Onderscheid in roeping, taak en bestemming
Wat is het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente? Deze vraag is bepalend voor het verstaan van Gods heilsplan, de Bijbelse profetieën en de roeping van gelovigen in deze tijd.
Israël en de Gemeente hebben beide een plaats in Gods voornemen, maar zij zijn niet hetzelfde volk onder verschillende namen. Israël is verbonden met Abraham, Izak en Jakob, het beloofde land, de troon van David en het toekomstige zichtbare Koninkrijk van Christus. De Gemeente is het Lichaam van Christus, gevormd uit gelovige Joden en heidenen en verbonden met de opgestane en verheerlijkte Christus in de hemel.
Wanneer het onderscheid tussen Israël en de Gemeente verdwijnt, worden beloften verplaatst, profetieën vergeestelijkt en opdrachten aan de verkeerde groep toegeschreven. De Gemeente gaat dan proberen een aards koninkrijk te bouwen, terwijl Israël uit de profetie wordt weggeschreven.
Dit onderwerp is daarom geen ondergeschikt leerstellig vraagstuk. Het raakt rechtstreeks aan de betrouwbaarheid van Gods beloften.

Het Bijbelse verschil tussen Israël en de Gemeente
De Schrift maakt zelf onderscheid tussen Israël, de heidenen en de Gemeente. Paulus schrijft:
“Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.” — 1 Korinthe 10:32 (STV)
Paulus noemt hier drie onderscheiden groepen. Dat betekent niet dat er verschillende wegen tot zaligheid bestaan. Zowel een Jood als een heiden kan uitsluitend behouden worden door het geloof in de Here Jezus Christus.
Eenheid in de weg van behoud betekent echter niet dat alle verschillen in roeping, taak en bestemming verdwijnen.
Een gelovige Jood en een gelovige heiden worden in Christus tot hetzelfde Lichaam gerekend. Daarmee zijn Gods nationale beloften aan Israël niet vernietigd. God hoeft Zijn beloften aan Israël niet te breken om mensen uit de heidenen te kunnen behouden.
Dat zou geen bewijs van genade zijn, maar van ontrouw. En God is niet ontrouw.
De oorsprong en roeping van Israël
De bijzondere geschiedenis van Israël begint met de roeping van Abram:
“De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.” — Genesis 12:1 (STV)
God riep Abram uit de volkerenwereld. Hij beloofde hem een land, een nageslacht en zegen. Deze beloften werden later bevestigd aan Izak en Jakob. Uit Jakob, die van God de naam Israël ontving, ontstond het volk Israël.
Israël is daarom niet slechts een godsdienstige gemeenschap. Het is een werkelijk volk, voortgekomen uit bepaalde vaderen en verbonden met concrete beloften van God.
God beloofde Abraham niet alleen geestelijke zegeningen. Hij sprak ook over een land en een natuurlijk nageslacht. Later kwamen daar de beloften over het koningschap, de troon van David en de regering van de Messias bij.
Wie Israël als een geestelijk beeld van de Gemeente behandelt, trekt deze beloften los van de mensen aan wie God ze heeft gegeven.
Israël werd geroepen als getuige van God
Israël werd door God afgezonderd uit de overige volkeren:
“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn.” — Deuteronomium 7:6 (STV)
Die verkiezing vond niet plaats omdat Israël groter, sterker of beter was dan andere volken. God koos Israël op grond van Zijn eigen voornemen en vanwege de beloften die Hij aan de vaderen had gedaan.
Israël moest te midden van een afgodische wereld getuigen van de ene, waarachtige God:
“Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben; voor Mij is geen God geformeerd, en na Mij zal er geen zijn.” — Jesaja 43:10 (STV)
De wet, de offers, de tabernakel, de tempel, de priesterdienst en de profetieën getuigden allemaal van Gods heiligheid, gerechtigheid, genade en verlossingsplan.
Israël moest aan de volkeren laten zien dat er slechts één God is en dat ware zegen alleen bij Hem gevonden wordt.
De taak van Israël onder de volkeren
Bij de Sinaï maakte God duidelijk welke bijzondere taak Israël ontving:
“En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn.” — Exodus 19:6 (STV)
Een priester heeft een dienende en vertegenwoordigende functie. Israël werd geroepen om Gods waarheid te bewaren en Zijn Naam onder de volkeren bekend te maken.
Aan Israël werden bovendien de woorden van God toevertrouwd. Paulus vraagt wat het voordeel van de Jood is en antwoordt:
“Veel in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.” — Romeinen 3:2 (STV)
God gebruikte Israël als drager en bewaarder van Zijn geschreven openbaring. De wet, de profeten en de overige oudtestamentische geschriften werden binnen Israël gegeven.
Ook de belofte van de Messias werd door dit volk heen bewaard. De lijn van de belofte liep via Abraham, Izak, Jakob, Juda en David naar de Here Jezus Christus.
Paulus schrijft over de Israëlieten:
“Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.” — Romeinen 9:5 (STV)
De grootste eer van Israël is dat de Here Jezus Christus naar het vlees uit dit volk is voortgekomen.
Heeft God Israël vanwege zijn ongeloof verstoten?
Israël heeft zijn roeping niet volmaakt vervuld. Het volk verviel in afgoderij, verwierp herhaaldelijk de profeten en wees uiteindelijk zijn Messias af.
Daaruit wordt vaak geconcludeerd dat God Israël definitief heeft verstoten en dat de Gemeente voortaan het nieuwe Israël zou zijn. De nationale beloften aan Israël zouden daardoor geestelijk op de kerk zijn overgegaan.
Paulus wijst die conclusie nadrukkelijk af:
“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.” — Romeinen 11:1 (STV)
“Dat zij verre” is geen aarzelende nuancering. Het is een krachtige ontkenning.
Israël is vanwege ongeloof tijdelijk terzijde gesteld, maar het volk is niet voorgoed uit Gods heilsplan verdwenen. Er is een gedeeltelijke en tijdelijke verharding over Israël gekomen.
Israëls ontrouw maakt Gods beloften niet krachteloos. Wanneer Gods beloften alleen geldig zouden blijven zolang mensen trouw zijn, zou de vervulling uiteindelijk van de mens afhangen.
Maar de zekerheid van Gods beloften ligt niet in de trouw van Israël. Zij ligt in de trouw van God.
Gods beloften aan Israël zijn niet vervallen
Paulus schrijft over de huidige verharding van Israël:
“Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, opdat gij niet wijs zijt bij uzelven, dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden.” — Romeinen 11:25-26 (STV)
De woorden “voor een deel” en “totdat” zijn beslissend. Zij wijzen op een tijdelijke toestand, niet op een definitieve verwerping.
God vergadert in deze tijd uit Joden en heidenen de Gemeente. Wanneer dit werk voltooid is, zal Hij Zijn beloften aan Israël verder vervullen.
Israël zal als volk tot bekering komen. Het zal opnieuw worden verzameld en onder de heerschappij van de Messias worden gebracht. De beloften aan Abraham, Izak, Jakob en David zullen niet vergeestelijkt, maar vervuld worden.
De oorsprong van de Gemeente
De oorsprong van de Gemeente is anders dan die van Israël. Tijdens Zijn aardse omwandeling sprak de Here Jezus over de Gemeente als iets dat Hij nog zou bouwen:
“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” — Mattheüs 16:18 (STV)
De Here zei niet: “Ik heb Mijn Gemeente gebouwd”, maar: “Ik zal Mijn Gemeente bouwen.”
De Gemeente is daarom niet Israël onder een nieuwe naam. Ook bestond zij niet als dezelfde instelling vanaf Adam of Abraham.
Paulus noemt de Gemeente een verborgenheid. De oudtestamentische profeten hadden voorzegd dat de heidenen door de Messias gezegend zouden worden. Wat echter niet eerder op dezelfde wijze was bekendgemaakt, was dat gelovige Joden en heidenen samen één Lichaam zouden vormen, verbonden met een opgestane en verheerlijkte Christus in de hemel.
De Gemeente behoort bij het tegenwoordige, verborgen werk van God.
De Gemeente is het Lichaam van Christus
Israël wordt in de Schrift aangeduid als een volk, een koninkrijk en een priesterlijke natie. De Gemeente wordt daarentegen het Lichaam van Christus genoemd.
God heeft Christus:
“Der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” — Efeze 1:22-23 (STV)
De Gemeente is niet in de eerste plaats een menselijke organisatie. Zij is geen kerkelijk instituut, bedrijf, politieke beweging of religieuze machtsstructuur.
De Gemeente is een levend organisme waarvan Christus het Hoofd is.
Iedere gelovige wordt door de Heilige Geest in dat ene Lichaam geplaatst:
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” — 1 Korinthe 12:13 (STV)
Binnen het Lichaam van Christus heeft de gelovige Jood geen hogere positie dan de gelovige uit de heidenen. Beiden worden op dezelfde grondslag aangenomen: uit genade, door het geloof in Christus.
De Gemeente is echter geen uitgebreid of vernieuwd Israël. Zij is een nieuwe schepping in Christus, gevormd uit gelovigen uit beide groepen.
De hemelse roeping van de Gemeente
Het onderscheid tussen Israël en de Gemeente wordt bijzonder duidelijk wanneer wij hun roeping vergelijken.
Israëls nationale beloften zijn verbonden met de aarde: een land, een stad, een troon, een koningshuis en een zichtbaar Koninkrijk.
De Gemeente heeft daarentegen een hemelse roeping:
“Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus.” — Hebreeën 3:1 (STV)
Ook schrijft Paulus:
“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” — Filippenzen 3:20 (STV)
De positie, verwachting en bestemming van de Gemeente zijn verbonden met Christus in de hemel.
De Gemeente hoeft daarom niet te proberen de troon van David over te nemen. Zij heeft niet de opdracht gekregen om Jeruzalem te vervangen of door politieke macht een christelijk wereldrijk te vestigen.
Haar Hoofd is in de hemel en haar verwachting komt uit de hemel.
Wat is de taak van de Gemeente?
De Gemeente heeft niet de opdracht om de wereld te onderwerpen of het beloofde Koninkrijk op aarde te vestigen. Haar voornaamste taak is het bekendmaken van het Evangelie der genade en het Woord der verzoening.
Paulus schrijft:
“Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)
Een gezant vertegenwoordigt zijn regering in een vreemd gebied. Hij bevindt zich wel in dat land, maar zijn burgerschap, opdracht en gezag komen ergens anders vandaan.
Dat is een passend beeld van de Gemeente. Haar burgerschap is in de hemel, terwijl zij op aarde Christus vertegenwoordigt.
De Gemeente is geroepen om:
het Evangelie van Gods genade te verkondigen;
het Woord der verzoening bekend te maken;
gelovigen op te bouwen in de waarheid;
de wijsheid en genade van God zichtbaar te maken;
als licht te midden van een duistere wereld te wandelen;
uit te zien naar de verschijning van de Here Jezus Christus.
Zij moet niet over de wereld heersen, maar Christus dienen. Zij moet mensen niet politiek onderwerpen, maar hen oproepen zich met God te laten verzoenen.
Zodra de Gemeente de nationale en koninklijke roeping van Israël naar zich toetrekt, raakt zij haar eigen hemelse roeping kwijt.
De toekomstige bestemming van Israël
De toekomstige bestemming van Israël is verbonden met het herstel van het volk, het beloofde land en het zichtbare Koningschap van de Messias.
De engel Gabriël zei over de Here Jezus:
“Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.” — Lukas 1:32-33 (STV)
De troon van David is geen aanduiding van de Gemeente. Het huis van Jakob is geen symbolische benaming voor gelovigen uit de heidenen.
De Here Jezus is werkelijk de Zoon van David. Hij heeft het recht op Davids troon en zal over het huis van Jakob regeren.
Tijdens Zijn eerste komst werd Hij als Koning verworpen. Dat betekent niet dat Zijn koninklijke rechten verdwenen zijn. Bij Zijn wederkomst zal Zijn Koningschap openbaar worden.
Israëls toekomstige bestemming omvat daarom:
de nationale bekering van het volk;
de verzameling van het verstrooide Israël;
het herstel in het beloofde land;
de regering van Christus op de troon van David;
een centrale plaats in het zichtbare Koninkrijk;
zegen voor de overige volkeren.
God heeft dit niet aan Israël beloofd om het uiteindelijk aan een andere groep te geven.
De bestemming van de Gemeente is bij Christus
De Gemeente wacht niet op nationaal herstel in een aards vaderland. Zij verwacht haar vereniging met Christus.
Paulus schrijft:
“Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” — 1 Thessalonicenzen 4:17 (STV)
Deze opname past bij de hemelse roeping van de Gemeente. Zij behoort bij Christus en zal daarom tot Hem worden vergaderd.
De Here Jezus zal bovendien het vernederde lichaam van de gelovigen veranderen:
“Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.” — Filippenzen 3:21 (STV)
De bestemming van de Gemeente is:
de ontmoeting met Christus;
de verandering van het lichaam;
de verheerlijking met Christus;
het altijd bij de Here zijn;
het mede-erfgenaam zijn van Christus;
het met Hem regeren.
Israël heeft een aardse, nationale toekomst onder de heerschappij van de Messias. De Gemeente heeft een hemelse positie en zal met Christus in heerlijkheid worden geopenbaard.
Deze twee lijnen bestrijden elkaar niet. Zij komen beide samen onder het Hoofdschap van Christus.
Zijn Jood en heiden niet één in Christus?
Galaten 3 wordt dikwijls gebruikt om elk onderscheid tussen Israël en de Gemeente op te heffen. Paulus leert inderdaad dat Jood en Griek in Christus één zijn.
Maar deze geestelijke eenheid betekent niet dat alle door God gemaakte onderscheidingen verdwijnen.
Man en vrouw zijn in hun behoudenis en positie in Christus gelijkwaardig. Toch houden zij niet op man en vrouw te zijn. Evenmin houden Jood en heiden op een verschillende natuurlijke en historische achtergrond te hebben.
Eenheid in Christus gaat over de positie van de gelovige voor God. Zij vernietigt niet met terugwerkende kracht de verbonden en beloften die God aan Israël als volk heeft gegeven.
Is de Gemeente dan het geestelijke Israël?
Ook de uitspraak dat niet allen Israël zijn die uit Israël zijn, wordt dikwijls verkeerd toegepast.
Paulus maakt daarmee onderscheid tussen natuurlijke afstamming en gelovig Israël. Niet iedere natuurlijke nakomeling van Abraham heeft persoonlijk deel aan de geestelijke zegeningen van het geloof.
Maar Paulus zegt niet dat de Gemeente daarom voortaan Israël heet.
Hij maakt onderscheid tussen ongelovige en gelovige Israëlieten. Hij verandert gelovige heidenen niet in natuurlijke Israëlieten en draagt de nationale beloften niet aan hen over.
De Gemeente deelt door Christus in geestelijke zegeningen. Dat betekent niet dat zij Israëls identiteit, land of nationale toekomst heeft overgenomen.
De olijfboom bewijst geen vervanging
Romeinen 11 wordt eveneens gebruikt als bewijs dat de Gemeente Israël zou hebben vervangen. Het hoofdstuk leert echter het tegenovergestelde.
Sommige natuurlijke takken werden vanwege ongeloof afgebroken. Takken van een wilde olijfboom werden tegen de natuur in geënt. Maar Paulus waarschuwt de gelovigen uit de heidenen:
“Roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.” — Romeinen 11:18 (STV)
De gelovige uit de heidenen mag zich niet boven Israël verheffen. Hij is niet de eigenaar van de boom geworden en heeft de wortel niet vervangen.
Bovendien verklaart Paulus dat God machtig is om de natuurlijke takken opnieuw te enten. Israël heeft dus niet definitief afgedaan.
Romeinen 11 is geen fundament voor vervangingsdenken. Het is juist een waarschuwing tegen de hoogmoed waaruit dat denken voortkomt.
Het Nieuwe Verbond heft Israël niet op
Jeremia profeteerde:
“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” — Jeremia 31:31 (STV)
Het Nieuwe Verbond is gegrond op het offer en het bloed van Christus. Gelovigen ontvangen nu reeds de geestelijke zegeningen die door Zijn volbrachte werk mogelijk zijn geworden.
Dat betekent echter niet dat het huis van Israël en het huis van Juda uit de belofte verdwenen zijn.
God zal Israël in de toekomst onder dit verbond brengen. Hij zal het volk reinigen, vernieuwen en onder de heerschappij van de Messias plaatsen.
De Gemeente deelt in de zegeningen van het Nieuwe Verbond, maar zij wist de oorspronkelijke adressanten van de belofte niet uit.
Genade voor de heidenen betekent niet dat God Zijn beloften aan Israël heeft ingetrokken.
Eén Zaligmaker, onderscheiden roepingen
Het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente betekent niet dat er twee verschillende wegen tot behoudenis bestaan.
Er is maar één Zaligmaker.
Er is maar één grondslag voor rechtvaardiging.
Er is maar één volkomen offer voor de zonde.
Een Israëliet wordt niet behouden vanwege zijn natuurlijke afstamming. Ook hij moet geloven in de Here Jezus Christus. Een heiden wordt evenmin behouden door godsdienst, kerkelijke aansluiting of goede werken.
Ieder mens wordt uitsluitend behouden uit genade, door het geloof in Christus.
Het onderscheid ligt daarom niet in de weg tot behoudenis, maar in de roeping, taak en bestemming van Israël als volk en van de Gemeente als het Lichaam van Christus.
Israël en de Gemeente mogen niet worden vermengd
Israël heeft een aardse en nationale roeping, verbonden met de vaderen, het land, de troon van David en het zichtbare Koninkrijk van Christus.
De Gemeente heeft een hemelse roeping, verbonden met de opgestane en verheerlijkte Christus als haar Hoofd.
Israël werd geroepen om als volk Gods getuige en priesterlijke natie te zijn.
De Gemeente wordt geroepen om het Evangelie der genade te verkondigen, het Woord der verzoening bekend te maken en het Lichaam van Christus op te bouwen.
Israël wacht bekering, herstel en een plaats in het zichtbare Koninkrijk van de Messias.
De Gemeente verwacht haar opname, verheerlijking en vereniging met Christus.
Wie Israël en de Gemeente vermengt, maakt van de Gemeente een aardse machtsbeweging en ontneemt Israël zijn profetische toekomst. Wie het Bijbelse onderscheid bewaart, ziet juist hoe betrouwbaar en samenhangend Gods heilsplan is.
God hoeft Israël niet af te schrijven om de Gemeente te zegenen.
Hij hoeft de Gemeente niet tot Israël te maken om Zijn hemelse voornemen te volbrengen.
Hij zal Zijn beloften aan Israël vervullen. Hij zal ook Zijn voornemen met de Gemeente voltooien. Niet omdat mensen altijd trouw zijn, maar omdat Hij trouw is.
Alles vindt zijn middelpunt en vervulling in de Here Jezus Christus:
“Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is.” — Efeze 1:10 (STV)
In een volgend blog onderzoeken we hoe het vervagen van het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente heeft geleid tot de koninkrijkstheologie en de vervangingsleer. Beide visies verschillen op onderdelen, maar delen hetzelfde fundamentele probleem: zij geven de Gemeente een aardse positie en opdracht die God in Zijn Woord niet aan haar heeft gegeven.
Zie ook:
Koninkrijkstheologie en vervangingsleer ontmaskerd – Bijbelse basis
Israël vandaag Gods volk? – Bijbelse basis
Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis
Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus? – Bijbelse basis