Tongentaal en ‘persoonlijke klanktaal’: Bijbels of een moderne charismatische leer?

Een Bijbelse gave of een moderne uitvinding?

Veel christenen geloven erin. Maar leert de Bijbel het ook?

“Bid je al in een persoonlijke gebedstaal?”

In veel evangelische en charismatische gemeenten is die vraag heel gewoon. Sommigen beschouwen een persoonlijke klanktaal zelfs als een onmisbaar onderdeel van een gezond geestelijk leven. Anderen gaan nog verder en zien het als het bewijs dat iemand gedoopt is met de Heilige Geest.

Maar hier moet iedere Bijbelgetrouwe christen een eenvoudige, eerlijke vraag stellen:

Waar staat dat eigenlijk?

Niet: Wie zegt het?

Niet: Hoeveel mensen geloven het?

Niet: Welke ervaring hebben zij?

Maar: Wat zegt de Schrift?

Want de Bereërs werden geprezen omdat zij

“dagelijks de Schriften onderzochten, of deze dingen alzo waren” (Handelingen 17:11).

ik heb er een video over gemaakt, n.a.v een andere video waarin de gedachte van een ‘persoonlijke klanktaal’ wordt neergezet.

YouTube player

Tongentaal en persoonliijke klanktaal 

Een opvallend gegeven

De uitdrukkingen ‘persoonlijke klanktaal’, ‘persoonlijke gebedstaal’ en hemelse gebedstaal’ komen nergens in de Bijbel voor.

Dat betekent niet automatisch dat de gedachte onjuist is. Er zijn meer woorden die niet letterlijk in de Bijbel voorkomen. Maar als een leer zo’n belangrijke plaats krijgt in het christelijk leven, mag verwacht worden dat zij duidelijk uit de Schrift kan worden aangetoond.

En daar hebben we een probleem.

 

Een leer van de twintigste eeuw

Gedurende bijna negentien eeuwen kerkgeschiedenis vinden we deze leer nauwelijks terug.

Pas met de opkomst van de pinksterbeweging aan het begin van de twintigste eeuw, gevolgd door de Azusa Street-opwekking (1906), de charismatische beweging en later de Word of Faith- en NAR-beweging, werd de gedachte populair dat iedere gelovige een persoonlijke gebedstaal kan ontvangen.

Langzamerhand verschoof het spreken in tongen van een bijzondere geestelijke gave naar een persoonlijke geloofspraktijk die voor vrijwel iedere christen bereikbaar zou zijn.

Maar een leer wordt niet waar omdat zij populair is. Zij moet getoetst worden aan Gods Woord.

 

Niet iedere gelovige spreekt in talen

Paulus laat daar weinig ruimte voor.

“Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met vreemde talen? Zijn zij allen uitleggers?”
(1 Korinthe 12:29-30)

De vorm van deze vragen verwacht telkens hetzelfde antwoord:

Nee.

Niet iedereen heeft dezelfde gave.

Even daarvoor schrijft Paulus:

“Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.”
(1 Korinthe 12:11)

De Heilige Geest deelt de gaven uit zoals Hij wil, niet zoals wij wensen.

Dat alleen al maakt de populaire uitspraak dat “iedere gelovige een persoonlijke gebedstaal kan ontvangen” moeilijk houdbaar.

 

De gave is gegeven voor de gemeente

Paulus schrijft:

“Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is.”
(1 Korinthe 12:7)

En:

“Laat alle dingen geschieden tot stichting.”
(1 Korinthe 14:26)

Het doel van geestelijke gaven is de opbouw van de gemeente.

De moderne nadruk ligt echter vaak op persoonlijke stichting, persoonlijke ervaring en persoonlijke verdieping.

Dat is een opvallende verschuiving.

 

Op Pinksteren sprak men bestaande talen

Handelingen 2 beschrijft de eerste keer dat mensen in talen spreken.

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.”
(Handelingen 2:4)

Wat waren dat voor talen?

De Bijbel geeft zelf het antwoord.

“Hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?”
(Handelingen 2:8)

En:

“Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.”
(Handelingen 2:11)

Niet onverstaanbare klanken.

Niet een privégebedstaal.

Maar bestaande menselijke talen.

 

“Hij spreekt niet de mensen, maar God”

Vaak wordt gewezen op 1 Korinthe 14:2.

“Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode; want niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hij verborgenheden.”

Maar Paulus zegt niet dat dit een hemelse taal is.

Hij zegt waarom niemand hem verstaat.

Er is geen uitleg.

De verborgenheid zit niet in een mysterieuze taal uit de hemel, maar in het feit dat de aanwezigen de taal niet begrijpen.

Wie vandaag in een Nederlandse gemeente uitsluitend Chinees spreekt zonder vertaling, spreekt voor de aanwezigen eveneens “verborgenheden”.

 

“Mijn geest bidt”

Ook 1 Korinthe 14:14 wordt vaak aangehaald.

“Want indien ik bid in een vreemde taal, mijn geest bidt wel, maar mijn verstand is onvruchtbaar.”

Maar Paulus eindigt daar niet.

Hij zegt onmiddellijk:

“Wat is het dan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden.”

En iets verder:

“Maar ik wil liever in de gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tienduizend woorden in een vreemde taal.”
(1 Korinthe 14:15,19)

Zijn conclusie is dus niet dat onverstaanbaarheid wenselijk is.

Integendeel.

Hij kiest nadrukkelijk voor begrijpelijke woorden.

 

Zonder uitleg moet men zwijgen

Paulus geeft duidelijke regels.

“En indien er geen uitlegger is, dat hij in de gemeente zwijge; doch dat hij tot zichzelven spreke en tot God.”
(1 Korinthe 14:28)

Ook deze tekst wordt vaak gebruikt als bewijs voor een persoonlijke gebedstaal.

Maar Paulus voert hier geen nieuwe leer in.

Hij geeft een ordevoorschrift.

Geen uitleg?

Dan geen openbare bijdrage.

Dat is precies het tegenovergestelde van de praktijk waarin soms hele gemeenten tegelijkertijd onverstaanbare klanken voortbrengen.

 

De moderne praktijk roept vragen op

In veel charismatische kringen wordt mensen geleerd hoe zij in tongen kunnen spreken.

Men krijgt instructies als:

  • spreek gewoon klanken uit;
  • zet je verstand niet in de weg;
  • laat de Geest het overnemen;
  • oefen iedere dag.

Maar waar vinden we zo’n instructie in de Schrift?

Nergens.

Geen enkele apostel leert iemand hoe hij in tongen moet spreken.

Geen enkele brief bevat een stappenplan.

Geen enkele gelovige wordt aangemoedigd om door oefening een klanktaal te ontwikkelen.

Dat zou ons voorzichtig moeten maken.

 

Ervaring is geen norm

Veel gelovigen zijn oprecht.

Daar hoeft niemand aan te twijfelen.

Maar oprechtheid bewijst nog niet dat een leer juist is.

De geschiedenis van de kerk laat zien dat oprechte mensen zich kunnen vergissen.

Daarom blijft de vraag niet:

“Wat heb ik ervaren?”

Maar:

“Wat heeft God geopenbaard?”

Onze ervaringen moeten door de Schrift worden beoordeeld, niet andersom.

 

Conclusie

Wanneer alle relevante Bijbelgedeelten eerlijk naast elkaar worden gelegd, ontstaat een helder beeld.

De Bijbel leert dat:

  • niet iedere gelovige dezelfde geestelijke gaven ontvangt;
  • de gave van talen een gave van de Heilige Geest is;
  • de Geest die gaven uitdeelt zoals Hij wil;
  • talen in Handelingen herkenbare menselijke talen waren;
  • spreken in talen zonder uitleg de gemeente niet opbouwt;
  • Paulus steeds de nadruk legt op verstaanbaarheid, onderwijs en orde;
  • de Bijbel nergens spreekt over een persoonlijke klanktaal die iedere gelovige kan ontvangen of ontwikkelen.

Dat betekent niet dat God vandaag niets bijzonders meer kan doen. God is soeverein en almachtig.

Maar de vraag is niet wat God kan doen.

De vraag is wat Hij heeft geopenbaard als norm voor Zijn gemeente.

En daarop geeft de Schrift een duidelijk antwoord.

De gave van talen is Bijbels. De leer van een algemeen beschikbare persoonlijke klanktaal is dat niet.

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.”
1 Thessalonicenzen 5:21

 

Wanneer het volmaakte gekomen is

Profetie en tongentaal zijn niet het bewijs van geestelijke volwassenheid

1 Korinthe 13 leert niet dat profetie en tongentaal het hoogtepunt van geestelijk leven vormen. Paulus noemt deze gaven tijdelijk en gedeeltelijk. De liefde blijft, maar profetieën worden tenietgedaan en talen zullen ophouden.

In charismatische kringen worden tongentaal, profetische woorden en bovennatuurlijke kennis vaak gepresenteerd als kenmerken van een krachtige, volwassen en Geestvervulde gemeente. Wie niet in tongen spreekt, geen persoonlijke profetieën ontvangt en geen bovennatuurlijke indrukken doorgeeft, zou geestelijk iets missen.

Maar wie 1 Korinthe 13 zorgvuldig leest, ontdekt precies het tegenovergestelde.

Paulus presenteert profetie, talen en bijzondere kennis niet als het einddoel van geestelijke groei. Hij noemt ze tijdelijk, gedeeltelijk en voorbijgaand. Niet de spectaculaire gave blijft bestaan, maar de liefde.

“De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen tenietgedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:8, STV)

Dat is geen aanbeveling om de gemeente voortdurend afhankelijk te maken van nieuwe profetieën. Het is een aankondiging dat deze gaven hun tijdelijke functie zullen verliezen.

 

Het volmaakte in 1 Korinthe 13
Het volmaakte in 1 Korinthe 13

De liefde blijft, de gaven verdwijnen

De tegenstelling in dit gedeelte is glashelder. De liefde vergaat nimmermeer, maar profetieën worden tenietgedaan, talen houden op en kennis wordt tenietgedaan.

Paulus verdeelt de genoemde zaken daarmee in twee categorieën.

Aan de ene kant staat de liefde. Zij behoort tot het blijvende leven uit God. Aan de andere kant staan profetieën, talen en bijzondere kennis. Zij waren nuttig en door God gegeven, maar hadden een tijdelijke en dienende functie.

Toch heeft een groot deel van de charismatische beweging de nadruk precies omgekeerd. De aandacht verschuift van de liefde van Christus naar de vermeende geestelijke beleving van de mens. Het draait om wat iemand voelde, hoorde, zag, droomde of innerlijk meende te ontvangen.

Daarmee wordt het tijdelijke verheven boven het blijvende.

De vraag is niet langer of Christus wordt verheerlijkt, of de Schrift recht wordt uitgelegd en of gelovigen wandelen in liefde. De vraag wordt of er “iets gebeurt”, of iemand “een woord heeft” en of de samenkomst als bovennatuurlijk wordt ervaren.

Maar geestelijke sensatie is geen bewijs van geestelijke volwassenheid.

 

De Korinthiërs waren begaafd, maar onvolwassen

De gemeente in Korinthe ontbrak het niet aan geestelijke gaven. Toch beschreef Paulus deze gelovigen als vleselijk en als kinderen in Christus. Er waren partijschappen, hoogmoed, wanorde, zedelijke misstanden en onderlinge rechtszaken.

Dat gegeven alleen al ontmaskert de populaire gedachte dat het functioneren van spectaculaire gaven bewijst dat een gemeente geestelijk volwassen is.

Korinthe had gaven in overvloed, maar een schrijnend gebrek aan volwassenheid.

Daarom staat 1 Korinthe 13 niet toevallig tussen de hoofdstukken over geestelijke gaven. Paulus onderbreekt zijn onderwijs niet om een romantisch gedicht over liefde te schrijven. Hij legt de bijl aan de wortel van hun geestelijke hoogmoed.

Zonder liefde waren hun indrukwekkende uitingen niets.

Een mens kan in talen spreken, profeteren, verborgenheden weten en over grote kennis beschikken, maar zonder liefde blijft hij geestelijk leeg. De gave maakt hem niet groot. De liefde van Christus moet zichtbaar worden in zijn wandel.

Wij kennen en profeteren ten dele

Paulus vervolgt:

“Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele; doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten dele is, tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:9-10, STV)

Profetie en kennis worden hier nadrukkelijk als gedeeltelijk beschreven. Zij gaven geen zelfstandige, volledige en definitieve openbaring van Gods waarheid. Zij brachten delen over binnen een periode waarin de apostolische openbaring nog niet voltooid was.

Dat is van groot belang.

De vroege gemeente beschikte nog niet over het volledige Nieuwe Testament zoals wij dat kennen. De apostelen leefden nog. De apostolische leer werd mondeling verkondigd, door bijzondere tekenen bevestigd en vervolgens schriftelijk vastgelegd.

De bijzondere openbaringsgaven hadden binnen die situatie een duidelijke functie. Maar een tijdelijke functie moet niet kunstmatig tot een blijvende kerkelijke structuur worden gemaakt.

Wat gedeeltelijk is, wijst vooruit naar wat volledig is.

Wat een fundament legt, wordt niet in iedere generatie opnieuw gelegd.

En wat God eenmaal gezaghebbend heeft geopenbaard, hoeft niet voortdurend te worden aangevuld door mensen die zeggen: “God vertelde mij…”

Wat is “het volmaakte”?

Over de precieze betekenis van “het volmaakte” bestaan verschillende uitleggingen. Sommigen denken uitsluitend aan de voltooiing van de Schrift. Anderen betrekken het op de uiteindelijke verheerlijking van de gelovige bij Christus.

Het gebruikte woord draagt de betekenis van voltooid, volgroeid of tot zijn bestemming gekomen. Paulus werkt dat uit met het beeld van een kind dat volwassen wordt:

“Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik tenietgedaan hetgeen eens kinds was.” (1 Korinthe 13:11, STV)

Het contrast is dat tussen het kinderlijke en het volwassen geworden leven. Het gedeeltelijke behoort bij een onvoltooide toestand. Het volmaakte of volgroeide maakt het gedeeltelijke overbodig.

De uiteindelijke vervulling ligt zonder twijfel in de volkomen toestand bij Christus:

“Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.” (1 Korinthe 13:12, STV)

Toch betekent dit niet dat iedere bijzondere gave noodzakelijk tot dat uiterste moment moet blijven functioneren. Paulus zegt dat het gedeeltelijke zal verdwijnen wanneer het zijn functie heeft vervuld. Wanneer en hoe dat historisch gebeurt, moet uit het bredere onderwijs van het Nieuwe Testament worden afgeleid.

Eén ding staat echter vast: dit gedeelte biedt geen enkele grond om profetie en tongentaal tot blijvende kenmerken van een volwassen gemeente te verklaren.

Het leert juist dat zij tot het gedeeltelijke en tijdelijke behoren.

Bovendien houdt de apostel Paulus gelovigen in Christus het volgende voor:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (Kollossenzen 2:10, STV)

Let op dat er niet staat dat dat in de toekomst pas zo zal zijn!

De Schrift is geen aanzet tot voortdurende aanvulling

Hier ligt het fundamentele probleem van de hedendaagse profetische beweging. Men belijdt vaak formeel dat de Bijbel het Woord van God is, maar voegt in de praktijk voortdurend nieuwe boodschappen toe.

Men noemt die boodschappen misschien niet gelijkwaardig aan de Schrift. Men zegt dat zij “getoetst” moeten worden. Maar ondertussen worden zij wel ingeleid met uitspraken als:

“God zegt tegen jou…”

“De Heer liet mij zien…”

“Ik hoorde in mijn geest…”

“Dit is een profetisch woord voor deze tijd…”

Dat taalgebruik claimt Goddelijk gezag. Wie beweert dat God gesproken heeft, doet meer dan een menselijke gedachte of bemoediging delen. Hij legt zijn woorden feitelijk in de mond van God.

Daar helpt een vrome disclaimer achteraf niet tegen.

Wanneer zo’n profetie niet uitkomt, vaag blijft of aantoonbaar verkeerd blijkt te zijn, wordt zelden geconcludeerd dat de spreker ten onrechte namens God heeft gesproken. Men zegt dan dat de ontvanger het verkeerd begreep, dat de omstandigheden veranderden of dat de profetie “voorwaardelijk” was.

Zo wordt de profeet beschermd en de hoorder belast.

Dat is niet nederig. Dat is geestelijke manipulatie.

Moderne profetie is meestal oncontroleerbaar

Bijbelse profetie was geen verzameling voorzichtige indrukken die achteraf alle kanten op konden worden uitgelegd. Wanneer God sprak, sprak Hij waarheid.

De moderne profetische praktijk bestaat daarentegen vaak uit algemeenheden:

“Er komt een nieuw seizoen.”

“God gaat deuren openen.”

“Je hebt een roeping op je leven.”

“Er komt herstel.”

“God heeft meer voor je.”

Dergelijke uitspraken klinken geestelijk, maar zijn meestal zo vaag dat zij nauwelijks getoetst kunnen worden. Ze kunnen op bijna iedereen worden toegepast. Wanneer er iets positiefs gebeurt, wordt dat als vervulling gezien. Wanneer er niets gebeurt, wordt de boodschap vergeten.

Dit is geen Bijbelse profetie. Het is religieus verpakte suggestie.

Het gevaar wordt groter wanneer zulke woorden beslissingen over relaties, gezondheid, werk, geld of gemeentekeuze gaan beïnvloeden. Dan wordt een menselijke indruk voorzien van Goddelijk gewicht.

Mensen durven niet meer vrij en verantwoordelijk te handelen, omdat iemand heeft gezegd dat “God een plan heeft laten zien”.

De vermeende profetie bindt dan het geweten waar de Schrift dat niet doet.

Tongentaal is geen keurmerk van de Heilige Geest

Hetzelfde geldt voor tongentaal. In sommige kringen wordt spreken in tongen voorgesteld als noodzakelijk bewijs van de doop of vervulling met de Heilige Geest.

Maar Paulus zegt niet dat alle gelovigen in talen spreken. Hij stelt juist retorische vragen waaruit blijkt dat niet iedereen dezelfde gave ontving. Bovendien zegt hij in 1 Korinthe 13 uitdrukkelijk dat talen zullen ophouden.

Een gave die niet aan iedere gelovige werd gegeven en waarvan de Schrift zegt dat zij zal ophouden, kan onmogelijk het universele bewijs zijn dat iemand de Heilige Geest heeft ontvangen.

De gelovige wordt niet door tongentaal verzegeld, maar door de Heilige Geest Zelf. Hij behoort niet tot Christus omdat hij een bepaalde ervaring heeft gehad, maar omdat hij het Evangelie heeft geloofd.

Wie tongentaal als geestelijk keurmerk gebruikt, schept twee groepen christenen: gewone gelovigen en zogenaamd Geestvervulde gelovigen.

Dat onderscheid kent de Schrift niet.

Het veroorzaakt geestelijke onzekerheid, imitatie en groepsdruk. Mensen proberen klanken voort te brengen omdat hun geleerd is dat zij zich moeten “openstellen”. Vervolgens wordt de aangeleerde uiting als bovennatuurlijke gave bevestigd.

Dat is geen werking van de Geest, maar psychologische beïnvloeding.

Liefde betekent niet dat dwaling ongemoeid moet blijven

Een veelgebruikt verweer luidt dat kritiek op charismatische praktijken liefdeloos zou zijn. Maar liefde betekent niet dat verkeerde leringen vriendelijk mogen blijven voortwoekeren.

Bijbelse liefde verheugt zich niet in ongerechtigheid, maar in de waarheid.

Een leer die gelovigen afhankelijk maakt van profeten, indrukken, ervaringen en bijzondere bedieningen moet worden weersproken. Niet omdat wij mensen willen beschadigen, maar omdat mensen beschermd moeten worden tegen geestelijke afhankelijkheid.

Juist liefde vraagt om duidelijkheid.

Het is niet liefdevol om iemand te laten geloven dat God hem persoonlijk iets heeft beloofd wanneer God dat niet in Zijn Woord heeft beloofd. Het is niet liefdevol om iemand met een ziekte jarenlang te laten wachten op een aangekondigde genezing. Het is niet liefdevol om twijfel aan een menselijke profetie gelijk te stellen aan ongeloof tegenover God.

Waar menselijke woorden Goddelijk gezag krijgen, moet de Schrift scherp worden geopend.

Geestelijke volwassenheid zoekt geen nieuwe stemmen

De volwassen gelovige leeft niet van steeds nieuwe openbaringen, maar groeit in de kennis van het reeds geopenbaarde Woord.

Hij vraagt niet voortdurend: “Heeft God vandaag nog iets nieuws tegen mij gezegd?”

Hij vraagt: “Wat heeft God in Zijn Woord gezegd, en wandel ik daarnaar?”

Dat is minder spectaculair. Het levert misschien geen indrukwekkende verhalen op. Maar het is veilig, nuchter en Bijbels.

De Heilige Geest leidt de gelovige niet weg van de Schrift naar een wereld van oncontroleerbare indrukken. Hij opent het verstand voor het Woord, verheerlijkt Christus en brengt de waarheid in herinnering.

Wie telkens nieuwe boodschappen nodig heeft, toont daarmee niet noodzakelijk geestelijke rijkdom. Het kan juist wijzen op ontevredenheid met wat God reeds heeft gegeven.

De Bijbel wordt dan de achtergrond, terwijl persoonlijke ervaring de feitelijke leiding overneemt.

Het tijdelijke mag en kan nooit de plaats van Christus innemen

Paulus eindigt niet met profetie, talen of bijzondere kennis. Hij eindigt met geloof, hoop en liefde:

“En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.” (1 Korinthe 13:13, STV)

Niet de profeet blijft. Niet de tongenspreker blijft. Niet de geestelijke sensatie blijft.

De liefde blijft.

Daarmee ontmaskert 1 Korinthe 13 een geloofsbeleving die haar identiteit zoekt in tekenen, manifestaties en ervaringen. De gemeente wordt niet volwassen door steeds meer bovennatuurlijke verschijnselen. Zij groeit door de kennis van Christus, door het Woord en door een wandel die overeenkomt met haar hemelse roeping.

 

Profetieën zullen tenietgedaan worden.

Talen zullen ophouden.

Gedeeltelijke kennis zal verdwijnen.

Maar de liefde van Christus vergaat nimmermeer.

Wie daarom het tijdelijke tot hoofdzaak maakt, mist de hoofdzaak. En wie voortdurend om nieuwe woorden vraagt, loopt het gevaar het geschreven Woord naar de achtergrond te schuiven.

De volwassen gemeente jaagt niet naar religieuze sensatie. Zij blijft bij de waarheid die God heeft geopenbaard en verheerlijkt Hem Die het levende Woord is: de Here Jezus Christus.

zie ook: Is ‘het volmaakte’ gekomen? – Bijbelse basis

Tongentaal of misleiding? De Bijbel spreekt

Hersenloos gebrabbel?

Naar aanleiding van een video van evangeliseer.nl

In een aantal kerken en conferenties wordt vandaag de dag een boodschap verkondigd die voor velen aantrekkelijk klinkt. Men zegt dat iedere gelovige kan – of zelfs moet – spreken in tongen. Wie dat niet doet, ‘zou niet volledig vervuld zijn met de Heilige Geest.’ Sommigen gaan nog verder en stellen dat tongentaal het bewijs is dat iemand werkelijk de Geest heeft ontvangen.

Dat klinkt opppervlakkig gezien indrukwekkend en geestelijk. Maar de vraag die elke christen zich  moet stellen is eenvoudig: staat dit in de Bijbel?

Wanneer we de Schrift zorgvuldig lezen, blijkt dat de moderne leer over tongentaal vaak meer gebaseerd is op eigen ervaring dan op exegese.

Wat gebeurde er werkelijk op Pinksteren?

De eerste keer dat tongentaal in het Nieuwe Testament voorkomt, is op Pinksteren.

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.”
(Handelingen 2:4 STV)

Wat voor talen waren dat?

De tekst laat daar geen enkele twijfel over bestaan.

“En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?”
(Handelingen 2:8 STV)

Het ging dus niet om mystieke klanken of extatische geluiden. Het ging om echte, herkenbare talen van volken.

De omstanders zeggen:

“Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.”
(Handelingen 2:11 STV)

De gave van tongen was dus een bovennatuurlijk vermogen om echte talen te spreken die men nooit geleerd had.

Tongentaal was een teken

Paulus legt het doel van tongentaal expliciet uit.

“Zo dan, de talen zijn tot een teken, niet dengenen die geloven, maar den ongelovigen.”
(1 Korinthe 14:22 STV)

Tongentaal was dus geen geestelijk statussymbool voor gelovigen.

Het was een teken voor ongelovigen.

Dat zien we ook op Pinksteren: Joden uit vele volken horen het evangelie in hun eigen taal.

Niet iedereen heeft dezelfde gave

Vandaag wordt vaak geleerd dat iedere christen in tongen moet spreken. Maar Paulus zegt precies het tegenovergestelde.

“Hebben zij allen gaven der genezingen? Spreken zij allen met talen? Zijn zij allen uitleggers?”
(1 Korinthe 12:30 STV)

De vraag is retorisch. Het antwoord is duidelijk: nee.

De Geest deelt gaven uit zoals Hij wil. Niet iedereen ontvangt dezelfde gave.

Orde in de gemeente

Een ander probleem is de chaos die vaak ontstaat wanneer grote groepen mensen tegelijk in klanktaal spreken. Paulus geeft juist duidelijke grenzen.

“En indien iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten hoogste drie geschiede, en dat beurtelings; en dat één het uitlegge.”
(1 Korinthe 14:27 STV)

En wanneer er geen uitlegger is:

“Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; maar dat hij tot zichzelf spreke en tot God.”
(1 Korinthe 14:28 STV)

Paulus sluit af met een fundamenteel principe.

“Want God is geen God der verwarring, maar des vredes.”
(1 Korinthe 14:33 STV)

Wanneer honderden mensen tegelijk onverstaanbare klanken produceren, is dat dus moeilijk te rijmen met deze instructie.

De Heilige Geest ontvang je door geloof

Sommige predikers verbinden tongentaal met de ontvangst van de Heilige Geest. Maar de Bijbel leert iets anders.

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte.”
(Efeze 1:13 STV)

De volgorde is duidelijk:

Evangelie → geloof → verzegeling met de Geest.

Niet:

geloof → conferentie → tongentaal.

Onderwerp Bijbelse tongentaal Moderne klanktaal
Wat het is Een echte menselijke taal Onverstaanbare klanken
Voorbeeld “Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.” (Handelingen 2:11 STV) Herhalende klanken zoals “ra-ba-sha-la”
Wie het verstaat Mensen uit andere volken Niemand
Doel Een teken voor ongelovigen ‘Persoonlijke gebedstaal’
Schrift “Zo dan, de talen zijn tot een teken, niet dengenen die geloven, maar den ongelovigen.” (1 Korinthe 14:22 STV) Vaak gebaseerd op ervaring
Voor wie Niet voor iedereen Vaak geleerd dat iedereen het moet hebben
Schrift “Spreken zij allen met talen?” (1 Korinthe 12:30 STV) Vaak gepresenteerd als bewijs van de Geest
Orde in de gemeente Maximaal 2 of 3, met uitleg Vaak massaal en tegelijk
Schrift “Dat het door twee, of ten hoogste drie geschiede… en dat één het uitlegge.” (1 Korinthe 14:27 STV) Uitleg ontbreekt meestal, men ratelt maar
Ontstaan Direct door de Geest Aangeleerd of ‘on the spot’ gedaan
Schrift “Zoals de Geest hun gaf uit te spreken.” (Handelingen 2:4 STV) vaak door  training of seminars

Romeinen 8 wordt dan verkeerd gelezen

Een veelgebruikte tekst is Romeinen 8.

“Maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.”
(Romeinen 8:26 STV)

Sommigen zeggen dat dit verwijst naar tongentaal.

Maar de tekst zegt juist dat de Geest voor ons bidt, niet dat Hij door ons spreekt.

Bovendien zijn het onuitsprekelijke zuchtingen. Ze kunnen dus juist niet worden uitgesproken.

NIet overstaanbaar gebrabbel dus.

De mythe van de engelentaal

Sommigen verwijzen dan naar 1 Korinthe 13.

“Al ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had…”
(1 Korinthe 13:1 STV)

Maar Paulus gebruikt hier een retorische overdrijving. In hetzelfde gedeelte noemt hij ook:

  • alle kennis bezitten
  • bergen verzetten
  • zijn lichaam laten verbranden

Het zijn voorbeelden om een punt te maken over liefde. Het bewijs voor een mystieke engelentaal ontbreekt.

De grootste geestelijke schade

  • De grootste schade ontstaat wanneer mensen wordt geleerd dat zij zonder tongentaal de Heilige Geest niet hebben.

Maar de Schrift zegt:

“Indien iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.”
(Romeinen 8:9 STV)

De vraag is dus niet:

spreek je in tongen?

De vraag is:

heb je Christus ontvangen door het geloof?

De Bijbel blijft de maatstaf

In elke tijd moet de gemeente zichzelf toetsen aan de Schrift.

“En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook.”
(Efeze 5:11 STV)

En Paulus zegt:

“Predik het woord; houd aan, tijdelijk of ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan.”
(2 Timotheüs 4:2 STV)

De toets blijft altijd dezelfde:

niet ervaring
niet emotie
niet spektakel

maar het Woord van God.

lees ook:

Klanktaal als “full-color geloof”?

Is ‘het volmaakte’ gekomen?

De begintijd in het boek Handelingen en nu

Charismatische verwarring – wanneer vuur rook wordt


extern:

Het rookgordijn rondom tongentaal

Gaven van de Geest


https://www.gotquestions.org/Nederlands/klanktaal-bidden.html/

Geverifieerd door MonsterInsights