Alles geschonken: leven uit Gods beloften volgens 2 Petrus 1

Gods beloften in de Bijbel

2 Petrus 1:3 zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben, maar dat Hij het al “geschonken heeft”. Kennen wij eigenlijk de rijkdom en de beloften die God in Zijn Woord bekendgemaakt heeft? Misschien hebben we niet steeds iets nieuws nodig, maar moeten we leren leven uit wat God al geschonken heeft.

Wat meer heeft een christen eigenlijk nog nodig om een godvruchtig leven te kunnen leiden? Moeten we voortdurend bidden om meer kracht, een nieuwe zalving, een nieuwe aanraking of een bijzondere geestelijke toerusting? Of zegt de Bijbel iets heel anders en iets wat veel rijker is?

2 Petrus 1:3-4 geeft daarop een opvallend duidelijk antwoord. Petrus zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben. Hij zegt dat Gods Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Direct daarna spreekt hij over de “grootste en dierbare beloften” die ons geschonken zijn.

Dat maakt kennis van Gods beloften in de Bijbel geen aardige aanvulling op het christelijke leven. Wie niet weet wat God heeft beloofd en geschonken, kan daar ook niet uit leven.

En misschien verklaart dat waarom christenen soms wanhopig zoeken naar iets wat God hun allang gegeven heeft.

Gods beloften in 2 Petrus 1
Leven uit Gods beloften 2 Petrus 1

Alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort

Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

Het woord alles verdient onze aandacht.

Petrus schrijft niet dat God ons een eerste geestelijke aanbetaling heeft gegeven en dat wij later nog op zoek moeten naar het ontbrekende deel. Evenmin maakt hij onderscheid tussen gewone christenen en een geestelijke elite die iets extra’s heeft ontvangen.

God heeft “alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort” geschonken.

Ook Paulus gebruikt soortgelijke taal:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

Niet:

God zal ons misschien zegenen.

Niet:

God kan ons zegenen wanneer wij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Maar:

Hij heeft ons gezegend.

Het christelijke leven begint daarom niet bij de vraag hoe wij God ertoe kunnen brengen ons eindelijk voldoende te geven. Het begint bij het geloof dat God in Christus heeft voorzien.

 

Gods beloften kennen is noodzakelijk

Meteen na 2 Petrus 1:3 schrijft Petrus:

“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” (2 Petrus 1:4, STV)

Opnieuw gebruikt Petrus het woord geschonken.

God heeft niet alleen voorzien in alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, Hij heeft ons ook Zijn “grootste en dierbare beloften” gegeven.

Daarmee komen we bij een pijnlijk probleem.

Hoe kun je leven uit Gods beloften wanneer je Gods beloften nauwelijks kent?

Veel christenen kennen uitspraken van bekende sprekers, filmpjes op sociale media, persoonlijke profetieën en populaire christelijke slogans beter dan de beloften die gewoon onverbloemd in Gods Woord staan.

Maar geloof kan niet leven van geestelijke slogans.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17, STV)

Geloof heeft inhoud. God hééft gesproken en geloof vertrouwt op wat Hij gezegd heeft.

Daarom is Bijbelkennis geen hobby voor mensen die toevallig graag studeren.

Kennis van Gods Woord is noodzakelijk om uit Gods beloften te kunnen leven.

 

Wat je niet kent, kun je ook niet geloven

Een gelovige kan geestelijk arm leven terwijl hij in Christus rijk is.

Niet omdat God onvoldoende gegeven heeft, maar omdat de gelovige onvoldoende weet wat hij ontvangen heeft.

Dat is een belangrijk verschil.

Wie niet weet wat de Bijbel zegt over zijn positie in Christus, kan daar moeilijk uit leven. Wie Gods beloften niet kent, zal gemakkelijker heen en weer geslingerd worden door omstandigheden. En wie niet weet wat God daadwerkelijk gezegd heeft, wordt bovendien kwetsbaar voor mensen die namens God allerlei dingen beweren.

Daarom behoren Bijbelkennis, geestelijke groei en leven uit Gods beloften bij elkaar.

Het gaat niet om kennis om de kennis als doel opzich. Het doel is dat het Woord ons denken vormt, zodat ons geloof rust op wat God gezegd heeft.

 

“God heeft mij beloofd…”

Hier is enige nuchterheid nodig.

Er wordt in christelijke kring ontzettend veel aan God toegeschreven.

“God heeft tegen mij gezegd…”

“God liet mij zien…”

“God heeft iets bijzonders beloofd…”

“Ik kreeg een woord voor jou…”

“God zegt dat er een doorbraak aankomt…”

Het klinkt indrukwekkend. Maar ondertussen ligt er thuis misschien een vrijwel gesloten verstofte Bijbel.

Dat is op zijn minst merkwaardig.

Waarom zouden we voortdurend verlangen naar een nieuw persoonlijk “woord” terwijl we nauwelijks kennis hebben van het Woord dat God ons reeds gegeven heeft?

Petrus zelf had een buitengewone ervaring meegemaakt. Hij was getuige geweest van de majesteit van Christus op de berg en had de stem uit de hemel gehoord. Toch schrijft hij verderop in hetzelfde hoofdstuk:

“En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:19, STV)

Dat zou ons te denken moeten geven.

Wie Gods stem wil kennen, moet beginnen met aandacht te geven aan Gods Woord.

 

Niet iedere belofte in de Bijbel is automatisch mijn belofte

Er hoort echter een belangrijke waarschuwing bij een studie over Gods beloften in de Bijbel.

Niet iedere belofte die in de Bijbel staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gegeven.

God deed beloften aan Abraham. Hij deed concrete beloften aan Israël. Er zijn beloften die verband houden met het land, het Koninkrijk en Israëls toekomstige herstel.

Daarnaast vinden we wat God bekendmaakt over de positie en toekomst van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Daarom kunnen we niet willekeurig een mooie tekst aanwijzen en zeggen: “Die claim ik.”

De Schrift moet recht gesneden worden:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Bij iedere Bijbelse belofte moeten we daarom vragen:

Wat staat er precies?

Tegen wie wordt dit gezegd?

In welk verband staat deze belofte?

En mogen wij deze belofte rechtstreeks op onszelf toepassen?

Dat is geen gebrek aan geloof.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

 

Hebben christenen echt “meer van God” nodig?

Hier begint 2 Petrus 1:3 behoorlijk te schuren met bepaalde populaire christelijke ideeën.

Er wordt gesproken over “meer van God”, een “nieuwe zalving”, een “impartatie”, een “nieuwe aanraking” of een bijzondere bediening waardoor iemand geestelijk naar een hoger niveau zou kunnen worden gebracht.

Maar Petrus zegt:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…” (2 Petrus 1:3, STV)

Dan mag een eenvoudige vraag worden gesteld:

Welk gedeelte van “alles” ontbreekt er nog?

Dat is geen woordspelletje. Het is een serieuze leerstellige vraag.

Als Gods Goddelijke kracht alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort, waarom zou een gelovige dan afhankelijk gemaakt moeten worden van een “gezalfde” leider die hem iets zou moeten overdragen wat hij kennelijk nog mist?

Waarom een impartatie zoeken als Petrus zegt dat God voorzien heeft?

Waarom voortdurend zoeken naar “meer” zonder eerst te onderzoeken wat God volgens Zijn Woord reeds gegeven heeft?

De vraag is niet of een christen nog moet groeien. Natuurlijk moet hij groeien.

Maar geestelijke groei is iets anders dan geestelijk incompleet zijn.

 

Gods voorziening is niet het probleem

Misschien zoeken we daarom soms op de verkeerde plaats naar de oorzaak van geestelijke armoede.

We denken dat we iets missen. Petrus zegt dat God alles geschonken heeft.

We zoeken iets nieuws. Petrus wijst naar wat gegeven is.

We zoeken een nieuwe ervaring. Petrus spreekt over kennis.

We zoeken een nieuw woord. Petrus wijst naar

“het profetische Woord, dat zeer vast is”.

Misschien ontbreekt het ons niet aan geestelijke middelen, maar aan kennis van Gods beloften en vertrouwen op Gods Woord.

Dat is een wezenlijk verschil.

 

Leven uit Gods beloften betekent niet passief worden

Petrus laat geen ruimte voor de gedachte: als God alles geschonken heeft, hoef ik dus niets meer te doen.

Direct na vers 3 en 4 schrijft hij:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,” (2 Petrus 1:5, STV)

Vervolgens noemt Petrus matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen.

Hier vinden we een prachtig evenwicht.

Wat God schenkt, wordt de basis waarop de gelovige wandelt.

Wij werken niet om God ertoe te bewegen ons uiteindelijk voldoende geestelijke middelen te geven. Wij mogen leven vanuit wat Hij uit genade geschonken heeft.

Gods gave maakt onze verantwoordelijkheid niet overbodig. Zij maakt onze wandel mogelijk.

Dat is ook waarom kennis zo belangrijk is. Petrus spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over kennis. De christen groeit niet door steeds nieuwe geestelijke sensaties te verzamelen, maar door Christus te kennen en vanuit Gods waarheid te leven.

 

Nieuw leven, geen opgeknapte oude mens

Hierbij is ook belangrijk te beseffen wat God eigenlijk geschonken heeft.

Het Evangelie is niet Gods programma om de oude mens wat godsdienstiger te maken. Het gaat om nieuw leven.

Christus kwam niet maar ‘betere idealen’ aanbieden aan de oude Adamitische mens. De gelovige ontvangt nieuw leven in Christus.

Dat maakt het verschil enorm.

Het christelijke leven is niet:

“Ik probeer met Gods hulp een betere/de beste versie van mezelf te worden.”

Het begint bij wat God gedaan heeft en bij het leven dat Hij gegeven heeft.

Daarom is het steeds opnieuw nodig dat de gelovige leert zien wie hij in Christus is, wat God hem geschonken heeft en hoe hij daaruit mag leven.

 

Vergeet niet wat God gedaan heeft

Petrus zegt iets opvallends over de gelovige bij wie de genoemde vrucht ontbreekt:

“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.” (2 Petrus 1:9, STV)

Let vooral op dat laatste woord: vergeten.

Niet: nooit ontvangen.

Niet: nooit gereinigd.

Maar vergeten wat God gedaan heeft.

Dat geeft een verrassend perspectief op geestelijke armoede. Misschien hebben we niet altijd iets nieuws nodig. Misschien moeten we opnieuw leren verstaan wat God al gedaan en gegeven heeft.

Steeds iets nieuws zoeken terwijl we het oude vergeten zijn, is geen geestelijke groei.

Het kan juist geestelijke onvolwassenheid zijn.

 

Bijbels bidden vanuit Gods beloften

Betekent dit dat we niet meer om geestelijke dingen mogen bidden? Natuurlijk niet.

Maar bidden vanuit Gods beloften ziet er anders uit dan bidden alsof God ons voortdurend iets essentieels onthoudt.

Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” (Efeze 1:17-18, STV)

Let op: “opdat gij moogt weten“.

Paulus bidt voor gelovigen dat zij gaan verstaan welke rijkdom hun deel is.

Dat is iets anders dan voortdurend bidden alsof God die rijkdom nog moet schenken.

Een prachtig gebed zou daarom kunnen zijn:

“Vader, leer mij kennen wat U in Christus geschonken hebt. Leer mij Uw Woord verstaan. Leer mij Uw beloften geloven en leer mij daaruit leven.”

 

Stop met zoeken naar en vragen om wat God al geschonken heeft

2 Petrus 1:3-4 zet ons uiteindelijk voor een eenvoudige maar confronterende vraag.

Zoeken wij voortdurend naar iets nieuws, of leren wij leven uit hetgeen God heeft geschonken?

Misschien moeten we minder vragen:

“Waar kan ik meer ontvangen?”

En vaker:

“Wat zegt Gods Woord dat God mij reeds geschonken heeft?”

Minder jagen op geestelijke ervaringen en meer kennis van Christus.

Minder afhankelijkheid van mensen die zeggen iets bijzonders te kunnen overdragen en meer vertrouwen op Gods beloften in de Bijbel.

Minder

“God zei tegen mij…”

en meer:

“Er staat geschreven.”

Want geestelijke volwassenheid bestaat niet uit een verzameling spectaculaire ervaringen. Zij groeit door kennis van Christus, kennis van Zijn Woord, geloof in Zijn beloften en een wandel die daarmee overeenkomt.

Petrus laat daar weinig onduidelijkheid over bestaan:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

God heeft niet matig gegeven.

De vraag is of wij weten wat Hij geschonken heeft.

En wanneer wij onze rijkdom in Christus nauwelijks kennen, hebben we  niet in de eerste plaats een nieuwe zalving, nieuwe impartatie, nieuwe profetie of nieuwe geestelijke ervaring nodig.

Dan wordt het hoog tijd om onze Bijbel open te doen, Gods beloften te leren kennen, ze te geloven en daaruit te leven.

 

 

 

Israël en de Gemeente: het Bijbelse onderscheid

Onderscheid in roeping, taak en bestemming

Wat is het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente? Deze vraag is bepalend voor het verstaan van Gods heilsplan, de Bijbelse profetieën en de roeping van gelovigen in deze tijd.

Israël en de Gemeente hebben beide een plaats in Gods voornemen, maar zij zijn niet hetzelfde volk onder verschillende namen. Israël is verbonden met Abraham, Izak en Jakob, het beloofde land, de troon van David en het toekomstige zichtbare Koninkrijk van Christus. De Gemeente is het Lichaam van Christus, gevormd uit gelovige Joden en heidenen en verbonden met de opgestane en verheerlijkte Christus in de hemel.

Wanneer het onderscheid tussen Israël en de Gemeente verdwijnt, worden beloften verplaatst, profetieën vergeestelijkt en opdrachten aan de verkeerde groep toegeschreven. De Gemeente gaat dan proberen een aards koninkrijk te bouwen, terwijl Israël uit de profetie wordt weggeschreven.

Dit onderwerp is daarom geen ondergeschikt leerstellig vraagstuk. Het raakt rechtstreeks aan de betrouwbaarheid van Gods beloften.

 

Bijbels onderscheid tussen Israël en de Gemeente
Bijbels onderscheid tussen Israël en de Gemeente

 

Het Bijbelse verschil tussen Israël en de Gemeente

De Schrift maakt zelf onderscheid tussen Israël, de heidenen en de Gemeente. Paulus schrijft:

“Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.” — 1 Korinthe 10:32 (STV)

Paulus noemt hier drie onderscheiden groepen. Dat betekent niet dat er verschillende wegen tot zaligheid bestaan. Zowel een Jood als een heiden kan uitsluitend behouden worden door het geloof in de Here Jezus Christus.

Eenheid in de weg van behoud betekent echter niet dat alle verschillen in roeping, taak en bestemming verdwijnen.

Een gelovige Jood en een gelovige heiden worden in Christus tot hetzelfde Lichaam gerekend. Daarmee zijn Gods nationale beloften aan Israël niet vernietigd. God hoeft Zijn beloften aan Israël niet te breken om mensen uit de heidenen te kunnen behouden.

Dat zou geen bewijs van genade zijn, maar van ontrouw. En God is niet ontrouw.

 

De oorsprong en roeping van Israël

De bijzondere geschiedenis van Israël begint met de roeping van Abram:

“De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.” — Genesis 12:1 (STV)

God riep Abram uit de volkerenwereld. Hij beloofde hem een land, een nageslacht en zegen. Deze beloften werden later bevestigd aan Izak en Jakob. Uit Jakob, die van God de naam Israël ontving, ontstond het volk Israël.

Israël is daarom niet slechts een godsdienstige gemeenschap. Het is een werkelijk volk, voortgekomen uit bepaalde vaderen en verbonden met concrete beloften van God.

God beloofde Abraham niet alleen geestelijke zegeningen. Hij sprak ook over een land en een natuurlijk nageslacht. Later kwamen daar de beloften over het koningschap, de troon van David en de regering van de Messias bij.

Wie Israël als een geestelijk beeld van de Gemeente behandelt, trekt deze beloften los van de mensen aan wie God ze heeft gegeven.

 

Israël werd geroepen als getuige van God

Israël werd door God afgezonderd uit de overige volkeren:

“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn.” — Deuteronomium 7:6 (STV)

Die verkiezing vond niet plaats omdat Israël groter, sterker of beter was dan andere volken. God koos Israël op grond van Zijn eigen voornemen en vanwege de beloften die Hij aan de vaderen had gedaan.

Israël moest te midden van een afgodische wereld getuigen van de ene, waarachtige God:

“Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben; voor Mij is geen God geformeerd, en na Mij zal er geen zijn.” — Jesaja 43:10 (STV)

De wet, de offers, de tabernakel, de tempel, de priesterdienst en de profetieën getuigden allemaal van Gods heiligheid, gerechtigheid, genade en verlossingsplan.

Israël moest aan de volkeren laten zien dat er slechts één God is en dat ware zegen alleen bij Hem gevonden wordt.

 

De taak van Israël onder de volkeren

Bij de Sinaï maakte God duidelijk welke bijzondere taak Israël ontving:

“En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn.” — Exodus 19:6 (STV)

Een priester heeft een dienende en vertegenwoordigende functie. Israël werd geroepen om Gods waarheid te bewaren en Zijn Naam onder de volkeren bekend te maken.

Aan Israël werden bovendien de woorden van God toevertrouwd. Paulus vraagt wat het voordeel van de Jood is en antwoordt:

“Veel in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.” — Romeinen 3:2 (STV)

God gebruikte Israël als drager en bewaarder van Zijn geschreven openbaring. De wet, de profeten en de overige oudtestamentische geschriften werden binnen Israël gegeven.

Ook de belofte van de Messias werd door dit volk heen bewaard. De lijn van de belofte liep via Abraham, Izak, Jakob, Juda en David naar de Here Jezus Christus.

Paulus schrijft over de Israëlieten:

“Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.” — Romeinen 9:5 (STV)

De grootste eer van Israël is dat de Here Jezus Christus naar het vlees uit dit volk is voortgekomen.

 

Heeft God Israël vanwege zijn ongeloof verstoten?

Israël heeft zijn roeping niet volmaakt vervuld. Het volk verviel in afgoderij, verwierp herhaaldelijk de profeten en wees uiteindelijk zijn Messias af.

Daaruit wordt vaak geconcludeerd dat God Israël definitief heeft verstoten en dat de Gemeente voortaan het nieuwe Israël zou zijn. De nationale beloften aan Israël zouden daardoor geestelijk op de kerk zijn overgegaan.

Paulus wijst die conclusie nadrukkelijk af:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.” — Romeinen 11:1 (STV)

“Dat zij verre” is geen aarzelende nuancering. Het is een krachtige ontkenning.

Israël is vanwege ongeloof tijdelijk terzijde gesteld, maar het volk is niet voorgoed uit Gods heilsplan verdwenen. Er is een gedeeltelijke en tijdelijke verharding over Israël gekomen.

Israëls ontrouw maakt Gods beloften niet krachteloos. Wanneer Gods beloften alleen geldig zouden blijven zolang mensen trouw zijn, zou de vervulling uiteindelijk van de mens afhangen.

Maar de zekerheid van Gods beloften ligt niet in de trouw van Israël. Zij ligt in de trouw van God.

 

Gods beloften aan Israël zijn niet vervallen

Paulus schrijft over de huidige verharding van Israël:

“Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, opdat gij niet wijs zijt bij uzelven, dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden.” — Romeinen 11:25-26 (STV)

De woorden “voor een deel” en “totdat” zijn beslissend. Zij wijzen op een tijdelijke toestand, niet op een definitieve verwerping.

God vergadert in deze tijd uit Joden en heidenen de Gemeente. Wanneer dit werk voltooid is, zal Hij Zijn beloften aan Israël verder vervullen.

Israël zal als volk tot bekering komen. Het zal opnieuw worden verzameld en onder de heerschappij van de Messias worden gebracht. De beloften aan Abraham, Izak, Jakob en David zullen niet vergeestelijkt, maar vervuld worden.

 

De oorsprong van de Gemeente

De oorsprong van de Gemeente is anders dan die van Israël. Tijdens Zijn aardse omwandeling sprak de Here Jezus over de Gemeente als iets dat Hij nog zou bouwen:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” — Mattheüs 16:18 (STV)

De Here zei niet: “Ik heb Mijn Gemeente gebouwd”, maar: “Ik zal Mijn Gemeente bouwen.”

De Gemeente is daarom niet Israël onder een nieuwe naam. Ook bestond zij niet als dezelfde instelling vanaf Adam of Abraham.

Paulus noemt de Gemeente een verborgenheid. De oudtestamentische profeten hadden voorzegd dat de heidenen door de Messias gezegend zouden worden. Wat echter niet eerder op dezelfde wijze was bekendgemaakt, was dat gelovige Joden en heidenen samen één Lichaam zouden vormen, verbonden met een opgestane en verheerlijkte Christus in de hemel.

De Gemeente behoort bij het tegenwoordige, verborgen werk van God.

 

De Gemeente is het Lichaam van Christus

Israël wordt in de Schrift aangeduid als een volk, een koninkrijk en een priesterlijke natie. De Gemeente wordt daarentegen het Lichaam van Christus genoemd.

God heeft Christus:

“Der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” — Efeze 1:22-23 (STV)

De Gemeente is niet in de eerste plaats een menselijke organisatie. Zij is geen kerkelijk instituut, bedrijf, politieke beweging of religieuze machtsstructuur.

De Gemeente is een levend organisme waarvan Christus het Hoofd is.

Iedere gelovige wordt door de Heilige Geest in dat ene Lichaam geplaatst:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” — 1 Korinthe 12:13 (STV)

Binnen het Lichaam van Christus heeft de gelovige Jood geen hogere positie dan de gelovige uit de heidenen. Beiden worden op dezelfde grondslag aangenomen: uit genade, door het geloof in Christus.

De Gemeente is echter geen uitgebreid of vernieuwd Israël. Zij is een nieuwe schepping in Christus, gevormd uit gelovigen uit beide groepen.

 

De hemelse roeping van de Gemeente

Het onderscheid tussen Israël en de Gemeente wordt bijzonder duidelijk wanneer wij hun roeping vergelijken.

Israëls nationale beloften zijn verbonden met de aarde: een land, een stad, een troon, een koningshuis en een zichtbaar Koninkrijk.

De Gemeente heeft daarentegen een hemelse roeping:

“Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus.” — Hebreeën 3:1 (STV)

Ook schrijft Paulus:

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” — Filippenzen 3:20 (STV)

De positie, verwachting en bestemming van de Gemeente zijn verbonden met Christus in de hemel.

De Gemeente hoeft daarom niet te proberen de troon van David over te nemen. Zij heeft niet de opdracht gekregen om Jeruzalem te vervangen of door politieke macht een christelijk wereldrijk te vestigen.

Haar Hoofd is in de hemel en haar verwachting komt uit de hemel.

 

Wat is de taak van de Gemeente?

De Gemeente heeft niet de opdracht om de wereld te onderwerpen of het beloofde Koninkrijk op aarde te vestigen. Haar voornaamste taak is het bekendmaken van het Evangelie der genade en het Woord der verzoening.

Paulus schrijft:

“Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)

Een gezant vertegenwoordigt zijn regering in een vreemd gebied. Hij bevindt zich wel in dat land, maar zijn burgerschap, opdracht en gezag komen ergens anders vandaan.

Dat is een passend beeld van de Gemeente. Haar burgerschap is in de hemel, terwijl zij op aarde Christus vertegenwoordigt.

De Gemeente is geroepen om:

het Evangelie van Gods genade te verkondigen;

het Woord der verzoening bekend te maken;

gelovigen op te bouwen in de waarheid;

de wijsheid en genade van God zichtbaar te maken;

als licht te midden van een duistere wereld te wandelen;

uit te zien naar de verschijning van de Here Jezus Christus.

Zij moet niet over de wereld heersen, maar Christus dienen. Zij moet mensen niet politiek onderwerpen, maar hen oproepen zich met God te laten verzoenen.

Zodra de Gemeente de nationale en koninklijke roeping van Israël naar zich toetrekt, raakt zij haar eigen hemelse roeping kwijt.

 

De toekomstige bestemming van Israël

De toekomstige bestemming van Israël is verbonden met het herstel van het volk, het beloofde land en het zichtbare Koningschap van de Messias.

De engel Gabriël zei over de Here Jezus:

“Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.” — Lukas 1:32-33 (STV)

De troon van David is geen aanduiding van de Gemeente. Het huis van Jakob is geen symbolische benaming voor gelovigen uit de heidenen.

De Here Jezus is werkelijk de Zoon van David. Hij heeft het recht op Davids troon en zal over het huis van Jakob regeren.

Tijdens Zijn eerste komst werd Hij als Koning verworpen. Dat betekent niet dat Zijn koninklijke rechten verdwenen zijn. Bij Zijn wederkomst zal Zijn Koningschap openbaar worden.

Israëls toekomstige bestemming omvat daarom:

de nationale bekering van het volk;

de verzameling van het verstrooide Israël;

het herstel in het beloofde land;

de regering van Christus op de troon van David;

een centrale plaats in het zichtbare Koninkrijk;

zegen voor de overige volkeren.

God heeft dit niet aan Israël beloofd om het uiteindelijk aan een andere groep te geven.

 

De bestemming van de Gemeente is bij Christus

De Gemeente wacht niet op nationaal herstel in een aards vaderland. Zij verwacht haar vereniging met Christus.

Paulus schrijft:

“Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” — 1 Thessalonicenzen 4:17 (STV)

Deze opname past bij de hemelse roeping van de Gemeente. Zij behoort bij Christus en zal daarom tot Hem worden vergaderd.

De Here Jezus zal bovendien het vernederde lichaam van de gelovigen veranderen:

“Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.” — Filippenzen 3:21 (STV)

De bestemming van de Gemeente is:

de ontmoeting met Christus;

de verandering van het lichaam;

de verheerlijking met Christus;

het altijd bij de Here zijn;

het mede-erfgenaam zijn van Christus;

het met Hem regeren.

Israël heeft een aardse, nationale toekomst onder de heerschappij van de Messias. De Gemeente heeft een hemelse positie en zal met Christus in heerlijkheid worden geopenbaard.

Deze twee lijnen bestrijden elkaar niet. Zij komen beide samen onder het Hoofdschap van Christus.

 

Zijn Jood en heiden niet één in Christus?

Galaten 3 wordt dikwijls gebruikt om elk onderscheid tussen Israël en de Gemeente op te heffen. Paulus leert inderdaad dat Jood en Griek in Christus één zijn.

Maar deze geestelijke eenheid betekent niet dat alle door God gemaakte onderscheidingen verdwijnen.

Man en vrouw zijn in hun behoudenis en positie in Christus gelijkwaardig. Toch houden zij niet op man en vrouw te zijn. Evenmin houden Jood en heiden op een verschillende natuurlijke en historische achtergrond te hebben.

Eenheid in Christus gaat over de positie van de gelovige voor God. Zij vernietigt niet met terugwerkende kracht de verbonden en beloften die God aan Israël als volk heeft gegeven.

 

Is de Gemeente dan het geestelijke Israël?

Ook de uitspraak dat niet allen Israël zijn die uit Israël zijn, wordt dikwijls verkeerd toegepast.

Paulus maakt daarmee onderscheid tussen natuurlijke afstamming en gelovig Israël. Niet iedere natuurlijke nakomeling van Abraham heeft persoonlijk deel aan de geestelijke zegeningen van het geloof.

Maar Paulus zegt niet dat de Gemeente daarom voortaan Israël heet.

Hij maakt onderscheid tussen ongelovige en gelovige Israëlieten. Hij verandert gelovige heidenen niet in natuurlijke Israëlieten en draagt de nationale beloften niet aan hen over.

De Gemeente deelt door Christus in geestelijke zegeningen. Dat betekent niet dat zij Israëls identiteit, land of nationale toekomst heeft overgenomen.

 

De olijfboom bewijst geen vervanging

Romeinen 11 wordt eveneens gebruikt als bewijs dat de Gemeente Israël zou hebben vervangen. Het hoofdstuk leert echter het tegenovergestelde.

Sommige natuurlijke takken werden vanwege ongeloof afgebroken. Takken van een wilde olijfboom werden tegen de natuur in geënt. Maar Paulus waarschuwt de gelovigen uit de heidenen:

“Roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.” — Romeinen 11:18 (STV)

De gelovige uit de heidenen mag zich niet boven Israël verheffen. Hij is niet de eigenaar van de boom geworden en heeft de wortel niet vervangen.

Bovendien verklaart Paulus dat God machtig is om de natuurlijke takken opnieuw te enten. Israël heeft dus niet definitief afgedaan.

Romeinen 11 is geen fundament voor vervangingsdenken. Het is juist een waarschuwing tegen de hoogmoed waaruit dat denken voortkomt.

 

Het Nieuwe Verbond heft Israël niet op

Jeremia profeteerde:

“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” — Jeremia 31:31 (STV)

Het Nieuwe Verbond is gegrond op het offer en het bloed van Christus. Gelovigen ontvangen nu reeds de geestelijke zegeningen die door Zijn volbrachte werk mogelijk zijn geworden.

Dat betekent echter niet dat het huis van Israël en het huis van Juda uit de belofte verdwenen zijn.

God zal Israël in de toekomst onder dit verbond brengen. Hij zal het volk reinigen, vernieuwen en onder de heerschappij van de Messias plaatsen.

De Gemeente deelt in de zegeningen van het Nieuwe Verbond, maar zij wist de oorspronkelijke adressanten van de belofte niet uit.

Genade voor de heidenen betekent niet dat God Zijn beloften aan Israël heeft ingetrokken.

 

Eén Zaligmaker, onderscheiden roepingen

Het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente betekent niet dat er twee verschillende wegen tot behoudenis bestaan.

Er is maar één Zaligmaker.

Er is maar één grondslag voor rechtvaardiging.

Er is maar één volkomen offer voor de zonde.

Een Israëliet wordt niet behouden vanwege zijn natuurlijke afstamming. Ook hij moet geloven in de Here Jezus Christus. Een heiden wordt evenmin behouden door godsdienst, kerkelijke aansluiting of goede werken.

Ieder mens wordt uitsluitend behouden uit genade, door het geloof in Christus.

Het onderscheid ligt daarom niet in de weg tot behoudenis, maar in de roeping, taak en bestemming van Israël als volk en van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

 

Israël en de Gemeente mogen niet worden vermengd

Israël heeft een aardse en nationale roeping, verbonden met de vaderen, het land, de troon van David en het zichtbare Koninkrijk van Christus.

De Gemeente heeft een hemelse roeping, verbonden met de opgestane en verheerlijkte Christus als haar Hoofd.

Israël werd geroepen om als volk Gods getuige en priesterlijke natie te zijn.

De Gemeente wordt geroepen om het Evangelie der genade te verkondigen, het Woord der verzoening bekend te maken en het Lichaam van Christus op te bouwen.

Israël wacht bekering, herstel en een plaats in het zichtbare Koninkrijk van de Messias.

De Gemeente verwacht haar opname, verheerlijking en vereniging met Christus.

Wie Israël en de Gemeente vermengt, maakt van de Gemeente een aardse machtsbeweging en ontneemt Israël zijn profetische toekomst. Wie het Bijbelse onderscheid bewaart, ziet juist hoe betrouwbaar en samenhangend Gods heilsplan is.

God hoeft Israël niet af te schrijven om de Gemeente te zegenen.

Hij hoeft de Gemeente niet tot Israël te maken om Zijn hemelse voornemen te volbrengen.

Hij zal Zijn beloften aan Israël vervullen. Hij zal ook Zijn voornemen met de Gemeente voltooien. Niet omdat mensen altijd trouw zijn, maar omdat Hij trouw is.

Alles vindt zijn middelpunt en vervulling in de Here Jezus Christus:

“Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is.” — Efeze 1:10 (STV)

In een volgend blog onderzoeken we hoe het vervagen van het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente heeft geleid tot de koninkrijkstheologie en de vervangingsleer. Beide visies verschillen op onderdelen, maar delen hetzelfde fundamentele probleem: zij geven de Gemeente een aardse positie en opdracht die God in Zijn Woord niet aan haar heeft gegeven.

Zie ook:

Koninkrijkstheologie en vervangingsleer ontmaskerd – Bijbelse basis

Israël vandaag Gods volk? – Bijbelse basis

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus? – Bijbelse basis

Israël vandaag Gods volk?

Over “Ammi”, “Lo-Ammi” en de Bijbelse betekenis van “Gods volk”

In veel evangelische en christenzionistische kringen wordt de volgende uitspraak bijna als een axioma herhaald:

“Israël is Gods volk.”

Daarmee bedoelt men dan meestal de huidige staat Israël. Soms wordt dit zo absoluut gesteld dat elke kritische vraag meteen als onbijbels, en scherper nog, als anti-semitisch wordt gezien.

Maar de werkelijke vraag is: wat bedoelt de Bijbel wanneer God spreekt over “Mijn volk”?

Wanneer we de Schrift zorgvuldig lezen, blijkt dat dit begrip niet simpelweg een etnisch of politiek label is. Het is een verbondsaanduiding, verbonden aan relatie met God.

Het gaat daarom niet om vervangingsleer tegenover zionisme, maar om de Bijbelse definitie van Gods volk.

Israël werd door God “Mijn volk” genoemd

In het Oude Testament noemt God Israël zonder twijfel Zijn volk.

“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken die op den aardbodem zijn.” (Deuteronomium 7:6 STV)

Israël werd uitverkoren uit alle volken.
God sloot met hen een verbond en gaf hun Zijn wet.

Maar deze positie betekende niet dat Israël automatisch Gods volk bleef, ongeacht geloof of ongehoorzaamheid.

Wanneer Israël God verwerpt (niet andersom!)

Bij het gouden kalf zien we een opvallende verschuiving.

“Ga heen, trek af; want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.” (Exodus 32:7 STV)

God zegt hier tegen Mozes niet meer “Mijn volk”, maar “uw volk.”

Een volk met deze naam bestaat nog steeds, maar de verbondsrelatie is, eenzijdig, vernietigd.

 Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE. (Jeremia 31:31,32 STV)

Hier belooft de Heer vóór de droevige constatering door de mond van Jeremia meteen al dat Hij het daar niet bij zou laten zitten, door de toen toekomstige oprichting van het nieuwe Verbond aan te kondigen.

Hosea: Ammi en Lo-Ammi

De profeet Hosea laat nog scherper zien dat Gods volk zijn geen automatisch etiket is.

“En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gij zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.” (Hosea 1:9 STV)

Lo-Ammi betekent: niet Mijn volk.

Vanwege hun afgoderij en verbondsbreuk verklaart God dat Israël niet langer als Zijn volk erkend wordt.

Maar Hosea spreekt ook over herstel.

“En Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama, en Ik zal tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt Mijn volk; en hij zal zeggen: Mijn God!” (Hosea 2:22 STV)

Ammi: Mijn volk.

Gods volk zijn is dus een relationele werkelijkheid, geen automatisch etiket.

Israël verwierp zijn Messias

De geschiedenis bereikt een dramatisch punt wanneer de Messias komt.

“Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Johannes 1:11 STV)

Israël als volk verwierp Christus.

Paulus beschrijft de huidige toestand zo:

“Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, opdat gij niet wijs zijt bij uzelven, dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.” (Romeinen 11:25 STV)

‘Israë’ bestaat nog steeds, maar leeft momenteel grotendeels in ongeloof tegenover zijn Messias.

Daarom kan je niet zomaar  zeggen dat de seculiere moderne staat Israël automatisch Gods volk is in geestelijke zin.

Wat bepaalt werkelijk wie Gods volk is?

De Bijbel maakt duidelijk dat Gods volk wordt bepaald door relatie met God.

Niet door afkomst.
Niet door nationaliteit.

Zelfs in het Oude Testament klonk dat al.

“Besnijdt dan de voorhuid uws harten.” (Deuteronomium 10:16 STV)

God kijkt niet alleen naar bloedlijn, maar naar het hart.

Paulus en “het Israël Gods”

De uitdrukking “het Israël Gods” komt uit de brief van Paulus aan de Galaten.

“En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.” (Galaten 6:16 STV)

Hier gebruikt Paulus de uitdrukking “het Israël Gods.”

Daarmee duidt hij de gemeenschap aan van hen die volgens deze regel wandelen:
namelijk dat men in Christus een nieuwe schepping is (Galaten 6:15).

Het laat zien dat Gods volk wordt bepaald door relatie met God in Christus, niet door etniciteit.

Zelfs Egypte zal “Mijn volk” genoemd worden

De profeten laten zien dat de aanduiding “Mijn volk” niet exclusief voor Israël blijft.

“Te dien dage zal Israël de derde zijn met Egypte en met Assyrië, een zegen in het midden van het land;
Welke de HEERE der heirscharen zegenen zal, zeggende: Gezegend zij Mijn volk de Egyptenaars, en Assur het werk Mijner handen, en Israël Mijn erfdeel.” (Jesaja 19:24-25 STV)

Hier wordt Egypte genoemd:

“Mijn volk.”

Dat laat zien dat deze uitdrukking een relationele aanduiding is.

Twee misverstanden

In het gesprek over Israël ontstaan meestal twee uitersten.

Het eerste uiterste is vervangingsleer, waarin Israël geen rol meer zou spelen in Gods plan.

Maar Paulus zegt duidelijk:

“Zo zeg ik dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre!” (Romeinen 11:1 STV)

Israël heeft nog een toekomst.

Het tweede uiterste is onvoorwaardelijk christenzionisme, waarin de moderne staat Israël automatisch Gods volk wordt genoemd.

Ook dat leert de Schrift nergens.

Israël zal weer “Ammi” worden

De Bijbel laat zien dat Israël uiteindelijk tot bekering zal komen.

“En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.” (Romeinen 11:26 STV)

Dan zal Israël opnieuw Ammi — Mijn volk genoemd worden.

De moderne staat Israël is niet automatisch Gods volk.

De Schrift leert iets diepers.

De uitdrukking “Gods volk” wordt bepaald door verbond en geloof.

Vandaag vormt God een volk uit Joden en heidenen in het lichaam van Christus; de gemeente, die Paulus aanduidt als “het Israël Gods.”

En in de toekomst zal ook Israël als volk zijn Messias erkennen.

Dan zal het woord dat ooit klonk:

Lo-Ammi — niet Mijn volk

definitief veranderen in:

Ammi — Mijn volk.

Dat is géén vervanging.
Dat is de Bijbelse definitie van Gods volk.

lees ook:

Israël onze “oudste broer”…..dat is de vraag

Israël in de Bijbel is niet hetzelfde als de moderne Joodse staat

Christenen voor Israël? Pas op met DIT…

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

Geverifieerd door MonsterInsights