Sacramenten?

Kent de Schrift sacramenten?

Het woord “sacrament” komt in de Bijbel nergens voor. Dat feit alleen al zou ons voorzichtig moeten maken. In veel kerken speelt het begrip een grote rol, maar de vraag is eenvoudig: spreekt de Schrift zelf zo?

Wanneer we het Nieuwe Testament lezen, zien we dat de eerste gemeenten wel degelijk bepaalde instellingen kennen. Er is de doop en er is het breken van het brood. Maar nergens worden deze handelingen “sacramenten” genoemd, en nergens wordt geleerd dat zij op zichzelf ‘genade overdragen.’

Dat onderscheid is belangrijk.

Het evangelie staat centraal, niet het ritueel

In het Nieuwe Testament ligt de nadruk voortdurend op het evangelie van Christus. Niet een handeling, maar een boodschap is het middel waardoor mensen tot geloof komen.

Paulus zegt opmerkelijk scherp:

“Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen.” (1 Korinthe 1:17 STV)

Die uitspraak zou onmogelijk zijn als de doop een noodzakelijk genademiddel zou zijn waardoor redding wordt doorgegeven. Paulus stelt hier duidelijk de prioriteit:

Het evangelie redt, niet het ritueel.

Hetzelfde principe vinden we elders:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.” (Efeze 2:8 STV)

Het heil komt door Genade, ontvangen door geloof.

De doop in de Schrift

De doop wordt in het Nieuwe Testament duidelijk ingesteld, maar altijd in verband met geloof.

Op de pinksterdag lezen we:

“Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt.” (Handelingen 2:41 STV)

De volgorde is opvallend eenvoudig:

evangelie → geloof → doop.

De doop is daarmee een zichtbaar getuigenis van een geestelijke werkelijkheid. Paulus legt dat zo uit:

“Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.” (Romeinen 6:4 STV)

De doop werkt deze werkelijkheid niet, maar beeldt haar uit.

Het avondmaal

Ook het avondmaal wordt door de Heer ingesteld. Paulus geeft de woorden van Christus door:

“En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.” (1 Korinthe 11:24 STV)

Het doel wordt expliciet genoemd:

“Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.” (1 Korinthe 11:26 STV)

Het avondmaal is dus:

  • een gedachtenis

  • een verkondiging

  • een gemeenschappelijk getuigenis

Niet een handeling waardoor genade automatisch wordt uitgedeeld.

Hoe het sacrament-denken ontstond

Het begrip sacrament komt uit het Latijn (sacramentum). In de vroege kerk begon men dit woord te gebruiken voor ‘heilige handelingen’.  Langzamerhand kreeg het een steeds sterkere betekenis.

In de tijd van Augustinus werd een sacrament omschreven als een zichtbaar teken van een onzichtbare genade. In de middeleeuwen groeide dit uit tot een volledig systeem van zeven sacramenten, beheerd door de kerk.

Zo ontstond een structuur waarin de kerk als het ware de ‘beheerder van genade’ werd.

Maar wie teruggaat naar het Nieuwe Testament ziet iets heel anders. Daar staat niet de kerk centraal, maar Christus.

De kern van het evangelie

Het evangelie wijst nooit naar een ritueel als bron van redding. Het wijst naar een Persoon.

“Want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4:12 STV)

Niet een sacrament redt.

Niet een kerkelijke handeling redt.

Christus redt.

De doop en het avondmaal zijn daarom waardevolle en door de Heer gegeven tekenen. Zij herinneren aan Zijn werk en verkondigen Zijn dood. Maar zij zijn niet de bron van Genade.

Die bron ligt uitsluitend in Hem.

En precies daar wil de Schrift onze blik houden.

De Bijbelse doop en het beroep op ‘het verbond’

De doop een teken van ‘het verbond’?

Directe aanleiding voor dit artikel is een gesprek tussen een professor en een dominee in het reformatorisch dagblad. Ik heb zelden zulk vaag (hoe goedbedoeld wellicht ook) en buitenbijbels geleuter gelezen over de doop. Als je het kerkelijke kader weglaat, en geen idee hebt van de kerkelijk ‘verbondstheologie’, kom je nooit tot zulke wonderlijke conclusies.

Mijn moeder werd ooit verzocht te vertrekken uit de kerk, omdat ze het verlangen had op grond van de Bijbel en haar geloof gedoopt te worden.

“Dat doen wij hier niet zo”, sprak dominee. Of ze maar wilde vertrekken.

Wanneer de kinderdoop ter sprake komt, wordt vrijwel altijd één argument naar voren gebracht: ‘het verbond’

Men zegt dan dat de kinderen van gelovigen net zoals in het Oude Testament bij ‘het verbond’ horen. Zoals  Jakob (Israël) zijn kinderen besneed, zo zou de kerk haar kinderen moeten dopen. De doop zou dan het nieuwe verbondsteken zijn, in plaats van de besnijdenis.

Op het eerste gezicht klinkt dat aannemelijk. Maar wanneer we de Schrift erop onderzoeken , blijkt dat deze redenering meerdere fundamentele problemen heeft.

De vraag is uiteindelijk niet: wat leert de traditie van de kerk?

De vraag is: wat leert de Schrift?

De Bijbelse volgorde: eerst geloof, daarna doop

In het Nieuwe Testament zien we steeds dezelfde volgorde.

De Heere Jezus zegt:

“Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.” (Mattheüs 28:19 STV)

Eerst worden mensen onderwezen. Zij horen het evangelie. Zij komen tot geloof. Daarna volgt de doop.

Ook Markus bevestigt dat patroon:

“Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.” (Markus 16:16 STV)

Het ongeloof wordt veroordeeld, niet het ontbreken van de doop. Dat laat zien dat de doop niet de oorzaak van redding is, maar het gevolg van geloof.

In het boek Handelingen zien we precies dezelfde praktijk. Op de Pinksterdag roept Petrus het volk op:

“Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.” (Handelingen 2:38 STV)

De volgorde blijft:

bekering → doop.

Bij de Ethiopische kamerling lezen we hetzelfde:

“En terwijl zij over den weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Zie, daar is water; wat verhindert mij gedoopt te worden?” (Handelingen 8:36 STV)

Filippus antwoordt:

“Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd.” (Handelingen 8:37 STV)

De voorwaarde voor de doop is dus persoonlijk geloof. Dat alleen al maakt duidelijk dat de Bijbelse doop géén kinderdoop kan zijn.

Besnijdenis en doop zijn niet hetzelfde

Het beroep op ‘het verbond’ gaat meestal via een vergelijking met de besnijdenis. Maar de Schrift stelt nergens dat de doop de plaats van de besnijdenis heeft ingenomen.

De besnijdenis was het teken van het verbond dat God met Abraham sloot:

“Dit is Mijn verbond, dat gij houden zult tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.” (Genesis 17:10 STV)

Dit teken hoorde bij:

het fysieke nageslacht van Abraham
het nationale volk Israël
een verbond dat via geboorte werd doorgegeven.

De doop heeft echter een heel andere betekenis. Paulus verbindt de doop met de dood en opstanding van Christus:

“Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.” (Romeinen 6:4 STV)

De doop is dus geen etnisch verbondsteken, maar een getuigenis van geloof in Christus.

Het Nieuwe Verbond werkt anders

Nog belangrijker is dat het Nieuwe Verbond zelf in wezen anders functioneert dan het Oude.

Jeremia profeteert over dit nieuwe verbond:

“En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent den HEERE; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE.” (Jeremia 31:34 STV)

In het Oude Verbond zat men door geboorte in het verbond.

In het Nieuwe Verbond kennen alle leden van het verbond de Heere persoonlijk.

Dat maakt het idee van een automatisch verbondslidmaatschap door geboorte onmogelijk.

Johannes de Doper doorbreekt het verbondsdenken

Johannes de Doper ging zelfs rechtstreeks in tegen het idee dat afstamming iemand in Gods volk plaatst.

Hij zei:

“En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.” (Mattheüs 3:9 STV)

Afkomst redt niemand.

Bekering wel.

Dáárom riep Johannes op tot bekering en doop.

De gemeente ontstaat niet door geboorte

Het Nieuwe Testament leert dat iemand alleen door geloof deel krijgt aan het volk van God.

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” (Johannes 1:12 STV)

Niet geboorte, maar geloof maakt iemand tot een kind van God.

Daarom ontstaat de gemeente niet door natuurlijke afstamming, maar door wedergeboorte.

Wanneer we alle teksten naast elkaar leggen, ontstaat een helder beeld.

Mensen horen het evangelie.
Zij komen tot geloof.
Zij laten zich dopen.

De doop is geen toegang tot het verbond, maar een getuigenis van geloof.

De Bijbelse volgorde blijft daarom:

geloof → doop.

Niet:

geboorte → verbond → doop.

En juist wanneer we de Schrift laten spreken zonder kerkelijke traditie eroverheen te leggen, blijft de doop wat hij in het Nieuwe Testament is:

de bewuste belijdenis van iemand die gelooft in de gekruisigde en opgestane Christus.

Geverifieerd door MonsterInsights