Van evangelische gemeente naar pinksterkerk

Weten de gemeenteleden waar ze bij horen?

De Schuilplaats Papendrecht en de VPE: van evangelische gemeente naar pinksterkerk? De gemeente groeit en is sinds 2026 aangesloten bij de VPE. Maar groei bewijst geen gezonde leer. Wat betekent de nieuwe pinksterpositionering en weten gemeenteleden waarmee hun gemeente zich leerstellig heeft verbonden?

Het “groene kerkje” in Papendrecht wordt grondig gerenoveerd. De fundering moet worden aangepakt en voor renovatie en inrichting is ruim een miljoen euro nodig. Tegelijk wordt nagedacht over de toekomst: meer ruimte, meer activiteiten en een plek waar jongeren ook doordeweeks terechtkunnen.

In een krantenartikel wordt De Schuilplaats echter niet alleen een evangelische gemeente genoemd, maar een “evangelische pinksterkerk”. Dat roept een veel belangrijkere vraag op dan de vraag of er straks in de kerk gegamed kan worden:

Wat is er leerstellig veranderd, wat leert de VPE en hoe kunnen gemeenteleden dit Bijbels toetsen?

het omkatten van een kerk
van Evangelische gemeente naar Pinksterkerk

Wat is er veranderd?

Op de website presenteert De Schuilplaats zich nog steeds als Evangelische Gemeente De Schuilplaats. De geloofssamenvatting spreekt algemeen over God de Vader, Jezus Christus als Verlosser en de Heilige Geest.

Toch is er formeel iets veranderd. Sinds 17 april 2026 staat de gemeente geregistreerd als lid van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE). De VPE ziet zichzelf nadrukkelijk als onderdeel van de wereldwijde Pinkster- en Volle Evangeliebeweging. De aansluiting is daarom niet louter administratief.

De tijdlijn is opmerkelijk. Gerard en Petra van Wijk namen in mei 2024 het ‘voorgangerschap’ over van Eduard en Lia Witkamp. Nog geen twee jaar later werd De Schuilplaats lid van de VPE en wordt de gemeente in de regionale pers aangeduid als een evangelische pinksterkerk.

Daarmee is niet bewezen dat ineens  de hele prediking plotseling is veranderd of dat iedere charismatische praktijk binnen De Schuilplaats voorkomt. Wel staat vast dat de formele kerkelijke positionering is gewijzigd. Daarom is het terecht te vragen of gemeenteleden duidelijk is uitgelegd wat deze aansluiting leerstellig betekent.

Is de VPE-geloofsverklaring besproken? Is artikel 11 over de doop in de Heilige Geest en tongentaal uitgelegd? Is duidelijk gemaakt dat de VPE zich rekent tot de Pinkster- en Volle Evangeliebeweging? En hebben gemeenteleden gelegenheid gekregen deze leer vanuit de Schrift te onderzoeken?

 

Wat leert de VPE?

De VPE heeft een eigen geloofsverklaring. Die vormt volgens de organisatie de geestelijke grondslag van haar geloofsgemeenschap. Op belangrijke punten gaat deze verklaring verder dan de algemene geloofssamenvatting op de website van De Schuilplaats.

Een belangrijk voorbeeld is de leer over de doop in de Heilige Geest. In artikel 11 wordt deze doop verbonden met het spreken in nieuwe tongen als herkenning daarvan. Dat is een kenmerkend pinksteraccent.

Maar Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…”
(1 Korinthe 12:13, STV)

Het woord allen is belangrijk. Paulus verdeelt gelovigen niet in christenen die slechts tot geloof gekomen zijn en christenen die later nog een afzonderlijke Geestesdoop ontvangen. Hij zegt dat allen door één Geest tot één lichaam gedoopt zijn. Dat sluit aan bij:

“Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.”
(Romeinen 8:9, STV)

De Heilige Geest is geen latere upgrade voor christenen die na hun bekering nog iets wezenlijks missen. Wie Christus toebehoort, heeft Zijn Geest.

Ook de gedachte dat iedere gelovige in tongen zou spreken, roept vragen op. Paulus schrijft:

“Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met vreemde talen? Zijn zij allen uitleggers?”
(1 Korinthe 12:29-30, STV)

Het antwoord is hier telkens: nee. Niet allen zijn apostelen, niet allen zijn leraars en niet allen spreken in talen. Hoe kan tongentaal dan het herkenningsteken zijn van een Geestesdoop die iedere gelovige zou behoren te ontvangen?

Ook elders in de VPE-geloofsverklaring komen pinksteraccenten naar voren, zoals tekenen en wonderen, genezing van zieken en het uitdrijven van boze geesten. De Bijbel spreekt daar inderdaad over. Maar wat in Handelingen beschreven wordt, is niet automatisch een normgevende belofte voor iedere gemeente in iedere generatie.

Daarom moet steeds onderscheid worden gemaakt tussen beschrijving en voorschrift. De vraag is niet alleen of iets binnen de pinkstertraditie past, maar of de Schrift het op dezelfde manier leert.

 

Hoe kunnen gemeenteleden dit Bijbels toetsen?

Gemeentegroei kan reden tot dankbaarheid zijn. Volgens voorganger Gerard van Wijk telt De Schuilplaats ongeveer 180 leden en kwamen er in twee jaar veertig nieuwe leden bij. Wanneer mensen werkelijk tot geloof in Christus komen, is dat reden tot vreugde. (Het artikel zwijgt overigens over een significant aantal afhakers in diezelfde periode)

Maar groei bewijst op zichzelf helemaal niets over de waarheid van een leer. Een volle zaal, enthousiast jeugdwerk, veel activiteiten of positieve getuigenissen zijn geen betrouwbare toetssteen. Iemand kan door een gemeente geholpen worden, hoop ontvangen of werkelijk tot geloof komen, terwijl er binnen diezelfde gemeente ook verkeerde leer wordt verkondigd.

De Schrift zegt niet: kijk of het werkt. Zij zegt:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.”
(1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Paulus waarschuwt bovendien dat mensen leraren zullen verzamelen die zeggen wat zij graag horen:

“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;”
(2 Timotheüs 4:3, STV)

Populariteit en gezonde leer zijn dus geen synoniemen. Ook de Here Jezus paste Zijn boodschap niet aan toen velen van Zijn discipelen Hem verlieten:

“Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.”
(Johannes 6:66, STV)

Hij vroeg de twaalf:

“Wilt gijlieden ook niet weggaan?”
(Johannes 6:67, STV)

Petrus antwoordde:

“Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.”
(Johannes 6:68, STV)

Dáár ligt de norm. Niet:

hoeveel mensen blijven?

Maar:

waar zijn de woorden van het eeuwige leven?

Een Bijbelgetrouwe gemeente vraagt daarom niet eerst: werkt het? Zij vraagt: waar staat het geschreven? Paulus zegt tegen Timotheüs:

“Heb acht op uzelven en op de leer, volhard in deze; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.”
(1 Timotheüs 4:16, STV)

Hoe groter een gemeente wordt, hoe groter haar verantwoordelijkheid om over de leer te waken.

De Gemeente behoort bovendien niet aan voorgangers, oudsten of een denominatie toe.

Christus is het Hoofd:

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente…”
(Kolossenzen 1:18, STV)

Daarom horen leiders gemeenteleden niet afhankelijk te maken van besluiten van bovenaf, maar hen toe te rusten om zelf vanuit Gods Woord te onderscheiden. Een verandering van kerkelijke en leerstellige positionering hoort open besproken te worden. Leg de VPE-geloofsverklaring op tafel, bespreek de moeilijke punten en laat gemeenteleden de Schrift onderzoeken.

En dat gamen? Jongeren mogen gerust een spelletje spelen. Een kerkgebouw mag een ontmoetingsplaats zijn. De belangrijkere vraag is wat zij leren wanneer de spelcomputer uitgaat en de Bijbel opengaat.

Wordt hun geleerd wat zij in Christus ontvangen hebben? Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…”
(2 Petrus 1:3, STV)

Alles. Of ontstaat een christendom waarin gelovigen steeds op zoek worden gestuurd naar iets wat zij nog zouden missen: meer kracht, meer zalving, een tweede ervaring, een Geestesdoop of tongentaal als bewijs daarvan?

Dan gaat het niet meer over activiteiten, maar over leer.

Het gebouw van De Schuilplaats verdient een stevig fundament. Maar het geestelijke fundament is belangrijker:

“Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.”
(1 Korinthe 3:11, STV)

Scheuren in een gebouw zijn zichtbaar en meetbaar. Scheuren in het leerstellige fundament zijn moeilijker te herkennen. Ze kunnen ontstaan terwijl de zaal voller wordt, jongeren enthousiast zijn en de gemeente groeit.

Dit is geen aanval op individuele gelovigen binnen De Schuilplaats. Evenmin betekent de aanduiding pinksterchristen automatisch dat iemand geen broeder of zuster in Christus kan zijn. Het gaat om de leer. En leer moet worden getoetst, ook wanneer zij afkomstig is van een geliefde voorganger, in een officiële geloofsbelijdenis staat of door een groeiende beweging wordt onderschreven.

Als De Schuilplaats bewust voor aansluiting bij de VPE heeft gekozen, wees daar dan open over. Niet alleen administratief, maar óók leerstellig. Bespreek wat de VPE gelooft, leg de geloofsverklaring naast de Schrift en laat vragen toe.

De beslissende vraag is uiteindelijk niet wat de VPE gelooft, wat de voorganger leert of zelfs niet wat de gemeente altijd heeft geloofd. De vraag is:

Wat zegt de Schrift?

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.”
(1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot achterdocht, maar tot Bijbelse volwassenheid: onderzoek en toetsing, beproef en houd het goede vast.

lees ook;

Succes is geen roeping: de Bijbel tegenover succesprediking – Bijbelse basis

VPE kritisch bekeken: profetie, leiderschap en pinkstertheologie getoetst aan de Bijbel – Bijbelse basis

Tongentaal en ‘persoonlijke klanktaal’: Bijbels of een moderne charismatische leer? – Bijbelse basis

Vertaling of ordinair jatwerk? The Passion ‘Translation’

Dat kan bij nader inzien geen vertaling genoemd worden

Niet alles wat neergezet wordt als vertaling is dat ook.

Door ondoordachte promotie door mensen als Bill Johnson kon desondanks de TPT wijdverbreid worden. De video is een lange zit, maar alarmerend zeker.

Hier hebben we dan toch een ‘corrupte Bijbel’. Feitelijk kun je niet eens spreken van een Bijbel.

Ik blijf maar bij de Statenvertaling.

YouTube player

.De inhoud betreft een scherpe aanklacht tegen The Passion Translation en tegen de manier waarop Brian Simmons deze vertaling heeft gepresenteerd. De centrale stelling is dat het probleem veel verder gaat dan een “vrije vertaling” of een wat al te enthousiaste parafrase. Volgens de besproken analyse is er sprake van een patroon van misleiding, overspannen geestelijke claims, twijfelachtige vertaalmethoden, gebrek aan bevoegdheid en mogelijk grootschalig overnemen van werk van anderen zonder duidelijke vermelding.

De kritiek is dus niet alleen: deze vertaling is onnauwkeurig. De diepere aanklacht is: deze vertaling is voorgesteld als iets wat zij niet is.

De claim rond het ontstaan

Een belangrijk punt is dat Brian Simmons beweerd heeft dat Jezus Christus Zelf hem persoonlijk zou hebben opgedragen deze vertaling te maken. Hij zou een droom of visioen hebben gehad waarin Jezus hem aanraakte, zijn capaciteit vergrootte en hem vrijzette voor dit vertaalproject. Ook zou hij bijzondere geheimen uit de Hebreeuwse taal, de Bijbel en geestelijke “verborgenheden” ontvangen hebben.

Die claim maakt de zaak extra ernstig. Want wanneer iemand beweert dat Christus Zelf hem rechtstreeks heeft opgedragen een Bijbelvertaling te maken, dan krijgt die vertaling bij veel gelovigen automatisch een geestelijk gezag dat gewone vertalingen niet hebben. De kritiek stelt daarom: als vervolgens blijkt dat er misleiding, overname van andermans werk, onjuiste claims en slordige omgang met de tekst in zitten, dan is dat niet zomaar een academische fout. Dan raakt het direct aan het gezag van Gods Woord en aan misleiding van gelovigen.

De claim dat het een echte vertaling is

Simmons heeft The Passion Translation nadrukkelijk niet alleen als parafrase gepresenteerd. Volgens de besproken inhoud is juist herhaaldelijk beweerd dat het om een ‘frisse, nieuwe vertaling’ gaat, rechtstreeks uit Hebreeuwse, Griekse en Aramese bronnen.

Daar zit een belangrijk spanningsveld. Critici zeggen dat het leest als een parafrase, maar zich verkoopt als vertaling. Het probleem wordt nog groter wanneer blijkt dat veel formuleringen niet rechtstreeks uit de oorspronkelijke talen lijken te komen, maar sterk overeenkomen met bestaande Engelse vertalingen, websites of voetnoten van anderen.

Het verwijt is dus: Simmons zegt dat hij vertaalt uit de oorspronkelijke of oude bronteksten, maar in de praktijk lijkt hij voornamelijk te leunen op Engelse bronnen.

Twijfel aan vertaalbevoegdheid

Een groot deel van de inhoud gaat over de vraag of Simmons wel de kwalificaties heeft die hij suggereert te hebben. Hij werd in eerdere jaren gepresenteerd als “Dr. Brian Simmons” en als iemand met serieuze vertaalervaring. Later zouden bepaalde formuleringen op websites en in officiële teksten zijn aangepast of afgezwakt.

Een ander punt is zijn eerdere zendingswerk onder de Paya-Kuna of Kuna. Simmons zou hebben beweerd of gesuggereerd dat hij betrokken was bij het vertalen van het Nieuwe Testament in hun taal, soms zelfs zo sterk dat het leek alsof hij zelf een hoofdvertaler was. Dat  beeld klopt niet. Zijn rol was eerder die van taal- of begripschecker, iemand die helpt onderzoekeb of een reeds gemaakte vertaling begrijpelijk overkomt bij de doelgroep. Dat is iets anders dan zelf als vertaler of taalkundige een Bijbelvertaling produceren.

Simmons heeft deze zendingsachtergrond gebruikt om vertrouwen te wekken in The Passion Translation, terwijl zijn werkelijke rol veel beperkter was dan de indruk die hij erover gaf.

Het probleem van het Aramees

Een belangrijk thema is de zogenaamde Aramese achtergrond van The Passion Translation. Simmons presenteerde zijn vertaling mede als bijzonder omdat hij inzichten uit het Aramees zou verwerken. Hij heeft daarbij ook gesproken over Aramese bronnen achter het Nieuwe Testament.

Dit is behoorlijk problematisch. Het Nieuwe Testament is volgens gangbare wetenschappelijke opvatting in het Grieks overgeleverd. De Syrische Peshitta is waardevol als oude vertaling, maar niet als de oorspronkelijke Aramese tekst van het Nieuwe Testament. Toch lijkt Simmons lange tijd te hebben gesuggereerd dat het Aramees een soort ‘verborgen sleutel’ vormde tot diepere betekenissen’ van de Bijbel.

Daarbij wordt gesteld dat Simmons zelf niet werkelijk vanuit het Aramees of Syrisch lijkt te vertalen, maar Engelse vertalingen of websites raadpleegt die beweren iets met Aramese teksten te doen. Dat maakt de claim “uit het Aramees vertaald” nog zwakker. Het zou dan eerder gaan om: Engelse weergaven van iemands interpretatie van Syrische of vermeend Aramese tekst gebruiken.

Aramese voetnoten die geen stevige basis hebben

Er wordt veel aandacht besteed aan voetnoten waarin The Passion Translation beweert dat bepaalde woorden of uitdrukkingen “uit het Aramees” anders vertaald kunnen worden. Voorbeelden die besproken worden gaan over woorden als Nazareth en Galilea, waarbij Simmons geestelijke of allegorische betekenissen zou suggereren die volgens de critici geen  taalkundige basis hebben.

Een voetnoot zeg ook dat “het Aramees” iets bijzonders onthult, maar wanneer men de werkelijke tekst of gangbare bronnen controleert, blijkt die claim moeilijk of niet te onderbouwen. Soms lijkt de bijzondere uitleg niet uit een oude tekst te komen, maar uit moderne, speculatieve bronnen.

Het gebruik van websites en bestaande Engelse bronnen

Een van de grootste bezwaren is dat bepaalde bijzondere “Aramese” renderingen bijna letterlijk overeenkomen met Engelse websites of vertalingen van anderen. Een naam die steeds terugkomt is Victor Alexander. Zijn Engelse weergave van vermeend Aramese teksten zou op meerdere plaatsen verrassend overeenkomen met de keuzes in The Passion Translation.

Het voorbeeld van Efeze 5:22 komt voorbij. Waar gangbare vertalingen spreken over de verhouding van vrouwen tot hun mannen, geeft The Passion Translation een veel zachtere formulering met “toegewijd zijn” of “teder toegewijd zijn”. Simmons zou dit hebben gepresenteerd als een inzicht uit het Aramees. De kritiek stelt echter dat die formulering niet uit de gewone Peshitta blijkt, maar overeenkomt met een Engelse bron van Victor Alexander.

Daarmee wordt de vraag gesteld: is dit werkelijk vertaalwerk, of is dit het overnemen van andermans Engelse formuleringen onder het mom van Aramese diepte-inzichten?

Verwijderde of aangepaste formuleringen

Een ander belangrijk punt is dat sommige omstreden claims later zijn aangepast of verwijderd. Er wordt gesteld dat wanneer kritiek kwam op bepaalde Aramese voetnoten of formuleringen, sommige voorbeelden in latere edities verdwenen. Maar volgens de kritiek gebeurde dat zonder duidelijke erkenning, zonder openbare correctie en zonder transparantie.

Dit wordt geïnterpreteerd als een vorm van stil wegpoetsen. Niet: “Wij hebben een fout gemaakt en corrigeren die.” Maar: de problematische passage verdwijnt of de websiteformulering wordt afgezwakt, terwijl het grotere verhaal intact blijft.

Ook de officiële FAQ’s zijn door de jaren heen veranderd. Formuleringen als “originele Aramese bronnen” zijn afgezwakt naar “oude Aramese bronnen”, of woorden als “original”  verdwijnen. Dat wijst op een voortdurende poging om eerdere te sterke claims te corrigeren zonder verantwoording af te leggen.

De verschuiving van Aramese primacy naar Griekse primacy

Simmons heeft eerder  gesproken alsof hij geloofde dat grote delen van het Nieuwe Testament oorspronkelijk in het Aramees geschreven waren en later in het Grieks vertaald. Later heeft hij zich meer aangesloten bij het idee van Griekse primacy: dat het Nieuwe Testament oorspronkelijk in het Grieks is geschreven.

Deze verschuiving is  niet openlijk en helder vermeld. Als iemand eerst zijn vertaalproject mede baseert op een omstreden Aramese grondslag en later zegt dat hij dat heeft losgelaten, dan zou dat grote gevolgen moeten hebben voor de vertaling, de voetnoten en de manier waarop het werk wordt aangeprezen. Dat gebeurt niet.

Gebruik van gezaghebbende namen

Een terugkerende kritiek is dat Simmons namen van bekende geleerden of vertalers heeft gebruikt om zijn werk betrouwbaarder te laten lijken, terwijl diezelfde geleerden zijn vertaling juist sterk bekritiseren.

Simmons beroept zich op algemene uitspraken over vertaalfilosofie, functionele equivalentie of begrijpelijke taal, maar dit betekent niet dat die deskundigen The Passion Translation steunen. Integendeel: meerdere deskundigen hebben juist ernstige bezwaren tegen de vertaling.

Het verwijt is dus dat er gezag wordt geleend van mensen die inhoudelijk helemaal niet achter het project staan.

Niet alleen slechte vertaling, maar mogelijk plagiaat

Er worden meerdere voorbeelden besproken waarin The Passion Translation niet simpelweg  vrij vertaalt, maar opvallend sterk overeenkomt met bestaande Engelse Bijbelvertalingen of parafrases.

Genoemde vergelijkingspunten zijn onder meer:

  • The Message (bijgenaamd ‘The Massage’)
  • New Living Translation
  • The Living Bible
  • The Mirror Bible
  • Engelse weergaven van Victor Alexander
  • materiaal van Andrew Roth

De kritiek maakt daarbij onderscheid tussen normale overeenkomst en verdachte overeenkomst. Het is niet vreemd dat vertalingen soms dezelfde woorden gebruiken, zeker bij bekende verzen. Maar wanneer langere zinsdelen, ongebruikelijke formuleringen, volgorde, structuur en interpretatieve keuzes overeenkomen met één specifieke bestaande bron, wordt dat volgens de critici moeilijk nog toeval.

Vooral wanneer zo’n overeenkomst herhaaldelijk voorkomt binnen hetzelfde hoofdstuk of dezelfde brief, lijkt het volgens hen meer op structureel lenen of kopiëren dan op onafhankelijke vertaling.

Voorbeelden van verdachte overeenkomsten

Er wordt onder meer gewezen op Efeze 1:12, waar The Passion Translation opvallend dicht bij de New Living Translation staat. Niet slechts één woord, maar een langere formulering komt overeen..

Ook in Lukas lijkt The Passion Translation sterk op The Message van Eugene Peterson. Het gaat dan niet om gewone standaardtaal, maar om parafraserende zinsbouw en idiomatische formuleringen die veel te specifiek zijn om als toevallig te verklaren.

In Galaten zijn sporen zichtbaar van The Mirror Bible. Daar gaat het niet alleen om tekst, maar ook om bepaalde charismatisch geladen begrippen, zoals “sonship”, “unveiling” en verwante terminologie. Simmons heeft naar het zich laat aanzien verschillende bronnen naast elkaar gelegd, er stukken uit overgenomen, eigen charismatische accenten toegevoegd en dat geheel als vertaling gepresenteerd.

De rol van hypercharismatische taal

Waar The Passion Translation echt “origineel” klinkt, lijkt dat vaak juist te maken te hebben met charismatische of hypercharismatische terminologie. Woorden en thema’s als impartation, manifesting glory, mysteries, realms, downloads, verborgen inzichten en geestelijke doorbraaktaal worden gezien als typisch voor de beweging waarin Simmons opereeert.

Soms wordt in de Bijbeltekst ingevoegd wat in de grondtekst niet staat. Daarmee verandert de vertaling van karakter. Zij brengt niet zuiver de tekst over,maar smokkelt een bepaald leerstellig klimaat in de tekst binnen.

Daar is een Bijbelvertaling allesbehalve voor bedoeld.

Kritiek op de omgang met voetnoten

Naast de hoofdtekst krijgen de voetnoten veel kritiek. De voetnoten bevatten soms lange verklaringen die niet transparant zijn over hun herkomst.Sommige voetnoten lijken een op een overgenomen uit het werk van anderen, inclusief specifieke termen en transliteraties.Het probleem is niet dat iemand bronnen gebruikt. Dat is normaal. Het probleem is dat bronnen niet of niet duidelijk worden vermeld terwijl de indruk wordt gewekt dat het gaat om eigen vertaalinzicht of goddelijk ontvangen verborgenheid.

De uitgever en de verantwoordelijkheid

Ook de uitgever sttaat onder kritiek. Deverantwoordelijkheid ligt niet alleen bij Simmons zelf, maar ook bij de uitgever die het werk publiceert, promoot en de officiële informatie beheert.

Wijzigingen in FAQ’s, voetnoten en edities zijn niet voldoende transparant.. De kritiek is dat de uitgever en Simmons enerzijds verwachten dat anderen The Passion Translation correct citeren en respecteren, maar anderzijds zelf onvoldoende zorgvuldig lijken te zijn met het werk van andere vertalers en auteurs.

Dat wordt als dubbele standaard neergezet: wel bescherming eisen voor je eigen materiaal, maar zelf onvoldoende zichtbaar erkennen waar je materiaal vandaan komt.

De reactie op kritiek

Critici die vragen stellen worden niet duidelijk en open beantwoord. Soms leiden vragen tot blokkade op sociale media, ontwijkende antwoorden of stille aanpassingen in latere edities.

Wanneer er inhoudelijke bezwaren kwamen over Aramese claims, zegt Simmons soms dat hij bepaalde verwijzingen zou verwijderen of drastisch verminderen. Maar vervolgens blijken sommige claims toch te blijven staan, of blijven officiële teksten nog steeds spreken over Aramese bronnen.

Dat voedt de beschuldiging dat er geen echte openheid is, maar eerder damagecontrol.

De gevolgen

De toon van de inhoud is fel omdat he gaat om gewone christenen die deze vertaling vertrouwen. Zeker in charismatische kring heeft The Passion Translation veel ingang gevonden, mede door bekende namen die het werk hebben aanbevolen.

De zorg wordt uitgesprokendat gelovigen denken dat zij dichter bij het hart van God komen via een bijzonder geïnspireerde vertaling, terwijl zij in werkelijkheid een tekst lezen die sterk gekleurd is door menselijke toevoegingen, speculatieve voetnoten en niet-vermelde overname van andermans werk.

De emotionele lading komt dus voort uit de overtuiging dat hier niet alleen een slechte vertaling in omloop is, maar dat de gemeente van Christus misleid wordt met een tekst die als Bijbel wordt gelezen.

Het verschil tussen parafrase en misleiding

Een parafrase op zichzelf hoeft niet per se verkeerd te zijn. Er bestaan moderne vertalingen  van de Bijbel die duidelijk zeggen dat ze parafraserend zijn. Het bezwaar tegen The Passion Translation is juist dat zij volgens de kritiek niet eerlijk is over wat zij doet.

Een parafrase kan ruimer formuleren, zolang de lezer weet dat het een parafrase is. Maar wanneer een werk zich presenteert als vertaling uit oude bronnen, terwijl het feitelijk veel leunt op bestaande Engelse parafrases, moderne websites en speculatieve interpretaties, dan wordt het een ander verhaal.

De aanklacht is dus niet: vrij vertalen mag nooit. De beschuldiging is: noem een parafrase geen vertaling, noem overgenomen Engels geen rechtstreeks Aramees inzicht, en presenteer eigen geestelijke interpretaties niet als de tekst van God.

Breder probleem: cover-upcultuur

Aan het einde wordt The Passion Translation verbonden met een bredere “cover-upcultuur” binnen delen van de hypercharismatische wereld. Daarmee wordt bedoeld: bekende leiders worden beschermd, kritische vragen worden weggezet als aanval, fouten worden niet publiek beleden, en correcties worden stilletjes doorgevoerd zonder echte verantwoording.

Het patroon is

  • eerst zeer sterke geestelijke claims doen;
  • kritiek afdoen of ontwijken;
  • later formuleringen aanpassen;
  • geen openlijke erkenning geven van eerdere misleiding;
  • vertrouwen blijven vragen van het publiek.

Dit is precies waarom de zaak ernstig is. Niet alleen de tekst zelf staat ter discussie, maar een hele cultuur waarin geestelijke claims boven toetsing lijken te worden geplaatst.

Eindoordeel

De conclusie is hard: The Passion Translation is een fundamenteel onbetrouwbaar document. Niet slechts een vertaling met wat zwakke plekken, maar een werk dat volgens de besproken analyse gebouwd is op overdreven claims, gebrekkige kwalificaties, twijfelachtige Aramese theorieën, niet-transparant brongebruik en vermoedelijke overname van bestaande vertalingen en voetnoten.

De belangrijkste aanklacht: het werk is niet eerlijk over zijn aard, zijn methode en zijn bronnen.

Daarom wordt opgeroepen om deze vertaling niet als Bijbelvertaling te gebruiken, zeker niet als betrouwbare basis voor onderwijs, prediking, persoonlijke studie of leerstellige vorming. De inhoud wil gelovigen waarschuwen dat geestelijk klinkende taal, vurige aanbevelingen en indrukwekkende claims geen vervanging zijn voor nauwkeurigheid, eerlijkheid en eerbiedige omgang met de Schrift.

Samengevat

The Passion Translation is geen betrouwbare Bijbelvertaling, maar een charismatisch gekleurde parafrase die zich ten onrechte als vertaling presenteert, met ernstige aanwijzingen van misleidende claims, ondeugdelijke Aramese onderbouwing en structureel gebruik van bestaande Engelse bronnen zonder verantwoording.

lees ook (extern) The Passion Translation; een misleidende ‘vertaling’ – de Bijbel overdenken

Wat valt er af te dingen op pinkstertheologie?

De pinksterleer onder de loep

Wie zegt: “Ik ben een echte Pinksterman”, zegt meestal niet alleen iets over zijn achtergrond. Hij zegt iets over zijn geloofsleven. Hij voelt zich thuis in een traditie waarin de Heilige Geest met nadruk wordt verbonden aan kracht, ervaring, genezing, tongentaal, profetie, aanbidding, doorbraak en verwachting.

Dat kan oprecht zijn. Daar moeten we eerlijk in zijn. Er zijn pinkstergelovigen met liefde voor Christus, ernst in gebed en bewogenheid voor verloren mensen. Het zou oneerlijk zijn om dat weg te zetten alsof het allemaal toneel is.

Dat is het punt hier ook niet.

Maar juist omdat het vaak oprecht is, moeten we des te serieuzer kijken naar de leer erachter. Want oprechtheid maakt een gedachtengang nog niet Bijbels. Vuur is functioneel in de haard, maar verwoestend als het door het huis gaat. Zo is het ook met geestelijke ervaring. Zij kan een plaats hebben, maar zij mag nooit het fundament worden.

En daar vliegt pinkstertheologie regelmatig uit de bocht.

Waar de focus kantelt

De traditionele pinksterbeweging legt veel nadruk op de doop met de Heilige Geest, de gaven van de Geest, tongentaal, profetie, genezing en directe leiding van God. Op zich zijn dat geen onbelangrijke dingen. De Bijbel spreekt veel over de Heilige Geest. De Bijbel spreekt ook over gaven. De Bijbel noemt gebed om genezing. De Bijbel benadrukt Gods leiding.

De vraag is hier dus niet of deze woorden in de Bijbel voorkomen.

De vraag is: welke plaats krijgen ze?

Daar gaat het vaak mis in de pinksterpraktijk. Dan komt het recht snijden van Gods Woord op de helling te staan. Niet altijd openlijk. Niet altijd bewust. Maar wel degelijk. Het geloofsleven rust dan steeds minder in het volbrachte werk van Christus en steeds meer in wat de gelovige vandaag ervaart, ontvangt, merkt, voelt, uitspreekt of meemaakt.

Dan verandert de terminologie. En men bedoelt ook iets anders.

Niet alleen: Christus is gestorven en opgestaan.
Maar: heb jij de kracht al ervaren?

Niet alleen: je bent in Hem aangenomen.
Maar: heb jij de doop in de Geest al ontvangen?

Niet alleen: wandel door geloof.
Maar: heb jij er wel verwachting voor?

Niet alleen: toets alles aan de Bijbel.
Maar: sta jij wel open voor wat de Geest nú wil doen?

Dat klinkt misschien vroom. Maar het is niet onschuldig. En zeker niet zonder risico. Want zodra de ervaring het bewijs van geestelijkheid wordt, raakt de gelovige zijn rust kwijt. Dan is Christus niet langer genoeg als vaste grond. Dan moet er steeds weer iets aan toegevoegd worden. Een aanraking. Een doorbraak. Een woord. Een bevestiging. Een genezing. Een manifestatie.

En zo wordt “er is meer” het nieuwe evangelie.

De eigen ervaring als meetlat voor de gemeente

Daar komt nog iets bij. In pinkster- en charismatische kringen wordt de eigen ervaring gemakkelijk tot norm verheven. Iemand is wonderlijk genezen, heeft iets bijzonders meegemaakt, kreeg een sterke indruk, ervoer een doorbraak — en vervolgens wordt die persoonlijke ervaring ongemerkt tot blauwdruk voor anderen gebombardeerd.

Dat klinkt geestelijk, maar het is gevaarlijk.

Als God iemand werkelijk heeft genezen, mag daar zeker dankbaarheid voor zijn. Dat hoeft ook zeker niet verdacht gemaakt te worden. Maar uit een bijzondere genade in iemands persoonlijke leven mag je geen algemene regel destilleren voor het hele lichaam van Christus.

En daar zit het euvel. De redenering wordt dan:

God genas mij, dus Hij wil dit kennelijk ook zo voor anderen.
Ik heb bevrijding ervaren, dus anderen moeten deze weg ook gaan.
Ik kreeg een woord of indruk, dus zo spreekt God blijkbaar vandaag.
Ik heb doorbraak meegemaakt, dus wie geen doorbraak ervaart, mist geloof, verwachting of openheid.

Maar dat is géén gezonde Bijbelse redeneertrant.

Dat is ervaring die zich voordoet als leer

 

De Bijbel is de norm, niet mijn verhaal. Mijn ervaring mag getuigen, maar mag niet regeren. Mag bemoedigen, maar mag geen juk worden op de schouders van anderen.

Ondergeschikt aan het Woord.

Altijd.

Want zodra mijn wonder de meetlat wordt, zadel ik de ander met zijn niet-genezen lichaam, zijn blijvende strijd of zijn uitblijvende doorbraak op met een last. Dan is de vraag niet meer:

wat heeft God geopenbaard in Zijn Woord?

maar:

waarom gebeurt bij jou niet wat bij mij gebeurde?

En dáár wordt een getuigenis puur giftig.

Een persoonlijke genezing kan echt zijn. Een bijzondere ervaring kan zondermeer oprecht zijn. Maar geen enkele ervaring, hoe aangrijpend ook, kan ooit de plaats innemen van de Schrift.

God is soeverein. Hij geneest de één en geeft de ander Genade om te dragen. Hij bevrijdt soms onmiddellijk en vormt soms door een levenslange weg van zwakheid heen.

Wie zijn eigen ervaring tot norm maakt, maakt Gods vrijmacht kleiner en legt mensen lasten op die de Schrift hen nergens oplegt.

Kort gezegd:

een wonder mag tot dankbaarheid leiden, maar nooit tot systeemvorming.

De Schrift blijft in theorie leidend, maar raakt in de praktijk ondergeschikt

De meeste pinkstergelovigen zullen zeggen dat zij de Bijbel hoogachten. En dat geloof ik ook graag. De pijn zit hem vaak niet in de belijdenis, maar in de praktijk.

Officieel is de Schrift het hoogste gezag.

Praktisch komt daar een tweede laag overheen.

Een woord van de Heer.
Een profetische indruk.
Een beeld tijdens het gebed.
Een innerlijke stem.
Een “ik ervaar dat God zegt”.
Een bevestiging via omstandigheden.

En natuurlijk wordt er dan gezegd: “We moeten alles toetsen.” Maar in de praktijk is dat toetsen vaak boterzacht. Want wie durft nog rustig te zeggen: dit was niet van God, als iemand met tranen in de ogen vertelt dat de Heer het op zijn hart legde?

Daar begint de scheefgroei.

Niet omdat God niet kan leiden. Niet omdat de Heilige Geest niet werkt. Maar omdat menselijke indrukken het gezag toebedeeld krijgen dat zij niet mogen en horen te hebben.

De Schrift wordt uiteraard niet bruut van tafel geveegd. Dat zou te duidelijk zijn.

Zij wordt aangevuld.

En juist dat is bloedlink.

Want een Bijbel mét voortdurend aanvullende “woorden erbij” is in de praktijk geen gesloten en voldoende Woord meer. Dan heeft de gelovige niet genoeg aan wat geschreven staat. Dan heeft hij ook nog actuele signalen nodig om zeker te weten wat God precies wil.

Zo ontstaat een buitenbijbelse afhankelijkheid van ingevingen. En dat is iets anders dan afhankelijkheid van God.

De Geestdoop als tweede stap

Een belangrijk punt is de leer dat de gelovige na zijn bekering nog een aparte doop met de Heilige Geest zou horen te ondergaan. In veel pinksterkringen is dat bijna vanzelfsprekend. Eerst kom je tot geloof. Daarna moet je vervuld worden met kracht. En vaak hangt daar tongentaal, vrijmoedigheid, geestelijke intensiteit of een bijzondere ervaring aan vast.

Dat klinkt aansprekelijk. Wie wil er nu geen volheid? Wie wil er geen kracht? Wie wil er niet vuriger zijn?

Wie wil dat nou niet?

Maar de vraag is hier: wat doet dit met het Evangelie?

Het verdeelt gelovigen impliciet in twee groepen. Zij die “alleen” bekeerd zijn, en gelovigen die “meer” ontvangen hebben. Gewone christenen tegenover geestelijk toegeruste christenen. Mensen met Christus, en mensen met Christus plus kracht.

Dat is een gevaarlijke opsplitsing.

De Bijbel leert dat wie van Christus is, de Geest van Christus heeft. De gelovige is niet een halflege tempel in aanbouw die nog even moet worden aangesloten op de permanente stroomvoorziening. Natuurlijk zal een christen vervuld worden met de Geest. Natuurlijk zal hij wandelen door de Geest. Natuurlijk kan er groei, verdieping en vrijmoedigheid zijn.

Maar dat is iets anders dan een aparte status creëren waarbij sommige gelovigen kennelijk nog iets wezenlijks missen. De kers op de taart, zeg maar.

Zo’n leer brengt onrust en legt een vraag onder het geloofsleven:

heb ik het wel echt ontvangen?

En die vraag kan eindeloos blijven knagen.

Tongentaal als geestelijk keurmerk

Daar komt tongentaal bij. In de pinkstertraditie heeft tongentaal een uitzonderlijke plaats gekregen. Soms heel uitgesproken als bewijs van de Geestesdoop, soms wat voorzichtiger als teken van openheid, vrijheid of geestelijke verdieping.

Maar Paulus maakt er in 1 Korinthe geen keurmerk van. Integendeel. Hij begrenst, ordent en relativeert. Hij vraagt niet: “Spreken jullie allemaal in tongen? Dat zou wel moeten.” De strekking is daar juist dat niet allen dezelfde gave hebben.

Toch wordt tongentaal in de praktijk vaak meer dan een gave. Het wordt een prestatie. Wie het heeft, is ergens doorheen. Wie het niet heeft, mist blijkbaar iets. Misschien zegt men dat niet hardop, maar impliciet zegt men het wel.

En de sfeer is in zulke kringen regelmatig sterker dan de leer.

Mensen gaan meedoen. Klanken vormen. Verwachtingen invullen. Niet altijd uit bedrog, maar uit groepsdruk. Uit verlangen ergens bij te horen. Uit angst om de Geest tegen te staan. Uit het gevoel dat stilte minder geestelijk is dan kabaal.

Daar zit iets nogal wrangs in. Een gave die volgens de Bijbel tot opbouw moet dienen, wordt zo een meetlat voor de ziel.

Dat is geen vrijheid. Dat is prestatiedruk met een vroom smoelwerk.

Tongentaal als aangeleerde techniek

Een veelzeggend voorbeeld heb ik zelf horen verkondigen: de gedachte dat men tongentaal “thuis maar moet gaan oefenen”. Dat klinkt wellicht nogal onschuldig: probeer het maar, laat je remmingen los, oefen in overgave. Maar juist daarin wordt zichtbaar hoe krom de praktijk kan worden.

Want als de gave van tongentaal geoefend moet worden, wat is het dan nog?

Is het dan een gave van de Geest, of een aangeleerd religieus gedragspatroon? Is het spreken zoals de Geest gaf uit te spreken, of het produceren van klanken omdat de omgeving verwacht dat er iets moet komen? Wordt hier een geestelijke gave ontvangen, of wordt iemand langzaam een groepsdingetje aangeleerd?

In Handelingen 2 moesten de discipelen helemaal niet thuis oefenen met klanken. Zij spraken gewoon zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Het initiatief lag ook daar bij God, niet bij een methode. Er was geen workshop tongentaal, geen trainingsschema, geen aansporing om de eerste lettergrepen maar gewoon uit te proberen.

De Geest gaf. En zij spraken.

Dat is dus iets radicaal anders dan mensen onder subtiele druk zetten om een ervaring te produceren.

Hier wordt de gave omgekat tot techniek. En zodra een gave techniek wordt, ligt imitatie op de loer. Dan kan iemand gaan denken: als ik maar begin, komt de rest vanzelf. Of: als ik het niet doe, sta ik de Geest tegen. Of: als anderen het kunnen en ik niet, zal er met mij wel iets mis zijn.

Dat is geen Bijbelse vrijheid. Dat is geestelijke conditionering.

Paulus spreekt in 1 Korinthe 12 over gaven die door de Geest worden uitgedeeld naar Zijn wil. Hij maakt er geen vaardigheid van die iedereen met wat oefening onder de knie kan krijgen. En in 1 Korinthe 14 wordt tongentaal bovendien begrensd door orde, verstaanbaarheid en opbouw van de gemeente. De richting is dus niet: oefenen tot iedereen het kan. De richting is: laat alles tot stichting geschieden.

Daarom is “ga thuis maar tongentaal oefenen” eigenlijk een zeer ontmaskerende zin. Deze laat zien dat men officieel over een gave spreekt, maar praktisch met een techniek werkt. Officieel zegt men: de Geest geeft. Praktisch zegt men: jij moet produceren.

En daar wordt de gelovige alweer belast. Niet met de eenvoudige oproep om te wandelen door geloof, maar met de druk om een religieuze uiting aan te leren die vervolgens als teken van geestelijke volheid wordt gezien.

Een gave die geoefend moet worden om echt te lijken, is hoogstwaarschijnlijk niet de gave waarover de Schrift spreekt.

Genezing en de last op de zieke

Nergens wordt het probleem schrijnender dan bij genezing.

Bidden om genezing is Bijbels. Laat dat helder zijn. God kan genezen. God geneest ook soms. De gemeente mag bidden. Zieken mogen bij de Heere worden gebracht. Daar hoeft geen enkele nuchtere christen bang voor te zijn.

Maar pinkstertheologie blijft eigenlijk nooit bij eenvoudig afhankelijk gebed. Er wordt vaak een laag overheen gelegd. Genezing wordt neergezet als iets wat altijd beschikbaar is, verwacht moet worden, opgeëist mag worden, ontvangen moet worden of in de verzoening besloten zou liggen.

En dan begint de ellende.

Want als genezing beschikbaar is en iemand geneest niet, waar ligt het dan toch aan?

Aan te weinig geloof?
Aan verborgen zonde?
Aan ongeloof in de omgeving?
Aan een vloek?
Aan een blokkade?
Aan het niet goed “ontvangen” van de genezing?
Aan een gebrek aan verwachting?

De zieke heeft dan niet alleen de ziekte te dragen, maar dient ook een uitputtend geestelijk onderzoek naar zijn tekort te ondergaan. Hij ligt al op de grond, en krijgt er nog een leerstellig gewicht bovenop.

Dat is hard. Soms zelfs zeer wreed.

De Bijbel leert lichamelijke genezing, maar tegelijkertijd ook blijvende zwakheid. De Bijbel kent wonderen, maar zeker ook tranen en teleurstelling. De Bijbel kent uitredding, maar ook lijden dat niet meteen wordt weggenomen. Paulus kende kracht, maar had ook een doorn in het vlees. Timotheüs kende geloof, maar had ook lichamelijke klachten. Trofimus werd door Paulus ziek achtergelaten.

Dat past erg slecht in een triomfantelijk genezingsdogma. Maar het past wel in de realiteit van een schepping die in barensnood is.

Het lichaam is gekocht door Christus. Feit. Maar het is nog niet verheerlijkt. Wij wachten nog op de verlossing van ons lichaam. Wie dat negeert, trekt de toekomst naar voren en maakt van het heden een podium voor teleurstelling en deceptie.

Profetie met overdrukventiel

Een ander zwak punt is de omgang met profetie. In charismatische taal klinkt al snel: “God liet mij zien”, “de Heer zegt”, “ik kreeg een woord”, “ik ervaar dat God dit spreekt”.

Dat klinkt indrukwekkend. Maar het roept een eenvoudige vraag op: als God het zegt, hoe feilbaar mag het dan zijn?

Bijbelse profetie draagt het gewicht en de lading van Gods spreken. Daar mag je nooit lichtvoetig mee omgaan. Als iemand vandaag zegt dat God iets zegt, moet hij niet achteraf wegduiken met het excuus: “Ja, het was natuurlijk ook deels menselijk gekleurd.”

Dat is veel te goedkoop.

Veel moderne profetie wil wel de kracht van Gods Naam, maar niet de verantwoordelijkheid van Gods gezag. Men wil wel spreken met gewicht, maar als het niet klopt, blijkt het ineens een oefening, indruk, aanvoelen of leerproces te zijn.

Dat is gewoon link. Want Gods Naam wordt gebruikt om menselijke gedachten extra gewicht te geven. En wie daartegen bezwaar maakt, krijgt al snel te horen dat hij de Geest bedroeft of te verstandelijk is.

Maar nuchter toetsen is geen ongehoorzaamheid aan de Geest. Het is een opdracht in gehoorzaamheid aan het Woord.

Het boek Handelingen als draaiboek

De pinksterleer leest Handelingen al snel alsof het een draaiboek is voor het normale christelijke leven. Wat daar gebeurde, moet nu ook net zo gebeuren. Dezelfde tekenen, dezelfde doorbraken, dezelfde krachten, dezelfde dynamiek.

Maar Handelingen is niet zomaar een handleiding voor onze wekelijkse gemeentepraktijk. Het is het verslag van een unieke heilshistorische overgang: van Jeruzalem naar de volken, van Israël naar de heidenen, van het fundament naar de verbreiding van het Evangelie.

Daarom moet je voorzichtig en begrijpend lezen. Niet alles wat beschreven wordt, is bedoeld als verbindende norm. De Bijbel geeft ook geschiedenis. En geschiedenis is niet automatisch opdracht.

Dat onderscheid wordt vaak onvoldoende of zelfs helemaal niet gemaakt. Dan pakt men uit Handelingen vooral de spectaculaire momenten en bouwt daar een verwachtingstheologie van. Maar men vergeet dat diezelfde Schrift ook spreekt over volharding, lijden, verdragen, wachten, sterven, eenvoud, orde, leer en trouw.

Wie Handelingen leest zonder de brieven, krijgt snel vuur zonder vuurplaats.

Moderne apostelen en geestelijke bouwfraude

In sommige kringen groeit de pinksterlijn uit naar het idee van hedendaagse apostelen en profeten. Niet altijd openlijk. Soms noemt men het anders. Apostolische leiders. Vaderfiguren. Fundamentbedieningen. Mensen met bijzondere zalving of gezag.

Maar de gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, waarbij Christus Zelf de uiterste Hoeksteen is. Een fundament leg je niet elke generatie opnieuw. Je bouwt erop.

Wie vandaag apostelen en profeten lanceert alsof de gemeente nog steeds nieuwe funderende stemmen nodig heeft, raakt aan de genoegzaamheid van het Bijbelse getuigenis. Dan krijgt de gemeente van Jezus Christus steeds nieuwe bouwtekeningen. Nieuwe bewegingen. Nieuwe accenten. Nieuwe woorden. Nieuwe doorbraken.

Maar een huis dat telkens opnieuw gefundeerd moet worden, is geen stevig huis.

Sterker nog: het is een bouwplaats zonder eindinspectie.

De pastorale optelsom

De zwaarste rekening wordt niet betaald door de sprekers op het podium. Die kunnen door naar de volgende conferentie, de volgende dienst, de volgende serie over doorbraak.

De rekening wordt betaald door de mensen in de stoelen.

De zieke die niet geneest.
De weduwe die geen stem uit de hemel hoort.
De stille gelovige die niet expressief genoeg is.
De jongere die tongentaal probeert te produceren.
De kwetsbare christen die denkt dat zijn geloof tekortschiet.
De kritische toetser die wordt weggezet als koud, angstig of controlerend.
De beschadigde ziel die na een mislukte profetie met de brokken blijft zitten.

Daar ligt de pijn. Pinksterleer belooft vaak vrijheid, maar levert niet zelden het tegenovergestelde. Zij spreekt over kracht, maar maakt zwakken soms nog zwakker. Zij spreekt over verwachting, maar heeft weinig taal voor teleurstelling. Zij spreekt over overwinning, maar weet vaak geen raad en geeft geen antwoord op het kruisvormige leven van de gelovige.

En daar wordt dan weer zichtbaar hoe diep de kloof eigenlijk ligt. Een leer moet je niet alleen beoordelen op de mooiste of krachtigste getuigenissen, maar ook op wat zij doet bij degene bij wie het wonder uitblijft.

De Bijbelgetrouwe lijn

De Heilige Geest hoeft niet verdedigd te worden met overdrijving.

Hij werkt.
Hij overtuigt.
Hij troost.
Hij heiligt.
Hij leidt.
Hij opent het Woord.
Hij verheerlijkt Christus.

Maar Hij maakt de gelovige niet, nooit, afhankelijk van geestelijke sensatie. Hij zet Christus niet in de schaduw. Hij maakt de Schrift niet onvoldoende. Hij schept geen elite van mensen met “meer”. Hij drijft zieken niet de schuldhoek in. Hij gebruikt Gods Naam niet als stempel op menselijke ingevingen.

De Geest van God bindt ons aan Christus en aan het Woord.

Daarom is de vraag niet of iemand vurig is. Vuur kan ook vreemd vuur zijn. De vraag is niet of iemand bewogen spreekt. Bewogenheid kan ook meeslepend misleiden. De vraag is niet of er iets gebeurt. Er gebeurt in de religieuze wereld altijd wel iets.

De vraag is:

is het Bijbelvast?

Wordt Christus verhoogd?
Wordt de Schrift geëerd?
Wordt het Evangelie helder gehouden?
Worden zwakken gedragen in plaats van belast?
Worden claims getoetst?
Wordt ervaring onder het Woord gebracht?
Blijft het kruis het centrum?

Als daarop geen helder ja komt, is voorzichtigheid geen ongeloof. Dan is voorzichtigheid gehoorzaamheid.

Van vaste grond naar bewegende grond

Er valt het nodige af te dingen op pinksterleer en praktijk.

Niet omdat iedere pinkstergelovige onecht, overspannen of, erger nog, onoprecht zou zijn. Niet omdat God niet zou kunnen genezen. Niet omdat de Heilige Geest niet vandaag werkt. Maar omdat deze theologie telkens de neiging heeft het geloofsleven te laten hellen van vaste grond naar bewegende grond.

Van Christus naar ervaring.
Van Woord naar indruk.
Van geloof naar gevoel.
Van genade naar krachtmeting.
Van kruis naar doorbraak.
Van wachten op de verlossing van het lichaam naar claimen van genezing nu.
Van apostolisch fundament naar moderne stemmen met gezag.
Van persoonlijk getuigenis naar algemene norm.
Van gave naar techniek.
Van afhankelijk ontvangen naar religieus produceren.

Dat laatste mag nooit onderschat worden. Een eigen ervaring, zelfs een indrukwekkende ervaring, is geen leerstellige meetlat. Geen mal om beton in te gieten. Een genezing is geen hermeneutische sleutel. Een doorbraak is geen dogma. Een indruk is geen openbaringsbron. Een getuigenis is geen Bijbelse norm voor de hele gemeente. En tongentaal die geoefend moet worden omdat dat verwacht wordt, is geen bewijs van geestelijke volheid, maar eerder een teken dat de praktijk haar Bijbelse kader is kwijtgeraakt.

Dat is niet zomaar een randzaak.

Dat raakt de kern van het christelijk leven.

Een gelovige heeft geen extra ervaring nodig om compleet te zijn in Christus. Hij hoeft niet door een charismatische sluis om werkelijk geestelijk te worden. Hij hoeft zijn ziekte niet te verklaren als geloofstekort. Hij hoeft menselijke indrukken niet te slikken omdat iemand er “de Heer zegt” boven zet. Hij hoeft het wonderverhaal van een ander niet als maatlat over zijn eigen leven te laten leggen. En hij hoeft geen klanken te oefenen om zichzelf of anderen te bewijzen dat hij geestelijk genoeg is.

Hij mag rusten in het volbrachte werk van Christus. Hij mag wandelen door geloof. Hij mag bidden om genezing zonder genezing op te eisen. Hij mag dankbaar luisteren naar een getuigenis zonder dat getuigenis tot leer te verheffen. Hij mag de Geest verwachten zonder achter elke emotie een openbaring te zoeken. Hij mag toetsen, vragen stellen, afstand houden en toch vol zijn van eerbied voor God.

Want de Heilige Geest is niet een Geest van druk, maar de Geest der waarheid. En waar Hij werkt, daar wordt de gemeente niet opgejaagd naar steeds meer spektakel, maar dieper geworteld in Christus, nuchter in het Woord, ootmoedig in het geloof en rijk in Genade.

 

Zie ook:

Genezingsbedieningen? – Bijbelse basis

VPE kritisch bekeken: profetie, leiderschap en pinkstertheologie getoetst aan de Bijbel – Bijbelse basis

Tongentaal of misleiding? De Bijbel spreekt – Bijbelse basis

Klanktaal als “full-color geloof”? – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights