Wet en Genade sluiten elkaar uit

Waarom de Wet niemand kan zaligmaken

Wie Wet en Genade probeert te vermengen, denkt meestal dat hij het Evangelie verrijkt. Paulus zegt precies het tegenovergestelde: wie menselijke werken toevoegt aan Gods Genade, tast daarmee de kern van het Evangelie aan.

Veel christenen zeggen dat zij uit genade leven. Toch wordt die genade in de praktijk vaak omringd door voorwaarden. Je moet genoeg gehoorzamen, genoeg geloven, genoeg geven, genoeg vasten, genoeg toewijding tonen of een bepaald geestelijk niveau bereiken. Christus heeft weliswaar veel gedaan, maar kennelijk moet de mens het laatste deel zelf aanvullen.

Dat klinkt godsdienstig. Het is alleen niet het Evangelie der Genade Gods.

De Schrift leert niet dat Wet en Genade elkaar aanvullen. Als grond van rechtvaardiging en aanvaarding bij God sluiten zij elkaar uit.

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Waarom de wet niemand kan zaligmaken

Wie wet en genade probeert te vermengen, denkt meestal dat hij het evangelie verrijkt. Paulus zegt precies het tegenovergestelde: wie menselijke werken toevoegt aan Gods genade, tast daarmee de kern van het evangelie aan.

Veel christenen zeggen dat zij uit genade leven. Toch wordt die genade in de praktijk vaak omringd door allerlei voorwaarden. Je moet genoeg gehoorzamen, genoeg geloven, genoeg geven, genoeg vasten, genoeg toewijding tonen of een bepaald geestelijk niveau bereiken. Christus heeft weliswaar veel gedaan, maar kennelijk moet de mens dan toch het laatste deel zelf aanvullen.

Dat klinkt godsdienstig. Het is echter niet het Evangelie der Genade Gods.

De Schrift leert niet dat wet en genade elkaar aanvullen. Sterker gezegd: Als beginsel van rechtvaardiging en aanvaarding bij God sluiten zij elkaar uit.

 

De Wet is heilig, rechtvaardig en goed

Een scherp onderscheid tussen wet en genade betekent niet dat de wet slecht zou zijn. Paulus spreekt juist met groot respect over Gods wet:

“Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” (Romeinen 7:12, STV)

De wet is goed omdat zij van God afkomstig is. Zij openbaart Zijn heiligheid, rechtvaardigheid en volmaakte maatstaf. Het probleem zit daarom niet in de wet, maar in de zondige mens.

De wet vraagt niets verkeerds. Zij vraagt juist wat rechtvaardig, rein en goed is. Maar de gevallen mens is niet in staat om aan die heilige eis te voldoen.

Daarom schrijft Paulus:

“Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” (Romeinen 7:14, STV)

De wet is geestelijk. De mens is vleselijk. Daar ligt het probleem.

De Wet openbaart de zonde

De wet is geen redder, maar een aanklager. toont de mens wat zonde is en stelt hem schuldig voor God.

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” (Romeinen 3:20, STV)

Door de wet leert de mens niet hoe goed hij is, maar hoe schuldig hij staat. Ontmaskert zijn woorden, daden, gedachten en begeerten.

De wet werkt als een spiegel. Een spiegel kan vuil zichtbaar maken, maar kan het vuil niet verwijderen. Zo kan de wet de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet reinigen.

De wet stelt de diagnose, maar biedt geen genezing.

Openbaart de schuld, maar schenkt geen vergeving.

Wijst de overtreding aan, maar geeft geen nieuw leven.

De Wet kan niemand zaligmaken

De wet is goed, maar zij kan geen zondaar zaligmaken. Dat is geen tekortkoming van de wet. De wet is eenvoudigweg nooit gegeven als middel waardoor de mens zichzelf kon redden.

Paulus schrijft:

“Want indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.” (Galaten 3:21, STV)

Als een wet werkelijk leven had kunnen geven, zou Christus niet hebben hoeven sterven. Dan had God slechts een betere uitleg, strengere naleving of een aangepaste wet hoeven geven.

Maar God gaf geen verbeterde wet.

God gaf Zijn Zoon.

Het kruis van de Here Jezus Christus bewijst dat de mens niet door wetsonderhouding kon worden gerechtvaardigd. Als rechtvaardigheid door de wet mogelijk was geweest, zou het sterven van Christus overbodig zijn geweest.

Paulus zegt dat zonder omwegen:

“Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” (Galaten 2:21, STV)

Dat is vernietigend voor elke leer waarin menselijke prestaties alsnog een plaats krijgen als grond voor Gods aanvaarding.

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Romeinen 11:6 bevat een van de duidelijkste uitspraken over wet en genade:

“En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.” (STV)

Paulus laat geen ruimte voor een tussenweg.

Óf de rechtvaardiging is uit genade.

Óf zij is uit werken.

Óf Christus heeft alles volbracht.

Óf de mens moet zelf nog iets toevoegen.

Beide tegelijk is onmogelijk.

Genade is niet Gods hulp bij onze eigen poging om zalig te worden. Genade betekent dat God schenkt wat de mens niet kon verdienen, bereiken of tot stand brengen.

Zodra menselijke prestatie een voorwaarde wordt voor rechtvaardiging, houdt genade op genade te zijn.

 

De Wet eist, de Genade schenkt

Het verschil tussen wet en genade kan eenvoudig worden samengevat.

De wet eist.

De genade schenkt.

De wet zegt wat de mens moet doen.

De genade maakt bekend wat Christus heeft gedaan.

De wet zegt: gehoorzaam en leef.

De genade zegt: Christus heeft volbracht; geloof en leef.

De wet stelt de mens verantwoordelijk.

De genade openbaart Gods voorziening.

De wet brengt kennis van zonde.

De genade brengt vergeving, rechtvaardiging en leven.

Johannes beschrijft dit onderscheid als volgt:

“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.” (Johannes 1:17, STV)

Mozes bracht de wet. De Here Jezus Christus bracht niet slechts een mildere vorm van die wet, maar genade en waarheid.

 

Waarom Paulus zo scherp schrijft aan de Galaten

De Galatenbrief is een van de scherpste brieven van Paulus. Dat komt doordat het Evangelie der genade Gods op het spel stond.

De Galaten hadden Christus niet volledig verworpen. Zij hadden het evangelie niet vervangen door openlijk heidendom. Zij voegden slechts iets toe aan het geloof in Christus.

Juist daarin zat het gevaar.

Er kwamen mensen die leerden dat geloof in Christus niet genoeg was. Besnijdenis en wetsonderhouding moesten eraan worden toegevoegd. Dat leek misschien een kleine aanvulling, maar Paulus noemt het een ander evangelie.

“Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van Dengene, Die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie; daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren.” (Galaten 1:6-7, STV)

Het evangelie wordt niet alleen verdraaid wanneer Christus openlijk wordt ontkend. Het wordt ook verdraaid wanneer Zijn volbrachte werk onvoldoende wordt geacht.

Daarom zegt Paulus:

“Christus is u ijdel geworden, zovelen als gij door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.” (Galaten 5:4, STV)

Wie rechtvaardiging zoekt in de wet, verlaat het beginsel van de genade. Hij maakt Christus niet letterlijk tot niets, maar behandelt Zijn werk wel alsof het niet voldoende is.

Begonnen met de Geest, eindigen met het vlees

Paulus stelt de Galaten een indringende vraag:

“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” (Galaten 3:3, STV)

Zij waren door geloof begonnen, maar wilden vervolgens door menselijke inspanning geestelijk worden voltooid.

Dat gevaar bestaat nog steeds.

Veel prediking leert dat een mens door genade wordt behouden, maar vervolgens onder een systeem van geestelijke prestaties komt te staan. Zijn zekerheid, vrede en positie lijken afhankelijk te worden van zijn gedrag, inzet, ervaringen en resultaten.

Dan ontstaat een evangelie waarin Christus de deur opent, maar de gelovige zichzelf verder naar binnen moet werken.

Paulus wijst dat radicaal af.

Wat uit genade is begonnen, wordt ook door genade voortgezet.

 

Een oude dwaling in een modern jasje

Wetticisme verschijnt niet altijd in ouderwetse kleding. Het kan zich ook modern, enthousiast en geestelijk presenteren.

Men zegt bijvoorbeeld:

Je ontvangt pas een doorbraak als je genoeg gelooft.

God kan pas handelen als jij de juiste woorden spreekt.

Je ontvangt meer zalving wanneer je meer offert.

Je moet eerst geestelijk hogerop komen.

Je moet eerst vergeven.

Je moet een bepaalde ervaring hebben om echt vervuld te zijn.

Je moet genoeg vasten, bidden, geven of jezelf uitstrekken.

Zulke uitspraken kunnen vroom klinken, maar ze verplaatsen het zwaartepunt van Christus naar de mens.

Niet langer staat centraal wat Christus heeft volbracht, maar wat de gelovige nog moet presteren.

De mens gaat dan opnieuw leven onder voorwaarden. Gods gunst lijkt zo afhankelijk te worden van zijn geestelijke inzet.

Dat is wet in een nieuw jasje.

Het gebruikt dan niet de woorden van Mozes, maar het werkt wel volgens hetzelfde beginsel: doe iets, bereik iets, bewijs iets, en dan zal God u zegenen.

 

Genade is géén beloning voor geestelijke prestaties

Genade is per definitie onverdiend.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:8-9, STV)

De mens wordt niet zalig omdat hij genoeg geloofskracht heeft ontwikkeld. Zelfs de zaligheid wordt voorgesteld als Gods gave.

Er blijft daarom geen ruimte over voor menselijke roem.

Niet in onze gehoorzaamheid.

Niet in onze toewijding.

Niet in onze inzet.

Niet in onze geestelijke ervaringen.

Niet in onze kennis.

Niet in onze bediening.

Niet in onze vermeende zalving.

Alle roem behoort aan God en aan de Here Jezus Christus.

 

Niet onder de Wet, maar onder de Genade

Paulus schrijft aan gelovigen:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Dit vers wordt soms afgezwakt alsof Paulus slechts bedoelt dat gelovigen niet meer door ceremoniële regels worden beheerst. Maar zijn uitspraak is veel fundamenteler.

De gelovige staat niet meer onder het beginsel van de wet als grond van zijn verhouding tot God. Hij staat onder genade.

Zijn positie wordt niet bepaald door zijn prestaties, maar door zijn positie in Christus.

Zijn aanvaarding rust niet op zijn trouw, maar op Christus’ volbrachte werk.

Zijn vrede met God rust niet op zijn wisselende geestelijke toestand, maar op rechtvaardiging uit geloof.

“Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.” (Romeinen 5:1, STV)

 

Genade maakt niet wetteloos

Zodra wordt geleerd dat de gelovige niet onder de wet maar onder de genade staat, klinkt vaak het verwijt dat dit tot losbandigheid zou leiden.

Paulus kende dat bezwaar ook:

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” (Romeinen 6:15, STV)

Genade geeft geen vrijbrief om te zondigen. Genade leert de gelovige juist om godzalig te leven.

“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.” (Titus 2:11-12, STV)

Let op wat hier staat.

Niet de Wet onderwijst de gelovige in zijn nieuwe positie, maar de Genade.

Genade is niet slap, goedkoop of vrijblijvend. Zij redt de zondaar en vernieuwt en vormt vervolgens zijn leven.

Maar zniet door hem opnieuw onder veroordeling te plaatsen. Zij richt zijn oog op Christus en werkt vanuit dankbaarheid, nieuw leven en de werking van Gods Geest.

 

De Wet kan gedrag begrenzen, maar geen leven geven

De wet kan zeggen: gij zult niet begeren.

Maar zij kan de begeerte niet uit het hart verwijderen.

De wet kan moord veroordelen.

Maar zij kan geen liefde voortbrengen.

De wet kan leugen verbieden.

Maar zij kan geen nieuw hart scheppen dat waarheid liefheeft.

De wet kan afgoderij aanwijzen.

Maar zij kan de mens niet in een levende verhouding met God brengen.

Daarom is genade geen zachtere wet. Zij is Gods oplossing voor een probleem dat de wet wel kon openbaren, maar niet kon oplossen.

Wat de wet niet kon doen, heeft God gedaan door Zijn Zoon te zenden.

“Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.” (Romeinen 8:3, STV)

De wet was niet krachteloos in zichzelf. Zij was krachteloos door het vlees. De zondige mens kon haar niet volbrengen.

 

Waarom de vermenging van Wet en Genade zo gevaarlijk is

De vermenging van wet en genade is geen onschuldige leerstellige vergissing want:

  • tast de genoegzaamheid van Christus aan.
  • berooft gelovigen van zekerheid.
  • kweekt hoogmoed bij wie denkt goed te presteren.
  • veroorzaakt wanhoop bij wie voortdurend tekortschiet.
  • maakt geestelijke leiders tot controleurs van Gods gunst.
  • brengt gelovigen opnieuw onder angst en veroordeling.
  • maakt het kruis tot het begin van de redding, terwijl de mens geacht wordt het werk af te maken.

 

Maar Christus riep aan het kruis niet: Ik heb een goede basis gelegd, nu is het aan u.

Hij heeft het werk volbracht.

 

Alleen Christus kan zaligmaken

De wet kan niemand zaligmaken.

Mozes kan niemand zaligmaken.

Religieuze regels kunnen niemand zaligmaken.

Geestelijke ervaringen kunnen niemand zaligmaken.

Kerkelijke tradities kunnen niemand zaligmaken.

Menselijke toewijding kan niemand zaligmaken.

Alleen de Here Jezus Christus kan zaligmaken.

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4:12, STV)

Dat is de heerlijkheid van het Evangelie der genade Gods.

De zondaar wordt niet opgeroepen zichzelf te verbeteren totdat hij aanvaardbaar is. Hij wordt geroepen te geloven in Hem Die goddelozen rechtvaardigt.

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” (Romeinen 4:5, STV)

 

De beslissende vraag

De beslissende vraag is daarom niet hoeveel de mens heeft gedaan.

De vraag is of Christus’ werk voldoende is.

Is Zijn offer volledig?

Is Zijn bloed genoegzaam?

Is Zijn opstanding de grond van onze rechtvaardiging?

Is Zijn genade werkelijk Genade?

Wanneer het antwoord ja is, kan er niets aan worden toegevoegd.

Wie iets toevoegt aan het volbrachte werk van Christus, maakt dat werk niet sterker. Hij verklaart het daarmee juist onvoldoende.

Samengevat

De wet is heilig, rechtvaardig en goed. Zij openbaart Gods maatstaf en stelt de zondaar schuldig.

Maar de wet kan geen leven geven.

De wet kan niet rechtvaardigen.

De wet kan niet reinigen.

De wet kan niemand zaligmaken.

Daarom gaf God Zijn Zoon.

Wet en Genade sluiten elkaar uit als grond voor rechtvaardiging. De mens wordt niet gedeeltelijk door Christus en gedeeltelijk door eigen werken gered. Hij wordt volledig uit Genade gerechtvaardigd, door het geloof, op grond van het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Het grootste gevaar voor het Evangelie is daarom niet alleen openlijk ongeloof. Het is ook de vrome poging om aan Christus iets toe te voegen.

Paulus laat geen middenweg toe.

Óf de rechtvaardiging is uit werken.

Óf zij is uit genade.

Óf de mens roemt in zichzelf.

Óf hij roemt uitsluitend in het kruis.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” (Galaten 6:14, STV)

De wet is goed.

Maar alleen de genade van God in de Here Jezus Christus kan een verloren zondaar zaligmaken.

“Want het einde (einddoel) der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft” (Romeinen 10:4, STV)

 

Dus niet:

Dit alles samengevat in een video

YouTube player

zie ook:

wet en genade – Bijbelse basis

(extern)

wet en genade » Bijbels Panorama

 

Hebreeën 12: niet terug naar Sinaï, maar zien op Jezus

Hebreeën 12: geen vriendelijk stukje geestelijke coaching

Hebreeën 12 is geen vriendelijk stukje geestelijke coaching voor mensen die wat meer motivatie nodig hebben. Het is een ernstige en indringende waarschuwing aan gelovigen die dreigen te verflauwen, terug te vallen en hun hemelse roeping in te ruilen voor zichtbare religie.

De Hebreeën stonden onder druk. Zij hadden tegenstand en lijden ervaren. Daardoor werden zij verleid om terug te keren naar het oude, tastbare godsdienstige bestel. Terug naar de zekerheid van regels, rituelen, priesters, offers en zichtbare heiligdommen. Terug naar datgene wat vertrouwd, aards en menselijk controleerbaar was.

Maar Hebreeën 12 roept niet op om een comfortabeler geloof te zoeken. Het hoofdstuk wijst de gelovige weg van zichzelf, van menselijke godsdienst en van zichtbare zekerheden:

“Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is; ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:1-2, STV)

Dat is de kern van Hebreeën 12. Niet zien op onszelf. Niet zien op religieuze leiders. Niet zien op omstandigheden. Niet zien op onze geestelijke prestaties.

Zie(n) op Jezus.

 

De wolk der getuigen wijst ons op Gods trouw

Hebreeën 12 is het directe vervolg op Hebreeën 11. Daar worden Abel, Henoch, Noach, Abraham, Mozes en vele anderen genoemd. Zij vormen de grote wolk der getuigen.

Dat betekent niet in de eerste plaats dat zij vanuit de hemel als toeschouwers naar onze levens kijken. Zij zijn getuigen doordat hun levens getuigen van Gods trouw.

Zij hebben geloofd zonder alles tijdens hun aardse leven te ontvangen. Zij hebben vertrouwd zonder de volledige vervulling van Gods beloften te zien. Hun levens verklaren dat God betrouwbaar is, ook wanneer de omstandigheden het tegendeel lijken te zeggen.

Daarom volgt de oproep:

“Laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt.” (Hebreeën 12:1, STV)

Niet iedere last is op zichzelf zondig. Sommige dingen zijn misschien geoorloofd, maar belemmeren ons wel. Zij nemen onze aandacht gevangen, voeden onze bezorgdheid of binden ons aan aardse zekerheid.

Daarnaast is er de zonde die ons gemakkelijk omringt. Zij fluistert dat volhouden geen zin heeft. Dat Gods beloften te lang op zich laten wachten. Dat wij beter kunnen leven bij wat wij zien, voelen en onmiddellijk kunnen grijpen.

Het geloof zegt echter niet dat de omstandigheden onwerkelijk zijn. Het geloof ziet door de omstandigheden heen op Hem Die getrouw is.

 

Het christenleven leven draait niet om onze prestaties

De loopbaan van het geloof is geen geestelijke wedstrijd waarin wij zouden moeten bewijzen dat wij sterker, heiliger of meer toegewijd zouden zijn dan anderen.

De Schrift zegt:

“Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:2, STV)

Hij is de Leidsman omdat Hij de weg geopend heeft. Hij is de Voleinder omdat Hij het geloof tot zijn bestemming brengt.

Veel hedendaagse prediking legt de last juist opnieuw op de gelovige. Jij moet doorbreken. Jij moet je bestemming grijpen. Jij moet het Koninkrijk zichtbaar maken. Jij moet een hoger geestelijk niveau bereiken. Jij moet meer geloof produceren. Jij moet jezelf onder het juiste leiderschap plaatsen.

Hebreeën 12 zegt niet: zie hoe ver u inmiddels gekomen bent.

Het zegt: zie op Jezus.

De vraag is niet hoeveel geestelijke kracht wij kunnen opbrengen. De vraag is of ons oog gericht blijft op Hem Die het kruis heeft verdragen, de schande heeft veracht en nu gezeten is aan de rechterhand van God.

Wanneer Christus slechts als beginpunt van het geloof wordt voorgesteld en daarna plaats moet maken voor onze prestaties, is het Evangelie al snel ingeruild voor religieuze zelfwerkzaamheid.

Christus is niet alleen Degene door Wie wij begonnen zijn. Hij is ook de Voleinder.

 

Christus verdroeg het kruis en verachtte de schande

De Heere Jezus zag door het lijden heen op de vreugde die Hem was voorgesteld:

“Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods.” (Hebreeën 12:2, STV)

Het kruis was geen overwinning omdat het lijden slechts schijn zou zijn geweest. Christus heeft werkelijk geleden. Hij heeft het kruis verdragen. Hij heeft de schande niet ontkend, maar veracht.

De schande kreeg niet het laatste woord. Het lijden was werkelijk, maar de heerlijkheid die volgde was groter.

Daarom staat er:

“Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.” (Hebreeën 12:3, STV)

Wie alleen op zichzelf ziet, zal uiteindelijk verflauwen. Wie voortdurend zijn eigen geloof meet, zijn eigen geestelijke toestand beoordeelt en zijn eigen tekortkomingen onderzoekt zonder op Christus te zien, zal bezwijken in zijn ziel.

Zelfonderzoek heeft zijn plaats, maar het is geen redder. Onze zekerheid ligt niet in de vaststelling dat wij voldoende geloof, voldoende vrucht of voldoende geestelijke groei kunnen aantonen.

Onze zekerheid ligt in Christus.

De oplossing voor geestelijke moedeloosheid is daarom niet eindeloos in onszelf graven. De oplossing is Christus aanmerken. Overdenken wat Hij heeft verdragen. Zien waar Hij nu is: niet meer aan het kruis, maar aan de rechterhand van God.

 

Kastijding is géén betaling voor onze zonden

Hebreeën 12 spreekt vervolgens over kastijding. Dat woord is vaak hard en onbarmhartig gebruikt.

Sommige predikers wekken de indruk dat iedere ziekte, tegenslag of moeilijkheid een rechtstreekse straf van God is voor een bepaalde verborgen zonde. Daarmee worden gewonde gelovigen nog verder verwond.

Hebreeën 12 leert niet dat wij bij ieder lijden onmiddellijk moeten zoeken naar een concrete overtreding waarvoor God ons zou straffen. De zonden van de gelovige zijn geoordeeld in het offer van Christus.

God rekent niet alsnog met de gelovige af alsof het bloed van Christus onvoldoende was.

Kastijding betekent in Hebreeën 12 vooral vaderlijke opvoeding, vorming en correctie:

“Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt.” (Hebreeën 12:6, STV)

God kastijdt ons niet om ons tot zonen te maken. Hij behandelt ons zo omdat Hij ons als zonen heeft aangenomen.

Dat onderscheid is van levensbelang.

De gelovige ontvangt zijn positie niet als beloning voor een goede wandel. Zijn wandel wordt gevormd omdat hij in Christus een positie ontvangen heeft.

Gods opvoeding is dus geen teken dat Hij ons heeft verstoten. Zij bewijst juist dat Hij ons niet aan onszelf overlaat. Hij behandelt ons niet als vreemdelingen, maar als kinderen.

 

De positie van de gelovige staat vast in Christus

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de positie van de gelovige en zijn praktische toestand.

De positie van de gelovige is volmaakt omdat zij rust op het volbrachte werk van Christus. De praktische wandel is nog onvolmaakt en heeft vorming, correctie en groei nodig.

God geeft niet eerst een onzekere proefpositie om af te wachten of wij goed genoeg zullen presteren. Hij neemt de gelovige aan in Christus en vormt hem vervolgens in overeenstemming met die ontvangen positie.

De kastijding van God heeft daarom niet tot doel onze positie in Christus onzeker te maken. Zij heeft tot doel onze levenswandel in overeenstemming te brengen met wie wij in Christus geworden zijn.

Onze positie is niet het resultaat van een volmaakt karakter. Ons karakter behoort de vrucht te worden van de volmaakte positie die wij in Christus ontvangen hebben.

Dat maakt de opvoeding niet aangenaam:

“En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn.” (Hebreeën 12:11, STV)

De Schrift doet niet alsof lijden prettig is. Zij noemt droefheid gewoon droefheid.

Bijbels geloof is geen toneelstuk van voortdurende overwinning waarin verdriet, zwakheid, verwarring en teleurstelling niet mogen bestaan. Maar de droefheid hoeft niet het laatste woord te hebben:

“Doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn.” (Hebreeën 12:11, STV)

Niet ieder mens die lijdt, wordt automatisch geestelijk rijper. De vrucht ontstaat bij degenen die door de omstandigheden geoefend worden. Zij leren hun vertrouwen niet meer te stellen op zichzelf, hun gezondheid, hun positie of hun eigen plannen, maar op God.

 

Wat kreupel is, moet genezen worden

Na het onderwijs over kastijding volgt een herderlijke vermaning:

“Daarom, richt wederop de trage handen en de slappe knieën.” (Hebreeën 12:12, STV)

Dat is niet alleen een oproep om onszelf te herpakken. Het is ook een opdracht om naar elkaar om te zien.

De Gemeente behoort geen plaats te zijn waar vermoeide mensen nog een extra last op de schouders krijgen. Zij is geen bedrijf waarin alleen sterke, zichtbare, succesvolle en productieve mensen meetellen.

Waar Christus centraal staat, worden trage handen opgericht en slappe knieën versterkt.

Daarom staat er:

“En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.” (Hebreeën 12:13, STV)

Wat kreupel is, moet niet worden vertrapt. Het moet genezen worden.

Dit is een scherpe aanklacht tegen religieuze systemen waarin zwakheid wordt gezien als geestelijk falen. Tegen leiders die mensen onder druk zetten om meer te presteren, meer te geven, meer te dienen en meer geloof te tonen, terwijl hun innerlijk langzaam breekt.

Ook het misbruik van woorden als toewijding, gehoorzaamheid, gezag en onderwerping kan zwakke mensen verder beschadigen.

Christus is niet gekomen om het gekrookte riet te breken. Wie namens Hem optreedt, behoort dat evenmin te doen.

Herderlijke zorg bestaat niet uit het ontkennen van zwakheid. Zij bestaat uit het wijzen van de zwakke op Christus en het dragen van elkanders lasten.

 

Heiligmaking is geen zelfverbeteringsproject

Hebreeën 12 roept op om vrede en heiligmaking na te jagen:

“Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.” (Hebreeën 12:14, STV)

Deze tekst leert niet dat wij door voldoende heiligmaking alsnog onze behoudenis moeten verdienen. Heiligmaking is geen ladder waarlangs wij onszelf naar God opwerken.

Heiligmaking is afzondering tot God. Zij vloeit voort uit de genade die wij ontvangen hebben.

De gelovige wordt niet heilig door zijn eigen inspanning tot grond van zijn aanvaarding te maken. Hij is in Christus tot God gebracht en wordt vervolgens opgeroepen overeenkomstig die positie te wandelen.

Genade is daarom niet hetzelfde als vrijblijvendheid. Wie door God is vrijgemaakt, wordt niet vrijgemaakt om opnieuw voor zichzelf te leven.

Genade verlost ons niet alleen van de schuld van de zonde. Zij onderwijst ons ook om de goddeloosheid te verzaken.

 

Bitterheid verontreinigt meer dan één mens

Het hoofdstuk waarschuwt indringend voor de wortel van bitterheid:

“Toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden.” (Hebreeën 12:15, STV)

Bitterheid begint vaak verborgen. Zij groeit onder de oppervlakte. Zij kan gevoed worden door werkelijk onrecht, teleurstelling, vernedering, geestelijk misbruik en onverwerkte boosheid.

Die pijn mag niet worden ontkend. De Schrift roept ons nergens op om kwaad goed te noemen of misbruik te bedekken met een valse oproep tot vergeving.

Onrecht moet benoemd worden. Zonde moet in het licht komen. Geestelijke leiders zijn niet boven correctie verheven.

Maar de gelovige mag zijn hart niet aan bitterheid uitleveren.

Bitterheid blijft zelden beperkt tot degene die gekwetst werd. Zij spruit op, veroorzaakt beroering en verontreinigt velen. Zij verandert pijn in een bron waaruit steeds opnieuw wantrouwen, boosheid en verdeeldheid voortkomen.

De genade van God leert ons niet om onrecht te ontkennen. Zij leert ons om het uiteindelijke oordeel aan God over te laten en te voorkomen dat het kwaad dat ons is aangedaan, ook ons eigen hart gaat regeren.

 

Ezau koos het onmiddellijke boven de erfenis

Ezau wordt in Hebreeën 12 als waarschuwing genoemd:

“Gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” (Hebreeën 12:16, STV)

Ezau ruilde het blijvende in voor het onmiddellijke. Het eerstgeboorterecht had betrekking op erfenis, positie en toekomst. Maar op dat moment zag hij alleen zijn honger.

Dat is de verleiding die telkens terugkeert.

Wij kunnen geestelijke rijkdom inruilen voor onmiddellijke bevrediging. Waarheid voor acceptatie. De hemelse roeping voor aardse invloed. Christus voor religieuze ervaring. Bijbelse eenvoud voor indrukwekkende geestelijke systemen.

Ook kerken kunnen zich gedragen als Ezau.

Zij verkopen waarheid voor maatschappelijke relevantie. Zij ruilen genade in voor controle. Zij verruilen de hemelse roeping voor politieke of culturele macht.

Zij spreken over het Koninkrijk, maar bedoelen menselijke invloed.

Zij spreken over ‘apostolisch gezag’, maar bouwen een hiërarchie.

Zij spreken over eenheid, maar verdragen geen toetsing.

Zij spreken over zalving, maar dulden geen tegenspraak.

Zij spreken over geestelijke vaders, maar maken volwassen gelovigen afhankelijk van menselijke leiders.

Hebreeën 12 waarschuwt: geef de erfenis niet prijs voor één maaltijd.

 

Niet gekomen tot Sinaï

Het hoogtepunt van Hebreeën 12 ligt in de tegenstelling tussen Sinaï en Sion:

“Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder.” (Hebreeën 12:18, STV)

Sinaï spreekt van wet, afstand, vrees en oordeel. De berg kon worden aangeraakt, maar mocht niet worden aangeraakt. Het volk stond op afstand. Zelfs Mozes was bevreesd en bevende.

De wet brengt de mens niet vrijmoedig bij God. Zij openbaart juist hoe onmogelijk het is voor de zondaar om op grond van eigen gerechtigheid voor God te bestaan.

Toch keren veel christenen in de praktijk terug naar Sinaï. Niet door letterlijk naar die berg te reizen, maar door opnieuw een godsdienstig systeem van voorwaarden te bouwen.

God zal u zegenen wanneer u genoeg doet.

God zal u aannemen wanneer uw toewijding groot genoeg is.

God zal u genezen wanneer uw geloof sterk genoeg is.

God zal u gebruiken wanneer u zich aan de juiste leider onderwerpt.

God zal u bevrijden wanneer u de juiste geestelijke techniek toepast.

Dat is geen Evangelie van genade. Dat is Sinaï, gecamoufleerd met christelijke terminologie.

Wetticisme bestaat niet alleen uit het opleggen van oudtestamentische voorschriften. Het ontstaat overal waar de zekerheid, aanvaarding en zegen van de gelovige opnieuw afhankelijk worden gemaakt van menselijke prestaties.

 

Gij zijt gekomen tot Sion

Tegenover Sinaï staat Sion:

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem.” (Hebreeën 12:22, STV)

Niet: gij zult misschien ooit komen wanneer u voldoende volhardt.

Er staat: gij zijt gekomen.

Dit beschrijft de positie van de gelovige in Christus. Hij behoort niet langer bij het aardse systeem van afstand en veroordeling, maar bij het hemelse Jeruzalem.

Hij is gekomen:

“Tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn.” (Hebreeën 12:23, STV)

De Gemeente heeft een hemelse positie, een hemelse roeping en een hemelse erfenis. Zij is geen organisatie die geroepen is om de wereld over te nemen. Zij is het lichaam van Christus, verbonden met haar hemelse Hoofd.

Dit ontneemt de gelovige niet zijn verantwoordelijkheid op aarde. Het bepaalt juist hoe hij hier behoort te leven: als vreemdeling, getuige en dienaar.

Niet als machthebber die door menselijke strategie het Koninkrijk moet oprichten.

De Gemeente is niet geroepen om Sinaï te herstellen, de wereld te beheersen of een religieus machtsblok te bouwen. Zij is geroepen om Christus te verkondigen, de waarheid vast te houden en te wandelen in overeenstemming met haar hemelse roeping.

 

Het bloed van Christus spreekt betere dingen

De gelovige is gekomen:

“Tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.” (Hebreeën 12:24, STV)

Het bloed van Abel riep om recht en vergelding. Het bloed van Christus spreekt van verzoening, reiniging en rechtvaardiging.

Abels bloed getuigde tegen de schuldige. Het bloed van Christus getuigt vóór degene die gelooft.

Daarom is iedere leer die de zekerheid van de gelovige opnieuw afhankelijk maakt van menselijke prestaties een aantasting van de betekenis van het bloed van Christus.

Iedere geestelijke leider die mensen door angst, dreiging en manipulatie aan zich bindt, voert hen in de praktijk terug naar Sinaï.

Iedere prediking die meer spreekt over onze offers dan over Zijn Offer, is uit evenwicht.

Iedere leer die beweert dat wij nog een aanvullende zalving, bemiddeling, impartatie of geestelijke bedekking nodig hebben om werkelijk aanvaard en bruikbaar te zijn, doet tekort aan de volheid die de gelovige in Christus ontvangen heeft.

Het bloed van Christus spreekt betere dingen.

De vraag is : luisteren wij ook?

 

Verwerp Hem Die spreekt niet

Genade is geen vrijblijvendheid. Juist omdat God vanuit de hemel spreekt door Zijn Zoon, is de verantwoordelijkheid groot:

“Ziet toe dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt.” (Hebreeën 12:25, STV)

De Hebreeën dreigden Christus niet noodzakelijk openlijk te vervloeken. Zij dreigden terug te keren naar een godsdienst waarin Hij in de praktijk niet langer voldoende was.

Dat gevaar bestaat nog steeds.

Christus wordt zelden openlijk uit de kerk verwijderd. Veel vaker wordt Hij bedolven onder programma’s, methoden, visies, leiderschapsmodellen, ervaringen en menselijk bedachte terminologie.

Zijn Naam wordt nog genoemd, maar Zijn volbrachte werk is niet langer genoeg.

Er moet een nieuwe zalving bij.

Een nieuwe doorbraak.

Een apostolische orde.

Een profetisch woord.

Een geestelijke vader.

Een strategie om het Koninkrijk zichtbaar te maken.

Hebreeën 12 snijdt door deze religieuze rook heen.

Wij hebben geen nieuwe middelaar nodig.

Wij zijn gekomen tot Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond.

 

Wij bouwen het Koninkrijk niet, wij ontvangen het

Hebreeën 12 eindigt met het onbeweeglijke Koninkrijk:

“Daarom, alzo wij een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebreeën 12:28, STV)

Let op het woord ontvangen.

Wij bouwen het Koninkrijk niet. Wij vestigen het niet door menselijke invloed. Wij maken het niet zichtbaar door politieke macht, culturele dominantie of apostolische strategieën.

Wij ontvangen het.

Het Koninkrijk is onbeweeglijk omdat het niet rust op kerkelijke organisaties, maatschappelijke bewegingen of geestelijke beroemdheden. Het rust op Christus.

Hij is opgewekt. Hij is verhoogd. Hij is gezeten aan de rechterhand van God. Zijn Koninkrijk zal op Gods tijd volledig openbaar worden.

Wie beweert dat de Gemeente het Koninkrijk op aarde moet realiseren, legt een opdracht op die Hebreeën 12 niet geeft.

Het hoofdstuk zegt niet: bouw het Koninkrijk.

Het zegt: ontvang het Koninkrijk, houd de genade vast en dien God.

Niet triomfantelijk alsof wij de wereld al moeten beheersen.

Niet zelfverzekerd alsof het succes van Gods plan van onze strategie afhankelijk is.

Maar:

“Met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebreeën 12:28, STV)

 

Onze God is een verterend vuur

De slotwoorden van Hebreeën 12 zijn zeer serieus:

“Want onze God is een verterend vuur.” (Hebreeën 12:29, STV)

De God van Sion is niet minder heilig dan de God van Sinaï.

Genade betekent niet dat God de zonde onbelangrijk vindt. Genade betekent dat het oordeel over de zonde volledig gedragen is door Christus.

Daarom is oppervlakkigheid misplaatst. Daarom kunnen wij niet met de waarheid spelen. Daarom mogen wij de genade niet veranderen in een vrijbrief voor zonde, hoogmoed of religieuze zelfverheffing.

Dezelfde God Die ons in Christus nabijgebracht heeft, is een verterend vuur.

Dat moet de gelovige niet terugdrijven in slaafse angst. Het behoort hem te brengen tot eerbied, ootmoed en dankbaarheid.

Wie werkelijk begrijpt wat genade gekost heeft, gaat niet lichtvaardig met de zonde om.

 

Blijf zien op Jezus

Misschien zijn uw handen moe geworden. Misschien zijn uw knieën slap. Misschien hebt u geleden onder harde religie, manipulatief leiderschap of prediking die u voortdurend het gevoel gaf dat u tekortschiet.

Hebreeën 12 zegt niet dat u uzelf moet redden.

Het zegt: zie op Jezus.

Misschien voelt de weg zwaar. Misschien begrijpt u Gods handelen niet. Misschien lijkt de vreugde ver weg.

Zie op Jezus.

Hij heeft het kruis verdragen. Hij heeft de schande veracht. Hij is gezeten aan de rechterhand van God.

Keer niet terug naar Sinaï. Zoek geen zekerheid in religieuze systemen, menselijke leiders, geestelijke ervaringen of uw eigen prestaties.

U bent gekomen tot Sion. Tot het hemelse Jeruzalem. Tot de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Tot het bloed dat betere dingen spreekt.

Leg daarom de lasten af. Houd de genade vast. Richt de slappe knieën op. Maak rechte paden. Bewaar uw hart voor bitterheid.

En loop de loopbaan die u is voorgesteld:

“Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:2, STV)

Wat doet Christus vandaag

De levende Hogepriester Die Zijn gemeente reinigt

 

Wat doet Christus vandaag?

Die vraag is belangrijker dan veel christenen beseffen. Want het Evangelie eindigt niet bij het kruis. Christus is gestorven, ja. Maar wat meer is, Hij is ook opgewekt. Hij is verheerlijkt. Hij zit aan de rechterhand van God. Hij leeft. En omdat Hij leeft, werkt Hij vandaag aan Zijn gemeente.

Veel christenen weten goed te zeggen wat Christus heeft gedaan. Hij stierf voor onze zonden. Hij gaf Zijn bloed. Hij droeg het oordeel. Dat is het fundament.

Zonder dat fundament is er geen Evangelie.

Maar het kruis is niet het eindpunt.

Christus hangt niet meer aan het kruis. Hij ligt niet meer in het graf. Hij is de levende Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Hij bidt voor de Zijnen, reinigt Zijn gemeente door het Woord, heiligt haar en maakt gelovigen bekwaam om de levende God te dienen.

Dat is niet zomaar een bonus aanvulling op het Evangelie. Dat is de ademruimte van Genade.

het tegenwoordige werk van Christus
wat doet Christus vandaag?

Het kruis is het fundament, niet het eindpunt

Het kruis van Christus laat zien dat de oude mens voor God geen toekomst heeft. Het kruis is niet Gods poging om de oude mens wat op te knappen. Het kruis is Gods oordeel over de oude mens.

Paulus schrijft:

“Want de liefde van Christus dringt ons; als die dit oordelen, dat, indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn.” — 2 Korinthe 5:14 (STV)

Dat is helder. Als Eén voor allen gestorven is, dan zijn allen gestorven.

Daarmee wordt het christelijk leven geen verbeterproject van het vlees. Het is niet: probeer van je oude mens een vrome, religieuze en acceptabele versie te maken. Het is niet: poets jezelf op totdat God tevreden met je kan zijn.

Nee. De oude mens wordt niet geheiligd. De oude mens wordt afgelegd.

“Dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding.” — Efeze 4:22 (STV)

Daar gaat het vaak mis. Veel prediking draait om de mens. Wat wij moeten doen. Hoe wij ons leven moeten verbeteren. Hoe wij geestelijk sterker moeten worden. Hoe wij onze oude natuur onder controle moeten krijgen.

Maar de Bijbel zegt niet dat de oude mens verbeterd moet worden. De Bijbel zegt dat hij afgelegd moet worden.

Het evangelie is niet: God helpt u om uw oude leven wat netter te maken.
Het evangelie is: God heeft u in Christus nieuw leven gegeven.

 

Christus leeft om voor ons te bidden

Wat doet Christus vandaag?

De Hebreeënbrief geeft een helder antwoord:

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” — Hebreeën 7:25 (STV)

Let op dat ene woord: leeft.

Christus leeft om voor de Zijnen te bidden. Hij is niet passief. Hij is niet afwezig. Hij is niet slechts een Persoon uit het verleden over Wie wij herinneringen ophalen. Hij is de levende Heere in de hemel.

Hij is Hogepriester.
Hij vertegenwoordigt Zijn volk bij God.
Hij bidt voor hen.
Hij reinigt hen.
Hij bewaart hen.
Hij maakt hen bekwaam om God te dienen.

Zijn priesterschap rust niet op sterfelijkheid, maar op onvergankelijk leven:

“Die dit niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens.” — Hebreeën 7:16 (STV)

Dát geeft rust. Onze zaligheid hangt niet aan onze wisselende gevoelens, onze geestelijke prestaties of onze mate van zelfbeheersing.

Zij rust op Christus. En Hij leeft.

Christus als Hogepriester van het Nieuwe Verbond

Het tegenwoordige werk van Christus wordt vooral zichtbaar in Zijn priesterschap. Hij is de Hogepriester van het Nieuwe Verbond. Niet naar de ordening van Aäron, maar naar de ordening van Melchizedek. Niet op grond van een tijdelijk en sterfelijk priesterschap, maar naar de kracht van onvergankelijk leven.

Dat betekent dat Christus’ werk niet ophield bij Zijn sterven. Zijn dood was noodzakelijk. Zijn bloed is de grond. Maar Zijn opstanding, verhoging en voortdurende priesterlijke dienst horen wezenlijk bij het evangelie.

Romeinen 8 zegt het zo:

“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” — Romeinen 8:33-34 (STV)

“Ja, wat meer is.”

Daar zit veel in. Christus is gestorven. Maar wat meer is: Hij is ook opgewekt. Hij is aan Gods rechterhand. Hij bidt voor ons.

Wie alleen spreekt over het kruis, maar nauwelijks over de opgestane en verhoogde Christus, mist een wezenlijk deel van het christelijk leven. De gelovige leeft niet uit herinnering alleen. Hij leeft uit gemeenschap met de levende Christus.

 

Christus reinigt Zijn gemeente door het Woord

Een van de rijkste beschrijvingen van Christus’ huidige werk staat in Efeze 5:

“Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord.” — Efeze 5:25-26 (STV)

Hier staat niet dat de gemeente zichzelf reinigt om Christus waardig te worden. Hier staat dat Christus de gemeente reinigt.

Dat is een wereld van verschil.

Religie zegt: maak uzelf schoon, dan mag u komen.
Genade zegt: kom tot Christus, Hij reinigt.

Religie zegt: zorg dat u gereed bent.
Genade zegt: Christus maakt gereed.

Religie zegt: werk aan uzelf.
Genade zegt: stel u onder het Woord waardoor Christus Zijn werk doet.

Christus reinigt Zijn gemeente “door het Woord”. Niet door geestelijke druk. Niet door menselijke manipulatie. Niet door voortdurende beschuldiging. Niet door een religieuze zweep over het geweten.

Hij reinigt door Zijn Woord.

Daarom is het zo belangrijk waar wij naar luisteren, wat wij horen, welke prediking wij toelaten en waar onze aandacht naartoe gaat. Het Woord van God richt het hart op Christus. Mensgerichte prediking werpt de mens terug op zichzelf. En wie steeds naar zichzelf kijkt, vindt geen rust.

 

De voetwassing als beeld van Christus’ tegenwoordige werk

Johannes 13 geeft een indringend beeld. De discipelen zijn met de Heere aan tafel. Dan staat Hij op, legt Zijn klederen af, omgordt Zich met een linnen doek en begint hun voeten te wassen.

Petrus wil dat eerst niet. Maar de Heere zegt:

“Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij.” — Johannes 13:8 (STV)

Daarna wil Petrus helemaal gewassen worden. Dan antwoordt de Heere:

“Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein.” — Johannes 13:10 (STV)

Dat is een belangrijk onderscheid.

Wie van Christus is, is geheel rein. De gelovige staat in Christus voor God. Maar zolang hij door deze wereld wandelt, krijgt hij vuile voeten. Hij leeft nog in een wereld van zonde, leugen, verwarring, verzoeking en dood.

Daarom wast Christus de voeten.

Niet omdat het fundament telkens opnieuw gelegd moet worden. Niet omdat de gelovige steeds opnieuw van nul af aan moet beginnen. Maar omdat Christus Zijn Woord toepast op onze wandel, ons denken, ons hart en ons geweten.

Hij reinigt Zijn gemeente door het Woord.

 

Het geweten gereinigd om God te dienen

Christus is niet bezig om de buitenkant van de oude mens religieus op te poetsen. Hij reinigt dieper. Hij reinigt het geweten.

Hebreeën 9 zegt:

“Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levenden God te dienen?” — Hebreeën 9:14 (STV)

Dat is bevrijdend.

Veel gelovigen hoeven niet steeds opnieuw te horen dat zij tekortschieten. Dat weten zij al. Zij kennen hun zwakheid. Zij kennen hun falen. Zij weten hoe snel zij afdwalen, struikelen of innerlijk verward raken.

Maar de Bijbel werpt hen niet eindeloos terug op hun tekort. De Bijbel richt hen op Christus.

Het bloed van Christus reinigt het geweten van dode werken. Waarom? Niet zodat wij geestelijk in een hoekje blijven zitten met ons hoofd omlaag. Maar “om den levenden God te dienen”.

Een gereinigd geweten maakt vrijmoedig. Niet oppervlakkig. Niet wetteloos. Niet onverschillig. Maar vrijmoedig in Christus.

 

Niet zelfverbetering, maar leven uit Genade

Het christelijk leven is geen cursus zelfverbetering met een Bijbeltekst erboven.

Natuurlijk verandert Gods genade een mens. Natuurlijk leert de gelovige anders wandelen. Natuurlijk zijn goede werken belangrijk. Maar de volgorde is alles.

Titus 2 zegt:

“Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.” — Titus 2:14 (STV)

Christus reinigt Zichzelf een eigen volk. En dat volk wordt ijverig in goede werken.

Goede werken zijn dus niet de wortel van onze aanvaarding. Ze zijn de vrucht van Christus’ werk.

Onder wet werk je om aanvaard te worden.
Onder genade dien je omdat je aanvaard bent in Christus.

Onder wet kijk je steeds naar jezelf.
Onder genade zie je op Christus.

Onder wet blijft het geweten onrustig.
Onder genade wordt het geweten gereinigd om God te dienen.

Dat is geen goedkoop gemak. Leven uit genade is juist vernederend voor het vlees. Want genade zegt dat de mens zichzelf niet kan redden, niet kan reinigen en niet kan opwerken tot God.

De mens komt met lege handen. Niet als een geslaagde heilige. Niet als een opgepoetst geestelijk project. Niet als iemand die eindelijk alles onder controle heeft.

Hij komt tot Christus.

En Christus reinigt.

 

God verzamelt nu een volk voor Zijn Naam

Wat doet God in deze tegenwoordige tijd?

Het Nieuwe Testament geeft daar een duidelijke lijn in. God verzamelt een volk voor Zijn Naam.

In Handelingen 15 lezen we:

“Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.” — Handelingen 15:14 (STV)

Daarna wordt gesproken over het herstel van de vervallen hut van David. Die volgorde is belangrijk. Eerst verzamelt God een volk uit de heidenen. Daarna komt het herstel van Israël en het Davidische koningshuis.

Dat betekent dat Gods huidige werk niet in de eerste plaats bestaat uit wereldverbetering, politieke macht, cultureel herstel of het oprichten van een zichtbaar koninkrijk op aarde. Zijn huidige werk is gericht op de gemeente.

De gemeente is een hemels volk. Zij is verbonden met Christus in de hemel. Zij deelt in Zijn positie, Zijn leven, Zijn toekomst en Zijn erfenis.

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” — Efeze 2:6 (STV)

De gelovige leeft nog op aarde, maar zijn positie is in Christus.

Daarom is het zo schadelijk wanneer christenen hun roeping verwarren met wereldverbetering. Natuurlijk doen wij goed waar wij kunnen. Natuurlijk zorgen wij voor onze naaste. Natuurlijk dragen wij verantwoordelijkheid in het gewone leven.

Maar de gemeente is geen religieuze actiegroep voor het oplappen van deze tegenwoordige eeuw. Zij is een volk dat door Christus uit deze eeuw getrokken wordt.

 

Uit de tegenwoordige boze wereld getrokken

Galaten 1 zegt:

“Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader.” — Galaten 1:4 (STV)

Dat staat haaks op christelijk activisme.

Wij willen vaak juist iets bereiken ín deze wereld. Erkenning. Invloed. Positie. Herstel van christelijke normen. Een steviger christelijk geluid. Een cultuur die weer naar ons luistert.

Maar Christus heeft Zich gegeven om ons te trekken uit deze tegenwoordige boze wereld.

Dat betekent niet dat wij onverschillig worden. Het betekent dat wij nuchter worden. Deze wereld wordt niet uiteindelijk hersteld door menselijke inzet. God maakt een nieuwe schepping. En vandaag verzamelt Hij een volk dat bij Christus hoort.

 

Waarom mensgerichte prediking schromelijk tekortschiet

Veel prediking klinkt praktisch, maar is in wezen mensgericht. Ze draait om onze problemen, onze gevoelens, onze keuzes, onze relaties, onze groei, onze houding, onze prestaties en onze geestelijke temperatuur.

Natuurlijk raakt het Woord van God ons leven. Maar wanneer Christus uit het centrum verdwijnt, blijft er vooral religieuze psychologie over. Dan wordt de Bijbel een kapstok voor menselijke thema’s. Dan is de mens het onderwerp en Christus hooguit de helper.

Bijbelse prediking begint anders.

opent het Woord.
toont Christus.
verkondigt Zijn werk.
plaatst de gelovige in Hem.
bevrijdt het geweten door Genade.
roept op tot dienst vanuit rust, niet vanuit kramp.

Waar de mens centraal staat, groeit onrust.
Waar Christus centraal staat, komt geloofsadem.

 

Leven vanuit Christus’ tegenwoordige werk

De vraag is dus niet allereerst: hoe krijg ik mijn leven onder controle?

De betere vraag is: leef ik uit Christus’ tegenwoordige werk?

Stel ik mij onder Zijn Woord?
Laat ik Hem mijn geweten reinigen?
Rust ik in Zijn priesterschap?
Geloof ik dat Hij voor mij bidt?
Zie ik mijzelf in Christus, of blijf ik gevangen in mijzelf?

De gelovige hoeft niet te leven onder de voortdurende dreiging van beschuldiging. Romeinen 8 zegt immers dat God rechtvaardigt en Christus bidt.

Daarom mag de gelovige vrijmoedig leven. Niet omdat hij in zichzelf sterk is. Niet omdat zijn oude mens verbeterd is. Niet omdat hij nooit struikelt. Maar omdat Christus leeft.

 

De troost van de levende Christus

Wat doet Christus vandaag?

Hij leeft.
Hij bidt.
Hij reinigt.
Hij heiligt.
Hij verzamelt een volk voor Zijn Naam.
Hij maakt gelovigen bekwaam om dienaren te zijn van het Nieuwe Verbond.

Dat is de troost.

De gelovige leeft nog met lek en gebrek. Dat hoeft niet vroom weggepoetst te worden. Wij schieten tekort. Wij falen. Wij dragen de zwakheid van de oude mens nog mee.

Maar God ziet de gelovige in Christus. En Christus is niet klaar met Zijn werk.

Hij reinigt door het Woord.
Hij bewaart door Zijn kracht.
Hij bidt aan Gods rechterhand.
Hij maakt bekwaam om de levende God te dienen.

Daarom hoeft de gelovige niet gevangen te blijven in religieuze kramp. Hij hoeft niet eindeloos naar zichzelf te staren. Hij hoeft niet te leven onder de zweep van beschuldiging.

Hij mag zien op Christus.

Niet alleen op Christus aan het kruis, maar ook op Christus in de hemel. De levende Hogepriester. De Verheerlijkte. Degene Die Zijn gemeente liefheeft, haar reinigt door het Woord en haar eenmaal zonder vlek of rimpel voor Zich zal stellen.

Wat doet Christus vandaag?
Hij werkt aan Zijn gemeente.

Christus hangt niet meer aan het kruis en ligt niet meer in het graf. Hij leeft, bidt, reinigt en werkt vandaag aan Zijn gemeente.

En dat is precies waarom het christelijk leven geen leven onder angst is, maar een leven uit Genade.

Zie ook:

Wat doet Christus sinds Zijn opstanding? – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights