan presenteert hij een uitleg die onderzocht kan worden.

Maar wanneer iemand zegt:

“God zei tegen mij dat…”

verandert de zaak.

Want nu wordt Gods eigen gezag verbonden aan menselijke woorden.

Juist daarom zou binnen de Gemeente nooit de regel mogen gelden:

Hoe groter de geestelijke claim, hoe minder vragen je mag stellen.

De Bijbelse houding is precies omgekeerd:

Hoe groter de geestelijke claim, hoe zorgvuldiger en noodzakelijker de toetsing.

Wie zegt namens God te spreken, vraagt niet om minder onderzoek.

Hij geeft juist méér aanleiding tot toetsing.

 

Als Bijbels toetsen als on-geestelijk wordt weggezet

En hier begint het echt ongemakkelijk te worden.

Wat moeten we denken van een geestelijk klimaat waarin mensen geleerd wordt hun verstand / onderscheidingsvermogen uit te schakelen?

Niet nadenken, gewoon ontvangen.

Kom uit je hoofd.

Je verstand zit de Heilige Geest in de weg.

Door jouw kritiek kan God niet werken.

Pas op dat je de Heilige Geest niet bedroeft.

Je moet leren je geestelijke leiders te vertrouwen.

Op zichzelf gezien kunnen achter sommige van deze uitspraken heel andere bedoelingen zitten. Maar zodra zulke taal gebruikt wordt om Bijbelse toetsing te verhinderen, ontstaat er een zeer groot probleem.

Want dan wordt iets wat God gebiedt voorgesteld als iets wat God zou afkeuren.

Dat is wat in goed Nederlands ook wel een contradictio in terminis wordt genoemd

God zegt:

“…beproeft de geesten, of zij uit God zijn…” (1 Johannes 4:1, STV)

Een mens zegt:

“Je moet niet zo kritisch zijn.”

Dan is de vraag uiteindelijk niet zo ingewikkeld:

Naar wie luisteren we?

 

Een bediening die zenuwachtig wordt van toetsing roept vragen op

Dat betekent niet dat iedere hotemetoot die een keer geïrriteerd reageert meteen een valse leraar is.

Maar wanneer een bediening structureel impliciet of expliciet Bijbelse toetsing ontmoedigt, verdient dat zeker aandacht.

Wanneer kritische vragen als rebellie worden beschouwd.

Wanneer een leider niet inhoudelijk hoeft te antwoorden omdat hij zogenaamd bijzonder gezalfd is.

Wanneer profetieën niet achteraf gecontroleerd mogen worden.

Wanneer aantoonbaar niet uitgekomen voorspellingen worden weggemasseerd.

Wanneer persoonlijke openbaringen feitelijk zwaarder wegen dan de Schrift.

Wanneer loyaliteit aan een leider belangrijker wordt dan trouw aan Gods Woord.

Wanneer degene die vragen stelt zelf het probleem wordt.

Dan moeten alle alarmbellen gaan knipperen.

Paulus waarschuwde de oudsten van Efeze:

“Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.” (Handelingen 20:29-30, STV)

Let vooral op die woorden:

“uit uzelven.”

Niet ieder geestelijk gevaar komt van buiten de Gemeente.

Soms komt het van binnenuit.

En soms staat het ook op het podium.

Geestelijke onderscheiding beschermt de Gemeente

Daarom moeten we ophouden Bijbelse toetsing tegenover liefde te plaatsen.

Alsof liefde betekent dat we alles dan maar zouden moeten verwelkomen.

Paulus schrijft over de liefde:

“…zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid.” (1 Korinthe 13:6, STV)

Liefde zonder waarheid verwordt tot sentimentaliteit.

Waarheid zonder liefde kan hard en liefdeloos worden.

Maar liefde en waarheid horen Bijbels bij elkaar.

Wie de Gemeente liefheeft, wil haar niet overleveren aan iedere wind van leer.

Wie broeders en zusters liefheeft, wil niet dat zij afhankelijk worden gemaakt van charismatische persoonlijkheden die zich aan toetsing onttrekken.

En wie de Here liefheeft, wil al helemaal niet dat menselijke gedachten worden verkocht onder het etiket:

“God heeft gesproken.”

Bijbels toetsen is daarom niet persé een aanval.

Het kan juist bescherming zijn.

 

Gods Woord is de maatstaf voor iedere geestelijke claim

Persoonlijk charisma is geen toetssteen.

Een volle zaal is geen toetssteen.

Een grote bediening is geen toetssteen.

Duizenden volgers zijn geen toetssteen.

Emotie is geen toetssteen.

Kippenvel is geen toetssteen.

Een indrukwekkend getuigenis is geen toetssteen.

Een genezingsclaim is geen toetssteen.

Een titel als apostel of profeet is geen toetssteen.

Een vermeende zalving is geen toetssteen.

En

“God zei tegen mij”

is geen bewijs dat God werkelijk gesproken heeft.

De Bereërs:

“…onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen koude, verstandelijke vorm van christendom.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

Want uiteindelijk gaat het niet om de vraag hoeveel indruk iets op ons maakt.

De vraag is:

Is het waar?

 

Beproeft alle dingen en behoudt het goede

Misschien moeten we daarom één tekst gewoon heel groot boven het podium of de kansel hangen:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Niet:

Beproeft alleen wat van buiten onze groep komt.

Niet:

Beproeft iedereen behalve onze favoriete prediker.

Niet:

Beproeft de leer, maar stel geen vragen over onze bijzondere geestelijke ervaringen.

Niet:

Beproeft alles behalve degene die zegt dat God rechtstreeks door hem spreekt.

Niks daarvan.

Er staat:

“alle dingen.”

Bijbels toetsen is dus geen gebrek aan geloof.

Het is juist een uiting van geloof.

We toetsen omdat waarheid ertoe doet. Omdat Gods Naam te heilig is om hem zomaar op iedere menselijke ingeving, indruk, profetie of ervaring te plakken. Omdat de Gemeente te kostbaar is om iedere wind van leer binnen te laten. En omdat God Zelf ons gewaarschuwd heeft dat niet alles wat geestelijk klinkt ook uit Hem afkomstig is.

Daarom blijft de opdracht staan:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

 

Wanneer iemand zegt:

“Dit komt van God.”

hoeft het Bijbelse antwoord niet automatisch

“Amen”

te zijn.

Het mag ook zijn:

“Goed. Dan gaan we het toetsen aan Gods Woord.”

En wanneer iemand daar als door een wesp gestoken op reageert?

Dan is dat geen reden om minder te toetsen.

Dan is het misschien wel reden om nog even wat beter te kijken.

 

Zie ook:

“Krachtige zalving”: is dat eigenlijk wel Bijbels? – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over “de zalving”? – Bijbelse basis

Wanneer ‘zalving’ gezag wordt – Bijbelse basis

Autoriteit, integriteit en de macht van geladen taal – Bijbelse basis

“Raak de gezalfde des Heeren niet aan”? – Bijbelse basis

Profeten zonder toetsing – Bijbelse basis

Wanneer het volmaakte gekomen is

Profetie en tongentaal zijn niet het bewijs van geestelijke volwassenheid

1 Korinthe 13 leert niet dat profetie en tongentaal het hoogtepunt van geestelijk leven vormen. Paulus noemt deze gaven tijdelijk en gedeeltelijk. De liefde blijft, maar profetieën worden tenietgedaan en talen zullen ophouden.

In charismatische kringen worden tongentaal, profetische woorden en bovennatuurlijke kennis vaak gepresenteerd als kenmerken van een krachtige, volwassen en Geestvervulde gemeente. Wie niet in tongen spreekt, geen persoonlijke profetieën ontvangt en geen bovennatuurlijke indrukken doorgeeft, zou geestelijk iets missen.

Maar wie 1 Korinthe 13 zorgvuldig leest, ontdekt precies het tegenovergestelde.

Paulus presenteert profetie, talen en bijzondere kennis niet als het einddoel van geestelijke groei. Hij noemt ze tijdelijk, gedeeltelijk en voorbijgaand. Niet de spectaculaire gave blijft bestaan, maar de liefde.

“De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen tenietgedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:8, STV)

Dat is geen aanbeveling om de gemeente voortdurend afhankelijk te maken van nieuwe profetieën. Het is een aankondiging dat deze gaven hun tijdelijke functie zullen verliezen.

 

Het volmaakte in 1 Korinthe 13
Het volmaakte in 1 Korinthe 13

De liefde blijft, de gaven verdwijnen

De tegenstelling in dit gedeelte is glashelder. De liefde vergaat nimmermeer, maar profetieën worden tenietgedaan, talen houden op en kennis wordt tenietgedaan.

Paulus verdeelt de genoemde zaken daarmee in twee categorieën.

Aan de ene kant staat de liefde. Zij behoort tot het blijvende leven uit God. Aan de andere kant staan profetieën, talen en bijzondere kennis. Zij waren nuttig en door God gegeven, maar hadden een tijdelijke en dienende functie.

Toch heeft een groot deel van de charismatische beweging de nadruk precies omgekeerd. De aandacht verschuift van de liefde van Christus naar de vermeende geestelijke beleving van de mens. Het draait om wat iemand voelde, hoorde, zag, droomde of innerlijk meende te ontvangen.

Daarmee wordt het tijdelijke verheven boven het blijvende.

De vraag is niet langer of Christus wordt verheerlijkt, of de Schrift recht wordt uitgelegd en of gelovigen wandelen in liefde. De vraag wordt of er “iets gebeurt”, of iemand “een woord heeft” en of de samenkomst als bovennatuurlijk wordt ervaren.

Maar geestelijke sensatie is geen bewijs van geestelijke volwassenheid.

 

De Korinthiërs waren begaafd, maar onvolwassen

De gemeente in Korinthe ontbrak het niet aan geestelijke gaven. Toch beschreef Paulus deze gelovigen als vleselijk en als kinderen in Christus. Er waren partijschappen, hoogmoed, wanorde, zedelijke misstanden en onderlinge rechtszaken.

Dat gegeven alleen al ontmaskert de populaire gedachte dat het functioneren van spectaculaire gaven bewijst dat een gemeente geestelijk volwassen is.

Korinthe had gaven in overvloed, maar een schrijnend gebrek aan volwassenheid.

Daarom staat 1 Korinthe 13 niet toevallig tussen de hoofdstukken over geestelijke gaven. Paulus onderbreekt zijn onderwijs niet om een romantisch gedicht over liefde te schrijven. Hij legt de bijl aan de wortel van hun geestelijke hoogmoed.

Zonder liefde waren hun indrukwekkende uitingen niets.

Een mens kan in talen spreken, profeteren, verborgenheden weten en over grote kennis beschikken, maar zonder liefde blijft hij geestelijk leeg. De gave maakt hem niet groot. De liefde van Christus moet zichtbaar worden in zijn wandel.

Wij kennen en profeteren ten dele

Paulus vervolgt:

“Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele; doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten dele is, tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:9-10, STV)

Profetie en kennis worden hier nadrukkelijk als gedeeltelijk beschreven. Zij gaven geen zelfstandige, volledige en definitieve openbaring van Gods waarheid. Zij brachten delen over binnen een periode waarin de apostolische openbaring nog niet voltooid was.

Dat is van groot belang.

De vroege gemeente beschikte nog niet over het volledige Nieuwe Testament zoals wij dat kennen. De apostelen leefden nog. De apostolische leer werd mondeling verkondigd, door bijzondere tekenen bevestigd en vervolgens schriftelijk vastgelegd.

De bijzondere openbaringsgaven hadden binnen die situatie een duidelijke functie. Maar een tijdelijke functie moet niet kunstmatig tot een blijvende kerkelijke structuur worden gemaakt.

Wat gedeeltelijk is, wijst vooruit naar wat volledig is.

Wat een fundament legt, wordt niet in iedere generatie opnieuw gelegd.

En wat God eenmaal gezaghebbend heeft geopenbaard, hoeft niet voortdurend te worden aangevuld door mensen die zeggen: “God vertelde mij…”

Wat is “het volmaakte”?

Over de precieze betekenis van “het volmaakte” bestaan verschillende uitleggingen. Sommigen denken uitsluitend aan de voltooiing van de Schrift. Anderen betrekken het op de uiteindelijke verheerlijking van de gelovige bij Christus.

Het gebruikte woord draagt de betekenis van voltooid, volgroeid of tot zijn bestemming gekomen. Paulus werkt dat uit met het beeld van een kind dat volwassen wordt:

“Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik tenietgedaan hetgeen eens kinds was.” (1 Korinthe 13:11, STV)

Het contrast is dat tussen het kinderlijke en het volwassen geworden leven. Het gedeeltelijke behoort bij een onvoltooide toestand. Het volmaakte of volgroeide maakt het gedeeltelijke overbodig.

De uiteindelijke vervulling ligt zonder twijfel in de volkomen toestand bij Christus:

“Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.” (1 Korinthe 13:12, STV)

Toch betekent dit niet dat iedere bijzondere gave noodzakelijk tot dat uiterste moment moet blijven functioneren. Paulus zegt dat het gedeeltelijke zal verdwijnen wanneer het zijn functie heeft vervuld. Wanneer en hoe dat historisch gebeurt, moet uit het bredere onderwijs van het Nieuwe Testament worden afgeleid.

Eén ding staat echter vast: dit gedeelte biedt geen enkele grond om profetie en tongentaal tot blijvende kenmerken van een volwassen gemeente te verklaren.

Het leert juist dat zij tot het gedeeltelijke en tijdelijke behoren.

Bovendien houdt de apostel Paulus gelovigen in Christus het volgende voor:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (Kollossenzen 2:10, STV)

Let op dat er niet staat dat dat in de toekomst pas zo zal zijn!

De Schrift is geen aanzet tot voortdurende aanvulling

Hier ligt het fundamentele probleem van de hedendaagse profetische beweging. Men belijdt vaak formeel dat de Bijbel het Woord van God is, maar voegt in de praktijk voortdurend nieuwe boodschappen toe.

Men noemt die boodschappen misschien niet gelijkwaardig aan de Schrift. Men zegt dat zij “getoetst” moeten worden. Maar ondertussen worden zij wel ingeleid met uitspraken als:

“God zegt tegen jou…”

“De Heer liet mij zien…”

“Ik hoorde in mijn geest…”

“Dit is een profetisch woord voor deze tijd…”

Dat taalgebruik claimt Goddelijk gezag. Wie beweert dat God gesproken heeft, doet meer dan een menselijke gedachte of bemoediging delen. Hij legt zijn woorden feitelijk in de mond van God.

Daar helpt een vrome disclaimer achteraf niet tegen.

Wanneer zo’n profetie niet uitkomt, vaag blijft of aantoonbaar verkeerd blijkt te zijn, wordt zelden geconcludeerd dat de spreker ten onrechte namens God heeft gesproken. Men zegt dan dat de ontvanger het verkeerd begreep, dat de omstandigheden veranderden of dat de profetie “voorwaardelijk” was.

Zo wordt de profeet beschermd en de hoorder belast.

Dat is niet nederig. Dat is geestelijke manipulatie.

Moderne profetie is meestal oncontroleerbaar

Bijbelse profetie was geen verzameling voorzichtige indrukken die achteraf alle kanten op konden worden uitgelegd. Wanneer God sprak, sprak Hij waarheid.

De moderne profetische praktijk bestaat daarentegen vaak uit algemeenheden:

“Er komt een nieuw seizoen.”

“God gaat deuren openen.”

“Je hebt een roeping op je leven.”

“Er komt herstel.”

“God heeft meer voor je.”

Dergelijke uitspraken klinken geestelijk, maar zijn meestal zo vaag dat zij nauwelijks getoetst kunnen worden. Ze kunnen op bijna iedereen worden toegepast. Wanneer er iets positiefs gebeurt, wordt dat als vervulling gezien. Wanneer er niets gebeurt, wordt de boodschap vergeten.

Dit is geen Bijbelse profetie. Het is religieus verpakte suggestie.

Het gevaar wordt groter wanneer zulke woorden beslissingen over relaties, gezondheid, werk, geld of gemeentekeuze gaan beïnvloeden. Dan wordt een menselijke indruk voorzien van Goddelijk gewicht.

Mensen durven niet meer vrij en verantwoordelijk te handelen, omdat iemand heeft gezegd dat “God een plan heeft laten zien”.

De vermeende profetie bindt dan het geweten waar de Schrift dat niet doet.

Tongentaal is geen keurmerk van de Heilige Geest

Hetzelfde geldt voor tongentaal. In sommige kringen wordt spreken in tongen voorgesteld als noodzakelijk bewijs van de doop of vervulling met de Heilige Geest.

Maar Paulus zegt niet dat alle gelovigen in talen spreken. Hij stelt juist retorische vragen waaruit blijkt dat niet iedereen dezelfde gave ontving. Bovendien zegt hij in 1 Korinthe 13 uitdrukkelijk dat talen zullen ophouden.

Een gave die niet aan iedere gelovige werd gegeven en waarvan de Schrift zegt dat zij zal ophouden, kan onmogelijk het universele bewijs zijn dat iemand de Heilige Geest heeft ontvangen.

De gelovige wordt niet door tongentaal verzegeld, maar door de Heilige Geest Zelf. Hij behoort niet tot Christus omdat hij een bepaalde ervaring heeft gehad, maar omdat hij het Evangelie heeft geloofd.

Wie tongentaal als geestelijk keurmerk gebruikt, schept twee groepen christenen: gewone gelovigen en zogenaamd Geestvervulde gelovigen.

Dat onderscheid kent de Schrift niet.

Het veroorzaakt geestelijke onzekerheid, imitatie en groepsdruk. Mensen proberen klanken voort te brengen omdat hun geleerd is dat zij zich moeten “openstellen”. Vervolgens wordt de aangeleerde uiting als bovennatuurlijke gave bevestigd.

Dat is geen werking van de Geest, maar psychologische beïnvloeding.

Liefde betekent niet dat dwaling ongemoeid moet blijven

Een veelgebruikt verweer luidt dat kritiek op charismatische praktijken liefdeloos zou zijn. Maar liefde betekent niet dat verkeerde leringen vriendelijk mogen blijven voortwoekeren.

Bijbelse liefde verheugt zich niet in ongerechtigheid, maar in de waarheid.

Een leer die gelovigen afhankelijk maakt van profeten, indrukken, ervaringen en bijzondere bedieningen moet worden weersproken. Niet omdat wij mensen willen beschadigen, maar omdat mensen beschermd moeten worden tegen geestelijke afhankelijkheid.

Juist liefde vraagt om duidelijkheid.

Het is niet liefdevol om iemand te laten geloven dat God hem persoonlijk iets heeft beloofd wanneer God dat niet in Zijn Woord heeft beloofd. Het is niet liefdevol om iemand met een ziekte jarenlang te laten wachten op een aangekondigde genezing. Het is niet liefdevol om twijfel aan een menselijke profetie gelijk te stellen aan ongeloof tegenover God.

Waar menselijke woorden Goddelijk gezag krijgen, moet de Schrift scherp worden geopend.

Geestelijke volwassenheid zoekt geen nieuwe stemmen

De volwassen gelovige leeft niet van steeds nieuwe openbaringen, maar groeit in de kennis van het reeds geopenbaarde Woord.

Hij vraagt niet voortdurend: “Heeft God vandaag nog iets nieuws tegen mij gezegd?”

Hij vraagt: “Wat heeft God in Zijn Woord gezegd, en wandel ik daarnaar?”

Dat is minder spectaculair. Het levert misschien geen indrukwekkende verhalen op. Maar het is veilig, nuchter en Bijbels.

De Heilige Geest leidt de gelovige niet weg van de Schrift naar een wereld van oncontroleerbare indrukken. Hij opent het verstand voor het Woord, verheerlijkt Christus en brengt de waarheid in herinnering.

Wie telkens nieuwe boodschappen nodig heeft, toont daarmee niet noodzakelijk geestelijke rijkdom. Het kan juist wijzen op ontevredenheid met wat God reeds heeft gegeven.

De Bijbel wordt dan de achtergrond, terwijl persoonlijke ervaring de feitelijke leiding overneemt.

Het tijdelijke mag en kan nooit de plaats van Christus innemen

Paulus eindigt niet met profetie, talen of bijzondere kennis. Hij eindigt met geloof, hoop en liefde:

“En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.” (1 Korinthe 13:13, STV)

Niet de profeet blijft. Niet de tongenspreker blijft. Niet de geestelijke sensatie blijft.

De liefde blijft.

Daarmee ontmaskert 1 Korinthe 13 een geloofsbeleving die haar identiteit zoekt in tekenen, manifestaties en ervaringen. De gemeente wordt niet volwassen door steeds meer bovennatuurlijke verschijnselen. Zij groeit door de kennis van Christus, door het Woord en door een wandel die overeenkomt met haar hemelse roeping.

 

Profetieën zullen tenietgedaan worden.

Talen zullen ophouden.

Gedeeltelijke kennis zal verdwijnen.

Maar de liefde van Christus vergaat nimmermeer.

Wie daarom het tijdelijke tot hoofdzaak maakt, mist de hoofdzaak. En wie voortdurend om nieuwe woorden vraagt, loopt het gevaar het geschreven Woord naar de achtergrond te schuiven.

De volwassen gemeente jaagt niet naar religieuze sensatie. Zij blijft bij de waarheid die God heeft geopenbaard en verheerlijkt Hem Die het levende Woord is: de Here Jezus Christus.

zie ook: Is ‘het volmaakte’ gekomen? – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights