Het nieuwe verbond: van wet naar genade en vrijheid

Wat het nieuwe verbond betekent

Wat betekent het nieuwe verbond? Ontdek het verschil tussen wet en genade, Gods beloften aan Israël, Christus als Middelaar en de vrijheid waarin de gelovige vandaag mag leven.

Van wet naar genade en vrijheid in Jezus Christus

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is niet zomaar een detail uit het verleden. Het raakt aan de kern van de verhouding tussen God en de mens en aan de vraag hoe een gelovige vandaag hoort te leven.

Waar de religieuze mens vaak vastzit in een stelsel van regels, verplichtingen en menselijke verwachtingen, vinden we in het nieuwe verbond de heerlijke beloften van God, gegrond op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Niet de prestaties van de mens staan centraal, maar Gods genade. Niet de uiterlijke dwang van de wet, maar een innerlijke verandering van het hart. Niet de voortdurende angst tekort te schieten, maar de zekerheid van wat Christus heeft volbracht.

Maar wat betekent het nieuwe verbond werkelijk? Wat is het verschil met het oude verbond, voor wie is het bestemd en wat betekent dit alles voor de gelovige vandaag?

Het nieuwe verbond

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond

Van voorwaardelijke gehoorzaamheid naar Gods beloften

Om de draagwijdte van het nieuwe verbond te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de aard van het oude verbond.

Het oude verbond, dat God bij de Sinaï met het volk Israël sloot, was een voorwaardelijk verbond. Het werd gekenmerkt door het woord “indien”:

“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn.” (Exodus 19:5, STV)

Het volk antwoordde daarop vol overtuiging:

“Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen!” (Exodus 19:8, STV)

Daarmee nam Israël de verplichtingen van het verbond op zich. De zegeningen van het verbond waren verbonden aan gehoorzaamheid en op ongehoorzaamheid rustte de vloek.

Het probleem lag niet bij de wet zelf. Paulus schrijft immers dat de wet heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7:12). Het probleem lag bij de mens, die vanwege de zwakheid van het vlees niet in staat was aan Gods rechtvaardige eisen te voldoen.

De wet kon de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet rechtvaardigen. Zij maakte de overtreding openbaar, maar kon geen nieuw leven schenken.

Daarom spreekt Paulus over de bediening van de dood, die met letters in stenen was ingeschreven (2 Korinthe 3:7).

 

Het oude verbond stelde eisen aan de mens. Het nieuwe verbond stelt Gods eigen beloften en handelen op de voorgrond.

Dat verschil komt bijzonder duidelijk naar voren in Hebreeën 8:

“Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere.” (Hebreeën 8:8-9, STV)

Let op het verschil.

Onder het oude verbond klonk het:

“Indien gij zult gehoorzamen.”

Onder het nieuwe verbond klinkt telkens Gods eigen belofte:

“Ik zal.”

God neemt Zelf het initiatief. Het nieuwe verbond is niet gebouwd op de beloften die de mens aan God doet, maar op de beloften die God Zelf geeft.

De grondslag daarvan is het bloed van de Here Jezus Christus, Die door Zijn dood de verzoening heeft aangebracht en door Zijn opstanding eeuwig leeft.

 

Voor wie is het nieuwe verbond bestemd?

Hier moeten we goed lezen wat de Schrift zegt.

God spreekt in Jeremia 31:31 en Hebreeën 8:8 uitdrukkelijk over het sluiten van een nieuw verbond met het huis van Israël en het huis van Juda.

Dat kunnen we niet zomaar veranderen in “de Gemeente”.

Het nieuwe verbond hoort tot de beloften die God aan Israël heeft gedaan. Dat God deze beloften zal vervullen, staat vast, want Zijn trouw aan Israël is niet afhankelijk van de trouw van de mens.

Betekent dit dan dat de Gemeente van Jezus Christus geen deel heeft aan de zegeningen die met het nieuwe verbond verbonden zijn?

Nee!

De Here Jezus sprak bij de instelling van het avondmaal:

“Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.” (Lukas 22:20, STV)

En Paulus schrijft aan de Korinthiërs over de bediening van het nieuwe testament, niet van de letter, maar van de Geest (2 Korinthe 3:6).

Gelovigen uit de volken delen dus nu al in de geestelijke zegeningen die gegrond zijn op het bloed van Christus: vergeving van zonden, rechtvaardiging, vrede met God en het nieuwe leven door de Geest.

Maar dat betekent niet dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.

De Gemeente is het Lichaam van Christus, terwijl Gods verbondsbeloften aan Israël hun eigen betekenis en toekomstige vervulling behouden.

Delen in de zegeningen van het nieuwe verbond is niet hetzelfde als de plaats innemen van degenen aan wie God dat verbond heeft beloofd.

Dat onderscheid zien voorkomt dat de beloften van God aan Israël worden vergeestelijkt of aan een ander volk worden toegeschreven.

 

Gods wet geschreven in het hart

Een tweede groot verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is de plaats waar Gods wet wordt geschreven.

Onder het oude verbond was de wet op stenen tafelen geschreven. Zij kwam van buitenaf tot de mens en stelde eisen aan zijn handelen.

Maar het nieuwe verbond spreekt over een verandering van binnenuit:

“Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Hebreeën 8:10, STV)

De tegenstelling is indrukwekkend.

Niet langer uitsluitend een gebod dat van buitenaf wordt opgelegd, maar Gods onderwijs dat een plaats krijgt in het verstand en het hart.

Paulus gebruikt in 2 Korinthe 3:3 de uitdrukking “vlezen tafelen des harten”.

Het gaat hier niet om de gedachte dat de mens door eigen inspanning alsnog de wet moet leren volbrengen. Het gaat om Gods werk in de mens.

Voor de gelovige in Christus betekent dit dat hij niet langer zijn rechtvaardiging of aanvaarding bij God hoeft te zoeken door het onderhouden van de wet.

Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Zijn denken wordt vernieuwd door het Woord van God en zijn wandel wordt bepaald door de Geest.

Daarom schrijft Paulus:

“Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” (Galaten 5:18, STV)

Dat is een wezenlijk verschil.

Een gelovige leeft niet vanuit de gedachte:

“Wat moet ik allemaal doen om door God aanvaard te worden?”

Hij mag leven vanuit de zekerheid: “In Christus ben ik door genade aanvaard, en vanuit dat nieuwe leven mag ik God dienen.”

De vrucht van dat leven komt niet voort uit uiterlijke dwang, maar uit het werk van Gods Geest.

 

Jezus Christus als Middelaar van het nieuwe verbond

Onder het oude verbond dienden priesters uit de stam Levi in een aards heiligdom.

Hun priesterdienst was tijdelijk en moest telkens opnieuw worden voortgezet. De offers werden voortdurend herhaald, omdat zij de zonden niet definitief konden wegnemen.

Die hele dienst wees vooruit naar een grotere werkelijkheid.

De Here Jezus Christus is de volmaakte Hogepriester, Die niet in een aards heiligdom dient, maar in de hemel Zelf.

“De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen.” (Hebreeën 8:1, STV)

En verder:

“En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.” (Hebreeën 8:6, STV)

Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Zijn priesterschap is niet tijdelijk, maar eeuwig.

Zijn offer hoeft niet herhaald te worden, want Hij heeft Zichzelf eenmaal geofferd.

Daarom rust de verhouding tussen God en de gelovige niet op de wisselende prestaties van de mens, maar op het volbrachte werk van Christus.

Hij leeft om voor de Zijnen te bidden.

De zekerheid van ons behoud ligt dus niet in onze eigen kracht, maar in Hem.

De belofte van het nieuwe verbond luidt:

“Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.” (Hebreeën 8:12, STV)

Wat een geweldige tegenstelling met een religieus systeem waarin de mens voortdurend bezig is zijn schuld af te betalen!

Christus heeft de schuld gedragen. De verzoening is volbracht. De gelovige mag daarom rusten in wat Hij heeft gedaan.

 

Leven onder de genade: vrijheid in Christus

Wat betekent dit alles voor het dagelijkse leven?

Het verschil tussen wet en genade is niet slechts een leerstellig onderwerp waarover men kan discussiëren. Het heeft directe gevolgen voor de manier waarop een gelovige denkt, leeft en met anderen omgaat.

 

Niet handelen uit dwang, maar vanuit het nieuwe leven

Onder een wettisch systeem staat de verplichting centraal.

“Je moet dit.”

“Je mag dat niet.”

“Als je werkelijk een goede gelovige bent, dan behoor je…”

Zo ontstaat een godsdienstig leven waarin de mens voortdurend bezig is aan verwachtingen te voldoen.

Maar Paulus beschrijft het leven van de gelovige heel anders:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20, STV)

Dát is de kern van het nieuwe leven.

Niet het oude leven verbeteren door steeds meer regels toe te voegen, maar leven vanuit de verbondenheid met Christus.

De gelovige dient God niet om daardoor Zijn liefde te verdienen, maar omdat hij die liefde in Christus heeft leren kennen.

Er ontstaat een innerlijk verlangen om te doen wat God behaagt.

Niet omdat iemand voortdurend over zijn schouder meekijkt, maar omdat Gods Woord zijn denken en verlangen vormt.

Daarbij mogen we niet vergeten dat de gelovige nog steeds te maken heeft met de strijd tussen vlees en Geest. Het nieuwe leven betekent niet dat alles automatisch volmaakt gaat.

Maar de drijfveer is veranderd.

Niet: “Ik moet gehoorzamen om aangenomen te worden.”

Maar: “Omdat ik in Christus ben aangenomen, wil ik leven tot eer van Hem.”

 

Vrijheid van menselijke regels en onderlinge veroordeling

Een van de grote gevaren van godsdienst is dat menselijke voorschriften geleidelijk dezelfde plaats krijgen als het Woord van God.

Men gaat elkaar beoordelen op uiterlijke kenmerken, gewoonten, tradities en regels die nergens als verplichting in de Schrift worden opgelegd.

Paulus waarschuwt daar nadrukkelijk tegen:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” (Galaten 5:1, STV)

De vrijheid in Christus betekent niet dat zonde onbelangrijk geworden is, maar dat de gelovige niet langer onder het juk van de wet of menselijke godsdienstige voorschriften leeft.

Ook het nieuwe verbond bevat een heerlijke belofte:

“En zij zullen niet leren, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.” (Hebreeën 8:11, STV)

Deze belofte heeft in de eerste plaats betrekking op Israël en de toekomstige vervulling van het nieuwe verbond.

Tegelijk kennen gelovigen vandaag al de werkelijkheid van een persoonlijke verhouding met God door Jezus Christus.

Daarvoor hebben zij geen menselijke priester of religieuze tussenpersoon nodig.

Christus is de Middelaar.

Dat sluit onderlinge vermaning, onderwijs en geestelijke zorg niet uit. De Schrift roept gelovigen immers op elkaar te onderwijzen en te dienen.

Maar niemand heeft het recht zichzelf op te werpen als de heerser over het geweten van een ander.

De Gemeente hoort geen plaats van geestelijke controle te zijn, maar een gemeenschap waarin Christus centraal staat en Zijn Woord het hoogste gezag heeft.

 

Vrijmoedig naderen tot de Vader

Onder het oude verbond was de toegang tot het heilige der heiligen beperkt.

Slechts de hogepriester mocht daar binnengaan, eenmaal per jaar, en niet zonder bloed.

Maar door het offer van de Here Jezus Christus is de weg tot God geopend.

De gelovige hoeft niet langer op afstand te blijven staan.

Hij mag vrijmoedig naderen tot de troon der genade.

Niet omdat hij zonder tekortkomingen is, maar omdat Christus de toegang heeft geopend.

Daarom mag hij zijn vertrouwen niet stellen op zijn eigen godsdienstige prestaties, maar op de trouw van de Here Jezus Christus.

Paulus verwoordt die zekerheid op indrukwekkende wijze:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (Romeinen 8:38-39, STV)

Wat een rust geeft dat!

Onze gemeenschap met God rust niet op de vraag of wij vandaag voldoende hebben gepresteerd.

Deze is gegrond op de Here Jezus Christus, Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

Wat betekent het nieuwe verbond voor gelovigen vandaag?

Het nieuwe verbond laat zien dat Gods weg tot verlossing niet ligt in de pogingen van de mens om zichzelf door wetsgehoorzaamheid rechtvaardig te maken.

De wet maakt de zonde openbaar, maar Christus heeft gedaan wat de mens zelf niet kon doen.

In Hem vinden wij vergeving, rechtvaardiging en vrede met God.

Voor de gelovige betekent dit een leven vanuit de genade.

Het betekent dat wij Gods Woord niet benaderen als een verzameling voorschriften waarmee wij ons behoud moeten verdienen, maar als de waarheid waardoor ons denken vernieuwd wordt.

Het betekent ook dat wij niet langer gebonden zijn aan menselijke godsdienstige systemen die ons voortdurend opnieuw onder een juk van verplichtingen willen brengen.

Onze vrijheid is echter geen vrijheid om naar het vlees te leven.

Paulus schrijft:

“Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde.” (Galaten 5:13, STV)

De vrijheid van de gelovige is dus geen wetteloosheid.

Het is de vrijheid om God te dienen zonder de slavernij van het wetticisme.

Een leven waarin niet de angst voor veroordeling, maar de liefde van Christus de drijfveer is.

 

Samengevat: niet onder de wet, maar levend uit genade

Het nieuwe verbond is gegrond op Gods beloften en op het bloed van de Here Jezus Christus.

Het werd door God beloofd aan Israël en Juda, en die beloften behouden hun eigen betekenis en vervulling.

Tegelijk mogen gelovigen uit de volken vandaag delen in de geestelijke zegeningen die door Christus werkelijkheid zijn geworden.

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond laat zien hoe groot de tegenstelling is tussen menselijke inspanning en goddelijke genade, tussen een uitwendige wet en een innerlijke vernieuwing, tussen de voortdurende herhaling van offers en het ene, volkomen offer van Christus.

Daarom mag het leven van een gelovige geen wettisch keurslijf zijn.

Wie in Christus is, hoeft niet voortdurend te proberen Gods aanvaarding te verdienen.

Hij mag leven vanuit wat hem in Christus geschonken is.

 

Wanneer het Woord van God rijkelijk in ons woont, verandert ons denken en wordt ons handelen steeds meer gevormd door de waarheid.

Niet door dwang van buitenaf, maar door het werk van Gods Geest.

Niet leven om genade te verdienen, maar leven omdat genade ons geschonken is.

Dát is de vrijheid waarin Christus ons heeft gesteld.

Wet en Genade: vullen ze elkaar aan?

Of sluiten ze elkaar uit?

Wet en Genade zouden elkaar aanvullen, maar leert de Bijbel dat werkelijk? Een scherpe Bijbelse toetsing vanuit Romeinen en Galaten over de Wet, Genade en wandelen door de Geest.

Er wordt wel gezegd dat Wet en Genade elkaar niet uitsluiten, maar elkaar juist aanvullen en verdiepen.

Op het eerste gezicht klinkt dat best wel evenwichtig. De Wet komt immers van God en de Genade komt ook van God. Waarom zouden we die twee dan tegenover elkaar zetten?

Zou de Wet ons niet Gods wil laten zien, terwijl de Genade ons vervolgens helpt om daarnaar te leven?

Daar komt een begrijpelijke zorg bij. Wanneer we sterk benadrukken dat de christen niet onder de Wet maar onder de Genade staat, ligt wetteloosheid dan niet op de loer? Hebben we de Wet dan niet nodig als tegenwicht om te voorkomen dat Genade verandert in een vrijbrief om maar te doen wat we willen?

Het klinkt allemaal vrij logisch.

Maar is het ook Bijbels?

Dat is uiteindelijk de vraag die telt.

Want de apostel Paulus maakt tussen Wet en Genade een onderscheid dat wij niet mogen wegpoetsen in een poging beide met elkaar in balans te brengen.

waarom Wet en Genade elkaar uitsliuiten
waarom Wet en Genade elkaar uitsliuiten

Wet én Genade: een voor sommigen aantrekkelijk klinkende middenweg

De redenering lijkt eenvoudig.

Aan de ene kant dreigt wetticisme: regels, geboden en verplichtingen waardoor het christelijke leven een juk wordt.

Aan de andere kant dreigt wetteloosheid: “alles is Genade”, dus kennelijk doet het er dan niet meer toe hoe een christen leeft.

En dus lijkt de oplossing voor de hand te liggen: Wet én Genade.

Maar daarmee ontstaat een heel erg vals dilemma.

De keuze is niet tussen leven onder de Wet óf wetteloos leven onder het mom van Genade.

Paulus geeft een ander antwoord:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (Galaten 5:16, STV)

Dáár ligt een basaal verschil.

De Bijbelse oplossing voor wetteloosheid is niet dat de gelovige opnieuw, opwelke wijze dan ook, onder de Wet wordt geplaatst.

Het antwoord is wandelen door de Geest.

 

De Wet is heilig en goed

Laten we eerst een mogelijk misverstand uit de weg ruimen.

Wie leert dat de gelovige niet onder de Wet staat, beweert daarmee niet dat de Wet verkeerd is.

Paulus schrijft:

“Zo dan, de wet is heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.” (Romeinen 7:12, STV)

Even later schrijft hij:

“Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” (Romeinen 7:14, STV)

Zie je waar het probleem zit?

Niet bij de Wet.

De Wet is heilig.

De mens is zondig.

En juist daarom kan de Wet de mens precies vertellen wat God van hem verlangt, terwijl zij hem niet het leven kan geven waarmee hij daaraan kan beantwoorden.

De spiegel is niet vuil omdat hij een vuil gezicht laat zien.

De Wet legt bloot wat er met de mens aan de hand is.

 

Wat is dan het doel van de Wet?

De Wet heeft wel degelijk een door God gegeven functie. Maar wanneer wij haar een functie geven die God haar niet gegeven heeft, zijn wij niet méér Bijbels bezig.

Paulus schrijft:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” (Romeinen 3:20, STV)

Door de Wet is de kennis der zonde.

En:

“Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.” (Romeinen 3:19, STV)

De Wet ontmaskert.

De Wet verklaart schuldig.

De Wet stopt de mond van de mens die meent zichzelf tegenover God te kunnen rechtvaardigen.

De Wet laat zien dat wij een Verlosser nodig hebben.

Dat is geen tekortkoming van de Wet. Dat is juist een deel van haar door God gegeven functie.

De Wet was een tuchtmeester tot Christus

In Galaten wordt dat nog duidelijker.

“Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.” (Galaten 3:24, STV)

Maar daar houdt Paulus niet op.

Hij schrijft meteen daarna:

“Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.” (Galaten 3:25, STV)

Lees die laatste woorden nog eens:

“niet meer onder den tuchtmeester.”

Dat is belangrijk.

Paulus schrijft niet dat de tuchtmeester na de komst van het geloof gewoon blijft, maar nu een andere functie krijgt als leefregel voor de gelovige.

Hij zegt dat wij er niet meer onder zijn.

Waarom zouden wij de christen vervolgens toch weer onder diezelfde tuchtmeester plaatsen?

Maar Wet en Genade komen toch allebei van God?

Zeker.

Maar daaruit volgt niet dat ze dezelfde functie hebben of dat ze samen het beginsel vormen waaronder de christen leeft.

Ook de offerdienst kwam van God.

De besnijdenis kwam van God.

De Levitische priesterdienst kwam van God.

De sabbatsbepalingen kwamen van God.

Dat iets door God gegeven is, betekent niet automatisch dat iedere gelovige in iedere bedeling eronder gesteld is.

Johannes schrijft:

“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.” (Johannes 1:17, STV)

Dat betekent vanzelfsprekend niet dat God vóór Christus niet genadig was. Dat was Hij wel degelijk.

Maar de Schrift onderscheidt hier heel scherp Wet en Genade.

En Paulus werkt dat onderscheid leerstellig verder uit.

 

Wet en Genade werken volgens verschillende beginselen

Hier komen we bij het hart van de zaak.

Paulus schrijft:

“Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” (Romeinen 4:4-5, STV)

Dat is een fundamenteel verschil.

Bij werken ontstaat schuld in de betekenis van verschuldigd loon.

Bij Genade bestaat geen aanspraak.

De goddeloze wordt gerechtvaardigd omdat hij gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt.

Paulus formuleert hetzelfde beginsel in Romeinen 11 nog scherper:

“En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.” (Romeinen 11:6, STV)

De directe context gaat over het overblijfsel van Israël naar de verkiezing der Genade. Dat moeten we niet verzwijgen.

Maar kijk naar het beginsel waarmee Paulus redeneert:

als het uit Genade is, is het niet uit werken.

Waarom?

Omdat anders Genade geen Genade meer is.

Dat klinkt bepaald niet alsof Genade werken nodig heeft om compleet te worden.

 

“Ja, maar we hebben de Wet toch nodig voor onze levenswandel?”

Hier komt waarschijnlijk het belangrijkste bezwaar.

“Wij worden natuurlijk niet door de Wet gerechtvaardigd. Wij worden uit Genade behouden. Maar nadat we behouden zijn, hebben we de Wet toch nodig als leefregel?”

Dat klinkt aannemelijk.

Maar dan moeten we Romeinen 7 lezen.

Paulus schrijft:

“Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.” (Romeinen 7:4, STV)

Let vooral op het doel.

Wij zijn der Wet gedood:

“opdat wij Gode vruchten dragen zouden.”

Niet om wetteloos te worden.

Niet om maar te doen waar we zin in hebben.

Niet om onvruchtbaar te leven.

Maar om vrucht voor God voort te brengen.

En vervolgens:

“Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.” (Romeinen 7:6, STV)

Hier gaat het duidelijk over dienen.

Paulus zegt dus niet:

Vrij van de Wet voor onze rechtvaardiging, maar weer terug onder de Wet voor onze heiliging.

Hij zegt:

“nieuwigheid des geestes”

tegenover:

“oudheid der letter.”

 

Maar hoe zit het dan met de Tien Geboden?

Een veelgehoorde oplossing is dat de christen weliswaar niet meer onder de ceremoniële Wet staat, maar nog steeds onder de morele Wet, in het bijzonder de Tien Geboden.

Maar Romeinen 7 maakt die constructie onmogelijk om vol te houden.

Want nadat Paulus gesproken heeft over vrijgemaakt zijn van de Wet, schrijft hij:

“Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.” (Romeinen 7:7, STV)

“Gij zult niet begeren.”

Dat is één van de Tien Geboden.

Paulus heeft het dus niet eenvoudig over het verdwijnen van enkele ceremoniële voorschriften terwijl de stenen tafelen als verbondsrechtelijke leefregel voor de christen blijven bestaan.

De Mozaïsche Wet vormt één geheel.

Dat betekent uiteraard niet dat begeerte nu ineens goed geworden is.

Het betekent dat onze verhouding tot de Wet veranderd is.

Dat is iets heel anders.

 

Nieuwe en oude dingen uit de schat

Soms wordt Mattheüs 13:52 gebruikt om de gedachte te ondersteunen dat Wet en Genade als twee schatten bij elkaar zouden horen:

“En Hij zeide tot hen: Daarom, een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.” (Mattheüs 13:52, STV)

Een prachtige tekst.

Maar wat staat er echt?

Er staat niet dat de “oude dingen” de Mozaïsche Wet voorstellen en de “nieuwe dingen” de Genade, waarna Jezus zou leren dat Wet en Genade gezamenlijk de leefregel van de christen vormen.

Dat moet eerst in de tekst worden gelegd voordat het eruit gehaald kan worden.

De context gaat over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen:

“Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.” (Mattheüs 13:11, STV)

Mattheüs 13 bevat een reeks gelijkenissen waarin de Here Jezus onderwijs geeft over het Koninkrijk der hemelen. Binnen die context spreekt Hij over de schriftgeleerde die uit zijn schat “nieuwe en oude dingen” voortbrengt.

Daaruit een leerstellige formule afleiden waarin oud = Wet, nieuw = Genade en beide vervolgens samen de leefregel van de Gemeente vormen, gaat veel verder dan de tekst zelf zegt.

We moeten niet eerst een beeldspraak een bepaalde betekenis geven en vervolgens de duidelijke leerstellige uitspraken van Paulus vanuit die beeldspraak verklaren.

Het behoort andersom te gebeuren.

Schrift met Schrift vergelijken.

 

Is Genade dan een vrijbrief om te zondigen?

Hier komt het onvermijdelijke “Ja, maar…” opnieuw.

“Als een christen niet onder de Wet staat, kan hij dan maar doen wat hij wil?”

Paulus kende dat bezwaar blijkbaar ook.

Want onmiddellijk nadat hij heeft gezegd dat wij niet onder de Wet maar onder de Genade zijn, schrijft hij:

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” (Romeinen 6:15, STV)

Let vooral op wat Paulus niet doet.

Hij zegt niet:

“Nu jullie onder de Genade zijn, ontstaat inderdaad het gevaar van wetteloosheid. Daarom moeten jullie de Wet erbij nemen om de zaak in evenwicht te houden.”

Integendeel.

Hij handhaaft zijn eerdere uitspraak:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Daar staan ze tegenover elkaar:

niet onder de Wet, maar onder de Genade.

Kennelijk kent Paulus dus een heilig leven zonder de christen opnieuw onder de Mozaïsche Wet te plaatsen.

 

Genade heeft de Wet niet nodig om heiligheid te leren

Misschien onderschatten we Genade wel grandioos wanneer we denken dat de Wet erbij moet komen om haar in evenwicht te houden.

Alsof Genade uitstekend geschikt is om een zondaar te redden, maar daarna hulp van de Wet nodig heeft om hem fatsoenlijk te laten leven.

Paulus schrijft:

“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld.” (Titus 2:11-12, STV)

Wie onderwijst ons hier?

De Genade Gods.

Genade vergeeft niet alleen.

Genade onderwijst.

Genade leert ons goddeloosheid afwijzen.

Genade leert ons rechtvaardig en godzalig leven.

Genade brengt ons niet alleen tot Christus.

Genade leert ons ook leven uit Christus.

Daarom is de tegenstelling tussen Wet en wetteloosheid een vals dilemma.

 

De Wet kan geen leven geven

Dit is misschien wel het diepste probleem.

De Wet kan zeggen wat goed is.

De Wet kan zeggen wat verkeerd is.

De Wet kan zonde aanwijzen.

Maar de Wet kan geen leven voortbrengen.

Paulus schrijft:

“Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.” (Galaten 3:21, STV)

Daar ligt het hemelsbrede verschil.

Het christelijke leven bestaat niet uit het verbeteren van de oude mens totdat hij uiteindelijk voldoende aan Gods eisen voldoet.

Het is nieuw leven in Christus.

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20, STV)

Dat is veel meer dan een nieuwe verzameling voorschriften.

Christus leeft in mij.

 

De oplossing is wandelen door de Geest

Daarom is Galaten 5 zo belangrijk in deze tegenstelling over Wet en Genade.

Paulus schrijft niet alleen wat we moeten nalaten. Hij laat zien waar het christelijke leven vandaan komt:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (Galaten 5:16, STV)

En vervolgens:

“Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Tegen de zodanigen is de wet niet.” (Galaten 5:22-23, STV)

Lees die woorden eens rustig.

Liefde.

Goedheid.

Geloof.

Zachtmoedigheid.

Matigheid.

Is dat wetteloosheid?

Natuurlijk niet.

Maar Paulus noemt dit opmerkelijk genoeg niet de vrucht der Wet.

Het is:

“de vrucht des Geestes.”

Dat is geen woordspelletje.

Dat raakt het hart van het christelijke leven.

 

Met de Geest begonnen en met de Wet verder?

Juist daarom klinkt Paulus in Galaten soms zo ongekend scherp.

“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” (Galaten 3:3, STV)

Daar mogen we best even bij stilstaan.

Want hoe gemakkelijk zeggen we in feite:

Voor mijn behoudenis heb ik Christus nodig, maar voor mijn dagelijkse christelijke leven moet ik terug naar Mozes.

Maar waarom zou hetgeen door de Geest begonnen is door een ander beginsel moeten worden voltooid?

Waarom zou Christus voldoende zijn voor onze rechtvaardiging, maar niet voor onze levenswandel?

Waarom zou Genade ons wel kunnen redden, maar niet kunnen onderwijzen?

Paulus stelt de vraag veel scherper:

Met de Geest begonnen, en nu op een andere manier verder?

 

Wet en Genade hoeven niet in balans te worden gebracht

Misschien moeten we daarom af van het woord balans.

Het klinkt zo aantrekkelijk.

Een beetje Wet voorkomt dat Genade losbandigheid wordt.

Een beetje Genade voorkomt dat de Wet wetticisme wordt.

Mooi in evenwicht.

Maar waar leert Paulus dat?

De Schrift zegt:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Dat is geen balans.

Dat is een verandering van positie.

Niet een beetje Wet en heel veel Genade.

Niet Wet voor onze levenswandel en Genade voor onze behoudenis.

Niet onder de Wet, maar onder de Genade.

 

Vrij van de Wet betekent niet vrij van Christus

Daar zit misschien de grootste misvatting.

Wanneer de Wet niet onze leefregel is, zou er niets meer overblijven.

Maar de gelovige wordt helemaal niet aan zichzelf overgelaten.

Hij behoort Christus toe.

Hij heeft Gods Woord.

Hij heeft de Heilige Geest.

Hij wordt opgeroepen te wandelen zoals Christus wandelde.

“Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.” (1 Johannes 2:6, STV)

De norm wordt daarmee niet lager.

Integendeel.

De vraag is niet meer:

Welk voorschrift mag ik niet overtreden?

De veel diepere vraag is:

Hoe wandel ik als iemand die Christus toebehoort?

 

Wet en Genade moeten we niet vermengen

De gedachte dat Wet en Genade elkaar zouden moeten “aanvullen en verdiepen” klinkt aantrekkelijk.

Maar wanneer daarmee wordt bedoeld dat beide gezamenlijk het beginsel vormen waaronder de gelovige leeft, ontstaat er een serieus probleem.

Paulus zegt namelijk niet dat de gelovige een betere balans tussen Wet en Genade moet vinden.

Hij schrijft:

“Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou.” (Galaten 2:19, STV)

Dat is radicaal.

Gestorven aan de Wet om voor God te leven.

Niet gestorven aan de Wet om wetteloos te leven.

Niet gestorven aan de Wet omdat de Wet slecht zou zijn.

Maar gestorven aan de Wet:

“opdat ik Gode leven zou.”

Dat is wezenlijk iets anders dan Wet en Genade met elkaar proberen te verzoenen.

 

Niet Mozes plus Christus

En misschien komt het nergens duidelijker naar voren dan hier:

“Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.” (Romeinen 7:4, STV)

Niet:

Mozes plus Christus.

Maar: aan de Wet gedood en eens Anderen geworden.

Van Wie?

Van de opgestane Christus.

En met welk doel?

Opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

Dat is geen wetteloos christendom.

Dat is leven uit Christus.

De Wet zegt wat de mens behoort te doen, maar geeft hem niet het leven om het voort te brengen.

Genade geeft in Christus wat de mens zelf nooit kon verdienen.

En de Heilige Geest brengt in de gelovige vrucht voort die geen stenen tafel ooit kon produceren.

Daarom hoeven Wet en Genade niet met elkaar verzoend te worden.

We moeten ze recht snijden.

 

Wet en Genade: het verschil doet ertoe

Wie de Wet haar Bijbelse plaats geeft, kleineert de Wet niet.

Integendeel.

Laat de Wet doen waarvoor God haar gegeven heeft.

Laat haar zonde als zonde aanwijzen.

Laat haar de mond van de mens stoppen.

Laat haar duidelijk maken dat niemand zichzelf voor God kan rechtvaardigen.

Laat haar heenwijzen naar de noodzaak van Christus.

Maar verwacht van de Wet niet wat zij nooit kon geven:

leven.

En maak haar niet tot noodzakelijke aanvulling van de Genade.

Want dan vertroebelen we het onderscheid dat Paulus zo nadrukkelijk maakt.

“Ik doe de genade Gods niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” (Galaten 2:21, STV)

Niet Wet plus Genade.

Niet Mozes plus Christus.

Niet beginnen door de Geest en vervolgens proberen te voleindigen door het vlees.

De gelovige is aan de Wet gestorven om voor God te leven.

Hij is niet onder de Wet, maar onder de Genade.

En wanneer vervolgens de vraag komt hoe zo’n christen dan moet wandelen, verwijst Paulus hem niet terug naar Sinaï:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” (Galaten 5:16, STV)

Daar ligt het antwoord.

Niet in omfloerst wetticisme.

Niet in wetteloosheid.

Maar nieuw leven in Christus, wandelend door de Geest, onder de Genade.

2 Korinthe 3:7 (STV) En indien de bediening des doods, in letteren bestaande en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien om de heerlijkheid zijns aangezichts, die tenietgedaan zou worden,
8 Hoe zal niet veelmeer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?

 

zie ook:

wet – Bijbelse basis

genade – Bijbelse basis

extern:

https://www.bijbelspanorama.nl/bijbelstudie/geschreven/wet-of-genade/

Kolossenzen 3 : leven uit Christus, niet onder de Wet 

Kolossenzen 3 nader bekeken

Wie Kolossenzen 3 zorgvuldig leest, ontdekt iets dat in hedendaagse prediking merkwaardig genoeg nauwelijks tot niet wordt onderwezen: Paulus motiveert de levenswandel van de gelovige niet vanuit de Wet, maar vanuit zijn positie in Christus.

Paulus zegt niet:

houd de geboden zodat God u zal aannemen.

Hij zegt ook niet:

Christus heeft u gered, en nu moet u alsnog terug naar Sinaï om daar te leren hoe u als christen moet leven.

Zijn vertrekpunt is:

De gelovige is met Christus gestorven, is met Christus opgewekt, heeft de oude mens uitgedaan, heeft de nieuwe mens aangedaan en heeft leven ontvangen dat met Christus verborgen is in God.

Daaruit vloeit de christelijke levenswandel voort.

Dat maakt Kolossenzen 3 tot een van de duidelijkste gedeelten over leven uit genade, de oude en nieuwe mens en de vraag wat de leefregel van de gelovige eigenlijk is.

Kolossenzen 3 leven uit Genade
Kolossenzen 3 nader bekeken

 

Eerst wat God gedaan heeft, daarna onze wandel

Paulus begint Kolossenzen 3 niet met een wetboek.

Hij begint met Christus.

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” — Kolossenzen 3:1 (STV)

Dat woord dan is belangrijk.

Paulus bouwt namelijk verder op wat hij eerder heeft uitgelegd. De gelovige is door het geloof verbonden met Christus. Zijn positie wordt bepaald door Christus’ dood en opstanding.

Daarom volgt:

“Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” — Kolossenzen 3:2 (STV)

De volgorde is dus niet:

doe het goede en misschien zult u daardoor geestelijk leven ontvangen.

De volgorde is:

u hebt in Christus leven ontvangen; leef daarom overeenkomstig dat leven.

Dat is het cruciale verschil tussen een wettische benadering en leven uit genade.

Genade begint bij wat God heeft gedaan.

Daarna volgt de verantwoordelijkheid van de gelovige.

 

“Gij zijt gestorven”

Paulus doet vervolgens een opmerkelijke uitspraak:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” — Kolossenzen 3:3 (STV)

Let erop wat er niet staat.

Paulus zegt niet:

Streef ernaar te sterven.

Hij zegt:

“gij zijt gestorven.”

Dat is een vaststaand feit als het gaat om de positie van de gelovige.

Wie in Christus is, wordt door God niet langer beschouwd vanuit zijn natuurlijke afkomst in Adam. In Christus is er een nieuwe positie gekomen.

En die nieuwe positie is zelfs verborgen.

Het zichtbare leven hier op aarde vertelt niet het hele verhaal.

Daarom vervolgt Paulus:

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Hier staat iets veel groters dan dat Christus ons helpt om beter te leven.

Christus is ons Leven

Het christelijke leven is daarom niet in de eerste plaats Christus proberen na te doen, maar leven vanuit het leven dat God ons in Christus heeft geschonken.

 

De oude mens wordt niet opgelapt

Dat is zó essentieel.

Het Evangelie is geen renovatieproject van Adam.

God probeert de oude mens niet stap voor stap op te knappen totdat hij uiteindelijk acceptabel wordt.

Paulus zegt:

“Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken.” — Kolossenzen 3:9 (STV)

Opnieuw staat er niet:

probeer de oude mens uit te doen.

Er staat:

“gij uitgedaan hebt.”

De oude mens is geen project waaraan de gelovige zijn hele leven moet blijven sleutelen.

Daartegenover staat:

“En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen Die hem geschapen heeft.” — Kolossenzen 3:10 (STV)

Dat is wedergeboorte in zijn volle betekenis.

Niet: een beter exemplaar van de oude mens.

Maar: nieuw leven.

Niet: Adam christelijk maken.

Maar: leven vanuit Christus.

 

Waarom zegt Paulus dan: “Doodt dan”?

Nu ontstaat een interessante vraag.

Als Paulus in vers 3 zegt:

“gij zijt gestorven” (Kolossenzen 3:3, STV)

waarom zegt hij dan twee verzen later:

“Doodt dan uw leden die op de aarde zijn…” — Kolossenzen 3:5 (STV)

Is dat dan geen tegenstelling?

Integendeel.

Het is juist een prachtig voorbeeld van het onderscheid tussen positie en wandel.

Voor God is de gelovige met Christus gestorven.

Nu behoort die waarheid praktisch zichtbaar te worden.

Wat in Christus reeds waar is, moet in het dagelijkse leven worden uitgewerkt.

Daarom noemt Paulus vervolgens onder andere hoererij, onreinheid, kwade begeerlijkheid en gierigheid.

Genade zegt dus nooit:

Zonde doet er niet meer toe.

Genade zegt juist:

u hoort niet meer bij dat oude leven; wandel daarom niet alsof er niets veranderd is.

 

Genade is geen vrijbrief voor zonde

Dit wordt vaak verkeerd begrepen.

Zodra wordt gezegd dat de gelovige niet onder de Wet staat, komt soms het verwijt:

Dus dan mag alles?

Kolossenzen 3 maakt duidelijk hoe oppervlakkig en vleselijk dat bezwaar is.

Paulus behandelt hier zeer concreet de levenswandel.

Hij spreekt over seksuele zonde, begeerte, hebzucht, boosheid, lastering, vuil spreken, liegen, onderlinge omgang, vergeving, liefde, vrede en dankbaarheid.

Hij is bepaald niet vrijblijvend.

Maar opmerkelijk genoeg motiveert Paulus dit alles niet door de gelovige opnieuw onder Mozes te plaatsen.

Hij zegt niet:

Ga terug naar de stenen tafelen.

Hij zegt:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt…” — Kolossenzen 3:1 (STV)

Daar begint het.

Niet Sinaï, maar Christus.

Niet de oude positie onder de Wet, maar de nieuwe positie in de opgewekte Heer.

De christelijke leefregel is veel hoger dan wetticisme

Dat betekent niet dat goed en kwaad zijn verdwenen.

Integendeel.

Paulus is heel concreet. Hij zegt niet:

“Kijk maar, doe nu maar wat je goeddunkt”

maar:

“Maar nu, legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.” — Kolossenzen 3:8 (STV)

Daarna volgt de positieve kant:

“Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid.” — Kolossenzen 3:12 (STV)

Let opnieuw op de motivatie.

Paulus noemt hen eerst:

uitverkorenen Gods, heiligen en beminden.

Dáárom volgt:

doet dan aan.

Hun gedrag moet overeenkomen met hun positie.

Ze worden niet geliefd omdat ze goed leven.

Ze behoren goed te leven omdat ze geliefd zijn.

Dat is Genade.

 

Eerst vergeven worden, daarna zelf vergeven

Kolossenzen 3:13 is hiervan een prachtig voorbeeld:

“Verdragende elkander en vergevende de een den ander, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.” — Kolossenzen 3:13 (STV)

De volgorde is glashelder.

Niet:

vergeef, zodat Christus u zal vergeven.

Maar:

Christus heeft u vergeven; handel daarom zelf vanuit die vergeving.

De gehoorzaamheid van de gelovige is dus antwoord op ontvangen genade.

Niet betaling voor toekomstige genade.

Niet een poging om behouden te blijven.

Niet een methode om Gods gunst te verdienen.

De Genade komt eerst.

Daarna volgt de wandel.

 

Dat maakt het verschil met Mattheüs 6 des te opvallender

Vergelijk dit eens met de woorden:

“Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.” — Mattheüs 6:14 (STV)

Daar staat een voorwaardelijke formulering.

In Kolossenzen schrijft Paulus daarentegen:

“gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft” — Kolossenzen 3:13 (STV)

Het gaat hier niet om een tegenspraak in de Schrift, maar om de noodzaak om Schriftgedeelten zorgvuldig in hun verband te lezen.

Wie zonder onderscheid alles rechtstreeks op dezelfde wijze op de Gemeente toepast, loopt onvermijdelijk vast.

Paulus maakt aan de Gemeente bekend vanuit welke positie zij leeft:

vergeving is ontvangen.

Vanuit die ontvangen vergeving wordt vervolgens de gelovige opgeroepen zelf te vergeven.

 

Waar blijven de Tien Geboden?

Hier wordt het bijzonder interessant.

Kolossenzen 3 behandelt ongeveer alles wat wij tegenwoordig onder “christelijke ethiek” zouden rangschikken.

Gedrag.

Seksualiteit.

Begeerte.

Gierigheid.

Boosheid.

Taalgebruik.

Waarheid.

Relaties.

Vergeving.

Liefde.

Vrede.

Dankbaarheid.

Als Paulus de Tien Geboden als formele leefregel aan de Gemeente had willen voorschrijven, dan had hij hier een uitgelezen gelegenheid.

Maar hij doet het niet.

Hij voert de gelovige niet terug naar Sinaï.

Hij wijst omhoog:

“Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” — Kolossenzen 3:2 (STV)

Waarom?

Omdat de gelovige een hemelse positie in Christus heeft.

Zijn gedrag wordt niet beheerst door de vraag:

Welke regel moet ik afvinken?

maar door:

Wat past bij iemand van wie Christus het leven is?

Dat is geen lagere norm.

Dat is juist een veel hogere.

 

Christus is alles en in allen

Paulus komt vervolgens bij een van de krachtigste uitspraken van dit gedeelte:

“Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen.” — Kolossenzen 3:11 (STV)

Alle natuurlijke onderscheidingen die mensen zo belangrijk vinden, verdwijnen als grondslag van onze positie voor God.

Afkomst redt niet.

Inspanning redt niet.

Religieuze achtergrond redt niet.

Besnijdenis redt niet.

Sociale positie redt niet.

Cultuur redt niet.

Christus is alles.

Dat is niet alleen een mooie geloofsuitspraak.

Het is de leerstellige kern van het hele hoofdstuk.

Christus is onze positie.

Christus is ons leven.

Christus is het voorbeeld en de bron van onze wandel.

Christus bepaalt onze onderlinge verhouding.

Christus is het middelpunt.

 

Het Woord van Christus moet rijkelijk wonen

Dan zegt Paulus:

“Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.” — Kolossenzen 3:16 (STV)

Ook dit is vandaag bijzonder actueel.

Paulus verwijst de gelovige niet naar het najagen van ‘nieuwe openbaringen’, ‘bijzondere stemmen’ of een exclusief persoonlijk lijntje met God.

Hij zegt:

het Woord van Christus moet rijkelijk in u wonen.

Daaruit ontstaat wijsheid.

Daaruit komt onderwijs.

Daaruit komt vermaning.

Daaruit ontstaat aanbidding.

Daarom is Bijbelkennis geen droge intellectuele hobby.

Het Woord vormt het denken van de nieuwe mens.

Wie geestelijk wil wandelen, maar het Woord verwaarloost, probeert vrucht te produceren terwijl hij de door God gegeven bron van kennis en voeding negeert.

 

Alles in de Naam van de Here Jezus

Paulus sluit dit gedeelte af met een bijzonder brede leefregel:

“En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem.” — Kolossenzen 3:17 (STV)

Al wat gij doet.

Dat gaat veel verder dan een lijst verboden en regels.

Het omvat woorden én werken.

Privé én openbaar.

Relaties én arbeid.

Gedachten die tot woorden worden én beslissingen die tot daden worden.

De vraag wordt dan niet slechts:

Mag dit volgens een gebod?

maar:

kan ik dit doen in de Naam van de Here Jezus Christus?

Dat is een hogere toets.

 

De grote fout van wettische prediking

Het merkwaardige van veel christelijke prediking is dat men genade gebruikt om iemand binnen te krijgen en vervolgens de Wet gebruikt om hem binnen te houden.

Eerst klinkt:

U wordt uit genade behouden.

Maar daarna volgt:

Nu moet u bewijzen dat u het waard bent.

Daarmee wordt de gelovige praktisch weer teruggebracht naar het systeem waarvan Christus hem juist heeft vrijgemaakt.

Kolossenzen 3 volgt een totaal andere lijn.

Paulus zegt niet:

word wat God verlangt en misschien zal Hij u aannemen.

Hij zegt:

zie wie u in Christus geworden bent en wandel overeenkomstig die positie.

Dat is geen semantisch verschil.

Het bepaalt de hele verhouding tussen God en de gelovige.

 

Geen Wet, maar ook geen wetteloosheid

We moeten dus twee valkuilen vermijden.

Enerzijds de gedachte dat de gelovige toch weer onder de Wet moet worden gebracht om hem heilig te laten leven.

Anderzijds de gedachte dat genade betekent dat onze wandel niet belangrijk is.

Kolossenzen 3 vernietigt beide misvattingen.

De gelovige staat niet onder de Wet.

Maar hij hoort ook niet naar het vlees te leven.

Waarom niet?

Niet omdat Sinaï hem veroordeelt.

Maar omdat Christus zijn leven is.

Daarom zegt Paulus:

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Daar ligt onze zekerheid en onze verantwoordelijkheid.

 

Leven uit Christus

De boodschap van Kolossenzen 3 kan uiteindelijk in enkele woorden worden samengevat:

eerst positie, dan praktijk.

eerst genade, dan wandel.

eerst ontvangen, dan beantwoorden.

eerst Christus, dan de vrucht.

De oude mens wordt niet verbeterd.

De nieuwe mens wordt aangedaan.

De gelovige probeert zichzelf niet door goede werken geschikt te maken voor Christus.

Christus is zijn leven.

En daarom klinkt de oproep:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn…” — Kolossenzen 3:1 (STV)

Dat is de christelijke wandel.

Niet leven om een positie te verdienen.

Maar leven vanuit een positie die God in Christus reeds geschonken heeft.

Niet terug naar Sinaï.

Maar zien op de opgewekte Christus, gezeten aan de rechterhand Gods.

En daaruit leven.

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights