De New Apostolic Reformation, kortweg NAR, is niet zomaar uit het niets ontstaan. In deze video laat ik zien hoe de beweging voortbouwt op oudere pinkster-, Volle-Evangelie- en restorationistische ideeën, zoals de vermeende vijfvoudige bediening, hedendaagse apostelen en profeten, impartatie en profetische activatie. Ook kijk ik naar de invloed van Randy Clark en de manier waarop dit gedachtegoed via Hans Maat ingang heeft gevonden in Nederland. Niet het etiket staat centraal, maar de leer, de praktijk en de vraag: wat zegt de Bijbel?
De preek gaat over de storm op het Meer van Galilea, uit Markus 4:35–41, met als titelachtige lijn: “Dwars door de storm.” De prediker bouwt de preek op rond drie woorden: onderwijs, overtocht en bediening. De gemeente wordt uitgenodigd zich even als discipel in het verhaal te verplaatsen. De kern is: Jezus stuurt Zijn discipelen naar de overkant, er komt storm, Jezus slaapt, de discipelen raken in paniek, Jezus bestraft wind en water, en daarna volgt aan de overkant de bevrijding van de bezetene in het gebied van de Gerasenen/Dekapolis.
De getuigenis vóór de preek zet al sterk de toon: nadruk op de Heilige Geest, vervulling, “doop met de Heilige Geest”, gezichten, doorbraak, geestelijke kracht en waarschuwing dat “dicht is dicht”. Daardoor komt de preek niet neutraal binnen, maar in een bredere sfeer van charismatische verwachting, geestelijke strijd en persoonlijke openbaringen.
Kernsamenvatting
De prediker zegt in hoofdlijn dit:
Jezus had een bestemming aan de overkant. Die overkant wordt neergezet als een duister gebied: het tienstedengebied, heidens, met afgoderij. De storm wordt daarom niet slechts gezien als natuurverschijnsel, maar als een geestelijke/demonische storm die Jezus en de discipelen wilde tegenhouden. De gedachte is: vóór een doorbraak, bevrijding of bediening komt vaak tegenstand.
Jezus slaapt volgens de prediker niet zomaar, maar op de plek van de roerganger. Dat wordt toegepast als beeld: Jezus is aan het roer, Hij weet waar Hij naartoe gaat, Hij kent de storm al, en Hij weet ook wat er na de storm komt. Daarom moet de gelovige in zijn eigen storm niet alleen naar de dreiging kijken, maar naar de bestemming aan de overkant.
Daarna wordt de storm verbonden met geestelijke autoriteit. Jezus zegt tegen wind en water: zwijg, wees stil.
De prediker past dat toe op geestelijke strijd: een gelovige mag in de autoriteit van Jezus tegen de boze zeggen: “klaar, kappen, opzouten, wegwezen.”
De storm wordt dus niet alleen pastoraal geduid, maar ook als model voor “spreken tegen demonische tegenstand”.
De afsluitende toepassing is: stormen betekenen dat je onderweg bent naar een doel; wees nieuwsgierig naar wat er “aan de overkant” komt. De prediker zegt zelfs dat een storm “leuk” kan zijn, niet omdat de pijn leuk is, maar omdat die wijst op Gods doel en overwinning.
Sterke kanten
Er zit een duidelijke pastorale bemoediging in de preek. De prediker wil mensen die door moeite gaan niet laten verdrinken in hun omstandigheden. Hij wijst op Jezus’ aanwezigheid in de boot, Zijn macht over wind en water, en Zijn kennis van de bestemming. Dat is op zichzelf Bijbels sterk: de discipelen zijn niet alleen, ook al lijkt Jezus te slapen.
Ook is goed dat de preek het verhaal niet losmaakt van het vervolg. Markus 4 loopt inderdaad door naar Markus 5, waar Jezus aan de overkant de bezetene bevrijdt. Dat verband is belangrijk. De storm staat niet los van Jezus’ missie. De prediker ziet terecht dat de overtocht ergens naartoe gaat: Jezus gaat niet zomaar varen; Hij gaat naar een mens in diepe nood.
Verder is het sterk dat de prediker de discipelen niet karikaturaal neerzet als dom of ongelovig. Hij benadrukt dat ze veel met Jezus hadden meegemaakt en toch in paniek raakten. Dat is herkenbaar: dichtbij Jezus zijn en toch niet werkelijk zien Wie Hij is, is een terugkerend thema in de evangeliën.
Bijbelvastheid
De basis van de preek is Bijbels: Markus 4:35–41 en de overgang naar Markus 5. Jezus’ macht over de schepping staat centraal. Ook de verwondering van de discipelen — “Wie is Deze toch?” — hoort bij de kern van het gedeelte. Het verhaal openbaart niet primair hoe sterk het geloof van de discipelen moet zijn, maar Wie Jezus is: Hij gebiedt wind en zee, en zij gehoorzamen Hem.
Daar zit tegelijk mijn belangrijkste bezwaar: de preek verschuift vrij snel van Christus-openbaring naar gelovigenautoriteit. In Markus 4 is het grote punt niet: “jij hebt autoriteit om je storm te bevelen.” Het grote punt is: Jezus is de Heer over de schepping. De discipelen leren niet een techniek voor geestelijke strijd, maar worden geconfronteerd met de majesteit van Christus.
De toepassing mag zijn: vertrouw Hem. Volg Hem. Wees niet ongelovig.
Maar de toepassing wordt kwetsbaar wanneer Jezus’ unieke handelen direct wordt vertaald naar: “jij mag ook zo tegen situaties of demonische machten spreken.”
Leerstellig probleem
Het zwaarste punt is de uitspraak dat de storm een demonische storm was. De prediker presenteert dat vrij stellig: “Het was geen gewone storm. Het was een demonische storm.”
Dat is exegetisch te sterk gesteld.
De tekst zelf zegt dat er een hevige storm kwam. De tekst zegt niet dat demonen die storm veroorzaakten. Het is waar dat Jezus de storm bestraft met woorden die ook bij demonische bevrijding voorkomen. Het is ook waar dat Markus 5 direct daarna over demonische bezetenheid gaat. Maar dat bewijst nog niet dat de storm zelf demonisch was.
Daarmee ontstaat een patroon dat je vaker in charismatische uitleg ziet: er wordt een mogelijke geestelijke lezing genomen en vervolgens als feit gebracht. Dan wordt de tekst niet alleen uitgelegd, maar ingevuld. En juist daar wordt het link.
Want als elke zware tegenwind op weg naar “bestemming” demonisch wordt genoemd, verschuift het geloofsleven naar voortdurende oorlogsduiding.
Niet elke storm is demonisch. Soms is een storm gewoon een storm. Soms is moeite gevolg van gebroken schepping, eigen zwakheid, ziekte, omstandigheden, zonde van anderen, of Gods opvoedende weg.
De Bijbel kent geestelijke strijd, maar verklaart niet elk lijden automatisch vanuit demonische tegenstand.
Pastorale risico’s
De uitspraak “als je een storm hebt, is dat fijn, want dat betekent dat je op weg bent naar een doel” is begrijpelijk bedoeld als bemoediging, maar kan pastoraal wringen.
Voor iemand in rouw, ziekte, psychische nood, burn-out, relationele ellende of NAH-achtige kwetsbaarheid kan dat heel zwaar vallen. Alsof elke crisis een soort bevestiging is dat er een grote bestemming aankomt. Dat klinkt hoopvol, maar het kan ook druk geven: “Ik moet blijkbaar iets groots aan de overkant gaan doen, anders heeft mijn storm geen zin.”
Bijbels gezien hoeft lijden niet altijd zo functioneel te worden gemaakt. Soms is de troost eenvoudiger en dieper: de Here is nabij. Christus bewaart. Gods genade is genoeg. Niet alles hoeft direct verklaard te worden als voorbereiding op bediening.
Ook het spreken tegen de boze in directe bevelstaal kan mensen in een kramp brengen. De prediker zegt: je moet niet overleggen met de boze, maar zeggen: “in de naam van Jezus, klaar, kappen.” Dat klinkt krachtig, maar kan een techniek worden. Dan gaat de aandacht van geloof in Christus naar het juist hanteren van geestelijke taal.
De rol van het getuigenis
De getuigenis vóór de preek versterkt precies dat spanningsveld. Daarin wordt gesproken over waterdoop, daarna een aparte doop met de Heilige Geest, doorbraak, gezichten, persoonlijke boodschappen, een gemeente die groeit “in de kracht van de Heilige Geest”, en de oproep om een relatie met de Heilige Geest te zoeken.
Daar zitten vrome elementen in: verlangen naar heiliging, ernst, gebed, afhankelijkheid. Maar leerstellig schuurt het. De Heilige Geest wordt sterk als afzonderlijk relationeel middelpunt neergezet. De Bijbelse bediening van de Geest is echter juist Christus verheerlijken, Christus doen kennen, Christus in herinnering brengen, het Woord toepassen, de gelovige in Christus doen wandelen.
Wanneer de getuigenis zegt dat iemand wel in Jezus gelooft, bidt, maar dat er toch “iets ontbreekt” omdat de Heilige Geest non-actief zou zijn, (?) ontstaat een tweederangs-gelovige schema: gewone gelovigen tegenover Geest-vervulde gelovigen. Dat is een bekende charismatische valkuil. Het Nieuwe Testament leert dat wie Christus toebehoort, de Geest heeft. Er is zeker vervulling, groei en heiliging nodig, maar niet als aparte geestelijke statuslaag boven het geloof in Christus.
Wat ik mis in de preek
Wat vooral mist, is een rustige terugkeer naar de tekst zelf.
De vraag van Jezus — waarom zijn jullie zo angstig? — gaat over geloof. Niet geloof in hun eigen autoriteit, maar geloof in Hem. De discipelen moeten leren Wie er bij hen in de boot is. De preek had sterker kunnen eindigen bij Christus Zelf: Zijn macht, Zijn rust, Zijn opdracht, Zijn trouw.
Ook had de prediker duidelijker kunnen onderscheiden tussen:
gewone natuur en demonische tegenstand,
Christus’ unieke autoriteit en de positie van gelovigen,
pastorale bemoediging en geestelijke strijdtaal,
bestemming van Christus in Markus 5 en persoonlijke “bestemming” van elke hoorder.
Nu worden die lijnen nogal snel aan elkaar geknoopt.
Eindoordeel
De preek heeft een warme, aansprekende en pastorale insteek. Ze wil mensen bemoedigen: Jezus is in de boot, Hij weet van de storm, Hij brengt je aan de overkant. Dat is waardevol.
Maar leerstellig is de preek kwetsbaar door drie verschuivingen:
De storm wordt stellig demonisch genoemd, zonder dat de tekst dat expliciet zegt.
Jezus’ unieke macht over wind en zee wordt toegepast als model voor persoonlijke geestelijke autoriteit.
Lijden en moeite worden sterk gekoppeld aan “bestemming”, waardoor pastorale troost kan veranderen in charismatische duiding van elke crisis.
Mijn kernzin zou zijn:
De preek wijst terecht op Jezus in de storm, maar schuift te snel van vertrouwen op Christus naar spreken in autoriteit tegen demonische tegenstand.
Scherper gezegd:
Markus 4 leert ons niet hoe wij stormen moeten commanderen, maar Wie Christus is: de Heer voor Wie zelfs wind en zee moeten zwijgen.
De uitdrukking “doop in de Heilige Geest” klinkt voor veel christenen bekend. In charismatische kringen wordt zij vaak gebruikt voor een aparte geestelijke ervaring ná bekering. Eerst word je gelovig, daarna moet je nog “gedoopt worden in de Geest”. Vaak wordt daar spreken in tongen, bijzondere kracht, profetische gevoeligheid of een hogere mate van zalving aan gekoppeld.
Maar de vraag is niet wat een beweging, spreker of liedcultuur ervan gemaakt heeft. De vraag is eenvoudiger en scherper:
Wat zegt de Bijbel over
Wat zegt de Bijbel over de doop in de Geest?
En daar wordt het spannend. Want de Schrift spreekt wel degelijk over de doop met of door de Heilige Geest. Alleen niet op de manier zoals men er vandaag vaak over spreekt.
Doop in de Geest, wat zegt de Bijbel
De belofte van de doop met de Heilige Geest
Johannes de Doper kondigde aan dat Christus zou dopen met de Heilige Geest:
“Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.”
— Mattheüs 3:11 (STV)
Ook in Handelingen verwijst de Heere Jezus naar deze belofte:
“Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.”
— Handelingen 1:5 (STV)
Deze woorden wijzen vooruit naar Pinksteren. Daar wordt de Heilige Geest uitgestort, niet als een losse religieuze impuls, maar als een beslissende heilshistorische gebeurtenis. De verhoogde Christus geeft de Geest. De Gemeente wordt in de praktijk openbaar als het lichaam van Christus op aarde.
Petrus zegt op de Pinksterdag:
“Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.”
— Handelingen 2:33 (STV)
Let op die woorden: Hij heeft dit uitgestort. Pinksteren is niet het begin van een eindeloze jacht naar herhaalde “Geestesdopen”. Het is de historische uitstorting van de Geest door de verhoogde Christus.
De uitleg staat in de brieven
Wie wil weten wat de doop in de Geest betekent voor de gelovige vandaag, moet niet blijven hangen in de overgangssituaties van Handelingen. Handelingen beschrijft hoe het Evangelie zich uitbreidt: van Joden naar Samaritanen, naar heidenen, en naar mensen die nog slechts de doop van Johannes kenden.
De leerstellige uitleg vinden we vooral in de brieven.
Daar zegt Paulus:
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.”
— 1 Korinthe 12:13 (STV)
Dat vers is beslissend.
Paulus zegt niet: “Sommigen van ons zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt.”
Hij zegt ook niet: “De vurige gelovigen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt.”
Hij zegt: wij allen.
De doop door de Geest is dus niet een tweede ervaring voor een geestelijke bovenlaag. Het is Gods werk waardoor gelovigen tot één lichaam worden gedoopt. Het gaat om inlijving in Christus, niet om een later ervaringscertificaat.
Niet een ‘tweede zegen’, maar een ontvangen positie
Veel verwarring ontstaat doordat men van de doop in de Geest een ervaring maakt die je nog moet krijgen. Maar Paulus verbindt deze doop niet met een gevoel, een extase of een manifestatie. Hij verbindt haar met het lichaam van Christus.
De gelovige wordt door de Geest tot één lichaam gedoopt. Dat is positie. Dat is een feit. Dat is wat God doet met allen die in Christus zijn.
Daarom zegt Paulus ook:
“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;”
— Kolossenzen 2:10 (STV)
Een gelovige is niet half compleet totdat hij nog een latere Geestesdoop ontvangt. Hij is in Christus volmaakt. Dat betekent niet dat zijn wandel al volmaakt is. Maar zijn positie in Christus is volledig.
Daarom is het zo schadelijk wanneer men gelovigen leert dat zij nog iets fundamenteels missen. Dan wordt de blik verschoven van Christus naar de ervaring. Van het volbrachte werk naar de geestelijke doorbraak. Van zekerheid naar zoeken. Van rust naar onrust.
De gelovige hééft de Geest ontvangen
De Schrift kent geen categorie van ware gelovigen die Christus wel toebehoren, maar de Heilige Geest (nog) niet ontvangen hebben.
Paulus schrijft:
“Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.”
— Romeinen 8:9 (STV)
Dat is duidelijk. Wie de Geest van Christus niet heeft, komt Hem niet toe. Anders gezegd: een gelovige zonder de Geest bestaat niet.
Ook in Efeze lezen we:
“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;”
— Efeze 1:13 (STV)
De volgorde is helder: het Evangelie horen, geloven, verzegeld worden met de Heilige Geest. Paulus bouwt daar geen aparte geestelijke tussenetage in.
Hij schrijft niet: “Nadat gij geloofd hebt, moet gij nog wachten op de doop in de Geest.”
Hij zegt: nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte.
Dat is geen halve gave. Dat is geen aanbetaling van een mogelijke latere geestelijke klasse. Dat is Gods zegel op de gelovige.
Handelingen is geen blauwdruk voor een tweede fase
Vaak wordt gewezen op Handelingen. En inderdaad: in Handelingen zien we verschillende momenten waarop mensen de Heilige Geest ontvangen. Maar die situaties moeten gelezen worden in hun heilshistorische context.
Op Pinksteren gaat het om Joden in Jeruzalem. In Samaria wordt zichtbaar bevestigd dat ook Samaritanen bij dit ene werk van God worden betrokken. In het huis van Cornelius wordt bevestigd dat ook heidenen zonder Joodse wet of besnijdenis door geloof worden aangenomen. In Handelingen 19 gaat het om mannen die nog slechts met de doop van Johannes bekend waren.
Dat zijn geen herhaalbare modellen voor iedere christen. Het zijn scharniermomenten in de overgang van Israël naar de openbaring van de Gemeente uit Jood en heiden.
De fout ontstaat wanneer men van zulke historische overgangsmomenten een norm maakt voor alle gelovigen. Dan wordt Handelingen een handleiding voor ervaring, terwijl de brieven de leerstellige norm geven voor de Gemeente.
En de brieven zeggen niet: zoek een tweede doop.
De brieven zeggen: wandel in overeenstemming met wat u in Christus ontvangen hebt.
De verwarring tussen doop en vervulling
Er is wél een opdracht aan gelovigen met betrekking tot de Heilige Geest:
“En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;”
— Efeze 5:18 (STV)
Maar dit is niet hetzelfde als de doop in de Geest.
De doop in de Geest heeft te maken met onze inlijving in het lichaam van Christus. Die is eenmalig en positioneel.
De vervulling met de Geest heeft te maken met onze wandel. Die is praktisch, herhaald en verbonden met gehoorzaamheid, afhankelijkheid, wijsheid, lof, dankbaarheid en onderlinge onderdanigheid. Dat blijkt direct uit het vervolg van Efeze 5.
Wanneer men die twee door elkaar haalt, ontstaat geestelijke mist. Dan wordt een reeds ontvangen positie veranderd in een na te jagen ervaring. Dan gaat de gelovige zoeken naar iets wat God hem in Christus al gegeven heeft.
De Geest verheerlijkt Christus
De Heilige Geest is niet gekomen om de aandacht op Zichzelf als ervaring te vestigen. De Heere Jezus zei:
“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.”
— Johannes 16:14 (STV)
Dat is een belangrijk toetsingspunt. Waar de Geest werkt, wordt Christus grootgemaakt. Niet de ervaring. Niet de manifestatie. Niet de spreker. Niet de sfeer. Niet het moment. Christus.
Daarom is het verdacht wanneer de leer over de Geest voortdurend draait om “meer”, “kracht”, “zalving”, “doorbraak” en “activatie”, terwijl de volheid van Christus naar de achtergrond verdwijnt.
De Heilige Geest maakt niet afhankelijk van een conferentie, spreker, handoplegging of emotionele piek. Hij wijst de gelovige op Christus, opent de Schrift, werkt vrucht, geeft vrijmoedigheid, leidt in waarheid en vormt het leven naar de wil van God.
Wat dan met kracht?
Sommigen zeggen: maar Jezus beloofde toch kracht?
Zeker.
“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.”
— Handelingen 1:8 (STV)
Maar ook hier moet de context blijven staan. Dit woord is verbonden met het apostolische getuigenis en de uitbreiding van het Evangelie vanuit Jeruzalem tot aan het uiterste der aarde. Het gaat niet om een moderne techniek om een hoger geestelijk niveau te bereiken.
De kracht van de Geest is in de Schrift niet los verkrijgbaar. Zij is verbonden met getuigenis van Christus, gehoorzaamheid aan God, verkondiging van het Woord en het werk dat God Zelf doet.
Wie “kracht” zoekt als ervaring, kan gemakkelijk afdwalen. Wie Christus verkondigt en in de Geest wandelt, staat op Bijbelse grond.
De Korinthiërs bewijzen het tegendeel
Juist de geschiedenis van de gemeente van Korinthe is zeer leerzaam. Als er één gemeente was waar veel misging rond geestelijke gaven, dan was het Korinthe. Er was verdeeldheid. Er was vleselijkheid. Er was wanorde. Er was misbruik van gaven. Er was geestelijke pronkzucht.
En juist tegen die gemeente zegt Paulus:
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…”
— 1 Korinthe 12:13 (STV)
Dat is vernietigend voor de leer dat de doop in de Geest herkenbaar zou zijn aan een hoger geestelijk niveau. De Korinthiërs waren niet geestelijk volwassen omdat zij gaven hadden. Paulus noemt hen zelfs vleselijk:
“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.”
— 1 Korinthe 3:1 (STV)
Ze hadden dus geen gebrek aan een tweede Geestesdoop. Ze hadden gebrek aan geestelijke volwassenheid, orde, liefde en Christusgerichtheid.
Dat is ook vandaag een nodige correctie. Manifestatie is geen maatstaf voor geestelijkheid. Gave is geen bewijs van rijpheid. Emotie is geen bewijs van volheid. De vrucht van de Geest is een betere toets dan de drukte van een bijeenkomst.
De vrucht van de Geest is de gezonde toets
Paulus schrijft:
“Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.”
— Galaten 5:22 (STV)
Dat is de taal van de Schrift. Niet geestelijke show, maar vrucht. Niet “heb jij de doop al ontvangen?”, maar: wandel je door de Geest? Wordt Christus zichtbaar in je leven? Wordt het vlees geoordeeld? Is er liefde, vrede, zachtmoedigheid, zelfbeheersing?
Paulus zegt:
“Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.”
— Galaten 5:25 (STV)
Dat is de Bijbelse lijn.
Niet: indien wij door de Geest leven, laat ons nog een aparte Geestesdoop zoeken.
Maar: laat ons door de Geest wandelen.
Waarom de leer van een aparte Geestesdoop gevaarlijk is
De leer van een aparte doop in de Geest lijkt vaak vroom. Het lijkt hongerig naar meer van God. Het lijkt afhankelijk. Maar onder de oppervlakte zitten grote problemen.
Maakt gelovigen onzeker over wat zij in Christus ontvangen hebben.
Maakt ervaring tot maatstaf.
Zij schept gemakkelijk geestelijke rangen: gewone gelovigen en Geestgedoopte gelovigen.
Zij leest Handelingen als blauwdruk en negeert de leerstellige helderheid van de brieven.
Zij verwart de doop in de Geest met de vervulling met de Geest.
Zij verplaatst de blik van Christus naar een moment, een gevoel of een manifestatie.
En vooral: zij doet alsof de gelovige na zijn geloof in Christus nog een fundamenteel geestelijk tekort heeft dat door een latere ervaring moet worden aangevuld.
Maar de Schrift zegt:
“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.”
— Efeze 1:3 (STV)
Niet met enkele geestelijke zegeningen. Niet met de basis, waarna later nog de echte kracht moet volgen. Maar met alle geestelijke zegening in Christus.
Wat zegt de Bijbel?
De Bijbel leert dat Christus de Doper met de Heilige Geest is. De belofte werd zichtbaar vervuld in de heilshistorische uitstorting van de Geest. De brieven leren vervolgens dat alle gelovigen door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt.
Daarom is de doop in de Geest geen aparte tweede ervaring na bekering. Het is Gods werk waardoor de gelovige in Christus en Zijn lichaam wordt ingelijfd.
De gelovige hoeft dus niet te vragen: “Heb ik de doop in de Geest al ontvangen?”
De betere vraag is: wandel ik door de Geest Die God mij gegeven heeft?
Want de roeping van de gelovige is niet om een tweede doop te najagen, maar om te leven uit de volheid van Christus, in afhankelijkheid van de Geest, tot eer van God.
De doop in de Geest is geen aparte geestelijke upgrade voor gevorderde christenen. Volgens 1 Korinthe 12:13 zijn alle gelovigen door één Geest tot één lichaam gedoopt. De gelovige is verzegeld met de Heilige Geest, behoort Christus toe en is in Hem volmaakt. De opdracht is niet om een tweede Geestesdoop te zoeken, maar om vervuld te worden met de Geest en door de Geest te wandelen.